|
BESLUIT van 28 januari 2009,
Stb. 2009, 25, tot wijziging van de
Algemene wet bestuursrecht,
de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering
griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten 2009)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Justitie
van 6 januari 2009, nr. 5578793/08/6;
Gelet op artikel 8:41,
vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
de artikelen 27b, tweede lid, 27l, vijfde lid, en artikel 29a, vijfde lid, van
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, artikel
22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel
24, zesde lid, van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 7.67 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 40, zesde lid, van de
Wet op de
Raad van State,
artikel 46, vierde lid, van de Wet
op de rechtsbijstand en artikel 1,
tweede lid, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken;
De Raad van State
gehoord (advies van 22 januari 2009, nr. W03.09.002/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 23 januari 2009, nr. 5583388/09/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. I.
In de in de kolommen C tot
en met E van onderstaande tabel aangeduide bepalingen van de in kolom B
genoemde wetten wordt de in kolom F opgenomen tekst telkens
vervangen door de in kolom G opgenomen tekst.¹
In kolom F staan de huidige
bedragen aan griffierecht en vast recht vermeld. In kolom G staan de
bedragen die vanaf 1 februari 2009 zullen gelden.
| MINISTERIE
VAN JUSTITIE |
| A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
| Nr. |
Wet |
Artikel |
Lid |
Onderdeel |
Huidigertekst |
Nieuwertekst |
| 1 |
Awb |
8:41 |
3 |
a |
€|
|39,00 |
€|
|41,00 |
| 2 |
Awb |
8:41 |
3 |
b |
€|145,00 |
€|150,00 |
| 3 |
Awb |
8:41 |
3 |
c |
€|288,00 |
€|297,00 |
| 4 |
Bw |
22 |
2 |
a |
€|107,00 |
€|110,00 |
| 5 |
Bw |
22 |
2 |
b |
€|216,00 |
€|223,00 |
| 6 |
Bw |
22 |
2 |
c |
€|433,00 |
€|447,00 |
| 7 |
Bw |
22 |
3 |
|
€|433,00 |
€|447,00 |
1. In de tabel zijn enkel de
voor de socialezekerheidswetgeving relevante wetten opgenomen, red.
Art. II.
-1. Ten aanzien van rechten
die verschuldigd zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding
van dit besluit blijft het recht zoals dat vóór die datum gold van
toepassing.
-2. Indien op de dag voorafgaand aan die
waarop dit besluit in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op
een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van
toepassing.
-3. Indien op de dag voorafgaand aan die waarop
dit besluit in werking treedt tegen een uitspraak van een
administratieve rechter hoger beroep of beroep in cassatie openstaat, blijft het oude recht op het hoger
beroep of het beroep in cassatie van toepassing.
Art.
III.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 februari 2009.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 28 januari
2009
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de negenentwintigste
januari 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[28 januari 2009]
Algemeen
Dit besluit
strekt ertoe de griffierechten in de Algemene wet
bestuursrecht, de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, de Beroepswet,
de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet
op de Raad van State en de Wet
op de rechtsbijstand [en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, red.] alsmede tarieven in de Wet
tarieven in burgerlijke zaken te verhogen. In
dit besluit wordt gemakshalve steeds de term griffierechten gebruikt,
ook indien daarmee tevens het vast recht en het overig recht in de Wet
tarieven in burgerlijke zaken wordt bedoeld. De griffierechten worden
verhoogd met het percentage waarmee de consumentenprijsindex (CPI) vanaf
31 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2008 is gestegen.
Ingevolge de artikelen zoals genoemd in de aanhef van dit besluit kunnen de griffierechten zoals vermeld in
voornoemde wetten bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor
zover de consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie daartoe
aanleiding geeft. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken kunnen de bedragen, genoemd in de eerste titel
van die
wet, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd indien
de consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
De griffierechten zoals vermeld in de hiervoor genoemde wetten zijn naar
aanleiding van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie [lees:
consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie, red.] voor de
laatste maal geïndexeerd bij Besluit van 17 januari 2008 tot wijziging
van de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering
griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten) (Stb.
2008, 20). Deze indexering had betrekking op de periode 31 augustus 2006
tot en met 31 augustus 2007.
Volgens berekeningen van het
Centraal bureau voor de statistiek
bedragen de consumentenprijsindexcijfers totalen (alle huishoudens) 2006 = 100, voor augustus
2007: 101,47 en voor augustus 2008: 104,74. Gedurende de periode van 31 augustus
2007 tot en met 31 augustus 2008
is de consumentenprijsindex
derhalve met 3,22% gestegen (104,74
: 101,47 * 100 = 103,22 - 100 = 3,22). Met deze stijging van de
consumentenprijsindex wordt in dit besluit rekening gehouden door elk bedrag aan griffierecht
en elk bedrag aan vast recht met 3,22% te verhogen. De bedragen die op
deze wijze worden verkregen, worden rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Het
griffierecht zoals dat is opgenomen in artikel 8:41,
derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht,
artikel 27b, eerste lid, onderdeel a, van
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, artikel 46, tweede lid, van de Wet
op de rechtsbijstand en artikel 7.67 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is de laatste maal dat indexering
plaatsvond niet meegenomen. Reden hiervoor was dat in verband met de
afronding het griffierecht ook na indexering hetzelfde zou bedragen. Bij
de thans uitgevoerde indexering zijn de bedragen echter gewijzigd en
derhalve opgenomen in de tabel. Uitgangspunt bij deze bedragen is het
indexcijfer van augustus 2006, het moment waarop dit bedrag voor het
laatst is geïndexeerd. Het
indexcijfer was destijds 100,36 (ten opzichte van 2006 = 100). In
augustus 2008 is het indexcijfer 104,74. Het indexcijfer is in de
periode van 31 augustus 2006 tot en met 31 augustus 2008 derhalve met
4,36% gestegen (104,74 : 100,36 * 100 = 104,364 - 100 = 4,36%).
Het griffierecht in genoemde artikelen is
daarom met 4,36% verhoogd.
Het
griffierecht zoals dat is opgenomen in artikel 14, vierde, zevende, en
achtste lid, van de
Wet
tarieven in burgerlijke zaken is
de laatste maal dat indexering plaatsvond evenmin meegenomen. Reden
hiervoor was dat in verband met de afronding het griffierecht ook na
indexering hetzelfde zou bedragen. Bij de thans uitgevoerde indexering
is het bedrag echter gewijzigd en derhalve opgenomen in de tabel.
Uitgangspunt bij dit bedrag is het indexcijfer van augustus 2005, het
moment waarop dit bedrag voor het laatst is geïndexeerd. Het
indexcijfer was destijds 98,96 (ten opzichte van 2006 = 100). In
augustus 2008 is het indexcijfer 104,74. Het indexcijfer is in de
periode van 31 augustus 2006 tot en met 31 augustus 2008 derhalve met
5,58% gestegen (104,74 : 98,96 * 100 = 105,58 - 100 = 5,58%). De
griffierechten in genoemd artikel zijn daarom met 5,58% verhoogd.
Het
griffierecht zoals dat is opgenomen in artikel 2, tweede lid, onderdeel 1º, onder a, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken
wordt sinds de Wet van 4 december 2003 tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten
ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging
van de opbrengst van griffierechten) (Stb. 2003, 500)
niet meer geïndexeerd. Indexering blijft achterwege in verband met de
betaling van de minimale geldsom waartoe de eis of het verzoekschrift,
zoals vermeld in voornoemd artikel, strekt. Indien het tarief thans
geïndexeerd zou worden, is het gevolg dat eiser of gedaagde verplicht
wordt een tarief te betalen dat hoger ligt dan de minimale geldsom die
geëist dan wel verzocht kan worden. Aangezien dit onwenselijk is,
blijft indexering achterwege.
Overgangsrecht
In artikel
II is het overgangsrecht opgenomen. Uitgangspunt is daarbij dat
indien op de dag waarop dit besluit in werking is getreden een
griffierecht verschuldigd is, het tarief van toepassing is zoals dat
geldt ingevolge het Besluit van 17 januari 2008 tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten
(indexering
griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten 2008)
(Stb. 2008, 20). Dat betekent ook dat in geval van een
kostenveroordeling alleen het griffierecht dat daadwerkelijk is betaald
in rekening zal worden gebracht. Wordt vervolgens hoger beroep of
cassatie ingesteld, dan wordt daarvoor het nieuwe recht gehanteerd.
Bij
de bestuursrechtelijke zaken is een regeling opgenomen voor de besluiten
die (uiterlijk) op de dag vóór de dag waarop dit besluit in werking is
getreden bekend zijn gemaakt, ten aanzien waarvan op die dag de
beroepstermijn van zes weken nog openstaat en waartegen nog geen
beroepschrift is ingediend. Ingevolge artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de beroepstermijn zes weken, te rekenen vanaf de dag waarop het
besluit bekendgemaakt wordt.
Eenvoudigheidshalve wordt bepaald dat ten aanzien van besluiten die
(uiterlijk) op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit besluit
bekendgemaakt zijn en waartegen bij een administratieve rechter (zie artikel 1:4
Awb) nog tijdig in beroep kan worden gekomen, het oude recht
van toepassing blijft. In het derde lid is een vergelijkbare bepaling
opgenomen ten aanzien van het instellen van hoger beroep of beroep in
cassatie tegen een
uitspraak van een administratieve rechter.
De Minister van
Justitie,
E.H.M. Hirsch Ballin
|
|