In
dit wetsvoorstel stelt de regering een aanzienlijke wijziging en
verbetering voor in de manier waarop de
arbeidsparticipatie van ouderen wordt bevorderd.
De regering stelt voor dat
de werkgever voortaan gedurende drie jaar een premiekorting van €|6500,-
per jaar kan toepassen bij het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden
van 50 jaar of ouder. Tevens stelt de regering voor dat de werkgever bij
het in dienst houden van werknemers van 62 jaar of ouder ook de premiekorting kan toepassen.
Deze premiekortingen komen
in plaats van de huidige systematiek van premievrijstelling voor
oudere werknemers. Momenteel geldt bij het in dienst nemen van werknemers
ouder dan 50 jaar én het in dienst hebben van werknemers ouder dan
54,5 jaar een premievrijstelling die beduidend lager is, gemiddeld circa €|1500,- per
jaar.¹
Met dit wetsvoorstel sluit
de regering aan op één van de aanbevelingen van de Commissie arbeidsparticipatie. De Commissie heeft als knelpunt gezien dat de bestaande
premievrijstelling niet effectief is en duur, omdat ze niet alleen gericht is op
in dienst nemen, maar ook op het in dienst houden. Hierdoor ontstaat
dead weight loss. De Commissie heeft aanbevolen om de premievrijstelling
voor ouderen effectiever te maken en alleen toe te staan als
werkgevers oudere werklozen in dienst nemen. Voorts heeft de Commissie
voorgesteld deze te verhogen. Dit wetsvoorstel strekt daartoe. Het kabinet
zet ook in op het stimuleren van het aan het werk blijven tot de formele
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Ook daar beoogt dit wetsvoorstel
aan bij te dragen. Ook op de participatietop is met sociale partners
besproken dat werkgevers ouderen associëren met hoge arbeidskosten.
1. Een premievrijstelling
betreft de premieafdrachten voor een specifieke
werknemer, een korting geeft recht om een
bedrag in mindering te brengen op het
totaal aan premies dat een werkgever
betaalt, niet alleen voor die welke voor de
betrokkene worden afgedragen.
Het doel is de huidige
regeling van de premievrijstelling voor oudere werknemers effectiever vorm
te geven door van de vrijstelling een korting te maken en door deze specifiek te richten op verlaging van de loonkosten
van oudere werknemers, ten
aanzien van wie werkgevers het meest gestimuleerd rblz.|2|
moeten worden hen
aan te nemen, respectievelijk in dienst te houden, te weten
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en werknemers vanaf 62 jaar.
Het
instrumentarium ter stimulering van werkgevers wordt effectiever
vormgegeven en daarmee worden werkgevers gefaciliteerd bij het in dienst nemen van
oudere uitkeringsgerechtigden en het in dienst houden van oudere
werknemers. Het is uiteraard primair aan werkgevers, werknemers en
uitkeringsgerechtigden zelf om deze mogelijkheden te benutten. Van werkgevers
wordt de bereidheid verwacht om de werknemers die tot de
doelgroep behoren in dienst te houden en die bereidheid actief en tijdig
uit te dragen. Daarnaast mag van uitkeringsgerechtigden uit de doelgroep de
bereidheid worden verwacht om een dienstbetrekking aan te gaan
en van werkgevers om hun bereidheid om hen in dienst te nemen
daadwerkelijk te tonen.
Aangezien het instrument
premiekorting in belangrijke mate aangrijpt op de loonkosten van
betrokkene, bestaat er samenhang met het instrument loonkostensubsidie dat is
opgenomen in het voorstel van Wet stimulering
arbeidsparticipatie (wetsvoorstel
STAP).
Het voorliggende wetsvoorstel bevat daarom tevens wijziging van het
wetsvoorstel STAP om zo voor werkgevers en uitvoerders een heldere
afbakening voor de inzet van beide instrumenten te scheppen. Kern van deze
wijzigingen is dat werkgevers die uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder in
dienst nemen gebruik kunnen maken van het nieuwe structurele
instrument premiekorting ouderen. Werkgevers die langdurig werklozen of
arbeidsongeschikten jonger dan 50 jaar of herbeoordeelden (ongeacht
leeftijd) in dienst nemen, kunnen een beroep doen op het tijdelijke
instrument loonkostensubsidie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV).
Deze wijzigingen worden
hieronder nader toegelicht.
2. Aanleiding wetsvoorstel:
de arbeidsmarkt voor ouderen
De arbeidsmarkt voor ouderen
functioneert niet goed. Ouderen die - om wat voor reden dan ook - buiten de
arbeidsmarkt staan, hebben grote moeite om werk te vinden.
Als ouderen in de Werkloosheidswet (WW), de Wet werk en bijstand
(Wwb)
of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA) terechtkomen, slagen
ze er slechts mondjesmaat in om een nieuwe baan te verkrijgen.
Personen die een werkloosheidsuitkering hebben en ouder zijn dan 50
jaar, hebben een lagere uitstroomkans naar werk binnen een jaar dan
jongere werkloze werkzoekenden. Oudere werklozen zonder betaald werk komen
dus zeer moeizaam aan een baan en dit geldt in versterkte mate
voor de laagopgeleiden onder hen. Een reden die werkgevers aanvoeren om
oudere werknemers niet in dienst te nemen, zijn de hogere loonkosten in
vergelijking met jongere werknemers. Om dat probleem aan te pakken,
wordt een premiekorting ingevoerd voor werkgevers die uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder in dienst
nemen.
Hoewel in de afgelopen jaren
de arbeidsparticipatie van ouderen - vooral in de leeftijdsgroep 55-59
jaar - fors is gestegen, stoppen nog steeds te veel oudere werknemers ruim
vóór de formele pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar met werken. De
gemiddelde leeftijd bij uittreding is nu 61,7 jaar. Uit onderzoek blijkt
dat de opstelling van de werkgever cruciaal is bij de beslissing van de
werknemer om vervroegd uit te treden. De werkgever moet duidelijk maken de
werknemer voor het bedrijf te willen behouden. Om werken na 62
jaar aantrekkelijker te maken, moet dus de opstelling van de werkgever
positief worden beïnvloed. De premiekorting dient daartoe.
rblz.|3|
Het regeringsbeleid is
gericht op substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie in het algemeen en het
betrekken van mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt in het bijzonder. In dat licht heeft de
Commissie
arbeidsparticipatie in december 2007 van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid het verzoek gekregen voorstellen te formuleren die ertoe leiden
dat er meer mensen aan het werk gaan en dat de werking van de
arbeidsmarkt verbetert. De Commissie heeft geconcludeerd dat er fundamentele
veranderingen aankomen. Eén van de veranderingen is de vergrijzing.
Vergrijzing zal ertoe leiden dat er minder mensen voor werk beschikbaar zijn.
Iedereen is daarom nodig en iedereen moet zo mogelijk meer - langer - werken en voortdurend inzetbaar zijn. Het onbenut arbeidskapitaal van
oudere werknemers of oudere uitkeringsgerechtigden dient effectiever te worden
aangesproken. De arbeidsmarkt voor ouderen lijkt momenteel echter op slot te zitten. Oudere werklozen
zitten relatief lang in een
uitkering en komen zeer moeizaam weer aan het werk. Daarom dienen drempels
voor werkgevers om langdurig werkloze 50-plussers aan te nemen, te
worden verlaagd. Eén van de aanbevelingen van de Commissie
arbeidsparticipatie is een premiekorting voor het in dienst nemen van oudere
werklozen in te voeren. Dit wetsvoorstel strekt daartoe. Het kabinet zet ook
in op het stimuleren van het aan het werk blijven tot de formele
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Ook daar beoogt dit wetsvoorstel aan
bij te dragen.
3. Het nieuwe systeem van
premiekorting voor ouderen
3.1. Huidige systematiek van
premievrijstelling
De huidige
premievrijstellingsregeling zorgt voor een generieke financiële prikkel voor werkgevers om
ouderen in dienst te nemen of te houden. Sinds 2004 kunnen werkgevers
in de huidige systematiek een vrijstelling toepassen op de premie voor
het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof ) - de WAO/WIA-basispremie
- bij
het in dienst nemen van een werknemer van 50 jaar of ouder of het in
dienst hebben van een werknemer die bij het begin van het kalenderjaar
54,5 jaar of ouder is. De huidige regeling kent twee regimes:
a. Voor het in dienst hebben
van werknemers ouder dan 54,5 jaar ontvangen werkgevers een
structurele vrijstelling van de Aof-premie die voortduurt tot 65 jaar.
b. Voor het in dienst nemen
van werknemers van 50 jaar of ouder ontvangen werkgevers
eveneens een structurele vrijstelling van de Aof-premie. Deze regeling loopt, indien de werknemer bij het begin
van het kalenderjaar 54,5
jaar of ouder is, over in de voorgaande regeling.
De premievrijstelling voor
ouderen is een percentage van het loon en bedraagt gemiddeld €|1500,-
per jaar gedurende de rest van het dienstverband. Op dit moment omvat de
regeling €|1,1 miljard aan vrijstellingen, waarvan €|1 miljard aan
vrijstellingen voor het in dienst hebben van ouderen en ongeveer €|0,1
miljard voor het in dienst nemen van ouderen. De huidige vormgeving sluit
slecht aan bij de problematiek van de ouderen op de arbeidsmarkt
en is daarmee niet effectief. Het meeste geld wordt immers besteed aan het
in dienst houden van oudere werknemers vanaf de leeftijd 54,5 jaar.
Het is echter aannemelijk dat een groot deel van de onder a met een
premievrijstelling gefaciliteerde banen ook zonder premievrijstelling zou
blijven bestaan. De inefficiëntie van de huidige regeling wordt verder
vergroot doordat de vrijstelling een permanent karakter heeft. Zo kan een
werkgever vele jaren een financiële tegemoetkoming krijgen voor een oudere
werknemer die prima functioneert en voor wie helemaal geen
tegemoetkoming nodig is. Het CPB [Centraal Planbureau, red.] stelt in het rapport Reinventing the
Welfare State dat een tijdelijke verlaging van de loonkosten effectiever is
dan een structurele. Naar verwachting zullen rblz.|4|
meer mensen in de toekomst
willen blijven werken, waardoor de doelmatigheid van de huidige premievrijstellingsregeling nog verder zou
afnemen bij ongewijzigd
beleid. De regeling onder b is beter gericht op het verkrijgen van een baan
door oudere werkzoekenden, maar kent ook een zekere inefficiëntie
doordat ook het aannemen van oudere werknemers die vrijwillig van baan
wisselen onder de regeling valt. Ten slotte impliceert een
premievrijstelling (percentage van de loonsom) dat de financiële stimulans niet
specifiek is gericht op het bevorderen van werkgelegenheid aan de onderkant van de
arbeidsmarkt.
3.2. Gerichte
premiekortingen in plaats van generieke premievrijstelling
De regering stelt voor om de
problemen van ouderen op de arbeidsmarkt effectiever aan te pakken
door de regelingen als volgt nauwkeuriger te richten:
1. Onder de regeling valt
het in dienst nemen van oudere (50-plus) uitkeringsgerechtigden, dat wil zeggen mensen in de
WW, de bijstand en de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Dit betreft ouderen die nu geen baan hebben en grote moeite
hebben er een te vinden.
2. De korting is maximaal
drie jaar van toepassing. Deze periode sluit aan bij het probleem van de
werkzoekende dat bepaalde kennis en vaardigheden moeten worden opgebouwd in
een nieuwe baan. Met deze periode wordt werkgevers een
krachtige prikkel gegeven om - gegeven de
productiviteitsontwikkeling van de werknemer - deze blijvend in dienst te nemen.
3. De premievrijstelling
(percentage van het loon) wordt vervangen door een premiekorting (vast
bedrag) waardoor voor ongeschoold en laaggeschoold werk in een groter deel van
de loonkosten wordt tegemoet gekomen dan voor
hooggeschoold werk. De regeling richt zich daardoor meer op het bevorderen van
banen voor ouderen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
4. Door de versterkte focus
van de regeling kan een groter deel van de loonkosten worden verlaagd
voor de groepen die het echt nodig hebben (uitkeringsgerechtigden), waardoor hun baankansen sterk
stijgen en de insider-outsiderproblematiek vermindert. Het premievoordeel gaat sterk omhoog door de €|6500,- per jaar in vergelijking met de gemiddelde €|1500,-
onder het huidige regime.
5. Voor de oudere werknemers
die een baan hebben, zal de regeling zich explicieter richten op het
voorkomen van vervroegde uittreding vóór het 65ste jaar. Dit gebeurt
door werkgevers alleen de korting toe te laten passen voor het in dienst
hebben van werknemers die 62, 63 of 64 jaar zijn. In de periode 2009-2012
bedraagt deze premiekorting €|2750,- per jaar en daarna eveneens €|6500,- per jaar.
Deze premiekortingsregeling
beoogt dat oudere werklozen sneller weer aan de slag raken en minder
lang werkloos zijn. De lasten van werkloosheidsuitkeringen kunnen hierdoor naar
verwachting structureel met €|100 miljoen dalen. Tevens geldt
dat de nieuwe premiekortingsregeling de van-baan-naar-baanmobiliteit van oudere werknemers op termijn indirect kan stimuleren. Bij het
vrijwillig wisselen van baan kan de angst voor eventueel ontslag als gevolg
van een mislukte overstap en daaropvolgende werkloosheid,
afnemen voor ouderen als blijkt dat mede dankzij deze maatregel werkloze
ouderen betere baankansen hebben dan nu.
3.3. Hoogte van de
premiekorting ouderen en financieringssystematiek
De premiekorting voor het in
dienst nemen van werknemers van 50 jaar of ouder bedraagt €|6500,-
per jaar. Voor wat betreft de financieringssystematiek wordt in verband met eenvoud
voor de werkgever en de uitvoerbaarheid voor de belastingdienst een identieke toerekeningssystematiek
rblz.|5|
gehanteerd als
bij de al bestaande premiekorting arbeidsgehandicapte.¹ Deze bestaat eruit dat de
korting voor de helft ten laste komt van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, de Arbeidsongeschiktheidskas en de
Werkhervattingskas en
voor de helft ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds [AWf, red.]
dan wel het Uitvoeringsfonds voor de overheid [Ufo, red.].
Met ingang van 2010 zal het
bedrag van de beide kortingen (oudere en arbeidsgehandicapte)
evenredig worden verdeeld over het Arbeidsongeschiktheidsfonds, de Werkhervattingskas en het
Algemeen Werkloosheidsfonds dan wel
Uitvoeringsfonds voor de overheid. Dit is eenvoudiger voor de
werkgever en kan met ingang van 2010 door de belastingdienst worden
geïmplementeerd.
In vergelijking met de
premiekorting arbeidsgehandicapte zijn er ook kleine verschillen. Dit
betreft de wijze waarop met kleinere dienstbetrekkingen rekening wordt gehouden.
Deze worden hierna toegelicht, mede naar aanleiding van een
vraag van Actal [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.].
De premiekorting voor oudere
werknemers is een vast bedrag dat behoort bij een dienstbetrekking van
ten minste 36 uur per week. Dit bedrag wordt evenredig verminderd indien
de werknemer minder dan 36 uur werkzaam is. Bij een dienstbetrekking
van 24 uur is het bedrag dus 24/36 van €|6500,-
= €|4333,-. De kortingsregeling voor ouderen stimuleert dus om het aantal
uren arbeidsparticipatie te
maximeren.
De premiekorting
arbeidsgehandicapte is in beginsel een standaardbedrag (€|2042,-)
onafhankelijk van het aantal uren.² In die systematiek wordt voor werknemers
die
ten gevolge van hun handicap niet voltijd kunnen werken, maar wel ten
minste de helft van het wettelijk minimumloon verdienen, de
standaardpremiekorting toegepast.
De bestaande
vrijstellingssystematiek stelt de werkgever vrij van het betalen van premie voor het
Arbeidsongeschiktheidsfonds over het loon van de werknemer. De premievrijstelling loopt op met het inkomen tot het
maximumpremieloon is
bereikt en de stimulans neemt vanwege het absolute bedrag toe naarmate
het inkomen van de werknemer hoger is (tot het maximumpremieloon). De voorgestelde premiekorting, die een uniform nominaal bedrag
betekent, geeft een relatief sterkere stimulans aan de onderkant van het
loongebouw.
De verschillen tussen de
regelingen vloeien dus voort uit de aard en doel van de instrumenten.
1. Bedoeld wordt de
premiekorting die is geregeld in paragraaf 2 van
afdeling 6 van hoofdstuk 3 van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
2. Bij een inkomen van de
werknemer van minder dan de helft van het wettelijk
minimumloon is een lager
bedrag van toepassing, namelijk €|454,-
3.4. Verzilvering van de
premiekorting
De premiekorting is €|6500,-
per jaar. Hierbij geldt dat als een werkgever in totaal minder dan €|6500,-
aan werknemerspremies voor de betrokken fondsen in een jaar dient af
te dragen, de premie niet negatief wordt. Dit kan zich voordoen als een
kleinere (overheids)werkgever weinig premie verschuldigd is doordat hij
weinig werknemers in dienst heeft. Door de premiekortingssystematiek
geldt dat de tegemoetkoming altijd hoger is dan in de
premievrijstellingssystematiek het geval zou zijn geweest.
3.5. Overgangsregeling
premievrijstelling oudere werknemers
De huidige
premievrijstellingsregeling voor het in dienst hebben van oudere werknemers wordt
volledig afgebouwd. Hiervoor is een overgangsregeling opgenomen
in het wetsvoorstel. Deze houdt in dat ouderen van 54,5 jaar of ouder (leeftijd op 1 januari 2009) op wie de premievrijstelling nu van
toepassing is, onder de regeling blijven vallen voor de resterende duur van
het dienstverband. De premievrijstelling mag de werkgever toepassen
totdat zijn werknemer 62 jaar wordt of eerder uit dienst gaat. Dus de laatste
werknemer op wie de huidige premievrijstelling van toepassing is, wordt 61
in 2015. Op het moment dat een werknemer 62 jaar wordt, past de
werkgever de nieuwe premiekorting toe. Dit rblz.|6|
is financieel voordeliger
voor een werkgever dan de huidige vrijstelling op de Aof-premie.
4. Gevolgen voor het
wetsvoorstel STAP, samenhang instrumentarium
De introductie van de nieuwe
premiekorting biedt een krachtige impuls voor werkgevers om
werknemers van 50 jaar of ouder in dienst te nemen. Voor deze werknemers kan de
werkgever drie achtereenvolgende jaren een premiekorting toepassen
van €|6500,-; dus in totaal €|19
500,-. Met deze premiekorting is voor hen
die ervan gebruik kunnen maken het oogmerk dat ten grondslag ligt aan
de loonkostensubsidie zoals vormgegeven in het wetsvoorstel
STAP,
afdoende bereikt.
In dit wetsvoorstel wordt
daarom geregeld dat de loonkostensubsidie van het wetsvoorstel
STAP alleen
bestemd is voor werkgevers die langdurig werklozen of arbeidsongeschikten in dienst nemen die jonger zijn dan
50 jaar bij aanvang van de
dienstbetrekking. Door dit wetsvoorstel wordt een instrumentarium geboden
dat naadloos aansluit:
• In het wetsvoorstel STAP
wordt de mogelijkheid geboden aan het UWV om onder voorwaarden een
tijdelijke loonkostensubsidie aan werkgevers te verstrekken, gemaximeerd op 50% van het
minimumloon
(ongeveer €|8000,-)
gedurende één jaar. Met voorliggend wetsvoorstel wordt het wetsvoorstel STAP
gewijzigd, waardoor een leeftijdsgrens gaat gelden voor het
toekennen van deze loonkostensubsidie. Dit resulteert erin dat
loonkostensubsidie is bestemd voor werknemers die langdurig werkloos of
die arbeidsongeschikt zijn, een uitkering ontvangen van het UWV, een
grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt en jonger zijn dan 50 jaar
bij aanvang van de dienstbetrekking.
• Voor uitkeringsgerechtigde werknemers die 50 jaar of ouder zijn en die in dienst treden bij een
werkgever wordt het instrument van de premiekorting ingezet dat de
werkgever drie achtereenvolgende jaren een premiekorting biedt van €|6500,-; dus in totaal €|19
500,-. Deze werknemers hebben vanwege hun leeftijd
en uitkeringssituatie als zodanig in het algemeen een grote
afstand tot de arbeidsmarkt die blijkt uit een afnemende kans op uitstroom
uit uitkering. Dit instrument is in zijn aard voor deze doelgroep een
effectief instrument.
• Tot slot wordt voor
werkgevers van werknemers die 62 jaar of ouder zijn een instrument
ingevoerd waarmee het voor werkgevers aantrekkelijk wordt gemaakt om deze
werknemers in dienst te houden. De werkgever krijgt immers een
premiekorting van €|6500,- (met ingang van 2013, tot dat jaar €|2750,-) per jaar.
Vanwege de afspraken in het
Coalitieakkoord over brugbanen wordt op het bovenstaande een
uitzondering gemaakt. Dit betreft de groep herbeoordeelden WAO/WAZ/Wajong die na de
eenmalige herbeoordelingsoperatie
nog geen werk hebben.¹ Zij
nemen door eerdere beperkingen omdat zij uit een situatie
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering komen een bijzondere positie
in. De loonkostensubsidie is daarom bestemd voor
herbeoordeelden, ongeacht de leeftijd, die via loonkostensubsidie op een brugbaan kunnen
worden geplaatst. Voor de groep herbeoordeelden wordt geen
leeftijdsgrens gehanteerd voor toepassing van de loonkostensubsidie.
Overigens is dit relevant voor een beperkte groep: naar inschatting van
het UWV zullen enkele honderden van de 10 000 herbeoordeelden die voor een brugbaan in aanmerking komen
ouder zijn dan 50 jaar.
Werkgevers kunnen in dat geval zowel profiteren van de loonkostensubsidie
als van de premiekorting ouderen en de al bestaande premiekorting voor
arbeidsgehandicapten.
1. Vanaf 29 februari 2008 is
er een Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden, dat wordt geïntegreerd in de Wet
STAP.
rblz.|7|
5. Financiële effecten
Financiële effecten
premiekorting
De huidige vrijstelling voor
de premie Aof (in 2008: 5,65%) vervalt voor werkgevers die werknemers
in dienst nemen van 50 jaar of ouder. De premievrijstelling voor werkgevers die werknemers van 54,5 jaar
of ouder in dienst hebben, vervalt
geleidelijk door de leeftijd steeds één jaar op te schuiven. Dit leidt tot een
lastenverzwaring werkgevers van €|0,4 miljard in 2009 oplopend tot €|2,4
miljard in 2020. Rekening is gehouden met de te verwachten volume- en
loonontwikkeling in de toekomst.
De vrijgevallen financiële
middelen worden gericht aangewend voor een premiekorting voor
werkgevers van €|6500,- indien de werkgever een werkloze, arbeidsongeschikte
of een bijstandsgerechtigde van 50 jaar of ouder in dienst neemt. Voor
62-plussers blijft een premievoordeel door middel van een premiekorting gelden voor het in dienst hebben van
oudere werknemers van €|2750,- voor de periode 2009-2012 en €|6500,- vanaf 2013. Op deze wijze
worden de vrijgevallen middelen in de periode 2009-2014 lastenneutraal
teruggegeven aan werkgevers. Voor de jaren na 2014 resulteert een
lastenverzwaring oplopend tot €|0,7 miljard in lopende prijzen. Deze
lastenverzwaring wordt met ingang van 2015 gecompenseerd door verlaging
van de - uniforme - premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf).
Dit wordt in de overgangsbepalingen in artikel
122d van de Wfsv
geregeld. De percentages van de verlaging lopen jaarlijks op en zijn als
volgt vastgesteld: 0,35% in 2015, 0,45% in 2016, 0,55% in 2017, 0,60% in
2018, 0,70% in 2019 en 0,75% in 2020.
Tabel 1. De financiële
effecten van de afbouw van de huidige premievrijstelling Aof en
invoering van een premiekorting voor oudere
uitkeringsgerechtigden; in miljoen euro:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2020 |
| Inkomstenkant van de
begroting |
| Geleidelijk afbouwen huidige
premievrijstelling |
417 |
630 |
849 |
1078 |
1312 |
2358 |
| Premiekorting WW-ers |
–103 |
–309 |
–516 |
–619 |
–619 |
–619 |
| Premiekorting
arbeidsongeschikten |
–13 |
–39 |
–65 |
–78 |
–78 |
–8 |
| Premiekorting Wwb-ers |
–6 |
–17 |
–29 |
–34 |
–34 |
–34 |
| Premiekorting 62-plussers |
–256 |
–276 |
–279 |
–284 |
–688 |
–887 |
| Totale premiekorting |
–378 |
–642 |
–888 |
–1015 |
–1419 |
–1618 |
| Saldo |
39 |
–12 |
–39 |
63 |
–106 |
740 |
| Lastenverlichting via
verlaging AWf-premie |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
–740 |
| Saldo (+ = lastenverzwaring) |
39 |
–12 |
–39 |
63 |
–106 |
0 |
| Uitgavenkant van de
begroting (SZA [sociale zekerheid en arbeidsmarkt, red.]) |
| Besparing uitkeringslasten |
–25 |
–75 |
–100 |
–100 |
–100 |
–100 |
Door een gerichte inzet van
deze middelen van de premievrijstelling wordt verwacht dat het beroep op
de werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- en bijstandsregeling zal
afnemen. Verwacht wordt dat deze maatregel een besparing van €|100
miljoen aan uitkeringslasten oplevert in 2011. De berekening van deze besparing is gebaseerd op aannames van het CPB
over de effectiviteit van
een dergelijk instrument voor langdurig werklozen.
De premiekorting ouderen
wordt uitgevoerd door de belastingdienst. Voor de toepassing van de
premiekorting moet de werkgever kunnen aantonen dat hij daartoe gerechtigd is. Uitgaande van verklaringen van
het UWV, gemeenten,
en de
uitvoerders van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers en
van de wachtgeldregelingen voor ambtenaren rblz.|8|
(artikel
6, vierde lid, van
de Werkloosheidswet) bedragen de kosten daarvan
circa €|1 miljoen per
jaar.
Hierbij is uitgegaan van een
grotendeels geautomatiseerde oplevering, waarvan de kosten van de
bouw in 2008 op circa €|0,5 miljoen zijn
geraamd.¹ Het
UWV zal moeten zorgen
voor een aanpassing van de polisadministratie. De kosten van aanpassing van
de polissystemen worden geraamd op €|65
000,-. De kosten in verband met de aanpassingen van de systemen
voor uitkeringsbetaling via
werkgevers worden geraamd op €|50 000,-.
1. Dit betreft een voorlopige
raming, onder voorbehoud van de U-toets [uitvoeringstoets?, red.]
door het UWV.
Financiële gevolgen voor
het wetsvoorstel STAP
In het
wetsvoorstel STAP werd oorspronkelijk voorzien in 90 000 loonkostensubsidietrajecten voor langdurig werklozen en arbeidsongeschikten tegen een subsidie van 50%
WML [wettelijk minimumloon, red.] (circa €|8000.-). Deze subsidie werd voor
uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar [lees: van 50 jaar of ouder, red.]
verminderd met de premievrijstelling
Aof voor oudere werknemers (circa €|1500,-). In
het huidige voorstel komen
alleen uitkeringsgerechtigden jonger dan 50 jaar nog in aanmerking
voor loonkostensubsidies verstrekt door het UWV.¹ Daardoor wijzigen de
financiële gevolgen van het wetvoorstel STAP. Onderstaand wordt het
gewijzigde financiële beeld gegeven.
1. Er geldt geen
leeftijdsgrens voor herbeoordeelden; de
financiële effecten voor deze groep worden door dit
wetsvoorstel niet beïnvloed en daarom buiten beschouwing gelaten.
De totale kosten voor de
loonkostensubsidies bij toepassing op de groep jonger dan 50 jaar bedragen
naar verwachting €|186 miljoen. Indien werkgevers
ervoor kiezen personen in
dienst te nemen via een uitzendbureau en deze personen ziek
worden, ontvangen zij een uitkering vanuit het vangnet Ziektewet (ZW). Ook
voor mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die bij werkhervatting in
aanmerking komen voor een no-riskpolis tegen ziekte
kunnen de kosten van ziekte ten laste komen van de ZW. De uitkeringslasten
ZW worden geraamd op €|18 miljoen in totaal. Ook bestaan de kosten uit
uitvoeringskosten UWV en kosten voor plaatsingsondersteuning voor
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten; die worden samen geraamd op €|35 miljoen. Ten slotte treden er besparingen op de uitkeringslasten op
omdat uitkeringsgerechtigden tijdens de subsidieperiode geen beroep
hoeven te doen op een uitkering. Deze worden geraamd op €|54
miljoen. De nettokosten voor 30 000 loonkostensubsidieplaatsen voor
uitkeringsgerechtigden jonger dan 50 jaar bedragen €|185 miljoen over de
periode 2008-2012. De kosten in 2012 betreffen overloopeffecten van
trajecten die in 2011 zijn gestart. De kosten in 2008 betreffen implementatie- en
opstartkosten.
Tabel 2: Budgettaire tabel
voor trajecten loonkostensubsidie voor 30 000 personen in 2008-2012 [in
miljoen euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
Totaal |
Brutokosten:
- Loonkostensubsidies
- Uitkeringslasten vangnet
ZW
- Uitvoerings-/re-integratiekosten
UWV |
0
0
2 |
31
3
10 |
62
6
11 |
62
6
11 |
31
3
1 |
186
18
35 |
| Besparing uitkeringslasten
WW |
0 |
–9 |
–18 |
–18 |
–9 |
–54 |
| Nettokosten |
2 |
35 |
61 |
61 |
26 |
185 |
| Nettokosten oorspronkelijk |
2 |
94 |
163 |
165 |
70 |
493 |
De totale kosten voor
loonkostensubsidies werden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
STAP geraamd op €|493 miljoen. Deze vallen als gevolg van
de
beperking van loonkostensubsidies tot uitkeringsgerechtigden jonger dan 50 jaar nu lager
uit. Deze nieuwe reeks is al verwerkt in de ramingen voor
de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt in de Begroting 2009.
rblz.|9|
Effecten van de voorstellen
op plaatsingen
Het voorliggende
wetsvoorstel regelt een duidelijke scheiding tussen de loonkostensubsidie, zoals
geregeld in het wetsvoorstel STAP, en de premiekorting. De doelgroep
van het wetsvoorstel STAP wordt beperkt tot uitkeringsgerechtigden, die
op het moment van werkaanvaarding jonger zijn dan 50 jaar. Werkgevers
van deze personen ontvangen een loonkostensubsidie voor een periode van één
jaar. Geraamd wordt dat er cumulatief 30 000
uitkeringsgerechtigden jonger dan 50 jaar in de periode 2009-2011 kunnen worden
geplaatst. Het gaat hierbij naar verwachting om 25 000 langdurig werklozen
en 5000 arbeidsongeschikten.
De doelgroep van de
premiekorting is de (werkloze) uitkeringsgerechtigde van 50 jaar of ouder,
ongeacht de duur van de uitkering. De korting wordt bovendien gegeven voor een
periode van drie jaar en het betreft een structurele regeling. De
regeling zal daarmee een grotere doelgroep bereiken dan de Wet
STAP. In de
periode 2009-2011 zal naar verwachting voor in totaal circa 115 000
werknemers gebruik worden gemaakt van de premiekorting. Het betreft hier 98 000
personen met een werkloosheidsuitkering, 12 000 personen met een
uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid en 5000 personen met een
gemeentelijke uitkering. Overigens wordt pas in 2012 een structurele
situatie bereikt. Vanaf dan wordt verwacht dat jaarlijks voor circa 135 000
werknemers de premiekortingsregeling wordt toegepast.
Daarnaast zullen naar
verwachting vanaf 2009 direct circa 125 000 werknemers van 62 jaar of ouder
gebruik
maken van de premiekorting. Aangezien de premiekorting voor deze
groep betrekking heeft op het in dienst hebben van de werknemer, is
al direct sprake van een structurele situatie.
6. Commentaren
6.1. Toetsen UWV,
belastingdienst en ketenbureau
Het UWV
en de belastingdienst hebben het conceptwetsvoorstel op uitvoerbaarheid getoetst. In
het aan het UWV en de belastingdienst voorgelegde concept bestond nog de
mogelijkheid van anticumulatie van de loonkostensubsidie ongeacht
leeftijd, met de premiekorting bij samenloop van de instrumenten. Het UWV
heeft gewezen op de grote uitvoeringstechnische bezwaren daartegen. Gelet
daarop is gekozen voor de in het wetsvoorstel voorliggende
scherpe afbakening tussen het instrument loonkostensubsidie en het
instrument premiekorting.
Daarnaast adviseerden het
UWV en de belastingdienst
om de verdeling van de premiekorting ouderen
over de fondsen identiek vorm te geven aan de premiekorting arbeidsgehandicapte. Dit is in
het voorliggende
wetsvoorstel gedaan.
De
belangrijkste
uitvoeringspunten betreffen echter de inwerkingtreding per 1 januari 2009. Zowel
UWV als belastingdienst
zien dat als een krap, zij het in beginsel haalbaar
schema, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
De belastingdienst
gaf in
zijn toets aan dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is per 1 januari 2009, mits
voldaan is aan drie voorwaarden.
• De gegevensset voor de
loonaangifte mag niet worden uitgebreid per 1 januari 2009. De
inrichting van de premiekorting ouderen moet gelijk zijn aan die van de premiekorting voor arbeidsgehandicapten: de
premiekorting wordt als
één bedrag aangegeven en de toepassing wordt in één code samen
met het recht op premiekorting arbeidsgehandicapte aangegeven door werkgevers.
Tezamen met de overige rblz.|10|
aanpassingen die voor het
jaar 2010 in de gegevensset zullen worden doorgevoerd (Kamerstukken II
2007-2008, 26 448, nr. 364) in het kader van de stabiele
loonaangifteketen, zullen de premiekortingen een structurele inpassing in
de
gegevensset krijgen.
• De specificaties voor de
premiekorting dienden vóór 1 september 2008 bekend te zijn in verband
met de benodigde softwareaanpassingen.
• Er kunnen geen andere
premiekortingen worden ingevoerd per 1 januari 2009 en er wordt
opdracht gegeven de keten stabiel in te richten voor deze en toekomstige soortgelijke regelingen.
Aan de tweede voorwaarde is
voldaan doordat na ontvangst van de toetsen op uitvoeringsniveau
de technische specificaties zijn verstrekt van de premiekorting voor oudere
werknemers. De eerste en derde
voorwaarde zijn als uitgangspunt genomen bij het aanpassen van het
wetsvoorstel op grond van de toetsen.
De belastingdienst
heeft
tevens aangegeven, na overleg met softwareleveranciers, dat het noodzakelijk is dat
zij in staat zijn de software voor werkgevers tijdig aan te
passen. Door het beschikbaar zijn van de technische specificaties van het
ontwerpwetsvoorstel is daaraan in beginsel voldaan. Van belang voor
uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel is dat gekozen is voor aansluiting
bij de al bestaande systematiek van premiekortingen.
Het ketenbureau
[Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), red.] heeft laten
weten dat het, op basis van de door de lijnorganisaties verstrekte en door het
ketenbureau getoetste informatie, mogelijk is het wetsvoorstel
per 1 januari 2009 in te voeren zonder onbeheersbare risico’s voor de
loonaangifteketen. Er zijn geen effecten te verwachten op de werking van
de keten en het uitvoeren van nieuwe releases heeft geen effect
op de activiteiten rond de voorbereiding van de stabiele keten. Vanuit zijn
perspectief en verantwoordelijkheid ziet het geen bezwaren in de
invoering van de premiekorting ouderen.
Op basis van de toetsen is
het oorspronkelijk voorgelegde wetsvoorstel aanzienlijk gewijzigd.
Samengevat zijn de wijzigingen ten opzichte van de toetsversie:
• De samenloop en daarmee
anticumulatie van loonkostensubsidie en premiekorting ouderen doet
zich niet voor: de loonkostensubsidie in het wetsvoorstel
STAP geldt
(behoudens de herbeoordeelden) alleen nog voor personen tot 50 jaar en de premiekorting geldt voor personen vanaf 50 jaar.
• Op grond van dit
wetsvoorstel worden in 2009 geen extra rubrieken in de loonaangifteset vereist,
maar wordt gebruik gemaakt van de bestaande rubrieken. Voor de
premiekorting ouderen geldt bij onderbrekingen tussen dienstbetrekkingen
dezelfde ministeriële regeling als voor de premiekorting
arbeidsgehandicapten.
• De toerekening van de
premiekorting ouderen aan de fondsen wordt gelijk aan die van de
premiekorting voor arbeidsgehandicapten.
• De evenredige
vermindering van de premiekorting ouderen bij deeltijdwerk wordt gerelateerd aan een
landelijk uniform genormeerd aantal uren in plaats van
het aantal uren dat gebruikelijk is in de branche.
6.2. Gevolgen voor
bedrijven: administratieve lasten en regeldruk en toets Actal
De gevolgen voor bedrijven
zijn aanzienlijk voor wat betreft hun aannamebeleid. Naar verwachting zal de
premiekorting bijdragen aan het bewerkstelligen van een sterkere
arbeidsmarktpositie van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder.
rblz.|11|
De gevolgen voor bedrijven
qua administratieve lasten zijn beperkt ten opzichte van de huidige
vrijstellingsregeling. Net als bij de vrijstellingsregeling is het de werkgever die de
korting toepast in zijn aangifte.
Bij de huidige
premievrijstellingsregeling hoeft een werkgever niets in zijn salarisadministratie te
bewaren, omdat de belastingdienst uit de polisadministratie de leeftijd van de werknemer
en datum van indiensttreding kan halen om te verifiëren
of er voldaan wordt aan de voorwaarden. De vrijstelling op de
Aof-premie voor zijn oudere werknemers verwerkt de werkgever in het nominatieve
deel van de loonaangifte. In het collectieve deel van de aangifte wordt
de loonsom voor de Aof-premie vermeld, met aftrek van de loonsom voor
de oudere werknemers waarvoor vrijstelling van de Aof-premie geldt.
De voorgestelde
premiekorting zal met ingang van 2010 in een afzonderlijke rubriek in het collectieve
werkgeversdeel van de loonaangifte zichtbaar zijn, omdat het bedrag van €|6500,- op het totaal aan af te dragen werknemerspremies (met
uitzondering van de premie voor de sectorfondsen) in mindering gebracht mag
worden.¹ Werkgevers geven in een rubriek premiekorting
ouderen van het nominatieve deel van de huidige loonaangifte aan of er wel
of geen premiekorting van toepassing is.
1. In 2009 neemt de werkgever
in de al bestaande rubriek
premiekorting van het collectieve deel van de
loonaangifte het bedrag van de premiekorting
ouderen op, eventueel samen met het
bedrag van de premiekorting arbeidsgehandicapte. In 2009 vermeldt hij in de al
bestaande rubriek premiekorting
arbeidsgehandicapte de code voor de toegepaste
kortingen. De enige verandering in de loonaangifte is dat
voor deze al bestaande rubriek aan de
twee bestaande codes vier codes worden toegevoegd. De codes voor deze rubriek zijn
dan: geen premiekorting, premiekorting
arbeidsgehandicapte, premiekorting oudere in
dienst nemen, premiekorting in dienst
houden en tot slot premiekorting oudere in
dienst nemen respectievelijk in dienst houden én
premiekorting arbeidsgehandicapte van
toepassing. Er zijn voor werkgevers geen extra
administratieve lasten gemoeid met de
loonaangifte doordat gebruik wordt gemaakt van
rubrieken in de loonaangifte. Tevens geldt
dat de aangifte van premievrijstelling voor
oudere werknemers vervalt, behoudens voor de
werknemers van 54,5 jaar of ouder waarvoor
deze premievrijstelling al werd toegepast.
In hun administratie zullen
werkgevers een document moeten bewaren dat vastlegt dat de
betrokkene voorafgaand aan de premiekorting een uitkering had ten behoeve
van de toepassing van de premiekorting voor het in dienst nemen van een
uitkeringsgerechtigde werknemer vanaf 50 jaar.
Voor de werknemer die 62
jaar of ouder is en op wie niet de premiekorting wegens het in dienst nemen
van een uitkeringsgerechtigde van toepassing is, hoeft de werkgever geen
document in de salarisadministratie op te nemen. Toepasselijkheid
van de premiekorting vloeit immers direct voort uit het voortbestaan
van de dienstbetrekking en de leeftijd van de werknemer.
Werkgevers zullen zich
vanwege de premiekorting op de hoogte moeten stellen van de wijzigingen.
Daarnaast zal in de softwarepakketten vóór 1 januari 2009 de premiekorting oudere werknemers ingebouwd moeten
worden. Dit betreft de
opname van het bedrag van de premiekorting in het collectieve deel en de
code voor verantwoording in het nominatieve deel. Het bedrag zal
evenredig verminderd moeten worden indien de werknemer minder dan voltijd
werkzaam is. De systematiek van de evenredige vermindering bij
deeltijdarbeid is ontleend aan de tot 2002 bestaande
afdrachtvermindering langdurig werklozen op grond van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
Met ingang van 2010 wordt
voor de premiekorting ouderen zowel in het nominatieve als het
collectieve deel een aparte rubriek opgenomen in de loonaangiften naast de
premiekorting arbeidsgehandicapten, zodat de toepassing en de bedragen
van de beide kortingen beter afzonderlijk zijn te onderscheiden.
Tevens wordt de toerekening
van de premiekortingen voor de arbeidsgehandicapten en ouderen met ingang van
2010 aan de verschillende fondsen voor de werkgever
vereenvoudigd, waarvoor eenmalig een aanpassing noodzakelijk is.
Deze aanpassingen zullen worden meegenomen met de overige aanpassingen
die voor het jaar 2010 worden doorgevoerd (zie de brieven over
vereenvoudiging van de loonheffing d.d. 8 oktober 2007 en 3 juli
2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 31 236, nrs. 1 en 3) en over loon-in en loon-over
d.d. 19 mei 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 26 448, nr. 364).
rblz.|12|
Actal heeft desgevraagd
advies uitgebracht op hetzelfde conceptwetsvoorstel dat UWV
en belastingdienst hebben getoetst op uitvoerbaarheid.
1. Actal adviseert een
raming te geven van de incidentele lasten voor werkgevers die voortvloeien
uit het eenmalige aanpassen van de software of aan te geven waarom deze
kosten niet kunnen worden berekend.
2. Actal geeft aan dat het
wetsvoorstel zorgt voor een stijging van de administratieve lasten en
gaat ervan uit dat deze lasten worden gecompenseerd.
3. Actal merkt daarnaast op
dat de vrijwarende functie van de verklaring over de uitkering als
document in de loonadministratie van de werkgever voor de premiekorting uitleg
behoeft. Voor de belastingdienst zou dit volgens Actal
overbodig zijn omdat de informatie in de polisadministratie staat.
4. Tot slot noemt Actal drie
aandachtspunten waarmee rekening moet worden gehouden:
• In de memorie van
toelichting moet melding worden gemaakt of gegarandeerd is dat de
aanpassingen in de software van werkgevers is doorgevoerd en bewezen goed functioneert en of de
belastingdienst
de veranderingen in de
loonaangifteketen op een verantwoorde wijze kan verwerken.
• De software van
werkgevers moet automatisch rekening houden met de maximale
toepassingstermijn van de premiekorting gedurende drie jaar.
• Het is aanbevelenswaard
om de vaststelling van de hoogte van de premiekorting eenduidig te
laten plaatsvinden en het ligt voor de hand om aan te sluiten op de methode van de premievrijstelling en
de premiekorting
arbeidsgehandicapten.
Onderstaand wordt ingegaan
op de wijze waarop de punten van Actal zijn verwerkt.
1. De omvang van de kosten
van aanpassing van de software hangt af van verschillende factoren
zoals de opbouw van het pakket en de capaciteit bij de leverancier voor het
doorvoeren van aanpassingen. De kosten van de werkgever in
verband met deze aanpassing zijn daarnaast afhankelijk van de
contractuele afspraken van de leveranciers en de werkgevers. Gezien deze
aspecten kan geen raming gegeven worden van de kosten voor
werkgevers.
2. Voor werkgevers wordt in
2010 een aantal vereenvoudigingen voorzien met betrekking tot de
premieheffing. De beperkte toename van lasten ten gevolge van de premiekorting
wordt daarmee gecompenseerd.
3. Voor werkgevers betekent
het opnemen van een document of verklaring in de loonadministratie een
geringe uitbreiding van de administratieve lasten die geraamd wordt op €|100 000,- voor alle werkgevers samen die de premiekorting
voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder toepassen.
Dat de verklaring over de uitkering overbodig zou zijn
in verband met informatie in de polisadministratie, is echter niet het geval. De
werkgever heeft geen inzage in de gegevens van de
werknemer zoals deze zijn opgenomen in de polisadministratie en kan
dus niet aan de hand van de polisadministratie beoordelen of hij de premiekorting kan toepassen. De
belastingdienst kan achteraf door middel van
inzage in de polisadministratie in een groot aantal gevallen
wel nagaan of de werknemer een uitkering had onmiddellijk
voorafgaande aan de dienstbetrekking. Dit is voor de belastingdienst echter niet
mogelijk in gevallen waarin de uitkering is betaald door een
eigenrisicodrager en in gevallen waarin de uitkering is betaald via de werkgever.
Voor die gevallen zal de belastingdienst dus ook behoefte hebben aan
een document waarover de werkgever beschikt en waaruit blijkt
dat de werknemer een uitkering had. De rblz.|13|
werkgever dient daarom een
afschrift van het bewijs dat de werknemer recht had op een uitkering
te bewaren bij zijn salarisadministratie.
4. Op de uitvoerbaarheid
door de belastingdienst en de aanpassingen van de software is hiervoor
al ingegaan en hieraan wordt ook hierna aandacht besteed.
6.3. Toets
Inspectie
Werk en Inkomen (IWI)
De IWI heeft het
conceptwetsvoorstel beoordeeld op toezichtbaarheid. In haar toets heeft de IWI
medegedeeld dat het voorstel geen aanleiding geeft tot het maken van
opmerkingen.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijzigingen van de
Wfsv
Onderdelen
A, B,
E,
H,
I en
J
De nieuwe premiekorting
sluit in systematiek aan bij de premiekorting arbeidsgehandicapte
werknemer. Daarom worden de beide premiekortingen in één paragraaf geregeld.
Voor de premiekorting oudere werknemers wordt dezelfde structuur
gekozen als voor de premiekorting arbeidsgehandicapte
werknemer. In artikel 47 wordt daartoe bepaald voor
welke werknemer de werkgever
de premiekorting mag toepassen (zie ook artikel 49 voor de
arbeidsgehandicapte werknemer). Artikel 48 regelt
vervolgens evenals artikel
50 de omvang van de premiekorting. Na artikel
50 wordt een nieuwe
paragraaf ingevoegd met algemene bepalingen die voor beide premiekortingen
gelden en delegatiebepalingen voor lagere regelgeving (onderdeel
H).
Hierdoor wordt artikel 55 in paragraaf 4
over de nadere regels voor
de premiekortingen overbodig. Deze aparte paragraaf komt te vervallen
en de inhoud van artikel 55 heeft alleen betrekking op de lagere
regelgeving voor de premievrijstelling bij marginale arbeid (onderdeel
J).
Onderdeel C
In het eerste lid van
artikel 47 wordt geregeld dat de werkgever de premiekorting oudere
werknemer kan toepassen indien hij een werknemer in dienst neemt die aan de
twee vereisten voldoet:
a. de werknemer dient
onmiddellijk voorafgaande aan de dienstbetrekking inkomen te hebben gehad
wegens recht op de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde
uitkeringen;
b. de werknemer is bij in
dienst treden 50 jaar of ouder.
Per werknemer die aan deze
kenmerken voldoet, kan de werkgever de korting toepassen op het
totaal van de premies werknemersverzekeringen (met uitzondering van de
premies voor het sectorfonds) die bij hem geheven worden. Er wordt
geen onderscheid gemaakt naar de soort premie die de werkgever
afdraagt. Het moet om een persoon gaan die een bepaalde leeftijd heeft
(50 jaar of ouder) en direct uit een uitkeringssituatie komt. Voor toepassing van de
premiekorting is het niet van belang of de uitkering wel dan wel
gedeeltelijk wordt uitbetaald. Zo is ook niet van betekenis of het UWV
de
uitkering betaalt, dan wel dat dit via een eigenrisicodrager voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering gaat. In beide gevallen zal wel door
het UWV zijn geëxpliciteerd wat de uitkering is die wordt uitbetaald. Om
bij de controle op de premieheffing te kunnen vaststellen of de werkgever
de premiekorting juist heeft toegepast, dient de werkgever een
schriftelijk bewijs te kunnen laten inzien waaruit blijkt dat de werknemer aan de
vereisten voldoet. Het zal daarbij gaan om een document of schriftelijke
mededeling van de uitvoeringsinstantie waaruit rblz.|14|
blijkt dat een uitkering is
toegekend of is beëindigd, ook in het geval de voormalige werkgever
eigenrisicodrager is. Met de uitvoeringsinstanties zal een verklaring worden
ontwikkeld die voor de inspecteur voldoende informatie geeft of de
premiekorting terecht is toegepast. Dit document zal beschikbaar moeten zijn
voor de inspecteur en op grond van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen op verzoek moeten worden verstrekt. Het heeft daarbij de
voorkeur dat werkgevers dergelijke verklaringen bij hun loonadministratie
bewaren.
In het eerste lid wordt
gesproken over de werknemer, die in de Wfsv is
gedefinieerd als de
werknemer in de zin van de werknemersverzekeringswetten
zoals de WW (artikel 1,
onderdeel o). Deze verzekerden voor de werknemersverzekeringen
zijn op grond van die wetten jonger dan 65 jaar. Daarom hoeft deze
leeftijdsgrens niet genoemd te worden in het eerste lid. De uitkeringen
waaruit uitgestroomd dient te zijn om de premiekorting toe te passen,
zijn in het algemene deel van deze toelichting al toegelicht. De verwijzing
naar artikel 6, vierde lid, van de WW betreft de
overheidswerknemers die al vóór 31 december 2000 een wachtgeld
ontvingen en daarmee niet
onder de werknemersverzekeringen zijn gebracht. In dit artikellid
wordt aangeduid wat in dit verband onder wachtgeld dient te worden verstaan.
Het tweede lid betreft de
premiekorting bij het in dienst hebben van een oudere werknemer die in het
loontijdvak niet aan de vereisten voldoet die gelden voor werknemers die
in dienst zijn getreden en waarvoor de premiekorting van het eerste
lid van toepassing is. Voor de oudere werknemer (vanaf de leeftijd van 62
jaar) kan dezelfde premiekorting worden toegepast.
De premiekortingen worden
toegepast op het totaal door de werkgever verschuldigde of, ingeval de
werknemer de premie verschuldigd is, ingehouden en af te dragen premies
werknemersverzekeringen met uitzondering van de premie voor de
sectorfondsen.
Onderdeel D
Artikel 48 regelt het bedrag
van de premiekorting oudere werknemer. Het bedrag van de korting is het
bedrag dat een werkgever per kalenderjaar maximaal als korting kan
toepassen. Dit bedrag wordt op grond van het tweede lid verminderd indien
de werknemer geen fulltimedienstverband heeft. In het derde lid is
bepaald dat voor het volledige dienstverband van 36 uur wordt uitgegaan.
Daarnaast wordt het bedrag verminderd indien een werknemer in een
loontijdvak (dat is het tijdvak waarover de werkgever de loonaangifte doet van
vier weken of één maand en wordt ook wel aangeduid als het
aangiftetijdvak) niet voor een vastgesteld aantal uren in dienst was. De
vermindering is naar evenredigheid van de arbeidsduur in relatie tot
de fulltime-arbeidsduur (het tweede lid) en naar evenredigheid van het aantal
uren omgerekend per week waarover de werkgever loon in het
loontijdvak heeft betaald (het vierde lid). Het aantal uren per maand wordt
bijvoorbeeld gedeeld door 21,75 en vermenigvuldigd met 5, ter berekening van
het aantal uren per week. Een tijdvak telt dus mee als de werknemer in
dat tijdvak in dienst was (en loon ontving), ongeacht de duur van het
dienstverband tijdens dat tijdvak van één maand of vier werken. Om
vast stellen of sprake is van een fulltimedienstverband (meer dan 36
uur) wordt in het loontijdvak uitgegaan van het gemiddelde aantal uren
per week.
Onderdeel F
De wijzigingen in
artikel 49
betreffen afstemming van de regeling van de rblz.|15|
premiekorting
arbeidsgehandicapte werknemer op de voorgestelde regeling van de premiekorting oudere
werknemer. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De
aanpassing van het eerste lid betreft een aanpassing aan de feitelijke
toepassing, omdat het gaat om de situatie onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang
van het dienstverband met de werkgever die de premiekorting toepast
en niet die op de dag van aanvang. In geval van een uitkering die met
het aangaan van de dienstbetrekking wordt beëindigd, is dat niet
logisch. In andere gevallen maakt het onderscheid van dag van aanvang ten
opzichte van de situatie onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang geen
verschil.
Het vierde lid kan vervallen
omdat de inhoud daarvan voor beide premiekortingen in algemene zin wordt
geregeld in het voorgestelde artikel 50a.
Onderdeel G
Omdat het de bedoeling is in
de structurele situatie (vanaf 2010) geen onderscheid meer te maken
tussen de twee soorten premies (werkloosheidsfonds [lees: Algemeen
Werkloosheidsfonds, red.] en Uitvoeringsfonds voor de
overheid enerzijds en Arbeidsongeschiktheidsfonds en Werkhervattingskas
anderzijds), worden de bedragen voor de
premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer aangeduid met één bedrag. Dit is het
dubbele van de in artikel 50 genoemde bedragen.
De inhoud van het huidige
vierde lid is opgenomen in het voorgestelde artikel
50b.
Het vijfde lid bevatte de
delegatiemogelijkheid de bedragen bij ministeriële regeling te wijzigen. Omdat
er geen sprake is van een vaste indexeringssystematiek, gaat
het te ver bij een lagere regeling een wettelijke bepaling te wijzigen. Indien
er om beleidsmatige redenen andere kortingsbedragen worden
gekozen, dient de wet te worden aangepast. In de praktijk is overigens nog
nooit gebruik gemaakt van de delegatiebepaling. Om deze reden wordt
voorgesteld dit artikellid te laten vervallen en voor de premiekorting
oudere werknemer niet zo’n bepaling op te nemen.
Onderdeel H
In dit onderdeel worden twee
bepalingen opgenomen die voor beide premiekortingen gelden (de
uitzondering in artikel 50a en de ondergrens
in artikel 50b).
Omdat de dienstbetrekkingen
in het kader van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) geheel gesubsidieerd
zijn, is er geen reden de werkgever via een premiekorting nog
een extra korting op de arbeidskosten te geven. Om die reden is in artikel
50a geregeld dat dit artikel niet geldt bij dienstbetrekkingen
op grond van de Wsw met de gemeente als werkgever. Het gaat hierbij niet om het in
dienst nemen van een geïndiceerde werknemer op een arbeidsovereenkomst
door een reguliere werkgever als bedoeld in artikel 7 van de
Wsw, omdat
de werkgeverssubsidie op grond van dat artikel maar ten dele de
arbeidskosten dekt.
Er kan geen sprake zijn van
een teruggave van premies. Indien de korting hoger is dan de af te dragen
premies werknemersverzekering, is er geen sprake van een negatieve
premie, maar wordt de premie op nihil gesteld. Deze bepaling opgenomen in
artikel 50b is bij de premie- en belastingheffing gebruikelijk.
De nadere regels waar
artikel 50c, eerste lid, op ziet, zijn al vastgesteld op grond van
artikel 55, tweede
lid, van de Wfsv. Op grond van artikel
55, tweede lid, zijn in de Regeling Wfsv
in de artikelen 3.19 tot en met 3.22
nadere regels opgenomen die
het in dienst nemen van werknemers nader inhoud geven. Ook
wordt bepaald hoe te handelen bij onderbroken rblz.|16|
dienstverbanden,
opeenvolgende dienstverbanden en bij overgang van ondernemingen. Het huidige
tweede lid van artikel 55 bevatte een ruimere
delegatiegrondslag met zelfs
de mogelijkheid van afwijking van de wettelijke bepalingen. In artikel
50c,
eerste lid, is nu aangegeven voor welke onderwerpen nadere regels
worden gesteld voor de premiekortingen. Ook voor de in dit wetsvoorstel
opgenomen premiekorting zijn deze bestaande nadere regels van belang,
evenals de bepaling over wanneer sprake is van indienstneming zoals voor
de premievrijstelling oudere werknemers al is opgenomen in artikel 3.19
van de Regeling Wfsv. De desbetreffende bepalingen
in de Regeling Wfsv zullen
technisch aan de wijzigingen in dit wetsvoorstel worden aangepast. Het gaat
daarbij om bepalingen waarmee voorkomen wordt dat een
werkgever na ontslag van zijn werknemer en het korte tijd later weer in
dienst nemen van die werknemer opnieuw de premiekorting kan toepassen.
Er moet tussen die twee dienstverbanden ten minste drie jaar zitten.
De delegatiebepaling in het tweede lid voor de uitvoering van de
premiekortingen biedt de mogelijkheid nadere regels vast te stellen voor de
evenredige vermindering van de premiekorting bij een afwijkende arbeidsduur.
Hiervan zal gebruik gemaakt worden indien de rekenregels die uit de
wet voortvloeien onvoldoende duidelijkheid bieden.
Onderdelen K tot en met O
Toepassing van de
premiekorting betekent minder inkomsten in de fondsen (waaronder begrepen
de Arbeidsongeschiktheidskas en de Werkhervattingskas) die worden gevoed met de
premies werknemersverzekeringen. Omdat de korting wordt
toegepast op het totale bedrag van de verschuldigde
premies, wordt niet exact aangegeven in welke mate dit tot toename van de
lasten in de verschillende fondsen en kassen leidt.
In deze onderdelen is bepaald dat ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (artikel 100
Wfsv), de
Uitvoeringsfonds voor de overheid (artikel 108
Wfsv), het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (artikel 115 Wfsv) en
de Arbeidsongeschiktheidskas (artikel 117 Wfsv) en de Werkhervattingskas
(artikel 117b Wfsv) bedragen
van de hier geregelde premiekortingen komen. Dit zijn uiteindelijk
de fondsen die ook naar verwachting minder uitgaven krijgen aan
uitkeringslasten met de werking van dit instrument. De exacte toerekening zal
plaatsvinden volgens de regels van de toerekening van de
premieopbrengsten, rekening houdend met verdeling van de inkomsten tussen de fondsen.
Onderdeel P
In dit onderdeel worden drie
nieuwe overgangsbepalingen in de Wfsv ingevoegd.
Artikel 122b
betreft twee
tijdelijke bepalingen in het eerste en tweede lid. Het eerste lid betreft het
tijdelijk lagere bedrag voor de premiekorting bij het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder. Tot 2013 bedraagt de premiekorting
daarvoor €|2750,- per jaar.
Het tweede lid betreft de
overgang van de toerekening naar de twee hoofdgroepen van
werknemersverzekeringspremies, zoals nu geldt voor de premiekorting
arbeidsgehandicapte werknemer, naar een stelsel waarbij daarvoor geen
onderscheid wordt gemaakt. Dit betekent dat voor het jaar 2009 de
premiekorting op AWf/Ufo-premie op een bedrag wordt vastgesteld van de helft van
de in artikel 48 en 50 genoemde bedragen (en
het tijdelijke bedrag uit
het eerste lid) en de premiekorting op het totaal van de premie voor het
Arbeidsongeschiktheidsfonds en de arbeidsongeschiktheidskassen op een zelfde bedrag.
rblz.|17|
Het nieuwe
artikel 122c bevat de overgangsbepaling van de premievrijstelling
oudere werknemers naar de
premiekorting oudere werknemer. De vrijstelling van de
basispremie Arbeidsongeschiktheidsfonds voor het in dienst hebben van oudere
werknemers blijft van toepassing voor werknemers voor wie die vrijstelling
werd toegepast en die ten minste 54,5 jaar zijn, maar jonger dan 62
jaar zijn op de dag voorafgaande aan die van inwerkingtreding van deze
wet. Voor de werknemers in de leeftijd van 62 jaar of ouder kan de nieuwe
regeling op grond van artikel 47, tweede lid,
Wfsv worden toegepast. Dit
overgangsrecht loopt door tot en met het jaar 2016.
De achtergrond van deze
overgangsbepalingen is in het algemene deel van deze memorie van
toelichting toegelicht. De premievrijstellingen op grond van deze
overgangsbepaling blijven ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
(zie onderdeel M).
Ten slotte wordt in
artikel 122d bepaald met welk percentage de premie
voor het AWf wordt verlaagd
in de jaren 2015 tot en met 2020. Dit is noodzakelijk om de met
ingang van het jaar 2015 optredende lastenverzwaring voor werkgevers die deze
wetwijziging met zich brengt te compenseren.
Artikelen II tot en met V
(WW, WAZ, Wajong, WAO), onderdelen
A, en artikel VI (Wet WIA)
In deze artikelonderdelen
wordt voorgesteld een leeftijdsgrens van 50 jaar aan te brengen in het
instrument loonkostensubsidie, zoals die wordt geregeld in het voorstel van
Wet stimulering arbeidsparticipatie (Kamerstukken PM [31 577, red.]). Een werkgever kan
uitsluitend in aanmerking komen voor de loonkostensubsidie indien
een werknemer op de eerste dag van de dienstbetrekking jonger dan
50 jaar is. Nu de loonkostensubsidie niet kan worden verstrekt ten behoeve
van een werknemer van 50 jaar of ouder en in dit wetsvoorstel in
artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv
voor de premiekorting oudere
werknemer de voorwaarde van 50 jaar of ouder wordt gesteld, kan de
werkgever niet meer voor dezelfde werknemer tegelijk in aanmerking komen
voor de loonkostensubsidie en de premiekorting oudere werknemer toepassen
en kan de anticumulatiebepaling in het negende lid van de
artikelen in de diverse wetten die de loonkostensubsidie regelen vervallen.
Artikelen II tot en met V
(WW, WAZ, Wajong, WAO), onderdelen B
In deze artikelonderdelen
wordt voorgesteld de leeftijdsgrens van 50 jaar niet te laten gelden voor de
personen die zijn herbeoordeeld in het kader van de eenmalige
herbeoordelingsoperatie.
Artikel
VII. Inwerkingtreding
Vanwege de samenhang in het
beleid om oudere werknemers te stimuleren aan het arbeidsproces te
laten blijven deelnemen, de budgettaire consequenties van de
voorstellen en het feit dat de voorstellen op 1 januari van een jaar in
werking dienen te treden, dient het exacte tijdstip van inwerkingtreding bij
koninklijk besluit te worden vastgesteld.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner