St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  WIJZIGING  ONDER  MEER  WRRA  IN  VERBAND  MET  FLEXIBILISERING  EN  VERDUIDELIJKING

Versie 11 december 2008

 

  
 

 

 
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2007-2008, 2008-2009, 31 227.
Handelingen II 2008-2009, blz. 2261-2261.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 227 (A, B).
Handelingen I 2008-2009, blz. 609-609.

 

 

WET van 11 december 2008, Stb. 2009, 8, tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de flexibilisering en verduidelijking alsmede enkele aanvullingen van de regeling van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding. Inwerkingtreding: 1 juli 2010 (Stb. 2010, 225).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met flexibilisering, verduidelijking en enkele aanvullingen van de rechtspositieregeling van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten te wijzigen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

[Voor de Beroepswet en Algemene wet bestuursrecht relevante artikelen, red.]

 

 

Art. III.
De Beroepswet wordt gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:
a. Onderdeel g wordt verletterd tot onderdeel h.
b. Na onderdeel f wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
g. ten aanzien van een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid, de bij en krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het bestuur toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat lid;
B.
Artikel 4 komt te luiden:
Art. 4.
-1. Op de leden met rechtspraak belast is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, met uitzondering van de artikelen 5a, 5b, 5c, vierde tot en met zesde lid, en 5g, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit;
b. zij met betrekking tot hun benoeming en salaris worden gelijkgesteld met degenen die hetzelfde ambt vervullen bij een gerechtshof;
c. het bestuur de lijst van aanbeveling opmaakt bij het openvallen van een plaats van coördinerend vice-president, vice-president, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger en de Raad voor de rechtspraak deze lijst telkens, onder medezending van een advies hierover, aan Onze Minister van Justitie doorzendt met het oog op een voordracht voor benoeming overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
d. zij voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 6, 45 en 46 worden gelijkgesteld met bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijke ambtenaren;
e. zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren van wie de eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft;
f. het bestuur de werkzaamheden van de leden met rechtspraak belast verdeelt; en
g. het lid met rechtspraak belast, dat tevens president is van de Centrale Raad van Beroep, ten aanzien van hen bevoegd is tot het opleggen van de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing en het doen van een verzoek aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bedoeld in artikel 46o, tweede lid.
-2. Op de gerechtsauditeurs is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op gerechtsauditeurs, met uitzondering van artikel 5b, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit;
b. zij voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 6, 45 en 46 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof of rechtbank;
c. het bestuur de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs verdeelt; en
d. zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren van wie de eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de overeenkomstige toepassing van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde ten aanzien van de in het eerste en tweede lid genoemde leden met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs.

 

Art. V.
In artikel 1:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt "niet voor het leven benoemde".

 

Art. VIIn.
Indien het bij koninklijke boodschap van 14 december 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met enkele aanvullingen op de regeling inzake de nevenbetrekkingen van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage (Kamerstukken 29 937) nadat het tot wet is verheven in werking treedt of is getreden, wordt in de artikelen 4, eerste lid, onderdeel g, van de Beroepswet en 5, eerste lid, onderdeel g, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie na "waarschuwing," ingevoegd: het verrichten van de beoordeling, bedoeld in artikel 44, zesde lid,.

 

Art. VIII.
De artikelen 1:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en 47, derde en vierde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals deze luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing indien een schriftelijke beslissing of een handeling van een onafhankelijk bij wet ingesteld met rechtspraak belast orgaan, de voorzitter of een lid van een zodanig orgaan, het bestuur van een zodanig orgaan of de voorzitter van dat bestuur, de Raad voor de rechtspraak, dan wel de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal bij de Hoge Raad, waarbij een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar als zodanig of een nagelaten betrekking of rechtverkrijgende belanghebbende is, vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen of verricht.

 

Art. X.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en kan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹

1. Bij Besluit van 14 juni 2010, Stb. 2010, 225, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 juli 2010, red.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 11 december 2008

 

BEATRIX

 

De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

Uitgegeven de dertiende januari 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x