|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2007-2008, 2008-2009,
31 577.
Handelingen II 2008-2009, blz. 1696-1702, 1737-1738.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 577 (A, B, C, D).
Handelingen I 2008-2009, blz. 813-828, 853-876, 909-909.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 december 2008,
Stb. 2008, 590, houdende regels met betrekking tot
participatieplaatsen en loonkostensubsidies (Wet stimulering
arbeidsparticipatie). Inwerkingtreding: 1 januari 2009 (Stb.
2008, 591).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is regels te stellen met betrekking tot participatieplaatsen
en loonkostensubsidie om zo de inschakeling in de arbeid te bevorderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen
in verband met re-integratie-instrumenten UWV
Art. I.
Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd:
A.
Aan hoofdstuk VI worden drie
artikelen toegevoegd, luidende:
Art. 78a. [MvT]
-1. Het UWV kan op aanvraag
aan de werkgever die met een werknemer die langer dan twaalf maanden
recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk
II, die niet ten
laste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, en die een
indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een dienstbetrekking,
niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de
inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten
verlenen indien de dienstbetrekking een overeengekomen duur van
ten minste twaalf maanden heeft.
-2. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt
het UWV slechts subsidie indien de derde in wiens opdracht de werknemer
ter beschikking wordt gesteld om arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht de werknemer
ten minste
twaalf maanden arbeid te
laten verrichten. Indien de uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden
wordt gevolgd door een dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de
resterende duur van de twaalf maanden, kan het UWV op aanvraag aan die
derde loonkostensubsidie verstrekken voor maximaal de resterende duur
van de twaalf maanden.
-3. Het UWV kan van de
werknemer vaststellen dat hij in aanmerking komt voor toepassing van het
eerste lid indien het UWV van oordeel is dat met het oog op de inschakeling in de arbeid geen andere voorziening
of instrument meer geschikt
is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het UWV verstrekt de
subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel
van het UWV reële behoefte bestaat aan de arbeid die op grond van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, zal worden verricht en die
arbeid geen additionele arbeid betreft;
b. indien er naar het
oordeel van het UWV een reëel uitzicht is op continuering van de
dienstbetrekking voor ten minste zes maanden na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt verstrekt,
dan wel op een op die
dienstbetrekking aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang
voor ten minste zes maanden;
c. indien ten behoeve van de
werknemer in de vijf jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in het derde lid, niet eerder loonkostensubsidie op grond van dit
artikel of
artikel 65i van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of het
Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden
is
verstrekt; en
d. indien de werknemer in de
zes maanden voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld
in artikel 76a, artikel 65g
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 67e van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 59h van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten heeft
verricht.
-5. Onder additionele arbeid
als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten
hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin,
wordt naar evenredigheid verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur
korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
-8. Indien de werknemer,
bedoeld in het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet,
wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid,
verminderd met dit
ziekengeld. In afwijking van de eerste zin wordt het subsidiebedrag, bedoeld in
het eerste lid, niet verminderd met het ziekengeld dat wordt
uitgekeerd op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de
Ziektewet.
-9. Indien aan een werkgever
met betrekking tot dezelfde werknemer loonkostensubsidie wordt
verstrekt en, op grond van artikel 47 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, een premievrijstelling geldt, wordt het
aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag
van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 47
van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-10. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om
subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt
ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-11. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel,
welke regels betrekking kunnen hebben op:
a. nadere
subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
-12. Voor het bepalen van het
tijdvak van twaalf maanden, bedoeld in het eerste lid, worden perioden
meegeteld waarin ten hoogste gedurende vier weken geen recht op
uitkering bestaat.
Art. 78b. [MvT]
Artikel 78a is van
overeenkomstige toepassing op de persoon die recht heeft op een tegemoetkoming
op grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Art. 78c.
Het UWV
kan de werknemer
die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk
II en voor
wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee
jaar. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de
Wet werk en bijstand
is van overeenkomstige toepassing.
B.
Aan hoofdstuk Xb worden twee
artikelen, waarvan de nummering aansluit op het laatste
artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 130PM (artikelnummer
hangt af van nummering andere wetsvoorstellen). [MvT]
-1. Artikel 78a vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. Artikel 78b vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. 130PM (artikelnummer
hangt af van nummering andere wetsvoorstellen). [MvT]
De loonkostensubsidie die vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden,
is verstrekt aan een werkgever ten behoeve van een persoon die op de
dag vóór aanvang van die gesubsidieerde dienstbetrekking recht had
op een uitkering op grond van deze wet en geen recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt
aangemerkt als loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
78a.
Art. II.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan hoofdstuk 3a worden drie
artikelen toegevoegd, luidende:
Art. 67f.
Loonkostensubsidie [MvT]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met een
persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die een
indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid,
een dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na
de inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de dienstbetrekking een
overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden heeft.
-2. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien de
derde in wiens opdracht de persoon die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter beschikking wordt gesteld om
arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht die
persoon ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Indien de
uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd door een
dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de resterende duur van de
twaalf maanden, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
aanvraag aan die derde loonkostensubsidie verstrekken voor maximaal de
resterende duur van de twaalf maanden.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan van de persoon die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering vaststellen dat hij in
aanmerking komt voor toepassing van het eerste lid indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de
inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt
is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen reële behoefte bestaat aan
de arbeid die op grond van de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele
arbeid betreft;
b. indien er naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een reëel uitzicht is op
continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden
na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt
verstrekt, dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende
dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden;
c. indien ten behoeve van de
persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vijf jaar voorafgaand
aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid,
niet eerder loonkostensubsidie op grond van dit artikel of het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden is verstrekt; en
d. indien de persoon die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zes maanden
voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden op een proefplaats als
bedoeld in artikel 67e of
artikel 76a van de WW heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid
als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten
hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin,
wordt naar evenredigheid verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur
korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
-8. Indien de persoon,
bedoeld in het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet,
wordt
het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid,
verminderd met dit
ziekengeld.
-9. Indien aan een werkgever
met betrekking tot dezelfde werknemer loonkostensubsidie wordt
verstrekt en, op grond van artikel 47 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, een premievrijstelling geldt, wordt het
aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag
van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 47
van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-10. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om
subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt
ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-11. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel,
welke regels betrekking kunnen hebben op:
a. nadere
subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art. 67g. [MvT]
In afwijking van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand en
artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk
en inkomen is artikel 67f van overeenkomstige
toepassing met betrekking
tot de persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing van
artikel 35, vijfde lid, alsmede de persoon op wie dat artikel, op grond van
artikel 2, tweede lid, van het Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, niet van toepassing is en wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken;
b. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen uitkering ontvangt op grond
van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Wet werk en bijstand; en
c. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen tegemoetkoming ontvangt op
grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Art. 67h.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in het
arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de
arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met
tiende lid, van de Wet werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
B.
Aan hoofdstuk 10a worden
twee artikelen toegevoegd, luidende:
Art.101d. Mogelijkheid
vervallen loonkostensubsidie [MvT]
-1. Artikel 67f vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. Artikel 67g vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. 101e. Overgangsrecht
Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden [MvT]
De loonkostensubsidie die vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden,
is verstrekt aan een werkgever ten behoeve van een persoon die op de
dag vóór aanvang van die gesubsidieerde dienstbetrekking recht had
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangemerkt als
loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 67f.
Art. III.
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan hoofdstuk 2a worden drie
artikelen toegevoegd, luidende:
Art. 59j.
Loonkostensubsidie [MvT]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met een
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid,
een dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na
de inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de dienstbetrekking een
overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden heeft.
-2. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien de
derde in wiens opdracht de jonggehandicapte die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter beschikking wordt
gesteld om arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht die
jonggehandicapte ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten.
Indien de uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd
door een dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de
resterende duur van de twaalf maanden, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op aanvraag aan die derde loonkostensubsidie verstrekken voor maximaal de resterende duur van de
twaalf maanden.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan van de jonggehandicapte die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering vaststellen dat hij in aanmerking komt voor toepassing van het eerste
lid
indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de
inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt
is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen reële behoefte bestaat aan
de arbeid die op grond van de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele
arbeid betreft;
b. indien er naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een reëel uitzicht is op
continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden
na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt
verstrekt, dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende
dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden;
c. indien ten behoeve van de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in de vijf jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, niet eerder loonkostensubsidie
op grond van dit artikel of
het Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden is
verstrekt; en
d. indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zes maanden
voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld
in artikel 59h of artikel 76a
van de Werkloosheidswet heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid
als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten
hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin,
wordt naar evenredigheid verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur
korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet. Indien ten behoeve van de betrokken werknemer artikel
59a van deze wet toepassing vindt, bedraagt de subsidie, zo nodig in
afwijking van de eerste zin, ten hoogste de aanspraak op een geldelijke
beloning voor verrichte arbeid die krachtens dat artikel
59a is
vastgesteld.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
-8. Indien de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de
Ziektewet, wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met dit
ziekengeld.
-9. Indien aan een werkgever
met betrekking tot dezelfde werknemer loonkostensubsidie wordt
verstrekt en, op grond van artikel 47 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, een premievrijstelling geldt, wordt het
aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag
van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 47
van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-10. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om
subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt
ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-11. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel,
welke regels betrekking kunnen hebben op:
a. nadere
subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art. 59k.
Loonkostensubsidie niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden [MvT]
In afwijking van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand
en artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk
en inkomen is artikel 59j van overeenkomstige
toepassing met betrekking
tot de persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing van
artikel 28, vijfde lid, alsmede de persoon op wie dat
artikel, op grond van artikel 2, tweede lid, van het
Besluit eenmalige herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten, niet van toepassing is en wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken;
b. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen uitkering ontvangt op grond
van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Wet werk en bijstand; en
c. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen tegemoetkoming ontvangt op
grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Art. 59l.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de jonggehandicapte die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering
is en die daardoor
vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele
werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de
Wet werk en bijstand is van
overeenkomstige toepassing.
B.
Na artikel 76c worden twee
artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 76d. Mogelijkheid
vervallen loonkostensubsidie [MvT]
-1. Artikel 59j vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. Artikel 59k vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. 76e. Overgangsrecht
Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden [MvT]
De loonkostensubsidie die vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden,
is verstrekt aan een werkgever ten behoeve van een persoon die op de
dag vóór aanvang van die gesubsidieerde dienstbetrekking recht had
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangemerkt als
loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
59j.
Art. IV.
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
De Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan hoofdstuk IIb worden
drie artikelen toegevoegd, luidende:
Art. 65i. [MvT]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met een
verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsverzekering waarvan het risico van
betaling niet wordt gedragen door een eigenrisicodrager en die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het
derde lid, een dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld
in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of
is aangegaan na de inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de dienstbetrekking
een overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden heeft.
-2. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien de
derde in wiens opdracht de verzekerde ter beschikking
wordt gesteld om arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever
verplicht de verzekerde ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten.
Indien de uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd
door een dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de
resterende duur van de twaalf maanden, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag aan die derde
loonkostensubsidie
verstrekken voor maximaal de resterende duur van de twaalf maanden.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan van de verzekerde die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering vaststellen dat hij in aanmerking komt voor toepassing van het eerste
lid
indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de
inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt
is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen reële behoefte bestaat aan
de arbeid die op grond van de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele
arbeid betreft;
b. indien er naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een reëel uitzicht is op
continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden
na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt
verstrekt, dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende
dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden;
c. indien ten behoeve van de
verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in de vijf jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in het derde lid, niet eerder loonkostensubsidie op grond van dit artikel of
het Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden is
verstrekt; en
d. indien de verzekerde die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zes maanden
voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid,
geen werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel 65g
of
artikel 76a van de WW heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid
als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten
hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin,
wordt naar evenredigheid verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur
korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
-8. Indien de verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet,
wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid,
verminderd met dit
ziekengeld.
-9. Indien aan een werkgever
met betrekking tot dezelfde werknemer loonkostensubsidie wordt
verstrekt en, op grond van artikel 47 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, een premievrijstelling geldt, wordt het
aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag
van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 47
van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-10. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om
subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt
ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-11. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel,
welke regels betrekking kunnen hebben op:
a. nadere
subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art. 65j. [MvT]
In afwijking van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand
en artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk
en inkomen is artikel 65i van overeenkomstige
toepassing met betrekking
tot de persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing van
artikel 34, vierde lid, alsmede de persoon op wie dat artikel, op grond van
artikel 2, tweede lid, van het Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, niet van toepassing is en wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken;
b. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen uitkering ontvangt op grond
van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Wet werk en bijstand; en
c. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen tegemoetkoming ontvangt op
grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Art. 65k.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in het
arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar
is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden
laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede
tot en met tiende lid, van de Wet werk en bijstand
is van overeenkomstige
toepassing.
B.
Aan hoofdstuk VIIIa worden
twee artikelen toegevoegd, luidende:
Art. 91f.¹ [MvT]
-1. Artikel 65i vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. Artikel 65j vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. 91g.² [MvT]
-1. De loonkostensubsidie die vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden,
is verstrekt aan een werkgever ten behoeve van een persoon die op de
dag vóór aanvang van die gesubsidieerde dienstbetrekking recht had
op:
a. een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. een tegemoetkoming op
grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten; of
c. een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
wordt aangemerkt als
loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 65i.
-2. De loonkostensubsidie die vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van de Tijdelijke
regeling brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden, is verstrekt aan
een werkgever ten behoeve
van een persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing van
artikel 34, vierde lid, van de WAO,³
artikel 35, vijfde lid, van de WAZ of
artikel 28,
vijfde lid, van de Wajong; of
b. bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingetrokken en die op de
dag vóór aanvang van die gesubsidieerde
dienstbetrekking geen recht had op een uitkering op grond van een wet waaraan
uitvoering wordt gegeven door het UWV
of de Wet werk en bijstand of een tegemoetkoming op grond van de
Tijdelijke regeling inkomensgevolgen
herbeoordeelde arbeidsongeschikten;
wordt aangemerkt als
loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 65i.
1. Volgens de redactie
dient artikel 91f te worden vernummerd tot artikel
91g.
2. Volgens de redactie dient artikel 91g te worden
vernummerd tot artikel 91h.
3. Volgens de redactie dient
"van de WAO" te vervallen of kan eventueel, voor alle
duidelijkheid, "van de WAO" worden vervangen door: van deze
wet.
Art. V.
Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen [MvT]
De Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan hoofdstuk 4, paragraaf 4.2, worden twee artikelen toegevoegd,
luidende:
Art. 37a.
Loonkostensubsidie [MvT]
-1. Het UWV kan op aanvraag
aan de werkgever die met een persoon die recht heeft op een
WGA-uitkering waarvan het risico van betaling niet wordt gedragen door een
eigenrisicodrager en die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het
derde lid, een dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking
als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet
sociale werkvoorziening,
aangaat of is aangegaan na de inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de
dienstbetrekking een overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden heeft.
-2. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt
het UWV slechts subsidie indien de derde in wiens opdracht de persoon
die recht heeft op een WGA-uitkering ter beschikking wordt gesteld om
arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht die
persoon ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Indien de
uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd door een
dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de resterende duur van de
twaalf maanden, kan het UWV op aanvraag aan die derde loonkostensubsidie
verstrekken voor maximaal de resterende duur van de twaalf maanden.
-3. Het UWV kan van de
persoon die recht heeft op een WGA-uitkering vaststellen dat hij in
aanmerking komt voor toepassing van het eerste lid indien het UWV van oordeel
is dat met het oog op de inschakeling in de arbeid geen andere
voorziening of instrument meer geschikt is. De vaststelling, bedoeld in de
eerste zin, geschiedt bij indicatiebeschikking.
-4. Het UWV verstrekt de
subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel
van het UWV reële behoefte bestaat aan de arbeid die op grond van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, zal worden verricht en die
arbeid geen additionele arbeid betreft;
b. indien er naar het
oordeel van het UWV een reëel uitzicht is op continuering van de
dienstbetrekking voor ten minste zes maanden na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt verstrekt,
dan wel op een op die
dienstbetrekking aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang
voor ten minste zes maanden; en
c. indien ten behoeve van de
persoon die recht heeft op een WGA-uitkering in de vijf jaar voorafgaand aan
de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, niet eerder loonkostensubsidie op grond van dit artikel is verstrekt; en
d. indien de persoon die
recht heeft op een WGA-uitkering in de zes maanden voorafgaand aan de
indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden op
een proefplaats als bedoeld in artikel 37 heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid
als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten
hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin,
wordt naar evenredigheid verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur
korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
-8. Indien de persoon die
recht heeft op een WGA-uitkering, bedoeld in het eerste lid, ziekengeld
ontvangt op grond van de Ziektewet, wordt het, naar werkdagen herleide, aan
de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid,
verminderd met dit ziekengeld.
-9. Indien aan een werkgever
met betrekking tot dezelfde werknemer loonkostensubsidie wordt
verstrekt en, op grond van artikel 47 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, een premievrijstelling geldt, wordt het
aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag
van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 47
van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-10. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om
subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt
ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-11. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel,
welke regels betrekking kunnen hebben op:
a. nadere
subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art. 37b.
Het UWV kan de persoon die recht heeft op een
WGA-uitkering en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is
en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt,
onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende
maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de
Wet werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
B.
Aan hoofdstuk 13 wordt een
artikel toegevoegd, luidende:
Art. 133d. [MvT]
Artikel 37a vervalt op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. VI.
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen [MvT]
De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Na artikel 30d wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 30e. Uitstroom vanuit
loonkostensubsidie naar reguliere arbeid [MvT]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wijst een verzoek om een loonkostensubsidie
ingevolge de artikelen 78a van de Werkloosheidswet,
67f van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
59j van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,
65i van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en 37a van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen af indien er geen reëel
uitzicht is op continuering van de betrokken dienstbetrekking of een dienstbetrekking bij
een andere werkgever na beëindiging van de subsidie. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert daarbij een
beoordelingskader van relevante indicatoren en volgt het verloop van de
dienstbetrekkingen waarvoor een loonkostensubsidie is verleend tot ten minste
twee maanden na beëindiging van de subsidie. Indien blijkt dat de
toekenning van loonkostensubsidies niet in ten minste 50% van de beslissingen is
uitgemond in een dienstbetrekking van ten minste zes maanden, stelt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het beoordelingskader bij op
basis van de verworven inzichten, teneinde met de
toekenningen in de volgende periode ten minste een dergelijke
uitkomst te realiseren.
B.
Na artikel 83l wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 83la. Overgangsrecht
vervallen loonkostensubsidie
Artikel 30e vervalt op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. VII.
Wet financiering sociale
verzekeringen [MvT]
De Wet financiering sociale
verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 104, vijfde lid,
komt te luiden:
-5. Ten laste van het
sectorfonds komen voorts:
a. de kosten die
rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel
30, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk
en inkomen ten aanzien
van een betrokkene indien deze ten tijde van het aanvangen
van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf,
bedoeld in het zesde lid van dat artikel, een uitkering als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel d, ontvangt; en
b. de loonkostensubsidie,
bedoeld in artikel 37a van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, indien de uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever aan
wie de
loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of
is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft
op een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
B. [MvT]
Aan artikel 117, negende
lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b
door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. de loonkostensubsidie,
bedoeld in artikel 65i van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
indien de uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever aan wie de
loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of
is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft
op een uitkering die ten laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas.
C. [MvT]
Artikel 117b, vijfde lid,
komt te luiden;
-5. Ten laste van de
Werkhervattingskas komen voorts:
a. de bedragen van de
premiekorting en de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in
afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de gedifferentieerde premie ten
behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel
38; en
b. de loonkostensubsidie,
bedoeld in artikel 37a
van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, indien de uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever aan
wie de
loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of
is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft
op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen
in verband met participatieplaatsen
Art. VIII.
Wet werk en bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand
wordt als volgt gewijzigd:
A.¹ [MvT]
Artikel 6 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het opschrift wordt
vervangen door: Niet-uitkeringsgerechtigde, arbeidsinschakeling, sociale
activering en startkwalificatie.
2. Onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma wordt een
onderdeel toegevoegd, luidende:
d. startkwalificatie: een
diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onderdeel b tot en met e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs of
een
diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de
Wet op het
voortgezet onderwijs.
B.² [MvT]
Artikel 8 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Aan het eerste lid worden,
onder de vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door
een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
d. de scholing of opleiding,
bedoeld in artikel 10a, vijfde lid;
e. de premie, bedoeld in
artikel 10a, zesde lid.
2. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. De regels, bedoeld in het
eerste lid, hebben:
a. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel a, in ieder geval betrekking op de
evenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, genoemde
groepen, alsmede voor verschillende doelgroepen daarbinnen, en
op de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken;
b. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel e, in ieder geval betrekking op de hoogte van
de premie in relatie tot de armoedeval.
C. [MvT]
Artikel 10a wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het vijfde tot en met
zevende lid vervallen.
2. Er worden zes leden
toegevoegd, luidende:
-5. Het college biedt aan
degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en
die niet beschikt over een startkwalificatie, na een periode van zes maanden
na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot
de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden
indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet
bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van
belanghebbende. [MvT]
-6. Het college verstrekt aan
belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op
grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie
als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, indien hij naar
het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt
aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces. [MvT]
-7. Indien het college en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn overeengekomen dat
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is op een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een
uitkering verstrekt, dient bij de toepassing van het eerste lid voor
"algemene bijstand" te worden gelezen: uitkering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. [MvT]
-8. Met betrekking tot degene
die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht,
beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang
van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op
inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet
het geval is, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden
twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd. [MvT]
-9. Met betrekking tot degene
die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht,
beoordeelt het college vóór afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan
met het oog op in de persoon
gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces
aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van
twee jaar verlengen met één jaar, onder de voorwaarde dat de
belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele
werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft
verricht. [MvT]
-10. Indien de termijn van
twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het
college vóór afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het
oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het
arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het
college de termijn nogmaals verlengen met één jaar. [MvT]
D. [MvT]
In artikel 31, tweede lid,
onderdeel j, wordt "eenmalige" vervangen door: een- of
tweemalige.
1. Onderdeel A
is ingevolge artikel XI, eerste lid, komen te
vervallen, red.
2. Ingevolge de aanhef van artikel XIa, eerste
lid, wordt onderdeel B vervangen door het in dat lid
genoemde onderdeel B, en treedt ingevolge artikel
1 van het Besluit van 29 december 2008, Stb.
2008, 591, in werking met ingang van 1 april 2009, red.
Art. IX.
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
als volgt gewijzigd:
A.¹ [MvT]
Aan artikel 4a wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. startkwalificatie: een
diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onderdeel b tot en met e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs of
een
diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de
Wet op het
voortgezet onderwijs.
B.² [MvT]
Artikel 35 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De gemeenteraad stelt bij
verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
b. de scholing of opleiding,
bedoeld in artikel 38, vijfde lid;
c. de premie, bedoeld in
artikel 38, zesde lid.
2. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. De regels, bedoeld in het
eerste lid, hebben:
a. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel a, in ieder geval betrekking op de taken
vermeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
b. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel c, in ieder geval betrekking op de hoogte van
de premie in relatie tot de armoedeval.
C. [MvT]
Artikel 38 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het vijfde tot en met
zevende lid vervallen.
2. Er worden vijf leden
toegevoegd, luidende:
-5. Het college biedt aan
degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en
die niet beschikt over een startkwalificatie, na een periode van zes maanden
na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot
de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden
indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet
bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van
belanghebbende.
-6. Het college verstrekt aan
belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op
grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een
premie
indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden
voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
inschakeling in het arbeidsproces.
-7. Met betrekking tot degene
die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht,
beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang
van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op
inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet
het geval is, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden
twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.
-8. Met betrekking tot degene
die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht,
beoordeelt het college vóór afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan
met het oog op in de persoon
gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces
aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van
twee jaar verlengen met één jaar, onder de voorwaarde dat de
belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele
werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht
-9. Indien de termijn van
twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college
vóór afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in de
persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het
arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de
termijn nogmaals verlengen met één jaar.
1. Onderdeel A
is ingevolge artikel XI, eerste lid, komen te
vervallen, red.
2. Ingevolge artikel 1 van het Besluit
van 29 december 2008, Stb. 2008, 591, treedt onderdeel
B in werking met ingang van 1 april 2009, red.
Art.
X.
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt
als volgt gewijzigd:
A.¹ [MvT]
Aan artikel 4a wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. startkwalificatie: een
diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onderdeel b tot en met e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs of
een
diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de
Wet op het
voortgezet onderwijs.
B.² [MvT]
Artikel 35 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De gemeenteraad stelt bij
verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
b. de scholing of opleiding,
bedoeld in artikel 38, vijfde lid;
c. de premie, bedoeld in
artikel 38, zesde lid.
2. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. De regels, bedoeld in het
eerste lid, hebben:
a. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel a, in ieder geval betrekking op de taken
vermeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a
b. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel c, in ieder geval betrekking op de hoogte van
de premie in relatie tot de armoedeval.
C. [MvT]
Artikel 38 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het vijfde tot en met
zevende lid vervallen.
2. Er worden vijf leden
toegevoegd, luidende:
-5. Het college biedt aan
degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en
die niet beschikt over een startkwalificatie, na een periode van zes maanden
na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot
de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden
indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet
bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van
belanghebbende.
-6. Het college verstrekt aan
belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op
grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie
indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden
voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
inschakeling in het arbeidsproces.
-7. Met betrekking tot degene
die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht,
beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang
van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op
inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet
het geval is, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden
twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.
-8. Met betrekking tot degene
die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht,
beoordeelt het college vóór afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan
met het oog op in de persoon
gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces
aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van
twee jaar verlengen met één jaar, onder de voorwaarde dat de
belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele
werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft
verricht.
-9. Indien de termijn van
twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college
vóór afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in de
persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het
arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de
termijn nogmaals verlengen met één jaar.
1. Onderdeel
A is ingevolge artikel XI, eerste lid, komen te
vervallen, red.
2. Ingevolge artikel 1 van het Besluit
van 29 december 2008, Stb. 2008, 591, treedt onderdeel
B in werking met ingang van 1 april 2009, red.
HOOFDSTUK 3
Slotbepalingen
Art. XI.
Samenloop met wetsvoorstel ontheffing arbeidsplicht alleenstaande
ouders [MvT]
-1. Indien het bij
koninklijke boodschap van 27 juni 2008 ingediende voorstel van wet houdende
wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het opnemen
van nadere bepalingen met
betrekking tot de plicht tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder
met een kind dat de leeftijd van 5 jaar nog niet heeft
bereikt (Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande
ouders) (Kamerstukken 31 519) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is
getreden of treedt dan onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als
de artikelen VIII tot en met X van deze wet, vervallen
artikel VIII, onderdeel A, artikel IX, onderdeel
A, en artikel X, onderdeel A, van deze wet
-2. Indien het bij
koninklijke boodschap van 27 juni 2008 ingediende voorstel van wet houdende
wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het opnemen
van nadere bepalingen met
betrekking tot de plicht tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder
met een kind dat de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft
bereikt (Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders) (Kamerstukken
31 519) tot wet is of wordt verheven en later in werking treedt dan de
artikelen VIII tot en met X van deze wet, vervallen artikel I, onderdeel
A,
artikel II, onderdeel A, en artikel III, onderdeel
A, van die wet.
Art.
XIa. Samenloop met wetsvoorstel decentralisering van de
langdurigheidstoeslag
-1. Indien het bij
koninklijke boodschap van 29 april 2008 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met decentralisering van
de
langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke
participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen
(Kamerstukken 31 441) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder
in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op
dezelfde datum in werking treedt als, artikel VIII, onderdeel
B, komt artikel VIII, onderdeel B, van deze wet te luiden:
B.
Artikel 8 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Aan het eerste lid worden,
onder de vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door
een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
e. de scholing of opleiding,
bedoeld in artikel 10a, vijfde lid;
f. de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid.
2. Aan het tweede lid wordt,
onder de vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door
een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel f, in ieder geval betrekking op de hoogte van
de premie in relatie tot de armoedeval.
-2. Indien het bij
koninklijke boodschap van 29 april 2008 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met decentralisering van
de
langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke
participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen
(Kamerstukken 31 441) tot wet is of wordt verheven en later in
werking treedt dan artikel VIII, onderdeel B, wordt artikel I, onderdeel
B, van
die wet als volgt gewijzigd:
1. In het eerste
subonderdeel wordt "onderdeel c" vervangen door "onderdeel
e" en wordt "d."
vervangen door: f..
2. Het tweede subonderdeel
komt te luiden:
2. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. De regels, bedoeld in het
eerste lid, hebben:
a. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel a, in ieder geval betrekking op de
evenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, genoemde
groepen, alsmede voor verschillende doelgroepen daarbinnen, en
op de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken;
b. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel e, in ieder geval betrekking op de hoogte van
de premie in relatie tot de armoedeval;
c. voor zover het gaat om
het eerste lid, onderdeel f, in ieder geval betrekking op de hoogte van
de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan
de begrippen langdurig en laag inkomen.
Art. XII.
Intrekking Wet horizonbepaling
participatieplaatsen [MvT]
De Wet horizonbepaling
participatieplaatsen wordt ingetrokken.¹
1. Redactie: De Wet horizonbepaling
participatieplaatsen is gepubliceerd in Staatsblad 2008, 594, en
is ingevolge artikel II van die wet in werking getreden met ingang van
31 december 2008. Artikel I van die wet luidt:
Art. I.
De artikelen 10a van de Wet
werk en bijstand, 38 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, 38 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen en IV van de Wet
van 10 juli 2008, houdende een wijziging van de Wet werk en bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen om gemeenten meer zekerheid te
geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het
arbeidsproces met behoud van uitkering gedurende maximaal twee jaar
onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten (Stb.
2008, 284) vervallen twee jaar na hun inwerkingtreding.
Art. XIII.
Inwerkingtreding [MvT]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 29 december 2008, Stb. 2008, 591, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2009, met uitzondering van de artikelen
VIII, onderdeel B, IX, onderdeel B, en X,
onderdeel B, die in werking treden met ingang van 1 april 2009. red.
Art. XIV.
Citeertitel [MvT]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet stimulering arbeidsparticipatie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 december 2008
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
Uitgegeven de dertigste
december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|