1.1. Inleiding
De regering heeft
besloten de Algemene
Ouderdomswet (AOW) in die zin te wijzigen dat aan
gedetineerde uitkeringsgerechtigden geen AOW-uitkering meer zal worden verstrekt
gedurende de periode dat zij wettelijk van hun vrijheid zijn
beroofd. Een uitzondering zal worden gemaakt voor bijzondere detentievormen
die een resocialiserend karakter hebben en voor periodes van detentie
korter dan één maand. Het voorliggende wetsvoorstel strekt daartoe.
De regering is van mening
dat AOW-gerechtigde gedetineerden niet anders behoren te worden
behandeld dan andere uitkeringsgerechtigden die rechtens hun vrijheid is
ontnomen. Zij weet zich in haar standpunt gesterkt door het feit dat
stopzetting van de uitkering in het kader van de AOW aan gedetineerden, past
in de bredere behoefte aan het aanpassen van de sanctietoepassing aan
de huidige tijd. Ook vanuit de Tweede Kamer is sinds september
2006 diverse keren expliciet de aandacht gevraagd voor dit onderwerp.¹
1. - Vragenuur 17 oktober
2006, AOW
tijdens detentie, handelingen II 2006-2007, nr. 13, blz. 815-817.
- Behandeling
Justitiebegroting 18 januari 2007, motie eigen bijdrage
gedetineerden, handelingen II 2006-2007, nr.
32, blz. 2163-2165.
- Vragenuur 6 februari
2007, verstrekking studiefinanciering tijdens
detentie, handelingen II 2006-2007, nr. 39, blz.
2337-2340.
rblz.|2|
Gedurende het afgelopen
decennium heeft het vraagstuk van het recht op een socialezekerheidsuitkering tijdens detentie diverse keren aandacht gekregen. Telkens stond bij
de discussie over dit onderwerp de vraag centraal of het nog langer
acceptabel is dat gedetineerden door de Staat in hun onderhoudskosten worden voorzien terwijl zij bovendien tijdens de
detentieperiode recht
blijven behouden op een socialezekerheidsuitkering.
Eind 1999 stelde de
toenmalige regering het onwenselijk te achten dat gedetineerden een
socialezekerheidsuitkering blijven ontvangen terwijl in hun levensonderhoud al wordt
voorzien door de Staat. Er moest op dit punt een gelijke behandeling
worden nagestreefd tussen werkenden en niet-werkenden: de werkende
verliest tijdens detentie zijn inkomen uit werk, de
uitkeringsgerechtigde zijn uitkering. Deze stellingname resulteerde uiteindelijk in de
Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg, Wet van 22 december
1999, Stb. 1999, 595), die op 1 mei 2000 in werking is getreden.
In het vervolg van dit
hoofdstuk wordt in paragraaf 1.2 vanuit de historische context uitleg gegeven
waarom de regering er in 1999 toe besloot om de AOW
buiten de reikwijdte van de Wsg te houden. Daarna laat
paragraaf 1.3 zien langs
welke lijn de regering tot de conclusie komt dat er in het huidige
tijdsgewricht geen draagvlak meer voor is om gedetineerden hun AOW-uitkering te laten
behouden. In paragraaf 1.4 wordt ingegaan op de gevolgen van
het stopzetten van de AOW-uitkering tijdens detentie indien de
gedetineerde gehuwd is dan wel samenwoont. Paragraaf 1.5 beziet de mogelijke
internationaalrechtelijke gevolgen van het
wetsvoorstel, terwijl in
paragraaf 1.6 de bevindingen van de SVB ten aanzien van de
uitvoerbaarheid en van de IWI [Inspectie Werk en
Inkomen, red.] ten aanzien van de toezichtbaarheid worden
belicht. In paragraaf
1.7 ten slotte wordt een schatting gegeven van de budgettaire
gevolgen van het wetsvoorstel gedurende de jaren 2009 tot en met 2013.
1.2. Historische context
In de aanloopfase van de
Wsg heeft de toenmalige regering de Raad van State om een preadvies
gevraagd over de reikwijdte van de regeling. De regering heeft de Raad van
State destijds de voorkeur voorgelegd om een beperkende regeling alleen
te betrekken op inkomensdervingsregelingen in engere zin en (ouderdoms)pensioenen
om politieke redenen daarvan uit te sluiten.
De Raad stelde zich naar
aanleiding van dit verzoek op het standpunt "dat de AOW
ook in zijn
benadering op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. De AOW is een algemene
voorziening bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, die
geldt ongeacht de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. De Raad
ziet daarin aanleiding het uitsluiten van perioden van detentie als
verzekerbaar risico buiten beschouwing te laten."
In lijn met het preadvies
van de Raad van State is in de memorie van toelichting
bij de Wsg
aangegeven waarom de AOW buiten de reikwijdte van de
Wsg
is gehouden. De
AOW is, aldus de toelichting, een volksverzekering, waarbij
het inkomensdervingsprincipe geen, respectievelijk een beperkte rol speelt.
Omdat de Wsg ziet op inkomensdervingsregelingen in engere zin, worden (ouderdoms)pensioenen
daarin niet betrokken. Bij het
verstrekken van AOW wordt geen onderscheid gemaakt tussen werkenden en
niet-werkenden en het inkomen heeft geen invloed op de hoogte van de
AOW-uitkering.
rblz.|3|
1.3. Stopzetten van de
AOW-uitkering tijdens detentie
De regering is van
mening
dat er in Nederland feitelijk geen draagvlak meer is om AOW-gerechtigde
gedetineerden hun uitkering te laten behouden, terwijl van degenen die rechtens hun vrijheid is ontnomen en
een willekeurig andere socialezekerheidsuitkering ontvangen, deze uitkering gedurende de
detentieperiode wordt stopgezet. Zij stelt zich op het standpunt AOW-gerechtigden
tijdens hun detentie op gelijke wijze te behandelen als andere
gedetineerden met een uitkering, door ook ten aanzien van deze groep de
uitkering in die periode stop te zetten. Aldus wordt bereikt dat ook voor
de AOW-er in detentie de dubbele bijdrage van de overheid aan de
collectieve middelen wordt beëindigd. De overheid blijft weliswaar gedurende
de periode van gevangenhouding de kosten financieren die
verbonden zijn aan kost en inwoning, maar er zal in die periode geen recht
meer bestaan op AOW-uitkering.
De doelstelling van de Wsg
is om de ongelijke behandeling tussen werkenden en
uitkeringsgerechtigden (de niet-werkenden) te beëindigen wanneer men rechtens van
zijn vrijheid is beroofd. Om dat uitgangspunt duidelijk vorm te geven, lag
het voor de hand de Wsg te beperken tot loondervingsuitkeringen in
engere zin. Dat was destijds de reden waarom de AOW buiten de Wsg
werd
gehouden: de AOW is immers geen loondervingsregeling in engere zijn. Nu acht de
regering het van belang om ook ten aanzien van
gedetineerde AOW-gerechtigden invulling te geven aan het voorkomen van
dubbele betaling gedurende de periode van detentie. Het standpunt,
zoals het kabinet dat destijds innam, sluit geenszins uit dat het evenzeer voor
gedetineerde AOW-gerechtigden onwenselijk wordt geoordeeld om de
uitbetaling van de uitkering voort te zetten terwijl zij gedurende die
periode al door de Staat in hun levensonderhoud worden voorzien.
Het voorstel van de regering
ziet ook op de AOW-gerechtigde die in het buitenland is gedetineerd.
Immers, ook tijdens detentie in het buitenland is er sprake van dubbele
betaling. Het is van ondergeschikt belang dat het in dat geval de buitenlandse
staat is die opdraait voor de kosten die verbonden zijn aan kost en inwoning. Waar het om gaat
is dat ook hier de
AOW-gerechtigde gedetineerde
deze kosten niet voor zijn rekening behoeft te nemen. Daardoor
kan ook tijdens detentie in het buitenland met behulp van een uit
collectieve middelen gefinancierde uitkering vermogen worden opgebouwd,
waar dit buiten detentie niet tot de mogelijkheden behoort.
Bovendien biedt de
Nederlandse staat consulaire bijstand aan Nederlanders die in het buitenland in de
gevangenis verblijven.
1.4. Invloed van detentie op
de leefsituatie
De gedetineerde die naar
burgerlijk recht is gehuwd of die op grond van registratie wordt aangemerkt
een gezamenlijke huishouding te voeren, zal in de regel ook tijdens
detentie voor de AOW als een gehuwde blijven aangemerkt.
Dit betekent in de praktijk
dat van de AOW-gerechtigde gedetineerde met een partner die jonger is
dan 65 jaar niet alleen de uitkering zal worden stopgezet, maar dat ten
behoeve van zijn jongere partner ook geen AOW-toeslag meer zal worden
verstrekt. Dit laatste kan ertoe leiden dat die partner een beroep zal moeten doen op algemene en/of bijzondere
bijstand ingevolge de Wet
werk en bijstand (Wwb). Omdat de AOW-uitkering een geïndividualiseerd
recht is, ziet de regering geen aanleiding om een deel van de
AOW-uitkering (de toeslag) uit te betalen aan die jongere partner. Een
gelijkluidend standpunt huldigde de toenmalige regering bij de introductie
in 2000 van de Wsg.
Is de niet-gedetineerde
partner zelf ook AOW-gerechtigd, dan behoudt rblz.|4|
deze uiteraard zijn of haar
uitkering gedurende de detentieperiode van de eveneens pensioengerechtigde
echtgenoot. Ook in dit geval kan de niet-gedetineerde door financiële
omstandigheden gedwongen worden een beroep te moeten doen op de Wwb, en wel
zodanig dat haar pensioen
ter hoogte van 50% van het nettominimumloon wordt aangevuld tot het
sociaal minimum voor een
alleenstaande (70% van het nettominimumloon). Daarvoor moet echter aan
diverse (extra) voorwaarden worden voldaan (een inkomens-
respectievelijk vermogenstoets). Daarnaast kunnen mensen een beroep
doen op de bijzondere bijstand. Het is aan gemeenten om te beoordelen
of de niet-gedetineerde partner recht heeft op extra ondersteuning.
Wanneer de niet-gedetineerde
partner tijdens de detentieperiode voor de AOW als ongehuwd wordt
aangemerkt, ontvangt de partner een pensioen ter hoogte van 70% van het minimumloon. Alleen bij duurzaam gescheiden leven wordt men als ongehuwd
aangemerkt. Zo’n situatie kan alleen ontstaan bij gehuwden van
wie beiden of één van beiden de echtelijke samenleving wil(len)
verbreken omdat een situatie is ingetreden waarbij ieder afzonderlijk zijn
eigen leven leidt als ware men niet met die ander gehuwd. Voorwaarde daarbij
is wel dat een dergelijke toestand moet voortvloeien uit de wil van
één van beide of van beide partners (RSV 1960, nr. 67).
Degenen die naar burgerlijk
recht niet gehuwd zijn of niet op grond van registratie worden
aangemerkt als een gezamenlijke huishouding, worden ingevolge de AOW
(artikel 1,
derde lid, onderdeel a) desondanks als gehuwd aangemerkt wanneer
zij een gezamenlijke huishouding voeren. Indien er sprake is van
detentie, neemt de SVB
in de meeste gevallen aan dat er sprake is van
verblijf op verschillende adressen van tijdelijke aard. Het uitvoeringsorgaan
hanteert daarvoor evenwel een maximale termijn van zes maanden. Indien die
termijn wordt overschreden, zal het pensioen van de partner worden
herzien naar een pensioen voor een ongehuwde.
1.5. Internationaal
Internationaalrechtelijk
zijn er geen bezwaren tegen het stopzetten van een ouderdomspensioen
tijdens detentie. Zo bepalen onder meer het Verdrag van de internationale Arbeidsorganisatie betreffende uitkeringen
bij invaliditeit, ouderdom
en aan nabestaanden (ILO 128) en de Europese Code van de Raad van Europa
dat het recht op een ouderdomspensioen geschorst kan worden zolang
het onderhoud van de belanghebbende ten laste van de overheid komt.
Dit laatste is in Nederland bij detentie het geval.
Op grond van het Europees
verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) heeft iedereen recht op het ongestoord genot van
zijn eigendom.¹ In het algemeen geldt dat een recht op een socialeverzekeringsuitkering een vorm van eigendom vormt. Inbreuk op een bestaand
uitkeringsrecht is mogelijk bij wet. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat er een
evenwichtige afweging plaats vindt tussen de gemeenschapsbelangen en
de vereisten die voortvloeien uit het ingeroepen fundamentele recht en dat er
een redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen
middelen en het beoogde doel. In de voorgestelde wetswijziging wordt
één en
ander tot uitdrukking gebracht in een overgangstermijn van zes
maanden voor AOW-gerechtigden die op het moment van inwerkingtreding
van het wetsvoorstel gedetineerd zijn. De Centrale Raad van Beroep
(CRvB) heeft aangegeven een dergelijke termijn in overeenstemming te achten
met artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM (overweging 3.4.2.12 van de
uitspraak van de CRvB van 18 juni 2004; LJN AP4680).
1. Artikel 1 van Protocol nr.
1 bij het EVRM.
rblz.|5|
1.6. Uitvoering en
handhaving
SVB
De SVB
acht het wetsvoorstel
goed uitvoerbaar, aangezien het ministerie van Justitie het
uitvoeringsorgaan ook nu al de personen meldt die zijn opgenomen in een justitiële
inrichting. Uit die aangeleverde bestanden kan de SVB naast de Anw- en Wwb-gerechtigden ook
AOW-gerechtigden selecteren.
Om de overgangsregeling (artikel 64 van de
AOW) te kunnen uitvoeren, stelt het uitvoeringsorgaan
wel als voorwaarde dat het ministerie van Justitie ook gegevens aanlevert over de personen die (mogelijk) onder die
regeling vallen.
Tot slot merkt de SVB op
dat invoering van het wetsvoorstel in 2008 haalbaar is, maar dat wel rekening
moet worden gehouden met een implementatieperiode van ten minste drie maanden,
te rekenen vanaf de datum waarop het wetsvoorstel door
de Eerste Kamer is aanvaard.
De SVB heeft zich in haar
reactie niet uitsluitend beziggehouden met de vraag of het wetsvoorstel al
dan niet uitvoerbaar is. Ook heeft zij enkele juridische kanttekeningen
geplaatst bij het wetsvoorstel. Naar aanleiding daarvan is de memorie van
toelichting - waar nodig - op enkele punten aangevuld.
IWI
De Inspectie Werk en Inkomen
heeft het wetsvoorstel beoordeeld op toezichtbaarheid en voorziet
geen problemen bij het toezicht op de uitvoering van de AOW.
1.7. Financiële aspecten
De SVB
schat dat thans
ongeveer 120 AOW-gerechtigden onder de wetswijziging vallen. Bij de berekening
van de budgettaire gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel is
bij de verdeling van de groep gedetineerde AOW-ers naar
alleenstaanden en gehuwden rekening gehouden met de verhouding die bestaat in de
gehele populatie AOW-ers. Ook voor het bepalen van het aantal
gehuwde partners jonger dan 65 en het aantal personen met een gekorte AOW
is uitgegaan van de verdeling in de gehele AOW-bevolking. Als
uitgangspunt voor de ontwikkeling van het volume gedetineerde AOW-ers
is de ontwikkeling van de gehele AOW-populatie aangehouden.
Uitgaande van het
inwerkingtreden van het onderhavig wetsvoorstel medio 2008, inclusief de
implementatieperiode van de SVB en rekening houdend met een overgangsrecht voor zittende gedetineerden van zes
maanden, zullen de
besparingen in 2008 naar verwachting nihil zijn. Daarna zal de besparing in
uitkeringslasten voor de AOW oplopen van €|1,25 miljoen in 2009
naar ongeveer €|1,5 miljoen in 2013. De genoemde bedragen zijn inclusief
tegemoetkoming en partnertoeslag. Er ontstaat door het afschaffen van de
toeslag voor partners jonger dan 65 mogelijk een verhoogd beroep op de
bijstand van de partners van de gedetineerde AOW-gerechtigden. Aangezien
het om een kleine groep gaat, is dit effect naar verwachting marginaal
en daarom niet in de berekening meegenomen.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
| AOW
uitkeringslasten x €|1000 |
–1250 |
–1300 |
–1350 |
–1400 |
–1500 |
De extra uitvoeringskosten
die met deze regeling gepaard gaan, zijn nagenoeg nihil en de gevolgen voor de
administratieve lasten zeer beperkt. Met betrekking tot de
handhaving wordt voor de uitvoering van de Wsg rblz.|6|
voor gedetineerden in
Nederlandse gevangenissen gebruik gemaakt van uitwisseling met Justitie.
Ten aanzien van gedetineerden in het buitenland bestaat deze controle niet,
waardoor mogelijk een handhavingsrisico ontstaat.
Hoofdstuk
II. Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
2.1. Inleiding
De problematiek zoals die
hiervoor beschreven is ten aanzien van ontvangers van AOW
die zich in detentie
bevinden, kan zich ook voordoen op het terrein van de studiefinanciering en de tegemoetkoming in de schoolkosten
voor meerderjarige
scholieren.
Weliswaar betreft het hier
een kleine groep personen, in 2007 betrof het ongeveer 70 à 80 personen,
de regering hecht eraan ook hier zoveel mogelijk te voorkomen dat
dubbele voorzieningen worden verstrekt.
Bij deze twee voorzieningen
gaat het om de verstrekking van een hogere ondersteuning aan
studerenden en scholieren die uitwonend zijn.
2.2. Wet studiefinanciering
2000
Een ieder die aan de eisen
voldoet die de Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000) stelt, komt in
aanmerking voor studiefinanciering. Wanneer iemand niet op het adres van
(één van) zijn ouders woont, komt hij in aanmerking voor de (ongeveer
€|175,- per maand) hogere beurs voor uitwonenden. Gedetineerden
komen, als zij aan genoemde eisen voldoen, nu dus in aanmerking voor
studiefinanciering voor uitwonende studerenden.
De regering hecht er sterk
aan dat gedetineerden de mogelijkheid hebben opleidingen te volgen. Het
verbeteren van hun eigen (arbeidsmarkt)positie is een goede en wenselijke
ontwikkeling en zou niet zodanig beperkt moeten worden dat
opleidingen die recht op studiefinanciering geven daar per definitie buiten
vallen.
In de discussie met de
Tweede Kamer tijdens het vragenuur van 6 februari 2007 over de verstrekking
van studiefinanciering tijdens detentie, naar aanleiding van een publicatie over een gedetineerde met studiefinanciering
voor een uitwonende, is
geconcludeerd dat niet zozeer het feit dat een gedetineerde
studiefinanciering kan krijgen ongewenst wordt bevonden, maar wel dat zij
studiefinanciering voor uitwonenden kunnen krijgen. Kosten voor het
verblijf van de gedetineerde worden tenslotte al door de overheid betaald.
Met het onderhavige voorstel
wordt de wetgeving zodanig gewijzigd dat personen die langer dan één
maand gedetineerd zijn geen aanspraak meer hebben op de verhoogde
tegemoetkoming die aan uitwonende studerenden wordt verstrekt.
Kunnen gedetineerden
eigenlijk wel deelnemen aan het onderwijs?
Er zijn enkele opleidingen
in het hoger onderwijs die voltijd als afstandsonderwijs worden aangeboden. Veruit
het meeste afstandsonderwijs is overigens deeltijd onderwijs
of niet geaccrediteerd waardoor er geen recht op studiefinanciering
bestaat.
rblz.|7|
2.3. MBO-BOL en
voortgezet
onderwijs (WTOS)
In de beroepsopleidende
leerweg van het middelbaar beroepsonderwijs (MBO-BOL) is het volgen van
afstandsonderwijs praktisch niet denkbaar, gelet op het feit dat er
sprake moet zijn van ten minste 850 uren in instellingstijd verzorgd
onderwijs per jaar.
Ook in het voortgezet
onderwijs kunnen leerlingen van 18 jaar of ouder op grond van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) een basistoelage
krijgen. Ook daarvoor geldt dat als de leerling niet bij één van zijn ouders
woont, hij een hogere toelage krijgt. Ook in het voortgezet onderwijs maakt
de urennorm dat sprake is van een voornamelijk theoretische mogelijkheid.
Om misverstanden te
voorkomen, wordt in dit voorstel voor het hoger onderwijs, het
beroepsonderwijs en het voortgezet onderwijs een gelijke aanpak voorgesteld
met
betrekking tot de aanspraak van gedetineerden op een tegemoetkoming in de
kosten voor "uitwonendheid" op grond van de WSF
2000 of de WTOS. Waar
in het hiernavolgende gesproken wordt over de WSF 2000 en
studerenden, dient dan ook tevens gelezen te worden: de WTOS en
scholieren en deelnemers VAVO, als bedoeld in hoofdstuk 4 van de WTOS.
2.4. Uitvoering en
handhaving
Studerenden dienen alle
wijzigingen in hun situatie die relevant zijn voor de aanspraak op studiefinanciering
zelf door te geven aan de IB-groep. Dit is reeds bepaald
in artikel
9.2 van de WSF
2000 en in artikel 9.2 van de WTOS. Na onderhavige
wijziging van de WSF
2000 en de WTOS
geldt dit dus ook voor de situatie
waarin zij langer dan één maand gedetineerd zijn. De IB-groep zal, in
samenwerking met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), controles verrichten
om erop toe te zien dat personen die langer dan één maand gedetineerd zijn
geen studiefinanciering voor uitwonenden ontvangen. "Eén maand"
betekent hier, overeenkomstig artikel 88 van het Wetboek
van Strafrecht, een
periode van 30 dagen. De DJI informeert de IB-groep periodiek over
nieuwe gedetineerden die gedurende een periode van ten minste één maand
gedetineerd zijn. De IB-groep kan aan de hand daarvan controleren of deze
personen niet ten onrechte studiefinanciering voor uitwonenden ontvangen.
Om te controleren of gedetineerden niet tijdens hun detentie
studiefinanciering voor uitwonenden aanvragen, zal regelmatig een steekproef
worden getrokken van de detentiepopulatie tussen de 18 en 34 jaar en
vergeleken worden met de WSF2000/WTOS-bestanden van de IB-groep.
De gegevensverstrekking door
de DJI zal plaatsvinden op grond van de (bestaande) artikelen 9.6
van de WSF
2000 en 9.5 van de WTOS
juncto artikel 16 van het Besluit
studiefinanciering 2000 en artikel 4 van het Besluit
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Een concept van dit
wetsvoorstel is aan de IB-groep en aan de DJI voorgelegd. Zij achten het voorstel
uitvoerbaar.
2.5. Administratieve lasten
Zoals aangegeven, zullen
personen met studiefinanciering voor een uitwonende studerende die langer dan
één maand gedetineerd zijn de IB-Groep in kennis moeten stellen van
de wijziging van hun woonsituatie. Ook als zij na invrijheidstelling
weer studiefinanciering voor een uitwonende studerende willen ontvangen,
zullen zij de wijziging in hun woonsituatie moeten doorgeven. Gelet op
de kleine aantallen personen die het hier betreft, is geen sprake van
een significante verhoging van de administratieve lasten van burgers. In
totaal is sprake van een verhoging van de rblz.|8|
administratieve lasten van
ongeveer 75 uur voor alle burgers die het betreft tezamen.
Een concept van het voorstel
is aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) voorgelegd.
Actal heeft laten weten geen advies uit te brengen op het voorstel.
2.6. Financiële gevolgen
De kosten hangen samen met
de controles op de naleving. De kosten hiervan bedragen jaarlijks
€|50 000,-. Daartegenover staan opbrengsten door de lagere kosten aan
studiefinanciering (aan de gedetineerden wordt immers een lagere beurs
verstrekt). Het gaat hierbij om ongeveer 70 à 80 gedetineerden per jaar. Per
saldo levert deze operatie een klein batig saldo op. Eén en ander kan dus
worden opgevangen binnen de OCW-begroting.
Artikelsgewijs
Artikel 1,
onderdeel A (artikel 1 AOW)
Aan
artikel 1, eerste lid,
worden twee onderdelen toegevoegd. In het nieuwe onderdeel e is de
definitie van "rechtens zijn vrijheid is ontnomen" opgenomen. Van
"rechtens zijn vrijheid ontnomen zijn" is sprake indien de
vrijheidsontneming op rechtmatige wijze, dat wil zeggen met inachtneming van de
daarop betrekking hebbende bepalingen van het Wetboek
van Strafrecht en het Wetboek
van Strafvordering heeft plaatsgevonden. Onder "rechtens zijn vrijheid ontnomen
zijn" valt niet alleen gevangenisstraf, maar
ook andere vormen van detentie vallen hieronder. Hierbij kan worden gedacht
aan gijzeling op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, gijzeling wegens
niet-nakoming van wettelijke
verplichtingen (zoals niet-betaling van alimentatie), vreemdelingenbewaring en
andere vormen van vrijheidsbeneming op grond van de Vreemdelingenwet
2000 en faillissementsbewaring. Ook voorlopige hechtenis en
terbeschikkingstelling (TBS) zijn vrijheidsbenemende maatregelen en vallen daarom
onder het begrip "rechtens zijn vrijheid ontnomen zijn". Een
uitzondering wordt gemaakt voor gedwongen opname op grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en artikel 37,
eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht. Dit komt overeen met hetgeen is
geregeld in het kader van de onder de reikwijdte van de Wsg
vallende wetten.
In de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstukken II
1997-1998, 26 063, nr. 3) is toegelicht waarom deze uitzondering is opgenomen:
in de eerste plaats wordt bij een gedwongen opname in een psychiatrisch
ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen of met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht een eigen bijdrage verlangd. De situatie dat een
uitkering wordt ontvangen terwijl door de Staat in de kosten van het
levensonderhoud wordt voorzien, doet zich hier dus niet voor, althans niet bij een
langdurige opname, zodat uitsluiten van het recht op een uitkering niet
is gerechtvaardigd. Bovendien betreft het personen die hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend,
terwijl de aard van de
geestesstoornis wel zodanig is dat gedwongen opname nodig is. In het
nieuw toe te voegen onderdeel f wordt een definitie opgenomen voor
"justitiële inrichting". Hieronder wordt in het kader van de AOW
een penitentiaire
inrichting of een inrichting voor verpleging van TBS-ers verstaan. De in
het onderhavige wetsvoorstel gekozen definitie van "justitiële
inrichting" wijkt af van de definitie daarvoor in andere socialeverzekeringswetten.
Omdat het recht op een ouderdomspensioen ontstaat vanaf het moment
dat de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt, is een verwijzing in de definitie
van "justitiële inrichting" naar een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen namelijk overbodig.
rblz.|9|
Artikel I,
onderdeel B (artikel 8b
AOW)
In het eerste lid van het
nieuwe artikel 8b wordt bepaald dat geen recht op toekenning van een
ouderdomspensioen bestaat voor degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen
indien de dag waarop het ouderdomspensioen zou ingaan, is gelegen in de
periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
In het tweede lid van
artikel 8b wordt vervolgens bepaald dat het recht op ouderdomspensioen
eindigt
indien de pensioengerechtigde rechtens zijn vrijheid is ontnomen
gedurende ten minste één maand. De beëindiging van de uitkering vindt
voorts pas plaats na één maand detentie. In dit wetsvoorstel wordt onder
één
maand verstaan een tijd van 30 dagen zoals ook in artikel 88 van
het Wetboek van
Strafrecht tot uitdrukking is gebracht.
Pensioengerechtigden die na inwerkingtreding van deze wet gedetineerd zullen worden,
kunnen zich derhalve voorbereiden op de toekomstige beëindiging van
de uitkering.
Op grond van het derde lid
heeft de persoon die op grond van het eerste lid of tweede lid geen recht
op ouderdomspensioen heeft, vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze
wet (weer) recht op
ouderdomspensioen. Het vierde lid regelt vervolgens dat voor de bepaling of de
periode van detentie ten minste één maand heeft geduurd, de perioden
van vrijheidsontneming worden samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Hiermee wordt
voorkomen dat bij elke nieuwe periode van vrijheidsontneming de
uitkering pas na één maand kan worden beëindigd. Tevens wordt hiermee
geregeld dat er niet te veel beëindigingen en heropeningen plaatsvinden.
Tot slot bepaalt het vierde
lid dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn (met andere woorden wel
recht op ouderdomspensioen bestaat voor) op bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van personen wier vrijheid
rechtens is ontnomen, doch bij wie ten uitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
een vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt. Het Besluit extramurale
vrijheidsbeneming en sociale zekerheid zal met het oog hierop worden aangepast.
Artikel I,
onderdeel C (artikel 17, zesde lid,
AOW)
Om de verhouding tussen het
eindigen van het recht op ouderdomspensioen op grond van het nieuwe
artikel 8b en de intrekking van het ouderdomspensioen als gevolg daarvan door de
SVB op grond van artikel 17 expliciet te regelen, wordt
in artikel 17 een nieuw zesde lid ingevoegd waarin wordt bepaald dat de
intrekking van het ouderdomspensioen op grond van artikel 8b
ingaat
op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Artikel 8b, tweede lid, bepaalt
immers dat het recht op ouderdomspensioen na een vrijheidsontneming van
ten minste één maand eindigt.
Artikel I,
onderdeel D (artikel 64
AOW)
Met deze bepaling wordt
bereikt dat voor degenen die rechtens hun vrijheid is ontnomen op het moment
dat deze wet in werking treedt een beëindiging van een recht
op ouderdomspensioen eerst aan de orde kan zijn vanaf zes maanden na de
dag van inwerkingtreding van de artikelen van deze wet. Dit sluit aan
bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juni
2004 (LJN AP4680). De CRvB oordeelde in die uitspraak dat de
overgangstermijn van één maand voor personen die bij inwerkingtreding van de
Wsg al gedetineerd waren en toen dus ook al recht hadden op een
uitkering strijdig was met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees
verdrag tot bescherming van de rechten van de rblz.|10|
mens en de fundamentele
vrijheden. Een termijn van zes maanden zou naar het oordeel van de CRvB
wel in overeenstemming kunnen worden gebracht met artikel 1 van
het Eerste Protocol.
Artikel II, onderdeel
A (artikel 2.17
Wet
studiefinanciering 2000)
In het eerste lid van het
nieuwe artikel 2.17 wordt bepaald dat degene die voor ten minste één maand
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, na één maand in detentie te hebben
verkeerd nog slechts aanspraak heeft op studiefinanciering
voor een
thuiswonende studerende. Van "rechtens zijn vrijheid ontnomen zijn" is
sprake indien de vrijheidsontneming op rechtmatige wijze, dat wil zeggen met
inachtneming van de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Wetboek
van Strafrecht en het Wetboek
van Strafvordering, heeft
plaatsgevonden. Een uitzondering wordt gemaakt voor gedwongen opname op
grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht en de gevallen,
bedoeld in hoofdstuk VIa van de Wet
op de jeugdzorg. Voor zowel de
gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis als voor de
gedwongen opname in het kader van de jeugdzorg geldt dat een eigen bijdrage wordt verlangd. De situatie dat een uitkering
wordt ontvangen terwijl door
de Staat in de kosten van het levensonderhoud wordt voorzien, doet zich in
deze gevallen dus niet voor. Het eindigen van de aanspraak op
studiefinanciering voor uitwonenden vindt pas plaats na één maand
detentie. Overeenkomstig artikel 88 van het Wetboek
van Strafrecht betreft dit de personen die gedurende 30 dagen gedetineerd zijn geweest.
Een studerende die studiefinanciering voor uitwonenden ontvangt op het
moment dat hem, voor ten minste één maand, rechtens zijn
vrijheid wordt ontnomen, dient aan de IB-Groep door te geven dat zijn
woonsituatie is gewijzigd, van uitwonend in thuiswonend. Studiefinanciering wordt
toegekend per studiefinancieringstijdvak (artikel 3.19). Een
studiefinancieringstijdvak betreft ten minste één kalendermaand. De maand
volgend op de maand dat de studerende rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
heeft de studerende nog slechts aanspraak op studiefinanciering voor
een thuiswonende studerende. Voor studerenden die ten minste één maand
gedetineerd zijn en die in detentie studiefinanciering aanvragen, geldt dus dat zij vanaf het begin af aan
slechts aanspraak maken op
studiefinanciering voor een thuiswonende studerende. Vanaf de eerste
dag van de maand volgend op zijn invrijheidstelling heeft de studerende, indien
hij voldoet aan de overige verplichtingen uit de wet, weer aanspraak
op studiefinanciering voor een uitwonende studerende. Hij dient
hiertoe wel een wijziging van zijn woonsituatie en een aanvraag
voor studiefinanciering voor uitwonenden in te dienen.
Het tweede lid regelt
vervolgens dat voor de bepaling of de periode van detentie ten minste
één
maand heeft geduurd, de perioden van vrijheidsontneming worden
samengeteld indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen. Hiermee wordt voorkomen dat bij elke nieuwe periode van vrijheidsontneming de aanspraak op studiefinanciering
voor uitwonenden voor één
maand kan herleven. Tevens wordt hiermee geregeld dat
er niet te veel wijzigingen in de aanspraken plaatsvinden.
Tot slot bepaalt het derde
lid dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn (met andere woorden wel
aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden bestaat voor) op
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen
wier vrijheid rechtens is ontnomen, doch bij wie tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt. Voor deze personen worden immers geen kosten
voor onderdak gemaakt door de Staat. Deze groepen zullen worden
aangewezen in het Besluit
studiefinanciering 2000.
rblz.|11|
Daarin zal worden
aangesloten bij een wijziging van het Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.
Artikel II, onderdeel
B (artikel 12.1ca Wet
studiefinanciering 2000)
Met deze bepaling wordt
bereikt dat voor degenen die rechtens hun vrijheid is ontnomen op het moment
dat deze wet in werking treedt, een beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering
voor uitwonenden
eerst aan de orde kan zijn
vanaf zes maanden na de dag van inwerkingtreding van de artikelen van deze
wet. Hierdoor ontstaat er overgangsrecht zodat studerenden die reeds
rechtens hun vrijheid is ontnomen niet direct (onvoorbereid) met deze
nieuwe maatregel worden geconfronteerd. Tevens wordt hiermee
aangesloten bij een uitspraak van de CRvB van 18 juni 2004
(LJN AP4680).
De CRvB oordeelde in die uitspraak, op een ander terrein maar wel
vergelijkbaar, dat de overgangstermijn van één maand voor personen die bij
inwerkingtreding van de Wsg al gedetineerd
waren en toen dus ook al recht hadden op een
uitkering strijdig was met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden. Een termijn van zes maanden zou naar het oordeel van de CRvB
wel in overeenstemming kunnen worden gebracht met artikel 1 van
het Eerste Protocol.
Artikel III, onderdeel
A (artikel 2.22a Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
Hetgeen in de
artikelsgewijze toelichting onder artikel II, onderdeel
A, is opgenomen, geldt ook voor
scholieren en deelnemers VAVO als bedoeld in hoofdstuk 4 van de WTOS. Het
betreft scholieren en deelnemers VAVO van 18 jaar of ouder; voor deze
categorie is de hoogte van de basistoelage ingevolge artikel 4.3
afhankelijk van het uitwonend dan wel thuiswonend zijn van de leerling. Voor
de leerlingen, bedoeld in hoofdstuk 3 van de WTOS
(jonger dan 18 jaar,
over het algemeen thuiswonend), of de leerlingen/studenten, bedoeld
in hoofdstuk 5 van de WTOS
(deeltijd scholieren of deelnemers VAVO/studenten
aan een lerarenopleiding), is een dergelijk onderscheid voor
de hoogte van de tegemoetkoming niet van belang. Met betrekking tot
het derde lid zal de toepasselijke algemene maatregel van bestuur het Besluit
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zijn.
Artikel III,
onderdeel
B (artikel 12.4
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
Hetgeen in de
artikelsgewijze toelichting onder artikel II, onderdeel
B, is opgenomen, geldt ook voor
scholieren en deelnemers VAVO als bedoeld in hoofdstuk 4 van de WTOS.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid tekent deze memorie van toelichting mede
namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb