De
regering streeft naar een substantiële verhoging van de
arbeidsparticipatie. In het beleidsprogramma "Samen werken, samen
leven" ¹ is opgenomen dat de arbeidsparticipatie van nu 70% moet toegroeien naar
80% in 2016. In deze
kabinetsperiode zal een belangrijke stap in die richting worden gezet. Het kabinet
neemt daartoe verschillende maatregelen, waaronder de maatregelen
beschreven in het actieprogramma "Iedereen doet mee". Daarnaast heeft
de regering besloten een regeling te treffen voor brugbanen voor
herbeoordeelden met een WAO-, WAZ- of
Wajong-uitkering.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4.
In het kader van
bovengenoemde maatregelen is het noodzakelijk om eventuele belemmeringen die
uitkeringsgerechtigden ervaren om het werk te hervatten weg te
nemen. Een belemmering is onder meer de angst voor een snelle
herbeoordeling bij personen die een uitkering ontvangen op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ), nadat ze
vanuit de WAO of WAZ het werk hervatten. Nu vindt een
nieuwe beoordeling nog plaats minimaal zes maanden en maximaal drie
jaar na de werkhervatting. Deze termijn wordt met dit wetsvoorstel
verlengd naar vijf jaar. Het belangrijkste effect hiervan is dat betrokkenen
niet langer onzeker zijn over de vraag wanneer ze voor herbeoordeling in
verband met de werkhervatting worden opgeroepen. Afzien van participatie
vanwege die onzekerheid is daarmee niet langer aan de orde. In de
desbetreffende periode is sprake van inkomstenverrekening volgens de
klassesystematiek van de WAO en WAZ. Deze inkomstenverrekening is
geregeld in artikel 44 van de WAO
en artikel 58 van de WAZ.
Het
UWV verbetert de
voorlichting over de financiële gevolgen van werkhervatting.
rblz.|2|
Met dit wetsvoorstel komt de
regering tegemoet aan de wens van de Tweede Kamer zoals verwoord
in een motie.¹ Met een brief van 21 november 2007 ² heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
inhoudelijk gereageerd op de
desbetreffende motie. In deze reactie is aangegeven dat het voornemen
bestaat om ter invulling van de desbetreffende motie een wetsvoorstel bij
de Tweede Kamer aanhangig te maken. Met dit wetsvoorstel worden
ook wijzigingen in de WAZ doorgevoerd. Ten aanzien van de inkomsten uit
arbeid kent de WAZ een met de WAO overeenkomstige
systematiek.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
28 333, nr. 90.
2. Kamerstukken II 2006-2007,
28 333, nr. 98.
2. Achtergronden van het
wetsvoorstel
In het coalitieakkoord en
het beleidsprogramma "Samen werken, samen leven" is het belang
benadrukt van verhoging van de arbeidsparticipatie. Ten behoeve hiervan worden
maatregelen getroffen die gericht zijn op de verschillende betrokken
actoren, te weten werkgevers en uitkeringsgerechtigden. Bij de maatregelen
gericht
op werkgevers kan worden gedacht aan de inzet van
re-integratie-instrumenten en voorzieningen en de brugbanen. Daarnaast dienen door
uitkeringsgerechtigden ervaren belemmeringen om het werk te hervatten te
worden weggenomen. Op dit laatste ziet concreet dit
wetsvoorstel.
Uit
onderzoek ¹ blijkt dat
gemiddeld 13 procent van de niet-werkende WAO-ers zich heel onzeker
voelt over de financiële gevolgen van werk. Deze onzekerheid wordt
gevoed door de angst om bij werkhervatting opnieuw uit te vallen en dan
in inkomen achteruit te gaan. Ook blijkt uit het desbetreffende onderzoek
dat veel mensen niet op de hoogte zijn van de mogelijkheden die de
huidige WAO biedt om de financiële risico’s te beperken, bijvoorbeeld door
gebruik van artikel 44 dat toestaat dat gedurende
een termijn van ten hoogste
drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarop de inkomsten uit
arbeid worden genoten, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt ingetrokken of
herzien zolang niet vaststaat of deze arbeid
algemeen geaccepteerde arbeid is waartoe betrokkene met zijn krachten
en bekwaamheden in staat is.
1. Onderzoeksrapport "Onzekerheden bij werkhervatting, een
verkennende studie naar de ervaren onzekerheden van
mensen met een WAO-uitkering", Astri,
maart 2003.
Overigens werkt circa 30
procent van de WAO-ers naast de uitkering. Dit
relativeert het in het
desbetreffende onderzoek geschetste beeld enigszins. Desalniettemin is er
aanleiding om belemmeringen om het werk te hervatten weg te nemen.
3. Inhoud van het
wetsvoorstel
In de huidige situatie wordt
bij werkhervatting de hoogte van de WAO- en WAZ-uitkering gedurende een
periode van minimaal zes maanden en maximaal drie jaar aangepast
aan de feitelijke verdiensten uit arbeid voor zover die de resterende
verdiencapaciteit te boven gaan. Formeel blijft de mate van
arbeidsongeschiktheid gedurende die periode gelijk aan de mate van
arbeidsongeschiktheid voordat sprake was van werkhervatting. Indien betrokkene gedurende
deze periode stopt met werken, vindt terugval in de formeel nog
steeds geldende arbeidsongeschiktheidsklasse plaats met uitzondering van
die situaties waarbij sprake is van een vervangende uitkering die wordt
gelijkgesteld met inkomen uit arbeid. Na minimaal zes maanden en maximaal drie
jaar wordt via een nieuwe beoordeling definitief de nieuwe mate
van arbeidsongeschiktheid vastgesteld.
De bestaande systematiek kan
nader worden toegelicht aan de hand van een voorbeeld. Wanneer
betrokkene voor 50% arbeidsongeschikt is, worden inkomsten tot aan het
niveau van de resterende verdiencapaciteit niet gekort op de uitkering.
Betrokkene kan tot 55% bijverdienen waarbij het totale inkomen komt op
90% van het maatmanloon. Wanneer betrokkene rblz.|3|
meer dan zijn
resterende verdiencapaciteit gaat verdienen, dan vindt over een periode van zes
maanden tot drie jaar fictief indeling in een nieuwe arbeidsongeschiktheidsklasse plaats. Stel dat betrokkene 80% van
zijn maatmanloon gaat
verdienen, dan wordt betrokkene fictief ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25% met een bijbehorend
uitkeringspercentage van 14%. Het totale inkomen
uit uitkering en arbeid bedraagt dan 94% van het loon. Mocht gedurende de periode van zes
maanden tot drie jaar
blijken dat geen sprake was van arbeid waartoe betrokkene met zijn krachten
en bekwaamheden in staat was, dat kan betrokkene terugvallen op
het formeel nog steeds geldende arbeidsongeschiktheidspercentage van 50% en niet op de
fictief vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse
van 15-25%.
Met
dit wetsvoorstel zal de
genoemde periode van minimaal zes maanden tot maximaal drie jaar
worden verlengd naar een vaste periode van vijf jaar. Met deze
vijfjaarstermijn wordt aangesloten bij de bestaande bepalingen
in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (artikel
50). De achtergrond voor het bepalen van deze duur op vijf jaar is dat enerzijds
mag worden aangenomen dat na vijf jaar sprake is van stabiele werkhervatting.
Anderzijds blijft de duur gemaximeerd omdat het niet zo kan zijn dat
iemand ongelimiteerd arbeid verricht zonder dat dit na verloop van tijd het
oordeel over zijn mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt. Dat zou het
karakter van de arbeidsongeschiktheidsverzekering te zeer ondergraven.
Overigens behoudt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in algemene zin de
mogelijkheid om, in geval daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld op verzoek
van betrokkene of vanwege een wijziging in de medische situatie, een
uitkeringsgerechtigde op te roepen voor een professionele
herbeoordeling.
Gelijktijdig verbetert het
UWV de voorlichting over de inkomenseffecten
bij werkhervatting. Ten
behoeve hiervan zal het UWV voorlichting verzorgen over de wetswijziging en een
telefonisch loket inrichten. In de huidige situatie worden de
inkomenseffecten voor een uitkeringsgerechtigde pas zichtbaar na een daadwerkelijke werkhervatting. Als na 1 januari 2009 een
uitkeringsgerechtigde met
een vraag over de financiële effecten van werkhervatting contact opneemt, zal
het UWV,
mede op basis van gegevens uit het dossier, betrokkene binnen
korte termijn informeren over het nieuwe uitkeringsbedrag bij de
beoogde werkhervatting.
Omdat
het wetsvoorstel
onmiddellijke werking heeft, geldt de voorgestelde termijn van vijf jaar
ook indien op het moment van de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel sprake
was van toepassing van de anticumulatiebepaling. De termijn van vijf jaar
vangt in die gevallen aan op de eerste dag waarover de
inkomsten uit arbeid zijn genoten.
4. Financiële en
economische gevolgen
Zoals in de vorige
paragrafen aangegeven, is door de regering een aantal maatregelen getroffen om de
arbeidsparticipatie van uitkeringsgerechtigden substantieel te bevorderen.
De maatregel in dit wetsvoorstel dient voornamelijk als aanvulling
op eerder aangekondigde maatregelen om de arbeidsparticipatie te
bevorderen. De afzonderlijke bijdrage van dit wetsvoorstel aan de bevordering van de
arbeidsparticipatie en beperking van de uitkeringslasten zal naar
verwachting beperkt zijn, maar door het wegnemen van belemmeringen
om werk te aanvaarden, zal het de effectiviteit van andere maatregelen
vergroten. Daarom acht de regering de voorstellen een wenselijke
aanvulling op overige maatregelen om de arbeidsparticipatie van
uitkeringsgerechtigden te bevorderen.
rblz.|4|
Als gevolg van het
wetsvoorstel is sprake van beperkte extra uitkeringslasten omdat uitkeringsgerechtigden
die het werk hervatten over een langere periode kunnen terugvallen op de oude uitkeringsrechten. Daar
staat tegenover dat sprake
is van besparing op de uitkeringslasten als gevolg van het positieve
effect dat van de maatregelen uitgaat op werkaanvaarding. De verwachte positieve en
negatieve budgettaire effecten zijn van dezelfde orde van
grootte, zodat per saldo de maatregelen budgettair neutraal zijn.
Aan uitvoering van
het
wetsvoorstel zijn beperkte eenmalige implementatiekosten voor het UWV
verbonden. De
voorgestelde wijziging van de artikelen 44 van de
WAO en
58 van de WAZ leidt voor het UWV tot herziening
van instructies en
aanpassing van voorlichtingsmateriaal.
De langere periode van
inkomstenverrekening en het uitstel van een nieuwe beoordeling hebben
per saldo een neutraal effect op de structurele uitvoeringskosten. Enerzijds
zal er minder vaak sprake zijn van een herbeoordeling, anderzijds
zal er over langere tijd sprake zijn van inkomstenverrekening en zal
vaker dan nu sprake zijn van terugval in de uitkering.
Daarnaast is sprake van
uitvoeringskosten indien vaker dan gepland een gesprek over de
mogelijkheden tot re-integratie met de arbeidsdeskundige plaatsvindt. Hierbij is
sprake van overlap met werkzaamheden in het kader van het in
voorbereiding zijnde conceptvoorstel van Wet stimulering
arbeidsparticipatie. Deze
uitvoeringskosten worden in het kader van dit genoemde conceptwetsvoorstel bezien.
Het voorstel heeft geen
noemenswaardig effect op de administratieve lasten voor burgers.
5. Ontvangen commentaren
Het UWV
heeft het
wetsvoorstel beoordeeld op uitvoerbaarheidsaspecten. Het UWV acht invoering van het
wetsvoorstel per 1 januari 2009 haalbaar als - met het oog op
systeemaanpassingen - per 1 augustus 2008 de kenmerken van de regeling bekend zijn.
Hiertoe is UWV verzocht zich bij de implementatie te baseren op
het wetsvoorstel zoals dat bij de Tweede Kamer aanhangig wordt
gemaakt.
De Inspectie Werk en Inkomen
[IWI, red.] heeft het wetsvoorstel getoetst op toezichtbaarheidsaspecten.
De IWI verwacht op dit terrein
geen problemen.
Artikelen I en
II
De wijzigingen in de
artikelen 44 van de WAO
en 58 van de WAZ hebben
dezelfde strekking. Derhalve
ziet de hiernavolgende toelichting op beide artikelen.
Door de wijzigingen van de
artikelen 44 van de WAO
en 58 van de WAZ worden deze artikelen in
overeenstemming gebracht met artikel 50 van de
Wajong. Hierdoor wordt de
toepassingstermijn van de artikelen 44 van de
WAO en 58 van de WAZ
gewijzigd van minimaal zes maanden en maximaal drie jaar in vijf jaar. Deze
nieuwe termijn van vijf jaar geldt voor een ieder die naast zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
of WAZ inkomsten uit
arbeid geniet (en overigens voldoen aan de voorwaarden in de genoemde
artikelen).
De termijnen van drie
respectievelijk vijf jaar vangen aan op de eerste dag waarover de inkomsten uit
arbeid worden genoten. Dit betreft geen wijziging, rblz.|5|
maar blijkt reeds uit
de huidige tekst van de artikelen 44 van de
WAO en 58 van de WAZ.
De nieuwe toepassingstermijn
van vijf jaar is geen maximale maar een structurele termijn. Dit
volgt uit de voorgestelde tekst van de eerste leden, de voorgestelde aanhef van
de tweede leden en het vervallen van de zevende leden.
Ten slotte wordt opgemerkt
dat ook voor personen die reeds vóór de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel naast hun arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid genoten
en voor wie derhalve de maximale termijn van drie jaar,
bedoeld in de huidige artikelen 44 van de WAO
of 58 van de WAZ, gold, na die
datum op grond van de voorgestelde tekst van die artikelen een
toepassingstermijn van vijf jaar geldt. Die termijn van vijf jaar vangt niet
aan op de dag
van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, maar, op grond van de artikelen
44
van de WAO en 58 van de
WAZ, op de eerste dag waarover de inkomsten
uit arbeid zijn genoten. Omdat aan dit wetsvoorstel onmiddellijke werking
toekomt, is het niet nodig hiervoor een overgangsrechtelijke
bepaling op te nemen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner