Het regeringsbeleid is
gericht op een substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie in het
algemeen en het betrekken van mensen met een grote(re) afstand tot de
arbeidsmarkt in het bijzonder. Participatie biedt mensen de mogelijkheid om
"bij te blijven" in een veranderende samenleving, een gelegenheid om nieuwe
kennis en vaardigheden op te doen. Het is een middel tot
ontplooiing en integratie. Daarnaast is dit noodzakelijk vanwege de flink oplopende
vergrijzingskosten in de komende decennia en om het draagvlak
voor de verzorgingsstaat te vergroten. Er staan nog steeds te veel
mensen langs de kant met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt, terwijl
deze groep wel mogelijkheden heeft. Het betrekken van deze groep
vraagt extra investeringen in hen. Meerdere partijen hebben hierin een verantwoordelijkheid.
Gemeenten en Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
(UWV) zijn verantwoordelijk om mensen met een grote(re)
afstand te begeleiden naar werk. In de nieuwe locatie werk en inkomen (LWI)
bieden zij samen met Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI) ¹ lokaal hun diensten aan die zij via maatwerk kunnen inzetten. Werkgevers
hebben ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor het investeren in
mensen die wat verder van de arbeidsmarkt af staan én
het is primair in het belang van de werkgever zélf dat er voldoende
geschikte arbeidskrachten zijn. Van de werkzoekende mag de wil worden verwacht
te participeren en hiervoor inspanningen te leveren. Het kabinet
realiseert zich dat de inschakeling van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt
veel inspanningen van partijen zal vergen, maar acht die inspanningen
wel kansrijk.
1. Vanaf 1 januari 2009
zullen UWV en CWI naar verwachting integreren.
Daartoe strekt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere
wetten in verband met de evaluatie van deze
wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en deregulering, Kamerstukken II 2007-2008, 31
514, nr. 1. In deze memorie wordt nog uitgegaan
van de huidige situatie.
Wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel regelt de
mogelijkheid voor het UWV om loonkostensubsidie in te zetten voor de
arbeidsparticipatie van cliënten in het UWV-domein met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt.º Tevens regelt dit wetsvoorstel een wijziging van de Wet
werk en bijstand (Wwb), de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)
en de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), zoals die zijn komen te luiden na
inwerkingtreding van het voorstel van Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk rblz.|2|
arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: Wet
participatieplaatsen),¹ door toevoeging van de
instrumenten scholing en
premie aan de participatieplaatsen, door aanscherping van de
voorwaarden waaronder een participatieplaats kan worden voortgezet en door
het mogelijk maken van de participatieplaatsen voor UWV-cliënten.²
0. Redactie:
Ingevolge de artikelen II tot en met VI van de
Wet tot wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen
en enige andere wetten in verband met de
invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder is tevens de voorwaarde aan de
loonkostensubsidie gesteld dat de UWV-cliënt jonger dan 50 jaar dient
te zijn.
1. Dit wetsvoorstel is op 31
oktober 2006 door het vorige kabinet bij de
Eerste Kamer aanhangig gemaakt
(Kamerstukken I 2005-2006, 30 650, A) en inmiddels door de Eerste Kamer aanvaard. De
Wet
participatieplaatsen is op 18 juli 2008 in
werking getreden (Stb. 2008, 284 en 285).
2. Zoals bij brief van 6
december 2007 aan de Tweede Kamer inzake
maatregelen ter bevordering van de arbeidsparticipatie
is aangekondigd (Kamerstukken II 2007-2008, 29
544, 31 200 XV, nr. 127).
2. Loonkostensubsidie UWV
2.1. Algemeen
Dit onderdeel van het
wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid voor het UWV
om een tijdelijke
loonkostensubsidie toe te kennen aan werkgevers die cliënten in het UWV-domein met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
in dienst nemen. Het gaat
hierbij om langdurig werklozen met een WW-uitkering, om arbeidsongeschikten
met
een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WGA, WAO, WAZ,
Wajong) ¹ en
om herbeoordeelde arbeidsongeschikten. Doel is, in lijn met het
kabinetsbeleid, de arbeidsparticipatie van groepen met een
moeilijke positie op de arbeidsmarkt te stimuleren.
1. De Werkloosheidswet, de
werkhervattingsregeling gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA) uit de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen (Wet WIA); de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Bij brief van 6 december
2007 aan de Tweede Kamer inzake maatregelen ter bevordering van de
arbeidsparticipatie ¹ heeft het kabinet aangekondigd de loonkostensubsidie voor
UWV-cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te zullen
uitwerken. Daarbij is het instrument loonkostensubsidie gepresenteerd in samenhang
met maatregelen die beogen de activering vanuit de
uitkering te versterken.
In de brief is aangegeven
dat in aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheid van loonkostensubsidies door
gemeenten de mogelijkheid wordt gecreëerd voor het UWV om
loonkostensubsidies in te zetten voor mensen die langer dan één jaar
werkloos zijn en voor arbeidsongeschikten. Dit bevordert de
samenwerking met gemeenten in de locaties werk en
inkomen. Van belang is dat
verschillende uitvoerders (het UWV en de gemeenten) over een
vergelijkbaar instrument loonkostensubsidie beschikken dat zij bij een
grote afstand tot de arbeidsmarkt via maatwerk gericht kunnen inzetten.
Ook de Commissie
Arbeidsparticipatie heeft geadviseerd tot invoering van de mogelijkheid van een
tijdelijke loonkostensubsidie voor langdurige werklozen. Dit wetsvoorstel
voorziet hierin. In navolging van de voorstellen van de Commissie zal het
kabinet voorts maatregelen introduceren om werkgevers te stimuleren
oudere werklozen aan te nemen. Daartoe zal het kabinet via een separaat
wetsvoorstel een gerichte tijdelijke premiekorting uitwerken voor het in dienst
nemen van oudere werklozen [zie Wet tot wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen
en enige andere wetten in verband met de
invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder, red.].
1. Kamerstukken II 2007-2008,
29 544, 31 200 XV, nr. 127.
Doel van het instrument
loonkostensubsidie is de kansen op regulier werk voor UWV-cliënten met een
grote afstand tot de arbeidsmarkt te bevorderen. Door de mogelijkheid van een
tijdelijke loonkostensubsidie kunnen bestaande belemmeringen aan
de vraagkant van de arbeidsmarkt worden weggenomen en wordt een brug
geslagen naar duurzaam en regulier werk. De inzet van
loonkostensubsidie is hierbij geen doel op zich, maar erop gericht om in minimaal
50% van de gevallen dat loonkostensubsidie is toegekend een opstap te
vormen naar regulier, duurzaam werk van ten minste zes maanden.
De werking van de
loonkostensubsidie die in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, wordt versterkt door de
voorgenomen maatregelen in het kader van de WW die belemmeringen
voor werkhervatting aan de aanbodskant van de arbeidsmarkt
wegnemen. Deze maatregelen zijn aangekondigd in genoemde brief van 6
december 2007. Het betreft allereerst enkele aanpassingen van de regels
voor passende arbeid, die zijn opgenomen in rblz.|3|
de Richtlijn
passende arbeid 2008 (Stcrt. 2008, 123) en op 1 juli 2008 van kracht zijn
geworden. Daarnaast gaat het om de
overstap op inkomstenverrekening bij werkhervatting door langdurig werklozen en de taak voor
het UWV om aan
langdurig werklozen een
werkaanbod te doen. Dit wordt thans in een separaat wetsvoorstel
uitgewerkt. Deze maatregelen bevorderen dat langdurig werklozen weer aan het werk
gaan.
Tot de doelgroep van
dit
wetsvoorstel behoren ook arbeidsongeschikten die herbeoordeeld zijn in
het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie en die na hun herbeoordeling
nog een uitkering ontvangen op grond van een wet, of de TRI [Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten
(Triha), red.] die door het UWV
wordt uitgevoerd. Voor hen is thans, als uitwerking
van de afspraken in het Coalitieakkoord, het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden (Stb. 2008, 64) getroffen. Dit besluit biedt vanaf 29 februari 2008 de
mogelijkheid dat het UWV loonkostensubsidie verstrekt aan werkgevers die
herbeoordeelden in dienst nemen. Omdat dit een tijdelijk besluit
is, is het in het onderhavige voorstel geïncorporeerd. Loonkostensubsidie voor
werkgevers van herbeoordeelden wordt derhalve na aanvaarding van
dit wetsvoorstel gegeven op grond van deze wet. Hetzelfde geldt voor
herbeoordeelden die geen uitkering van het UWV ontvangen. Voor hen
geldt thans de Tijdelijke regeling
brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden (Stcrt.
2008, 41).
Een gerichte inzet van het
instrument is gewenst. Dit vloeit ook voort uit de recente lessen van de
beleidsdoorlichting re-integratie. Studies van onder andere de
Organisation
for Economic Cooperation and Development (OECD) naar vormen van
gesubsidieerde arbeid en inzet van loonkostensubsidie laten
zien dat generieke (loon)kostensubsidies aan werkgevers en directe
banencreatie in de publieke sector ineffectief zijn als het gaat om doorstroming
naar reguliere arbeid. Wanneer echter loonkostensubsidies
tijdelijk zijn en specifiek worden ingezet voor personen met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt is dat beeld gunstiger. De effectiviteit wordt vergroot wanneer de subsidie gepaard
gaat met een goede
begeleiding (inclusief monitoring en handhaving van de verplichtingen) en/of
functiegerichte scholing.
Met deze regeling ontstaat
voor werkgevers, maar ook voor branches en sectoren, een aantrekkelijk
perspectief om te voorzien in knelpunten in de personeelsvoorziening en om
in potentiële werknemers te investeren met het oog op een steeds
krapper wordende arbeidsmarkt. De combinatie van een scholingsinvestering
vanuit branches en sectoren met de loonkostensubsidie stelt de werkgever in de
gelegenheid om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Het is ook in het
belang van de werkgever dat
daarbij het perspectief op regulier, duurzaam werk steeds in het oog wordt
gehouden.
De mogelijkheid van
loonkostensubsidie biedt uitkeringsgerechtigden zonder werk aantrekkelijke
kansen. Allereerst ontstaat perspectief op een duurzame reguliere baan
waarmee zelfstandig in het bestaan kan worden voorzien. Daarmee verbonden
zijn andere aspecten van werk, zoals het opnieuw opdoen van
arbeidsritme en werkervaring, verdere persoonlijke ontwikkeling als het
vergroten van het vertrouwen in de eigen mogelijkheden en aanleren van
vaardigheden, en het opbouwen van netwerken. In de tweede plaats is er
het perspectief van inkomensvooruitgang. Dit geldt veelal reeds voor de
periode waarin betrokkene met subsidie aan de slag gaat tegen het geldende
CAO-loon, maar, belangrijker nog, indien werkgever en werknemer erin
slagen om deze baan om te zetten in een duurzame plaatsing erna.
In de derde plaats is van
belang dat de uitkeringsgerechtigde zo nodig voorafgaand aan en gedurende
de indiensttreding adequate begeleiding ontvangt. Hierdoor worden de
kansen op regulier werk vergroot. rblz.|4|
Uiteraard is het van
cruciaal belang dat werknemers gemotiveerd zijn en dat het proces rondom de
werkhervatting goed wordt begeleid, waar nodig ook door versterking
van vaardigheden. Het UWV is met name verantwoordelijk voor de
begeleiding van het proces tot aan werkaanvaarding. De werkgever is vervolgens,
na werkaanvaarding, verantwoordelijk voor begeleiding en zo nodig
vergroting van vaardigheden. Uiteindelijk doel is immers
dat de werknemer zich ontwikkelt en zich kan bewijzen zodat hij duurzaam
in het arbeidsproces blijft ingeschakeld zonder dat subsidie aan de
orde is.
Tot slot is van belang dat
de administratieve lasten voor werkgevers maximaal worden beperkt. Daartoe is
noodzakelijk dat de matching van werkzoekenden en werkgevers snel en soepel
verloopt; hetzelfde geldt voor de afwikkeling van de
loonkostensubsidie.
2.2. Hoofdlijnen
loonkostensubsidie in het UWV-domein
In deze paragraaf komt een
aantal hoofdlijnen van het voorstel inzake loonkostensubsidie aan de orde.
a. Doel en karakter: extra
re-integratie-instrument, als opstap naar regulier werk
De loonkostensubsidie is een
extra instrument ten opzichte van het reguliere re-integratie-instrumentarium
van het UWV. Kern van het re-integratiebeleid is dat personen die op eigen
kracht aan de slag kunnen komen geen ondersteuning nodig
hebben; degenen die, gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt,
ondersteuning nodig hebben, kunnen een beroep doen op het instrumentarium van
het UWV.
Doel van de
loonkostensubsidie is een brug te vormen naar regulier werk (duurzame plaatsing) voor
degene voor wie het UWV vaststelt dat dit het meest geschikte instrument
naar regulier en duurzaam werk is. De subsidie is gerechtvaardigd
om werknemer en werkgever een zekere periode te geven aan elkaar
te wennen en om de werknemer die vanuit een zwakkere
arbeidsmarktpositie in dienst treedt, te integreren in het arbeidsproces. De subsidie
kan worden verstrekt aan een werkgever die bereid is een UWV-cliënt
met loonkostensubsidie in dienst te nemen voor ten minste één jaar. De baan
zelf is een concrete functie bij een werkgever (markt of collectieve
sector) - hetgeen blijkt uit een arbeidsovereenkomst - met reëel uitzicht op
regulier werk van ten minste zes maanden na afloop van de loonkostensubsidie.
b. Doelgroep
De eerste en meest
omvangrijke doelgroep bestaat uit personen met een WW-uitkering met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt. Binnen deze groep WW-gerechtigden is een
deel dat niet met het reguliere instrumentarium geholpen kan worden en
waarvoor de loonkostensubsidie een goed aanvullend instrument is. Als voorwaarde is gesteld dat het moet
gaan om werklozen die ten
minste één jaar werkloos zijn. Uit ervaringsgegevens blijkt dat circa 80% van de
WW-gerechtigden na één jaar is uitgestroomd.
Bij de tweede doelgroep,
arbeidsongeschikten, gaat het om drie subgroepen. Als regel zal
het gaan om gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Loonkostensubsidie voor volledig arbeidsongeschikten is op grond van
het wetsvoorstel echter niet
uitgesloten. Zoals aangegeven, zal het UWV steeds moeten beoordelen of loonkostensubsidie voor betrokkene het
meest geschikte instrument
is.
De eerste subgroep bestaat
uit personen met een WGA-uitkering, bedoeld in hoofdstuk 7 van de
Wet
WIA, en personen die instromen in de Wajong.
rblz.|5|
De tweede subgroep bestaat
uit herbeoordeelden WAO, WAZ
en Wajong in het kader van de
eenmalige herbeoordelingsoperatie die na de herbeoordeling nog een uitkering van het
UWV ontvangen of wiens uitkering
is ingetrokken. Zij vormden
reeds de doelgroep van het Tijdelijk besluit
brugbanen herbeoordeelden. Streven is dat in elk geval 10 000 herbeoordeelden via de inzet
van loonkostensubsidie aan werk worden geholpen.
De derde subgroep bestaat
uit personen met een bestaande WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering die
vrijgesteld zijn van de eenmalige herbeoordelingsoperatie. Het gaat hier voornamelijk
om arbeidsongeschikten die op 1 juli 2004 ouder dan 50 jaar
waren. Personen uit deze (omvangrijke) doelgroep kunnen in aanmerking komen
voor een actieve aanpak wanneer zij zelf daartoe het initiatief nemen
of na een professionele herbeoordeling daartoe worden geïndiceerd.
Het gebruik en effect van
het instrument loonkostensubsidie zal door het UWV worden gemonitord.
Daarbij zullen loonkostensubsidies voor herbeoordeelden (brugbanen)
apart worden gemonitord. Dit zal in het kader van de jaarplancyclus
in beeld worden gebracht.
Hiervoor is aangegeven voor
welke UWV-cliënten een werkgever loonkostensubsidie kan ontvangen. Werkgevers
hebben hierdoor ruime mogelijkheden om met behulp van
loonkostensubsidie vacatures te vervullen om zo knelpunten in de
personeelsvoorziening op te lossen. Het aantal UWV-cliënten is immers
aanzienlijk. Cliënten die door het UWV zijn geïndiceerd, kunnen door alle werkgevers
in dienst worden genomen.
Het instrument
loonkostensubsidie geldt niet voor werklozen of arbeidsongeschikten voor wie een werkgever
eigenrisicodrager is. De eigenrisicodrager (WGA/WAO of
WW) is immers
zelf verantwoordelijk voor de re-integratie van deze (ex-)werknemers en heeft ook een groot belang bij
re-integratie, omdat hij
zelf volledig de uitkeringslasten draagt. Ingeval de eigenrisicodrager zelf
verantwoordelijk is, bepaalt hij zelf op welke wijze hij zijn
re-integratieverantwoordelijkheid invult. Hij heeft daarin dus een grote
mate van vrijheid; de
eigenrisicodrager kan bijvoorbeeld zelf een (vorm van) subsidie aanbieden aan
de ontvangende werkgever. Bij deze verantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager is
het niet logisch dat de nieuwe werkgever van zijn (ex-)werknemer
in aanmerking kan komen voor een loonkostensubsidie die door
het UWV wordt verstrekt en uit publieke middelen wordt gefinancierd.
Daarmee zou ook een deel van de financiële prikkel voor eigenrisicodragers worden weggenomen. Deze werkgevers
kunnen wel UWV-cliënten met
behulp van loonkostensubsidie in dienst nemen, waarvoor zij het
eigen risico niet dragen.
c. Wettelijke taakopdracht
aan het UWV
Bij toekenning van een
loonkostensubsidie dient het UWV te beoordelen of er reëel uitzicht
bestaat op regulier werk van ten minste zes maanden (duurzame plaatsing) na
afloop van de loonkostensubsidie. Deze subsidievoorwaarde wordt in de materiewetten
vastgelegd.
Het uiteindelijke doel is
dat ten minste 50% van de UWV-cliënten die met een tijdelijke subsidie aan
het werk worden geholpen, doorstromen naar regulier werk, zonder
subsidie. Dit wetsvoorstel bevat daarom een wettelijke taakopdracht in de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) aan het
UWV die erop gericht is dat deze doelstelling wordt gehaald. De
desbetreffende bepaling voorziet in een systematiek waarbij het behalen van de
50%-doelstelling in de uitvoering continu vooropstaat en maximaal
wordt geborgd.
De opdracht aan het UWV
omvat drie punten. De opdracht houdt allereerst in dat het UWV bij de
beoordeling van de subsidievoorwaarde of sprake is van een reëel uitzicht op duurzame plaatsing een beoordelingskader
met relevante criteria
hanteert. Dit beoordelingskader wordt door rblz.|6|
het UWV opgesteld. Hierbij
wordt gedacht aan een globaal kader, waarbij de bureaucratische belasting
zoveel mogelijk wordt beperkt. In de tweede plaats gaat het UWV na of
degenen voor wie subsidie is verleend na de subsidieperiode ook een
dienstbetrekking van ten minste zes maanden hebben gekregen.¹ Dit is
noodzakelijk om vast te stellen of inderdaad in ten minste 50% van de
gevallen sprake is van duurzame plaatsing. Wanneer de 50%-doelstelling
niet wordt gehaald, stelt het UWV in de derde plaats het
beoordelingskader zodanig bij dat deze 50% uitstroom naar regulier werk wel wordt
behaald. Het is van belang dat het UWV in dit proces zicht heeft op de
regionale uitvoering zodat waar nodig de bijsturing specifiek daarop
kan worden ingericht.
Overigens hebben de
bepalingen inzake loonkostensubsidie in beginsel een tijdelijk karakter. Het
kabinet heeft immers alleen voor de komende jaren financiële middelen
beschikbaar. Het betreft hierbij de jaren 2009 tot en met 2011, met 2012 als
een uitloopjaar voor loonkostensubsidie die het jaar daarvoor is gestart
(zie ook paragraaf 2.5. Financiële gevolgen). Het instrument zal zijn waarde
derhalve in deze jaren moeten bewijzen. Dit biedt aan alle betrokkenen
een prikkel om tijdig gebruik te maken van dit instrument om
uitkeringsgerechtigden te plaatsen op een vacature. In verband daarmee wordt in dit
wetsvoorstel voorgesteld dat de artikelen die de grondslag vormen voor
verstrekking van loonkostensubsidie vervallen op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het ligt in de rede dat dit tijdstip zal
aansluiten bij het tijdstip waarop hiervoor geen financiële middelen meer beschikbaar
zijn, derhalve in beginsel 1 januari 2013. De mogelijkheid daartoe kan
ook eerder aan bod komen, wanneer in de praktijk na verloop van tijd
zou blijken dat het instrument ondanks de gekozen randvoorwaarden en
getroffen maatregelen niet aan zijn doel (vergroting van de
mogelijkheden tot regulier werk binnen verantwoorde kaders) beantwoordt.
Voorshands gaat het kabinet ervan uit dat het voorliggende voorstel alle noodzakelijke
waarborgen omvat om het gestelde doel binnen de gestelde
periode wel te bereiken.
1. In het wetsvoorstel wordt
aangegeven dat het UWV de ontwikkeling
volgt na afloop van de subsidie. Met "volgen"
wordt uitsluitend gedoeld op het monitoren van het beoogde 50%-doorstroomresultaat.
d. Beoordeling door het UWV
Het wetsvoorstel bevat de
mogelijkheid voor het UWV om loonkostensubsidies toe te kennen aan
werkgevers die UWV-cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
in dienst nemen. Het behoren tot de doelgroep betekent niet dat betrokkene
zonder meer voor loonkostensubsidie in aanmerking komt. Het gaat
bij de subsidieverstrekking, net als bij
gemeenten, om een
bevoegdheid voor het UWV, niet om een recht voor een werknemer of werkgever.
De subsidieverstrekking is derhalve een discretionaire bevoegdheid
voor het UWV. Het UWV oefent die bevoegdheid uiteraard objectief uit; de
beoordeling door het UWV of subsidieverstrekking is aangewezen, dient te
berusten op een objectieve beoordeling van de behoefte aan
ondersteuning van de werknemer wat (her)toetreding op de
arbeidsmarkt betreft. De voorwaarden die in de artikelen die de subsidie
mogelijk maken en artikel 30e van de
Wet SUWI zijn opgenomen, strekken
hier toe. Aan de kant van de cliënt moet het UWV met name vaststellen of
betrokkene een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en voor
loonkostensubsidie dient te worden geïndiceerd. Aan de kant van de werkgever
dient het UWV bij de toekenning van de subsidie onder meer te
beoordelen of er een reëel uitzicht is op regulier werk na de subsidieperiode.
Cruciaal is dat het
UWV vooraf nagaat welke cliënten naar zijn oordeel met behulp van het
instrument aan het werk kunnen worden geholpen. Hierbij worden de cliënten
uiteraard betrokken. Bij de beoordeling is van belang dat naar het oordeel
van het UWV de loonkostensubsidie het meest geschikte instrument
naar werk is om aan de slag te komen. Het UWV heeft hierin
beoordelingsruimte. Voorkomen moet worden dat het rblz.|7|
instrument wordt gebruikt
voor UWV-cliënten die zonder deze loonkostensubsidie erin slagen zelf aan de slag
te komen.
Na matching van een
geïndiceerde UWV-cliënt met een werkgever kan de werkgever een aanvraag om
loonkostensubsidie bij het UWV indienen. Het UWV zal hierbij faciliteren.
Gegeven de bereidheid van een werkgever betrokkene met subsidie in
dienst te nemen, dient het UWV nog te beoordelen of voldaan wordt aan de
voorwaarde dat sprake is van een dienstverband van ten minste twaalf
maanden. In het geval de werkgever die subsidie ontvangt een
uitzendbureau is, moet de werkgever waarbij betrokkene daadwerkelijk
gaat werken (de inlener), zich jegens het uitzendbureau verplichten de
werknemer ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten.
Dit volgt uit het uitgangspunt dat sprake is van een dienstverband van ten
minste twaalf maanden.
Uiteraard kan alleen
subsidie worden toegekend bij dienstverbanden die na inwerkingtreding van
dit
wetsvoorstel zijn aangegaan. Doel is immers dat werkgevers over de
streep worden getrokken om UWV-cliënten met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt in dienst te nemen. Het is mogelijk dat een aanvraag om subsidie
wordt ingediend nadat de dienstbetrekking reeds is aangegaan. Dit zal
zich naar verwachting alleen in bijzondere gevallen voordoen. De
aanvraag zal echter wel binnen een redelijke termijn na aanvang van de
dienstbetrekking moeten worden ingediend. Deze termijn bedraagt drie
maanden.
Gelet op de doelstelling dat
zoveel mogelijk perspectief ontstaat op reguliere arbeid beoordeelt het UWV
voorts of er reëel uitzicht bestaat op regulier werk van ten minste
zes maanden na afloop van de loonkostensubsidie. Het UWV hanteert hierbij het
beoordelingskader (zie onderdeel c). Daarnaast dient het UWV
te beoordelen of er sprake is van een reële arbeidsplaats; het mag dus
niet gaan om een gecreëerde, additionele arbeidsplaats. Dit kan
bijvoorbeeld blijken uit een vacature die is gemeld bij het CWI of uit de
arbeidsovereenkomst.
De subsidieduur is maximaal
twaalf maanden. Dit is een termijn waarbinnen doorgaans in redelijkheid
moet kunnen worden vastgesteld of betrokkene geschikt is de
desbetreffende functie te vervullen. Deze termijn dient te voorkomen dat
betrokkene langdurig afhankelijk wordt van een subsidie. Vanwege het
tijdelijke karakter kan voor elke UWV-cliënt het instrument ten hoogste
eenmaal worden ingezet. Uitgangspunt is dat bij een dienstverband dat voor
ten minste één jaar wordt aangegaan en in stand blijft ook één jaar
subsidie wordt verleend. De subsidieduur is maximaal één jaar. De subsidieduur
kan ook korter zijn. Dit is met name het geval wanneer naderhand
blijkt dat betrokkene feitelijk korter in dienst is, bijvoorbeeld omdat hij is
doorgestroomd naar regulier werk, vanwege uitval wegens ziekte of
anderszins. In dat geval ontvangt de werkgever alleen subsidie over de
kortere periode dat is gewerkt.
De
hoogte van de subsidie is
maximaal 50% van het wettelijk minimumloon bij een dienstbetrekking in
voltijd (bij deeltijdfuncties wordt de subsidie naar rato van de arbeidsduur
vastgesteld).¹ Er is derhalve
gekozen voor een vast,
wettelijk ijkpunt voor het toekennen van de subsidie. De grens van 50%
geeft voorts duidelijkheid naar betrokkenen en komt de werkgever
aanzienlijk tegemoet. Het maximum betekent dat het UWV
de ruimte heeft om
in voorkomende gevallen benedenwaarts af te wijken van 50% van het
wettelijk minimumloon. Van een dergelijke situatie kan bijvoorbeeld
sprake zijn wanneer de betrokken werknemer van meet af aan een vrijwel
volwaardige productiviteit levert, waardoor afwijking van het maximum
gerechtvaardigd kan zijn.
rblz.|8|
Voorts is voorzien in een
bepaling waarmee loonkostensubsidie niet wordt verstrekt wanneer
minder dan zes maanden vóór het geven van de indicatiebeschikking voor
loonkostensubsidie toepassing was gegeven aan het instrument
proefplaatsing. Hiermee wordt het wel mogelijk gemaakt dat na een eerdere
proefplaatsing (langer dan zes maanden geleden) die niet tot
instroom op de arbeidsmarkt heeft geleid loonkostensubsidie kan worden verstrekt wanneer
dit gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt het meest
geschikte instrument is voor betrokkene.
1. Dit is, conform het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden,
exclusief vakantiegeld.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat de vaststelling of een UWV-cliënt voor het instrument
loonkostensubsidie in aanmerking komt en de beslissing door het UWV
op een
aanvraag van een werkgever om loonkostensubsidie voor een bepaalde werknemer,
een besluit betreft waartegen de mogelijkheid van bezwaar en
beroep openstaat.
e. Samenloop
Het is mogelijk dat een
werkgever zowel profijt heeft van de premievrijstellingsregeling voor oudere
werknemers, bedoeld in artikel 47 van de Wet financiering sociale
verzekeringen (Wfsv), als van een loonkostensubsidie op grond van deze
wet. Het
kabinet acht het gewenst deze mogelijke samenloop te begrenzen, allereerst om te voorkomen dat voor
oudere werklozen een
subsidie kan worden verkregen van meer dan 50% van het minimumloon en
voorts vanwege de budgettaire kaders. Om deze reden bevat dit
wetsvoorstel een bepaling die deze samenloop maximeert op 50% van het minimumloon.
Indien een werkgever zowel de premievrijstelling toepast
als loonkostensubsidie ontvangt, wordt de premievrijstelling in
mindering gebracht op het bedrag dat aan loonkostensubsidie wordt verstrekt. Het kabinet
is, mede naar aanleiding van het advies van de Commissie
Arbeidsparticipatie, voornemens de premievrijstelling voor
oudere werknemers om te vormen tot een effectiever instrument. Dit wordt
uitgewerkt in een afzonderlijk wetsvoorstel. Daarin zal zo nodig het
onderhavige wetsvoorstel worden gewijzigd.
Het is ook mogelijk dat
iemand die werkt in een baan met loonkostensubsidie recht krijgt op een ZW-uitkering. Dit is met name mogelijk in de situatie waarin de werknemer
die vanuit een arbeidsongeschiktheidsuitkering werk aanvaardde, ziek wordt
en er een beroep kan worden gedaan op de no-riskpolis,
bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet (ZW). De werkgever van de zieke
werknemer kan in dat geval het loon verrekenen met het ziekengeld waarop
op grond van de no-riskpolis aanspraak bestaat.
Daarnaast is denkbaar dat
gebruik gemaakt wordt van een uitzendovereenkomst (met uitzendbeding) als
bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. In
dat geval behoeft de (uitzend)werkgever bij ziekte van de werknemer op
grond van de CAO geen loon door te betalen (omdat de
uitzendovereenkomst automatisch eindigt), maar kan de zieke werknemer aanspraak maken op
ziekengeld op grond van de ZW.
Samenloop van ZW-uitkering
en loonkostensubsidie is in beide situaties niet beoogd. Daarom wordt de
loonkostensubsidie verminderd met het bedrag aan ziekengeld.
Het is tot slot mogelijk dat
bij Wajong-ers samenloop plaatsvindt tussen loonkostensubsidie en
loondispensatie. Een werkgever die een Wajong-er in dienst neemt, kan thans
via loondispensatie ontheffing krijgen van het wettelijk minimumloon
wanneer het UWV vaststelt dat betrokkene een lagere productiviteit heeft.
De werkgever betaalt dan alleen de vastgestelde lagere loonwaarde. Om te
voorkomen dat de werkgever via loonkostensubsidie meer zou
ontvangen dan het bedrag dat hij nog aan loonwaarde betaalt, wordt de
loonkostensubsidie in deze gevallen begrensd tot 50% van het
minimumloon, maar niet meer dan het niveau rblz.|9|
van de loonwaarde. Hierbij
wordt uitgegaan van de huidige Wajong. In het kader van de voornemens tot
herziening van de Wajong zal deze mogelijke samenloop nader worden
bezien.
f. Verplichtingen
De
loonkostensubsidie biedt
werklozen, arbeidsongeschikten, personen met een tegemoetkoming op
grond van de TRI [Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Triha), red.]
en herbeoordeelde NUG-ers [niet-uitkeringsgerechtigden, red.] de kans om weer een
plaats te krijgen in het arbeidsproces. Uiteraard gebeurt dit in nauwe
afstemming met betrokkene.
De re-integratieaanpak is
niet vrijblijvend. In het kader van een evenwicht van rechten en plichten mag
van betrokkene worden gevergd dat deze meewerkt aan re-integratie.
Uit de beleidsdoorlichting van de re-integratie ¹ blijkt dat controle en
sanctie een belangrijk hulpmiddel zijn bij het slagen van re-integratie.
Iemand met een WW- of WGA-uitkering, of een tegemoetkoming op grond van
de Triha, is op grond van de huidige regels verplicht een baan (ook als
dit met subsidie is) te aanvaarden als die als passende arbeid kan worden
aangemerkt. Als iemand dan niet meewerkt, wordt een sanctie opgelegd.
Aan personen met een WAO-, WAZ- of
Wajong-uitkering kan een
dergelijke verplichting niet worden opgelegd. Wel zijn zij verplicht mee
te werken aan hun re-integratie en herstel.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
28 719, nr. 43.
2.3. Budgettaire
beheersbaarheid en financiering
De vormgeving van de
loonkostensubsidie is gebaseerd op maatwerk in de uitvoering en ruime
bevoegdheden voor de uitvoerder. Om de kosten beheersbaar te houden, zal
bij ministeriële regeling een maximumbedrag (subsidieplafond) voor de
toekenning van loonkostensubsidie worden gesteld. Met het UWV
worden voorts jaarlijks, via de jaarplancyclus,
afspraken gemaakt over de
hoogte van het budget en de bijbehorende uitvoeringskosten, het
aantal personen dat via loonkostensubsidie aan werk kan worden geholpen en
de manier waarop de prestaties zullen worden gemeten. Het UWV zal
op de gebruikelijke weg via de tertaal- en jaarverslagen en fondsennota’s
rapporteren over het gebruik en de uitgaven van de
loonkostensubsidie en de bijbehorende uitvoeringskosten.
De loonkostensubsidie wordt
uit de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsfondsen gefinancierd. De
financiering van de loonkostensubsidie is dezelfde als de financiering van de uitkering waarop recht bestaat op de
dag voorafgaand aan de
dienstbetrekking waarvoor loonkostensubsidie wordt gegeven. Wanneer een eigenrisicodrager het betalingsrisico draagt
van de uitkering, is hij ook
verantwoordelijk voor de financiering van de re-integratie-inzet. Wordt
de uitkering uit een publiek fonds betaald, dan wordt de loonkostensubsidie
daar ook uit gefinancierd. Dit is analoog aan de financiering van
re-integratietrajecten. De subsidie op grond van de Wet
WIA voor WGA-ers wordt
derhalve gefinancierd uit de Werkhervattingskas of de sectorfondsen (voor
zover het vangnetters betreft die vanuit de ZW in de
Wet WIA komen) dan
wel het Arbeidsongeschiktheidsfonds. De subsidie op grond van de WAO
wordt betaald uit de Arbeidsongeschiktheidskas dan wel het Arbeidsongeschiktheidsfonds (de financiering van
de subsidie "volgt", net
als bij de WGA, de financiering van de WGA-uitkering).
De subsidie op grond van de WAZ
wordt betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Voor personen met een Wajong-uitkering wordt de subsidie betaald
uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. De subsidie voor werklozen
komt ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
rblz.|10|
2.4. Uitvoering
De doelgroep omvat de
cliënten van het UWV. Om deze redenen wordt het UWV belast met de
uitvoering van de loonkostensubsidie. Het betreft met name de beoordeling of
loonkostensubsidie voor betrokkene is aangewezen, de verstrekking
van de subsidie en de monitoring. Het toezicht hierop vindt plaats
door de Inspectie Werk en Inkomen conform de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2.5. Financiële gevolgen
Dit wetsvoorstel maakt de
inzet van het instrument loonkostensubsidies door het UWV
mogelijk. De
financiële gevolgen worden bepaald door het gebruik dat door het UWV van
het instrument zal worden gemaakt. In deze paragraaf wordt
uitgegaan van de inzet van loonkostensubsidie voor 90 000
uitkeringsgerechtigden in het UWV-domein, waarvan 75 000 WW-ers en 15 000
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten.¹ Indien het kabinet ervoor kiest om
loonkostensubsidies structureel te maken, dient te zijner tijd nog aanvullende dekking
gevonden te worden. Hieronder wordt ervan uitgegaan dat de trajecten
starten in de periode 2009-2011. De budgettaire effecten in 2012 worden
veroorzaakt door de overloop van trajecten die in de loop van 2011 zijn
gestart.
De totale kosten voor deze
loonkostensubsidies bedragen naar verwachting €|482 miljoen. Hierbij is
rekening gehouden met de maximering van de samenloop van de
loonkostensubsidie met de premievrijstellingsregeling voor oudere werknemers op
50% van het wettelijk minimumloon (zie paragraaf
2.2, onder e). Indien
werkgevers ervoor kiezen personen in dienst te nemen via een uitzendbureau en
deze personen ziek worden, ontvangen zij een uitkering vanuit het vangnet
ZW. De uitkeringslasten ZW worden geraamd op
€|89 miljoen in totaal.
De uitvoeringskosten UWV en kosten voor plaatsingsondersteuning voor
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten worden samen geraamd op €|82
miljoen. Deze worden hieronder apart toegelicht. Ten slotte treden er
besparingen op de uitkeringslasten op omdat uitkeringsgerechtigden tijdens de subsidieperiode
geen beroep hoeven doen op een uitkering. De
daadwerkelijke besparing op uitkeringslasten wordt door een aantal factoren
beperkt. Allereerst heeft een deel van de doelgroep een resterend
uitkeringsrecht dat korter is dan een jaar, waardoor gemiddeld per LKS-plaats
[LKS: loonkostensubsidie, red.] minder dan een jaaruitkering wordt bespaard. Daarnaast zou een deel van
de doelgroep ook zonder de subsidie in de loop van het jaar aan het
werk zijn gegaan en wordt ook voor deze groep minder dan een volledige
jaaruitkering bespaard. Ten slotte neemt een deel van de doelgroep banen
in die anders door andere uitkeringsgerechtigden zouden zijn opgevuld
(verdringing) en treedt voor deze groep netto geen besparing op de
uitkeringslasten op. Als gevolg van voornoemde effecten bedraagt de nettobesparing op uitkeringslasten naar verwachting €|160 miljoen.
1. Met de inzet van 10 000
brugbanen voor herbeoordeelden is al
rekening gehouden in het kader van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden, dat in dit wetsvoorstel wordt geïncorporeerd.
Budgettaire tabel voor
trajecten loonkostensubsidie voor 90 000 personen in 2009-2012 [in in miljoen
euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
Totaal |
Brutokosten:
- Loonkostensubsidies
- Uitkeringslasten vangnet ZW
- Uitvoerings-/re-integratiekosten UWV |
0
0
2 |
x80
x15
x26 |
161
x30
x26 |
161
x30
x27 |
x80
x15
xx1 |
x482
xx89
xx82 |
| Besparing uitkeringslasten WW
|
0 |
–27 |
–53 |
–53 |
–27 |
–160 |
| Nettokosten |
2 |
x94 |
163 |
165 |
x70 |
x493 |
rblz.|11|
Uitvoeringskosten en
implementatiekosten
Het
UWV speelt bij de
uitwerking van de voornemens een cruciale rol. De uitvoeringskosten voor de
loonkostensubsidies inclusief de kosten voor eventuele plaatsingsondersteuning voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten
bedragen €|82 miljoen. De
extra kosten voor de uitvoering van de ZW
worden gecompenseerd door de besparing op de uitvoeringskosten van
de WW.
De uitvoeringskosten voor de
loonkostensubsidies betreffen de volgende componenten: selecteren van
kandidaten die in aanmerking kunnen komen voor loonkostensubsidie uit de bestanden WW en
AG [arbeidsgehandicapten, red.]; het beoordelen
van aanvragen van werkgevers
voor loonkostensubsidie, resulterend in bevestiging of afwijzing; betaling van subsidie aan werkgevers;
beëindiging van de
loonkostensubsidie; kosten van monitoring van de regeling; juridische kosten
in verband met bezwaar en beroep. De plaatsingsondersteuning voor
(gedeeltelijk) arbeidsgehandicapten kan bestaan uit een jobcoach of
aanpassing van de werkplek.
Implementatiekosten
Er is uitgegaan van €|2
miljoen aan implementatie- en opstartkosten in 2008.
Administratieve lasten
Bij de vormgeving van de
subsidievertrekking aan werkgevers zijn de administratieve lasten een
aandachtspunt. Het streven is deze zo beperkt mogelijk te houden. Het UWV
heeft hiervoor een systematiek uitgewerkt waarbij de subsidie deels
vooraf wordt toegekend, deels achteraf bij de definitieve vaststelling van
de subsidie. De administratieve lasten voor werkgevers bij deze wijze
van subsidieverstrekking worden geraamd op circa €|2 miljoen voor 90
000 loonkostensubsidies. Er is geen sprake van extra administratieve lasten
voor burgers.
3. Participatieplaatsen
3.1. Algemeen
De Wet
participatieplaatsen biedt thans een kader waaraan de participatieplaatsen moeten voldoen, wil het
risico dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst afgedekt zijn. Van de
wet
gaat bovendien een signaalwerking uit over
participatieplaatsen als afzonderlijk re-integratie-instrument voor bepaalde doelgroepen.
Participatieplaatsen zijn bedoeld voor uitkeringsgerechtigden
die een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces hebben ten
gevolge van persoonlijke werkbelemmeringen en die daardoor vooralsnog
niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Zoals voor alle door het
college aangeboden voorzieningen die gericht zijn op arbeidsinschakeling,
geldt op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
Wwb
dat de
betrokkene de plicht heeft om daarvan gebruik te maken indien dat door de
gemeente nodig geacht wordt.
3.2. Wijzigingen
Dit wetsvoorstel bevat een
aantal wijzigingen ten opzichte van de Wet
participatieplaatsen.
a. Scholing en opleiding
gedurende de participatieplaats
Wanneer betrokkene niet
beschikt over een startkwalificatie, staat dit veelal de duurzame
arbeidsinschakeling in de weg. In artikel 10a, vijfde lid, van de
Wwb wordt
bepaald dat scholing of opleiding onderdeel uit moet maken van een
participatieplaats en dat
gemeenten de plicht hebben scholing of opleiding
aan te bieden aan betrokkenen zonder startkwalificatie op een participatieplaats.
Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden
op een participatieplaats. Deze scholing rblz.|12|
moet gericht zijn op het
vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt. Er hoeft geen scholing of
opleiding aangeboden te worden indien deze naar het oordeel van het college
niet bijdraagt aan de kansen op de arbeidsmarkt. Onder scholing of opleiding
vallen al die vormen van onderricht die naar het oordeel van de
gemeente de kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Voorts wordt in
artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wwb
bepaald dat de gemeenteraad
bij verordening regels stelt met betrekking tot de scholing of
opleiding. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op het type scholing
of opleiding dat wordt ingezet in relatie tot de afstand tot de
arbeidsmarkt.
b. Premie
Participatieplaatsen
onderscheiden zich van andere re-integratie-instrumenten door de grote afstand van de
betrokkene tot de arbeidsmarkt, het tijdsbeslag van de activiteiten en de duur van het traject. Dit
onderscheid geeft de
regering aanleiding om nadere invulling te geven aan het bestaande kader voor
de premie die behoort tot de voorzieningen als bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wwb. In
artikel 10a, zesde lid, van de Wwb
wordt
bepaald dat degene die werkzaamheden verricht op een
participatieplaats voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes
maanden na aanvang van die werkzaamheden recht heeft op een premie indien
hij naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het
vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie is
maximaal €|2160,-
per jaar (bedrag per 1 januari 2008). De regering
acht het vanzelfsprekend dat degene voor wie de werkzaamheden worden verricht (derde), na het eerste jaar een vergoeding
betaalt aan het college die
overeenstemt met de hoogte van de premie. Immers het college
heeft dan beoordeeld dat betrokkene vooruitgang heeft laten zien en het is
niet meer dan vanzelfsprekend dat de derde - die daarvan profijt heeft -
een financiële bijdrage daarvoor levert. In artikel
8, eerste lid, onderdeel
e,
van de Wwb wordt bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt
met betrekking tot het verstrekken van een premie aan deelnemers
aan een participatieplaats. Deze regels kunnen onder meer betrekking
hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de inspanningen
van de betrokkene en de financiële bijdrage van de derde na het eerste
jaar. Het is van belang dat de gemeenteraad bij het bepalen van de hoogte
van de premie ook de risico’s van de armoedeval betrekt, die
bijvoorbeeld speelt bij toekenning van de maximaal vrij te laten premie aan
gehuwden.
Om ruimte te bieden voor een
kortere beoordelingsperiode dan één jaar, wordt het mogelijk gemaakt
om die premie tweemaal - in plaats van eenmaal - per jaar te verstrekken. Deze premie wordt voor het eerst zes
maanden na de start van de
participatieplaats verstrekt. De premie behoort ook dan niet tot het
belastbare inkomen van de betrokkene als geen vrijwilligersvergoeding
is verkregen in het jaar waarin de premie is uitbetaald en de premie
onder het geldende maximum blijft. Ook worden de inkomensafhankelijke
bijdragen die op dat inkomen zijn gebaseerd niet beïnvloed.
c. Verlenging
Het is van belang dat
regelmatig wordt gekeken naar het functioneren van de betrokkene en wordt
bezien of de participatieplaats nog steeds de juiste weg naar werk is.
Daarom zijn in de wet beoordelingsmomenten ingebouwd. Negen maanden na
aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats moet het
college beoordelen of de werkzaamheden de kans op werk van betrokkene
hebben vergroot. Indien dat niet het geval is, ligt het niet in de rede dat
de participatieplaats wordt voorgezet. De participatieplaats kan na
twee jaar nog tweemaal met één jaar worden verlengd. Hiervoor gaan
strengere beoordelingscriteria gelden. Verlenging rblz.|13|
mag alleen plaatsvinden
indien daardoor de kans op inschakeling in het arbeidsproces van betrokkene
aanmerkelijk verbetert. Het moet daarbij gaan om in de persoon
gelegen factoren, zoals een gebrek aan kwalificaties of vaardigheden, en het mag
niet gaan om externe factoren, zoals een tekort aan vacatures of de
wens van een gemeente of een werkgever om personen in te zetten in
sectoren met veel vacatures.
d. Participatieplaatsen in
het UWV-domein
Algemeen
Ook
UWV-cliënten kunnen een
dusdanig grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben dat het inzetten van
bestaande re-integratie-instrumenten of loonkostensubsidie niet
effectief is vanuit het oogpunt van doorstroom naar regulier werk. Het is
daarom van groot belang dat ook het UWV beschikt over de mogelijkheid om participatieplaatsen in te zetten.
Doelgroep
In de praktijk zal het bij
UWV-cliënten met name gaan om gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Denkbaar
is dat ook langdurig werklozen voor een participatieplaats in aanmerking komen. Gelet op hun relatief recente
arbeidsverleden zal dit in
de praktijk echter minder vaak voorkomen.
Samenwerking UWV en gemeente
Voor de uitvoering van de
participatieplaatsen wordt aangesloten bij artikel
7, derde lid, van de Wwb. In dit artikel is geregeld dat het
UWV en
gemeenten op lokaal niveau
afspraken kunnen maken over de uitvoering van een
re-integratievoorziening door de gemeente voor uitkeringsgerechtigden van het
UWV.¹
Gemeenten en
het UWV kunnen binnen de kaders van de wettelijke
bepalingen ter zake en de betreffende gemeentelijke verordening op decentraal
niveau afspraken maken over de uitvoering van het instrument
participatieplaatsen voor UWV-cliënten.
1. In het kader van het
voorstel van wet tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere
wetten in verband met de evaluatie van deze
wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken II 2007-2008, 31 514, nr. 1)
wordt artikel 7 Wwb
aangevuld met de mogelijkheid dat het UWV de uitvoering van een
re-integratievoorziening voor UWV-cliënten kan
overdragen aan de gemeente, waarbij het UWV
wel verantwoordelijk blijft voor de re-integratie
van betrokkene.
Op grond van de
Wet SUWI is
het UWV verantwoordelijk voor de re-integratie van UWV-cliënten. De participatieplaats is onderdeel van een
door het UWV ingezet re-integratietraject en het UWV selecteert en indiceert
de potentiële kandidaten
voor een participatieplaats. In het kader van zijn re-integratietaak zal het
UWV een re-integratievisie opstellen waarin het besluit hiertoe wordt
opgenomen. Tegen de re-integratievisie bestaat de mogelijkheid van beroep
[lees: bezwaar, red.] bij
het UWV. De daadwerkelijke uitvoering, in de zin van matching op een
participatieplaats, wordt vervolgens aan
gemeenten overgedragen. Het ligt in de
rede dat de gemeente de reïntegratievisie van het UWV hierbij als
vertrekpunt hanteert.
Voor de overdracht zijn
goede redenen. Allereerst hebben gemeenten ervaring met het begrip
additionele werkplekken, beschikken zij over deze werkplekken in het eigen
domein en hebben zij contacten over dergelijke banen in de private sector.
Door ook UWV-cliënten onder de gemeentelijke verordening over scholing en
premie te brengen, wordt voorts bevorderd dat de doelgroep van de
participatieplaats lokaal vanuit dezelfde visie wordt benaderd. Na
afloop van de participatieplaats beziet het UWV welke vervolgstappen in het
re-integratietraject van betrokkene noodzakelijk zijn op zijn weg naar werk.
Zo komt een sluitende aanpak tot stand, waardoor de
re-integratiemogelijkheden van de cliënt optimaal worden gediend.
Participatieplaatsen worden aangemerkt als een re-integratie-instrument en
UWV-cliënten zijn
derhalve verplicht deel te nemen aan een participatieplaats als zij
zijn geïndiceerd. Als betrokkene niet meewerkt aan een participatieplaats,
betekent dit dat hij niet meewerkt aan zijn re-integratie, hetgeen op
grond van de materiewetten wordt
gesanctioneerd.
rblz.|14|
Scholing en premie
De bepalingen inzake
scholing, premie en verlenging gelden ook voor de UWV-populatie. Aangezien de
participatieplaats een re-integratievoorziening is die door
gemeenten wordt
uitgevoerd, beslissen gemeenten hierover. Cliënten kunnen
eventueel bezwaar over de uitvoering van de participatieplaats bij de
gemeente maken.¹ Gemeenten krijgen de kosten voor het inzetten van
scholing en premie van het UWV vergoed. Het UWV heeft hiervoor een
afzonderlijk budget. Het UWV vergoedt de kosten van scholing en premie onder
aftrek van een eventuele financiële bijdrage van de derde voor wie de
werkzaamheden worden verricht. In de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)
is geregeld dat de vergoedingen van het UWV aan de gemeenten ten
laste kunnen worden gebracht van de desbetreffende fondsen.
1. Overigens zal de
gemiddelde premie voor een participatieplaats voor UWV-cliënten niet afwijken van de gemiddelde
premie die aan een cliënt uit het
gemeentelijk domein wordt betaald.
De premie voor
UWV-cliënten
heeft dezelfde basis als voor Wwb-ers, De hoogte van de premie is
maximaal €|2160,- per jaar (bedrag per 1 januari 2008). De premie
wordt praktisch toegepast naar analogie van de omliggende
gemeenten.
Op de premie hoeven geen
loonheffingen te worden ingehouden als geen vrijwilligersvergoeding is
verkregen in het jaar waarin de premie is uitbetaald en de premie onder het
geldende maximum blijft. De premie hoeft niet te worden verrekend met
de uitkering en telt niet mee als inkomen om in aanmerking te komen
voor een loonaanvullingsuitkering in plaats van een vervolguitkering van
de WGA-uitkering op grond van Wet
WIA.
Tevens is voor een
effectieve werking van belang dat het instrument bij de juiste doelgroep
terechtkomt, dat wil zeggen degenen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
maar die wel het perspectief hebben dat zij met langere begeleiding weer
inzetbaar zijn in reguliere arbeid. Het UWV
kan net als
gemeenten op
basis van maatwerk beoordelen in welke situaties inzet van het instrument
vereist is. In het kader van de jaarplancyclus worden afspraken gemaakt met
het UWV en de mate waarin het instrument wordt ingezet en gemonitord.
3.3. Financiering
a. Gemeenten
Een bijstandsgerechtigde
blijft gedurende de periode dat hij werkzaamheden in een participatieplaats
verricht een uitkering ontvangen en blijft dus ook als bijstandsgerechtigde geregistreerd, zodat hij voor de raming
van het budget voor het
inkomensdeel (I-deel) van de Wwb blijft meetellen. Voor mensen in
een participatieplaats met een Ioaw- of Ioaz-uitkering geldt dat
gemeenten de
kosten van de uitkering conform de huidige
financieringsystematiek voor een deel (75 procent) kunnen declareren bij het Rijk en voor een
deel (25 procent) kunnen bekostigen uit de toegekende budgetten.
Gemeenten kunnen de bijkomende kosten van participatieplaatsen
(premie, scholing, begeleiding en dergelijke) ten laste brengen van het
W-deel [werkdeel, red.]. Het
gaat hierbij niet om de uitvoeringskosten (kosten die voortvloeien uit
de wettelijke taak van gemeenten, zoals het bepalen van de noodzaak van
een re-integratievoorziening en het aanbieden ervan), maar om
kosten die direct aan een re-integratievoorziening
zijn toe te rekenen. Gemeenten hoeven vergoedingen van degenen voor wie de
werkzaamheden worden verricht niet af te dragen aan het Rijk. Ze
kunnen het geld vrij besteden. De vergoedingen moeten wel worden
verantwoord als ontvangsten op het inkomensdeel.
b. UWV
Naar verwachting zullen
1500 UWV-cliënten per jaar op een participatieplaats starten. Dit is
vergelijkbaar met het aantal personen dat het UWV momenteel voor sociale
activering aan de gemeente overdraagt. Voor rblz.|15|
sociale activering wordt
door het UWV aan gemeenten €|3000,- per kandidaat betaald. Naar verwachting
zal een vergelijkbaar bedrag nodig zijn voor de kosten van eventuele
scholing en begeleiding door gemeenten voor een kandidaat op een
participatieplaats. Gelijk als in het gemeentelijke domein kunnen UWV-cliënten
die deelnemen aan een participatieplaats een premie ontvangen. De
premie voor UWV-cliënten heeft dezelfde basis als voor Wwb-ers. In de raming is
ervan uitgegaan dat alle kandidaten de premie de
eerste twee jaren uitgekeerd krijgen. In de raming is rekening gehouden
met de mogelijkheid dat 50% van de participatieplaatsen
gemiddeld met één jaar worden verlengd. Tevens is een bijdrage van werkgevers
aan de premie verdisconteerd in de raming. De participatieplaatsen
worden gestart in de jaren 2009 tot en met 2011. Er is een uitloop van de
kosten in 2012 en 2013. Deze kosten ontstaan door de uit te betalen premie van in 2010 en 2011 gestarte participatieplaatsen.
Cumulatief over de jaren
2009 tot en met 2012 kosten de 4500 participatieplaatsen €|25
miljoen inclusief uitvoeringskosten UWV.
Budgettaire tabel voor participatieplaatsen UWV-domein voor
4500 personen in 2009-2011, in miljoen euro:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
Totaal |
| Totale kosten |
7 |
8 |
8 |
2 |
0 |
25 |
Administratieve lasten
Er is geen sprake van extra
administratieve lasten voor burgers of bedrijven.
4. Commentaren
Het wetsvoorstel en de
memorie van toelichting zijn voorgelegd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG),
het Uitvoeringspanel SZW (UP), de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) en
Actal [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.]. Onderstaand wordt eerst ingegaan op het commentaar op het onderdeel
loonkostensubsidie en dan op het onderdeel participatieplaatsen.
Algemeen
Het
UWV heeft in zijn
uitvoeringstoets aangegeven dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is en dat de
beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2009 haalbaar is.
Loonkostensubsidie
Het
UWV is verheugd over de
mogelijkheid van loonkostensubsidie te kunnen beschikken. Voor een
succesvolle uitvoering van het instrument loonkostensubsidie noemt het
UWV wel als randvoorwaarde de bereidheid van werkgevers om vacatures
beschikbaar te stellen aan UWV-cliënten.
Het UWV geeft in zijn
uitvoeringstoets aan hoe de uitvoering van de loonkostensubsidie zal
plaatsvinden. De uitvoering zal plaatsvinden door het werkbedrijf dat zal
ontstaan bij de fusie van UWV en CWI. Het UWV acht realisatie van
90 000 LKS-plaatsingen (100 000 inclusief de brugbanen) deze
kabinetsperiode moeilijk haalbaar en bepleit een ruimere periode. Het kabinet
onderkent dat sprake is van een hoge ambitie, die veel inspanningen van alle
partijen zal vergen. Voorshands gaat het kabinet ervan uit dat deze
aantallen haalbaar moeten zijn. Het kabinet zal de resultaten tussentijds
nauwgezet volgen. Overigens kan het hiervoor reeds aangekondigde
wetsvoorstel tot invoering van een effectievere vorm van premiekorting voor
ouderen ook aanleiding zijn het aantal plaatsingen via loonkostensubsidie te
herzien [zie Wet tot wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen
en enige andere wetten in verband met de
invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder, red.].
Het UWV geeft voorts aan dat
voor het beoordelingskader ter toetsing van rblz.|16|
het perspectief op duurzame
plaatsing de intentieverklaring van de werkgever een belangrijk criterium is.
Het UWV merkt verder op adequate informatie te zullen
verzamelen over de inzet van het instrument.
Het UWV geeft voor wat
betreft de wijze van betaling van de subsidie aan dat de subsidie in twee
termijnen wordt toegekend. Het UWV wil dit proces zo eenvoudig mogelijk
inrichten. Bij toekenning van de subsidie ontvangt de werkgever de
helft van het subsidiebedrag, dus vooraf. De tweede betaling vindt plaats
bij afloop van de subsidieperiode. Bij deze tweede betaling worden
tussentijdse aanpassingen en mogelijke samenloop met andere regelingen meteen
verwerkt, zodat de subsidie ook meteen definitief kan worden
vastgesteld. Op deze wijze wordt, binnen de kaders van de Algemene wet
bestuursrecht, enerzijds recht gedaan aan de belangen van de werkgever,
anderzijds aan aspecten van handhaving en van rechtmatige aanwending
van middelen.
Het UWV heeft tot slot het
voorstel gedaan om artikel 30e van
de Wet SUWI beter te laten aansluiten op de
subsidievoorwaarden in de materiewetten. Hierdoor wordt gemarkeerd dat het
gaat om doorstroming aansluitend op dan wel vrij snel (twee maanden)
na afloop van de periode van loonkostensubsidie. Dit voorstel is in het wetsvoorstel overgenomen.
Actal is van mening dat
het
wetsvoorstel gediend is met zo min mogelijk administratieve lasten en
adviseert na te gaan of ambtshalve toekenning van de loonkostensubsidie
door het UWV mogelijk is. Een aanvraag is echter, gelet op de
Algemene
wet bestuursrecht, noodzakelijk om te kunnen besluiten over verlening van de loonkostensubsidie. Wel heeft het
UWV aangegeven het proces
van aanvraag en betaling zo eenvoudig mogelijk te zullen
inrichten. Voorts adviseert Actal het aantal declaraties te beperken tot één. Hieraan
wordt voldaan in het systeem van betaling dat het UWV zal inrichten.
Participatieplaatsen
- De VNG en het UP zijn
van mening dat het wetsvoorstel de beleidsruimte van de Wet werk en bijstand
(Wwb) onnodig beperkt. De regering hecht belang aan de voorgenomen wijzigingen. Het gaat om een
groep met een kleine kans op
inschakeling in het arbeidsproces die vooralsnog niet bemiddelbaar
is. Betrokkenen hebben veelal een investering in de vorm van
scholing of begeleiding nodig om aan het werk te komen. Het
wetsvoorstel stelt geen eisen aan de inhoud, de duur of de hoogte van de
scholing of opleiding;
gemeenten houden hier voldoende
beleidsruimte. De potentieel langdurige investering van de betrokkene
rechtvaardigt het recht op de premie, tenzij betrokkene onvoldoende meewerkt aan de
arbeidsinschakeling. De VNG en het UP hebben aangegeven dat
zij een aparte verordening hiervoor onnodig vinden. Anders dan
de VNG en het UP veronderstellen, is het niet nodig een aparte
verordening op te stellen; gemeenten kunnen volstaan met het toevoegen
van de betreffende bepaling aan de bestaande verordening. De
regering acht het wel van belang dat deze bepaling wordt opgenomen
omdat dit rechtszekerheid en duidelijkheid biedt aan betrokkenen over
rechten en plichten. Tevens geeft het invulling aan de duidelijke
verantwoordelijkheid die de gemeenteraad in dit kader heeft. Met betrekking
tot de opmerking aangaande het wettelijke kader voor werken met behoud
van uitkering zij opgemerkt dat in de memorie van toelichting bij
het voorstel van Wet participatieplaatsen,¹ dat inmiddels tot wet is
verheven, is bekrachtigd en in werking is getreden [lees: dat inmiddels
tot wet is verheven en in werking is getreden, red.], is opgenomen dat geen sprake
is van een arbeidsovereenkomst als voldaan wordt aan de in het
voorstel vastgelegde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn als zodanig
niet gewijzigd.
1. Kamerstukken I
2005-2006,
30 650, nr. 3.
- In het voorgelegde
wetsvoorstel was opgenomen dat het college uiterlijk negen maanden vóór afloop
van het tweede of derde jaar moet beoordelen rblz.|17|
of betrokkene in
aanmerking komt voor verlenging van het instrument
participatieplaats. Dit wettelijke vastgelegde beoordelingsmoment zorgt voor onnodige
bureaucratie en is op verzoek van de VNG
en het UP gewijzigd in
de bepaling dat de gemeente nu vóór het einde van het jaar moet
beoordelen of betrokkene voor verlenging van het instrument in aanmerking
komt.
VNG en UP hebben gepleit
voor de mogelijkheid van een premie die meermaals per jaar kan
worden uitbetaald. Invoering van een periodieke premie brengt het risico met
zich mee dat het premie-instrument aan effectiviteit verliest
door het ontstaan van inkomensgewenning; armoedevaleffecten treden
veel sterker op bij een periodieke uitkering dan bij een eenmalige
uitkering. Daarnaast moet bij een periodieke uitkering van de premie, in
tegenstelling tot de tweemaal per jaar verstrekte premie, hierover
belasting worden geheven en is sprake van doorwerking in
inkomensafhankelijke regelingen, hetgeen leidt tot minder bestedingsruimte
van
betrokkene en hogere lasten voor de gemeente. Vanuit het oogpunt
van deregulering verdient een specifieke premieregeling bovendien
geen aanbeveling. Gemeenten kunnen ook bij de huidige
premieregeling kortetermijnstimulansen bewerkstellingen door een premiebedrag toe te
zeggen telkens als een bepaalde inspanning is
geleverd en de toegezegde premiebedragen tezamen in twee keer in een
kalenderjaar uit te betalen.
- Het UWV
geeft in zijn
uitvoeringstoets aan de inzet van participatieplaatsen voor UWV-cliënten te zien
als laatste mogelijkheid voor re-integratie; deze wordt alleen ingezet in het geval andere
re-integratie-instrumenten
niet mogelijk c.q. zinvol zijn. Het UWV zal de inzet van dit instrument zo
eenvoudig mogelijk inrichten, waar nodig in overleg met
gemeenten.
Het commentaar heeft
- uitgezonderd enige inmiddels verwerkte redactionele commentaren - voor het
overige geen aanleiding gegeven tot wijziging van het wetsvoorstel en de
memorie van toelichting.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1.
Wijzigingen in verband met loonkostensubsidie
Artikelen I tot en met
V, onderdelen A (artikelen 78a
WW, 67f WAZ,
59j Wajong,
65i WAO en 37a
Wet
WIA)
In de
artikelen I tot en met
V, onderdelen A, wordt in de WW, WAZ,
Wajong en de WAO een
bevoegdheid voor het UWV voorgesteld om loonkostensubsidie te
verstrekken aan de werkgever die een persoon in dienst neemt die recht heeft
op een uitkering op grond van één van de genoemde wetten. Dezelfde
bevoegdheid wordt in de Wet
WIA opgenomen ten behoeve van de persoon
die recht heeft op een WGA-uitkering [zie hoofdstuk
7 van de Wet
WIA, red.]. Dit kan een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte zijn, maar ook een volledig maar niet duurzaam
arbeidsongeschikte.
Omdat het instrument
loonkostensubsidie in alle genoemde wetten dezelfde voorwaarden kent,
geldt de hiernavolgende toelichting voor de artikelen I tot en met V,
onderdelen A. Hierop gelden twee uitzonderingen. Ten eerste dat voor
loonkostensubsidie op grond van de WW de voorwaarde geldt dat de werknemer
langer dan twaalf maanden een WW-uitkering moet hebben ontvangen. De
overige wetten (WAO, WAZ, Wajong, WGA) kennen niet de
voorwaarde dat langer dan twaalf maanden een uitkering op
grond van die wetten moet zijn ontvangen.
Ten tweede kunnen, zoals ook
aangegeven in het algemeen deel van deze memorie van toelichting,
werkgevers die werknemers in dienst nemen die rblz.|18|
een uitkering ontvangen
waarvan het risico van de betaling ervan voor rekening komt van een
eigenrisicodrager WW, WAO of WGA, geen loonkostensubsidie
ontvangen. In de WW wordt dit uitgesloten door de zinsnede "die niet ten
laste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid" in het voorgestelde
artikel 78a, eerste lid.
In de WAO en de WGA is dit
uitgesloten door de zinsnede "waarvan het risico van betaling niet
wordt gedragen door een eigenrisicodrager" in de voorgestelde artikelen
65i van de WAO
en 37a van de Wet
WIA. Hierbij wordt opgemerkt dat het
begrip eigenrisicodrager wordt gedefinieerd in de artikelen 1 van de
WAO
en
1 van de Wet
WIA.
Uit de eerste leden blijkt
dat de overeengekomen arbeid geen dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2
of 3 van de Wsw mag betreffen en dat die dienstbetrekking voor
ten minste twaalf maanden moet worden of zijn aangegaan. Hierbij wordt
opgemerkt dat derhalve ook een dienstbetrekking die een langere duur kent
dan twaalf maanden kan worden gesubsidieerd. Aan de subsidieperiode is in
het zevende lid een maximum gesteld.
De tweede leden regelen dat
in de situatie waarin de werknemer op grond van een uitzendovereenkomst
als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek arbeid verricht, de inlener zich jegens het uitzendbureau dient te verplichten om
gedurende ten minste één jaar de desbetreffende werknemer (uitzendkracht) te
werk te stellen. Hierbij wordt opgemerkt dat wanneer de werknemer
(uitzendkracht) ziek wordt, hem ziekengeld op grond van de ZW
kan worden betaald. In die situatie wordt overigens op grond van de
achtste leden het ziekengeld in mindering gebracht op de subsidie.
Hiertoe wordt verder verwezen naar de toelichting op de achtste leden.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat de subsidievoorwaarden die overigens uit de
voorgestelde artikelen voortvloeien ook op het uitzendbureau van toepassing zijn.
Als voorwaarde voor de
subsidie geldt dat de werknemer beschikt over een indicatiebeschikking.
Een dergelijke
indicatiebeschikking geeft het UWV slechts af indien naar het oordeel van het UWV met
het oog op de inschakeling in de arbeid de loonkostensubsidie het meest
geschikte instrument is (derde leden).
Opgemerkt wordt dat ook
loonkostensubsidie kan worden verstrekt als de dienstbetrekking reeds is
aangevangen. Dit blijkt uit de zinsnede "of is aangegaan" in de eerste
leden. Hierdoor hoeven werkgevers niet te wachten op de toekenning van
de loonkostensubsidie met het in dienst nemen van de werknemer. De
mogelijkheid van subsidieverstrekking geldt, blijkens de eerste
leden, alleen voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan na de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Wanneer de dienstbetrekking vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is aangegaan, komt de
werkgever niet in aanmerking voor loonkostensubsidie. De loonkostensubsidie is
immers niet bedoeld voor werknemers die al een tijd in dienst
zijn, maar heeft tot doel dat de werkgever nieuwe werknemers in dienst neemt.
In de vierde leden zijn
extra subsidievoorwaarden geformuleerd.
Ten eerste dient er reële
behoefte te bestaan aan de arbeid die op grond van de dienstbetrekking zal
worden verricht (vierde leden, onderdelen a). Het is aan het UWV
om dit te
beoordelen. Dat er reële behoefte bestaat aan die arbeid kan
bijvoorbeeld blijken uit het feit dat het een vacature betreft die is geregistreerd
bij de CWI. Het UWV dient er in ieder geval van
rblz.|19|
te zijn overtuigd dat het
geen arbeid betreft die enkel en alleen is gecreëerd om
loonkostensubsidie te ontvangen.
Tevens mag in de
dienstbetrekking geen additionele arbeid worden verricht. In de vijfde leden
wordt het begrip additionele arbeid gedefinieerd.
Deze voorwaarde houdt in dat
de werkzaamheden van de werknemer primair op het realiseren
van het bedrijfsdoel van degene voor wie hij deze werkzaamheden verricht,
moeten zijn gericht en dat die werkzaamheden niet primair mogen zijn
gericht op het bevorderen van de inschakeling in de arbeid - re-integratie
- van betrokkene. De activiteiten moet het karakter hebben van gewone
productieve arbeid.
De subsidie wordt niet
verleend voor additioneel werk. Additionaliteit houdt in dat het een
speciaal gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie die een
uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Hij zal
minder productief zijn dan zijn collega’s op een reguliere arbeidsplaats.
Ten tweede dient er naar het
oordeel van het UWV na de dienstbetrekking waarvoor subsidie wordt
verleend op afzienbare termijn zicht te zijn op regulier en duurzaam werk
(vierde leden, onderdelen b). Daarbij geldt dat de dienstbetrekking voor ten
minste zes maanden na afloop van de periode waarover de
loonkostensubsidie wordt verstrekt, dient te worden gecontinueerd. Ook is
toegestaan dat, aansluitend op de te subsidiëren dienstbetrekking, een nieuwe
dienstbetrekking wordt aangegaan. Een dergelijke nieuwe
dienstbetrekking hoeft niet met dezelfde werkgever te worden aangegaan, maar mag
ook een dienstbetrekking met een andere werkgever betreffen. Dit
blijkt uit het tweede zinsdeel van de vierde leden, onderdelen b. Ook hiervoor
geldt dat deze voor ten minste zes maanden moet worden aangegaan.
Ten derde (vierde leden,
onderdelen c) mag in de vijf jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in de derde leden, niet eerder ten behoeve van dezelfde
werknemer loonkostensubsidie zijn verstrekt. In de verschillende artikelen is
deze anticumulatie geregeld.
Of het dezelfde werkgever is bij wie de werknemer arbeid gaat verrichten die eerder subsidie heeft
ontvangen of niet, is voor de anticumulatie niet van belang. Als werkgever A
loonkostensubsidie heeft ontvangen voor de dienstbetrekking met
werknemer X, kan werkgever B die daarna een dienstbetrekking aangaat met
werknemer X niet ook loonkostensubsidie ontvangen. Maar werkgever A
kan ook niet tweemaal loonkostensubsidie ontvangen voor een volgende
dienstbetrekking met werknemer X.
Deze anticumulatie geldt ook
ten aanzien van de loonkostensubsidie en het verrichten van
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in de artikelen 65g
van de WAO,
67e van de WAZ,
59h van de Wajong
of 76a van de WW
(vierde leden,
onderdelen d). Hierbij wordt opgemerkt dat de periode waarin werkzaamheden
op de proefplaats niet mogen hebben plaatsgevonden, niet vijf
jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in de derde leden,
is, maar zes maanden voorafgaand aan die beschikking. Ook hierbij is
de vraag of de werknemer bij dezelfde werkgever (met loonkostensubsidie)
arbeid gaat verrichten als bij wie hij werkzaamheden op een proefplaats heeft
verricht niet van belang; als die werknemer op een proefplaats
werkzaam is geweest, wordt ten behoeve van hem geen
loonkostensubsidie op grond van dit besluit verstrekt.
Op grond van de zesde leden
bedraagt de subsidie maximaal 50% van het wettelijk
minimumloon. De
tweede zinnen van de zesde leden bepalen hoe hoog de subsidie is voor
de werkgever wiens werknemer in deeltijd werkt.
In artikel 59j, zesde lid,
van de Wajong is een bijzonderheid ten aanzien van de hoogte van de
subsidie geregeld voor de situatie van samenloop rblz.|20|
van de loonkostensubsidie en
loondispensatie. Indien de aanspraak van de werknemer op een
geldelijke beloning voor verrichte arbeid, op grond van artikel 59a
van de Wajong, door het UWV
is verminderd, bedraagt de loonkostensubsidie ten
hoogste die door het UWV vastgestelde "loonwaarde".
In de zevende leden is de
maximale duur van de subsidie geregeld. De subsidie kan voor een duur
van maximaal één jaar worden verstrekt.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat in dit artikel een bevoegdheid tot subsidiëring voor het
UWV wordt geregeld. Het UWV dient op iedere subsidieaanvraag een
individuele beslissing te nemen. Er bestaat dus geen automatisch recht
op subsidie. Verder wordt hierbij opgemerkt dat op grond van artikel
4:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen subsidie kan worden
verstrekt en een aanvraag daartoe moet worden geweigerd, voor zover
door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden
overschreden.
Zoals aangegeven in het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is het niet gewenst dat de
loonkostensubsidie en het ziekengeld dat op grond van de ZW
wordt
betaald, cumuleren. Cumulatie van loonkostensubsidie en ziekengeld kan
bijvoorbeeld voorkomen bij de no-riskpolis ZW (artikel 29b
van de ZW). In
de achtste leden wordt geregeld dat de loonkostensubsidie wordt
verminderd met het door de werknemer te ontvangen ziekengeld.
Met betrekking tot de
loonkostensubsidie op grond van de WW geldt hierbij nog een
bijzonderheid. Het is mogelijk dat iemand zowel in een dienstbetrekking, waarvoor
subsidie is verstrekt, deeltijdarbeid verricht als een WW-uitkering
ontvangt. Bij ziekte ontstaat voor de werknemer voor de arbeidsuren recht op
ziekengeld op grond van artikel 29b van de
ZW (no-riskpolis). Na drie
maanden ontstaat voor hem, omdat hij tevens WW-gerechtigde is, ook recht
op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van
de ZW. Het is niet gewenst dat ook dit ziekengeld op het subsidiebedrag in
mindering wordt gebracht. Dit is geregeld in de tweede zin van het
voorgestelde artikel 78a, achtste lid, van de
WW.
Zoals ook in het
algemeen deel van de memorie van toelichting is aangegeven, is het wenselijk de
samenloop van de loonkostensubsidie met de premievrijstellingsregeling
voor oudere werknemers, bedoeld in artikel 47 van de
Wfsv, te maximeren op
50% van het minimumloon. Dit wordt geregeld in de negende
leden.
Op grond van de eerste leden
kan loonkostensubsidie ook worden verstrekt als de
dienstbetrekking reeds is aangevangen. Dit blijkt uit de zinsnede "of is
aangegaan"
in genoemd artikellid. Hierdoor hoeven werkgevers niet te wachten op de
toekenning van de loonkostensubsidie met het in dienst nemen van de
werknemer. De tiende leden voorzien in een termijn waarbinnen een
aanvraag om subsidie in die situatie moet zijn ingediend. Deze termijn
bedraagt drie maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid. Dit
moet als een redelijke termijn worden beschouwd waarbinnen een
werkgever een aanvraag moet kunnen hebben ingediend bij het UWV.
Op grond van de elfde leden
kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met
betrekking tot de in dat lid genoemde onderwerpen.
Ten
slotte wordt opgemerkt
dat op de subsidiëring door het UWV uiteraard
hoofdstuk 4, titel 4.2 ("Subsidies"), van de
Awb van toepassing is.
rblz.|21|
Artikel I,
onderdeel
A (artikel 78b WW)
In dit artikelonderdeel
wordt het nieuwe artikel 78a van de WW
van overeenkomstige toepassing verklaard op de
persoon die een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Triha)
ontvangt. Hoewel de Triha-tegemoetkoming geen WW-uitkering is, is er
wel voor gekozen dit instrument voor die groep in de WW op te
nemen, omdat, zoals ook wel blijkt uit artikel
2, negende lid, van de Triha, die
tegemoetkoming naar zijn aard de meeste overeenkomst vertoont met
een WW-uitkering.
Artikelen II tot en met
IV, onderdelen A (artikelen 67g
WAZ, 59k
Wajong en 65j
WAO)
In deze artikelonderdelen
wordt voorgesteld het UWV ook de bevoegdheid te geven de
loonkostensubsidie als instrument in te zetten voor de re-integratie van personen
die zijn herbeoordeeld in het kader van de eenmalige
herbeoordelingsoperatie, maar die geen uitkering of tegemoetkoming meer ontvangen. Dit betreft
de doelgroep van de Tijdelijke regeling
brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden die is gebaseerd op de
Kaderwet SZW-subsidies.
Na inwerkingtreding van deze artikelen kan de genoemde
regeling worden ingetrokken.
Het is nodig de voorgestelde
artikelen in de WAZ, Wajong
en WAO te laten aanvangen met een
afwijking van artikel 7 van de Wwb
en artikel 30 van de Wet SUWI, omdat het
UWV voor de genoemde doelgroep, zo volgt uit die artikelen, geen
re-integratiebevoegdheid heeft. Het is toch gewenst dat het UWV de
loonkostensubsidie kan inzetten voor deze doelgroep en derhalve nodig af te wijken
van de Wwb en de Wet SUWI
op dit punt. Omdat dit instrument is
opgenomen in de hoofdstukken IIb van de
WAO en 3a van de WAZ, kunnen de
loonkostensubsidies voor niet-uitkeringsgerechtigden die worden geregeld in die
wetten, op grond van artikel 115, eerste lid, onderdeel j van
de Wfsv
ook uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds worden gefinancierd. De
loonkostensubsidie voor niet-uitkeringsgerechtigden die wordt geregeld in de
Wajong kan, op grond van artikel
65, eerste lid, onderdeel g,
van de Wajong,
uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten worden
gefinancierd.
Artikelen I tot en met
V, onderdelen B (artikelen
130PM WW, 101c [101d,
red.] WAZ, 76d
Wajong, 91f [91g,
red.] WAO en 133d
Wet
WIA)
In de voorgestelde artikelen
is geregeld dat de met dit wetsvoorstel in te voegen artikelen die de
loonkostensubsidie regelen, vervallen op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. Zoals ook uiteengezet in het algemeen deel van deze memorie van
toelichting zullen deze bepalingen mogelijk vervallen per 1
januari 2013 of wanneer blijkt dat de loonkostensubsidie niet aan zijn doel
beantwoordt.
Artikelen I tot en met
V, onderdelen B
(artikelen
130PM
WW, 101e WAZ,
76e
Wajong, 91g
[91h, red.] WAO)
Beoogd wordt het
Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden
(het besluit) te laten vervallen
op het moment dat dit wetsvoorstel in werking treedt. Ten behoeve van een
goede overgang is in de voorgestelde artikelen overgangsrecht opgenomen op
grond waarvan de op grond van het besluit verstrekte
subsidie wordt aangemerkt als loonkostensubsidie die met dit wetsvoorstel
wordt ingevoerd. Meer specifiek regelen de bedoelde artikelen het
volgende.
De loonkostensubsidie die op
grond van het besluit is verstrekt ten behoeve van een werknemer
die op de dag vóór aanvang van de gesubsidieerde rblz.|22|
dienstbetrekking
recht had op een WW-uitkering en geen recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO,
WAZ of Wajong, wordt aangemerkt
als loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 78a
van de WW (zie
artikel 130PM van de WW). Deze loonkostensubsidie wordt dan gefinancierd uit
het AWf [Algemeen Werkloosheidsfonds, red.].
Had de werknemer op de dag
vóór aanvang van de gesubsidieerde dienstbetrekking naast een WW-uitkering ook
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO,
WAZ of Wajong, dan wordt de loonkostensubsidie
aangemerkt als loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 65i
van de WAO (zie
artikel 91g, eerste lid, onderdeel c, van de WAO). Reden hiervoor is dat
het hierbij met name zal gaan om mensen die tevens een WAO-uitkering
zullen hebben gehad. Deze loonkostensubsidie wordt dan uit het Aof
[Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] gefinancierd. Ditzelfde geldt voor de werknemer die op dag
vóór aanvang van
de gesubsidieerde dienstbetrekking recht had op een
tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (zie artikel 91g, eerste lid, onderdeel
b, van
de WAO).
De loonkostensubsidie die op
grond van het besluit is verstrekt ten behoeve van een werknemer
die op de dag vóór aanvang van de gesubsidieerde dienstbetrekking recht had
op een WAO-uitkering of een WAZ-uitkering wordt aangemerkt als
loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 65i
van de WAO (zie artikel
91g, eerste lid, onderdeel a, van de WAO) respectievelijk
artikel
67f van de WAZ
(zie artikel 101e van de WAZ). Deze loonkostensubsidies worden
dan gefinancierd uit het Aof.
De loonkostensubsidie die op
grond van het besluit is verstrekt ten behoeve van een werknemer
die op de dag vóór aanvang van de gesubsidieerde dienstbetrekking recht had
op een Wajong-uitkering wordt aangemerkt als
loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 59j
van de Wajong (zie artikel
76e van
de Wajong). Deze loonkostensubsidie wordt dan gefinancierd uit
het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.
De loonkostensubsidie die op
grond van de Tijdelijke regeling brugbanen
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden is verstrekt ten behoeve van een werknemer die
vóór de
dag van aanvang van de gesubsidieerde dienstbetrekking is
herbeoordeeld in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie en die op de dag
vóór
aanvang van die dienstbetrekking ook geen recht had op een
uitkering op grond van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven
door het UWV of de Wet werk en bijstand of een tegemoetkoming op grond
van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten, wordt aangemerkt als loonkostensubsidie als
bedoeld in artikel 65i van de WAO
(zie artikel 91g, tweede lid, van de
WAO).
Deze loonkostensubsidie wordt dan gefinancierd uit het Aof.
Artikel VI (artikel
30e Wet SUWI)
Voor een toelichting op dit
artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.2, onder c,
van het
algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Overigens wordt opgemerkt
dat het voorgestelde artikel 83la
verband houdt met de voorgestelde
artikelen 130PM WW,
101c WAZ,
76d Wajong,
91f WAO en
133d Wet
WIA.
rblz.|23|
Artikel VII
(artikelen 104,
117 en 117b Wfsv)
In onderdeel A wordt
artikel 104, vijfde lid, van de Wfsv
opnieuw geformuleerd. Het voorgestelde onderdeel
a
staat reeds in de huidige tekst van dat vijfde lid en blijft
ongewijzigd. Het voorgestelde onderdeel b regelt dat de loonkostensubsidie op grond
van artikel 37a van de Wet
WIA ten laste van het sectorfonds komt indien
de uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever aan wie de
loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op
de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering
als bedoeld in artikel 104, eerste lid, onderdeel d, van de
Wfsv
("vangnetter ZW"). De financiering van de subsidie volgt derhalve de
financiering van de uitkering van waaruit de werknemer de arbeid heeft
hervat.
In onderdeel B wordt aan
artikel 117, negende lid, van de Wfsv een onderdeel toegevoegd. Het voorgestelde
onderdeel c regelt dat de loonkostensubsidie die op grond van artikel
65i van de WAO wordt verstrekt ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komt indien de uitkeringsgerechtigde met wie de
werkgever aan
wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat
of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking
recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de
Arbeidsongeschiktheidskas. De financiering van de subsidie volgt derhalve de financiering van
de uitkering van waaruit de werknemer in de arbeid heeft hervat. De WAO-uitkering wordt echter, op grond van
artikel 117, eerste lid, aanhef, van
de Wfsv,
de eerste vijf jaar uit de Arbeidsongeschiktheidsfonds gefinancierd. Daarna wordt
de WAO-uitkering, op grond van artikel 115, eerste lid,
onderdeel a, van de Wfsv,
uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds
betaald. Als een WAO-er na die vijf jaar de arbeid hervat en ten behoeve
van hem loonkostensubsidie wordt verstrekt, wordt die
subsidie derhalve ook uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds gefinancierd. Dit volgt uit
artikel 115, eerste lid, onderdeel j, van de Wfsv.
In onderdeel C wordt artikel 117b, vijfde lid, van de
Wfsv
opnieuw geformuleerd. Het voorgestelde onderdeel
a
staat reeds in de huidige tekst van dat vijfde lid en blijft
ongewijzigd. Het voorgestelde onderdeel b regelt dat de loonkostensubsidie op
grond van artikel 37a van de Wet
WIA ten laste van de Werkhervattingskas komt indien de
uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever aan wie de
loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of
is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft
op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas. De
financiering van de subsidie volgt derhalve de financiering van de
uitkering van waaruit de werknemer de arbeid heeft hervat. De WGA-uitkering
wordt echter, op grond van artikel 117b, eerste lid, van de
Wfsv,
de eerste tien jaar uit de Werkhervattingskas gefinancierd. Daarna wordt de
WGA-uitkering, op grond van artikel 115, eerste lid, onderdeel d, van de
Wfsv,
uit
het Arbeidsongeschiktheidsfonds betaald. Als een WGA-er na die tien jaar de arbeid hervat en ten behoeve van hem loonkostensubsidie wordt
verstrekt, wordt die subsidie derhalve ook uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds gefinancierd. Dit volgt uit artikel
115, eerste lid, onderdeel
j, van
de Wfsv.
Ten slotte verdient
vermelding dat, zoals ook aangegeven in het algemeen deel van deze memorie van
toelichting, de loonkostensubsidie die wordt verstrekt op grond de WAZ, op grond van artikel
115,
eerste lid, onderdeel j, van de Wfsv ten laste van het Aof komt. De
loonkostensubsidie op grond van de WW komt, op grond van
artikel 100,
onderdeel k, van de Wfsv, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De
loonkostensubsidie op grond van de Wajong komt
ten slotte, op
grond van artikel 65, eerste lid, onderdeel g,
rblz.|24|
van de
Wajong, ten laste van
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Het is niet nodig hiertoe de
Wfsv te wijzigen.
Hoofdstuk 2.
Wijzigingen in verband met participatieplaatsen
Artikel
VIII. Wet werk en
bijstand
Onderdeel A
Aan
artikel 6 Wwb wordt de
definitie van het begrip startkwalificatie toegevoegd in verband met de
bepaling die wordt opgenomen in het voorgestelde artikel 10a,
vijfde lid, Wwb. Deze definitie komt overeen met de definitie van het begrip
startkwalificatie in de Leerplichtwet
1969.
Onderdeel B
Met dit onderdeel wordt de
gemeenteraad verplicht om bij verordening regels te stellen omtrent de
scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid,
Wwb, en de hoogte
van de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid,
Wwb.
Onderdeel C
Artikel 10a, vijfde en
zesde
lid
Nadat een betrokkene zes
maanden werkzaamheden heeft verricht op een participatieplaats biedt het
college een scholing of opleiding aan tenzij betrokkene al beschikt over
een startkwalificatie of scholing naar het oordeel van het college voor
hem niet haalbaar is doordat een dergelijke scholing of opleiding de
krachten of bekwaamheden van de betrokkenen te boven gaat. De scholing
of opleiding moet gericht zijn op bevordering van de toegang tot de
arbeidsmarkt. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien scholing
of opleiding naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan
vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van betrokkene. Dat kan
bijvoorbeeld het geval zijn indien er veel vacatures zijn in het
vakgebied waarvoor betrokkene is opgeleid, maar andere problematiek de
afstand tot de arbeidsmarkt veroorzaakt. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken
aan verslavingsproblematiek. Eén en ander laat onverlet dat het
college op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
Wwb aan degenen op een
participatieplaats die op grond van artikel 10a, vijfde lid, niet in
aanmerking komen voor scholing of opleiding wel een andere voorziening kan
verstrekken gericht op arbeidsinschakeling.
Daarnaast verstrekt het
college op grond van het voorgestelde zesde de lid, telkens nadat
betrokkene zes maanden werkzaamheden heeft verricht op een participatieplaats,
een premie in het kader van de bevordering van de arbeidsinschakeling. De
premie wordt alleen verstrekt indien betrokkene naar het oordeel van het
college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten
van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.
Artikel 10a, zevende lid
In artikel
10a, eerste lid,
is geregeld dat alleen bijstandsgerechtigden met een kleine kans op
inschakeling in het arbeidsproces en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar
zijn op de arbeidsmarkt, voor een participatieplaats in aanmerking komen. Door de
toepassing van het zevende lid samen met artikel
7, derde
lid, Wwb kunnen ook personen aan wie het UWV
een uitkering verstrekt
en die een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces hebben en
daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt, voor een
participatieplaats in aanmerking komen
rblz.|25|
Artikel 10a, achtste tot en
met tiende lid
De hier voorgestelde leden
treden in de plaats van het huidige vijfde tot en met zevende lid en
bevatten een aanscherping van de voorwaarden waaronder de
participatieplaats kan worden voortgezet (zie ook paragraaf 3.2,
onder c, van het
algemeen deel van de memorie van toelichting).
Onderdeel D
Met dit onderdeel wordt
geregeld dat de premie in het kader van de bevordering van de
arbeidsinschakeling ook tweemaal per kalenderjaar kan worden toegekend, zonder
dat deze tot de middelen wordt gerekend. Indien in een kalenderjaar
het in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, genoemde bedrag van €|2160,-
evenwel wordt overschreden (bijvoorbeeld toekenning van een premie van €|1500,-
en een premie van €|1000,- in eenzelfde kalenderjaar), wordt het
totale bedrag (€|2500,-) tot de middelen gerekend.
Artikel
IX. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers
Artikel X. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
In deze artikelen wordt
- met uitzondering van het voorgestelde artikel 10a, zevende lid,
Wwb
- hetzelfde geregeld als onder artikel VIII, alleen dan voor personen met een
uitkering op grond van de Ioaw
respectievelijk de Ioaz. In het
Inkomensbesluit Ioaw zal worden geregeld dat de premie in het kader van de
bevordering van de arbeidsinschakeling ook tweemaal per kalenderjaar
kan worden toegekend, zonder dat deze tot het inkomen wordt gerekend.
Daarmee geldt zowel voor de Ioaw als voor de
Ioaz dat die premie in dat
geval niet tot het inkomen wordt gerekend.
Hoofdstuk 3.
Slotbepalingen
Artikel
XI. Samenloop met
wetsvoorstel ontheffing arbeidsplicht alleenstaande ouders [lees: Wet verbetering arbeidsmarktpositie
alleenstaande ouders, red.]
In het op (datum) ingediende
wetsvoorstel houdende wijziging van de Wet werk en
bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het opnemen van
nadere bepalingen met betrekking tot de plicht tot
arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder met een kind dat de leeftijd van vijf
jaar nog niet heeft bereikt (Wet verbetering arbeidsmarktpositie
alleenstaande ouders) (Kamerstuknummer [31 519, red.]) wordt evenals in
dit wetsvoorstel
een definitie van "startkwalificatie" opgenomen in de Wwb, de
Ioaw en de Ioaz. In dit artikel is een samenloopbepaling opgenomen die in het eerste
lid voorziet in de situatie dat het wetsvoorstel ontheffing
arbeidsplicht alleenstaande ouders [lees: Wet verbetering arbeidsmarktpositie
alleenstaande ouders, red.] eerder in werking treedt dan dit
wetsvoorstel en de situatie dat dat wetsvoorstel en dit wetsvoorstel
gelijktijdig in werking treden en in het tweede lid voorziet in de situatie dat dit
wetsvoorstel eerder in werking treedt dan het wetsvoorstel ontheffing arbeidsplicht
alleenstaande ouders [lees: Wet verbetering arbeidsmarktpositie
alleenstaande ouders, red.].
Artikel XII.
Intrekking Wet
horizonbepaling participatieplaatsen
Het is noodzakelijk dat de
in hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel opgenomen aanpassingen in ieder geval
binnen twee jaar na inwerkingtreding van de artikelen 10a
van de Wwb en
38 van de Ioaw
en Ioaz tot stand komen in rblz.|26|
verband met de verscherping
van de beoordelingscriteria voor de verlenging na die twee jaar. Het is
naar het oordeel van de regering in de situatie dat die aanpassingen niet
binnen die twee jaar plaats zullen vinden dan ook ongewenst om het
instrument van de participatieplaatsen in stand te houden. Gelet daarop is in
het op (datum) ingediende voorstel van wet houdende een horizonbepaling
met betrekking tot participatieplaatsen (Wet horizonbepaling
participatieplaatsen) (Kamerstukken PM) [Stb. 2008, 594, red.]
een bepaling opgenomen die inhoudt dat de
regeling omtrent de participatieplaatsen in de Wwb, de
Ioaw
respectievelijk de Ioaz
vervalt binnen twee jaar na de inwerkingtreding
daarvan. In het onderhavige artikel wordt vervolgens geregeld dat de Wet
horizonbepaling participatieplaatsen wordt ingetrokken. Indien
het onderhavige wetsvoorstel binnen twee jaar na de inwerkingtreding van
de artikelen 10a van de Wwb
en 38 van de
Ioaw
en Ioaz in werking
treedt, zullen die artikelen derhalve niet komen te vervallen.
Artikel XIII.
Inwerkingtreding
Dit artikel biedt de
mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel. Beoogd is de
onderdelen die zien op de participatieplaatsen zo spoedig mogelijk na de
publicatie in het Staatsblad in werking te laten treden. Het kan nodig zijn
dat de bepalingen waarin de gemeenteraden worden verplicht om bij
verordening regels te stellen later in werking treden om de gemeenteraden
enige tijd te gunnen om die verordeningen vast te stellen. De gewenste
datum van inwerkingtreding van de bepalingen die zien op
loonkostensubsidie is 1 januari 2009.
Artikel XIV.
Citeertitel
Deze wet heeft een
citeertitel omdat deze wet naar verwachting na inwerkingtreding veelvuldig zal worden
aangehaald. Aanbevolen wordt deze wet als Wet STAP af te
korten.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb