St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

AANPASSINGSWET  VIERDE  TRANCHE  AWB

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 2006-2007, 31 124

Voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING  (enkel artikelsgewijs m.b.t. socialezekerheidswetten)

 

[INTEGRALE  MEMORIE VAN TOELICHTING (pdf-bestand)

Zie hoofdstuk 6 van deel I van de memorie van toelichting voor een toelichting op de gebruikte nummering van vuistregels en modellen. Overigens zijn, anders dan in dat hoofdstuk staat vermeld, de in deel II van de memorie omschreven vuistregels en modellen niet tevens als bijlage bij de memorie opgenomen, red.]

 

 

Inhoudsopgave

Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Wijziging in de Algemene wet bestuursrecht (artt. 1 en 2)
Hoofdstuk 10. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (artt. 1-4, 10, 11, 13-17, 19, 20 en 23-27)
Hoofdstuk 12. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (artt. 1 en 26)
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen (artt. 1-4)
 

 

rblz.|48| 

DEEL III

Artikelsgewijze  toelichting

 

Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de Algemene wet bestuursrecht


Artikel 1. Algemene wet bestuursrecht

     Op grond van artikel 8:4, onderdeel m, Awb [Algemene wet bestuursrecht, red.] staat geen beroep open tegen een besluit tot aanmaning of invordering bij dwangbevel. Dat betekent dat de uitzondering die in de bijlage bij de Awb voor de Meststoffenwet is gemaakt, kan vervallen.

 

Artikel 2. Overgangsbepaling


Onderdeel A [zie onderdeel B, red.]


Onder 1 [zie onderdeel B, onder 1, red.]

     Deze wijzigingen houden verband met de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330), waarin, kort gezegd, de strafrechtelijke transactie wordt vervangen door de figuur van de strafbeschikking. Dit betekent dat, in verband met het ne-bis-in-idembeginsel, in de Awb moet worden bepaald dat de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen vervalt als voor hetzelfde feit reeds een strafbeschikking is uitgevaardigd. Daarnaast moet de verwijzing naar de transactie in artikel 5.4.1.5 [5:44], derde lid, onderdeel a, Awb worden vervangen door een verwijzing naar de strafbeschikking. rblz.|49| Daartoe volstaat het woord "strafvervolging", omdat als gevolg van de Wet OM-afdoening ook het uitvaardigen van een strafbeschikking als een daad van vervolging wordt aangemerkt.


Onder 2 [zie onderdeel B, onder 2, red.]

     Deze wijziging sluit aan bij de wijziging van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht [hierna: Sr, red.], zoals dit komt te luiden na inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening. In artikel II, onderdeel Na, van de Wet OM-afdoening wordt de verjaringstermijn ter zake van de vervolging van strafrechtelijke overtredingen van twee jaar verlengd naar drie jaar. Omdat in artikel 5.4.1.6 [5:45], tweede lid, van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht [hierna: Vierde tranche Awb, red.] voor de termijn gedurende welke een bestuurlijke boete waarvoor de lichte procedure geldt, bij artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht is aangesloten, wordt voorgesteld de wijziging ervan ook in de Awb door te voeren.


Onder 3 [zie onderdeel B, onder 3, red.]

     De tweede volzin van artikel 5.4.1.8 [5:47] Awb verwijst naar artikel 74b Sr. Laatstgenoemd artikel vervalt als gevolg van de Wet OM-afdoening. De tweede volzin beoogde zeker te stellen dat na het opleggen van een bestuurlijke boete het recht op strafvordering herleeft als het gerechtshof naar aanleiding van een klacht op grond van artikel 12 Sv [Wetboek van Strafvordering, red.] een bevel tot vervolging geeft. Bij nader inzien volgt dit reeds uit de in de Vierde tranche Awb voorgestelde aanvulling van artikel 243 Sv. De tweede volzin kan dus worden gemist.


Onderdeel B [zie onderdeel C, red.]

     Ondanks de invoering van de strafbeschikking moet in de "ne-bis-in-idembepaling" van de Awb voorlopig ook nog rekening worden gehouden met transacties "oude stijl". Daarom is een tijdelijke bepaling nodig.

rblz.|87| 

Hoofdstuk 10. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid


Artikel 1. Algemene bijstandswet


Onderdeel A

Model 2, 66.


Onderdeel B

     Model 2, 75. Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid, het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid en het huidige vijfde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde rblz.|88| vierde lid: model 2 en 66. Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid. 68.


Onderdeel C

     Vervallen artikel 14b:
De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 14a van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd. 60.
     Het tweede lid kan vervallen, aangezien de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.

     Vervallen artikel 14c:
Vervallen eerste en tweede lid: 1, 2, 3, 87 en 88. Opmerking: het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. 83.
     Verder kan het derde lid vervallen, omdat er geen algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling op is gebaseerd.

     Vervallen artikelen 14d en 14e:
72, 71, artikel 5.4.1.5 [5:44] van de Awb.
86, 73.


Onderdeel D

     Het huidige eerste lid vervalt, omdat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel reeds toegekend is op basis van artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid: model 1 en 66.
Het huidige derde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde tweede lid: 66.

     Het huidige vierde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde derde lid: 66. Het huidige vijfde lid vervalt, aangezien afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     Het huidige zesde lid vervalt, omdat de inhoud van deze bepaling niet noodzakelijk is.
27 en 36, 50 en 51, 40. De tweede zin van het huidige negende lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde vierde lid.
18.
     Het huidige elfde lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het tiende lid en de vernummering van artikel 14a, vijfde lid, tot artikel 14a, vierde lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vijfde lid. In het vijfde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voorzover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 14a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel E

71.

rblz.|89| 

Artikel 2. Algemene Kinderbijslagwet


Onderdeel A

5.


Onderdeel B

Model 2, 66.


Onderdeel C

     Model 2, 75. Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid, het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid en het huidige vijfde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde vierde lid: model 2 en 66. Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid. 68.


Onderdeel D

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 17a van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
60.
     Het tweede lid kan vervallen, aangezien de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.


Onderdeel E

     1, 2, 3, 87 en 88. Opmerking: het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. 83.
     Artikel 17c, derde lid, vormt mede de grondslag voor het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. Het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel F

72, 71, artikel 5.4.1.5 [5:44] van de Awb.
86, 73.


Onderdeel G

66.


Onderdeel H

2 en 3.
     Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel
rblz.|90| toe te kennen ten aanzien van de opgelegde boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb. Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
40.
     Het huidige vijfde lid is overbodig geworden. 27 en 36.
     De eerste zin van het zevende lid vervalt, want de artikelen verwijzen naar de titel over executoriaal beslag. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 17a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel I

     Het voorgestelde achtste lid heeft betrekking op de uitbetaling van kinderbijslag in het buitenland.
     Onderdeel a gaat over de overmakingskosten die hierbij betrokken zijn. In artikel 4.4.1.7 [4:91] van de Awb wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan betaalt aan een schuldeiser buiten de Europese Unie, de daaraan verbonden kosten op het te betalen bedrag in mindering worden gebracht. Ook wordt in dat artikel de bevoegdheid gecreëerd om bij wettelijk voorschrift hiervan af te wijken. In onderdeel a is hiervan gebruik gemaakt door te bepalen dat de overmakingskosten bij uitbetaling van de kinderbijslag in het buitenland (dus niet alleen buiten de Europese Unie) op de kinderbijslag worden ingehouden. In de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) en de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) waren al enige tijd soortgelijke bepalingen opgenomen.
     Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl de SVB hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van de SVB ontvangt.


Onderdeel J

     22. Het huidige tweede lid wordt overeenkomstig artikel 4.4.1.11 [4:95] van de Awb aangepast.

rblz.|91| 
Onderdeel K

1, 2 en 3.


Onderdeel L

     38, de verwijzing naar artikel 17g is gewijzigd vanwege vernummering van de leden van dat artikel.


Onderdeel M

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 24, vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 24, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld.
     Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel E.


Onderdeel N

55.


Onderdeel O

71.

 

Artikel 3. Algemene nabestaandenwet


Onderdeel A

5.


Onderdeel B

5.


Onderdeel C

Model 2, 66.


Onderdeel D

     Model 2, 75. Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid, het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid en het huidige vijfde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde vierde lid: model 2 en 66.
     Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.
68.


Onderdeel E

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 39 van de Anw een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
60.
     Het tweede lid vervalt, aangezien de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.

rblz.|92| 
Onderdeel F

     1, 2, 3, 87 en 88 (opmerking: het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 41, derde lid, vormt mede de grondslag voor het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. Het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel G

72, 71, artikel 5.4.1.5 [5:44] van de Awb.
86, 73.


Onderdeel H

66.


Onderdeel I

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
40.
     Het huidige vijfde lid vervalt, omdat de inhoud van deze bepaling niet noodzakelijk is.
27 en 36.
     De eerste zin van het huidige zevende lid vervalt, omdat de artikelen verwijzen naar de titel over executoriaal beslag. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 39, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde zijn medewerking weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.

rblz.|93| 
Onderdeel J

     Op grond van artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, van de Awb dient betaling plaats te vinden binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking. Deze bepaling kan artikel 30, eerste lid, ten aanzien van de termijn waarbinnen moet worden betaald, vervangen. Van de op grond van artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, geboden mogelijkheid om een later tijdstip van betaling in de beschikking te vermelden, kan door de SVB gebruik worden gemaakt in gevallen van een te vroeg ingediende aanvraag.
     Hierdoor wordt de betalingstermijn verduidelijkt in verband met artikelen die bepalen dat een betaling geschiedt zonder beschikking.
5.


Onderdeel K

22.


Onderdeel L

     Het nieuwe artikel 48 is samengesteld uit de inhoud van het huidige artikel 48 (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b).
     Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van de SVB ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl de SVB hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van de SVB ontvangt.


Onderdeel M

1, 2 en 3.


Onderdeel N

38.


Onderdeel O

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 53, vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 53, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel F.


Onderdeel P

5.


Onderdeel Q

55.

rblz.|94| 
Onderdeel R

71.

 

Artikel 4. Algemene Ouderdomswet


Onderdeel A

5.


Onderdeel B

Model 2, 66.


Onderdeel C

     Model 2, 75. Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid, het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid en het huidige vijfde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde vierde lid: model 2 en 66.
     Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid. 68.


Onderdeel D

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 17c van de AOW een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd. 60, het tweede lid vervalt, aangezien de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven, 83, 89, 85.


Onderdeel E

     1, 2, 3, 87 en 88 (opmerking: systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 17e, derde lid, vormt mede de grondslag voor het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. Het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel F

72, 71, artikel 5.4.1.5 [5:44] van de Awb. 86, 73.


Onderdeel G

66.


Onderdeel H

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een rblz.|95| dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
40.
     Het huidige vijfde lid vervalt, omdat de inhoud van deze bepaling niet noodzakelijk is.
27 en 36.
     Het huidige zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid. De eerste zin van het huidige zevende lid kan vervallen, omdat de artikelen verwijzen naar de titel over executoriaal beslag. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 17c, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel I

     In het eerste lid wordt geregeld dat de betaling van het ouderdomspensioen maandelijks geschiedt door de SVB.
     Het nieuwe derde lid is samengesteld uit de inhoud van het huidige derde lid (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b).
     Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van de SVB ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl de SVB hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van de SVB ontvangt.


Onderdeel J

5.


Onderdeel K

22.


Onderdeel L

1, 2 en 3.

rblz.|96| 
Onderdeel M

38.


Onderdeel N

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 24, vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 24, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel E.


Onderdeel O

     5. Aan artikel 31 wordt de oude inhoud van artikel 33a toegevoegd.


Onderdeel P

     De inhoud van artikel 33a is verschoven naar het derde lid van artikel 31.


Onderdeel Q

5.


Onderdeel R

55.


Onderdeel S

71.

rblz.|101| 

Artikel 10. Toeslagenwet


Onderdeel A

5 en 6.
     Vierde lid: op de beëindiging van een toeslag is artikel 4.4.1.4 [4:88] van de Awb niet van toepassing. Teneinde de huidige praktijk ten aanzien van het niet verstrekken van beschikkingen in deze situatie te handhaven, wordt voorgesteld in dit lid een zelfde constructie toe te passen als in het voorgestelde derde lid. Immers, het recht op toeslag volgt het hoofdrecht op uitkering. Indien het hoofdrecht op uitkering bij beschikking wordt beëindigd, zal dit ook voor het recht op toeslag gelden. Nu artikel 4.4.1.4 [4:88], derde lid, van de Awb niet van toepassing is, wordt de inhoud van die bepaling in het vierde lid overgenomen. Ten aanzien van de betaling en de beëindiging van de toeslag in de in het derde en vierde lid bedoelde situatie gaat derhalve dezelfde constructie gelden.
     De betalingstermijnen welke op grond van artikel 4.4.1.4 [4:88], tweede lid, van de Awb bij wet opgenomen dienen te worden in verband met het derde, vijfde en zesde lid, van dit artikel zijn terug te vinden in het voorgestelde nieuwe vijfde lid van artikel 15.


Onderdeel B

Model 2, 66.


Onderdeel C

66 en model 2, 67, 75, 68, 66, het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.


Onderdeel D

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 14a van de Toeslagenwet (hierna: TW) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
     60. Het tweede lid vervalt, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven. 83, 89, 85.

rblz.|102| 
Onderdeel E

     1, 2 en 3 (opmerking: systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 14c, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel F

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel G

66.


Onderdeel H

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
27 en 36, 40. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 14a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.

rblz.|103| 
Onderdeel I

     Op grond van artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, van de Awb dient betaling plaats te vinden binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking. Deze bepaling kan artikel 30, eerste lid, ten aanzien van de termijn waarbinnen moet worden betaald, vervangen. Van de op grond van artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, geboden mogelijkheid om een later tijdstip van betaling in de beschikking te vermelden, kan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) gebruik worden gemaakt in het geval een aanvraag is ingediend en een beschikking is afgegeven ruim voordat recht op uitkering bestaat.
     Het voorgestelde vijfde lid geeft de betalingstermijnen welke op grond van artikel 4.4.1.4 [4:88], tweede lid, van de Awb bij wet bepaald dienen te worden in verband met artikel 11, derde, vijfde en zesde lid.


Onderdeel J

22.


Onderdeel K

     Artikel 20a kan (deels) vervallen, evenals de verwijzing daarnaar in het huidige vijfde lid, van artikel 20, omdat het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd: 1, 2 en 3.


Onderdeel L

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 20a is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel M

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 20, vijfde lid, alsmede de vernummering van het zesde lid van dat artikel tot vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 20, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel E.


Onderdeel N

66.


Onderdeel O

55.


Onderdeel P

71.

rblz.|104| 

Artikel 11. Werkloosheidswet


Onderdeel A

     5 en 6. De constructie van artikel 4.4.1.4 [4:88] van de Awb kan hier ten aanzien van de betaling van de uitkering de thans bestaande, van de Awb afwijkende, regeling op het punt van de bekendmaking van beschikkingen vervangen.
     Vierde lid: op de beëindiging van een uitkering is artikel 4.4.1.4 [4:88] van de Awb niet van toepassing. Teneinde de huidige praktijk ten aanzien van het niet verstrekken van beschikkingen in de in dit lid genoemde gevallen te handhaven, wordt voorgesteld in dit lid een zelfde constructie toe te passen als in het voorgestelde derde lid. Nu artikel 4.4.1.4 [4:88], derde lid, van de Awb niet van toepassing is, wordt de inhoud van die bepaling in het vierde lid overgenomen. Ten aanzien van de betaling (derde lid) en de beëindiging van de uitkering gaat derhalve dezelfde constructie gelden. Vijfde lid: betreft een termijnbepaling in verband met artikel 4.4.1.4 [4:88], tweede lid, van de Awb.


Onderdeel B

Model 2, 66.


Onderdeel C

     Model 2 en 66, 67, 75.
     De tekst van het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid en de tekst van het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid: model 2 en 66.
66, 68.
     Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.


Onderdeel D

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 27a van de Werkloosheidswet (hierna: WW) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
     60. De procedurele bepalingen van de zware procedure geven voldoende waarborgen.
83, 89, 85.


Onderdeel E

     1, 2, 3, 87 en 88 (opmerking: systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 27c, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.

rblz.|105| 
Onderdeel F

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel G

66.


Onderdeel H

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
     27 en 36, 40. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 27a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel I

66.


Onderdeel J

     Op grond van artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, van de Awb dient betaling plaats te vinden binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking. Deze bepaling kan artikel 30, eerste lid, ten aanzien van de termijn waarbinnen moet worden betaald, vervangen. Van de op grond van artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, geboden mogelijkheid om een later tijdstip van betaling in de beschikking te vermelden, kan door het UWV gebruik worden gemaakt in gevallen van een te vroeg ingediende aanvraag.


Onderdeel K

     Het huidige eerste lid van artikel 31 vervalt: 22 en 23. De bevoegdheid tot het toekennen van een voorschot is immers op grond van die bepaling in alle gevallen toegestaan, hetgeen ook volgt uit artikel 4.4.1.11 [4:95], eerste lid, van de Awb. Het huidige tweede lid wordt gehandhaafd, omdat dit een rblz.|106| uitzondering vormt op artikel 4.4.1.11 [4:95], eerste lid, van de Awb, welke voor de uitvoeringspraktijk van belang blijft. Deze bepaling komt terug in het eerste lid van het voorgestelde artikel 31.


Onderdeel L

5.


Onderdeel M

     1, 2 en 3. Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Artikel 36a van de WW kan derhalve (deels) vervallen evenals de verwijzing daarnaar in het huidige vijfde lid.


Onderdeel N

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 36a is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel O

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 36, vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 36, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel E.


Onderdeel P

5.


Onderdeel Q

5.


Onderdeel R

     1, 2 en 3.Het zevende lid vervalt, omdat het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Een dwangbevel levert een executoriale titel op. De bevoegdheid tot het uitvaardigen daarvan dient nog wel te worden toegekend; dit gebeurt in het voorgestelde zesde lid.
27 en 36.


Onderdeel S

     Deze wijziging is het gevolg van de vernummering van artikel 79, tiende lid, tot artikel 79, zevende lid.


Onderdeel T

     Beschikkingen over de betaling van een voorschot worden niet meer alleen gegeven op grond van artikel 31, maar tevens op grond van artikel 4.4.1.11 [4:95], eerste lid, van de Awb.

rblz.|107| 
Onderdelen U en V

     Met de Wet wijziging WW-stelsel zijn in de WW twee overgangsbepalingen opgenomen. In de artikelen 130o en 130q is bepaald dat artikel 79, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, respectievelijk artikel I, onderdeel EE, van de Wet wijziging WW-stelsel van toepassing blijft op de in die artikelen genoemde personen. De in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen in artikel 79, zesde tot en met tiende lid, zullen echter ook van toepassing moeten worden op de in de artikelen 130o en 130q genoemde personen. Zou dit niet het geval zijn, dan zou dat betekenen dat het UWV te maken krijgt met twee verschillende invorderingsregimes, hetgeen de uitvoering onnodig zou compliceren. Om die reden wordt voorgesteld de artikelen 130o en 130q van de WW toe te spitsen op de leden van artikel 79 van de WW waarop het overgangsrecht in de Wet wijziging WW-stelsel noodzakelijkerwijs betrekking moet hebben. De in het onderhavige wetsvoorstel aangebrachte wijzigingen in de overige leden zullen als gevolg hiervan ook betrekking hebben op de in artikel 130o en 130q van de WW genoemde personen.


Onderdeel W

55.


Onderdeel X

71.

rblz.|108| 

Artikel 13. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten


Onderdelen A, B en C

5.


Onderdeel D

66.


Onderdeel E

Model 2, 66.


Onderdeel F

     66, model 2, 75, 67, 68.
     De tekst van het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid en de tekst van het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid: 66 en model 2.      Het nieuwe vierde (thans vijfde) lid: 66.
     Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.


Onderdeel G

60.
     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 40 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd. Het tweede lid kan vervallen, aangezien de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.


Onderdeel H

     1, 2 en 3 (opmerking: systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 42, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel I

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel J

66.


Onderdeel K

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid
rblz.|110| en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
27, 36, 40.
     De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 40, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel L

66.


Onderdeel M

     22 en 23. Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid en het huidige zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde zesde lid. Het nieuwe derde lid is samengesteld uit de inhoud van het huidige vierde lid (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b). Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl het UWV hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt.


Onderdeel N

5.


Onderdeel O

     1, 2 en 3. Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Artikel 56 kan derhalve vervallen, evenals de verwijzing daarnaar in het vijfde lid.


Onderdeel P

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, rblz.|111| zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 56 is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel Q

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 55, vijfde lid, alsmede de vernummering van het zesde lid van dat artikel tot vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 55, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel H.


Onderdeel R

66.


Onderdeel S

     Artikel 68 is overbodig, omdat het in dit artikel opgenomen belanghebbendebegrip overeenkomt met het belanghebbendebegrip in artikel 1:2 van de Awb.


Onderdeel T

55.


Onderdeel U

71.

 

Artikel 14. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen


Onderdeel A

5.
     In verband met artikel 4.1.4 [4.4.1.4, red.] [4:88], tweede lid, van de Awb dient de wet de termijn te bepalen waarbinnen moet worden betaald. Deze termijnbepaling is opgenomen in het nieuwe elfde lid. Ten gevolge van de invoeging van dit extra lid en de vernummering van de verdere leden van dit artikel dienen de verwijzingen in de verdere leden van artikel 8 te worden aangepast. De overige wijzigingen van artikel 8 zijn het gevolg daarvan.


Onderdeel B

5.


Onderdeel C

66.


Onderdeel D

Model 2, 66.


Onderdeel E

66 en model 2, 67, 75, 68.
    
rblz.|112| Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid en het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid: model 2 en 66.
     Het nieuwe vierde (thans vijfde) lid: 66.
     Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.


Onderdeel F

60.
     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
     Het tweede lid vervalt, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.


Onderdeel G

     1, 2 en 3 (opmerking: systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt vervolgd), 83.
     Artikel 50, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel H

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel I

66.


Onderdeel J

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
     27, 36, 40. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
    
rblz.|113| Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 48, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel K

66.


Onderdeel L

22 en 23.
     Het nieuwe derde lid is samengesteld uit de inhoud van het huidige vierde lid (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b).
     Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl het UWV hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt.


Onderdeel M

5.


Onderdeel N

     1, 2 en 3. Systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd.


Onderdeel O

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 63, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 64 is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel P

     Deze wijziging is het gevolg van het vervallen van artikel 63, vijfde lid. Met het vervallen van artikel 63, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen rblz.|114| te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel G.


Onderdeel Q

     Artikel 94 is overbodig, omdat het in dit artikel opgenomen belanghebbendebegrip overeenkomt met het belanghebbendebegrip in artikel 1:2 van de Awb.


Onderdeel R

55.


Onderdeel S

71.

 

Artikel 15. Wet financiering sociale verzekeringen


Onderdelen A en B

66.

 

Artikel 16. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers


Onderdeel A

Model 2.


Onderdeel B

66.


Onderdeel C

     Model 2 en 66, 75, 67. Het nieuwe tweede lid wordt aangepast aan model 2 en 66. Het huidige vierde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde derde lid, het nieuwe vijfde lid wordt aangepast aan het laten vervallen van het tweede lid. Hierdoor kan op dat lid geen algemene maatregel van bestuur meer worden gebaseerd. 68.


Onderdeel D

60.
     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 20a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
     Het tweede lid vervalt, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.

     1, 2, 3, 87 en 88. Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd.
83.
     Nu het eerste en tweede lid vervallen, kan het derde lid ook vervallen.

71 en 72.
rblz.|115| 86, 73.


Onderdeel E

     Het huidige eerste lid vervalt, omdat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel reeds toegekend is op basis van artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid: model 1.
     Het huidige derde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde tweede lid en het huidige vierde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde derde lid. Het huidige vijfde lid vervalt, aangezien afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     Het huidige zesde lid vervalt, omdat de inhoud van deze bepaling niet noodzakelijk is.
     27 en 36, 50 en 51, 40. De tweede zin van het huidige negende lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde vierde lid.
18.
     Het huidige elfde lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het tiende lid en de vernummering van artikel 20a, vijfde lid, tot artikel 20a, vierde lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vijfde lid. In het vijfde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening.
     In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 20a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel F

Model 1.


Onderdeel G

1, 2 en 3.
     De Awb voorziet niet in de inlichtingenplicht zoals geregeld in het huidige tweede lid van artikel 27. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan informatie over juiste adressering. Daarom blijft deze bepaling gehandhaafd in het nieuw voorgestelde artikel 27.


Onderdeel H

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 28 is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het college van burgemeester en wethouders toegekend: 38 en 40.


Onderdeel I

66.

rblz.|116| 

Artikel 17. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen


Onderdeel A

Model 2.


Onderdeel B

66.


Onderdeel C

     Model 2 en 66, 75, 67, model 2 en 66. Het huidige vierde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde derde lid. Het voorgestelde vijfde lid wordt aangepast aan het laten vervallen van het tweede lid. Hierdoor kan op dat lid geen algemene maatregel van bestuur meer worden gebaseerd. 68.


Onderdeel D

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 20a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
60.
     Het tweede lid vervalt, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.

     1, 2, 3, 87 en 88. Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd.
83.
     Nu het eerste en tweede lid vervallen, kan het derde lid ook vervallen.

71, 72.
86, 73.


Onderdeel E

     Het huidige eerste lid vervalt, omdat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel reeds toegekend is op basis van artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid: model 1.
     Het huidige derde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde tweede lid. Het huidige vierde lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde derde lid. Het huidige vijfde lid vervalt, aangezien afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     Het huidige zesde lid vervalt, omdat de inhoud van deze bepaling niet noodzakelijk is.
     27 en 36, 50 en 51, 40. De tweede zin van het huidige negende lid blijft gehandhaafd in het voorgestelde vierde lid.
18.
     Het huidige elfde lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het tiende lid en de vernummering van artikel 20a, vijfde lid, tot artikel 20a, vierde lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vijfde lid. In het vijfde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor
rblz.|117| zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 20a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel F

Model 1.


Onderdeel G

1, 2 en 3.
     De Awb voorziet niet in de inlichtingenplicht zoals geregeld in het huidige tweede lid van artikel 27. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan informatie over juiste adressering. Daarom blijft deze bepaling gehandhaafd in het nieuw voorgestelde artikel 27.


Onderdeel H

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 28 is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het college van burgemeester en wethouders toegekend: 38 en 40.


Onderdeel I

66.

rblz.|119| 

Artikel 19. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering


Onderdeel A

5.


Onderdeel B

Model 2.


Onderdeel C

Model 2, 66.


Onderdeel D

Model 2 en 66, 75, 67, 68.
     Het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid en het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het derde lid: model 2 en 66.
     Het nieuwe vierde (thans vijfde) lid: 66.
     Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.


Onderdeel E

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 29a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
60.
     Het tweede lid vervalt, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.

rblz.|120| 
Onderdeel F

     1, 2 en 3 (opmerking: systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 29c, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Er is voor gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel G

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel H

66.


Onderdeel J [Onderdeel I, red.]

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid en het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
     27 en 36, 40. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 29a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.

rblz.|121| 
Onderdeel J

66.


Onderdeel K

22 en 23.
     Het nieuwe derde lid is samengesteld uit de inhoud van het huidige vierde lid (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b).
     Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl het UWV hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt.


Onderdeel L

5.


Onderdeel M

     1, 2 en 3. Systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Artikel 57a kan derhalve (deels) vervallen evenals de verwijzing daarnaar in het huidige vijfde lid.


Onderdeel N

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 57a is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel O

     De verwijzing in dit artikellid is aangepast in verband met het vervallen van artikel 57, vijfde lid, alsmede de vernummering van het zesde lid van dat artikel tot vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 57, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel F.


Onderdeel P

5.


Onderdeel Q

55.

rblz.|122| 
Onderdeel R

71.

 

Artikel 20. Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen


Onderdeel A

Model 2, 73.
     Op de boeteoplegging door het UWV is de zware procedure van toepassing en daarmee is het UWV op grond van artikel 5.4.2.6 [5:53] verplicht van overtredingen een rapport of proces-verbaal op te maken.


Onderdeel B

     60. Het tweede lid vervalt: de zware procedure biedt genoeg waarborgen.
83, 84 en 85.

1, 2 en 3.
     83, 2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
40.

72, 71, artikel 5.4.1.5 [5:44] van de Awb.
86, 73.
68.


Onderdeel C

     Technische aanpassingen in verband met verwijzingen naar vernummerde (onderdelen van) artikelen.

rblz.|123| 

Artikel 23. Wet werk en bijstand


Onderdeel A

Model 2.


Onderdeel B

Model 1 en 27.


Onderdeel C

     1, 2, 3 en 4. De tekst van het huidige tweede lid wordt gehandhaafd in het voorgestelde eerste lid. Het voorgestelde tweede lid bevat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel. 38 en 40. In het voorgestelde derde lid wordt de verrekeningsbevoegdheid van het college van een openstaande bijstandsvordering met algemene bijstand of een uitkering geregeld. Model 1.

rblz.|124| 

Artikel 24. Wet werk en inkomen kunstenaars


Onderdeel A

     Het huidige eerste lid wordt aangepast en het huidige tweede lid vervalt: 22.
     Het huidige derde lid wordt gehandhaafd in het nieuw voorgestelde tweede lid. Het nieuw voorgestelde tweede lid is nodig om de regeling te handhaven dat voor bijstand geen machtiging van belanghebbende vereist is.


Onderdeel B

27.


Onderdeel C

     1, 2, 3 en 4. De tekst van het huidige tweede lid wordt gehandhaafd in het voorgestelde eerste lid. Het voorgestelde tweede lid bevat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel. 38 en 40.

 

Artikel 25. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen


Onderdeel A

5.


Onderdeel B

     22 en 23. Het nieuwe derde lid is samengesteld uit de inhoud van het huidige vierde lid (onderdeel a) en een nieuw gedeelte (onderdeel b). Onderdeel b heeft betrekking op het tijdstip van betaling. In artikel 4.4.1.5 [4:89], derde lid, van de Awb wordt bepaald dat als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Voorgesteld wordt om bij uitbetalingen in het buitenland hiervan af te wijken. Dit omdat op het moment dat de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt, het vaak nog enkele dagen duurt voordat de rekening van de schuldeiser gecrediteerd wordt. Gevolg hiervan is dat er kans bestaat op overschrijding van de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, terwijl het UWV hier geen invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan ook om als tijdstip van betaling het moment te kiezen waarop de buitenlandse bank het geld van het UWV ontvangt.


Onderdelen C en D

5.


Onderdeel E

     23, 1, 2 en 3. Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Artikel 78 kan derhalve (deels) vervallen, evenals de verwijzing daarnaar in het huidige vijfde lid.


Onderdeel F

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 78 is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid rblz.|125| tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel G

     Deze wijziging is het gevolg van het vervallen van artikel 77, vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 77, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld waarbij ervoor is gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel H

Model 2.


Onderdeel I

     Artikel 89, vierde lid, wordt aangepast in verband met het vervangen van het huidige artikel 67, derde lid, onderdeel c, door het voorgestelde artikel 67, tweede lid, onderdeel c.


Onderdeel J

66.


Onderdeel K

66 en model 2, 75, 67, 68.
     De tekst van het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid; de tekst van het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid: 66 en model 2.
     Het nieuwe vierde (thans vijfde) lid: 66. Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid.


Onderdeel L

De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
60.
     Het tweede lid kan vervallen, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.


Onderdeel M

     1, 2 en 3 (opmerking: het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 93, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen.
rblz.|126| Deze grondslag blijft gehandhaafd maar wordt anders vormgegeven. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel G.


Onderdeel N

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel O

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid; het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
     27 en 36, 40. De tweede zin van het huidige zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 91, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel P

66.


Onderdeel Q

66.


Onderdeel R

71.

 

Artikel 26. Ziektewet


Onderdeel A

5.


Onderdeel B

Model 2.

rblz.|127| 
Onderdeel C

     1, 2 en 3. Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Artikel 33a kan derhalve (deels) vervallen, evenals de verwijzing daarnaar in het huidige vijfde lid.


Onderdeel D

     Het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd ten aanzien van de invordering van onverschuldigd betaalde uitkering, zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid. Het huidige eerste lid van artikel 33a is derhalve overbodig. In het voorgestelde eerst lid wordt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel van deze onverschuldigd betaalde uitkering aan het UWV toegekend.


Onderdeel E

     Deze wijziging is het gevolg van het vervallen van artikel 33, vijfde lid, alsmede de vernummering van het zesde lid van dat artikel tot vijfde lid. Met het ontbreken van artikel 33, vijfde lid, komt een gedeelte van de grondslag van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen te vervallen. Een nieuwe grondslag wordt voorgesteld waarbij ervoor is gekozen de delegatiegrondslag niet betrekking te laten hebben op te hanteren afwijkende betaaltermijnen, maar op de termijnen waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend. Ook hiermee wordt bereikt dat de betrokkene in termijnen kan betalen. Bij uitstel van betaling, in tegenstelling tot bij afwijkende betaaltermijnen, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn van uitstel, tenzij het bestuursorgaan anders bepaalt (artikel 4.4.2.5 [4:101] van de Awb). Bovendien kunnen aan een uitstel op grond van artikel 4.4.1.10 [4:94], vierde lid, van de Awb voorschriften worden verbonden. De Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen zal in verband hiermee nog worden aangepast.


Onderdeel F

     Model 2 en 66. Daarnaast zijn de verwijzingen in dit lid aangepast aan de gewijzigde artikelen.


Onderdeel G

     Model 2 en 66. Daarnaast zijn de verwijzingen in dit lid aangepast aan de gewijzigde artikelen.


Onderdeel H

1, 2 en 3.
     Vervallen vierde lid: het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd. Het dwangbevel levert een executoriale titel op. De bevoegdheid tot het uitvaardigen daarvan moet wel worden toegekend. Die bevoegdheid wordt in het voorgestelde zesde lid neergelegd.
     Het vijfde lid kan vervallen, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten regelt: 36.
27 en 36.


Onderdeel I

5.

rblz.|128| 
Onderdeel J

Model 2, 66.


Onderdeel K

     66 en model 2, 67, 75, 68. De tekst van het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid; de tekst van het huidige vierde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid: 66 en model 2. 66. Het voorgestelde vijfde lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige zevende lid. Het voorgestelde zesde lid is gelijk aan het huidige achtste lid.


Onderdeel L

     De zware procedure is van toepassing nu op grond van artikel 45a van de Ziektewet (hierna: ZW) een maximale bestuurlijke boete van €|2269,- kan worden opgelegd.
60.
     Het tweede lid kan vervallen, omdat de procedurele bepalingen van de zware procedure voldoende waarborgen geven.
83, 89, 85.


Onderdeel M

     1, 2 en 3 (opmerking: het systeem van de afdelingen 4.4.2 en 4.4.4 van de Awb wordt gevolgd), 83.
     Artikel 45c, derde lid, vormt mede de grondslag voor de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen. Deze grondslag blijft gehandhaafd, maar wordt anders vormgegeven. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar onderdeel E.


Onderdeel N

71 en 72.
86, 73.


Onderdeel O

66.


Onderdeel P

     2 en 3. Het is niet nodig de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel toe te kennen ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete, deze bevoegdheid vloeit immers reeds voort uit artikel 5.0.10 [5:10], tweede lid, van de Awb.
     Het huidige tweede lid wordt omgevormd tot het voorgestelde eerste lid; het huidige derde lid wordt omgevormd tot het voorgestelde tweede lid: model 1 en 66.
     Het huidige vierde lid vervalt, omdat afdeling 4.4.4 van de Awb de kosten van de tenuitvoerlegging regelt.
     De inhoud van het huidige vijfde lid is niet noodzakelijk en komt derhalve niet terug.
     27 en 36, 40. De tweede zin van het zevende lid wordt omgevormd tot het voorgestelde derde lid.
18.
     Het huidige negende lid blijft gehandhaafd en komt, in verband met het vervallen van het achtste lid, in technisch aangepaste vorm terug in het voorgestelde vierde lid. In het vierde lid wordt afgeweken van artikel 4.4.1.9 [4:93] van de Awb. Volgens artikel 4.4.1.9 [4:93] is verrekening niet toegestaan
rblz.|129| voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. In het vierde lid wordt echter bepaald dat indien de verzekerde niet aan de inlichtingenplicht van artikel 45a, vierde lid, voldoet, de beslagvrije voet wel vatbaar is voor verrekening. De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.


Onderdeel Q

66.


Onderdeel R

4.


Onderdeel S

     22 en 23. Immers, de bevoegdheid tot toekennen van een voorschot is op grond van die bepaling in alle gevallen toegestaan, hetgeen ook volgt uit artikel 4.4.1.11 [4:95], eerste lid, van de Awb. Het huidige tweede lid komt inhoudelijk terug in het voorgestelde eerste lid.


Onderdeel T

     5. De constructie van artikel 4.4.1.4 [4:88] van de Awb kan hier de thans bestaande, van de Awb afwijkende regeling op het punt van de bekendmaking van beschikkingen vervangen.
     Op de beëindiging van een uitkering is artikel 4.4.1.4 [4:88] van de Awb niet van toepassing. Teneinde de huidige praktijk ten aanzien van het niet verstrekken van beschikkingen bij spontane werkhervatting te handhaven, wordt voorgesteld in dit lid een zelfde constructie toe te passen als in het voorgestelde eerste lid. Spontane werkhervattingen komen veelvuldig voor en voor de uitkeringsgerechtigde zal dan over het algemeen duidelijk zijn dat geen recht op ziekengeld meer bestaat. Een aparte beschikking is in die gevallen niet noodzakelijk. Nu artikel 4.4.1.4 [4:88], derde lid, van de Awb niet van toepassing is, wordt de inhoud van die bepaling in het tweede lid overgenomen. Ten aanzien van de betaling (eerste lid) en de beëindiging van de uitkering in de in het tweede lid bedoelde situatie gaat derhalve dezelfde constructie gelden.
     Het derde lid komt inhoudelijk overeen met het huidige vierde lid, 5.
     Vierde en vijfde lid: betreffen termijnbepalingen in verband met artikel 4.4.1.4 [4:88], tweede lid, van de Awb.


Onderdeel U

     Artikel 63c wordt aangepast aan model 2. Daarnaast zijn de verwijzingen in dit artikel aangepast aan de gewijzigde artikelen.


Onderdeel V

71.

 

Artikel 27. Wijziging van de Ziektewet

Model 2 en 66.

rblz.|137| 

Hoofdstuk 12. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport


Artikel 1. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

60a.

rblz.|143| 

Artikel 26. Zorgverzekeringswet


Onderdelen A en B

66.


Onderdeel C

60a.


Onderdeel D

     Artikel 96, eerste lid, is gemodelleerd naar model 2 en het zevende lid is gemodelleerd naar model 3. Verder is artikel 96 aangepast conform vuistregel 66. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat op grond van artikel 96 een boete van meer dan €|340,- opgelegd kan worden, zodat ingevolge artikel 5.4.2.6 [5:53] van de Awb de zware procedure van toepassing is.


Onderdeel E

     Zoals toegelicht bij vuistregel 53 en 56, worden de begrippen "overtreding" en "overtreder" gedefinieerd in de Awb. Definities van die begrippen in een bijzondere wet zijn daarom overbodig. Artikel 101, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet kan daarom vervallen.
57, 60, 77, 67, 69, 70, 71, 68, 76, 75, 90, 86, 87, 73, 74, 4, 27, 34, 35, 36 en 59.


Onderdeel F

66.

rblz.|153| 

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen


Artikel 1. Buitenwerkingstelling procedureregels

     De aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de Vierde tranche Awb krijgt zijn beslag in één rijksbreed aanpassingsbesluit, dat de citeertitel "Aanpassingsbesluit vierde tranche Awb" zal dragen. Op diverse aan te passen algemene maatregelen van bestuur zijn bijzondere procedureregels van toepassing (voorhangprocedures, vertraagde inwerkingtreding, voordrachtprocedures). Toepassing van deze procedureregels dient bij aanpassingen als deze geen redelijk doel, aangezien het gaat om technische wijzigingen die een sequeel zijn van keuzes die reeds zijn gemaakt in het kader van de hoofdwet (de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) en de Aanpassingswet vierde tranche Awb. Om onnodige procedurelasten en vertraging te voorkomen, wordt derhalve voorgesteld om deze procedureregels eenmalig buiten werking te stellen voor zover het het aanpassingsbesluit betreft. Inhoud, systematiek en formulering van deze bepaling zijn gelijkluidend aan artikel 1a van hoofdstuk 11 van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2005, 282), waarin een soortgelijke buitenwerkingstelling was opgenomen voor aanpassingen van algemene maatregelen van bestuur die verband hielden met de invoering van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.

 

Artikel 2. Vernummering

     Dit artikel machtigt de Minister van Justitie om de verwijzingen in deze wet naar artikelen in de titels 4.4, 5.1 en 5.4 en in afdeling 10.1.3 van de Awb, die nog een voorlopige nummering kennen, in overeenstemming te brengen met de definitieve vernummering van deze artikelen op grond van artikel V van de Vierde tranche Awb.

 

Artikel 3. Inwerkingtreding

De Aanpassingswet dient tegelijk met de Vierde tranche Awb zelf in werking te treden. Niettemin is gekozen voor inwerkingtreding bij koninklijk besluit, die voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Op die wijze kan in het uiterste geval een aanpassing die niet meer klopt omdat een andere wetswijziging waarmee rekening was gehouden, op het laatste moment (nog) niet doorgaat, nog worden uitgesteld.

rblz.|154| 

Artikel 4. Citeertitel

Omdat te verwachten valt dat deze wet veelvuldig zal worden aangehaald, heeft de wet een citeertitel gekregen (zie Ar 184, tweede lid [Ar: Aanwijzingen voor de regelgeving, red.]).

 

 

De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | de wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x