1.1. Inleiding
Ook voor
alleenstaande ouders geldt dat financiële zelfstandigheid door werk de voorkeur heeft boven
uitkeringsafhankelijkheid. Werk leidt tot economische zelfstandigheid
en tot participatie in de maatschappij. Daarnaast zijn ook alleenstaande
ouders, in de meeste gevallen vrouwen, nodig voor de arbeidsmarkt
om de kosten van de vergrijzing te kunnen opvangen. Alleenstaande
ouders behoren tot één van de risicogroepen om in armoede te vervallen.
Werk is een middel om dit tegen te gaan. In zijn algemeenheid geldt dat
door arbeidsinschakeling niet alleen de alleenstaande ouders zelf,
maar ook hun kinderen uiteindelijk profiteren van een betere
sociaaleconomische ontwikkeling. Daarmee kan een cultuur van armoede worden
doorbroken, die soms van generatie op generatie wordt doorgegeven.
De arbeidsparticipatie van
moeders in Nederland is in vergelijking met andere Europese landen laag.
Uit het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau [SCP, red.]
"Hoe werkt het
met kinderen" (Den Haag, 2006) blijkt echter dat steeds meer
vrouwen het moederschap alleen te beperkend vinden en dat ze meer en
meer waarde hechten aan betaalde arbeid. De opvattingen van vrouwen over
de combinatie zorg en arbeid verschuiven dus, en dit is terug te zien
in het toenemende aandeel moeders dat blijft werken.¹
In de afgelopen periode zijn
diverse maatregelen genomen om de arbeidsparticipatie van
vrouwen verder te stimuleren door een betere combinatie van arbeid en zorg. Op 1 januari 2005 is de
Wet kinderopvang inwerking getreden.
Deze wet
heeft onder meer als doel het regelen van een uniforme financiering
van de formele kinderopvang en het verstevigen van de positie van ouders
als vragers van kinderopvang. In deze wet is verder geregeld dat
(alleenstaande) ouders aanspraak kunnen maken rblz.|2|
op een tegemoetkoming voor
kinderopvang, zolang zij deelnemen aan re-integratieactiviteiten.
Ook is op 1 januari 2006 de
levensloopregeling in werking getreden. Met de levensloopregeling kunnen
werknemers geld sparen om een periode van onbetaald verlof te
financieren. Het onbetaald verlof kan worden ingezet in het spitsuur van
het leven waarin het zorgen voor (vaak jonge) kinderen dient te worden
gecombineerd met werken.
Om zorgen en werken te
combineren, zijn alleenstaande ouders mede afhankelijk van factoren
zoals flexibele werktijden, de beschikbaarheid van kinderopvang en de
ondersteuning van een informeel netwerk, de ex-partner en/of de familie.
Het ontbreken van zulke vormen van ondersteuning kan ertoe leiden dat
alleenstaande ouders er niet of niet langer in slagen werken en zorgen te
combineren of alleen met hele grote inspanningen.² Voorts spelen ook de
perceptie van de werkhervattingskans, de opvattingen over arbeid en
zaken als motivatie een belangrijke rol bij de arbeidsinschakeling van
alleenstaande ouders.³
Naast deze aspecten hecht de
regering ook aan het belang dat de alleenstaande ouder wenst te geven aan de
invulling van de zorgtaak. In de opvoeding, waarin geborgenheid wordt geboden en waarden en normen
worden overgedragen, worden
kinderen voorbereid op volwaardige deelname aan de samenleving. Ouders moeten voor de invulling van deze
opvoedkundige taak voldoende
ruimte krijgen.
1. SCP, Hoe het werkt met
kinderen, Den Haag, maart 2006.
2. Van Wel/Knijn,
Alleenstaande ouders over zorgen en werken, juli 2000.
3. SCP, Hoe het werkt met
kinderen, Den Haag, maart 2006; Kremer, How
Werlfare States Care: Culture, Gender and
Citizenship in Europe, Utrecht:
Universiteit Utrecht, 2005.
Van belang is dat
alleenstaande ouders een keuze kunnen maken tussen enerzijds het verrichten van
arbeid in combinatie met het verlenen van zorg voor jonge kinderen of
anderzijds het voorbereiden op de terugkeer naar de arbeidsmarkt door
het vergroten van kwalificaties met behulp van scholing in combinatie met
het verlenen van zorg voor jonge kinderen. Het is zaak alleenstaande
ouders met jonge kinderen te begeleiden in hun keuze en daarin maatwerk te
leveren, rekening houdend met hun achtergrond, opleidingsniveau en
persoonlijke voorkeuren. Het Coalitieakkoord wil deze alleenstaande
ouders bij deze afweging van belangen ondersteunen door de arbeidsverplichting
voor alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar te
schrappen. De maximale vrijstellingsperiode voor de arbeidsverplichting is
zes jaar. Er komt daarnaast evenwel een scholingsplicht voor deze
groep alleenstaande ouders, opdat zij na de vrijstelling (sneller) een
baan kunnen vinden.¹ Deze maatregel beoogt daarom mede gedurende de
vrijstellingsperiode de vaardigheden en het scholingsniveau van deze
ouders te vergroten.
In dit wetsvoorstel zijn
deze ontheffingsmogelijkheid en deze scholingsplicht opgenomen.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4, kabinetsformatie brief
informateur d.d. 7 februari 2007 met het
Coalitieakkoord "Samen werken, Samen Leven", blz. 23.
1.2. Huidige ontheffing in de
Wet werk en bijstand
In de Algemene bijstandswet
waren alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar
categoriaal ontheven van de arbeidsverplichting. In de Wet werk en bijstand
(Wwb)
is de nadruk gelegd op de activering in plaats van
inkomenszekerheid, ook voor alleenstaande ouders en daarom is de categoriale ontheffing
komen te vervallen.
Alleenstaande ouders hebben
zoals blijkt uit artikel 9, eerste lid, van de
Wwb - evenals alle andere
bijstandsgerechtigden - onder andere de plicht om:
• naar vermogen algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder
begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en
inkomen (arbeidsverplichting); en
• gebruik te maken van de
door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het
college) aangeboden re-integratievoorzieningen (re-integratieplicht).
Scholingsplicht valt hier ook onder.
In de Wwb is wel bepaald dat
het college aan alleenstaande ouders een individuele ontheffing van
de sollicitatie- en/of re-integratieplicht kan verlenen op grond van dringende redenen. Daaronder vallen ook
zorgtaken, rblz.|3|
voor zover hiermee
geen rekening kan worden gehouden door middel van een
re-integratievoorziening. Het college moet hierbij in het bijzonder een afweging
maken
tussen het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder
wenst te geven aan de zorgplicht. Een ontheffing is altijd tijdelijk.
Voorts geldt voor
alleenstaande ouders met een kind jonger dan 12 jaar de verplichting om algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts nadat het college zich
genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang,
de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene
(artikel 9, vierde lid, van de Wwb).
De Wwb geeft het college
door het geven van beleidsvrijheid bij het al dan niet opleggen van de
sollicitatie- en re-integratieverplichting van alleenstaande ouders ruimte
voor maatwerk.
Hoewel de regering onderkent
dat met onderhavig wetsvoorstel in zekere mate in de beleidsvrijheid
van gemeenten wordt getreden door een ontheffing van de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders met
jonge kinderen en een
scholingsplicht voor deze ouders in te voeren, hecht de regering voor wat
betreft deze ontheffing aan een landelijke regeling die enerzijds recht
doet aan het belang van de zorg voor jonge kinderen en anderzijds aan
het belang van het behoud en zo mogelijk de verbetering van de
arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders. Dit rechtvaardigt naar de mening
van de regering een meer centrale invulling van de rechten en plichten
waar het alleenstaande ouders met jonge kinderen betreft. Daar waar
in de huidige Wwb de ontheffing van de arbeidsverplichting een bevoegdheid is van het college, krijgt de alleenstaande
ouder met jonge kinderen op
basis van onderhavig wetsvoorstel een recht op ontheffing van
de arbeidsverplichting.
In veel gemeenten is een
uitvoeringspraktijk ontstaan waarbij rekening wordt gehouden met de zorg
van alleenstaande ouders voor jonge kinderen. De regering wil deze uitvoeringspraktijk verankeren in de
Wwb,
zodat niet alleen de
mogelijkheid bestaat dat met die zorgbehoefte rekening wordt gehouden, maar dat er
ook zekerheid daaromtrent bestaat. Immers, daar waar gemeenten
nu het laatste woord hebben bij de afweging van de combinatie arbeid en
zorg, verschuift dit met de voorgestelde mogelijkheid naar de
alleenstaande ouders zelf. Dit past ook binnen het uitgangspunt dat een ieder
zelf verantwoordelijk is voor de te maken keuzes en het voor zichzelf
opbouwen van een bestaansvoorziening. Voorts bestaat in de huidige
wetgeving en uitvoeringspraktijk geen directe koppeling tussen een ontheffing van de arbeidsverplichting en de
re-integratieverplichting.
Een ontheffing van de eerste wordt thans niet of niet in alle gevallen
opgevolgd met het aanbieden van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling. Het wetsvoorstel beoogt goede voorbeelden en de uitvoeringspraktijk
van gemeenten wettelijk te verankeren. De regering is zich er
hierbij terdege van bewust dat dit een afwijking van de systematiek van de
Wwb inhoudt, zonder dat dit echter een inbreuk is op het stelsel van de
Wwb.
Het gaat om een, in de ogen van de regering, beperkte, gerechtvaardigde
afwijking, die per saldo in samenhang met andere maatregelen de
arbeidsmarktpositie en de re-integratie van alleenstaande ouders met jonge kinderen
ten goede kan komen. De regering wenst daarbij te benadrukken
dat de huidige uitwerking van de ontheffing van de arbeidsverplichting
een andere is dan die bij Algemene bijstandswet: het gaat hier
om een ontheffing op aanvraag van de alleenstaande ouder waar bovendien een
scholingsplicht tegenover staat.
In het Kabinetsstandpunt
evaluatie Wwb,¹ dat op 21 december 2007 aan het Parlement is gezonden,
geeft het kabinet aan veel waarde te hechten aan het aan het werk helpen
van personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Scholing - ook van alleenstaande ouders
- past goed in rblz.|4|
deze benadering. Ook gemeenten zelf geven aan na de gemakkelijk te bemiddelen personen nu ook
aandacht te gaan schenken aan de moeilijker te bemiddelen personen. Het
kabinet steunt gemeenten daarbij onder meer door stabielere
budgetten en door de plannen om te komen tot een participatiebudget.
Door het macrobudget voor het inkomensdeel (I-deel) voor de periode
2008-2011 vast te zetten, is het voor gemeenten aantrekkelijk om ook in de
groep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te investeren. Hiermee
kunnen immers in de periode tot en met 2011 langjarige besparingen
op het I-deel worden gerealiseerd. Ook het macrobudget voor het
re-integratiebeleid (werkdeel) wordt meerjarig vastgelegd.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
29 674, nr. 20, brief staatssecretaris ter
aanbieding onderzoeksrapport
Kwantitatief effect Wwb.
Het in te voeren
participatiebudget zal eveneens ruimte geven om mensen met een grotere afstand tot
de arbeidsmarkt op optimale wijze een (scholings)traject aan te
bieden. Immers, dit budget zal een ontschotting inhouden tussen de diverse
op re-integratie en participatie gerichte budgetten
(volwasseneneducatie, inburgering en re-integratie in eerste aanleg).
Daarnaast is het kabinet
voornemens een experiment op grond van artikel 83 van de
Wwb uit te voeren
ter zake van de in het Coalitieakkoord opgenomen regeling die werken in
deeltijd voor alleenstaande ouders voor wie de plicht tot
arbeidsinschakeling geldt financieel aantrekkelijk maakt.¹
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4, kabinetsformatie brief
informateur d.d. 7 februari 2007 met het
Coalitieakkoord "Samen werken, Samen Leven", blz. 23. Kamerstukken
II 2007-2008, 30 545, nr. 41.
1.3. Experiment
arbeidsinschakeling alleenstaande ouders
In het Coalitieakkoord is
met betrekking tot de arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders, naast
de afspraak die de aanleiding is voor dit
wetsvoorstel, ook de afspraak gemaakt dat er een regeling zal komen
"die
werken in deeltijd voor
sollicitatieplichtige alleenstaande ouders financieel aantrekkelijk
maakt".¹ Deze
regeling geldt - uiteraard - tevens voor alleenstaande ouders die ervoor kiezen om
te gaan werken in plaats gebruik te maken van de mogelijkheden
die dit wetsvoorstel biedt ten aanzien van de ontheffing in combinatie
met scholing. De regeling vergroot de mogelijkheden voor maatwerk en biedt de
alleenstaande ouder een extra optie bij de hiervoor bedoelde
keuze.
Met betrekking tot deze
regeling wordt een experiment uitgevoerd dat gericht is op het
onderzoeken van de mogelijkheden om de Wwb met betrekking tot de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders met
kinderen in de leeftijd tot 12 jaar doeltreffender uit te voeren, met als einddoel volledige uitstroom
uit de bijstand. Met het experiment wordt beoogd inzicht te krijgen in
de mate waarin een aantal maatregelen, al dan niet in combinatie, de
doeltreffendheid van de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders,
voor wat betreft de toetreding tot de arbeidsmarkt, de stabiliteit van de
arbeidsinschakeling en de uitstroom uit de bijstand stimuleren. Deze
maatregelen betreffen een combinatie van financiële incentives, de
inzet van scholing/opleiding in combinatie met werken en de inzet van een
gemeentelijke arbeidspool. De beoogde startdatum van het experiment is 1
januari 2009 en de beoogde looptijd van het experiment is twee jaar.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4, kabinetsformatie brief
informateur d.d. 7 februari 2007 met het
Coalitieakkoord "Samen werken, Samen Leven", blz. 23.
1.4. Positionering van de
doelgroep alleenstaande ouders in de bijstandspopulatie
Het aandeel alleenstaande
ouders in de bijstand is tussen 2001 en oktober 2007 afgenomen van 29% naar
27%. Er zijn 75 640 alleenstaande ouders in de bijstand (ultimo oktober
2007). Het aantal
alleenstaande ouders dat uitstroomt uit de bijstand is tussen 2003 en
2006 minder hard gestegen ten opzichte van de uitstroom van andere leefvormen (21% stijging bij alleenstaande ouders
en 23% stijging over het
geheel). Wat betreft de uitstroom van alleenstaande
rblz.|5|
ouders uit de
bijstand naar werk is er wel een lichte toename in het jaar 2005 (22,6%;
februari tot september 2005) ten opzichte van het jaar 2003. In de tweede
helft van 2003 was de uitstroom naar werk onder alleenstaande ouders 21%
(waarvan 89% regulier en 11% gesubsidieerd).¹ Bovendien verricht 12% van
de alleenstaande ouders (parttime)arbeid naast de uitkering (ultimo derde kwartaal
2007). Dat is
meer dan bij bijstandsgerechtigden in het algemeen (9%).
Van de alleenstaande ouders
heeft 32% een startkwalificatie (niveau MBO2 en hoger), terwijl dat bij
alleenstaanden 40% is, bij echtparen 28% en bij alle bijstandsgerechtigden
32% (ultimo 2005).
Onder alleenstaande ouders
is 45% van niet-westerse afkomst, dat is meer dan bij alle
bijstandsgerechtigden (39%) en bij alleenstaanden (30%), maar minder dan
bij gehuwden (59%) (ultimo derde kwartaal 2007). Het aantal alleenstaande ouders met een duur van meer dan vijf
jaar in de bijstand is relatief minder dan bij de andere leefvormen: 39%
versus 48% (alleenstaanden) en 49% ((echt)paren) (ultimo derde kwartaal
2007).
1. Derde Voortgangsrapportage
Agenda van de Toekomst, december 2004.
Volgens het CBS
[Centraal bureau voor de statistiek, red.]
bedraagt het
percentage ontheffingen bij alleenstaande ouders ultimo 2006 17%. Dit
is lager dan het overallpercentage van 25% voor alle bijstandsgerechtigden. Het CBS geeft overigens aan dat de
percentages niet
representatief voor geheel Nederland mogen worden geacht. De CBS-cijfers
hebben betrekking op 159 gemeenten die samen circa de helft van het
bijstandsvolume omvatten.
1.5. Doel van het
wetsvoorstel
Het doel van het
wetsvoorstel is alleenstaande ouders keuzemogelijkheden te bieden in de combinatie
van werken en zorgen. Door middel van maatwerk worden alleenstaande ouders in deze keuzemogelijkheden
door gemeenten begeleid.
Daartoe wordt in de Wwb, conform het Coalitieakkoord,
een ontheffing van de arbeidsverplichting opgenomen voor alleenstaande
ouders die de volledige zorg hebben voor één of meer tot hun laste
komende kinderen tot 5 jaar. De maximale ontheffingsperiode voor de
arbeidsverplichting is zes jaar. Alleenstaande ouders die ondanks de
aanwezigheid van jonge kinderen de keuze maken te willen werken, blijven
met dit wetsvoorstel uiteraard deze mogelijkheid behouden. De
ontheffingsmogelijkheid van de arbeidsverplichting wordt namelijk alleen op verzoek
verleend. Alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor één of
meer
tot hun laste komende kinderen tot 5 jaar en die om de ontheffing
van de arbeidsverplichting hebben verzocht, hebben een scholingsplicht.
Deze plicht vloeit voort uit de bestaande re-integratieplicht op grond
van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
Wwb. Het college wordt met dit
wetsvoorstel verplicht deze plicht bij voorrang in te vullen met scholing of
opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, waarbij de
invulling wordt gelaten bij het college, zodat dit recht kan doen aan de
uiteenlopende situaties waarin alleenstaande ouders verkeren. Dit vergt maatwerk. Deze scholingsplicht heeft als doel
perspectief te bieden op
uitgestelde re-integratie en dient ertoe de competenties en vaardigheden te vergroten
zodat aansluiting met de arbeidsmarkt kan worden verkregen of tot
het onderhouden van bestaande competenties en vaardigheden
zodat aansluiting wordt gehouden met een eerder gevolgde opleiding of
een eerdere baan. Voor alleenstaande ouders die dat niveau nog
niet hebben, ligt het in de rede hen op te leiden tot startkwalificatieniveau
(MBO2, HAVO of VWO), voor zover dat voor hen haalbaar is.
Scholing kan ook omscholing
betekenen. De verdere invulling is ter beoordeling van het college, zodat dit
recht kan doen aan de uiteenlopende situaties waarin alleenstaande ouders verkeren. Ook hier is dus maatwerk
aan de orde. Alleenstaande
ouders kunnen dus kiezen te gaan werken of te werken aan betere kwalificaties door middel van scholing en
een rblz.|6|
ontheffing van de
arbeidsverplichting om daarna toe te treden tot de arbeidsmarkt.
2.
Inhoud van de regeling
2.1. Ontheffing van de
arbeidsverplichting
Met dit wetsvoorstel krijgen
bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben
voor één of meer ten laste komende kinderen tot 5 jaar een recht op een ontheffing van de arbeidsverplichting.
De ontheffing van de
arbeidsverplichting dient door de alleenstaande ouder te
worden aangevraagd. Op deze wijze wordt de keuzemogelijkheid van de
alleenstaande ouder benadrukt. De alleenstaande ouder die wil gaan werken,
kan uiteraard gaan werken. Het college is gehouden deze
alleenstaande ouders te begeleiden naar de arbeidsmarkt. Ook wordt op
deze wijze voorkomen dat het college automatisch alle alleenstaande ouders
ontheft van de arbeidsverplichting zonder rekening te houden
met de individuele wensen en mogelijkheden van de alleenstaande ouder.
Bij het vaststellen van de leeftijdsgrens van 5 jaar is aangesloten bij
de leeftijdsgrens van de leerplicht. De achterliggende gedachte is dat de
activering van alleenstaande ouders eenvoudiger wordt wanneer de kinderen de
leerplichtige leeftijd van 5 jaar bereiken. Voorts wordt
hiermee aangesloten bij een geobjectiveerde en algemeen geaccepteerde
leeftijdgrens. Weliswaar begint op basis van vrijwilligheid de
meerderheid van de kinderen op vierjarige leeftijd met naar school te gaan, echter
de regering acht de leeftijd van 4 jaar in onderhavig voorstel
ongewenst omdat daarmee theoretisch voor kinderen van alleenstaande ouders in
de bijstand een leerplicht zou gaan gelden vanaf die leeftijd. Een
dergelijk onderscheid met alleenstaande ouders zonder bijstand acht de
regering niet geobjectiveerd en ook niet noodzakelijk.
Op grond van de huidige Wwb
maakt het college bij de tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting
bij alleenstaande ouders in het bijzonder een afweging tussen
enerzijds het belang van arbeidsinschakeling en anderzijds de invulling die
de alleenstaande ouder zelf aan de zorgplicht wenst te geven. In het licht
van het voorgestelde recht op ontheffing van de arbeidsverplichting
ontvalt aan deze afweging haar betekenis. Voor de alleenstaande ouder met een
tot zijn last komend kind jonger dan 5 jaar die aan de zorgplicht
voorrang wenst te geven, wordt namelijk desgevraagd ontheffing
verleend van de arbeidsverplichting.
De duur van de ontheffing
van de arbeidsverplichting is maximaal zes jaar.
De regering wijst erop dat
dit verschilt van de vrijstellingsmogelijkheid in de Algemene bijstandswet. In
deze wet was sprake van een categoriale vrijstelling voor alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen
jonger dan 5 jaar zonder
een maximering in duur van de vrijstelling. Een tweede kind en ieder daaropvolgend kind betekende dat de alleenstaande
ouder voor ieder kind vijf
jaar van de arbeidsverplichting werd vrijgesteld. Daarnaast bestond voor het
college de mogelijkheid om na de periode van de categoriale
vrijstelling op grond van sociale en/of medische gronden een individuele
ontheffing vanwege de zorg van kinderen te verlenen. Per saldo
cumuleerde de ontheffing van de arbeidsverplichting onder de Algemene
bijstandswet naar het moment waarop het jongste kind 18 jaar werd. Een
dergelijke lange periode acht de regering ongewenst omdat dit ertoe
leidt dat de aansluiting op de arbeidsmarkt verloren gaat en een te
grote afstand tot arbeidsmarkt ontstaat. Om deze redenen is de ontheffing op
verzoek van de alleenstaande ouder dan ook eenmalig, ongeacht het
aantal kinderen, de duur en de frequentie van de rblz.|7|
bijstandverlening. Een
periode van maximaal zes jaar wordt daarnaast voldoende geacht om een
scholingstraject te doorlopen.
De periode van zes jaar
behoeft geen aaneengesloten periode te zijn. Afhankelijk van de wens van
de alleenstaande ouder en de persoonlijke omstandigheden kan de
ontheffingsperiode worden onderbroken met een periode waarin de ontheffing
niet geldt. Bij verhuizing naar een andere gemeente
wordt de resterende ontheffingsperiode meegenomen tot maximaal
zes jaar of totdat het
jongste kind in die periode 5 jaar wordt.
Ingeval er
sprake is van
co-ouderschap is maatwerk aan de orde. Voor de dagen dat de alleenstaande
ouder de volledige zorgplicht heeft voor de ten laste komende kinderen
jonger dan 5 jaar kan voor die dagen om de voorgestelde ontheffing van
de arbeidsverplichting worden verzocht. Voor de dagen dat de alleenstaande ouder niet de volledige zorg heeft, blijft de
arbeidsverplichting voor hem
of haar gelden. Het college kan op grond van dringende redenen voor
die dagen een ontheffing verlenen van de arbeidsverplichting. Dit
laatste betreft altijd een individuele beoordeling.
Voor alleenstaande ouders
met ten laste komende kinderen jonger dan 5 jaar die ervoor kiezen geen
gebruik te maken van de ontheffingsmogelijkheid blijft gelden dat de
verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden alleen
kan worden opgelegd indien het college zich genoegzaam heeft overtuigd
van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing
van voldoende scholing en de belastbaarheid van de alleenstaande ouder (artikel
9, vierde lid, van de Wwb). Deze alleenstaande ouders kunnen
ook gebruik maken van de toekomstige regeling die werken in
deeltijd voor alleenstaande ouders financieel aantrekkelijk maakt [zie Wet
voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders (Wet Vazalo) en Tijdelijk
besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders Wwb, red.].
2.2. Scholingsplicht
2.2.1. Inleiding
Alleenstaande ouders die
gebruik maken van de ontheffingsmogelijkheid hebben de verplichting
scholing te volgen. Het recht op een ontheffing van de arbeidsverplichting
en de plicht tot het volgen van scholing zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Het niet voldoen aan de scholingsplicht heeft tot gevolg dat er
geen
recht bestaat op een ontheffing van de arbeidsverplichting. Dit
past binnen het doel van de Wwb tot het aan het werk helpen van mensen. Als
dat niet direct mogelijk is, dan wordt door het aanbieden van
re-integratievoorzieningen gewerkt aan het op termijn voorbereiden op
arbeidsinschakeling. De alleenstaande ouder die gebruik heeft gemaakt van de
ontheffingsmogelijkheid dient zich naast het verzorgen van de jonge
kinderen eveneens te richten op arbeidsinschakeling op termijn.
Een adequate opleiding
verbetert de kans op werk. Daar komt bij dat laagopgeleiden bij
economische tegenwind als eerste hun baan verliezen. Van de bijstandsgerechtigde
alleenstaande ouders heeft 68% geen startkwalificatie.
Met
dit wetsvoorstel krijgt
de alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor één of meer tot
zijn laste komende kinderen tot 5 jaar een recht op een ontheffing van
de arbeidsverplichting. De verplichtingen, bedoeld in artikel
9, eerste
lid, onderdeel b, van de Wwb, zoals de verplichting om gebruik te
maken van een door het college aangeboden voorziening, blijven evenwel
op deze alleenstaande ouder van toepassing. Binnen zes maanden na de
aanvraag van ontheffing stelt het college in ieder geval een plan van
aanpak op over de invulling van de aan de alleenstaande ouder aan te
bieden voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, van de Wwb. Op grond van het voorgestelde achtste lid van
artikel 9a bestaat die
voorziening in ieder geval uit een scholing of rblz.|8|
opleiding die de toegang tot
de arbeidsmarkt bevordert, tenzij scholing of opleiding naar het oordeel
van het college voor de alleenstaande ouder niet haalbaar is of de
alleenstaande ouder al beschikt over een startkwalificatie.
Hiermee wordt overigens niet
een nieuwe verplichting voor de alleenstaande ouder of een nieuw
re-integratievoorziening geïntroduceerd. Op grond van de huidige Wwb
heeft de alleenstaande ouder de verplichting gebruik te maken van de door
het college aangeboden re-integratievoorzieningen en kan het college ook nu
scholing als re-integratievoorziening inzetten. Met dit
wetsvoorstel wordt wel een nieuw element geïntroduceerd, namelijk dat het college bij
voorrang de re-integratieplicht voor alleenstaande ouders
die de volledige zorg hebben voor één of meer tot zijn laste komende
kinderen tot 5 jaar en die om ontheffing van de arbeidsverplichting hebben
verzocht, ten minste dient in te vullen met scholing of opleiding die de
toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, mits dit niet de krachten of
bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat en de
alleenstaande ouder geen startkwalificatie heeft. In de hiernavolgende
subparagrafen wordt hierop verder ingegaan.
2.2.2. Invulling
scholingsplicht
Binnen de bestuurlijke
verhoudingen van de Wwb - waar gemeenten volledig financieel
verantwoordelijk zijn voor de bijstandslasten en als bestuursorgaan dichtbij
bij
de burger staan en daardoor bij uitstek in staat zijn maatwerk te leveren
- is het niet wenselijk vanuit het Rijk voor te schrijven welk type scholing
moet worden ingezet. Gemeenten zijn daarom vrij in de wijze
waarop zij de scholingsplicht invullen. In het verlengde van de plicht van
het college tot invulling van de scholingsplicht met scholing of opleiding
die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, ligt de aanspraak van de
betrokkene op ondersteuning door het college bij re-integratie.
Deze aanspraak is geregeld in het huidige artikel 10 van de
Wwb. Het gaat
daarbij niet om een recht op een specifieke voorziening, maar om het recht om door de gemeente geholpen te
worden bij de re-integratie.
Een dergelijke aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de
betrokkene voor zijn re-integratie en kan ertoe bijdragen dat het
college aan alle bijstandsgerechtigden evenwichtig aandacht besteedt bij het
aanbieden van voorzieningen.
Gelet op het belang van een
startkwalificatie ligt het in de rede voor alleenstaande ouders voor
wie dat haalbaar is de scholingsplicht in te vullen met een opleiding tot
startkwalificatieniveau. Een startkwalificatie is een belangrijke succesfactor
voor het verkrijgen c.q. behouden van een duurzame baan, voor
voldoende inkomen en voor een volwaardige plek in de samenleving. Scholing is
een investering op de langere termijn. Het halen van een
startkwalificatie kan nodig zijn om arbeidsinschakeling te bevorderen. Dit beoordeelt
het college door middel van maatwerk. Voor alleenstaande ouders
schuilen nieuwe kansen in de juiste scholing: compacte concrete
arbeidsmarktrelevante scholing, al dan niet in combinatie met het opdoen van
daadwerkelijke arbeidservaring.
De regering verwacht
daarnaast dat scholing of opleiding gezien de levensfase waarin de jonge
kinderen zich bevinden in het algemeen beter zal aansluiten bij het gezinsritme. Zo zal beter kunnen worden geregeld
dat de schooltijden van de
alleenstaande ouder beter aansluiten bij dit gezinsritme dan dat dit
doorgaans het geval zal zijn bij werktijden. Aldus kan het college op maat
gesneden scholingstrajecten inkopen bij het regionaal
opleidingencentrum (ROC) waarbij rekening kan worden gehouden met de
gezinsomstandigheden, de levensfase van de kinderen en de zorg daarvoor in
combinatie met scholing. Ook zullen schooltijden in de regel korter zijn dan
werktijden. In tegenstelling tot arbeidsinschakeling is de scholingsplicht
daarnaast niet per definitie gericht op rblz.|9|
fulltimeactiviteiten, maar
om de bekwaamheden en vaardigheden te behouden en te verbeteren,
zodat bij scholing de zorgtaken flexibeler kunnen worden ingevuld dan
bij arbeid in dienstbetrekking. Zo kan de scholingsplicht bijvoorbeeld
worden ingevuld met thuisstudies. Met dergelijke trajecten kunnen
de bestaande vaardigheden en bekwaamheden naar de mening van de
regering worden behouden of verbeterd. Met maatwerk in de invulling
van de scholingsplicht kan de alleenstaande ouder een verantwoorde
afweging maken tussen de zorg voor de kinderen en het volgen van
scholing of een opleiding.
Het verlenen van maatwerk is
eveneens aan de orde indien sprake is van co-ouderschap. Ingeval er
sprake is van co-ouderschap, geldt ook de scholingsplicht indien de
ontheffing van de arbeidsverplichting is aangevraagd. De scholing kan zich in
individuele gevallen beperken tot de dagen dat de alleenstaande
ouder de zorgplicht heeft voor de kinderen. Voor de overige dagen geldt
immers de arbeidsverplichting. Bij de toepassing van deze arbeidsverplichting
kunnen maatwerkoplossingen worden gevonden. Denkbaar is
bijvoorbeeld dat het college voor de dagen dat de alleenstaande ouder geen
zorgplicht voor de kinderen heeft toch een tijdelijke, individuele
ontheffing van de arbeidsverplichting verleent om zodoende het volgen van een
voltijdsopleiding mogelijk te maken.
Voor een perspectiefrijke
aanpak is aansluiting bij de interesses van de ouder, erkenning van
verworven competenties en persoonlijke begeleiding van belang. In de Wwb
staan
het college in principe alle middelen ter beschikking om mensen
aan de slag te helpen. Scholing is van groot belang om alleenstaande
ouders duurzaam te laten uitstromen uit een uitkering. Als een
alleenstaande ouder met scholing het beroepsniveau kan verhogen, kan daarmee
werken in deeltijd voor deze ouder financieel aantrekkelijker worden. Dit
wordt verder ondersteund door de in het Coalitieakkoord opgenomen
afspraak dat er een regeling zal komen die werken in deeltijd voor
alleenstaande ouders financieel aantrekkelijk maakt. Ook kan scholing een
rol spelen bij de perceptie van de alleenstaande ouders over de eigen kans om
aan het werk te komen. Om de alleenstaande ouder extra te
motiveren, kan aan het succesvol afronden van een (onderdeel van)
scholing een premie worden verbonden. Uitgangspunt is dat het
college bepaalt, in samenspraak met de alleenstaande ouder en vanuit de vraag op
de arbeidsmarkt, wat de beste weg naar werk is en welke type
scholing daaraan bijdraagt.
Om de kansen op de
arbeidsmarkt te verbeteren, is het ook van belang te kijken naar ervaringen die
alleenstaande ouders hebben opgedaan op de werkvloer of daarbuiten en
deze ervaringen te erkennen met certificaten en diploma’s. Het erkennen
van verworven competenties (EVC) is een instrument om in beeld te brengen wat iemand kan en betreft herkenning
van vaardigheden, juist ook
die vaardigheden die buiten de schoolomgeving, zoals via werk, hobby’s en
vrijwilligerswerk, zijn opgedaan. Bovendien worden met EVC
deze vaardigheden ook erkend via een opleidingsinstantie. Vaak
aangevuld met een verkort scholingstraject kan de EVC-deelnemer alsnog het
beoogde diploma behalen of vaardigheden verwerven, waarmee (op
termijn) een functie/vacature bij een werkgever kan worden vervuld.
Uitgangspunt is dat er, gelet op de belastbaarheid van de betrokkene, een
zodanig scholingsniveau wordt gerealiseerd dat er met een (deeltijd)baan de
afhankelijkheid van de bijstand zoveel mogelijk wordt verminderd en zoveel
mogelijk onafhankelijkheid van de bijstand kan worden verworven.
Voor alleenstaande ouders
die geen startkwalificatie kunnen behalen omdat dit bijvoorbeeld
cognitief of vanwege een handicap niet haalbaar is, of voor wie om andere
redenen, bijvoorbeeld een taalbarrière, het behalen van een
startkwalificatie naar het oordeel van het college (nog) niet haalbaar is, kunnen
educatieopleidingen worden ingezet ter bevordering rblz.|10|
van de persoonlijke
ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren.
Educatieopleidingen zijn met name bedoeld voor: analfabeten, mensen die vanwege
deficiënties nog niet aan een beroepsopleidend traject kunnen deelnemen,
hoogopgeleide allochtonen met beperkte Nederlandse
taalvaardigheden, jongeren zonder diploma voortgezet onderwijs of
startkwalificatie en mensen die een achterstand hebben ten aanzien van
maatschappelijke participatie, zoals bijvoorbeeld digibeten en vrijwilligers.
Hiervoor kan het college de middelen voor volwasseneneducatie inzetten
(later op te gaan in het Participatiebudget) en in beginsel bij alle ROC’s
een educatief aanbod inkopen. Het college kan daarmee een passend
aanbod voor de eigen doelgroepen - ook voor alleenstaande ouders - realiseren en dat aanbod voor die doelgroepen op een passende locatie in de
regio verzorgen.
Scholing kan voor de
integratie van allochtone alleenstaande ouders een belangrijke rol spelen. Zo
is voor integratie niet alleen de deelname aan een re-integratietraject
bevorderend, maar ook de (betere) beheersing van de Nederlandse taal. Dit
omdat een taalachterstand een belangrijke belemmering kan zijn om aan
werk te komen. Een inburgeringstraject kan een goed scholingsinstrument
vormen. Daarmee wordt de afstand tot de arbeidsmarkt zoveel mogelijk
verkleind. Voorts is het belangrijk dat ook de betrokken kinderen
uiteindelijk profiteren van een betere sociaaleconomische ontwikkeling van de ouder.
Het college kan ervoor
kiezen om een traject gericht op arbeidsinschakeling op termijn en de
inburgeringsvoorziening gecombineerd aan te bieden aan inburgeringsplichtige alleenstaande ouders. De inzet van
gecombineerde voorzieningen
kan voor de gemeente en de inburgeringsplichtige alleenstaande ouder voordelen opleveren. Door de samenhang
tussen re-integratie en
inburgering kan op beide terreinen een positief effect optreden. Hierdoor
kunnen beide doelen - re-integratie en inburgering - sneller worden bereikt.
Een inburgeringstraject kan
worden gecombineerd met een geïntegreerd traject (GIT). Een GIT
combineert het volgen van een beroepsopleiding (op het niveau van MBO 1 en 2)
met het leren van (vak)taal en het opdoen van werkervaring. Doordat de
focus van meet af aan ligt op de arbeidsmarkt, immers er wordt in een GIT
toegewerkt naar het behalen van een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt, kan
worden gesteld dat een GIT een goede bijdrage levert aan
re-integratie van deelnemers op de arbeidsmarkt en daarmee ook aan hun
maatschappelijke participatie.
Voor de alleenstaande ouders
die niet inburgeringsplichtig zijn, kan er desondanks sprake zijn van
een inburgeringsachterstand die belemmerend is voor hun maatschappelijke
participatie en dus ook voor hun participatie op de arbeidsmarkt. In die
gevallen is het nuttig of zelfs noodzakelijk om in het scholingtraject
een grotere nadruk op taalscholing/inburgering te leggen. Op
deze wijze kunnen inburgeringsachterstanden ook bij de alleenstaande
ouders worden ingehaald.
Voor alleenstaande ouders
die geen scholing of opleiding kunnen volgen omdat dit de krachten of
bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaan, blijft de
algemene re-integratieverplichting zoals neergelegd in het huidige artikel
9,
eerste lid, onderdeel b, van de Wwb gelden. Een afwijking van de scholingsplicht is
onder meer aan de orde indien de alleenstaande ouder cognitief of vanwege
een handicap niet in staat blijkt te zijn een hoger niveau te behalen
dan dat waarover hij beschikt. Het college beziet in dat geval welke
instrumenten gericht op maatschappelijke participatie kunnen worden ingezet, zodat
na de periode van de ontheffing de kansen op uitstroom naar de
arbeidsmarkt worden vergroot. Welke instrumenten dit zijn, vergt maatwerk en
is ter beoordeling aan het college. Dit kan bijvoorbeeld inhouden
vrijwilligerswerk in kader van sociale activering rblz.|11|
of activiteiten met
behoud met uitkering. Hiermee worden de vaardigheden en competenties van de
alleenstaande ouder vergroot, waardoor ook kansen op uitstroom naar
de arbeidsmarkt na de periode van ontheffing toenemen.
Bij alleenstaande ouders die
al een startkwalificatie hebben, blijft eveneens de algemene
re-integratieverplichting gelden. Ook hier beziet het college welke instrumenten
voor deze alleenstaande ouders kunnen worden ingezet die uitstroom
naar de arbeidsmarkt na de periode van de ontheffing mogelijk maken.
Welke instrumenten dit zijn, vergt maatwerk en is ter beoordeling aan gemeenten. Scholing kan onderdeel uitmaken van die
re-integratieverplichting. De scholing kan in dat geval gericht zijn op het onderhouden van de
competenties en vaardigheden zodat de alleenstaande ouder
aansluiting houdt met de eerder afgeronde opleiding of met een eerdere baan.
Scholing kan voor deze
alleenstaande ouders ook omscholing betekenen. Tot welke niveau deze
omscholing dient te zijn, is mede afhankelijk van de vraag op de
arbeidsmarkt en
wordt overgelaten aan het college in samenspraak met de alleenstaande ouder.
Een hoger niveau dan startkwalificatieniveau behoort tot de mogelijkheden. Het realiseren van betere kwalificaties
is daarbij niet een doel op
zich. Het is een middel dat leidt tot een betere inschakeling in het
arbeidsproces.
Stages of vrijwilligerswerk
kunnen voor alleenstaande ouders die al een startkwalificatie hebben
eveneens als instrumenten worden ingezet om de aansluiting met een eerder
afgeronde opleiding of met een eerdere baan te behouden. Stages en
vrijwilligerswerk zijn gericht op het opdoen of onderhouden van bepaalde
vaardigheden en kunnen daarom de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling van
betrokkene vergroten dan wel behouden. Het kan in
bepaalde gevallen voldoende zijn om alleen stage te lopen of vrijwilligerswerk
te verrichten om zo de bestaande vaardigheden of competenties te behouden.
Dit vergt een individuele beoordeling waarin maatwerk is vereist.
Van stages die een verplicht onderdeel uitmaken van een opleiding
wordt het noodzakelijk geacht deze te volgen. Hiermee dient bij de invulling van de re-integratieplicht en de keuze van
de opleiding door de
alleenstaande ouder rekening te worden gehouden. Gedurende de stage of
vrijwilligerswerk - als re-integratievoorziening - heeft de alleenstaande ouder
recht op een tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang op
grond van de Wet
kinderopvang.
Het uiteindelijke aanbod zal
moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare
financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar
re-integratiebeleid. Van belang is ook bij de uiteindelijke keuze van een traject een
actieve opstelling van de alleenstaande ouder. Alleenstaande ouders
die hun eigen traject mee kunnen samenstellen, zullen in de regel
gemotiveerder zijn. Inspelen op de persoonlijke voorkeur en persoonlijke
aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde re-integratie.
De ideeën en voorstellen van de alleenstaande ouder worden hierbij
beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het
arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een plaatsing in een
reguliere baan.
2.2.3. Tijdstip invulling
scholingsplicht
De scholingsplicht wordt
ingevuld uiterlijk zes maanden na de aanvraag tot ontheffing van de
arbeidsverplichting. In die periode dienen het college en de alleenstaande
ouder concrete afspraken te maken over de inhoudelijke invulling van
de scholingsplicht en de rechten en plichten van de alleenstaande ouder
en deze neerleggen in een plan van aanpak.
rblz.|12|
Dit geldt ook voor de
invulling van de re-integratieplicht voor alleenstaande ouders die al een
startkwalificatie hebben of voor wie scholing of opleiding de krachten of
bekwaamheden te boven gaat.
Het tijdstip van de
inhoudelijke invulling van de re-integratieplicht en daarmee de scholingsplicht
wordt imperatief vastgelegd om te bewerkstelligen dat zo snel mogelijk
duidelijkheid wordt gegeven aan de alleenstaande ouder over de invulling van
deze plichten, alsmede de daarbij geldende rechten en
opgelegde plichten. Voorts wordt hiermee duidelijk gemaakt dat de alleenstaande
ouders zich serieus dienen voor te bereiden op werk en de terugkeer naar
de arbeidsmarkt. Ook worden gemeenten hiermee gestimuleerd zich
(vroegtijdig) actief met de doelgroep bezig te houden.
Welke afspraken in het plan
van aanpak worden gemaakt, is afhankelijk van de individuele
omstandigheden en kan van geval tot geval verschillen. In het ene
geval staat het de alleenstaande ouder duidelijk voor ogen welke opleiding,
scholing of andere re-integratieactiviteit hij in het kader van
arbeidsinschakeling op termijn zou willen volgen; hierover kunnen direct concrete
afspraken in het plan van aanpak worden opgenomen. In het andere geval kan
eerst een assessment of een beroepskeuzetest noodzakelijk zijn, alvorens
tot de keuze te komen welke opleiding, scholing of
re-integratieactiviteit gevolgd kan worden. Hierover kunnen eveneens afspraken
worden gemaakt die worden opgenomen in het plan van aanpak.
2.2.4. Niet nakomen
verplichting verbonden aan de scholingsplicht
De scholingsplicht voor de
alleenstaande ouder valt op grond van het bestaande artikel
9, eerste
lid, onderdeel b, van de Wwb onder de verplichting gebruik te maken van de door
het college aangeboden re-integratievoorzieningen. Voor alleenstaande ouders
voor wie scholing de krachten of bekwaamheden te boven gaan,
of die al een startkwalificatie hebben, kan het college op grond van dit
artikel andere re-integratie-instrumenten inzetten die de vaardigheden
en bekwaamheden van de alleenstaande ouder op peil houden of
waardoor de vaardigheden of bekwaamheden worden vergroot. Op grond
van voornoemd artikel is de alleenstaande ouder verplicht van deze
door het college aangeboden voorzieningen gebruik te maken.
Het niet nakomen van
verplichtingen die verbonden zijn aan deze re-integratieplicht leidt
tot verlaging van de uitkering. Op grond van de Wwb
(artikel 18, tweede lid)
verlaagt het college overeenkomstig de gemeentelijke verordening de
uitkering indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn
verbonden aan de bijstandsuitkering niet of niet voldoende nakomt. Het
college kan bij het vaststellen van de verlaging rekening houden met de
persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen.
Van een verlaging van de uitkering kan bijvoorbeeld sprake zijn
indien de alleenstaande ouder zich weliswaar heeft ingeschreven bij een
onderwijsinstelling, maar vervolgens geen onderwijs volgt.
Indien uit houding of
gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat de alleenstaande ouder de verplichtingen
verbonden aan de re-integratie c.q. scholingsplicht niet wil nakomen, wordt de ontheffing van de arbeidsverplichting
niet door het college
verleend. Het recht op een ontheffing van de arbeidsverplichting
en de re-integratie- c.q. scholingsplicht zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Het voldoen aan de re-integratie- c.q. scholingsplicht is een
voorwaarde voor het verkrijgen van de ontheffing van de arbeidsverplichting.
Het niet voldoen aan deze plichten heeft dan ook tot gevolg dat de
ontheffing van de arbeidsverplichting niet wordt verleend of wordt
opgeschort. De regering vindt dit gerechtvaardigd, omdat van de alleenstaande
ouder verwacht mag worden dat, nu sprake rblz.|13|
is van een recht tot
ontheffing van de arbeidsverplichting, deze zich inzet om na de periode van de
ontheffing zo snel mogelijk uit te stromen naar de arbeidsmarkt. Dit kan
worden bereikt indien de alleenstaande ouder daadwerkelijk een
re-integratie- of scholingstraject volgt, zonder dat dit door houding of gedraging
van de alleenstaande ouder wordt gefrustreerd.
Een uitzondering op het
uitgangspunt dat het niet willen voldoen aan de re-integratie- c.q.
scholingsplicht leidt tot het niet verlenen of het opschorten van de ontheffing
van de arbeidsverplichting wordt gevormd door de aanwezigheid van
individuele omstandigheden die aangemerkt kunnen worden als dringende
redenen. Indien deze omstandigheden naar het oordeel van het college
aanwezig zijn, kan ontheffing van de re-integratie c.q.
scholingsplicht worden verleend op grond van artikel
9, tweede lid, van de Wwb. Dit
betreft echter geen recht van de alleenstaande ouder, maar een bevoegdheid
van het college.
2.2.5. Ontheffing
scholingsplicht
De scholingsplicht valt
onder de bestaande verplichting gebruik te maken van de door het college
aangeboden re-integratievoorzieningen (artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, van
de Wwb). Anders dan bij de ontheffing van de arbeidsverplichting heeft de
alleenstaande ouder geen recht op een ontheffing van de
re-integratie c.q. scholingsplicht. Het betreft dus altijd een individuele beoordeling.
Tijdelijke ontheffing van deze verplichting is alleen mogelijk indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Terughoudendheid bij het
verlenen van een dergelijke ontheffing ligt in de rede, omdat de alleenstaande
ouder reeds ontheven is van de arbeidsverplichting. Een gelijktijdige ontheffing
van de re-integratie c.q. scholingsplicht leidt ertoe dat er in het
geheel geen activiteiten gericht op arbeidsinschakeling worden gepleegd,
waardoor
een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt kan
ontstaan en de uitstroomkansen aanmerkelijk worden verkleind. Daarom
acht de regering zorgtaken uitsluitend voor de zorg voor kinderen tot 5 jaar als zodanig geen reden om een ontheffing van de re-integratie- c.q.
scholingsplicht te verlenen. In het verlengde daarvan is de invulling die
de alleenstaande ouder wenst te geven aan de zorgplicht voor de kinderen
geen afweging in de beslissing van het college om de re-integratie- c.q. scholingsplicht op te leggen. Gelet op het
belang van scholings- en
re-integratieactiviteiten en de daarmee gepaard gaande kansen op de arbeidsmarkt, acht de regering het gerechtvaardigd
aan de re-integratie- c.q.
scholingsplicht een zwaarder gewicht toe te kennen dan aan de wens van
de ouder ten aanzien van de invulling van de zorgplicht. De regering is
daarbij van mening dat de combinatie van scholing en de zorg voor jonge
kinderen beter haalbaar is dan de combinatie van werk en de zorg voor
jonge kinderen, omdat scholing gezien de levensfase waarin de jonge
kinderen zich bevinden in het algemeen beter zal aansluiten bij het
gezinsritme. Dit laat onverlet dat het college bij het opleggen van de
re-integratie c.q. scholingsplicht rekening moet houden met een verantwoorde
invulling van de combinatie re-integratie en zorg. Bij de invulling van de
re-integratie- c.q. scholingsplicht kan het college onder meer de belastbaarheid
van de alleenstaande ouder en de beschikbaarheid van kinderopvang in
overweging nemen. Ook kan het college in het kader van de re-integratie
kinderopvang als voorziening aanbieden. Dit is een individuele beslissing.
Zorgtaken voor bijvoorbeeld
gehandicapte of moeilijk opvoedbare kinderen of voor mantelzorg
blijven, zoals dat nu ook het geval is, wel tot de dringende redenen behoren
op grond waarvan een ontheffing van de re-integratie- c.q.
scholingsplicht kan worden verleend.
rblz.|14|
2.3. Alleenstaande ouders met
kinderen van 5 jaar of ouder
Op het moment dat de
maximale ontheffingsperiode is bereikt of in die periode het jongste kind
5 jaar is geworden, gaat in beginsel de arbeidsverplichting gelden. De alleenstaande
ouder heeft in die gevallen geen recht meer op een ontheffing
van de arbeidsverplichting. Dit laat onverlet dat het college, net als in
de huidige situatie, een individuele ontheffing kan verlenen op grond van
dringende redenen, waaronder ook zorgtaken kunnen vallen voor zover
hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een
voorziening. Naarmate de werkloosheid langer duurt, is er een grotere
kans op permanent verblijf in de uitkering. Om deze redenen is de regering,
mede in aanmerking nemende de ontheffingsmogelijkheid van
maximaal zes jaar bij kinderen jonger dan 5 jaar, van oordeel dat
de wens van de alleenstaande ouder ten aanzien van de invulling van de
zorgplicht voor kinderen ouder dan 5 jaar niet langer kan prevaleren boven
arbeidsinschakeling. Het feit dat in de meeste gevallen in de
voorafgaande periode een ontheffing is verleend in combinatie met de
verplichting tot het volgen van scholing speelt daarbij ook een rol. De
alleenstaande ouder heeft zich daarmee in voldoende mate kunnen instellen en
voorbereiden op een terugkeer naar de arbeidsmarkt. Evenals in de huidige
situatie blijft echter wel gelden dat voor de alleenstaande ouders met
kinderen tot 12 jaar de verplichting tot het accepteren van algemeen
geaccepteerde arbeid alleen kan worden opgelegd indien het college zich
genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang,
de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de
alleenstaande ouder.
3.
Financiering
Aan deze maatregel zijn
kosten en opbrengsten verbonden. Aan het macrobudget Wwb
inkomensdeel
wordt structureel €|15 miljoen toegevoegd om eventuele extra kosten van een lichte aanzuigende
werking te kunnen dekken
(hierbij is uitgegaan van circa 1000 gevallen). Gedacht kan hierbij worden
aan alleenstaande ouders met een ten laste komend kind jonger dan 5 jaar die inwonen bij de vader en/of moeder én geen inkomsten uit
uitkering of arbeid hebben. Ook kan gedacht worden aan alleenstaande
ouders met een ten laste komend kind jonger dan 5 jaar die een klein
baantje hebben niet ver boven het sociaal
minimum. De omvang van deze
groepen is niet bekend. Eveneens is een eventueel gedragseffect
moeilijk in te schatten. Een kwantitatieve onderbouwing van de gereserveerde
middelen waarop de inschatting - die door het Centraal Planbureau is
onderschreven - is gebaseerd, is dan ook niet te geven. De verwachting is
evenwel dat het uiteindelijk effect niet groot zal zijn. Enerzijds vanwege
de vermoedelijk beperkte omvang van de potentiële groep,
anderzijds vanwege de verwachte mate van aanzuigende werking. Tegenover de
ontheffing staat immers een scholingsplicht die in sommige gevallen net
zoveel tijd kan kosten als (deeltijd)werk. Daarnaast zullen
alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen jonger dan 5 jaar die een
klein baantje hebben hier dikwijls bewust voor kiezen om te kunnen blijven
participeren en onafhankelijk te zijn en zullen ze hun afstand tot de
arbeidsmarkt niet willen vergroten door ontslag te nemen voor minder inkomen.
Als gevolg van deze maatregel zullen meer alleenstaande ouders met
jonge kinderen in de bijstand een scholingstraject volgen dan zonder deze
beleidswijziging. Tegelijk zullen minder duurdere trajecten
(loonkostensubsidie/gesubsidieerde arbeid) worden aangeboden. Vanwege het
ontbreken van monitoringsgegevens over uitgaven aan scholing vanuit
het re-integratiebudget en het feit dat onzeker is hoeveel leden van
de doelgroep ontheffing aan zullen vragen, is het netto-effect niet
goed in te schatten. De verwachting is dat per saldo rblz.|15|
het beslag op het
re-integratiebudget maar beperkt zal toenemen, waardoor - ook gegeven de
onderuitputting van gemeentelijke re-integratiemiddelen - kosten gedekt kunnen worden uit de bestaande middelen voor scholing en
re-integratie (W-deel [werkdeel, red.], later Participatiebudget).
Al kunnen bepaalde
re-integratie instrumenten, zoals loonkostensubsidies, niet worden ingezet voor de
doelgroep, het college heeft voldoende andere
instrumenten én een financiële prikkel om de doelgroep voor te bereiden op de
arbeidsmarkt voor de periode na afloop van de ontheffing. Scholing en
re-integratie dragen immers op termijn bij aan besparingen op
bijstandsuitgaven. Het college beschikt daarmee niet over minder mogelijkheden, maar
kan anders investeren in de mogelijkheden van de doelgroep. Deze
inspanningen zullen, naast de re-integratie-inspanningen voor de grotere
groep bijstandsgerechtigden zonder ontheffing, mede bijdragen tot de
voorziene langjarige besparingen op het I-deel Wwb.
De uitvoeringskosten zullen
naar verwachting door deze maatregel niet toenemen, omdat enerzijds de
arbeidsverplichting voor de groep die ontheffing aanvraagt, komt te
vervallen en anderzijds de re-integratieplicht van deze groep wordt
geïntensiveerd. De uitvoeringskosten van deze effecten heffen elkaar
vermoedelijk grosso modo op.
Voor zover dit wetsvoorstel
zou leiden tot een geringe deelname aan middelbare
beroepsopleidingen op basis van de Wet educatie en beroepsopleidingen [Wet
educatie en beroepsonderwijs, red.], is de
reguliere
begrotingscyclus voor het bepalen van het macrokader voor het MBO van
toepassing.
4.
Adviezen
Het onderhavige wetsvoorstel
is voor advies over de uitvoeringsaspecten voorgelegd aan het
Uitvoeringspanel gemeenten. In dit Uitvoeringspanel participeren
vijftien gemeenten,
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en
Divosa [Vereniging van directeuren van
overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]. Ook is het
wetsvoorstel voorgelegd aan de Inspectie Werk en Inkomen voor een toezichtbaarheidstoets en aan de VNG.
4.1. Advies Uitvoeringspanel
gemeenten
In zijn advies wijst het
Uitvoeringspanel erop dat de invulling van de arbeidsplicht en de
re-integratieplicht een verantwoordelijkheid is voor gemeenten. Gelet op de
systematiek van de Wwb zijn zij verantwoordelijk voor de uitkeringen die zij
verstrekken en de re-integratie die zij aanbieden aan belanghebbenden. De
maatregel van het Coalitieakkoord is hiermee niet in lijn, aldus het
Uitvoeringspanel. Voorts merkt het Uitvoeringspanel op dat de mogelijkheid tot
ontheffing van de arbeidsverplichting en het opleggen van scholing op
basis van de huidige Wwb reeds mogelijk is. Verschillende leden van het
Uitvoeringspanel merken op dat de bedoelde zorg voor scholing voor
alleenstaande ouders inmiddels ook staande praktijk is.
Hoewel in
dit wetsvoorstel
een meer centrale invulling wordt gegeven ten aanzien van rechten en
plichten van zowel de alleenstaande ouders als de colleges van burgemeesters
en wethouders, acht de regering dit te rechtvaardigen door het belang dat zij
hecht aan een landelijke regeling die enerzijds recht doet aan het belang van de zorg voor jonge kinderen en
anderzijds aan het belang
van de arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders.
Gelet op het belang van een
startkwalificatie kan een deel van het Uitvoeringspanel zich ermee
verenigen als de scholingsplicht tot rblz.|16|
startkwalificatieniveau expliciet
in de wet wordt opgenomen. Dit houdt in dat als de alleenstaande ouder
geen opleiding heeft genoten op startkwalificatieniveau, de colleges wettelijk
verplicht worden de scholingsplicht in te vullen tot ten minste
dat niveau en een verplichting voor de alleenstaande ouder tot het
volgen van die scholing. Het Uitvoeringspanel merkt in dit verband op dat
de re-integratieplicht breder is dan scholing. Indien de scholingsplicht
niet nader wordt ingevuld, behoudt het college de mogelijkheid de
alleenstaande ouder te verplichten tot bijvoorbeeld sociale activering of
vrijwilligerswerk in plaats van scholing, ook al heeft de alleenstaande ouder
geen
startkwalificatie. De vraag is of dit de bedoeling is van het Coalitieakkoord,
aldus een deel van het Uitvoeringspanel.
De regering heeft
grotendeels het advies van het Uitvoeringspanel overgenomen en in het onderhavige
wetsvoorstel verwerkt. Volgens het voorgestelde artikel
9a, achtste lid,
dient het college de scholingsplicht ten minste in te vullen in de
vorm van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
bevordert, indien de alleenstaande ouder niet beschikt over een startkwalificatie,
tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven
gaat. Het op deze wijze invullen van de scholingsplicht heeft naar
de mening van de regering als voordeel dat, indien de alleenstaande
ouder niet beschikt over startkwalificatieniveau, expliciet aan scholing
prioriteit wordt gegeven boven andere re-integratie-instrumenten. Voorts wordt op deze wijze
de scholingsplicht breed ingevuld en bepaalt het college - in samenspraak met de alleenstaande ouder
- welke scholing en op
welk niveau in het individuele geval het beste past om de vaardigheden en
competenties te vergroten dan wel bij te houden. Hierdoor kan het college in
het individuele geval maatwerk leveren. Gelet op de uitgangspunten van de
Wwb past het niet vanuit het Rijk voor te schrijven welke scholing
moet worden ingezet en op welk niveau. Voor alleenstaande ouders die dat
niveau niet hebben en voor wie dat haalbaar is, ligt het in de rede de
scholingsplicht in te vullen met scholing of opleiding tot startkwalificatie. Een
startkwalificatie is doorgaans een belangrijke voorwaarde voor een duurzame
baan, voor voldoende inkomen en voor een volwaardige plek in
de samenleving.
Voor de alleenstaande ouders
die al startkwalificatieniveau hebben (32%), geldt de algemene
re-integratieplicht waarin het college scholing kan aanbieden voor bijvoorbeeld
het bijhouden van de vaardigheden of omscholing. Het college kan
echter ook andere re-integratie-instrumenten zoals vrijwilligerswerk
inzetten. De keuze welk traject bij deze alleenstaande ouders wordt gevolgd, is
afhankelijk van de individuele situatie en ter beoordeling van het
college. Ook hier kan het college maatwerk leveren.
Het Uitvoeringspanel
adviseert om in het wetsvoorstel niet de plicht voor de gemeente
op te nemen om
in een bijlage bij het besluit tot ontheffing van de arbeidsplicht de
invulling van de scholingsplicht te vermelden. Dit kan uitvoeringstechnisch
lastig zijn, zeker als binnen de beslistermijn van acht weken ook de nadere
invulling van de scholingsplicht dient plaats te vinden.
De regering heeft dit deel
van het advies gevolgd. Om tegemoet te komen aan het Uitvoeringspanel is
thans in het wetsvoorstel opgenomen dat het college binnen zes maanden
na het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichting een plan van aanpak zal
opstellen over de invulling van de re-integratie- c.q.
scholingsplicht voor de alleenstaande ouder aan wie ontheffing is verleend. Met
de verplichting tot opstelling van een plan van aanpak zes maanden na de
aanvraag van de ontheffing van de arbeidsverplichting wordt duidelijk gemaakt dat
gemeenten vroegtijdig met de alleenstaande ouders aan de
slag moeten. Ook voor de alleenstaande rblz.|17|
ouder wordt duidelijk
gemaakt dat hij werk dient te maken van zijn re-integratie. Daarnaast
acht de regering zes maanden voldoende tijd om afspraken te maken over de
re-integratie- c.q. scholingsplicht.
Het Uitvoeringspanel geeft
in zijn advies voorts aan dat de maximale termijn van zes jaar met
opschorting uitvoeringstechnisch lastig kan zijn. Het college moet nagaan of
de alleenstaande ouder in het verleden al een deel van de termijn heeft
gebruikt; dit is extra lastig wanneer het gaat om een alleenstaande ouder die
is verhuisd vanuit een andere gemeente.
De regering ziet geen
aanleiding af te wijken van de in het Coalitieakkoord opgenomen maximale
ontheffingsperiode van zes jaar. De regering is daarnaast van mening dat
voorkomen dient te worden dat door gedragseffecten van de alleenstaande ouder,
bijvoorbeeld verhuizing, de ontheffingsperiode langer
kan zijn dan zes jaar. Een langere periode plaatst de alleenstaande
ouder te lang buiten het arbeidsproces. Het belang van re-integratie
prevaleert naar de mening van de regering in dit geval boven de
uitvoeringsaspecten. De bewaartermijn van dossiers voor de gemeente
is 20 jaar na
beëindiging van de bijstand. Het bijhouden van eerdere ontheffingsperioden
is derhalve niet onmogelijk.
Het Uitvoeringspanel vraagt
tot slot of een alleenstaande ouder die stopt met een baan om voor zijn kinderen te zorgen in aanmerking komt voor bijstand met een recht op
een ontheffing van de arbeidsverplichting.
De regering is van oordeel
dat in dit geval sprake is van verwijtbare werkloosheid, waarvoor het college de
uitkering conform de gemeentelijke verordening kan verlagen. De
ontheffing van de arbeidsverplichting geldt voor het aanvaarden en
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel
9, eerste lid, van
de Wwb). Het behouden van arbeid valt niet onder de ontheffing. Dit
betekent dat een alleenstaande ouder niet zijn baan kan opzeggen met als
enige reden de wens om voor de kinderen te zorgen. In dat geval is er
sprake van verwijtbare werkloosheid, waarvoor het college de uitkering
conform de gemeentelijke verordening kan verlagen.
4.2. VNG
In het Bestuurlijk Akkoord
tussen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), waarin beiden de gezamenlijke doelstelling om
zoveel mogelijk mensen
weer voluit mee kunnen laten
doen in de samenleving hebben onderschreven, is afgesproken dat de VNG betrokken zal worden bij de uitwerking
van de ontheffing van de
arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders met kinderen jonger
dan 5 jaar in combinatie met een scholingsplicht. Afgesproken is dat de
uitgangspunten bij de verdere uitwerking zijn:
• de maatregel wordt zo
vormgegeven dat er perspectief wordt geboden op uitgestelde
re-integratie;
• ontheffing op aanvraag,
met een maximale periode van zes jaar;
• de ontheffing wordt
gekoppeld aan een scholingsplicht, die de gemeente
oplegt.
Gevraagd naar haar reactie
op het onderhavige wetsvoorstel geeft de VNG aan dat aandacht voor de
betreffende groep noodzakelijk blijft. De VNG vindt dat de invulling van
de scholingsplicht een eigen verantwoordelijkheid is voor gemeenten. Gemeenten
leveren maatwerk door naar de individuele situatie te kijken van de
klant. Door de wettelijke eis van scholing wordt het maatwerkprincipe
tenietgedaan. Op voorhand wordt immers een keuze gemaakt uit
re-integratie-instrumenten. De VNG vindt het overigens opmerkelijk dat de
scholingsplicht expliciet wordt ingevuld. De VNG wijst erop dat in het
Bestuursakkoord is afgesproken bestaande schotten rblz.|18|
tussen participatiebudgetten
weg te nemen opdat gemeenten nog meer maatwerk kunnen leveren in
hun bijdrage aan participatie. Gemeentelijke beleidsruimte is daarvoor
een belangrijke voorwaarde.
De regering is eveneens van
mening dat blijvende aandacht voor de arbeidsmarktpositie van
alleenstaande ouders met jonge kinderen geboden is. Daarom voorziet het wetsvoorstel ook niet in een categoriale
ontheffing, maar in een
ontheffing op verzoek, waardoor de gemeente de gelegenheid krijgt samen met
de alleenstaande ouder een maatwerkoplossing te zoeken.
Er mogen daarnaast van zowel
de alleenstaande ouders als van gemeenten de nodige
inspanningen worden verwacht om de arbeidsmarktpositie te
behouden en te verbeteren. De regering is van mening dat de
scholingsplicht hiertoe aan bijdraagt, waardoor uitstroom naar de arbeidsmarkt na de
periode van ontheffing wordt gestimuleerd. Uitstroom wordt mogelijk
gemaakt door alleenstaande ouders door middel van scholing beter te
kwalificeren voor de arbeidsmarkt dan wel bestaande kwalificaties te
onderhouden. Scholing voorkomt naar de mening van de regering dat
tijdens de periode van de ontheffing van de arbeidsverplichting de
afstand tot de arbeidsmarkt (te) groot wordt. Het belang dat de regering hecht
aan een landelijke regeling die enerzijds recht doet aan het belang
van de zorg voor jonge kinderen en anderzijds aan het belang van de
arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders rechtvaardigt naar de mening
van de regering een meer centrale invulling van de rechten en plichten
waar het alleenstaande ouders met jonge kinderen betreft.
4.3. Advies Inspectie Werk en
Inkomen
In haar advies geeft de
Inspectie Werk en Inkomen aan dat het onderhavige wetsvoorstel geen aanleiding
geeft tot het maken van inhoudelijke opmerkingen omtrent de
toezichtbaarheid.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
Onderdeel A
Met dit onderdeel wordt
geregeld dat voor de toepassing van de artikelen 9 en
9a onder kind mede
wordt verstaan pleegkind. Aldus geldt artikel 9, vierde lid, ook in geval van
een ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last
komend pleegkind tot 12 jaar en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander en kan een ongehuwde die de volledige zorg heeft voor
een tot zijn last komend pleegkind jonger dan 5 jaar een ontheffing op
grond van artikel 9a krijgen.
Onderdeel B
Aan
artikel 6 van de Wwb
wordt de definitie van het begrip startkwalificatie toegevoegd in verband met de
verplichting voor het college die is opgenomen in het voorgestelde artikel
9a, achtste lid, van de Wwb met betrekking tot een
alleenstaande ouder die niet beschikt over een startkwalificatie. Deze
definitie komt overeen met de definitie van het begrip startkwalificatie in
de Leerplichtwet 1969.
Onderdeel C
Op grond van de derde zin
van het tweede lid van artikel 9 van de Wwb
rblz.|19|
maakt het college, indien de
tijdelijke ontheffing van een verplichting als bedoeld in het eerste lid
van dat artikel een alleenstaande ouder betreft, in het bijzonder een afweging
tussen enerzijds het belang van arbeidsinschakeling en anderzijds de invulling
die de alleenstaande ouder wenst te geven aan de zorgplicht. Aan
deze zin komt in het licht van de voorgestelde invoeging van artikel
9a van
de Wwb zijn betekenis te ontvallen. Uit dat artikel
9a van de Wwb vloeit voort dat aan een alleenstaande ouder met een kind tot
5 jaar die aan de zorgplicht voorrang wenst te geven, desgevraagd
ontheffing wordt verleend van de arbeidsverplichting.
Voor de alleenstaande ouder
die van deze ontheffingsmogelijkheid geen gebruik kan maken omdat het
jongste kind de leeftijd van 5 jaar al heeft bereikt, blijft onverkort
gelden dat, voor zover met diens zorgtaken geen rekening kan worden gehouden
door middel van een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste
lid, onderdeel a, van de Wwb, die zorgtaken als dringende redenen kunnen
worden aangemerkt om ontheffing te verlenen op grond van het
tweede lid van artikel 9 van de Wwb. Voor de alleenstaande ouder met
kinderen tot 12 jaar geldt voorts nog het vierde lid van artikel
9 van
de Wwb.
Onderdeel D
De onderhavige wijziging
voorziet erin dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een
alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last
komend kind tot 5 jaar ontheffing verleent van de verplichting, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de
Wwb. Deze ontheffing wordt
slechts één keer verleend en geldt voor de periode waarin het jongste kind de
leeftijd van 5 jaar nog niet bereikt, met dien verstande dat de totale duur
van de ontheffing ten hoogste zes jaar kan bedragen.
Indien bij de aanvraag van
de ontheffing uit de houding en gedragingen van de alleenstaande ouder
blijkt dat deze de verplichtingen op grond van artikel
9, eerste lid,
onderdeel b, van de Wwb niet zal nakomen, heeft deze geen recht op ontheffing.
Als de alleenstaande ouder op een later tijdstip besluit die verplichtingen
wel na te komen, dan heeft hij vanaf dat moment recht op een
ontheffing, mits hij voldoet aan de overige vereisten die gelden voor ontheffing.
Op grond van het vijfde lid
wordt de ontheffing opgeschort indien één van de genoemde gronden zich
voordoet. Indien het jongste kind de leeftijd van 5 jaar bereikt, terwijl de volledige duur van de ontheffingsperiode
van zes jaar nog niet
volledig is benut, wordt de ontheffing van rechtswege, met ingang van de datum
waarop dat kind de leeftijd van 5 jaar bereikt, opgeschort. Dit
betekent derhalve dat de alleenstaande ouder die bijvoorbeeld op het moment
dat de ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van het nieuwe artikel
9a wordt verleend een kind heeft in de leeftijd van 2 jaar, van
de ontheffing gebruik kan maken tot het moment dat dat kind de
leeftijd van 5 jaar bereikt. Op het moment dat dat kind de leeftijd van
5 jaar heeft bereikt, wordt de ontheffing opgeschort. Indien diezelfde
alleenstaande ouder na afloop van die ontheffingsperiode een
tweede kind krijgt, kan de opschorting van de ontheffing worden beëindigd
op verzoek van de alleenstaande ouder en geldt ook voor dat kind
desgevraagd de ontheffing op grond van artikel
9a, zij het dat op de totale
duur van zes jaar in mindering wordt gebracht de duur van de periode
waarin met betrekking tot het eerste kind van de ontheffing gebruik is
gemaakt. Met betrekking tot dit tweede kind zal - indien bijvoorbeeld met
betrekking tot het eerste kind al drie jaar gebruik is gemaakt van de ontheffing
- de ontheffing dus eindigen voordat dat kind de leeftijd van 5 jaar heeft bereikt.
Het in mindering brengen van
de periode waarin eerder van de ontheffing gebruik is gemaakt op de
totale periode van zes jaar, geldt overigens niet rblz.|20|
alleen voor de ontheffing
met betrekking tot een ander kind, maar ook voor de periode(n) waarin
van de ontheffing met betrekking tot (al dan niet) hetzelfde kind of (al
dan niet) dezelfde kinderen gebruik is gemaakt in één of meer voorgaande
woonplaatsen.
De ontheffing wordt eveneens
van rechtswege opgeschort indien het recht op bijstand van de
alleenstaande ouder eindigt. De alleenstaande ouder kan overigens ook zelf
verzoeken om opschorting van de resterende periode.
Indien uit de houding en
gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn
verplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, van de Wwb niet
wil nakomen, wordt de ontheffing door het college opgeschort.
Opschorting van de
ontheffing op grond van artikel 9a, vijfde lid, onderdeel
a, b, c of d, van de Wwb
kan
op verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar
door het college worden beëindigd indien de omstandigheid die tot de
opschorting heeft geleid zich niet langer voordoet en ook geen andere opschortingsgrond aanwezig is. Het feit dat er in
het vijfde lid wordt
gesproken van "opschorting" wijst erop dat de alleenstaande ouder na beëindiging van de
opschorting de resterende duur van de ontheffing van zes jaar
weer kan effectueren.
De ontheffing betreft
uitsluitend de verplichting, bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel a, van
de Wwb. De verplichtingen, bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel b,
van de Wwb, zoals de verplichting om gebruik te maken van een door het
college aangeboden voorziening, blijven (ook) op de alleenstaande ouder met een kind tot
5 jaar van
toepassing. Binnen zes maanden na de
aanvraag van ontheffing stelt het college, zo is expliciet in het
voorgestelde zevende lid van artikel 9a
van de Wwb opgenomen, in ieder geval een plan van
aanpak op over de invulling van de aan de alleenstaande ouder
aan te bieden voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b,
van de Wwb. Op grond van het voorgestelde achtste lid van
artikel 9a bestaat die voorziening in ieder geval uit een scholing of opleiding die de
toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij betrokkene al beschikt over
een startkwalificatie of scholing naar het oordeel van het college voor
hem niet haalbaar is doordat een dergelijke scholing of opleiding de
krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
De onderhavige wijziging
voorziet in overgangsrecht met betrekking de alleenstaande ouder met een
kind tot 5 jaar die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wijziging reeds op grond van artikel
9, tweede lid,
van de Wwb tijdelijk ontheven is van een verplichting als bedoeld in
het eerste lid van dat artikel. Die alleenstaande ouder behoudt die ontheffing
op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
tot het tijdstip dat in
de desbetreffende beschikking is bepaald, doch uiterlijk tot twaalf maanden na
inwerkingtreding van deze wijziging, dan wel, indien voordat dat van
toepassing zijnde tijdstip is bereikt een verzoek op grond van het nieuwe
artikel 9a wordt ingediend, tot het tijdstip waarop op dat verzoek is beslist.
Dit overgangsrecht is vervat in het negende lid van artikel
9a van de Wwb.
In het tiende lid wordt
voorts geregeld dat indien een verzoek op grond van het nieuwe artikel
9a wordt ingediend tot zes maanden na inwerkingtreding van deze wijziging, het
college het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid van artikel
9a,
opstelt binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wijziging. Aldus
wordt voorkomen dat door een groot aantal aanvragen in de
eerste weken na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel het college een onevenredig
groot aantal plannen van aanpak moet opstellen in de eerste
zes maanden na die inwerkingtreding. Uit het elfde lid blijkt dat het
negende en tiende lid vervallen met ingang van de rblz.|21|
eerste dag van de dertiende
kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige
wijziging. Op die dag - maar ná het vervallen van het negende en tiende
lid - vervalt ook dat elfde lid.
Artikelen II en
III
De artikelen II en
III
voorzien in een wijziging van respectievelijk de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), naar analogie van de wijziging van de Wwb, zoals die is opgenomen in
artikel I,
onderdeel
B tot en met D. Een
aanpassing overeenkomstig artikel I, onderdeel
A, is daarbij niet nodig, omdat
voor de Ioaw en de Ioaz onder kind mede wordt verstaan pleegkind.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb