De
regering heeft als wens om gemeenten meer armslag te geven in de bestrijding van armoede door
middel van gerichte inkomensondersteuning, waar mogelijk gericht op het
bevorderen van participatie (Coalitieakkoord ¹). Deze
wens is ook neergelegd als afspraak in het Bestuursakkoord Rijk en
Gemeenten "Samen aan de slag".² Daarin is ook afgesproken dat de
langdurigheidstoeslag wordt gedereguleerd.
Tevens geeft de regering met
dit wetsvoorstel invulling aan de motie van het lid Spekman
(Kamerstukken II 2006-2007, 24 515, nr. 108), waarmee de regering wordt opgeroepen
gemeenten toe te staan gerichte inkomensondersteuning te verlenen aan specifieke
groepen op zodanige wijze dat de financiële prikkel om te
gaan werken gehandhaafd blijft. Daarmee handelt de regering
bovendien conform de wens van de Tweede Kamer zoals neergelegd in de motie
van het lid Van Geel c.s. (Kamerstukken II 2007-2008, 31 200, nr. 16)
waar het de armoedebestrijding betreft.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4, brief van de informateur met het
Coalitieakkoord "Samen Werken, Samen Leven".
2. Kamerstukken II 2006-2007,
30 300 B, nr. 17, brief van de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5
juni 2007.
1.1. Voorgeschiedenis
De langdurigheidstoeslag
bestaat in de huidige vorm sinds 2004 als een uitwerking van de wens om te
komen tot een aanvulling op het inkomen voor personen die langdurig
van een laag inkomen afhankelijk zijn. De langdurigheidstoeslag
stuitte in de gemeentelijke praktijk veelvuldig op uitvoeringsproblemen. Van de
zijde van de Tweede Kamer was er de wens om bij kleine neveninkomsten
uit arbeid toch de langdurigheidstoeslag uit te laten keren.
Gerechtelijke uitspraken ten aanzien van het recht op
langdurigheidstoeslag voor gedeeltelijk
arbeidsongeschikten noopten tot codificering (Kamerstukken
II 2007-2008, 31 138, nr. 2). Daardoor is er inmiddels in feite sprake van een
complex stelsel, dat voortdurend nieuwe vragen oproept en de
uitvoering voor nieuwe grensgevallen stelt. Illustratief daarvoor is de
brief van 17 oktober 2006 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II
2006-2007, 30 484 & 28 870, nr. 19), die zich
genoodzaakt zag de werking van de langdurigheidstoeslag uiteen te zetten. In die
brief wordt dit gedaan aan de hand rblz.|2|
van verschillende
voorbeelden, waaronder de wijze waarop met de jonggehandicaptenkorting in de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) rekening moet
worden gehouden bij het bepalen van het recht op de
langdurigheidstoeslag en het onderscheid tussen gedeeltelijk
arbeidsongeschikten met inkomsten uit arbeid en gedeeltelijk arbeidsongeschikten zonder
inkomsten uit arbeid.
Gerichte
inkomensondersteuning betekent in essentie dat de ondersteuning bij een individu terecht
komt, die feitelijk te maken heeft met kosten die voortvloeien uit
bijzondere omstandigheden en die niet door andere regelingen worden vergoed,
en ook niet door hemzelf kunnen worden voldaan. De individuele
bijzondere bijstand kan in zo’n situatie uitkomst bieden. Als bepaalde kosten
kunnen worden gerelateerd aan het behoren tot een groep of categorie
personen, is de gedachte dat hiermee de aannemelijkheid alsmede de hoogte van deze
bepaalde kosten van elk individu uit de desbetreffende
categorie personen kan worden vastgesteld, ongeacht of, en zo ja, in welke
mate
de desbetreffende kosten in het individuele geval daadwerkelijk
noodzakelijk en feitelijk gemaakt zijn. Dat is de gedachte achter categoriale
bijzondere bijstand. Categoriale bijzondere bijstand werd bij het in
werking treden van de
Wet werk en bijstand (Wwb)
in 2004 aan banden gelegd,
nadat eerdere kabinetten de mogelijkheden juist hadden vergroot. Het
aan banden leggen werd ingegeven doordat uit onderzoeken van de Inspectie
Werk en Inkomen (IWI), de Algemene Rekenkamer (ARK) en de
Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid (MGA) was gebleken dat aan
categoriale bijzondere bijstand overwegende bezwaren kleven, zoals
ongerichte inkomenssuppletie, doorkruising van het aan het Rijk
voorbehouden algemene inkomensbeleid en armoedevaleffecten.
In het Coalitieakkoord en
het bestuurlijke akkoord met gemeenten worden nu nieuwe bewegingen
voorgesteld. Die beogen meer armslag voor gemeenten bij gerichte ondersteuning van huishoudens met kinderen ter
bevordering van de
maatschappelijke participatie van kinderen en deregulering van de
langdurigheidstoeslag. De Tweede Kamer heeft voorts bovengenoemde motie van het
lid Spekman (Kamerstukken II 2006-2007, 24 515, nr. 108) aangenomen.
Dit brengt beweging enerzijds in de vorm van meer vrijheid voor
gemeenten en anderzijds in het inkomensbeleid dat is voorbehouden aan het
Rijk. Het wetsvoorstel beoogt vanuit deze beweging tot een nieuw
evenwicht te komen.
1.2. Streefbeeld
De regering wil meer mensen
betrekken bij de samenleving. De beste remedie tegen armoede is
werk. Armoede in Nederland is vooral sociale armoede: niet (kunnen) meedoen. De rijksoverheid garandeert een
fatsoenlijk bestaansminimum
(uitkeringen, toeslagen). Daarnaast beschikken gemeenten
over
middelen voor gerichte ondersteuning van mensen op of rond het
minimum (bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag). De randvoorwaarde bij zowel
het rijksbeleid als het instrumentarium dat gemeenten wordt geboden,
is dat het zoveel mogelijk dienstig is aan de hoofddoelstelling om
mensen (weer) aan het werk te krijgen. Als dat niet - of nog niet - mogelijk is, dan is maatschappelijke participatie ook
een goede oplossing. Men
doet dan immers weer mee en maakt weer onderdeel uit van de
samenleving.
Er zijn kinderen die
opgroeien in armoede. Zij lopen grote kans als volwassene later ook in
armoede te leven. Voorkomen moet worden dat families van generatie op generatie in armoede leven.
De regering gaat gezinnen
met een laag inkomen extra ondersteuning bieden en investeert daarmee
in de toekomst van deze kinderen, vooral rblz.|3|
omdat die ondersteuning aan
hen ten goede komt. Kinderen moeten kansen krijgen om de
kwaliteiten te ontwikkelen die ze in zich hebben, ongeacht de financiële
positie van hun ouders. De voorzieningen die hiervoor nodig zijn, brengen
noodzakelijke kosten voor de gebruiker met zich mee. De regering beoogt
zeker te stellen dat middelen die hiervoor door de overheid ter
beschikking worden gesteld ook voor dit doel worden aangewend.
Eerder kondigde de regering
al aan dat conform de wens van de Tweede Kamer in 2008 en 2009
jaarlijks €|40 miljoen beschikbaar wordt gesteld om te bereiken dat meer
kinderen uit arme gezinnen kunnen deelnemen aan sport, cultuur of andere
activiteiten.¹ De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
maakt afspraken met gemeenten over de ondersteuning van kinderen.
De ambitie is om gemeenten zo te stimuleren dat het aantal kinderen dat
maatschappelijk niet meedoet om redenen van armoede in deze
kabinetsperiode met de helft afneemt. Er is geen volledig en actueel
beeld van de omvang en achtergronden van armoede en sociale
uitsluiting bij kinderen. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid laat samen met de Minister voor Jeugd en Gezin onderzoek
uitvoeren naar de achtergronden en langetermijneffecten van armoede bij kinderen.
Bovendien zal de Minister voor Jeugd en Gezin in de
Gezinsnota, die naar verwachting medio 2008 gereed is, nader ingaan op
het onderwerp sociale uitsluiting bij kinderen.
1. Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan
de Tweede Kamer van 10 december 2007
(Kamerstukken II 2007-2008, 24 515 en 31
200, nr. 121).
Met
het onderhavige
wetsvoorstel krijgen gemeenten meer mogelijkheden voor een gerichte benadering
van deze groep. Bijvoorbeeld in de vorm van een naturaverstrekking van een sportabonnement of een
computer voor het huiswerk
van kinderen. Hiermee krijgen gemeenten een instrument in handen dat
zij kunnen gebruiken om extra gestalte te geven aan de genoemde
afspraken die de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
voornemens is met hen te maken om te bereiken dat meer kinderen
uit arme gezinnen kunnen deelnemen aan sport, cultuur of andere
activiteiten. De naturaverstrekking beoogt dat de voorziening daadwerkelijk
voor deze participatiebevordering wordt ingezet. Verstrekking in
natura betekent dat wordt afgeweken van de gebruikelijke vorm van
bijzondere bijstand die als een geldbedrag wordt verstrekt. Ook bijkomende
schoolkosten worden geacht tot op participatiebevordering gerichte voorzieningen te
behoren.
Voorts kan gesteld worden
dat huishoudens (met of zonder kinderen) die langdurig een laag inkomen
hebben en geen arbeidsmarktperspectief in het algemeen minder mogelijkheden hebben om geld te reserveren,
bijvoorbeeld voor
vervangingsuitgaven. Zij komen daarom in aanmerking voor een
langdurigheidstoeslag. Door de voorwaarden voor die toeslag te decentraliseren, wil de
regering de gemeenten in staat stellen om, meer dan met de huidige centrale
regeling mogelijk is, maatwerk te leveren en op een wijze die niet in de
weg staat aan werkaanvaarding of inkomensverbetering. Immers, vooropstaat dat
mensen met een uitkering zoveel mogelijk aan het werk
geholpen worden en hun verdiencapaciteiten benutten.
Er zijn diverse maatregelen
om huishoudens financieel te ondersteunen. Om het beoogde doel te
bereiken, is het belangrijk dat mensen gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen waar zij recht op
hebben. De regering werkt
samen met gemeenten aan maatregelen om het niet-gebruik hiervan
tegen te gaan. Eén daarvan is regelgeving zoveel mogelijk te vereenvoudigen.
Regering en gemeenten hebben afgesproken de bestuurlijke en
financiële decentrale vrijheid te verruimen. De maatregelen die de regering treft om de
armoede te bestrijden en participatie te bevorderen, zijn hierop geënt.
rblz.|4|
In combinatie met de
bestaande wettelijke mogelijkheden heeft de regering ten aanzien van het
instrumentarium dat voor het gemeentelijk armoedebeleid kan worden ingezet daarom het volgende eindbeeld voor
ogen:
a. Gemeenten kúnnen
categoriale bijzondere bijstand verstrekken, dus zonder na te gaan of de
kosten waarvoor die bijstand wordt verleend in het geval van aanvrager daadwerkelijk noodzakelijk en gemaakt zijn,
ten behoeve van:
- personen van 65 jaar of
ouder, waar het kosten betreft die voor deze categorie, gezien de
bijzondere omstandigheden waarin die zich bevindt, leiden tot
bepaalde noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene
bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te
boven gaan;
- personen van 18 jaar of
ouder doch jonger dan 65 jaar ten behoeve van:
1. de kosten van een
chronische ziekte of handicap;
2. de kosten van deelname
van schoolgaande kinderen aan sport, cultuur of andere
activiteiten gericht op maatschappelijke participatie van deze kinderen; het is de
bedoeling deze categoriale bijzondere bijstand zoveel
mogelijk in natura te verstrekken, tenzij er redenen zijn
hiervan af te wijken.
Voorts kunnen gemeenten aan
personen van 18 jaar of ouder bijzondere bijstand verlenen in de vorm
van een collectieve (aanvullende) ziektekostenverzekering.¹
1. De mogelijkheden voor
categoriale bijzondere bijstand aan
chronisch zieken en gehandicapten en de
collectief aanvullende ziektekostenverzekering zijn
thans in de Invoeringswet Wwb geregeld.
b. Gemeenten
móeten een
langdurigheidstoeslag verstrekken aan personen die langdurig op
een minimuminkomen zijn aangewezen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen arbeidsmarktperspectief
hebben. De gemeenten moeten
in een verordening daartoe regels stellen met
betrekking tot de hoogte van de toeslag en de invulling van de begrippen langdurig,
laag inkomen en gebrek aan arbeidsmarktperspectief. De
langdurigheidstoeslag wordt een bijzondere vorm van categoriale bijzondere bijstand.
Het
Rijk voert een generiek
inkomensbeleid, waarbij op een aantal beleidsterreinen (zorg, huisvesting,
onderwijs, kinderopvang) inkomensondersteunende maatregelen zijn getroffen.
Daarnaast is er ruimte voor aanvullend gemeentelijk
inkomensondersteuningsbeleid. Om te voorkomen dat dit gemeentelijke inkomensondersteuningsbeleid leidt tot een
ongewenste doorkruising van
het generieke inkomensbeleid, is het noodzakelijk dat de ruimte van dat
gemeentelijke beleid wettelijk wordt ingekaderd. Door de gemeenten
voor te
schrijven om de financiële ondersteuning aan meerjarige minima zonder
arbeidsmarktperspectief in een gemeentelijke verordening
vast te leggen, wordt bevorderd dat deze minima, net als via de
huidige langdurigheidstoeslag, een bij de gemeente afdwingbaar recht
op inkomensondersteuning hebben. Het wettelijk kader geeft voorts
een begrenzing aan van de ruimte voor gemeentelijk beleid:
gemeenten moeten invulling geven aan de begrippen langdurig, gebrek aan
perspectief op de arbeidsmarkt en laag inkomen. Daarbij dienen zij uiteraard
rekening te houden met de begrenzing als gevolg van het generieke
inkomensbeleid, dat is voorbehouden aan het Tijk (zie hiervoor paragraaf
3.2).
Met deze vormgeving is er
sprake van een samenhangend stelsel waarmee het overgrote deel
van de mensen aan de onderkant van het inkomensgebouw elk een op de
eigen behoefte toegesneden pakket van ondersteuning krijgt
aangeboden. Daarnaast is de gemeente door middel van individuele bijzondere
bijstand (al dan niet op basis van groepskenmerken, zie paragraaf
3.4) gehouden
maatwerk te leveren in aanvulling op de generieke
voorzieningen en de categoriale bijzondere bijstand.
rblz.|5|
Hiermee geeft de regering
zowel invulling aan het Coalitieakkoord als aan de genoemde motie-Spekman.
Om te bereiken dat gemeenten binnen de geboden ruimte gaan
opereren, wordt dit streefbeeld ook snel uitgedragen richting gemeenten. Daarbij
geldt tevens dat een specifieke uitbreiding van de
categoriale bijzondere bijstand betekent dat er geen ruimte is voor andere vormen
van categoriaal beleid, omdat dan sprake zou zijn van een ongewenste
doorkruising van het rijksinkomensbeleid.
In het navolgende gaat de
regering nader in op de overwegingen om tot het hierboven beschreven
eindbeeld te komen. Die betreffen met name de langdurigheidstoeslag en de
verlening van bijzondere bijstand in natura aan ouders met schoolgaande
kinderen als vorm van gerichte - dat wil zeggen aan kosten gerelateerde
- inkomensondersteuning.
2. Decentraliseren
langdurigheidstoeslag
2.1. Aard en positie
langdurigheidstoeslag
De rechtvaardiging van de
langdurigheidstoeslag is dat mensen die langdurig van het sociaal minimum
afhankelijk zijn over het algemeen geen mogelijkheden meer hebben om
te reserveren voor (onverwachte) hoge kosten, zoals voor
vervangingsuitgaven die na verloop van tijd onvermijdelijk zijn. Hiermee treedt ten
aanzien van de positiebepaling van de langdurigheidstoeslag in het inkomensbeleid geen
wijziging op. Bij de invoering van de Wwb is die als volgt
omschreven. "Om deze reden wordt de langdurigheidstoeslag voor
één jaar toegekend en in één belastingvrij bedrag uitbetaald. Hiermee
wordt bereikt dat er op het moment van uitbetaling ruimte ontstaat binnen het
budget waaruit hogere kosten kunnen worden voldaan, bijvoorbeeld
voor vervangingsuitgaven." ¹ Kerngedachte van de (bijzondere) bijstand
is dat er altijd maatwerk geleverd moet worden. Dat betekent dat bij
de verlening van bijzondere bijstand, voor een bepaald gebruiksgoed
bijvoorbeeld, enerzijds rekening kan worden gehouden met reeds verleende
langdurigheidstoeslag. Anderzijds moet eveneens conform artikel 35,
eerste lid, nagegaan worden of er bijzondere omstandigheden zijn waarom
ook na ontvangst van de langdurigheidstoeslag bijzondere bijstand nodig
is.
1. Kamerstukken II
2002-2003,
28 870, nr. 3, blz. 12.
De regering is van mening
dat de langdurigheidstoeslag zoveel mogelijk een gemeentelijke
verantwoordelijkheid moet worden. Gemeenten kunnen het beste bepalen welke vormgeving van de langdurigheidstoeslag
het beste aansluit bij
enerzijds het re-integratiebeleid van gemeenten en anderzijds de wens om
inkomensondersteuning te bieden aan mensen die langdurig een inkomen op
het sociaal minimum hebben zonder dat zij perspectief hebben dit
inkomen door arbeidsinschakeling of progressie op de arbeidsmarkt te
vergroten. Voorkomen moet worden dat de decentralisatie leidt tot een ongewenste
doorkruising van het nationaal inkomensbeleid. Om deze reden, én om de
rechten van de burger te beschermen, zijn de gemeenten gehouden
een verordening op te stellen. Hierin bepalen zij binnen de
wettelijke kaders zelf de voorwaarden waaronder er recht is op
langdurigheidstoeslag. In concreto moeten zij bepalen wat langdurig is, wat een laag
inkomen is en onder welke omstandigheden er sprake is van gebrek aan
arbeidsperspectief (dan wel gebrek aan perspectief om door middel van
progressie op de arbeidsmarkt het inkomen te vergroten). Hiermee beoogt
de regering gemeenten het maatwerk te laten leveren dat nodig is en het
systeem van de langdurigheidstoeslag aan te laten sluiten op het
gemeentelijk re-integratiebeleid.
De wijze waarop de gemeente
het gebrek aan arbeidsmarktperspectief vaststelt, is niet centraal
voorgeschreven. Zij kan dit op eenvoudige wijze vormgeven. Criteria zouden
kunnen zijn: de duur van de afhankelijkheid van het lage inkomen, de
mate waarin neveninkomsten uit arbeid zijn/worden rblz.|6|
verkregen, de mate
waarin men zich heeft gehouden aan regels omtrent solliciteren en
medewerking aan re-integratie. Het Rijk stelt hierover geen centrale regels, maar
verplicht gemeenten slechts tot het stellen van eigen regels.
Het ligt voor de hand dat gemeenten zich bij de beoordeling van het
toekomstig perspectief op arbeid baseren op de situatie in het verleden,
bij gebrek aan mogelijkheden om het toekomstig arbeidsmarktperspectief met
zekerheid te bepalen.
De hoogte van de
langdurigheidstoeslag is thans landelijk bepaald (verschil tussen norm 65+ en
65-). De regering vindt het passend binnen het systeem van de Wwb
om
dit onderdeel van de langdurigheidstoeslag te decentraliseren. Nu de
verantwoordelijkheid voor de invulling van de begrippen langdurig,
perspectief op de arbeidsmarkt en laag inkomen bij gemeenten berust, behoort
ook de verantwoordelijkheid voor de bepaling van de hoogte van de
langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd te worden. Deze elementen vormen in hun
onderlinge samenhang de basis waarop gemeenten een op
re-integratie toegespitst beleid vormgeven. De regering gaat ervan uit dat gemeenten
voor wat betreft de hoogte geen excessieve bedragen zullen opnemen, a)
omdat dat de re-integratie belemmert en daarmee kostenverhogend
werkt (gemeenten zijn financieel verantwoordelijk voor de Wwb), b) omdat de
financiële middelen van gemeenten niet onbeperkt
zijn en c) omdat ook gemeenteraden hun rol in deze zullen vervullen. Dit
biedt naar het oordeel van de regering voor gemeenten voldoende reden om
te kiezen voor een participatiebevorderende vormgeving.
Overigens zal de regering de IWI verzoeken om de wijze waarop de
langdurigheidstoeslag in de uitvoeringspraktijk wordt vormgegeven voor wat
betreft de doelgroep, duur periode laag inkomen en de hoogte van de
toeslag, één jaar na inwerkingtreding van de
wet te onderzoeken,
zonder de gemeenten hierbij extra te belasten.
2.2. Gekozen vorm
De decentralisatie wordt
gerealiseerd door van de langdurigheidstoeslag een bijzondere vorm van
(categoriale) bijzondere bijstand te maken. Bijzonder, omdat de gemeenten in tegenstelling tot de
"normale" (categoriale) bijzondere bijstand
gehouden zijn het gemeentelijke beleid ten aanzien van de
langdurigheidstoeslag in een verordening vast te leggen.
Voorts bijzonder, omdat
gemeenten gehouden zijn de langdurigheidstoeslag te verstrekken indien de
aanvrager aan de gestelde voorwaarden voldoet. Deze bijzondere
categoriale voorziening staat in beginsel open voor iedereen met een laag
inkomen (de gemeente kan de grenzen hiervoor zelf bepalen), dus ook voor
werkenden die nu zijn uitgesloten van langdurigheidstoeslag.¹
De armoedevalproblematiek
waarmee de huidige langdurigheidstoeslag gepaard gaat, kan hierdoor
worden verminderd. Momenteel raken bijstandsgerechtigden met langdurigheidstoeslag de hele langdurigheidstoeslag
kwijt op het moment dat zij
gaan werken. Voor hen is het (financiële) verschil tussen werk en
uitkering kleiner dan voor bijstandsgerechtigden zonder recht op
langdurigheidstoeslag. De armoedeval is voor deze groep dus extra
groot (2 á 3 procent minder inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van een
baan op minimumloonniveau). Gemeenten dienen in de
verordening rekening te houden met een participatiebevorderende
vormgeving. Wanneer gemeenten een glijdende schaal gaan gebruiken, hoeven
bijstandsgerechtigden niet direct de (hele) langdurigheidstoeslag in te
leveren waardoor het verschil tussen werk en uitkering groter wordt. Op
deze manier wordt de armoedeval voor deze groep dus kleiner en wordt
het aantrekkelijker om te gaan werken.
Tot slot levert de
wetswijziging gemeenten meer ruimte op, waar de uitvoering van de huidige
regelgeving rondom de langdurigheidstoeslag rblz.|7|
(inmiddels kan bijna van een
stelsel gesproken worden) bij voortduring op praktische problemen stuit,
die om maatwerk vragen dat niet met centrale regelgeving te bereiken is.
De bezwaren tegen de huidige
regeling betreffen voornamelijk de stringente afbakening van de doelgroep
en de wijze waarop in de wet is bepaald hoe moet worden vastgesteld dat aan de voorwaarden is
voldaan. Deze laat de
uitvoering geen of weinig ruimte om in grensgevallen te handelen. Dit heeft in de
praktijk geleid tot gevoelens van onrechtvaardigheid over de
toepassing van de wet (bijvoorbeeld ten aanzien van mensen die een
uitkering op basis van de Werkloosheidswet of de
Wajong ontvangen),
gerechtelijke uitspraken over grensgevallen en aanpassing op onderdelen van
de wet.
1. Personen van 65 jaar of
ouder blijven uitgesloten van de langdurigheidstoeslag
omdat gemeenten ten aanzien van
hen reeds de mogelijkheid hebben om
categoriale bijzondere bijstand te
verlenen. Bovendien is het sociaal minimum voor
ouderen hoger dan voor personen onder de 65
jaar waarbij dezelfde
rechtvaardigingsgrond als voor de langdurigheidstoeslag geldt,
namelijk het langdurig zijn aangewezen op
een laag inkomen zonder de
mogelijkheden om dit door middel van
positieverbetering op de arbeidsmarkt te vergroten.
Deze benadering doet recht
aan de bestuurlijke afspraken met gemeenten ¹ om verantwoordelijkheden op
zo’n laag mogelijk niveau neer te leggen. Doordat er sprake is
van een gebudgetteerd systeem (via het gemeentefonds, samen met de
bestaande prikkel via budgettering I-deel [inkomensdeel, red.], zie ook
hoofdstuk
4. Financiële en fiscale gevolgen), zijn er voldoende financiële prikkels voor gemeenten om weloverwogen om
te gaan met de ruimere bevoegdheden. Daarmee draagt de gekozen
vormgeving bij aan de bevordering van participatie.
De bijzondere bijstand is in
de Wwb beleidsmatig en financieel gedecentraliseerd. De gemeenten hebben in het
kader van de bijzondere bijstand dan ook volledige vrijheid
gekregen in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit
betekent dat zij zelf bepalen welk deel van het inkomen boven het
bijstandsniveau bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen.
Vrijwel alle gemeenten passen het draagkrachtbeginsel zo toe dat er tussen 100%
van het sociaal minimum en 110% van het sociaal minimum
een glijdende schaal wordt toegepast bij de verstrekking van
bijzondere bijstand. Hiermee wordt de grensproblematiek die nu inherent is aan de
langdurigheidstoeslag ondervangen. Gemeenten kunnen de
langdurigheidstoeslag aldus inpassen in het activeringsbeleid en
armoedevalproblematiek voorkomen. Deze kan worden voorkomen doordat
gemeenten de mogelijkheid krijgen de langdurigheidstoeslag ook aan werkenden toe te
kennen. Niet alleen aan personen die gaan werken,
maar ook aan werkenden die geen perspectief hebben om op de arbeidsmarkt
door progressie substantieel meer te gaan verdienen dan het minimumloon. De regering is zich er overigens van bewust dat de keuze om de
langdurigheidstoeslag te decentraliseren met zich meebrengt dat er
tussen gemeenten onderling verschillen in de toepassing van de
langdurigheidstoeslag kunnen ontstaan. Desondanks kiest de regering toch voor
decentralisatie omdat zij de verantwoordelijkheid en armslag die de gemeenten
hiermee verkrijgen zwaarder vindt wegen.
1. Zowel de Code
Interbestuurlijke Verhoudingen (januari 2005) als het Bestuursakkoord Rijk en
Gemeenten "Samen aan de slag" hebben als uitgangspunt "decentraal wat kan, centraal wat
moet". In het
Bestuursakkoord is afgesproken gemeenten meer
beleidsruimte te geven en bevoegdheden te
decentraliseren om de bestuurskracht van
gemeenten te versterken. Doel hiervan is
gezamenlijk maatschappelijke doeleinden
te bereiken.
2.3. Overgangsrecht
In het wetsvoorstel is
overgangsrecht opgenomen voor een bepaalde groep mensen die in 2009 een
aanvraag doen voor een langdurigheidstoeslag (zie de toelichting op het nieuwe artikel 36 van de
Wwb).
Hierdoor heeft deze groep
genoeg rechtszekerheid en het geeft daarnaast gemeenten voldoende ruimte
om ook daadwerkelijk zelf invulling te geven aan het eigen beleid.
Verwacht mag worden dat de toekomstige regelingen op lokaal niveau
de huidige doelgroep niet zullen uitsluiten en dat gemiddeld genomen de
hoogte van de lokale langdurigheidstoeslag ook weinig zal afwijken van
de huidige landelijke regeling, waardoor zich geen grote inkomenseffecten
zullen voordoen. In dit verband merkt de regering op dat de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) overweegt een modelverordening uit te
brengen.
rblz.|8|
3. Op
participatiebevordering gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande
kinderen
3.1. Een specifieke vorm van
categoriale bijzondere bijstand: doel en voorwaarden
Het kabinet en de VNG zijn
overeengekomen intensivering van bijzondere bijstand via groepsgewijze
benadering te bewerkstelligen. De groep die kabinet en VNG specifiek op
het oog heeft zijn huishoudens met schoolgaande kinderen die moeten
rondkomen met een inkomen op minimumniveau. De regering wil voorkomen
dat deze inkomenspositie van het gezin de kansen op een goede
toekomst van de kinderen in de weg staat.
In de wet worden de
doelgroepen waaraan categoriale bijzondere bijstand kan worden verleend daarom
uitgebreid, namelijk met huishoudens met kinderen voor kosten in
verband met maatschappelijke participatie en ontwikkeling (zoals
onderwijsgerelateerde kosten). De regering stelt hierbij als randvoorwaarde
dat de gemeenten de voorzieningen in natura (en niet als geldbedrag)
zullen verstrekken om deze zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan de
kinderen zelf. Als dit leidt tot een ondoelmatige uitvoering, kan van deze
voorwaarde worden afgeweken. De doeltreffendheid staat voorop. Daar waar
voorzieningen om kinderen te laten deelnemen aan voorzieningen
die gericht zijn op verbetering van het perspectief op een goede
toekomst niet of slechts tegen hoge kosten in natura kunnen worden
verstrekt, houdt de gemeente de mogelijkheid om hier op andere wijze in te
voorzien.
Tevens wijst de regering in
dit verband op de bestaande algemene randvoorwaarden ten aanzien van alle vormen
van categoriale bijzondere bijstand:
1. De gemeentelijke regeling
mag geen overlap kennen met bijvoorbeeld de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en andere regelingen ten behoeve van huishoudens met kinderen om
doorkruising van het
algemene inkomensbeleid te voorkomen. Deze randvoorwaarde vloeit voort
uit artikel 15 van de Wwb:
(bijzondere)bijstandverlening is alleen
mogelijk voor zover geen recht bestaat op een tegemoetkoming uit een
voorliggende voorziening.
2. De tegemoetkoming dient
betrekking te hebben op het bestrijden van kosten. Ongerichte
inkomenssuppleties, waarbij de aard en/of de omvang van de te bestrijden
kosten in de gemeentelijke regelgeving onvoldoende zijn bepaald,
zijn niet toegestaan.
3. De doelgroep is
onafhankelijk van de bron van het inkomen, zodat de categoriale voorziening niet
alleen toegankelijk is voor bijstandsgerechtigden, maar ook voor andere
uitkeringsgerechtigden en voor degenen met een inkomen uit
arbeid. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe elementen worden
toegevoegd aan de armoedeval.
4. Uit het oogpunt van
rechtsgelijkheid zal door middel van een individualiserende toepassing van
de wet de
bijzondere bijstand eveneens verstrekt moeten worden aan degene die niet primair tot de doelgroep
behoort, maar die voor het
overige in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Hierbij wordt de
voorziening afgestemd op de mate waarin de situatie van de
betrokkene verschilt van degene die primair tot de doelgroep behoort. De
Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in het geval van een gemeente
die
een regeling opstelde voor personen van 65 jaar of ouder geoordeeld
dat de motieven die ten grondslag lagen aan de keuze van de gemeente
om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken niet uitsluitend
voor deze groep gelden.¹ Ook bij andere personen valt volgens de
CRvB niet bij voorbaat uit te sluiten dat zij in dezelfde omstandigheden
verkeren die de verlening van bijzondere bijstand in dit geval
rechtvaardigen.
1. JWwb 2004/343:
Centrale Raad van Beroep, 20 juli 2004, nr. 02/5279
NABW en nr. 02/5280 NABW [LJN AQ6681, red.].
rblz.|9|
3.2. Voorkoming doorkruising
algemeen inkomensbeleid
Het algemene inkomensbeleid
is voorbehouden aan het Rijk. Daartoe heeft het Rijk een groot aantal
inkomensafhankelijke maatregelen getroffen op het gebied van onderwijs,
kinderopvang, huisvesting en zorg. De regering wil voorkomen dat het
algemene inkomensbeleid door het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid
wordt doorkruist. Het uitgangspunt van de bijzondere bijstand is
immers ook dat daar waar de wetgever bewust heeft gekozen om bepaalde
kosten niet te compenseren dit niet door de bijzondere bijstand alsnog
wordt vergoed. Ook categoriale inkomensondersteunende regelingen die níet onder
de noemer van de bijzondere bijstand vallen, zijn niet
toegestaan. Wel toegestaan blijven de bestaande wettelijke vormen van
categoriaal beleid en het gemeentelijk minimabeleid, zoals dat omvat:
kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen,
schuldhulpverlening en maatschappelijke participatie (stadspassen en dergelijke). Voor de
voorzieningen voor maatschappelijke participatie, zoals stadspassen, geldt dat
die, evenals in de bestaande situatie, uitsluitend betrekking mogen
hebben op sociaal-culturele en sportieve activiteiten.
3.3. Verstrekking in natura
Kinderen moeten in hun
kansen en mogelijkheden op ontwikkeling niet worden belemmerd door de
slechte financiële positie van hun ouders. De regering wil bereiken dat de
inkomensondersteuning rechtstreeks aan de minderjarige kinderen van de
doelgroep ten goede komt. Alhoewel de regering ervan uitgaat dat
de meeste ouders zich inzetten voor een goede toekomst voor hun kind, wil
de regering voorkomen dat deze specifieke ondersteuning voor andere
zaken kan worden aangewend. Om die reden is het wenselijk de
categoriale bijzondere bijstand aan deze groep in natura en niet als
geldbedrag uit te keren. Het kan bijvoorbeeld gaan om PC-projecten voor schoolgaande kinderen, kosten voor huiswerkbegeleiding
en andere
onderwijsgerelateerde uitgaven die niet in de WTOS
zijn begrepen,
abonnementen op bepaalde tijdschriften, het lidmaatschap van
sportverenigingen en culturele verenigingen en dergelijke. Verstrekkingen in natura
zijn niet belast.
De regering realiseert zich
dat gezien de aard van hetgeen geregeld wordt een verstrekking in natura
in een aantal gevallen ondoelmatig of ondoeltreffend kan zijn, nog afgezien van
het feit dat er discussie kan ontstaan over wat nu wel of niet als
in natura is te duiden. Daarom heeft de regering in het wetsvoorstel
opgenomen dat ingeval dat naturaverstrekking ondoelmatig is, het college
kan afwijken van deze verplichting. Een voorbeeld van een dergelijke situatie
is dat de gemeente niet met alle sportverenigingen afspraken kan maken over
gereduceerde tarieven en daarom tot vergoeding op basis van
werkelijke gemaakte kosten overgaat. Ook bij bepaalde andere
voorzieningen (bijvoorbeeld specifieke uitrusting die noodzakelijk is om aan een
activiteit deel te nemen) kan het doelmatig zijn af te wijken van de
verplichting tot naturaverstrekking. Door de mogelijkheid te bieden om op andere wijze
te bewerkstelligen dat een kind deel kan nemen aan noodzakelijke
activiteiten, wil de regering tot uitdrukking brengen dat gemeenten de
doeltreffendheid de doorslag kunnen laten geven. De regering voorziet
dat gemeenten aldus geen belemmeringen zouden moeten ervaren om
voorzieningen te treffen gericht op maatschappelijke participatie en ontwikkeling
van kinderen.
Een categoriale voorziening
impliceert niet dat ambtshalve verstrekt wordt. Er moet nog steeds
een aanvraag ingediend worden, maar de beoordeling hiervan is veel eenvoudiger. Er behoeft alleen getoetst te
worden of de persoon behoort
tot de categorie die in de wet is omschreven.
rblz.|10|
Regering en
gemeenten hebben
als gemeenschappelijk doel geformuleerd om het niet-gebruik van
voorzieningen terug te dringen. Op basis van gegevens die reeds bekend zijn bij de
gemeente zal in veel gevallen
de mogelijkheid bestaan
vooraf ingevulde formulieren te verzenden. De burger kan dan volstaan met
de ondertekening van formulieren en het retourneren daarvan naar een
gratis antwoordnummer. Waar het de combinatie van gegevens uit
verschillende bronnen betreft om het niet-gebruik terug te dringen, wijst de
regering op de mogelijkheden en kaders van bestandskoppeling. Die
worden beschreven in een handreiking over bestandsvergelijking (te
verschijnen in april 2008).
De regering vraagt tot slot
aandacht voor het bereik van doelgroepen die niet tot de gebruikelijke
doelgroep van de sociale dienst behoren, zoals werkenden in loondienst en
zelfstandig ondernemers. De laatste groep kan mogelijk worden benaderd
via bijvoorbeeld de Kamers van Koophandel of MKB
Nederland.
3.4. Verhouding tussen
individuele, groepsgewijze en categoriale bijzondere bijstand
Deze benadering geeft
gemeenten meer concrete mogelijkheden om voorzieningen te treffen dan
thans het geval is. Als sluitstuk geldt de individuele bijzondere bijstand. Het
uitgangspunt blijft dat alleen voor de in de wet omschreven
categorieën mag worden afgeweken van het beginsel dat moet worden vastgesteld
of de desbetreffende kosten voor de betrokkene ook daadwerkelijk
noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Het feit dat de betrokkene tot de doelgroep
van de categoriale bijzondere bijstand behoort, impliceert dat de
desbetreffende kosten aannemelijk zijn. Dit impliceert dat bij de
toetsing van een individuele aanvraag aan de beleidsregels rekening dient te worden
gehouden met de feitelijke noodzaak van de kosten.¹ Categoriale
bijzondere bijstand kan de gemeente ook nimmer van de verplichting tot
maatwerk ontheffen. Dat betekent dat de gemeente ook dient na te gaan of de
categoriale verstrekking in het individuele geval toereikend is gelet op de
daadwerkelijk kosten.
Bij de verlening van
bijzondere bijstand maken gemeenten in het algemeen gebruik van beleidsregels.
In beleidsregels legt een gemeente vast welke uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten tot welk
bedrag voor bijzonderebijstandverlening in aanmerking komen. Waar deze uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende kosten voortvloeien uit het feit dat
belanghebbende tot een bepaalde - op een minimuminkomen aangewezen - specifieke
groep personen of huishoudens behoren, geldt dat gemeenten vorm
kunnen geven aan een groepsgewijze benadering (zie brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 6 oktober 2006 aan de
Tweede Kamer, Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 XV, nr. 7). Deze is
per definitie kostengerelateerd.
Als de gemeente in haar
beleid de specifieke doelgroep én de in aanmerking te nemen kosten van deze
doelgroep zorgvuldig in haar beleidsregels beschrijft, kan de gemeente
die doelgroep met behulp van gegevens uit het uitkeringsbestand, dan
wel via bestandskoppeling (zie ook vorige
paragraaf) actief benaderen,
en hen op de hoogte stellen van de mogelijkheid om gebruik te maken van de
individuele bijzondere bijstand voor bepaalde gemaakte of te
maken noodzakelijke kosten. Behoort men tot deze door de gemeente
gespecificeerde groep, dan staat immers vast dat bepaalde kosten ook gemaakt
worden.
Om tot rechtmatige
verstrekking van individuele bijzondere bijstand te kunnen overgaan, moet de
gemeente wel vaststellen dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Hier ligt
precies het verschil met de categoriale bijzonderebijstandverlening, waarbij slechts wordt aangenomen dat iemand die tot een bepaalde
groep behoort kosten maakt en er géén controle plaatsvindt of, en
zo ja, in hoeverre de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn. Genoemde brief
geeft hier verdere informatie over.
1. Kamerstukken II
2002-2003,
28 870, nr. 3, blz. 13.
rblz.|11|
4. Financiële en fiscale
gevolgen
4.1. Financiële gevolgen
De middelen voor bijzondere
bijstand zitten nu in het gemeentefonds en de middelen voor de
langdurigheidstoeslag in het macrobudget Wwb. Als gevolg van de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag
- waarmee de
langdurigheidstoeslag een
bijzondere vorm van bijzondere bijstand wordt - worden de huidige
middelen uit het macrobudget Wwb I-deel overgeheveld naar het gemeentefonds. Er
is thans geen apart budget voor de langdurigheidstoeslag. De omvang van de uitname
wordt daarom bepaald op basis van de laatst bekende
realisatiecijfers (gemeentelijke uitgaven) gecorrigeerd voor de
volumeontwikkeling van de huidige doelgroep (Wwb en Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering). Hiervoor worden dan beschikbare
realisatiegegevens gebruikt. De uitname uit het I-deel Wwb in het kader van
de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag is een effect van
rijksbeleid, waarvoor het macrobudget I-deel, in het kader van de afspraken over
meerjarige budgetten, dient te worden aangepast. Volgens de
huidige inzichten gaat het om circa €|40 miljoen. Gemeenten worden in de
gemeentefondscirculaire van mei 2008 over de wijze van overheveling, de
omvang en de verdeling van het budget 2009 en verdere jaren
geïnformeerd.
De verdeelmaatstaven van het
gemeentefonds zijn afwijkend van de verdeelmaatstaven van het
I-deel Wwb. Dit heeft als onvermijdelijk gevolg dat er in enige mate herverdeling optreedt van de middelen die
met de langdurigheidstoeslag
zijn gemoeid. Kleinere gemeenten gaan er overwegend op vooruit. Voor
enkele grote gemeenten geldt dat zij over minder middelen zullen gaan
beschikken. De negatieve herverdeeleffecten blijven voor alle gemeenten
beperkt tot minder dan één euro per inwoner. Binnen de systematiek van
het gemeentefonds is het niet gebruikelijk om overgangsmaatregelen te
treffen voor financiële effecten van een dergelijke omvang.
Naast de over te hevelen
middelen hebben gemeenten financiële ruimte op grond van de bestuurlijke
afspraken die Rijk en VNG met elkaar hebben gemaakt in het kader van het
deelakkoord participatie en het algemene bestuursakkoord Rijk-gemeenten. Rijk en gemeenten hebben afgesproken
dat gemeenten hiermee
invulling kunnen geven aan de extra bevoegdheden die zij krijgen voor
gerichte inkomensondersteuning gericht op maatschappelijke
participatie. De afspraken betreffen zowel de mogelijkheid om de doelgroep van de
langdurigheidstoeslag te verruimen als de intensivering van de
verlening van bijzondere bijstand en schuldhulpverlening. De middelen in het
gemeentefonds zijn vrij besteedbaar en kunnen dus zowel voor de
programmakosten als de uitvoering worden aangewend.
Om te bereiken dat meer
kinderen uit arme gezinnen kunnen deelnemen aan sport, cultuur of andere
activiteiten, stelt het kabinet in 2008 en 2009 jaarlijks €|40 miljoen
beschikbaar. De extra middelen worden toegevoegd aan de algemene uitkering
van het gemeentefonds.
Naast deze middelen zijn
voor 2008 en 2009 ook afzonderlijk extra middelen voor
schuldhulpverlening beschikbaar.
Tabel 1. Beschikbare middelen
in gemeentefonds in miljoen euro:
| Jaar |
Beschikbare middelen
armoede conform bestuurlijk akkoord |
Extra middelen sport,
cultuur en andere activiteiten |
Schuldhulpverlening |
| 2008 |
x5 |
40 |
19,05 |
| 2009 |
10 |
40 |
15,05 |
| 2010 |
60 |
- |
- |
| 2011 |
80 |
- |
- |
rblz.|12|
Bronnen: Beleidsprogramma
2007-2011 (Kamerstukken II 2006-2007, 31 070). Brief van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 10 december 2007 (Kamerstukken II
2007-2008, 24
515 & 31 200, nr. 121).
Het wetsvoorstel leidt tot
een verlichting van de uitvoeringslasten voor gemeenten. Met de
decentralisatie van de langdurigheidstoeslag kan de uitvoering door gemeenten
eenvoudiger geschieden. Het aantal te controleren voorwaarden vermindert
(afhankelijk van de keuzes die de gemeente zelf maakt). Uitbreiding van
de mogelijkheden om bijzondere bijstand in categoriale vorm te
verstrekken, zal eveneens kunnen leiden tot verlaging van de uitvoeringskosten,
omdat bij deze vorm van bijzondere bijstand niet gecontroleerd hoeft te
worden of de uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan.¹
Uiteraard zijn met de
uitvoering in natura ook organisatorische kosten gemoeid. Bij de keuze en
vormgeving van een regeling voor ouders met schoolgaande kinderen kan de
gemeente zich behalve door doeltreffendheidsoverwegingen ook laten leiden door
doelmatigheidsaspecten. De keuzevrijheid bij de
vormgeving van beleid (dat wat verstrekt wordt en de voorwaarden waaronder) en de
uitvoering (de wijze waarop het verstrekt wordt) biedt mogelijkheden
tot verlaging van de uitvoeringskosten. De regering voorziet niet dat
gemeenten per saldo een grotere uitvoeringslast ervaren.
Dit alles overwegende
voorziet de regering dat het wetsvoorstel geen gevolgen zal hebben voor de
omvang van de uitvoeringskosten bij gemeenten.
1. Zie ook: brief van de VNG
aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken
en Werkgelegenheid d.d. 16 juli 2007.
4.2. Fiscale gevolgen
Uitkeringen op grond van het
voorgestelde artikel 35 van de Wwb
behoren op grond van artikel 3.104 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 tot de onbelaste verstrekkingen en uitkeringen als ze niet periodiek zijn of
als ze zijn gekoppeld aan
bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten. De uitkeringen op grond van het
voorgestelde artikel 36 van de Wwb
zijn op grond van artikel 3.104 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001 altijd vrijgesteld. De huidige situatie wordt
aldus gecontinueerd.
5. Administratieve lasten
burger
Het wetsvoorstel heeft tot
gevolg dat de administratieve lasten voor de burger afnemen om twee
redenen:
a. de tijd die nodig is om
een aanvraag voor langdurigheidstoeslag in te vullen neemt af;
b. minder mensen hoeven
rekeningen over te leggen bij gemeenten.
ad
a. De decentralisatie van
de langdurigheidstoeslag zal naar verwachting leiden tot eenvoudiger
regelgeving (deregulering). Immers de langdurigheidstoeslag in de huidige vorm kent een
aantal zeer strikte wettelijke bepalingen waaraan onverkort
moet worden voldaan wil er een recht op langdurigheidstoeslag
ontstaan. Een vereenvoudiging van de regels heeft tot gevolg dat de burgers
iets minder tijd nodig hebben om een aanvraag op te stellen en benodigde
formulieren en gegevens te verzamelen en te overleggen. Deze besparing
op de administratieve lasten is met de rekenmodellen die hiervoor ter beschikking
staan niet te kwantificeren.
rblz.|13|
ad
b. Door de mogelijkheid
van categoriale verstrekkingen vervalt de verplichting om de noodzaak
van de kosten aan te tonen en vervalt de bewijslast om aan te tonen dat de kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt.
In 2006 waren er 314 696
huishoudens die bijzondere bijstand ontvingen (bron: SZW, Kernkaart op
www.gemeenteloket.szw.nl).
Dit betreft alle vormen van bijzondere
bijstand aan alle typen huishoudens. Verwacht wordt dat aan circa 60 000
huishoudens met kinderen categoriale bijzondere bijstand in plaats van
individuele bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Conform de
modellen die SZW ter beschikking staan, wordt volgens een grove schatting
de totale administratieve lastenverlichting voor burgers geraamd op
circa €|50 000,- aan out-of-pocketkosten en 49 980 uur per jaar.
Er worden geen gevolgen voor
de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verwacht. Werkgevers
behoeven geen gegevens te verstrekken voor de verlening van de genoemde
vormen van bijstand.
6. Ontvangen adviezen
Het wetsvoorstel is
voorgelegd aan het Uitvoeringspanel gemeenten, de IWI, de
VNG, het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) en de Landelijke Cliëntenraad
(LCR). Van de ontvangen adviezen is gebruik gemaakt in deze memorie van
toelichting.
De IWI
oordeelt positief over
de toezichtbaarheid, die volgens IWI vergroot kan worden als het begrip in
natura zou worden geoperationaliseerd. De IWI ziet als risico dat het wetsvoorstel tot meer ongerichte inkomensondersteuning
kan leiden. Bij de
langdurigheidstoeslag plaatst de IWI kanttekeningen bij de noodzaak van een
verordeningplicht, omdat ook met het opstellen van beleidsregels
een afdwingbaar recht zou ontstaan.
Het begrip in natura als
zodanig acht de regering in voldoende mate onderscheidend, zodat geen
begripsverwarring zal optreden met een financiële tegemoetkoming. Verdere precisering van het begrip in natura
acht de regering in strijd
met haar voornemen tot deregulering. De regering beoogt gemeenten de vrijheid
te geven hier zelf invulling aan te geven om op doeltreffende
wijze de mogelijkheden voor maatschappelijke participatie van
schoolgaande kinderen te vergroten. Daarbij is sprake van doelbinding die vanwege de
verstrekking in natura niet ongedaan gemaakt kan worden. De
regering heeft na advisering door de IWI het voorstel bovendien zodanig aangepast
dat alleen als sprake is van ondoelmatige uitvoering een andere vorm
kan worden gekozen dan verstrekking in natura. Daarmee is naar het
oordeel van de regering ook het risico dat sprake zal zijn van
ongerichte inkomensondersteuning beperkt.
De regering is anders dan de IWI van mening dat een verordeningsplicht niet achterwege kan blijven. De
regering beoogt juist met de verordeningsplicht te bereiken dat in elke
gemeente een zekere mate van rechtszekerheid met betrekking tot het recht
op langdurigheidstoeslag ontstaat. De regering vindt de
verordening de meest aangewezen vorm om hieraan gestalte te geven.
De VNG
constateert dat het
voorstel overeenkomt met hetgeen in het bestuurlijk akkoord is
overeengekomen en is tevreden over de uitwerking. De VNG vroeg in het bijzonder naar de gevolgen voor de uitvoeringskosten
nu gemeenten verplicht
worden voorzieningen gericht op maatschappelijke participatie van
schoolgaande kinderen zoveel mogelijk in natura te verstrekken. De
regering is van mening dat hier geen extra uitvoeringskosten mee
gemoeid zouden zijn, omdat de mogelijkheid van naturaverstrekking niet
alleen met het oogmerk van doeltreffendheid, maar ook met het oog op
doelmatigheid is opgenomen. Daar waar naturaverstrekking zulke hoge uitvoeringskosten
met zich meebrengt dat van een doelmatige werkwijze om
belanghebbenden een voorziening te rblz.|14|
verstrekken geen sprake meer
is, staat het de gemeente vrij hier op andere wijze in te voorzien.
In het algemeen voorziet de regering hier mogelijkheden tot besparing
op de uitvoeringskosten (zie ook hoofdstuk 4).
Het Uitvoeringspanel ziet in
meerderheid geen problemen om op praktische wijze invulling te geven aan
de begrippen ten aanzien van de langdurigheidstoeslag die door de gemeente
geoperationaliseerd moeten worden.
In het Uitvoeringspanel en
door de VNG is gevraagd naar de mogelijkheden van ambtshalve toekenning.
Hierin wordt niet voorzien. De burger moet zelf zijn aanvraag doen. Bij ongevraagde toekenning is er het risico
van ongerichte verstrekking.
Niet alle gegevensbestanden die bij een ambtshalve toekenning nodig
zijn, zijn voldoende betrouwbaar. Bovendien is het uitgangspunt van de Wwb
(en de voorgangers ervan) dat het recht op bijstand wordt
vastgesteld aan de hand van een schriftelijke aanvraag. Dit geldt voor
elke vorm van bijstand, ook voor de bijzondere bijstand die al eerder werd
gedecentraliseerd naar gemeenten. Door het indienen van een aanvraag
geeft betrokkene immers niet alleen aan aanspraak te willen maken op
zijn rechten, maar ook dat hij instemt met de verplichtingen die
hieraan verbonden zijn. Bij een ambtshalve toekenning ontbreekt een dergelijke
instemming. Door gerichte voorlichting kunnen de belanghebbenden
worden uitgenodigd om een aanvraag in te dienen. Hierbij is het van
belang om de aanvraagprocedure zo eenvoudig mogelijk te houden (zie ook
paragraaf 3.3).
Voorts is gevraagd om aan te
geven of er financiële gevolgen zijn op microniveau (verdeling over
gemeenten), en zo ja, welke. Deze zijn beschreven in het hoofdstuk
financiële en fiscale gevolgen.
Het Uitvoeringspanel
adviseert met betrekking tot de langdurigheidstoeslag een regeling te treffen voor
de periode dat de wet al in werking is getreden, maar de gemeente
nog geen verordening heeft. De regering is van mening dat een
dergelijke overgangsbepaling onwenselijk is, omdat een dergelijke bepaling tot
gevolg zou kunnen hebben dat gemeenten afzien van een tijdige
invoering. De regering meent dat er door de beoogde datum van
inwerkingtreding van de wet voldoende tijd is voor gemeenten om tijdig een
verordening gereed te hebben.
Aangezien met in natura
bedoeld wordt dat de voorziening direct ten goede komt aan kinderen,
adviseert het Uitvoeringspanel om het op die wijze te formuleren en de term in natura te vermijden. De regering meent
met de toelichting in de
huidige vorm aan de wens van het Uitvoeringspanel tegemoet te zijn gekomen.
Het Uitvoeringspanel
adviseert om de verschillende vormen van categoriale bijstand als een
overzichtelijk lijstje in de
wet op te nemen. Door de regering is hieraan
gehoor
gegeven met de vormgeving van het nieuwe artikel
35.
Het Uitvoeringspanel acht de
invoeringsdatum haalbaar.
De LCR pleit voor het
opnemen van een minimumnorm voor de hoogte van de langdurigheidstoeslag
in de wet. Ook heeft de LCR behoefte aan verduidelijking van de potentiële doelgroep van de langdurigheidstoeslag.
Hieraan is in hoofdstuk 2
van de memorie van toelichting nu meer uitgebreid aandacht geschonken. Anders
dan de LCR is de regering van mening dat gemeenten niet
ook wettelijk verplicht zouden moeten worden om langdurigheidstoeslag aan
deze doelgroepen toe te kennen. Een kenmerk van het wetsvoorstel
is juist te komen tot deregulering op landelijk niveau en gemeenten de
mogelijkheden te bieden tot inpassing van de langdurigheidstoeslag in het
geheel van het gemeentelijke beleid. Dat geldt ook voor de hoogte van
de langdurigheidstoeslag.
De regering ziet geen
aanleiding gehoor te geven aan het verzoek van de LCR om gemeenten de
verplichting op te leggen ook voor andere vormen van categoriale bijzondere
bijstand een verordening op te stellen. Dit is rblz.|15|
strijdig met het beginsel
van decentraliseren. Het maken van een uitzondering hierop ten aanzien van de
langdurigheidstoeslag wordt door de regering gerechtvaardigd
geacht vanwege het grote financiële belang voor de burger en passend
gezien de mate van regulering - en de daarmee samenhangende
rechtszekerheid - die de huidige langdurigheidstoeslag kent. De regering heeft
hierbij tevens overwogen dat zij meent een groot draagvlak
voor een duidelijk afdwingbaar recht op langdurigheidstoeslag te bespeuren.
De LCR pleit voor de
mogelijkheid van ambtshalve toekenning. Eerder heeft de regering uiteen
gezet waarom dit niet gewenst is.
Tot slot pleit de LCR voor
betrokkenheid van cliëntenraden bij de voorbereiding van het gemeentelijk beleid
en onderzoek naar de effecten van het gemeentelijk beleid.
Actal adviseert
het
wetsvoorstel in te dienen. Het college baseert zijn oordeel op de raming van de
administratieve lasten zoals gepresenteerd in het desbetreffende
hoofdstuk van deze memorie van toelichting.
7. Datum inwerkingtreding
Voor een snelle invoering
pleit dat gemeenten gelijk aan de slag kunnen met de ruimere armslag die
dit wetsvoorstel conform hun wensen biedt. Bovendien voorkomt dit dat
gemeenten vooruitlopend op wetgeving al eigen regels voorbereiden
die straks niet blijken te passen in het wetssysteem.
De regering streeft daarom
naar inwerkingtreding per 1 januari 2009. Deze datum geeft gemeenten
voldoende gelegenheid beleid en verordening op zorgvuldige wijze voor te
bereiden.
Omdat
gemeenten
herhaaldelijk hebben gewezen op de belemmeringen die zij ervaren bij het
huidige verbod op categoriaal beleid en de effecten daarvan op het niet-gebruik
en de maatschappelijke participatie, acht de regering het wenselijk dat
gemeenten reeds anticiperen op het onderdeel van het wetsvoorstel dat
betrekking heeft op het introduceren van op participatiebevordering
gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen. De
regering komt tot dit oordeel overwegende dat de nieuwe wetgeving
beleid mogelijk maakt dat een begunstigende werking heeft ten opzichte
van de burger. De periode waarin sprake is van anticiperen, is feitelijk van
korte duur. Voor de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag wordt niet voldaan aan de
voorwaarde dat per definitie sprake is van een begunstigende werking. Daarom kunnen gemeenten ten
aanzien van dit onderdeel
niet vooruitlopen op de inwerkingtreding van de
wet.
Artikelsgewijs
deel
Artikel I
Onderdeel A (artikel
5)
Voorgesteld wordt om de
langdurigheidstoeslag onder het begrip bijzondere bijstand te brengen. Dit is
nader toegelicht in paragraaf 2.2 van het algemeen deel van de toelichting. Om deze reden wordt
artikel 5 aangepast.
Onderdeel B
(artikel 8)
Op grond van het eerste lid
van artikel 8 van de Wwb
dienen gemeenten met betrekking tot een
aantal onderwerpen bij verordening regels te stellen. Voorgesteld wordt
om aan artikel 8, eerste lid een onderdeel toe
rblz.|16|
te voegen waarin staat dat
gemeenten ook bij verordening regels moeten stellen over de
langdurigheidstoeslag. Hiermee wordt beoogd burgers meer rechtszekerheid te
bieden dan bij volledige decentralisatie het geval zou zijn. Verder wordt het
huidige tweede lid van artikel 8 gewijzigd. Het huidige tweede lid bepaalt
dat in de re-integratieverordening van gemeenten in ieder geval een
aantal onderwerpen moet worden geregeld. Het voorstel is om aan het
tweede lid toe te voegen dat dit ook moet gebeuren voor de verordening
over de langdurigheidstoeslag. De hoogte van de langdurigheidstoeslag
moet bepaald worden en er zal in ieder geval nader invulling moeten
worden gegeven aan een aantal begrippen (langdurig, laag inkomen,
gebrek aan arbeidsmarktperspectief).
Onderdeel C
(paragraaf 4.1)
Aangezien in
dit
wetsvoorstel wordt geregeld dat ook de langdurigheidstoeslag (artikel 36
Wwb) onder het
begrip bijzondere bijstand valt, is het logisch om het opschrift van
paragraaf 4.1 te wijzigen in "bijzondere bijstand".
Onderdeel D
(artikel 35)
Het opschrift van
artikel 35
luidt op dit moment "bijzondere bijstand". Nu ook de langdurigheidstoeslag
(artikel 36) onder het begrip bijzondere bijstand wordt gebracht, dient het opschrift van
artikel 35 aangepast te
worden. Aangezien in artikel
35 regels worden gesteld over de individuele en de categoriale bijzondere
bijstand, is besloten om het opschrift te wijzigen in "individuele en
categoriale bijzondere bijstand".
Daarnaast wordt voorgesteld
om alle vormen van categoriale bijzondere bijstand in artikel 35 onder
te brengen. Hierdoor is het duidelijk welke vormen van categoriale bijzondere bijstand er bestaan. In het huidige
derde lid van artikel 35 is
al geregeld dat categoriale bijzondere bijstand verleend kan worden aan
personen ouder dan 65 jaar [lees: personen van 65 jaar of ouder, red.]. In het nieuwe vierde, vijfde en zesde
lid
worden drie vormen van categoriale bijzondere bijstand toegevoegd. Dit
betreft in het vierde lid de verlening van categoriale bijzondere bijstand aan de
groep chronisch zieken en gehandicapten met betrekking tot kosten in
verband met de chronische ziekte of handicap. Dit is geen nieuwe categorie bijzondere bijstand. Op grond van
het huidige artikel 10,
derde lid, van de Invoeringswet
Wwb kan al aan deze groep categoriale
bijzondere bijstand verleend worden. Onder deze groep vallen ook personen
met een hen ten laste komend kind dat chronisch ziek of gehandicapt is. Dit
is geen materiële wijziging. Op basis van het huidige artikel
10,
derde lid, van de Invoeringswet
Wwb kan al aan personen met chronisch zieke
of gehandicapte kinderen categoriale bijzondere bijstand worden
verleend. Dit is niet expliciet in artikel 10 geregeld, maar wel conform de
bedoeling van de wetgever zoals die ook tot uitdrukking komt in artikel
13 van de Wwb waaruit voortvloeit dat kinderen jonger dan 18 jaar
in gezinsbijstand begrepen zijn. Daar waar deze kinderen chronisch ziek
of gehandicapt zijn, kan de gemeente dus categoriale bijzondere
bijstand verlenen aan de ouder.
Het is immers deze ouder die
zich als gevolg van de zorg voor het kind in de bijzondere omstandigheden
bevindt die leiden tot noodzakelijke kosten van bestaan waarin de
algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
Voor de duidelijkheid is er echter voor gekozen om expliciet in
artikel 35, vierde lid, te regelen dat deze bijzondere bijstand ook verleend kan
worden aan een persoon met een hem ten laste komend kind dat tot de
categorie chronisch zieken en gehandicapten behoort.
Verder wordt in het vijfde
lid een nieuwe categorie geïntroduceerd. Dit betreft de personen met
kinderen die naar school gaan of een beroepsopleiding rblz.|17|
volgen. Aan hen kan
categoriale bijzondere bijstand in natura verleend worden met
betrekking tot kosten voor maatschappelijke participatie. Hierbij kan onder andere
gedacht worden aan kosten in verband met sport en cultuur.
Benadrukt moet worden dat het hierbij gaat om personen met "een hen ten
laste komend kind". Dit begrip staat omschreven in artikel
4,
onderdeel e, van de Wwb en houdt in dat het moet gaan om een kind voor
wie de aanvrager aanspraak kan maken op kinderbijslag. In het nieuwe
zesde lid wordt geregeld dat categoriale bijzondere bijstand in de
vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering kan worden verstrekt. Dit is
op dit moment geregeld in artikel 10, tweede lid, van
de Invoeringswet
Wwb.
Ten slotte is in het nieuwe
zevende lid geregeld dat voor de toepassing van artikel
35 onder het
begrip "bijzondere bijstand" niet de langdurigheidstoeslag wordt begrepen.
Onderdeel E
(artikel 36)
Zoals in
hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting wordt uiteengezet, wordt de
langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd met het oogmerk tot deregulering.
Om
deze reden wordt voorgesteld artikel 36 aan te passen. Daarnaast
behoeft artikel 36 aanpassing omdat de langdurigheidstoeslag onder het begrip bijzondere
bijstand wordt gebracht (zie paragraaf 2.2 van het
algemeen deel van de toelichting).
In het eerste lid van het
nieuwe artikel 36 wordt bepaald wanneer een langdurigheidstoeslag wordt
verstrekt. Hierbij komt een aantal begrippen aan bod die de gemeenteraad
bij verordening nader moet invullen (zie de toelichting op de wijziging
van artikel 8 van de Wwb). Ook de hoogte van de langdurigheidstoeslag zal
door de gemeenteraad in de verordening moeten worden vastgelegd.
Verder wordt voorgesteld om de huidige ondergrens voor aanvragers
van de langdurigheidstoeslag van 23 jaar te vervangen door 21 jaar. De
huidige ondergrens vindt zijn rechtvaardiging in de termijn van vijf jaar (in
het oude eerste lid, onderdeel a, van artikel
36) in combinatie met de
leeftijd waarop men meerderjarig is. Deze rechtvaardiging verliest zijn grondslag
omdat de refertetermijn van vijf jaar in de Wwb
komt te vervallen. Gemeenten kunnen zelf bepalen wat zij onder de
term "langdurig" verstaan.
Gekozen is om in de wet de ondergrens op 21 jaar te stellen, omdat dit
de leeftijd is waarop de ouderlijke onderhoudsplicht vervalt. Hiermee blijft de
langdurigheidstoeslag aansluiten op het systeem van de wet ten
aanzien van personen jonger dan 21 jaar.
Het nieuwe tweede lid komt
overeen met het huidige tweede lid van artikel
36. Voordat
invulling gegeven kan worden aan de term "laag inkomen", zal vastgesteld
moeten worden wat de hoogte van het inkomen van de aanvrager is. Dit
gebeurt aan de hand van artikel 32 van de Wwb. In afwijking van
artikel 32
wordt in het tweede lid van artikel 36 bepaald dat eerder verstrekte
langdurigheidstoeslag niet meetelt bij de vaststelling van dat inkomen. Dit
voorkomt dat het ontvangen van langdurigheidstoeslag in de weg staat aan het
nogmaals ontvangen van de langdurigheidstoeslag na twaalf maanden.
In het derde lid is bepaald
dat een persoon ten hoogste eenmaal binnen twaalf maanden in aanmerking
komt voor een langdurigheidstoeslag. De verstrekking is echter niet
gebonden aan die periode van twaalf maanden. Het kan zijn dat per twaalf
maanden
meerdere malen langdurigheidstoeslag wordt verstrekt indien die
verstrekking ziet op een recht dat in voorgaande jaren is ontstaan, maar pas
later is aangevraagd. Er geldt immers geen "verjaringstermijn" voor
het aanvragen van langdurigheidstoeslag.
In het nieuwe vierde lid is
in gewijzigde vorm de inhoud van het huidige derde lid van artikel 36
overgenomen omtrent het moment van verlening van de langdurigheidstoeslag.
De artikelen 12, 43,
44, 49
en 52 van de Wwb worden buiten toepassing verklaard in het nieuwe
vijfde lid. Dit hangt samen met het voorstel om rblz.|18|
van de langdurigheidstoeslag
een vorm van bijzondere bijstand te maken. Hierdoor zouden de genoemde
artikelen automatisch op de langdurigheidstoeslag van toepassing zijn terwijl
dat niet de bedoeling is. Hierna wordt per artikel
uiteengezet waarom ze uitgezonderd zijn.
Artikel 12 van de Wwb
wordt
uitgezonderd omdat er voor verlening van langdurigheidstoeslag een
ondergrens geldt van 21 jaar. De artikelen 43 en
44 van de Wwb gaan over
de vaststelling en toekenning van bijstand. Deze regels zijn in strijd
met de regels over vaststelling en toekenning van de langdurigheidstoeslag die
in het voorgestelde artikel 36 van de Wwb
staan. In artikel 49 van de Wwb
wordt de mogelijkheid geboden voor bijstandverlening ter
aflossing van een schuldenlast. Deze mogelijkheid sluit niet aan bij de
doelstelling van de langdurigheidstoeslag en wordt daarom uitgezonderd. Ten
slotte is in artikel 52 het verlenen van een voorschot geregeld. Ook dit past niet
bij de doelstelling van de langdurigheidstoeslag.
In het nieuwe zesde lid is
geregeld dat voor een bepaalde groep mensen de artikelen
5, 36 en 39,
zoals ze nu luiden, van toepassing blijven op een aanvraag voor langdurigheidstoeslag die ze doen in 2009. Hierdoor blijven
de voorwaarden, hoogte en
vorm van de langdurigheidstoeslag, zoals ze gelden op de dag vóór inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel, van toepassing
op een aanvraag die wordt
ingediend in 2009. Dit wordt geregeld om tegemoet te komen aan mensen
die in 2008 een recht op langdurigheidstoeslag hadden en die door de
wijziging van de langdurigheidstoeslag bij een aanvraag in 2009 nadeel
zouden ondervinden. Hieraan is wel een aantal voorwaarden
verbonden. Het moet ten eerste gaan om een aanvraag die betrekking
heeft op een recht op langdurigheidstoeslag dat in 2009 is ontstaan (en dus
niet in voorgaande jaren is ontstaan) (onderdeel a). Ten tweede moet voor
deze groep tevens in 2008 een recht op langdurigheidstoeslag zijn
ontstaan (dit recht moet dus niet in voorgaande jaren zijn ontstaan)
waarvoor ze ook in 2008 een aanvraag hebben ingediend (onderdeel b). Ten
slotte is voor deze groep geregeld dat als ze door deze overgangsbepaling
nadeliger uit zijn dan met toepassing van de nieuwe regels omtrent de
langdurigheidstoeslag, het overgangsrecht buiten toepassing moet
blijven (onderdeel c). Ten slotte is bepaald dat deze overgangsbepaling met
ingang van 2010 vervalt, zodat er geen overbodige regelgeving blijft bestaan.
Onderdeel F
(artikel 39)
Dit is een technische
wijziging. Er dient in artikel 39, tweede lid, niet meer verwezen te worden naar
artikel 36, vijfde lid, omdat dit lid vervangen wordt en er geen bedrag meer
in voorkomt dat herzien moet worden.
Onderdeel G
(artikel 48)
In het nieuwe vierde lid van
artikel 48 wordt bepaald dat indien gemeenten gebruik maken van
de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken aan personen met schoolgaande kinderen, dit in
natura geschiedt. Hierdoor
is er meer garantie dat de inkomensondersteuning rechtstreeks ten goede komt
aan deze schoolgaande kinderen. Als verstrekking
in natura naar het oordeel van het college leidt tot een ondoelmatige
uitvoering van artikel 35, vijfde lid, dan kan gekozen worden voor een andere vorm.
In het algemene deel van de memorie van toelichting is een voorbeeld
van een dergelijke situatie gegeven. In verband met deze toevoeging
wordt tevens voorgesteld het opschrift van artikel 48 aan te passen.
Onderdeel H
(artikel 69)
Zoals toegelicht in
hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie rblz.|19|
van toelichting, wordt de
financiering van de langdurigheidstoeslag gewijzigd. Dit omdat de langdurigheidstoeslag onderdeel wordt van de bijzondere
bijstand. De
langdurigheidstoeslag zal hierdoor niet meer gefinancierd worden vanuit het
Wwb I-deel,
maar uit het gemeentefonds. Om deze reden wordt de term
langdurigheidstoeslag uit artikel 69 verwijderd.
Artikel II
Het eerste lid van
artikel
10 van de Invoeringswet
Wwb kan vervallen omdat het is uitgewerkt. Het
tweede en derde lid van artikel 10 kunnen vervallen omdat ze (in gewijzigde vorm) in
dit wetsvoorstel worden overgeheveld
naar artikel 35 van de Wwb.
Ten slotte wordt het vierde lid niet overgeheveld naar de Wwb
omdat het geen praktische waarde meer heeft. Er zijn geen
voornemens de bepaling over bijzonderebijstandverlening aan chronisch zieken en
gehandicapten te schrappen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb