St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

AANPASSINGSWET  VIERDE  TRANCHE  AWB

Versie 25 juni 2009

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2006-2007, 2007-2008, 2008-2009, 31 124.
Handelingen II 2008-2009, blz. 4803-4803.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 124 (A, B, C, D).
Handelingen I 2008-2009, blz. 1597-1619, 1619-1647.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 25 juni 2009, Stb. 2009, 265, tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb). Inwerkingtreding: 1 juli 2009 (Stb. 2009, 266).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bijzondere wetten aan te passen aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

[Voor de socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]

 

 

HOOFDSTUK  1

Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht

 

Art. 1.  [MvT]
De bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:
1. Aan onderdeel B (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) wordt toegevoegd:
[MvT]
7.¹ Besluit tijdelijk financieel toezicht BES.
8.¹ Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten.
2. In onderdeel B (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) vervallen de subonderdelen 7 onderscheidenlijk 8 ¹ op het tijdstip waarop het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES onderscheidenlijk het Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten vervallen.
[MvT]
3. Onderdeel C (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) wordt gewijzigd als volgt:
[MvT]
a. subonderdeel 3 komt te luiden:
3. De bepalingen, genoemd in artikel 20.2, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer.
b. Het tweede subonderdeel 6 wordt vernummerd tot subonderdeel 7.
4. In onderdeel E (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) vervallen de subonderdelen 5 en 6.
[MvT]

1. Volgens de redactie dienen de subonderdelen 7 en 8 te worden vernummerd tot subonderdelen 6 en 7.

 

Art. 2.  [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 22 juli 2004 ingediende voorstel van wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) tot wet is of wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:
A.
In artikel I, onderdeel F, wordt aan artikel 5:1, derde lid, een volzin toegevoegd, luidende:
Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
B.
[MvT]
Artikel I, onderdeel I, wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 5:44 wordt als volgt gewijzigd:
[MvT]
1º. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
2º. In het derde lid, onderdeel a, wordt "zowel van strafvervolging als van toepassing van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht" vervangen door: van strafvervolging.
2. In artikel 5:45, tweede lid, wordt "twee" vervangen door: drie.
[MvT]
3. In artikel 5:47 vervalt de tweede volzin.
[MvT]
Ba.
In artikel I, onderdeel P, wordt "artikel 8:74, eerste lid" vervangen door "artikel 8:74, eerste en tweede lid" en wordt voor "vervangen" ingevoegd: telkens.
C.
[MvT]
Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:
-2. Artikel 5:44, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing indien het recht tot strafvervolging is vervallen doordat is voldaan aan de voorwaarden die krachtens een wettelijk voorschrift zijn gesteld ter voorkoming van strafvervolging.

 

Art. 3.
Indien het bij geleidende brief van 14 december 2004 ingediende voorstel van wet van de leden Wolfsen en Luchtenveld tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met de mogelijkheid van een dwangsom bij niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen) (Kamerstukken I 2005-2006, 29 934, A) tot wet is of wordt verheven en later in werking treedt dan deze wet, wordt bij inwerkingtreding van die wet de Algemene wet bestuursrecht als volgt gewijzigd:
a. Het tweede lid, alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid van artikel 4:18 vervallen.
b. In artikel 4:20 wordt "artikel 4:18, eerste lid," vervangen door: artikel 4:18,.

 

 

HOOFDSTUK  10

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

 

Art. 1.¹  [MvT]
De Algemene bijstandswet wordt als volgt gewijzigd:
A.¹
[MvT]
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14.
-1. Burgemeester en wethouders weigeren de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet binnen de door burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen ² daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 8, zesde lid, onderdeel b, artikel 65, tweede of derde lid, artikel 70, vierde lid, of een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels worden gesteld.
B.¹
[MvT]
Artikel 14a komt te luiden:
Art. 14a.
-1. Burgemeester en wethouders leggen een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
C.¹
[MvT]
De artikelen 14b tot en met 14e vervallen.
D.¹
[MvT]
Artikel 14f komt te luiden:
Art. 14f.
-1. Burgemeester en wethouders verrekenen de bestuurlijke boete met algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, die de overtreder ontvangt.
-2. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-3. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet of de Wet arbeid en zorg, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders. Indien burgemeester en wethouders gebruik maken van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. zijn burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Da. Vervallen.
Db. Vervallen.
Dc. Vervallen.
E.¹
[MvT]
Artikel 142a vervalt.

1. Ingevolge het enig artikel, aanhef en onder b, onder 1º, van het Besluit 25 juni 2009, Stb. 2009, 266, treedt artikel 1, onderdeel A tot en met E, niet in werking, red.
2. Volgens de redactie dient ", onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen" te vervallen.

 

Art. 2.  [MvT]
De Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het achtste lid komt te luiden:
-8. Een herziening van de kinderbijslag op grond van dit artikel vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-9. De Sociale verzekeringsbank betaalt de herziene kinderbijslag, bedoeld in het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van de kinderbijslag nadat de herziening, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden.
B.
[MvT]
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert de kinderbijslag tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een verplichting op grond van artikel 16 opgelegd, of de verplichting, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 15 niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2. In het vijfde lid wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
C.
[MvT]
Artikel 17a komt te luiden:
Art. 17a.
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 15.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
Artikel 17b vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 17c komt te luiden:
Art. 17c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel 17g, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
F.
[MvT]
De artikelen 17d en 17e vervallen.
G.
[MvT]
In artikel 17f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H.
[MvT]
Artikel 17g komt te luiden:
Art. 17g.
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met kinderbijslag op grond van deze wet, ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet of een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet werk en inkomen kunstenaars, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn verplichting als bedoeld in artikel 17a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I.
[MvT]
Aan artikel 18 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-8. Indien de kinderbijslag in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de kinderbijslag in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
J.
[MvT]
Artikel 21a komt te luiden:
Art. 21a.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde kinderbijslag beschouwd als kinderbijslag op grond van deze wet.
K.
[MvT]
In artikel 24 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
L.
[MvT]
Artikel 24a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde kinderbijslag, bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt "artikel 17g, tweede lid" vervangen door: artikel 17g, eerste lid.
M.
[MvT]
Artikel 24b komt te luiden:
Art. 24b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
N.
[MvT]
In artikel 36 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
O.
[MvT]
Artikel 39 vervalt.

 

Art. 3.  [MvT]
De Algemene nabestaandenwet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van een uitkering op grond van deze wet in verband met een wijziging van het nettominimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. De Sociale verzekeringsbank betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het derde lid, heeft plaatsgevonden.
B.
[MvT]
Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Het vijfde lid vervalt.
C.
[MvT]
Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting op grond van artikel 36, tweede lid, of 37 opgelegd, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 35, niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2. In het vijfde lid wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
Artikel 39 komt te luiden:
Art. 39.
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
E.
[MvT]
Artikel 40 vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 41 komt te luiden:
Art. 41.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel 45, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
G.
[MvT]
De artikelen 42 en 43 vervallen.
H.
[MvT]
In artikel 44 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
I.
[MvT]
Artikel 45 komt te luiden:
Art. 45.
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet werk en inkomen kunstenaars, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 39, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
J.
[MvT]
Artikel 46, eerste lid, komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.
K.
[MvT]
Artikel 47 komt te luiden:
Art. 47.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.
L.
[MvT]
Artikel 48 komt te luiden:
Art. 48.
Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
M.
[MvT]
In artikel 53 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
N.
[MvT]
Artikel 54, eerste lid, komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
O.
[MvT]
Artikel 55 komt te luiden:
Art. 55.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
P.
[MvT]
Artikel 57, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van een uitkering op grond van het tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Q.
[MvT]
In artikel 77 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
R.
[MvT]
Artikel 79 vervalt.

 

Art. 4.  [MvT]
De Algemene Ouderdomswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het achtste lid komt te luiden:
-8. Een herziening van het bruto-ouderdomspensioen in verband met een wijziging van het nettominimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een negende lid toegevoegd, luidende:
-9. De Sociale verzekeringsbank betaalt het herziene ouderdomspensioen, bedoeld in het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van het ouderdomspensioen nadat de herziening, bedoeld in het achtste lid, heeft plaatsgevonden.
B.
[MvT]
Artikel 17b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert het ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend indien de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting hem op grond van artikel 15, tweede lid, opgelegd, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
2. In het vijfde lid wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
C.
[MvT]
Artikel 17c komt te luiden:
Art. 17c.
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
Artikel 17d vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 17e komt te luiden:
Art. 17e.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel 17i, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
F.
[MvT]
De artikelen 17f en 17g vervallen.
G.
[MvT]
In artikel 17h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H.
[MvT]
Artikel 17i komt te luiden:
Art. 17i.
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met het ouderdomspensioen dat degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van deze wet ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet werk en inkomen kunstenaars, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 17c, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I.
[MvT]
Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank betaalt het ouderdomspensioen waarop op grond van deze wet recht bestaat. De betaling geschiedt als regel maandelijks.
2. Het derde lid komt te luiden:
-3. Indien het ouderdomspensioen in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op het ouderdomspensioen in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
J.
[MvT]
Artikel 20, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van het ouderdomspensioen op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld.
K.
[MvT]
Artikel 21 komt te luiden:
Art. 21.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op het nog niet vastgestelde ouderdomspensioen beschouwd als ouderdomspensioen op grond van deze wet.
L.
[MvT]
In artikel 24 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
M.
[MvT]
Artikel 24a, eerste lid, komt te luiden:
-1. De Sociale verzekeringsbank kan het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
N.
[MvT]
Artikel 24b komt te luiden:
Art. 24b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
O.
[MvT]
Aan artikel 31 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
P.
[MvT]
Artikel 33a vervalt.
Q.
[MvT]
Artikel 33b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. De toekenning van de tegemoetkoming, voor zover die niet samenhangt met de toekenning van het ouderdomspensioen, vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. Artikel 9, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-4. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt maandelijks tezamen met de betaling van het ouderdomspensioen.
R.
[MvT]
In artikel 65 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
S.
[MvT]
Artikel 68 vervalt.

 

Art. 10.  [MvT]
De Toeslagenwet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 11, derde tot en met zesde lid, komt te luiden:
-3. De toeslag op een loondervingsuitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien de loondervingsuitkering waarop de toeslag wordt of werd betaald ook op die wijze wordt betaald en indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.
-4. Een toeslag als bedoeld in het derde lid wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt, wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
-5. Een herziening van de toeslag als gevolg van een wijziging van het minimumloon of als gevolg van een indexering van het dagloon of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend, vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-6. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
B.
[MvT]
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert de toeslag tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van een verplichting als bedoeld in artikel 13 of artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen,¹ daarvoor vastgestelde termijn nakomen door genoemde personen van een verplichting als bedoeld in artikel 12 of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het derde tot en met vijfde lid komen te luiden:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 12 of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijk vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 14a wordt opgelegd.
C.
[MvT]
Artikel 14a komt te luiden:
Art. 14a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van een verplichting als bedoeld in artikel 12 of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 12 of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijk vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
Artikel 14b vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 14c komt te luiden:
Art. 14c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
F.
[MvT]
De artikelen 14d en 14e vervallen.
G.
[MvT]
In artikel 14f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H.
[MvT]
Artikel 14g komt te luiden:
Art. 14g.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een toeslag op grond van deze wet, een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Wet arbeid en zorg, die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I.
[MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de toeslag waarop op grond van deze wet recht bestaat.
2. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-5. Onverminderd het eerste tot en met vierde lid vindt betaling plaats:
a. binnen zes weken na indiening van de aanvraag indien artikel 11, derde lid, van toepassing is;
b. bij de eerstvolgende betaling van de toeslag nadat wijziging van het minimumloon heeft plaatsgevonden of tegelijk met de eerstvolgende gewijzigde loondervingsuitkering indien artikel 11, vijfde lid, van toepassing is;
c. tegelijk met de betaling van de vakantie-uitkering op de loondervingsuitkering indien artikel 11, zesde lid, van toepassing is.
J.
[MvT]
Artikel 17 komt te luiden:
Art. 17.
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag beschouwd als een toeslag op grond van deze wet.
K.
[MvT]
In artikel 20 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
L.
[MvT]
Artikel 20a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde toeslag, bedoeld in artikel 20, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
M.
[MvT]
Artikel 20b, tweede lid, komt te luiden:
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
N.
[MvT]
In artikel 26 wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
O.
[MvT]
In artikel 40 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
P.
[MvT]
Artikel 43a vervalt.

1. Volgens de redactie dient ", onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen," te vervallen.

 

Art. 11.  [MvT]
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid ¹ komt te luiden:
-3. Een uitkering als bedoeld in artikel 18 en een uitkering die verband houdt met een verleende ontheffing op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.
2. Het vierde lid ¹ komt te luiden:
-4. Een uitkering als bedoeld in het derde lid ¹ wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt, dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
3. Onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende: ¹
-5. Het UWV betaalt de uitkering, bedoeld in het derde lid,¹ binnen zes weken na indiening van de aanvraag.
B.
[MvT]
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:
-1. Het UWV weigert de uitkering blijvend geheel ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3º, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.
-2. Het UWV weigert de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2º.
-3. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º of 4º, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV, onderscheidenlijk de CWI,² daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-4. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde, bedoeld in de Ziektewet, die gedurende de eerste dertien weken van zijn ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte een uitkering ontvangt op grond van deze wet een verplichting voortvloeiend uit artikel 45, eerste lid, van de Ziektewet niet is nagekomen.
2. Het zevende tot en met negende lid komen te luiden:
-7. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 25 of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, b of d, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a wordt opgelegd.
C.
[MvT]
Artikel 27a komt te luiden:
Art. 27a.
-1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet of artikel 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
Artikel 27b vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 27c komt te luiden:
Art. 27c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
F.
[MvT]
De artikelen 27d en 27e vervallen.
G.
[MvT]
In artikel 27f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
H.
[MvT]
Artikel 27g komt te luiden:
Art. 27g.
-1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de overtreder ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de overtreder een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de overtreder zijn verplichting, bedoeld in artikel 27a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
I.
[MvT]
In artikel 27h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
J.
[MvT]
Artikel 30, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.
K.
[MvT]
Artikel 31 komt te luiden:
Art. 31.
-1. Het UWV betaalt geen voorschot op de uitkering over tijdvakken waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil tussen de werknemer en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de werknemer.
-2. Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.
L.
[MvT]
Artikel 33, vijfde lid, komt te luiden:
-5. De vakantiebijslag wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
M.
[MvT]
In artikel 36 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
N.
[MvT]
Artikel 36a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 36, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
O.
[MvT]
Artikel 36b komt te luiden:
Art. 36b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
P.
[MvT]
Artikel 39, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Q.
[MvT]
Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Het UWV betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
R.
[MvT]
Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tiende lid tot zevende lid vervallen het zesde tot en met negende lid.
2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:
-6. Het UWV kan de in het eerste lid bedoelde bedragen invorderen bij dwangbevel.
S.
[MvT]
In artikel 116, eerste lid, wordt "en 79, tiende lid" vervangen door: en 79, zevende lid.
T.
[MvT]
In artikel 127a, tweede lid, wordt "op grond van artikel 31" vervangen door: op grond van artikel 31 of 4:95, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
U.
[MvT]
In artikel 130o wordt "52a tot en met 52i, 72, 72a, 76, 76a, 77a, 79 en 130" vervangen door: 52a tot en met 52i, 72, 72a, 76, 76a, 77a, 79, eerste lid, en 130.
V.
[MvT]
In artikel 130q wordt "De artikelen 19, 20, 27, 43 en 79" vervangen door: De artikelen 19, 20, 27, 43 en 79, tweede lid,.
W.
[MvT]
In artikel 132 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
X.
[MvT]
Artikel 135a vervalt.

1. Volgens de redactie dient "derde lid" telkens te worden vervangen door "tweede lid", "vierde lid" te worden vervangen door "derde lid" en "Onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:" te worden vervangen door: Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:.
2. Volgens de redactie dient ", onderscheidenlijk de CWI," te vervallen.

 

Art. 11a.
De Wet arbeid en zorg wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 3:14, eerste lid, komt te luiden:
-1. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
B.
Artikel 3:16, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel k vervalt.
2. In onderdeel o wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
C.
Artikel 3:25, eerste lid, komt te luiden:
1. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
D.
Artikel 3:27, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel j vervalt.
2. In onderdeel m wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.

 

Art. 13.  [MvT]
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vierde lid toegevoegd:
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de grondslag van het minimumloon is herzien.
B.
[MvT]
Artikel 9a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
-4. De tegemoetkoming wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een vijfde lid toegevoegd:
-5. De betaling van de tegemoetkoming vindt plaats binnen één maand nadat het recht op de tegemoetkoming is vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde termijnen als die waarin de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt.
C.
[MvT]
Artikel 22, vierde lid, komt te luiden:
-4. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
D.
[MvT]
Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf 3, komt te luiden: Maatregelen en bestuurlijke boeten.
E.
[MvT]
Artikel 39, tweede tot en met vierde lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 62, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel 28, vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 40 wordt opgelegd.
F.
[MvT]
Artikel 40 komt te luiden:
Art. 40. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever van de verplichting, bedoeld in artikel 62.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 62, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
G.
[MvT]
Artikel 41 vervalt.
H.
[MvT]
Artikel 42 komt te luiden:
Art. 42. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
I.
[MvT]
De artikelen 43 en 44 vervallen.
J.
[MvT]
In artikel 45 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
K.
[MvT]
Artikel 46 komt te luiden:
Art. 46. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 40, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93 derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
L.
[MvT]
In artikel 46a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
M.
[MvT]
Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede tot en met zesde lid vervalt het tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Onverminderd het tweede lid schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen" vervangen door: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort.
3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
4. In het zesde lid (nieuw) wordt "of schorsing als bedoeld in het zesde lid" vervangen door: of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.
N.
[MvT]
Artikel 49, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de betaling van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
O.
[MvT]
In artikel 55 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
P.
[MvT]
Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Invordering bij dwangbevel.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 36, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
Q.
[MvT]
Artikel 57 komt te luiden:
Art. 57. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
R.
[MvT]
In artikel 64 wordt "de boeten, bedoeld in artikel 40" vervangen door: de bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel 40.
S.
[MvT]
Artikel 68 vervalt.
T.
[MvT]
In artikel 73 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
U.
[MvT]
Artikel 74 vervalt.

 

Art. 14.  [MvT]
De Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 8, tiende tot en met twintigste lid,¹ komt te luiden:
-10. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-11. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het tiende lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de grondslag van het minimumloon is herzien.
-12. Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.
-13. Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid tevens verzekerde was op grond van artikel 3, 4 of 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het loon dat hij als werknemer genoot, voor zover dat loon als dagloon aan de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt of zou liggen als hij bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid tevens arbeidsongeschikt is in de zin van die wet dan wel arbeidsongeschikt zou zijn geworden in de zin van die wet. De eerste zin blijft buiten toepassing als artikel 59, eerste of tweede lid, van toepassing is.
-14. Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag van het intreden van de arbeidsongeschiktheid recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag, verminderd met het bedrag van genoemde uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet waarop hij recht heeft op de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De eerste zin blijft buiten toepassing als artikel 59, eerste of tweede lid, van toepassing is.
-15. Indien het in het twaalfde lid bedoelde dagloon, het in het dertiende lid bedoelde loon of het in het veertiende lid bedoelde bedrag van de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet, alsmede het in die leden genoemde bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, lager is dan het minimumloon, bedoeld in het achtste lid, bedraagt de grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering het minimumloon, verminderd met dat dagloon, loon of bedrag, tenzij de grondslag, berekend op grond van het tweede tot en met zesde lid, tot een lager bedrag leidt, in welk geval laatstgenoemd bedrag als grondslag geldt.
-16. De toepassing van het twaalfde, dertiende en veertiende lid geldt onverminderd het zevende lid.
-17. Voor de toepassing van het twaalfde tot en met het veertiende lid wordt onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend. Voor de toepassing van het vijftiende lid wordt onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet niet verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht bestaat en wordt onder dagloon verstaan het dagloon maal 100/108.
-18. Het twaalfde tot en met vijftiende lid zijn niet van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering, bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk IV van de Ziektewet of hoofdstuk III van de Werkloosheidswet. Het veertiende en vijftiende lid zijn evenmin van toepassing op de persoon die op grond van artikel 3:6, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg een uitkering ontvangt.
-19. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de winst, de inkomsten en de periode waarover de winst en de inkomsten worden berekend, bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid.
-20. Voor de toepassing van het twaalfde tot en met het vijftiende lid en het zeventiende lid wordt met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet gelijkgesteld een uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, onder welke benaming dan ook, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden, uit hoofde van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Dit lid vervalt op het tijdstip van aanvang van fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 54 van die wet.
B.
[MvT]
Artikel 26, vierde lid, komt te luiden:
-4. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
C.
[MvT]
Het opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 3, komt te luiden: Maatregelen en bestuurlijke boeten.
D.
[MvT]
Artikel 47, tweede tot en met vierde lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 70, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel 35, vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 48 wordt opgelegd.
E.
[MvT]
Artikel 48 komt te luiden:
Art. 48. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 70.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijk vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 70, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
F.
[MvT]
Artikel 49 vervalt.
G.
[MvT]
Artikel 50 komt te luiden:
Art. 50. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
H.
[MvT]
De artikelen 51 en 52 vervallen.
I.
[MvT]
In artikel 53 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
J.
[MvT]
Artikel 54 komt te luiden:
Art. 54. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 48, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
K.
[MvT]
In artikel 54a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
L.
[MvT]
Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot tweede tot en met vijfde lid vervalt het tweede lid.
2. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
M.
[MvT]
Artikel 57, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
N.
[MvT]
Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid vervalt in artikel 63 het vijfde lid.
O.
[MvT]
Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Invordering bij dwangbevel.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 63, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
P.
[MvT]
Artikel 65 komt te luiden:
Art. 65. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
Q.
[MvT]
Artikel 94 vervalt.
R.
[MvT]
In artikel 99 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
S.
[MvT]
Artikel 100 vervalt.

1. Volgens de redactie dient "twintigste lid" te worden vervangen door: negentiende lid.

 

Art. 15.  [MvT]
De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
In artikel 40, achtste lid, onderdeel b, wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
B.
[MvT]
In de artikelen 83, eerste lid, onderdeel d, en 85, eerste lid, onderdeel b, wordt "boeten" telkens vervangen door: bestuurlijke boeten.

 

Art. 16.  [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 20 komt te luiden:
Art. 20.
-1. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
-2. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8 indien de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
-3. Het college weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het college, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen,¹ daarvoor vastgestelde termijn nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-4. Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-5. Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het eerste lid.
-6. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-7. Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het derde en het vierde lid nadere regels worden gesteld.
B.
[MvT]
Het opschrift van paragraaf 3a van hoofdstuk II komt te luiden: § 3a. Bestuurlijke boeten.
C.
[MvT]
Artikel 20a komt te luiden:
Art. 20a.
-1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen.
-2. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
De artikelen 20b tot en met 20e vervallen.
E.
[MvT]
Artikel 20f komt te luiden:
Art. 20f.
-1. Het college verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars of algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand die de overtreder ontvangt.
-2. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de bestuurlijke boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-3. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
F.
[MvT]
Artikel 25, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het college is bevoegd tot verrekening van de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering.
G.
[MvT]
Artikel 27 komt te luiden:
Art. 27.
De persoon van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
H.
[MvT]
Artikel 28, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
I.
[MvT]
In artikel 60a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.

1. Volgens de redactie dient "Centrale organisatie werk en inkomen" te worden vervangen door: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

Art. 17.  [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 20 komt te luiden:
Art. 20.
-1. Het college weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, dan wel ter zake van het niet binnen de door het college, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen,¹ daarvoor vastgestelde termijn nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel indien de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan.
-2. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; of
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
-3. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8 indien de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
-4. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-5. Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid.
-6. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-7. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het vierde lid nadere regels worden gesteld.
B.
[MvT]
Het opschrift van paragraaf 3a van hoofdstuk II komt te luiden: § 3a. Bestuurlijke boeten.
C.
[MvT]
Artikel 20a komt te luiden:
Art. 20a.
-1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen.
-2. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
D.
[MvT]
De artikelen 20b tot en met 20e vervallen.
E.
[MvT]
Artikel 20f komt te luiden:
Art. 20f.
-1. Het college verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet werk en inkomen kunstenaars of algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand die de overtreder ontvangt.
-2. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de bestuurlijke boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college van de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-3. Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
F.
[MvT]
Artikel 25, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het college is bevoegd tot verrekening van de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering.
G.
[MvT]
Artikel 27 komt te luiden:
Art. 27.
De persoon van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
H.
[MvT]
Artikel 28, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
I.
[MvT]
In artikel 60a wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.

1. Volgens de redactie dient ", onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen," te vervallen.

 

Art. 19.  [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
B.
[MvT]
Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als bedoeld in artikel 23, eerste lid, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de daartoe aangewezen deskundige om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting.
C.
[MvT]
Artikel 29, tweede tot en met vierde lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid, of in artikel 34a, eerste lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 29a wordt opgelegd.
D.
[MvT]
Artikel 29a komt te luiden:
Art. 29a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
E.
[MvT]
Artikel 29b vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 29c komt te luiden:
Art. 29c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
G.
[MvT]
De artikelen 29d en 29e vervallen.
H.
[MvT]
In artikel 29f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
I.
[MvT]
Artikel 29g komt te luiden:
Art. 29g.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 29a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
J.
[MvT]
In artikel 29h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
K.
[MvT]
Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met tiende lid tot tweede tot en met negende lid vervalt het tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Onverminderd het tweede lid schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen" vervangen door: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort.
3. Het derde (nieuw) lid komt te luiden:
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
4. In het negende lid (nieuw) wordt "in het negende lid" vervangen door: in het achtste lid.
L.
[MvT]
Artikel 54, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
M.
[MvT]
In artikel 57 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
N.
[MvT]
Artikel 57a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 57, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
O.
[MvT]
Artikel 57b komt te luiden:
Art. 57b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
P.
[MvT]
Artikel 59b, vijfde lid, komt te luiden:
-5. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Q.
[MvT]
In artikel 96 wordt "Overtreding van bepalingen van" vervangen door: Een gedraging die in strijd is met.
R.
[MvT]
Artikel 97 vervalt.

 

Art. 20.  [MvT]
De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 83c komt te luiden:
Art. 83c.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan een bestuurlijke boete van ten hoogste €|1500,00 opleggen aan de persoon, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel b en c, die op grond van artikel 54, eerste lid, gehouden is tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Centrale organisatie werk en inkomen,¹ indien hij deze niet dan wel niet binnen de op grond van artikel 54, vierde lid, gestelde termijn verstrekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan een bestuurlijke boete van ten hoogste €|5000,00 opleggen aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, indien het aan opzet of grove schuld van hem is te wijten dat geen, dan wel onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt.
B.
[MvT]
De artikelen 83d tot en met 83h vervallen.
C.
[MvT]
Artikel 84, eerste lid, komt te luiden:
-1. Overtreding van de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid,² 54, eerste, vierde en vijfde lid, en 55, tweede en derde lid, van deze wet, 27a, vierde lid, en 36, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, 33, vijfde lid, en 45a, vierde lid, van de Ziektewet, 77, vijfde lid, en 91, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 29a, vierde lid, en 57, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48, vierde lid, en 63, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 40, vierde lid, en 55, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 14a, vierde lid, en 20, vijfde lid, van de Toeslagenwet, 17c, vierde lid, en 24, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 17a, vierde lid, en 24, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 39, vierde lid, en 53, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.

1. Volgens de redactie dient "of de Centrale organisatie werk en inkomen" te vervallen.
2. Volgens de redactie dient "28, tweede lid, en 29, eerste lid," te vervallen.

 

Art. 23.  [MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 18, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,¹ waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Aa.
Aan artikel 48 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4.² Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering.
B.
[MvT]
Artikel 58, derde en vierde lid, komt te luiden:
-3. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.
-4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
C.
[MvT]
Artikel 60 komt te luiden:
Art. 60. Besluit tot terugvordering
-1. De persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
-2. Het college kan de kosten van de bijstand, bedoeld in de artikelen 58 en 59 invorderen bij dwangbevel.
-3. Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 worden teruggevorderd algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand of uitkering.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd.
-5. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van kosten van bijstand bij dwangbevel.
-6. Terugvordering van kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.

1. Volgens de redactie dient "de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid" te worden vervangen door: artikel 30c, tweede en derde lid.
2. Volgens de redactie de aanduiding "-4" te worden vervangen door: -5.

 

Art. 24.  [MvT]
De Wet werk en inkomen kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14. Voorschot
-1. Het door het college verleende voorschot heeft de vorm van een renteloze geldlening.
-2. Indien een uitkering wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid één of meer voorschotten is verleend, kan deze uitkering zonder machtiging van de kunstenaar worden verrekend met het voorschot of de voorschotten.
B.
[MvT]
Artikel 29, derde lid, komt te luiden:
-3. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.
C.
[MvT]
Artikel 34 komt te luiden:
Art. 34. Besluit tot terugvordering
-1. De kunstenaar van wie kosten van uitkering worden teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van dit hoofdstuk van belang zijn.
-2. Het college kan de kosten van de uitkering, bedoeld in dit hoofdstuk, invorderen bij dwangbevel.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie kosten van uitkering worden teruggevorderd.
-4. Zolang de kunstenaar zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van kosten van uitkering bij dwangbevel.
-5. Terugvordering van kosten van uitkering als bedoeld in dit hoofdstuk is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.

 

Art. 25.  [MvT]
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het UWV betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
B.
[MvT]
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede tot en met zesde lid vervalt het tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Onverminderd het tweede lid schort het UWV de betaling van de uitkering op" vervangen door: Het UWV schort de betaling van de uitkering op.
3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Indien de uitkering, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
C.
[MvT]
Artikel 68, derde lid, komt te luiden:
-3. De vakantiebijslag wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
D.
[MvT]
Artikel 71, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
E.
[MvT]
Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de tweede zin.
2. Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid vervalt het vijfde lid.
F.
[MvT]
Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden: Invordering bij dwangbevel.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 77, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
G.
[MvT]
Artikel 79 komt te luiden:
Art. 79. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
H.
[MvT]
Artikel 88, vierde en vijfde lid, komt te luiden:
-4. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan de voorschriften, bedoeld in artikel 64, derde lid, of in artikel 65, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
I.
[MvT]
In artikel 89, vierde lid, wordt "artikel 67, derde lid, onderdeel c" vervangen door: artikel 67, tweede lid, onderdeel c.
J.
[MvT]
In artikel 90, tweede lid, wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
K.
[MvT]
Artikel 91 komt te luiden:
Art. 91. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 27, achtste lid, van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste of achtste lid.
-2. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijk vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
L.
[MvT]
Artikel 92 vervalt.
M.
[MvT]
Artikel 93 komt te luiden:
Art. 93. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
N.
[MvT]
De artikelen 94 en 95 vervallen.
O.
[MvT]
Artikel 96 komt te luiden:
Art. 96. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
P.
[MvT]
In artikel 97 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
Q.
[MvT]
In artikel 118 wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
R.
[MvT]
Artikel 135 vervalt.

 

Art. 26.  [MvT]
De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
B.
[MvT]
Artikel 30a, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
C.
[MvT]
In artikel 33 vervalt, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid, het vijfde lid.
D.
[MvT]
Artikel 33a, eerste lid, komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 33, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
E.
[MvT]
Artikel 33b komt te luiden:
Art. 33b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
F.
[MvT]
Artikel 38, derde lid, komt te luiden:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00 indien de werkgever de verplichting, bedoeld in de eerste zin van het tweede lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid, 45c, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
G.
[MvT]
Artikel 38a, zevende lid, komt te luiden:
-7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00 indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het vijfde of zesde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid, 45c en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
H.
[MvT]
Artikel 39a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het zevende lid tot vierde lid vervallen het derde tot en met zesde lid.
2. Er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde bedragen invorderen bij dwangbevel.
I.
[MvT]
Artikel 40, vierde lid, komt te luiden:
-4. Een herziening van de betaling op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
J.
[MvT]
Artikel 45, derde tot en met vijfde lid, komt te luiden:
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, 38, tweede lid, derde zin, of 49, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege, indien voor dezelfde gedraging:
a. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 45a wordt opgelegd;
b. een maatregel op grond van artikel 27, vierde lid, van de Werkloosheidswet wordt opgelegd; of
c. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a van de Werkloosheidswet wordt opgelegd.
K.
[MvT]
Artikel 45a komt te luiden:
Art. 45a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
-6. Het opleggen van een bestuurlijke boete blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a van de Werkloosheidswet wordt opgelegd.
L.
[MvT]
Artikel 45b vervalt.
M.
[MvT]
Artikel 45c komt te luiden:
Art. 45c.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
N.
[MvT]
De artikelen 45d en 45e vervallen.
O.
[MvT]
In artikel 45f wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
P.
[MvT]
Artikel 45g komt te luiden:
Art. 45g.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde zijn verplichting, bedoeld in artikel 45a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Q.
[MvT]
In artikel 45h wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
R.
[MvT]
Artikel 47 vervalt.
S.
[MvT]
Artikel 47a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot eerste tot en met vierde lid vervalt het eerste lid.
2. Het nieuwe eerste lid komt te luiden:
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt geen voorschot indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid.
T.
[MvT]
Artikel 52c komt te luiden:
Art. 52c.
-1. Het ziekengeld wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.
-2. Het ziekengeld wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien sprake is van een spontane werkhervatting. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt, dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
-3. Een herziening van het ziekengeld als gevolg van een aanpassing van het dagloon aan het loonpeil in het beroep van de werknemer vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt het ziekengeld, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na indiening van de aanvraag.
-5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende ziekengeldbetaling nadat de aanpassing van het dagloon, bedoeld in dat lid, heeft plaatsgevonden.
U.
[MvT]
Artikel 63c komt te luiden:
Art. 63c.
Indien de werkgever zich met betrekking tot de begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een arbodienst, meldt hij dat zo spoedig mogelijk. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00 indien de werkgever deze verplichting niet is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid, 45c, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
V.
[MvT]
Artikel 81 vervalt.

 

Art. 27.  [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 13 december 2006 ingediende voorstel van wet houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Kamerstukken II 2005-2006, 30 909, nr. 2) tot wet is verheven en in werking is getreden, komt artikel 38a, zevende lid, van de Ziektewet te luiden:
-7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|454,00 indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het vijfde of zesde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 28.
Indien het bij koninklijke boodschap van 11 november 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen (Kamerstukken 31 767) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel C, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 11, onderdeel B, van hoofdstuk 10 van deze wet, komt het in artikel 11, onderdeel B, van hoofdstuk 10 van deze wet voorgestelde tweede lid van artikel 27 te luiden:
-2. Het UWV weigert ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2º, de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan:
a. indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen; of
b. indien, in plaats van artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van toepassing zou zijn geweest en de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

 

Art. 29.¹
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken II 2007-2008, 31 514, nr. 2) nadat het tot wet is verheven en in werking is getreden vóór het tijdstip waarop het onderhavige voorstel van wet in werking treedt, wordt hoofdstuk 10 als volgt gewijzigd:
A.¹
In artikel 1 (Algemene bijstandswet), onderdeel B, vervalt in artikel 14a, tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
B.¹
In artikel 10 (Toeslagenwet), onderdeel C, vervalt in artikel 14a, tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
C.¹
In artikel 11 (Werkloosheidswet), onderdeel C, vervalt in artikel 27a, tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
D.¹
In artikel 16 (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen), onderdeel C, vervalt in artikel 20a, tweede lid, "of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".

1. Volgens de redactie dient artikel 29 te luiden als volgt:
Art. 29.
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken II 2007-2008, 31 514, nr. 2) nadat het tot wet is verheven en in werking is getreden vóór het tijdstip waarop de onderhavige wet in werking treedt, wordt hoofdstuk 10 als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 (Algemene bijstandswet), onderdeel A en B, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,".
B.
In artikel 10 (Toeslagenwet), onderdeel B en C, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
C.
1. In artikel 11 (Werkloosheidswet), onderdeel B, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
2. In artikel 11, onderdeel C, vervalt telkens "van deze wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen".
D.
In artikel 16 (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), onderdeel A en C, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,".
E.
In artikel 17 (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen), onderdeel A en C, vervalt telkens "of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,".
F.
In artikel 23 (Wet werk en bijstand), onderdeel A, wordt "de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid" vervangen door: artikel 30c, tweede en derde lid.

 

 

HOOFDSTUK  12

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

 

Art. 1.  [MvT]
In artikel 57b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt "afdeling 5.2" vervangen door: titel 5.2.

 

Art. 26.  [MvT]
De Zorgverzekeringswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
1. Indien deze wet eerder in werking treedt dan het bij koninklijke boodschap van 11 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering) (Kamerstukken II 2008-2009, 31 736, nrs. 1-2), wordt in artikel 39, tweede lid, onderdeel f en h, van de Zorgverzekeringswet "boeten" telkens vervangen door: bestuurlijke boeten.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 11 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering) (Kamerstukken II 2008-2009, 31 736, nrs. 1-2), in werking treedt of is getreden op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt in artikel 39, tweede lid, onderdeel f en i, van de Zorgverzekeringswet "boeten" telkens vervangen door: bestuurlijke boeten.
B.
[MvT]
In artikel 69, derde lid, wordt "boete" vervangen door: bestuurlijke boete.
C.
[MvT]
In artikel 93, eerste lid, wordt "afdeling 5.2" vervangen door: titel 5.2.
D.
[MvT]
Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het College zorgverzekeringen legt de verzekerde een bestuurlijke boete op, indien:
a. de zorgverzekering niet binnen vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht is ingegaan; of
b. een verzekeringsplichtige niet met ingang van de dag volgende op de dag waarop een zorgverzekering is geëindigd op grond van een andere zorgverzekering verzekerd is.
2. In het tweede en derde lid wordt "boete" telkens vervangen door: bestuurlijke boete.
3. In het zesde wordt "boeten" vervangen door: bestuurlijke boeten.
4. Het zevende lid komt te luiden:
-7. De te betalen geldsom van de opgelegde bestuurlijke boeten komt onder aftrek van de vergoeding, bedoeld in het vijfde lid, toe aan het Zorgverzekeringsfonds.
E.
[MvT]
De artikelen 101 tot en met 113 vervallen.
F.
[MvT]
In artikel 117, derde lid, wordt "de boete" vervangen door: de bestuurlijke boete.

 

 

HOOFDSTUK 14

Slotbepalingen

 

Art. 2.  [MvT]
Vóór de plaatsing in het Staatsblad brengt Onze Minister van Justitie de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen van de titels 4.4, 5.1 en 5.4 en afdeling 10.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht in overeenstemming met de op grond van artikel V van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht vastgestelde nummering.

 

Art. 3.  [MvT]
De artikelen in deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹

1. Bij Besluit van 25 juni 2009, Stb. 2009, 266, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 juli 2009, met uitzondering van hoofdstuk 10, artikel 1, onderdeel A tot en met E, en hoofdstuk 10, artikel 18, onderdeel B, voor zover het betreft de wijziging van artikel 18b, red.

 

Art. 4.  [MvT]
Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet vierde tranche Awb.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 25 juni 2009

 

BEATRIX

 

De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst

 

Uitgegeven de dertigste juni 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x