Bij
de behandeling van het Belastingplan 2006 in de Tweede Kamer is een amendement aanvaard dat erop
was gericht mantelzorgers een fiscale korting toe te kennen. Met
behulp van deze korting wensten de indieners van het amendement de
maatschappelijke waardering voor de inzet van mantelzorgers uit te
spreken. Mantelzorgers konden voor een fiscale korting in aanmerking komen
wanneer zij meer dan acht uur per week en gedurende meer dan zes maanden
mantelzorg aan iemand verleenden. Bovendien moest er sprake
zijn van een aantoonbare besparing voor de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) ten gevolge van deze inzet van mantelzorgers. De
korting zou €|250,- bedragen. Voor de rijksbelastingdienst bleek het niet mogelijk dit
amendement uit te voeren. Dit was het gevolg van het feit dat de
rijksbelastingdienst niet achteraf zou kunnen vaststellen of de
mantelzorger daadwerkelijk aan de gestelde voorwaarden voor het ontvangen van een
korting heeft voldaan (rechtmatigheid). Bovendien betalen niet alle
mantelzorgers zodanig veel belasting dat er sprake kan zijn van
een korting.
In overleg met de indieners
van het amendement zijn toen de mogelijkheden bezien van het verstrekken
door gemeenten van een uitkering van €|250,-. Deze uitkering zou
door gemeenten kunnen worden verstrekt op grond van artikel 21 van de
Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Ook deze weg bleek niet goed
mogelijk te zijn omdat de administratieve lasten voor de gemeenten te
zwaar zouden zijn. Het verstrekken van een uitkering van €|250,- en de
aan het verstrekken verbonden kosten zouden niet in verhouding tot
elkaar staan.
Tegen deze achtergrond heeft
de toenmalige regering op 2 februari 2007 besloten een landelijke
regeling op te stellen voor het waarderen van mantelzorgers.
De belangrijkste overweging
om in de Wmo de wettelijke basis voor die landelijke regeling op te
nemen en niet in de AWBZ, is dat het in onderhavig
wetsvoorstel gaat om de
mantelzorgers (de waardering daarvan) en niet om de zorgvragers. Het
proces van indicatiestelling in het kader van de AWBZ is vooral van belang
om langs objectieve weg vast te kunnen rblz.|2|
stellen of er sprake is van
mantelzorg bij een langdurige zorgvraag. Het is dan ook niet uitgesloten dat
in de toekomst de groep mantelzorgers die voor een uitkering in
aanmerking komen, wordt uitgebreid; met name kan worden gedacht aan
mantelzorgers die zorg verlenen op terreinen die onder de Wmo vallen
(bijvoorbeeld zorg aan mensen met beperking). Voor zo’n uitbreiding is
echter vereist dat op tamelijk eenvoudige wijze kan worden vastgesteld dat
ook werkelijk mantelzorg wordt verleend. Het voornemen bestaat de
uitvoering van deze regeling onder de verantwoordelijkheid van de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport door de Sociale
verzekeringsbank (SVB) te laten doen.
2.
Juridische context
De Wmo legt de
verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van mantelzorgers bij de gemeenten.
De wet
kent een apart "prestatieveld" voor mantelzorg en vrijwillige
inzet. Gemeenten zijn gehouden voorzieningen in het leven te roepen of te
handhaven die erop zijn gericht mantelzorgers bij hun zorgactiviteiten
voor een naaste te ondersteunen. Het langs financiële weg uitspreken van
maatschappelijke waardering van mantelzorgers past binnen deze opdracht
voor de gemeenten. Zoals uit het voorgaande blijkt, is er evenwel niet
voor gekozen gemeenten te belasten met het toekennen van een dergelijke
uitkering, maar om die opdracht uit hoofde van de Wmo bij de Minister
van VWS te laten. Om de minister de bevoegdheid te geven
individuele mantelzorgers de uitkering van maximaal €|250,- toe te kennen, dient
de Wmo te worden aangepast. Hiertoe is in de wet een nieuw artikel
19a opgenomen dat de minister deze bevoegdheid geeft. In een ministeriële
regeling zal nader invulling worden gegeven aan de hoogte van de
uitkering en de wijze waarop die moet worden aangevraagd, de
criteria om ervoor in aanmerking te komen alsook over de betaling
ervan.
3.
Uitgangspunten voor de
waardering van mantelzorgers
In de brief over dit
onderwerp aan de Tweede Kamer van 5 februari 2007 (Kamerstukken II 2006-2007, 30
800, XVI, nr. 128) wordt een aantal uitgangspunten geformuleerd voor waardering
van mantelzorgers. Deze uitgangspunten zullen nader worden
opgenomen in hierboven bedoelde ministeriële regeling. Deze uitgangspunten zijn:
- De zorgvrager noemt de
mantelzorger die hij of zij in aanmerking wenst te laten komen voor
een uitkering van maximaal €|250,-.
- Een mantelzorger kan in
aanmerking komen voor een uitkering wanneer hij of zij iemand
verzorgt die beschikt over een (her)indicatie - afgegeven na 1 april
2007 - voor extramurale AWBZ-zorg met een geldigheidsduur van
ten minste zes maanden. Er is gekozen voor 1 april 2007 omdat het Centrum
indicatiestelling zorg (CIZ) vanaf die datum bij de indicatiestelling de
inzet van de mantelzorger in kaart brengt. Dit gegeven is noodzakelijk om
te kunnen vaststellen welke zorgvrager voldoet aan de criteria om
voor een uitkering in aanmerking te kunnen komen. Ook door de bureaus
jeugdzorg worden indicaties in het kader van de AWBZ afgegeven. Het betreft met name jeugdigen met een
psychiatrische problematiek.
De mantelzorgers van deze zorgvragers komen ook in aanmerking voor
een uitkering van €|250,-. In de ministeriële regeling zal
één en ander
verder worden uitgewerkt. Op deze wijze wordt aangesloten bij
bovenbedoeld amendement. In dat amendement komt een mantelzorger in
aanmerking voor een financiële waardering als er door de
(langdurige) mantelzorg sprake is van een aantoonbare besparing op de professionele zorg; dat kan worden
aangetoond door middel van
de door het CIZ af te geven indicatie.
- De uitkeringen worden
uitbetaald op de Dag van de Mantelzorg (10 november) of op een
nabij die dag gelegen tijdstip.
rblz.|3|
- Er is sprake van een
uitkering van maximaal €|250,-. De aanvragen voor het lopende jaar
(bijvoorbeeld 2008) dienen vóór 1 oktober bij de SVB te worden ingediend.
Mocht
blijken dat het aantal aanvragen te groot is om een bedrag van €|250,-
uit te keren, dan kan dit bedrag op dat moment neerwaarts worden
bijgesteld.
- Per zorgvrager kan
hoogstens eenmaal per jaar en voor één mantelzorger een uitkering van (ten
hoogste) €|250,- worden verstrekt.
- Indien de indicatie voor
meerdere jaren is afgegeven, kan voor de duur van deze indicatie
jaarlijks een uitkering aan de mantelzorger worden verstrekt.
- De uitkering wordt niet
gezien als inkomen zodat hij wordt vrijgelaten voor de loon- en
inkomstenbelasting.
4.
Uitvoering van de regeling
Volgens artikel
19a van de Wmo kan de Minister van VWS aan mantelzorgers
een uitkering verstrekken.
Volgens het derde lid van artikel 19a
kan de minister die bevoegdheid
delegeren aan een ander bestuursorgaan. Op het moment van het versturen
van de voornoemde brief van 5 februari 2007 aan de Tweede Kamer was nog niet bekend of de minister de
bevoegdheid zou delegeren, en
zo ja, aan welke organisatie. De minister heeft inmiddels besloten de
bevoegdheid te delegeren. Aangezien het toekennen en uitbetalen van
de uitkering van €|250,- gezien kan worden als een publieke taak, ligt het
niet in de rede om deze taak op te dragen aan een private organisatie. Het
ministerie van VWS mist echter de infrastructuur om de uitkering te
verstrekken. Daarom is besloten aan te haken aan een bestaande ZBO
[zelfstandig bestuursorgaan, red.] die wel
over die infrastructuur beschikt.
Voor de uitvoering zijn vier
organisaties gevraagd een offerte in te dienen. Deze offertes zijn
beoordeeld aan de hand van een aantal criteria (duidelijkheid van het plan van aanpak, de
kwaliteit van de aanpak, de prijs, de tijdigheid van de indiening
van de offerte, etc.). Op basis van deze criteria is gekozen voor de SVB
en
niet voor bijvoorbeeld het centraal administratiekantoor (CAK) als uitvoerder van de
regeling.
Om de taak te kunnen
uitvoeren, dient de SVB te beschikken over enkele noodzakelijke gegevens die
het CIZ heeft. Immers, het CIZ is belast met het afgeven van een
indicatie voor de zorg op grond van de AWBZ, ook
voor extramurale zorg. Bij
de bepaling van de indicatie wordt ook de geldigheidsduur van de
indicatie vastgesteld. Dat betekent dat het CIZ bekend is met de zorgvragers
die voldoen aan het hierboven genoemde criterium van zes maanden. Het
CIZ zendt de voor de uitbetalende organisatie (de SVB) noodzakelijke
gegevens van de zorgvrager (namelijk naam, adres, woonplaats (NAW),
nummer van de cliënt, besluitnummer, duur van de indicatie) naar de
uitbetalende organisatie. Ook de bureaus jeugdzorg zijn belast met het afgeven
van indicaties voor extramurale zorg in het kader van de AWBZ. Ook bij
indicaties door een bureau jeugdzorg dient de SVB te kunnen beschikken
over de hiervoor genoemde gegevens van de zorgvrager.
5.
Taak van de SVB
De SVB
ontvangt de gegevens
van het CIZ die noodzakelijk zijn om de betaling aan de mantelzorger
te kunnen verrichten. Het gaat daarbij om de hierboven aangegeven
gegevens van de zorgvrager. De SVB stuurt de door het CIZ opgegeven
zorgvrager een aanvraagformulier voor de uitkering van €|250,-. De zorgvrager
overhandigt het formulier aan de mantelzorger die haar/hem verzorgt. Het
formulier wordt door zorgvrager en mantelzorger ondertekend en
voorzien van de benodigde gegevens van de mantelzorger (NAW,
geboortedatum, bank- of gironummer) door de mantelzorger geretourneerd.
Van deze activiteiten wordt een goede rblz.|4|
administratie en registratie
door de SVB bijgehouden. Eventuele bezwaarprocedures worden door de SVB
behandeld.
Over de mogelijkheid van het
maken van bezwaar merk ik nog het volgende op.
Uitgangspunt van de
ministeriële regeling zal zijn dat de zorgvrager bepaalt of, en zo ja, welke
mantelzorger in aanmerking komt voor een uitkering. Het is immers mogelijk dat meer personen aan die zorgvrager mantelzorg verlenen. De
zorgvrager speelt dus een centrale rol. De zorgvrager is dan ook belanghebbende.
Een mantelzorger is in beginsel geen belanghebbende, alhoewel er
omstandigheden denkbaar zijn dat hij dat wel is. De rechter zal daar
in voorkomende gevallen over oordelen.
6.
De administratieve lasten
voor de burger en bescherming persoonsgegevens.
Het beperken van de
administratieve lasten voor de burger is een belangrijke doelstelling van de
regering. Daarbij gaat het om de kosten die de burger moet maken (uitgedrukt in tijd en geld) om te voldoen aan de
informatieverplichtingen
voortvloeiend uit regelgeving van de overheid. Het gaat daarbij zowel om
het nakomen van verplichtingen als - zoals in dit geval - het uitoefenen
van rechten. Bij het uitwerken van de procedures die mantelzorgers in acht
moeten nemen om in aanmerking te kunnen komen voor de
uitkering van maximaal €|250,- is ervoor gezorgd dat de hiervoor bedoelde
lasten zo laag mogelijk zijn. In het gehele proces doen zich op twee momenten
administratieve lasten voor:
1. Het invullen en
ondertekenen door zorgvrager en mantelzorger van het aanvraagformulier en het
terugsturen van dit formulier door de mantelzorger. Waar mogelijk
worden de gegevens van de zorgvrager al voorbedrukt op het
formulier.
2. Het aanmelden van
wijzigingen in de gegevens van de mantelzorger/zorgvrager die optreden na
het indienen van het aanvraagformulier. Op deze wijze kan een correcte betaling worden gegarandeerd. Naar
de mening van de regering
gaat het om aanvaardbare administratieve lasten. Door de regering
worden de administratieve lasten geraamd op 62 913 uur. Administratieve
lasten kunnen ook tot uitdrukking komen in de moeite die mensen
hebben met het invullen van het formulier. Problemen met het invullen
worden tot een minimum beperkt omdat de door zorgvrager en
mantelzorger in te vullen gegevens zich beperken tot NAW-gegevens,
geboortedatum (mantelzorger) en bank- of gironummer (mantelzorger).
Desondanks kunnen er zich bij mantelzorgers vragen voordoen. Voor de beantwoording van deze vragen zal
bij het CIZ en bij de SVB een telefoonnummer beschikbaar zijn.
Administratieve lasten voor
de aanvrager kunnen ook worden uitgedrukt in geld. Om deze kosten tot
nihil of een absoluut minimum terug te brengen, zullen de portikosten voor het insturen van de aanvraag voor
rekening van het Rijk komen.
Aan het uitoefenen van de in
deze wet neergelegde taken is het verwerken van persoonsgegevens
onlosmakelijk verbonden. Zoals uit het voorgaande mag blijken, gaat het hierbij
om gegevens die geen betrekking hebben op de aard van de
zorgbehoefte van de geïndiceerde; ook hebben de gevraagde gegevens geen
betrekking op financieel economische omstandigheden van de
zorgvrager en de mantelzorger. De gevraagde gegevens zijn erop gericht
de uitvoerende organisaties in staat te stellen tot betaling van de €|250,-
te kunnen overgaan.
De SVB is op grond van
artikel 8, onderdeel c en e, van de Wet
bescherming persoonsgegevens bevoegd om
persoonsgegevens te verwerken. Voor het verstrekken van de voor
de SVB noodzakelijke gegevens door het CIZ rblz.|5|
en het bureau jeugdzorg is
in artikel 19b een uitdrukkelijke wettelijke
grondslag.
Volgens een begroting van
het CIZ bedragen de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden €|150
000,- incidenteel en €|50 000,- structureel. De kosten voor de
SVB worden
begroot op €|972 000,-. Aanvankelijk werden de uitvoeringskosten geraamd
op maximaal €|5 miljoen. Pas in de zomer 2007 ontstond een nauwkeuriger beeld van deze kosten. Het bedrag dat
niet nodig is voor de
uitvoeringskosten blijft beschikbaar voor het toekennen van uitkeringen
aan mantelzorgers.
In het advies van het
College bescherming persoonsgegevens van 31 mei jl. concludeert het
College
dat er noch voor het CIZ, noch voor de SVB een wettelijke grondslag bestaat
waarop zij de verwerking van het sofinummer in het kader van de
uitvoering van de Wmo zouden kunnen baseren. Naar aanleiding van dit
advies wordt opgemerkt dat inderdaad noch het CIZ, noch de SVB het
sofinummer van de zorgvrager of de mantelzorger zullen verwerken.
In het advies van 7 juni
2007 van Actal [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.]
worden twee punten naar voren gebracht:
1. Het wetsvoorstel betekent
dat de mantelzorger en zorgvrager samen circa 0,5 uur kwijt zijn om
een uitkering van maximaal €|250,- te ontvangen. Geadviseerd wordt
die toename van administratieve lasten voor deze doelgroep te
compenseren.
2. Opgemerkt wordt dat het
wetsvoorstel tot verwarring en irritaties en daardoor tot verzwaring van
lasten kan leiden, omdat gekozen is voor een beperkte selectie van
mantelzorgers die voor vergoeding in aanmerking komen. Die
beperkte selectie van mantelzorgers kan veel onduidelijkheid veroorzaken
voor de mantelzorgers die niet in aanmerking komen voor de vergoeding.
Die onduidelijkheden kunnen de komende jaren toenemen als
de criteria voor de uitkering zouden worden gewijzigd.
Over dit advies het
volgende:
ad 1. Het ligt in het
voornemen gevolg te geven aan het advies om de genoemde toename in
administratieve lasten elders op het terrein van het ministerie van VWS te
compenseren.
ad 2. Om redenen die in het
algemeen deel van deze toelichting zijn uiteengezet, is ervoor
gekozen om slechts een beperkt deel van de mantelzorgers voor een uitkering in
aanmerking te laten komen. Mocht bij de uitvoering blijken dat deze
beperkte selectie tot veel verwarring, irritatie of veel onduidelijkheden leidt,
dan zal daar in de komende jaren bij het formuleren van de criteria
vanzelfsprekend rekening mee worden gehouden.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Artikel 8 is een uitvloeisel
van de zogenaamde Koppelingswet, Wet van 26 maart 1998,
Stb. 1998, 203. Ook de onderhavige uitkering aan mantelzorgers dient in artikel 8 te worden
opgenomen.
Onderdeel B
Van de gelegenheid wordt
gebruik gemaakt een onjuiste verwijzing in het tweede lid van artikel 12 te
corrigeren. In het tweede lid van artikel 12
wordt namelijk verwezen naar
artikel 11, tweede lid, terwijl dit het vierde rblz.|6|
lid moet zijn. Eén en ander
volgt duidelijk uit de toelichting op artikel 12, tweede lid (zie Kamerstukken
II 2005-2006, 30 131, nr. 53).
Onderdelen C en D
Deze artikelen
[onderdelen, red.] betreft een
vernummering van de paragrafen.
Onderdeel E
Met de wijziging
in onderdeel E
worden de artikelen 19a en 19b
in de Wmo ingevoegd.
In het algemeen deel van
deze toelichting is op artikel 19a uitvoerig ingegaan.
Hier wordt dan ook volstaan
met te vermelden dat in het eerste lid van artikel
19a de bevoegdheid is geregeld van de Minister van VWS om aan mantelzorgers ter
waardering van hun werk een uitkering te verstrekken. Het derde lid maakt het
mogelijk dat de minister deze bevoegdheid delegeert aan een ander
bestuursorgaan. Zoals hierboven is aangegeven, is de minister voornemens de
bevoegdheid te delegeren aan de SVB.
Het tweede lid van artikel
19a van de Wmo bepaalt dat bij ministeriële
regeling regels gesteld
kunnen worden met betrekking tot het verstrekken van een uitkering. Voorts
bepaalt dit tweede lid dat in ieder geval regels worden gesteld met
betrekking tot het bedrag van de uitkering, de aanvraag van de uitkering,
de criteria die voor de verstrekking van de uitkering worden gesteld en
de betaling van de uitkering.
Het vierde lid betreft de
relatie tussen de Minister van VWS en het bestuursorgaan. Dit lid
bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld betreffende de
uitvoering door het bestuursorgaan, de vergoeding van de kosten voor de
uitvoering, de begroting van de uitgaven en kosten, de verantwoording van de
uitgaven door het bestuursorgaan, de inrichting van de administratie en het
verstrekken van inlichtingen door het bestuursorgaan aan Onze
Minister.
Zoals in het algemeen deel
is vermeld, dient de SVB om de uitkering aan mantelzorgers te kunnen
verstrekken, te beschikken over bepaalde gegevens van de zorgvrager die het
CIZ en een bureau jeugdzorg kunnen geven. Het gaat hier om de
naam, adres, woonplaats (NAW), nummer van de cliënt, besluitnummer en
duur van de indicatie. Artikel 19b geeft het
CIZ en een bureau jeugdzorg
een wettelijke basis om de persoonsgegevens te verstrekken die voor de
SVB noodzakelijk zijn om artikel 19a
uit te kunnen voeren.
Artikel II
De voorbereiding van
het
onderhavige wetsvoorstel heeft een behoorlijke vertraging opgelopen. Het
voornemen is steeds geweest op de Dag van de Mantelzorg voor het eerst
in 2007 uitkeringen te verstrekken. Door de opgelopen vertraging zal
onderhavig wetsvoorstel niet tijdig in werking treden. Artikel II is
vereist om aan de vóór de inwerkingtreding van deze wet door de SVB
genomen
besluiten een wettelijke basis te geven. Vanzelfsprekend is hiermede
aan de door de SVB vóór de inwerkingtreding van deze wet verstrekte
uitkeringen ook een rechtsgrondslag gegeven.
De Eerste en Tweede Kamer
zijn door middel van een brief, kenmerk DMO/SSO-2741646, van 5
februari 2007 en een brief, kenmerk DMO/SSO-2763508, van 7 mei 2007 op
de hoogte gesteld van de voornemens met betrekking tot de
uitkeringen aan mantelzorgers. Ook is tijdens het algemeen overleg op 28 juni 2007
uitgebreid met de Tweede kamer van gedachten gewisseld over dit
onderwerp.
rblz.|7|
Artikel III
De regering hecht eraan om
met de uitkering, bedoeld in artikel 19a
van de Wmo, waardering uit te
drukken voor het werk van mantelzorgers. Om die waardering ook tot haar
recht te laten komen bij mantelzorgers die voor de voorziening in de
noodzakelijke kosten van het bestaan zijn aangewezen op bijstand, is
het van belang dat de uitkering niet gekort wordt op de
bijstandsuitkering. De in artikel II opgenomen wijziging van artikel
31, tweede lid, van
de Wet werk en bijstand strekt daartoe.
Artikel IV
Zoals
onder artikel II reeds
is opgemerkt, heeft het onderhavige wetsvoorstel een behoorlijke vertraging
opgelopen en het zal dan ook niet tijdig in werking kunnen treden.
Artikel IV, de inwerkingtredingsbepaling, maakt het mogelijk aan de wet
terugwerkende kracht te verlenen.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Bussemaker