|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2007-2008, 31 550
Wijziging
van de Invoerings- en aanpassingswet
Zorgverzekeringswet in verband met voortzetting van de subsidiëring
van de MEE-organisaties
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Doel van dit wetsvoorstel is het verlenen van subsidie uit het Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) aan MEE-organisaties tijdelijk nog mogelijk te maken.
Het verlenen van subsidie
aan MEE-organisaties past niet meer bij de doelstellingen van de premiesubsidiemogelijkheden zoals die met de
Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet
in artikel 44 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) zijn geregeld. Met het met die wet gewijzigde
artikel
44 is aangesloten bij het premiesubsidiebeleid zoals dat bij brief van 13
november 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
(Kamerstukken II 2003-2004,
29 214, nr. 5) is meegedeeld. Het subsidiebeleid houdt in dat uitgangspunt is dat er
nog slechts subsidie ten laste van premiegelden kan worden verstrekt voor
zorg of andere diensten ten aanzien waarvan het voornemen bestaat deze
op te nemen in het verzekerde pakket. Het verstrekken van subsidies
voor diverse andere doeleinden is op grond van de AWBZ niet meer mogelijk.
Gelet op het genoemde
uitgangspunt is in de brief van 9 september 2004 aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 214, nr. 9) aangegeven dat alle andere bestaande premiesubsidies
zullen worden beëindigd en elders zullen worden ondergebracht. Voor
deze afbouw is een traject in gang gezet. Inmiddels zijn nagenoeg alle
andere oorspronkelijk bestaande premiesubsidies ondergebracht in reguliere
financieringswijzen.
Omdat met het elders regelen
enige tijd gemoeid zou zijn, is in artikel 3.1.7 van de
Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet
een overgangsmaatregel
getroffen. Deze houdt in dat bestaande subsidies tot uiterlijk 1 januari 2009 nog
kunnen worden voortgezet. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe
voor de subsidie aan MEE-organisaties opnieuw een uitzondering te maken.
Het gaat om de subsidie zoals die thans geregeld is in paragraaf 2.5, de
artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.9, van de Regeling
subsidies AWBZ.
De MEE-organisaties zijn
laagdrempelige instellingen die zich richten op ondersteuning voor mensen
met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking al
dan niet veroorzaakt door een chronische ziekte of een beperking uit het
autistisch spectrum. Deze mensen, hun ouders, andere verwanten, verzorgers
of andere personen in de omgeving van deze mensen met beperkingen
kunnen zich tot deze instellingen voor rblz.|2|
cliëntondersteuning wenden
zonder dat zij een verwijzing of een indicatie moeten hebben. De MEE-organisaties kennen verschillende instrumenten
om mensen met een beperking
te ondersteunen. De MEE-organisaties geven informatie en advies.
Ook geven zij cursussen. Andere dienstverlening die MEE-organisaties bieden,
zijn onder meer vraagverduidelijking, volledige beeldvorming,
collectieve en individuele begeleiding, het aanvragen en realiseren van externe dienstverlening en zorg, monitoring
en evaluatie van externe
dienstverlening en zorg en ondersteuning bij een klachtprocedure en bij
bezwaar en beroep. Verder coördineren de MEE-organisaties projecten
integrale vroeghulp. Integrale vroeghulp houdt in dat voor jonge kinderen met ontwikkelingsproblemen als gevolg
van een ernstige
verstandelijke of motorische handicap zo adequaat mogelijk gekomen wordt tot
signalering, vroegdiagnostiek, begeleiding of behandeling, als vorm van
gezinsondersteuning (zowel binnen als buiten het gezin).
Een integrale
cliëntondersteuning is van belang omdat het belangrijk is dat de cliënt
ondersteuning
ontvangt die het beste bij zijn individuele mogelijkheden en wensen
past. Bij de totstandkoming en behandeling van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is uitvoerig gesproken over het
beëindigen van de subsidie uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
(AFBZ)
en het toevoegen van deze middelen aan het gemeentefonds (Kamerstukken II
2004-2005,
30 131, nr. 3).
In het op 4 juni 2007
gesloten Bestuursakkoord Rijk en gemeenten is afgesproken dat er nader zal worden
gesproken over de MEE-middelen als het advies dat op 29 mei 2007
aan de Sociaal-Economische Raad (SER) over de toekomst van de AWBZ
(Kamerstukken II 2006-2007,
30 597, nr. 9) is
gevraagd, gereed is. Onderdeel van die afspraak is dat bij de
definitieve besluitvorming over de overheveling van de MEE-middelen de actuele
stand van zaken rond de uitvoering van de Wmo, in het bijzonder de
gevolgen van de overheveling en de aanbesteding van de huishoudelijke hulp,
nadrukkelijk wordt meegewogen.
Om tot een meer integrale
cliëntondersteuning te komen, is in het Bestuursakkoord Rijk en gemeenten tevens
afgesproken dat in de
subsidievoorwaarden voor
2008 voor de MEE-organisaties de verplichting zal worden opgenomen om met
gemeenten te overleggen over de uitvoering van de MEE-taken. Deze
voorwaarde is inmiddels in artikel 2.5.9 van de Regeling
subsidies AWBZ opgenomen.
In de brief van 14 juni 2007 aan de Tweede Kamer
(Kamerstukken II 2006-2007, 29 538, nr. 53) is aangekondigd dat overheveling van de MEE-middelen naar de Wmo per 1 januari 2008 niet
zou worden geëffectueerd.
Vervolgens is op 26
september 2007 aan de Tweede Kamer toegezegd na ommekomst van het SER-advies
terug te zullen komen op de positionering van de MEE-organisaties (Kamerstukken
II 2007-2008, 29 538, nr. 58).
De SER heeft op 18 april
2008 zijn advies "Langdurige zorg verzekerd: Over de toekomst van de AWBZ"
(Publicatienummer 3, 18
april 2008) uitgebracht. In de brief "Zeker van zorg,
nu en straks" van 13 juni
2008 (Kamerstukken II 2007-2008,
30 597, nr. 15) heeft het kabinet zijn standpunt op dat advies aan de Tweede Kamer
kenbaar gemaakt. In die brief wordt aangegeven dat de
samenwerkingsafspraken tussen gemeenten en MEE-organisaties nog in 2008
worden geëvalueerd. Daarnaast is aangegeven dat de evaluatie van de Wmo,
die voorzien is eind 2009, van belang is voor de definitieve besluitvorming en dat er dan ook meer zicht is op de
uitwerking van de samenwerkingsafspraken in de praktijk.
Op basis van
artikel 3.1.7 van de Invoerings- en aanpassingswet
Zorgverzekeringswet was voortzetting van de
subsidiëring aan MEE-organisaties in 2008
mogelijk. Voortzetting van deze subsidiëring na 2008 is zonder wetswijziging
niet mogelijk. Het is wenselijk om de subsidie uit het AFBZ aan
MEE-organisaties voort te zetten tot aan het nog door het kabinet te nemen
besluit uitvoering is gegeven. Op dit moment is nog niet te zeggen wanneer
dat zal zijn. Daarom wordt geregeld dat de rblz.|3|
subsidie tot een bij
ministeriële regeling te bepalen tijdstip kan worden voortgezet.
Dit wetsvoorstel regelt een
aanvulling op artikel 44, eerste lid, van de
AWBZ. Het tweede tot en met
het zesde lid, van artikel 44 van de AWBZ
zijn van overeenkomstige
toepassing op deze voorgezette subsidie.
Administratieve lasten
Dit wetsvoorstel heeft geen
gevolgen voor de administratieve lasten, omdat de bestaande wijze van
subsidiëring wordt voortgezet.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Bussemaker
|
|