|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2006-2007, 2007-2008,
2008-2009, 31 124.
Handelingen II 2008-2009, blz. 4803-4803.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 124 (A, B, C, D).
Handelingen I 2008-2009, blz. 1597-1619, 1619-1647.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 25 juni 2009, Stb.
2009, 265, tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde
tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde
tranche Awb). Inwerkingtreding: 1 juli 2009 (Stb.
2009, 266).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
gewenst is de bijzondere wetten aan te passen aan de vierde
tranche van de Algemene wet bestuursrecht;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
[Voor de
socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]
HOOFDSTUK
1
Wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht
Art. 1.
[MvT]
De bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:
1. Aan onderdeel B (Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties) wordt toegevoegd: [MvT]
7.¹ Besluit tijdelijk financieel toezicht BES.
8.¹ Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao
en Sint Maarten.
2. In onderdeel B (Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties) vervallen de subonderdelen 7 onderscheidenlijk 8
¹ op
het tijdstip waarop het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES
onderscheidenlijk het Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse
Antillen, Curaçao en Sint Maarten vervallen. [MvT]
3. Onderdeel C (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer) wordt gewijzigd als volgt: [MvT]
a. subonderdeel 3 komt te luiden:
3. De bepalingen, genoemd in artikel 20.2, eerste en tweede lid, van de Wet
milieubeheer.
b. Het tweede subonderdeel 6 wordt vernummerd tot subonderdeel 7.
4. In onderdeel E (Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit)
vervallen de subonderdelen 5 en 6. [MvT]
1. Volgens de redactie
dienen de subonderdelen 7 en 8 te worden vernummerd tot subonderdelen 6
en 7.
Art.
2. [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 22 juli 2004 ingediende
voorstel van wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht
(Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) tot wet is of wordt
verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:
A.
In artikel I, onderdeel F, wordt aan artikel
5:1, derde lid, een volzin
toegevoegd, luidende:
Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek
van Strafrecht is van
overeenkomstige toepassing.
B. [MvT]
Artikel I, onderdeel I, wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 5:44 wordt als volgt gewijzigd:
[MvT]
1º. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de
overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en
het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een
strafbeschikking is uitgevaardigd.
2º. In het derde lid, onderdeel a, wordt
"zowel van strafvervolging als
van toepassing van artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht" vervangen
door: van strafvervolging.
2. In artikel 5:45, tweede lid, wordt
"twee" vervangen door: drie. [MvT]
3. In artikel 5:47 vervalt de tweede volzin.
[MvT]
Ba.
In artikel I, onderdeel P, wordt "artikel
8:74, eerste lid" vervangen
door "artikel 8:74, eerste en tweede
lid" en wordt voor "vervangen" ingevoegd: telkens.
C. [MvT]
Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:
-2. Artikel 5:44, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing indien
het recht tot strafvervolging is vervallen doordat is voldaan aan de
voorwaarden die krachtens een wettelijk voorschrift zijn gesteld ter
voorkoming van strafvervolging.
Art.
3.
Indien het bij geleidende brief van 14 december 2004 ingediende voorstel
van wet van de leden Wolfsen en Luchtenveld tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht
met de mogelijkheid van een dwangsom bij niet
tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij niet tijdig
beslissen) (Kamerstukken I 2005-2006, 29 934, A) tot wet is of wordt
verheven en later in werking treedt dan deze wet, wordt bij
inwerkingtreding van die wet de Algemene wet bestuursrecht als volgt
gewijzigd:
a. Het tweede lid, alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid van
artikel 4:18 vervallen.
b. In artikel 4:20 wordt
"artikel 4:18, eerste lid," vervangen door:
artikel 4:18,.
HOOFDSTUK
10
Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Art.
1.¹ [MvT]
De Algemene bijstandswet wordt als volgt gewijzigd:
A.¹ [MvT]
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14.
-1. Burgemeester en wethouders weigeren de bijstand tijdelijk geheel of
gedeeltelijk indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag
of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden
van arbeid in dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld in artikel
65,
eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet binnen de
door burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de Centrale
organisatie werk en inkomen ² daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen,
dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 8, zesde lid, onderdeel
b, artikel 65, tweede of derde lid, artikel
70, vierde lid, of een op
grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of
niet behoorlijk is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het
opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm
van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen
van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van bijstand, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-4. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste en het tweede lid nadere regels worden gesteld.
B.¹ [MvT]
Artikel 14a komt te luiden:
Art. 14a.
-1. Burgemeester en wethouders leggen een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door
de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
65, eerste
lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door geen, onjuiste of
onvolledige mededelingen te doen.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
65, eerste
lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien dit niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
C.¹ [MvT]
De artikelen 14b tot en met 14e
vervallen.
D.¹ [MvT]
Artikel 14f komt te luiden:
Art. 14f.
-1. Burgemeester en wethouders verrekenen de bestuurlijke boete met
algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, die de overtreder ontvangt.
-2. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels
bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een
andere gemeente dan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft
opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die bestuurlijke
boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de bestuurlijke
boete heeft opgelegd.
-3. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een
uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet of de
Wet arbeid en zorg, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van de
bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de bestuurlijke
boete heeft opgelegd.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders. Indien burgemeester en
wethouders gebruik maken van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking
van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan
degene aan wie de boete is opgelegd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel
14a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. zijn burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel
4:93, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor
zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Da. Vervallen.
Db. Vervallen.
Dc. Vervallen.
E.¹ [MvT]
Artikel 142a vervalt.
1. Ingevolge het enig
artikel, aanhef en onder b, onder 1º, van het Besluit
25 juni 2009, Stb. 2009, 266, treedt artikel
1, onderdeel A tot en met E, niet in werking, red.
2. Volgens de redactie dient ", onderscheidenlijk de Centrale
organisatie werk en inkomen" te vervallen.
Art.
2. [MvT]
De Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het achtste lid komt te luiden:
-8. Een herziening van de kinderbijslag op grond van dit artikel vindt
plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-9. De Sociale verzekeringsbank betaalt de herziene kinderbijslag,
bedoeld in het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van de
kinderbijslag nadat de herziening, bedoeld in het tweede lid, heeft
plaatsgevonden.
B. [MvT]
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert de
kinderbijslag tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde of de persoon aan
wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een
verplichting op grond van artikel 16 opgelegd, of de verplichting,
bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 15 niet binnen de
door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is
nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde dan wel de
persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, de
gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt
in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 15, indien het niet tijdig nakomen
van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van kinderbijslag, tenzij het niet tijdig nakomen
van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon
aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2. In het vijfde lid wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
C. [MvT]
Artikel 17a komt te luiden:
Art. 17a.
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door
de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21
kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel
15.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
15, indien
dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van kinderbijslag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen
van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon
aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
D. [MvT]
Artikel 17b vervalt.
E. [MvT]
Artikel 17c komt te luiden:
Art. 17c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan
worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel
17g, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of
termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
F. [MvT]
De artikelen 17d en 17e
vervallen.
G. [MvT]
In artikel 17f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H. [MvT]
Artikel 17g komt te luiden:
Art. 17g.
-1. De Sociale verzekeringsbank
verrekent de bestuurlijke boete met
kinderbijslag op grond van deze wet, ouderdomspensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet of een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd,
dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank
indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene
met wie hij een huishouden vormt, een uitkering ontvangt op grond van de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet
werk en inkomen kunstenaars, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet arbeid en
zorg of een
toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale
verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de
bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per
post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, dan
wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt
betaald, zijn verplichting als bedoeld in artikel 17a, vierde lid, niet
of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de
bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser
nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I. [MvT]
Aan artikel 18 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-8. Indien de kinderbijslag in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de kinderbijslag
in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
J. [MvT]
Artikel 21a komt te luiden:
Art. 21a.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op de nog niet vastgestelde
kinderbijslag beschouwd als
kinderbijslag op grond van deze wet.
K. [MvT]
In artikel 24 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
L. [MvT]
Artikel 24a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde
kinderbijslag, bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt "artikel
17g, tweede
lid" vervangen
door: artikel 17g, eerste lid.
M.
[MvT]
Artikel 24b komt te luiden:
Art. 24b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
N. [MvT]
In artikel 36 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
O. [MvT]
Artikel 39 vervalt.
Art.
3. [MvT]
De Algemene nabestaandenwet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van een uitkering op grond van deze wet in verband met
een wijziging van het nettominimumloon vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. De Sociale verzekeringsbank betaalt de herziene uitkering, bedoeld in
het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de
herziening, bedoeld in het derde lid, heeft plaatsgevonden.
B. [MvT]
Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
2. Het vijfde lid vervalt.
C. [MvT]
Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert de uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de nabestaande, het ouderloos
kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting op grond van
artikel 36, tweede lid, of 37 opgelegd, of de verplichtingen, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de
verplichting, bedoeld in artikel 35, niet binnen de door de Sociale
verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging en de mate waarin de nabestaande, het ouderloos
kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan
worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 35, indien het niet tijdig nakomen
van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van
de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind of
zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2. In het vijfde lid wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
D. [MvT]
Artikel 39 komt te luiden:
Art. 39.
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door
de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger
van de verplichting, bedoeld in artikel 35.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
35, indien
dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind of
zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
E. [MvT]
Artikel 40 vervalt.
F. [MvT]
Artikel 41 komt te luiden:
Art. 41.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan
worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel
45, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of
termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
G. [MvT]
De artikelen 42 en 43 vervallen.
H. [MvT]
In artikel 44 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
I. [MvT]
Artikel 45 komt te luiden:
Art. 45.
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met een
uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet of ouderdomspensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd,
ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank
indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering
ontvangt op grond van de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet
werk en inkomen kunstenaars, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet arbeid en
zorg of een
toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende
bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien
de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid,
geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van
toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel
39, vierde lid,
niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor
zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
J. [MvT]
Artikel 46, eerste lid, komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering waarop op grond van
deze wet recht bestaat.
K. [MvT]
Artikel 47 komt te luiden:
Art. 47.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een
uitkering op grond van deze wet.
L. [MvT]
Artikel 48 komt te luiden:
Art. 48.
Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in
mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
M. [MvT]
In artikel 53 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
N. [MvT]
Artikel 54, eerste lid, komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering,
bedoeld in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
O. [MvT]
Artikel 55 komt te luiden:
Art. 55.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
P. [MvT]
Artikel 57, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van een uitkering op grond van het tweede lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Q. [MvT]
In artikel 77 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
R. [MvT]
Artikel 79 vervalt.
Art.
4. [MvT]
De Algemene Ouderdomswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het achtste lid komt te luiden:
-8. Een herziening van het bruto-ouderdomspensioen in verband met een
wijziging van het nettominimumloon vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een negende lid toegevoegd, luidende:
-9. De Sociale verzekeringsbank betaalt het herziene ouderdomspensioen,
bedoeld in het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van het
ouderdomspensioen nadat de herziening, bedoeld in het achtste lid, heeft
plaatsgevonden.
B. [MvT]
Artikel 17b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert het ouderdomspensioen geheel of
gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend indien de pensioengerechtigde, zijn
echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting hem
op grond van artikel 15, tweede lid, opgelegd, of de verplichtingen,
bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet binnen de
door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is
nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk
geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake het niet tijdig nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 49, indien het niet tijdig nakomen van
de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen, tenzij het niet tijdig
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2. In het vijfde lid wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
C. [MvT]
Artikel 17c komt te luiden:
Art. 17c.
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door
de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
49.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
49, indien
dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van ouderdomspensioen, tenzij het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de pensioengerechtigde, zijn
echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
D. [MvT]
Artikel 17d vervalt.
E. [MvT]
Artikel 17e komt te luiden:
Art. 17e.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan
worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel
17i, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of
termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
F. [MvT]
De artikelen 17f en 17g
vervallen.
G. [MvT]
In artikel 17h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H. [MvT]
Artikel 17i komt te luiden:
Art. 17i.
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met het
ouderdomspensioen dat degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd
op grond van deze wet ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank
indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering
ontvangt op grond van de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet
werk en inkomen kunstenaars, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet arbeid en
zorg of een
toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale
verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de
bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per
post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 17c,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor
zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I. [MvT]
Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank betaalt het ouderdomspensioen waarop op
grond van deze wet recht bestaat. De betaling geschiedt als regel
maandelijks.
2. Het derde lid komt te luiden:
-3. Indien het ouderdomspensioen in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op het
ouderdomspensioen in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
J. [MvT]
Artikel 20, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van het ouderdomspensioen op grond van het eerste lid
als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld.
K. [MvT]
Artikel 21 komt te luiden:
Art. 21.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op het nog niet vastgestelde ouderdomspensioen beschouwd als
ouderdomspensioen op grond van deze wet.
L. [MvT]
In artikel 24 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
M. [MvT]
Artikel 24a, eerste lid, komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank kan het onverschuldigd betaalde
ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
N. [MvT]
Artikel 24b komt te luiden:
Art. 24b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
O. [MvT]
Aan artikel 31 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
P. [MvT]
Artikel 33a vervalt.
Q. [MvT]
Artikel 33b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. De toekenning van de tegemoetkoming, voor zover die niet samenhangt
met de toekenning van het ouderdomspensioen, vindt plaats zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld. Artikel 9, achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde
lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-4. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt maandelijks tezamen met
de betaling van het ouderdomspensioen.
R. [MvT]
In artikel 65 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
S. [MvT]
Artikel 68 vervalt.
Art.
10. [MvT]
De Toeslagenwet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 11, derde tot en met zesde lid, komt te luiden:
-3. De toeslag op een loondervingsuitkering wordt betaald zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld indien de loondervingsuitkering waarop de
toeslag wordt of werd betaald ook op die wijze wordt betaald en indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen
behoefte bestaat.
-4. Een toeslag als bedoeld in het derde lid wordt beëindigd zonder dat
dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat. Indien de
belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt,
wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
-5. Een herziening van de toeslag als gevolg van een wijziging van het
minimumloon of als gevolg van een indexering van het dagloon of de
grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend, vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-6. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
B. [MvT]
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert de toeslag
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag,
zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van een
verplichting als bedoeld in artikel 13 of artikel
55, tweede lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel ter zake
van het niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk
en inkomen,¹ daarvoor vastgestelde termijn nakomen door genoemde personen
van een verplichting als bedoeld in artikel 12 of
de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het derde tot en met vijfde lid komen te luiden:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of
niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel
12 of
de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag, tenzij
het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan degene
die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijk
vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 14a
wordt
opgelegd.
C. [MvT]
Artikel 14a komt te luiden:
Art. 14a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag,
zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van een
verplichting als bedoeld in artikel 12 of de
artikelen 28, tweede lid, of 29,
eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in
artikel 12 of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
toeslag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijk
vertegenwoordiger een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
D. [MvT]
Artikel 14b vervalt.
E. [MvT]
Artikel 14c komt te luiden:
Art. 14c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
F. [MvT]
De artikelen 14d en 14e
vervallen.
G. [MvT]
In artikel 14f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H. [MvT]
Artikel 14g komt te luiden:
Art. 14g.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de
bestuurlijke boete met een toeslag op grond van deze wet, een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
of de Wet arbeid en
zorg,
die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet,
de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt
van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de
boete is opgelegd.
-4. Zolang degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of
zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel
14a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van
artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot
verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering
van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I. [MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de toeslag
waarop op grond van deze wet recht bestaat.
2. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
-5. Onverminderd het eerste tot en met vierde lid vindt betaling plaats:
a. binnen zes weken na indiening van de aanvraag indien artikel
11,
derde lid, van toepassing is;
b. bij de eerstvolgende betaling van de toeslag nadat wijziging van het
minimumloon heeft plaatsgevonden of tegelijk met de eerstvolgende
gewijzigde loondervingsuitkering indien artikel
11, vijfde lid, van
toepassing is;
c. tegelijk met de betaling van de vakantie-uitkering op de
loondervingsuitkering indien artikel 11, zesde lid, van toepassing is.
J. [MvT]
Artikel 17 komt te luiden:
Art. 17.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag beschouwd als een toeslag
op grond van deze wet.
K. [MvT]
In artikel 20 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
L. [MvT]
Artikel 20a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de
onverschuldigd betaalde toeslag, bedoeld in artikel
20, eerste lid,
invorderen bij dwangbevel.
M. [MvT]
Artikel 20b, tweede lid, komt te luiden:
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij
is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
N. [MvT]
In artikel 26 wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
O. [MvT]
In artikel 40 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
P. [MvT]
Artikel 43a vervalt.
1. Volgens de redactie
dient ", onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk
en inkomen," te vervallen.
Art.
11. [MvT]
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid ¹ komt te luiden:
-3. Een uitkering als bedoeld in artikel 18 en een uitkering die verband
houdt met een verleende ontheffing op grond van artikel
8, derde lid,
van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 worden betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.
2. Het vierde lid ¹ komt te luiden:
-4. Een uitkering als bedoeld in het derde lid ¹ wordt beëindigd zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat. Indien de
belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt,
dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
3. Onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende
lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende: ¹
-5. Het UWV betaalt de uitkering, bedoeld in het derde lid,¹ binnen zes
weken na indiening van de aanvraag.
B. [MvT]
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. Het UWV weigert de uitkering blijvend geheel ter zake van het niet
nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel
24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3º, tenzij het niet
nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan
worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk
door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur
van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.
-2. Het UWV weigert de uitkering blijvend over het aantal uren waarover
het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan
indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of
verkregen ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een
verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder
2º.
-3. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de
werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen
24, eerste
lid, onderdeel b, onder 1º of 4º, of vijfde lid, of 26,
artikel 55,
tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV,
onderscheidenlijk de CWI,² daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de
werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-4. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk indien de verzekerde, bedoeld in de Ziektewet, die
gedurende de eerste dertien weken van zijn ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte een uitkering ontvangt op grond
van deze wet een verplichting voortvloeiend uit artikel
45, eerste lid,
van de Ziektewet niet is nagekomen.
2. Het zevende tot en met negende lid komen te luiden:
-7. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in
het derde of vierde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van een verplichting
als bedoeld in artikel 25 of de artikelen
28, tweede lid, en 29, eerste
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen indien
het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het
ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter
zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in artikel
26, eerste lid, onderdeel a, b of d, tenzij het niet tijdig nakomen van
de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a
wordt
opgelegd.
C. [MvT]
Artikel 27a komt te luiden:
Art. 27a.
-1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter
zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een
verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet of
artikel 28,
tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als
bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25
van deze wet of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing
is gegeven.
-3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het UWV de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
D. [MvT]
Artikel 27b vervalt.
E. [MvT]
Artikel 27c komt te luiden:
Art. 27c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
F. [MvT]
De artikelen 27d en 27e
vervallen.
G. [MvT]
In artikel 27f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H. [MvT]
Artikel 27g komt te luiden:
Art. 27g.
-1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond
van deze wet, de Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen,
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de
Wet arbeid en
zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de overtreder ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de overtreder een uitkering
ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door
middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de overtreder zijn verplichting, bedoeld in artikel 27a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV, in afwijking van artikel
4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor
zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I. [MvT]
In artikel 27h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
J. [MvT]
Artikel 30, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht
bestaat.
K. [MvT]
Artikel 31 komt te luiden:
Art. 31.
-1. Het UWV betaalt geen voorschot op de uitkering over tijdvakken waarin
het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil tussen de
werknemer en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de
werknemer.
-2. Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt
een voorschot op de uitkering beschouwd als een uitkering op grond van
deze wet.
L. [MvT]
Artikel 33, vijfde lid, komt te luiden:
-5. De vakantiebijslag wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
M. [MvT]
In artikel 36 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
N. [MvT]
Artikel 36a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
36, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
O. [MvT]
Artikel 36b komt te luiden:
Art. 36b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
P. [MvT]
Artikel 39, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Q. [MvT]
Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het
dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Het UWV betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij
de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het
eerste lid, heeft plaatsgevonden.
R. [MvT]
Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tiende lid tot zevende lid vervallen het
zesde tot en met negende lid.
2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:
-6. Het UWV kan de in het eerste lid bedoelde bedragen invorderen bij
dwangbevel.
S. [MvT]
In artikel 116, eerste lid, wordt "en 79, tiende lid" vervangen door:
en 79, zevende lid.
T. [MvT]
In artikel 127a, tweede lid, wordt "op grond van
artikel 31" vervangen
door: op grond van artikel 31 of 4:95, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
U. [MvT]
In artikel 130o wordt "52a tot en met 52i,
72,
72a, 76, 76a,
77a, 79 en
130" vervangen door: 52a tot en met
52i, 72, 72a,
76, 76a, 77a,
79,
eerste lid, en 130.
V. [MvT]
In artikel 130q wordt "De artikelen
19, 20, 27, 43 en
79" vervangen
door: De artikelen 19, 20,
27, 43 en 79, tweede lid,.
W. [MvT]
In artikel 132 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
X. [MvT]
Artikel 135a vervalt.
1. Volgens de redactie
dient "derde lid" telkens te worden vervangen door
"tweede lid", "vierde lid" te worden vervangen door
"derde lid" en "Onder vernummering van het vijfde en
zesde lid tot zesde en zevende lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd,
luidende:" te worden vervangen door: Er wordt een vierde lid
toegevoegd, luidende:.
2. Volgens de redactie
dient ",
onderscheidenlijk de CWI," te vervallen.
Art. 11a.
De Wet arbeid en zorg wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 3:14, eerste lid, komt te luiden:
-1. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
B.
Artikel 3:16, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel k vervalt.
2. In onderdeel o wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
C.
Artikel 3:25, eerste lid, komt te luiden:
1. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
D.
Artikel 3:27, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel j vervalt.
2. In onderdeel m wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
Art.
13. [MvT]
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van de
grondslag van het minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vierde lid toegevoegd:
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de grondslag van het minimumloon is herzien.
B. [MvT]
Artikel 9a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
-4. De tegemoetkoming wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
2. Er wordt een vijfde lid toegevoegd:
-5. De betaling van de tegemoetkoming vindt plaats binnen één maand nadat
het recht op de tegemoetkoming is vastgesteld en geschiedt vervolgens in
dezelfde termijnen als die waarin de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt.
C. [MvT]
Artikel 22, vierde lid, komt te luiden:
-4. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
D. [MvT]
Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf
3, komt te luiden: Maatregelen en bestuurlijke boeten.
E. [MvT]
Artikel 39, tweede tot en met vierde lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
62, indien het
niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake
van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel
28,
vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het
zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van
twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
jonggehandicapte een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 40 wordt
opgelegd.
F. [MvT]
Artikel 40 komt te luiden:
Art. 40. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming
inlichtingenverplichting
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger of de werkgever van de verplichting, bedoeld in
artikel 62.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
62,
indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
G. [MvT]
Artikel 41 vervalt.
H. [MvT]
Artikel 42 komt te luiden:
Art. 42. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete
Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
I. [MvT]
De artikelen 43 en 44 vervallen.
J. [MvT]
In artikel 45 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
K. [MvT]
Artikel 46 komt te luiden:
Art. 46. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de
bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de
Wet arbeid en
zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt
van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan
wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 40, vierde lid, niet of niet behoorlijk
nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van
artikel 4:93 derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot
verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering
van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
L. [MvT]
In artikel 46a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
M. [MvT]
Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede
tot en met zesde lid vervalt het tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Onverminderd het tweede
lid schort
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen" vervangen door: Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort.
3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt
uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in
mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
4. In het zesde lid (nieuw) wordt "of schorsing als bedoeld in het
zesde lid" vervangen door: of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.
N. [MvT]
Artikel 49, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de betaling van de uitkering op grond van het
eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage
vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
O. [MvT]
In artikel 55 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
P. [MvT]
Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Invordering bij dwangbevel.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de
onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
36, eerste lid,
invorderen bij dwangbevel.
Q. [MvT]
Artikel 57 komt te luiden:
Art. 57. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
R. [MvT]
In artikel 64 wordt "de boeten, bedoeld in
artikel 40" vervangen door:
de bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel
40.
S. [MvT]
Artikel 68 vervalt.
T. [MvT]
In artikel 73 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
U. [MvT]
Artikel 74 vervalt.
Art.
14. [MvT]
De Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 8, tiende tot en met twintigste lid,¹ komt te luiden:
-10. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van de
grondslag van het minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
-11. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het tiende lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de grondslag van het minimumloon is herzien.
-12. Indien de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft
op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag van de
overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag,
doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming met
Onze
Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag,
verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.
-13. Indien de verzekerde die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het intreden van de
arbeidsongeschiktheid tevens verzekerde was op grond van artikel
3, 4 of
5 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag
van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde
grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te
wijzen bedrag, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het loon dat
hij als werknemer genoot, voor zover dat loon als dagloon aan de
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt of zou liggen
als hij bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid tevens
arbeidsongeschikt is in de zin van die wet dan wel arbeidsongeschikt zou
zijn geworden in de zin van die wet. De eerste zin blijft buiten
toepassing als artikel 59, eerste of tweede lid, van toepassing is.
-14. Indien de verzekerde die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag van het intreden van de
arbeidsongeschiktheid recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld
op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van
hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet, wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede
tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij
ministeriële regeling aan te wijzen bedrag, verminderd met het bedrag
van genoemde uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en
zorg of de Werkloosheidswet waarop hij recht heeft op de dag voorafgaande aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De eerste zin blijft buiten
toepassing als artikel 59, eerste of tweede lid, van toepassing is.
-15. Indien het in het twaalfde lid bedoelde dagloon, het in het
dertiende lid bedoelde loon of het in het veertiende lid bedoelde bedrag
van de uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg
of de Werkloosheidswet, alsmede het in die leden genoemde bedrag van de
overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag,
lager is dan het minimumloon, bedoeld in het achtste lid, bedraagt de
grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering het minimumloon,
verminderd met dat dagloon, loon of bedrag, tenzij de grondslag,
berekend op grond van het tweede tot en met zesde lid, tot een lager
bedrag leidt, in welk geval laatstgenoemd bedrag als grondslag geldt.
-16. De toepassing van het twaalfde, dertiende en veertiende lid geldt
onverminderd het zevende lid.
-17. Voor de toepassing van het twaalfde tot en met het veertiende lid
wordt onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de
Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet
tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of
die uitkering recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over
dezelfde periode is berekend. Voor de toepassing van het vijftiende lid
wordt onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de
Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet
niet verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of
die uitkering recht bestaat en wordt onder dagloon verstaan het dagloon
maal 100/108.
-18. Het twaalfde tot en met vijftiende lid zijn niet van toepassing op de
persoon die een uitkering ontvangt op grond van de vrijwillige
verzekering, bedoeld in hoofdstuk VI van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk IV van de
Ziektewet of
hoofdstuk III van de Werkloosheidswet. Het veertiende en vijftiende lid
zijn evenmin van toepassing op de persoon die op grond van artikel
3:6,
tweede lid, van de Wet arbeid en zorg een uitkering ontvangt.
-19. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo
nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de winst, de
inkomsten en de periode waarover de winst en de inkomsten worden
berekend, bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid.
-20. Voor de toepassing van het twaalfde tot en met het vijftiende lid en
het zeventiende lid wordt met een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet gelijkgesteld een uitkering ter zake van ontslag of
werkloosheid, onder welke benaming dan ook, met uitzondering van een
uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig
vervroegd uittreden, uit hoofde van een arbeidsverhouding als bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen. Dit lid vervalt op het tijdstip van aanvang van
fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen,
bedoeld in artikel 54 van die
wet.
B. [MvT]
Artikel 26, vierde lid, komt te luiden:
-4. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
C. [MvT]
Het opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
3, komt te luiden: Maatregelen en bestuurlijke boeten.
D. [MvT]
Artikel 47, tweede tot en met vierde lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
70, indien het
niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake
van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel
35,
vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het
zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van
twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 48 wordt
opgelegd.
E. [MvT]
Artikel 48 komt te luiden:
Art. 48. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming
inlichtingenverplichting
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
70.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijk
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
70, indien dit
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing
is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
F. [MvT]
Artikel 49 vervalt.
G. [MvT]
Artikel 50 komt te luiden:
Art. 50. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
H. [MvT]
De artikelen 51 en 52 vervallen.
I. [MvT]
In artikel 53 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
J. [MvT]
Artikel 54 komt te luiden:
Art. 54. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de
bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de
Wet arbeid en
zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt
van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan
wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 48, vierde lid, niet of niet behoorlijk
nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van
artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot
verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering
van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
K. [MvT]
In artikel 54a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
L. [MvT]
Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot tweede tot
en met vijfde lid vervalt het tweede lid.
2. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt
uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in
mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
M. [MvT]
Artikel 57, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
N. [MvT]
Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid
vervalt in artikel 63 het vijfde lid.
O. [MvT]
Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Invordering bij dwangbevel.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de
onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
63, eerste lid,
invorderen bij dwangbevel.
P. [MvT]
Artikel 65 komt te luiden:
Art. 65. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
Q. [MvT]
Artikel 94 vervalt.
R. [MvT]
In artikel 99 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
S. [MvT]
Artikel 100 vervalt.
1. Volgens de redactie
dient "twintigste lid" te worden vervangen door: negentiende
lid.
Art.
15. [MvT]
De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 40, achtste lid, onderdeel b, wordt "boete" vervangen door:
bestuurlijke boete.
B. [MvT]
In de artikelen 83, eerste lid, onderdeel d, en
85, eerste lid,
onderdeel b, wordt "boeten" telkens vervangen door: bestuurlijke
boeten.
Art.
16. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 20 komt te luiden:
Art. 20.
-1. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op
grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin weigert het
college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het
bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in
de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking
belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
-2. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben
kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8 indien de
belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of
door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
-3. Het college weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de
belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is
aangewezen op arbeid in dienstbetrekking van een verplichting als
bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een op grond van
hoofdstuk III aan
de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld
in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel ter zake van het niet
binnen de door het college, onderscheidenlijk de Centrale organisatie
werk en inkomen,¹ daarvoor vastgestelde termijn nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-4. Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het
opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm
van verwijtbaarheid ontbreekt.
-5. Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het
instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de
dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het
opleggen van een maatregel op grond van het eerste lid.
-6. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld
in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-7. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een
maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
derde en het vierde lid nadere regels worden gesteld.
B. [MvT]
Het opschrift van paragraaf 3a van hoofdstuk II komt te luiden: § 3a.
Bestuurlijke boeten.
C. [MvT]
Artikel 20a komt te luiden:
Art. 20a.
-1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende
van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
door geen, onjuiste of
onvolledige mededelingen te doen.
-2. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-3. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
D. [MvT]
De artikelen 20b tot en met 20e
vervallen.
E. [MvT]
Artikel 20f komt te luiden:
Art. 20f.
-1. Het college verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op
grond van deze wet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
of de Wet
werk en inkomen kunstenaars of algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand die de overtreder ontvangt.
-2. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels
bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een
andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de bestuurlijke
boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die
bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de
belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de
bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-3. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een
uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en
zorg, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet,
betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van die
bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de
bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van
deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de
boete is opgelegd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op
de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
F. [MvT]
Artikel 25, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het college is bevoegd tot verrekening van de in de voorafgaande drie
maanden ontvangen middelen met de uitkering.
G. [MvT]
Artikel 27 komt te luiden:
Art. 27.
De persoon van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het
college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond
van deze paragraaf van belang zijn.
H. [MvT]
Artikel 28, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in
artikel 25, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
I. [MvT]
In artikel 60a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
1. Volgens de redactie
dient "Centrale organisatie werk
en inkomen" te worden vervangen door: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art.
17. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 20 komt te luiden:
Art. 20.
-1. Het college weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de
belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel
13, tweede
lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden
verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel
37, eerste
lid, onderdeel c, dan wel ter zake van het niet binnen de door het
college, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en
inkomen,¹
daarvoor vastgestelde termijn nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan
wel indien de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de
aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende heeft ingezet voor de
voorziening in het bestaan.
-2. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in
verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
gemaakt; of
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin weigert het
college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het
bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in
de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking
belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
-3. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben
kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8 indien de
belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of
door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
-4. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het
opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm
van verwijtbaarheid ontbreekt.
-5. Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het
instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de
dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot
het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid.
-6. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld
in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de
verplichting niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-7. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste en het vierde lid nadere regels worden gesteld.
B. [MvT]
Het opschrift van paragraaf 3a van hoofdstuk II komt te luiden: § 3a.
Bestuurlijke boeten.
C. [MvT]
Artikel 20a komt te luiden:
Art. 20a.
-1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende
van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
door geen, onjuiste of
onvolledige mededelingen te doen.
-2. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-3. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
D. [MvT]
De artikelen 20b tot en met 20e
vervallen.
E. [MvT]
Artikel 20f komt te luiden:
Art. 20f.
-1. Het college verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op
grond van deze wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
of de Wet
werk en inkomen kunstenaars of algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand die de overtreder ontvangt.
-2. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels
bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een
andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de bestuurlijke
boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die
bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de
belanghebbende, op verzoek van het college van de gemeente die de
bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-3. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een
uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en
zorg, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet,
betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van die
bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de
bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van
deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de
boete is opgelegd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op
de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
F. [MvT]
Artikel 25, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het college is bevoegd tot verrekening van de in de voorafgaande drie
maanden ontvangen middelen met de uitkering.
G. [MvT]
Artikel 27 komt te luiden:
Art. 27.
De persoon van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het
college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond
van deze paragraaf van belang zijn.
H. [MvT]
Artikel 28, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in
artikel 25, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
I. [MvT]
In artikel 60a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
1. Volgens de redactie
dient ", onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk
en inkomen," te vervallen.
Art.
19. [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het
dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft
plaatsgevonden.
B. [MvT]
Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert de uitkering
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, na tijdig opgeroepen te zijn, niet
verscheen of weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de daartoe aangewezen deskundige om zich ter
observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting.
C. [MvT]
Artikel 29, tweede tot en met vierde lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
80, indien het niet
tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake
van het zich niet houden aan de voorschriften, bedoeld in artikel
34,
derde lid, of in artikel 34a, eerste lid, tenzij het niet tijdig nakomen
van de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 29a
wordt
opgelegd.
D. [MvT]
Artikel 29a komt te luiden:
Art. 29a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
80.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
80,
indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
E. [MvT]
Artikel 29b vervalt.
F. [MvT]
Artikel 29c komt te luiden:
Art. 29c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
G. [MvT]
De artikelen 29d en 29e
vervallen.
H. [MvT]
In artikel 29f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
I. [MvT]
Artikel 29g komt te luiden:
Art. 29g.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de
bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de
Wet arbeid en
zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de degene aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet,
de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt
van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de
boete is opgelegd.
-4. Zolang de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 29a, vierde lid, niet of niet
behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van
artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot
verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering
van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
J. [MvT]
In artikel 29h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
K. [MvT]
Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met tiende lid tot tweede tot
en met negende lid vervalt het tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Onverminderd het tweede
lid schort
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen" vervangen door: Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort.
3. Het derde (nieuw) lid komt te luiden:
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt
uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in
mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
4. In het negende lid (nieuw) wordt "in het negende lid" vervangen
door: in het achtste lid.
L. [MvT]
Artikel 54, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
M. [MvT]
In artikel 57 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
N. [MvT]
Artikel 57a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de
onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
57, eerste lid,
invorderen bij dwangbevel.
O. [MvT]
Artikel 57b komt te luiden:
Art. 57b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
P. [MvT]
Artikel 59b, vijfde lid, komt te luiden:
-5. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Q. [MvT]
In artikel 96 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door:
Een gedraging die in strijd is met.
R. [MvT]
Artikel 97 vervalt.
Art.
20. [MvT]
De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 83c komt te luiden:
Art. 83c.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan een bestuurlijke boete van ten hoogste
€|1500,00 opleggen aan de persoon,
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel
b en c, die op grond van artikel
54, eerste lid, gehouden is tot het verstrekken van gegevens en
inlichtingen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Centrale
organisatie werk en inkomen,¹ indien hij deze niet dan wel niet
binnen de op grond van artikel 54, vierde
lid, gestelde termijn verstrekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan een
bestuurlijke boete van ten hoogste €|5000,00
opleggen aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, indien het aan opzet
of grove schuld van hem is te wijten dat geen, dan wel onjuiste of
onvolledige inlichtingen zijn verstrekt.
B. [MvT]
De artikelen 83d tot en met 83h
vervallen.
C. [MvT]
Artikel 84, eerste lid, komt te luiden:
-1. Overtreding van de artikelen 28, tweede
lid, en 29, eerste lid,² 54,
eerste, vierde en vijfde lid, en 55, tweede
en derde lid, van deze wet, 27a,
vierde lid, en 36, vijfde lid, van de Werkloosheidswet,
33, vijfde lid, en 45a,
vierde lid, van de Ziektewet, 77,
vijfde lid, en 91, vierde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 29a,
vierde lid, en 57, vijfde lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48,
vierde lid, en 63, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 40,
vierde lid, en 55, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 14a,
vierde lid, en 20, vijfde lid, van de Toeslagenwet,
17c, vierde lid, en 24,
vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 17a,
vierde lid, en 24, vijfde lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet, 39, vierde lid, en 53,
vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete
van de tweede categorie.
1. Volgens de redactie
dient "of de Centrale organisatie werk en
inkomen" te vervallen.
2. Volgens de redactie dient
"28, tweede
lid, en 29, eerste lid," te vervallen.
Art.
23. [MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 18, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of
onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen
voortvloeiende uit deze wet dan wel de artikelen
28, tweede lid, of 29,
eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen,¹
waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen,
dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Aa.
Aan artikel 48 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4.² Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening
wordt verleend algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het
Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004 of de Wet
werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is
het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die algemene
bijstand of uitkering.
B.
[MvT]
Artikel 58, derde en vierde lid, komt te luiden:
-3. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie
maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.
-4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met
de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de
premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand
verstrekt krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige
is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze
belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de
door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen
en vergoeding.
C.
[MvT]
Artikel 60 komt te luiden:
Art. 60. Besluit tot terugvordering
-1. De persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd, is
verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die
voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
-2. Het college kan de kosten van de bijstand, bedoeld in de artikelen 58
en 59 invorderen bij dwangbevel.
-3. Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de
artikelen 58 en 59 worden teruggevorderd algemene bijstand of een
uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het
Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004 of de Wet
werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die
kosten met die algemene bijstand of uitkering.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van
deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie
kosten van bijstand worden teruggevorderd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in het eerste
lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op
de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering
van kosten van bijstand bij dwangbevel.
-6. Terugvordering van kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58
en 59 is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel
288 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
1. Volgens de redactie
dient "de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid" te worden vervangen
door: artikel 30c, tweede en derde
lid.
2. Volgens de redactie de aanduiding "-4" te worden
vervangen door: -5.
Art.
24. [MvT]
De Wet werk en inkomen kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14. Voorschot
-1. Het door het college verleende voorschot heeft de vorm van een
renteloze geldlening.
-2. Indien een uitkering wordt verleend over een periode waarover met
toepassing van het eerste lid één of meer voorschotten is verleend, kan
deze uitkering zonder machtiging van de kunstenaar worden verrekend met
het voorschot of de voorschotten.
B. [MvT]
Artikel 29, derde lid, komt te luiden:
-3. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met
de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.
C. [MvT]
Artikel 34 komt te luiden:
Art. 34. Besluit tot terugvordering
-1. De kunstenaar van wie kosten van uitkering worden teruggevorderd, is
verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die
voor terugvordering op grond van dit hoofdstuk van belang zijn.
-2. Het college kan de kosten van de uitkering, bedoeld in dit hoofdstuk,
invorderen bij dwangbevel.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van
deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie
kosten van uitkering worden teruggevorderd.
-4. Zolang de kunstenaar zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid,
niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op
de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering
van kosten van uitkering bij dwangbevel.
-5. Terugvordering van kosten van uitkering als bedoeld in dit hoofdstuk
is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288
van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek omschreven.
Art.
25. [MvT]
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het
dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het UWV betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij
de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het
eerste lid, heeft plaatsgevonden.
B. [MvT]
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede
tot en met zesde lid vervalt het tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Onverminderd het tweede
lid schort
het UWV de betaling van de uitkering op" vervangen door: Het UWV schort
de betaling van de uitkering op.
3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Indien de uitkering, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland
wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in
mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de
daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
C. [MvT]
Artikel 68, derde lid, komt te luiden:
-3. De vakantiebijslag wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
D. [MvT]
Artikel 71, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als
gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
E. [MvT]
Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de tweede zin.
2. Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde
lid vervalt het vijfde lid.
F. [MvT]
Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Invordering bij dwangbevel.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
77, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
G. [MvT]
Artikel 79 komt te luiden:
Art. 79. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
H. [MvT]
Artikel 88, vierde en vijfde lid, komt te luiden:
-4. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in
het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 27, eerste lid, indien het niet tijdig nakomen van de
verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan
de voorschriften, bedoeld in artikel 64, derde lid, of in
artikel 65,
tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet
houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn.
I. [MvT]
In artikel 89, vierde lid, wordt "artikel
67, derde lid, onderdeel c"
vervangen door: artikel 67, tweede lid, onderdeel c.
J. [MvT]
In artikel 90, tweede lid, wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke
boete.
K. [MvT]
Artikel 91 komt te luiden:
Art. 91. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming
inlichtingenverplichting
-1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter
zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever of de persoon, bedoeld in
artikel 27, achtste lid, van de verplichting, bedoeld in artikel
27,
eerste of achtste lid.
-2. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als
bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de verzekerde of zijn wettelijk vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, indien dit niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing
is gegeven.
-3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
L. [MvT]
Artikel 92 vervalt.
M. [MvT]
Artikel 93 komt te luiden:
Art. 93. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
N. [MvT]
De artikelen 94 en 95 vervallen.
O. [MvT]
Artikel 96 komt te luiden:
Art. 96. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond
van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de
Wet arbeid en
zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de persoon aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door
middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is
opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, niet of niet behoorlijk
nakomt:
a. is het UWV, in afwijking van artikel
4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor
zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
P. [MvT]
In artikel 97 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
Q. [MvT]
In artikel 118 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
R. [MvT]
Artikel 135 vervalt.
Art.
26. [MvT]
De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het
dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft
plaatsgevonden.
B. [MvT]
Artikel 30a, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor
dringende redenen zijn.
C. [MvT]
In artikel 33 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid
tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
D. [MvT]
Artikel 33a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de
onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
33, eerste lid,
invorderen bij dwangbevel.
E. [MvT]
Artikel 33b komt te luiden:
Art. 33b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
F. [MvT]
Artikel 38, derde lid, komt te luiden:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00 indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in de eerste zin van het tweede lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid,
45c, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
G. [MvT]
Artikel 38a, zevende lid, komt te luiden:
-7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00
indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het vijfde of zesde lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid,
45c en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
H. [MvT]
Artikel 39a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het zevende lid tot vierde lid vervallen het
derde tot en met zesde lid.
2. Er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste
lid bedoelde bedragen invorderen bij dwangbevel.
I. [MvT]
Artikel 40, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de betaling op grond van het eerste lid als gevolg
van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat
dit bij beschikking is vastgesteld.
J. [MvT]
Artikel 45, derde tot en met vijfde lid, komt te luiden:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
31, eerste lid, 38, tweede lid, derde zin, of
49, indien het niet tijdig nakomen van de
verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege, indien voor
dezelfde gedraging:
a. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 45a
wordt opgelegd;
b. een maatregel op grond van artikel 27, vierde lid, van de
Werkloosheidswet wordt opgelegd; of
c. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a
van de
Werkloosheidswet wordt opgelegd.
K. [MvT]
Artikel 45a komt te luiden:
Art. 45a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, of 49.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de
verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of
49, indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing
is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de hoogte van de bestuurlijke boete.
-6. Het opleggen van een bestuurlijke boete blijft achterwege indien voor
dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a
van
de Werkloosheidswet
wordt opgelegd.
L. [MvT]
Artikel 45b vervalt.
M. [MvT]
Artikel 45c komt te luiden:
Art. 45c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd.
N. [MvT]
De artikelen 45d en 45e
vervallen.
O. [MvT]
In artikel 45f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
P. [MvT]
Artikel 45g komt te luiden:
Art. 45g.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de
bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de
Wet arbeid en
zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die degene aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de
gemeente betaalt het
bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet,
de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt
van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in
afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan
wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde zijn verplichting, bedoeld in artikel 45a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van
artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot
verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering
van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van
artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering
van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Q. [MvT]
In artikel 45h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
R. [MvT]
Artikel 47 vervalt.
S. [MvT]
Artikel 47a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot eerste
tot en met vierde lid vervalt het eerste lid.
2. Het nieuwe eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt geen
voorschot indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld
in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op
bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid.
T. [MvT]
Artikel 52c komt te luiden:
Art. 52c.
-1. Het ziekengeld wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een
beschikking geen behoefte bestaat.
-2. Het ziekengeld wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld indien sprake is van een spontane werkhervatting. Indien de
belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt,
dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
-3. Een herziening van het ziekengeld als gevolg van een aanpassing van
het dagloon aan het loonpeil in het beroep van de werknemer vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt het
ziekengeld, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na indiening van
de aanvraag.
-5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende
ziekengeldbetaling nadat de aanpassing van het dagloon, bedoeld in dat
lid, heeft plaatsgevonden.
U. [MvT]
Artikel 63c komt te luiden:
Art. 63c.
Indien de werkgever zich met betrekking tot de begeleiding van zijn
zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een arbodienst, meldt hij
dat zo spoedig mogelijk. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
€|454,00
indien de werkgever deze verplichting niet is nagekomen. De
artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid, 45c, en
45g, vierde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
V. [MvT]
Artikel 81 vervalt.
Art.
27. [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 13 december 2006 ingediende
voorstel van wet houdende regels tot bevordering van de activering van
personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet
(Kamerstukken II 2005-2006, 30 909, nr. 2) tot wet is verheven en in
werking is getreden, komt artikel 38a, zevende lid, van de
Ziektewet te
luiden:
-7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00 indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het vijfde of zesde lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid,
en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 28.
Indien het bij koninklijke boodschap van 11 november 2008 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met
het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen (Kamerstukken
31 767) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel
C, van die
wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 11, onderdeel B,
van hoofdstuk 10 van deze wet, komt het in artikel 11, onderdeel B,
van hoofdstuk 10 van deze wet voorgestelde tweede lid van artikel 27 te
luiden:
-2. Het UWV weigert ter zake van het niet nakomen door de werknemer van
een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b,
onder 2º, de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht
op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan:
a. indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of
verkregen; of
b. indien, in plaats van artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b,
artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van toepassing zou zijn geweest en de
werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
Art. 29.¹
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende
voorstel van wet houdende wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in
verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken II 2007-2008, 31 514, nr.
2) nadat het tot wet is verheven en in werking is getreden vóór het
tijdstip waarop het onderhavige voorstel van wet in werking treedt,
wordt hoofdstuk 10 als volgt gewijzigd:
A.¹
In artikel 1 (Algemene bijstandswet),
onderdeel B, vervalt in artikel 14a, tweede lid,
"of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
B.¹
In artikel 10 (Toeslagenwet),
onderdeel C, vervalt in
artikel 14a,
tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
C.¹
In artikel 11 (Werkloosheidswet),
onderdeel C, vervalt in artikel 27a,
tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
D.¹
In artikel 16 (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen), onderdeel
C, vervalt in
artikel 20a, tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
1. Volgens de redactie
dient artikel 29 te luiden als volgt:
Art. 29.
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende
voorstel van wet houdende wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in
verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken II 2007-2008, 31 514, nr.
2) nadat het tot wet is verheven en in werking is getreden vóór het
tijdstip waarop de onderhavige wet in werking treedt,
wordt hoofdstuk 10 als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 (Algemene bijstandswet),
onderdeel A en B, vervalt
telkens "of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,".
B.
In artikel 10 (Toeslagenwet),
onderdeel B en C, vervalt
telkens "of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
C.
1. In artikel 11 (Werkloosheidswet),
onderdeel B, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
2. In artikel 11, onderdeel C, vervalt telkens
"van deze wet of de artikelen 28, tweede lid, of
29, eerste lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
D.
In artikel 16 (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers), onderdeel
A en C, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,".
E.
In artikel 17 (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen), onderdeel
A en C, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, en
29, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,".
F.
In artikel 23 (Wet werk en
bijstand), onderdeel A, wordt "de artikelen
28, tweede lid, of 29, eerste lid"
vervangen door: artikel 30c, tweede
en derde lid.
HOOFDSTUK
12
Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Art.
1. [MvT]
In artikel 57b, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
wordt "afdeling 5.2" vervangen door:
titel 5.2.
Art.
26. [MvT]
De Zorgverzekeringswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
1. Indien deze wet eerder in werking treedt dan het bij koninklijke
boodschap van 11 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet
op de zorgtoeslag en enige
andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun
zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers
zorgverzekering) (Kamerstukken II 2008-2009, 31 736, nrs. 1-2), wordt in
artikel 39, tweede lid, onderdeel f en h, van de Zorgverzekeringswet
"boeten" telkens vervangen door: bestuurlijke boeten.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 11 oktober 2008 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet
op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook
wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele
maatregelen wanbetalers zorgverzekering) (Kamerstukken II 2008-2009, 31
736, nrs. 1-2), in werking treedt of is getreden op het tijdstip waarop
deze wet in werking treedt, wordt in artikel 39, tweede lid,
onderdeel
f en i, van de Zorgverzekeringswet "boeten" telkens vervangen door:
bestuurlijke boeten.
B. [MvT]
In artikel 69, derde lid, wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke
boete.
C. [MvT]
In artikel 93, eerste lid, wordt "afdeling 5.2" vervangen door:
titel 5.2.
D. [MvT]
Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het College zorgverzekeringen legt de verzekerde een bestuurlijke
boete op, indien:
a. de zorgverzekering niet binnen vier maanden na het ontstaan van de
verzekeringsplicht is ingegaan; of
b. een verzekeringsplichtige niet met ingang van de dag volgende op de
dag waarop een zorgverzekering is geëindigd op grond van een andere
zorgverzekering verzekerd is.
2. In het tweede en derde lid wordt "boete" telkens vervangen door:
bestuurlijke boete.
3. In het zesde wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
4. Het zevende lid komt te luiden:
-7. De te betalen geldsom van de opgelegde bestuurlijke boeten komt onder
aftrek van de vergoeding, bedoeld in het vijfde lid, toe aan het
Zorgverzekeringsfonds.
E. [MvT]
De artikelen 101 tot en met 113 vervallen.
F. [MvT]
In artikel 117, derde lid, wordt "de boete" vervangen door: de
bestuurlijke boete.
HOOFDSTUK
14
Slotbepalingen
Art.
2. [MvT]
Vóór de plaatsing in het Staatsblad brengt Onze Minister van Justitie de
in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen van de titels
4.4, 5.1
en 5.4 en afdeling 10.1.3 van de
Algemene wet bestuursrecht in
overeenstemming met de op grond van artikel V van de
Vierde tranche
Algemene wet bestuursrecht vastgestelde nummering.
Art.
3. [MvT]
De artikelen in deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 25 juni 2009, Stb. 2009, 266, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 juli 2009, met uitzondering van hoofdstuk
10, artikel 1, onderdeel A tot en met E, en hoofdstuk 10,
artikel 18, onderdeel B, voor zover het betreft de wijziging van artikel
18b, red.
Art.
4. [MvT]
Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet vierde tranche Awb.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
25 juni 2009
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
Uitgegeven de dertigste
juni 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|