De
Nederlandse arbeidsmarkt ontwikkelt zich vanaf 2004 positief. Het aantal werkenden is
toegenomen van 8,2 miljoen (2004) naar 8,6 miljoen (2007), de werkloze
beroepsbevolking is gedaald van 479 000 (2004) naar 345 000 (2007). Het volume
van de Werkloosheidswet (WW) is in dezelfde periode in uitkeringsjaren gedaald van 266 000 naar 183 000. Desondanks
is de werkhervattingskans
van langdurig werklozen met een uitkering op grond van de WW in deze
periode nauwelijks toegenomen. In 2004 was de kans dat een WW-gerechtigde
na twaalf maanden werkloosheid weer werk vond 17%. Ondanks de
veel krappere arbeidsmarkt in 2007 is deze kans slechts toegenomen naar
19%.
Ultimo 2007 waren ruim 98
000 WW-gerechtigden langer dan een jaar werkloos. Op datzelfde
moment stonden 236 000 vacatures open. De arbeidsmarkt is in veel sectoren op alle niveaus gespannen, maar de
match tussen langdurig
werklozen en beschikbare banen komt in de praktijk onvoldoende tot stand. Het
kabinet wil de match tussen werklozen en banen verbeteren via een
breed pakket aan maatregelen. Deze maatregelen richten zich zowel op de
vraagkant als op de aanbodkant van de arbeidsmarkt, en tevens op
verbetering van de uitvoering. Het voorstel van Wet
stimulering arbeidsparticipatie bevat maatregelen die gericht zijn op het stimuleren van de
vraagkant van de arbeidsmarkt.¹ De voorgenomen fusie van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) per
1 januari 2009 creëert
mogelijkheden om de uitvoering van de bemiddeling en re-integratie van
werklozen effectiever en doelmatiger vorm te geven. Deze taken worden bij
die fusie samengevoegd en ondergebracht in het WERKbedrijf UWV [lees:
UWV WERKbedrijf, red.].²
1. Kamerstukken II
2007-2008,
31 577.
2. Kamerstukken II 2007-2008,
31 514.
Het onderhavige wetsvoorstel
neemt belemmeringen voor werkhervatting aan de aanbodkant van de
arbeidsmarkt weg en versterkt de activerende werking van de WW. Het
voorstel draagt het UWV in de eerste plaats
op rblz.|2|
ervoor te zorgen dat
werkgevers vacatures beschikbaar stellen voor langdurig werkloze
WW-gerechtigden,
het zogenoemde werkaanbod. De beschikbare banen worden in
overleg met de betrokken werkgever aangeboden aan langdurig werklozen die
naar arbeid bemiddelbaar zijn, maar er niet zelf in zijn
geslaagd vervangend werk te vinden.
In de tweede plaats wijzigt
dit wetsvoorstel de gevolgen van werkhervatting voor het recht op WW
van
personen die langer dan 52 weken werkloos zijn. Bij werkhervatting zal
hun recht op WW niet langer worden beëindigd naar rato van het
aantal arbeidsuren. In plaats daarvan worden de inkomsten uit de nieuwe
arbeid verrekend met hun WW-uitkering. Inkomstenverrekening
voorkomt dat de werknemer een financieel nadeel lijdt door lager betaald
werk te gaan verrichten. Werkhervatting levert de werknemer in alle gevallen
een financieel voordeel op, ongeacht de hoogte van het nieuwe loon.
De voorstellen hangen samen
met de Richtlijn passende arbeid 2008.¹ Met deze richtlijn is het begrip
passende arbeid voor personen die op of na 1 juli 2008 werkloos zijn
geworden op twee aspecten aangepast. In de eerste plaats is het niveau
van beschikbare arbeid na één jaar onafgebroken werkloosheid geen aanleiding
meer om deze niet als passend aan te merken. Voor langdurig
werklozen is arbeid op ieder niveau passend, ongeacht het niveau van de
arbeid waaruit de werkloosheid is ontstaan.
1. Staatscourant 2008, nr.
123.
In de tweede plaats kan
arbeid na één jaar werkloosheid ook als passend worden aangemerkt als het
loon voor die arbeid minder bedraagt dan de WW-uitkering. Het loonniveau
is voor langdurig werklozen geen aanleiding meer om beschikbare arbeid
niet als passend aan te merken, met dien verstande dat de arbeid
wel moet voldoen aan de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en
de toepasselijke CAO. Ook deze aanpassing geldt voor personen die op
of na 1 juli 2008 werkloos worden.
De overstap op
inkomstenverrekening bij werkhervatting na 52 weken werkloosheid neemt het
nadeel weg van werkhervatting tegen een loon dat minder bedraagt dan de WW-uitkering. Gelijktijdig met de invoering van inkomstenverrekening zal
ook het Besluit dagloonregels
werknemersverzekeringen worden gewijzigd om te
voorkomen dat de langdurig werkloze die lager betaalde arbeid aanvaardt alsnog een financieel nadeel lijdt als hij opnieuw werkloos
wordt, nadat hij met die arbeid een nieuw WW-recht heeft opgebouwd.
Hiertoe zullen de voorwaarden voor de bestaande dagloongarantie
bij werkhervatting tegen een lager loon worden verruimd.
Deze maatregelen zullen, in
combinatie met een effectievere bemiddeling en de aangescherpte
arbeidsverplichtingen, langdurig werklozen stimuleren om hun zoekactiviteiten
sneller te richten op werk op een ander niveau en tegen een lager
loon. Dit vergroot hun kansen om werk te vinden en versterkt de
activerende werking van de WW. Het pakket aan maatregelen sluit aan bij de
analyse en het advies van de Commissie Arbeidsparticipatie.¹ Het
effect van de maatregelen is dat langdurig werklozen meer gaan participeren in
betaalde reguliere arbeid. Hierdoor neemt het effectieve arbeidsaanbod
toe. WW-gerechtigden die niet meewerken aan een terugkeer naar
betaalde arbeid worden op hun uitkering gekort. Het kabinet zal over de
handhaving van het sanctieregime afspraken maken met het UWV.
1. Naar een toekomst die
werkt, Advies Commissie
Arbeidsparticipatie, juni 2008.
rblz.|3|
2. Inhoud en doelstelling
van het wetsvoorstel
In deze paragraaf wordt
eerst de praktische invulling van het werkaanbod door het UWV
uiteengezet.
Vervolgens is aangegeven welke overwegingen ten grondslag liggen aan het
voorstel om voor langdurig werklozen de gevolgen van
werkhervatting voor het recht op WW te wijzigen (van arbeidsurenverlies
naar inkomstenverrekening).
a. Werkaanbod
De Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) belegt de bemiddelingstaak
voor langdurig werklozen vanaf 2009 bij het WERKbedrijf van het UWV. In
het kader van die taak kan het UWV, in overleg met de betrokken
werkgever, beschikbare banen aanbieden aan langdurig werklozen. Het
gaat daarbij om - al dan niet gesubsidieerde - reguliere arbeid. De
werkgever neemt uiteindelijk het besluit om de betrokkene al dan niet aan
te stellen.
In veel sectoren op de
arbeidsmarkt is de komende jaren sprake van een grote vervangingsvraag. Om
de kansen die dit aan werklozen biedt zo goed mogelijk te benutten,
wil het UWV de afstand tot de werkgever verkleinen en de
dienstverlening aan werkgevers verbeteren. Op landelijk niveau zal het UWV
convenanten sluiten met branches en werkgeversorganisaties over een gezamenlijke aanpak
bij het vervullen van vacatures door werkloze cliënten. Op
regionaal niveau komen brancheservicepunten waarin het UWV, samen met
onder meer uitzendbureaus, gemeenten en sociale
partners, zijn netwerk en expertise inzet voor een integrale arbeidsmarktbenadering. Concrete activiteiten in dit kader zijn
regionale banenmarkten waar
vraag en aanbod elkaar laagdrempelig kunnen ontmoeten en de inrichting van centra voor het testen van
arbeidsmarktcompetenties.
Op lokaal en regionaal
niveau zal het UWV werkgevers ondersteunen bij het vervullen van
beschikbare banen en bij het in kaart brengen van het arbeidsaanbod. De bedrijfsadviseur van het WERKbedrijf zal langdurig
werklozen en beschikbare
banen één-op-één trachten te matchen. Door deze aanpak krijgt het UWV
een beter beeld van de behoeften van het bedrijfsleven. Afstemming
van de dienstverlening op deze behoeften biedt kansen voor een
effectieve plaatsing van werklozen.
Het
UWV kan een werkaanbod
doen aan WW-gerechtigden die langer dan één jaar werkloos zijn en
direct naar arbeid bemiddeld kunnen worden. De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid zal jaarlijks met het UWV afspreken aan hoeveel
WW-gerechtigden een werkaanbod wordt gedaan. Dit kan zowel reguliere als
gesubsidieerde banen betreffen, bij werkgevers in marktsectoren en bij
overheidswerkgevers. Het werkaanbod is onderdeel van de bemiddelingstaak van
het UWV. Ook langdurig werkloze (ex-)werknemers van
overheidswerkgevers komen hiervoor in aanmerking. Als eigenrisicodrager draagt de
overheidswerkgever zorg voor de re-integratie van werkloze
overheidswerknemers. Het werkaanbod dient hierop aan te sluiten.
Vanwege de aanpassingen van
de regels voor passende arbeid zal een werkaanbod na één jaar
werkloosheid in beginsel altijd passend zijn. De WW
verplicht werklozen om
passende arbeid te zoeken en om aangeboden passende arbeid te
aanvaarden. Het weigeren van een werkaanbod of een verwijtbare gedraging
die ertoe leidt dat een passende baan niet wordt aangeboden, leidt tot
een blijvende weigering van de WW-uitkering.
rblz.|4|
Het werkaanbod beoogt, in
combinatie met de aanpassing van het begrip passende arbeid en de
invoering van inkomstenverrekening, de kansen op werk van langdurig werkloze
WW-gerechtigden te vergroten. Voor werkgevers biedt het werkaanbod een
goede mogelijkheid om vacatures sneller te vervullen. De voorgestelde aanpak ontsluit het WW-bestand
voor werkgevers die zich
bereid verklaren om vacatures beschikbaar te stellen voor langdurig
werklozen. Het werkaanbod is een succes als de kans dat langdurig werklozen
in werk hervatten aanmerkelijk toeneemt en als werkgevers hun vacatures
hierdoor vaker dan nu het geval is, invullen met langdurig werklozen.
b. Inkomstenverrekening
Op grond van de algemene
regels wordt de omvang van de werkloosheid, en daarmee van het recht op WW, vastgesteld op basis van het verlies aan arbeidsuren. Indien de
WW-gerechtigde bijvoorbeeld voorafgaand aan de werkloosheid per week
gemiddeld 32 uur heeft gewerkt en hij het werk voor 24 uur per week hervat,
dan resteert een uitkeringsrecht van acht uur per week. De hoogte van het
loon is hierbij niet van belang.
De systematiek van het
arbeidsurenverlies bevordert dat werkzoekenden hun competenties en hun
productiviteit, die in hun loon is verdisconteerd, weer zo goed mogelijk gaan
benutten. Een dergelijke stimulans is wenselijk vanuit het perspectief van
de arbeidsmarkt, waar de vraag naar hoogopgeleiden sterker toeneemt dan het
aanbod. Bovendien wordt hierdoor tegengegaan dat relatief
hoog opgeleide WW-gerechtigden andere werkzoekenden en werkenden met een lagere
opleiding van de arbeidsmarkt verdringen.
Sinds 1 juli 2006 bevat de
WW een bijzondere regeling voor WW-gerechtigden die starten als zelfstandig
ondernemer. Om het starten te bevorderen, kunnen WW-gerechtigden aan
het UWV toestemming vragen om de uitkering na die start
gedurende zes maanden voort te zetten, onder verrekening van de aan die periode toe te rekenen inkomsten uit arbeid.
70% van die inkomsten wordt
op de WW-uitkering in mindering gebracht, 30% wordt vrijgelaten.
Met
dit wetsvoorstel is
beoogd om ook voor langdurig werklozen een bijzondere regeling te
treffen. Een langdurige afwezigheid van de arbeidsmarkt tast de productiviteit, en
daarmee de loonwaarde, van de betrokken werkloze aan, bijvoorbeeld
door het missen van recente ontwikkelingen in het beroep of het verlies
van contacten. Langdurige werkloosheid kan verder twijfels bij
potentiële werkgevers doen ontstaan over de capaciteiten van de betrokken
WW-gerechtigde. Die twijfels verminderen de kans dat werk wordt
aangeboden op hetzelfde niveau als vóór de werkloosheid. Inkomstenverrekening neemt
belemmeringen voor werkhervatting weg en bevordert zodoende
een bredere oriëntatie op werk, ook op een lager niveau. Dit
vergroot de kans dat langdurig werklozen weer aan het werk gaan.
Aan inkomstenverrekening
kleeft een aantal nadelen. De functie van de WW wijzigt van een
werkloosheidsverzekering naar een regeling voor loonsuppletie. Volledige
werkhervatting staat immers niet in de weg aan voortzetting van de
WW-uitkering.
De (gedeeltelijke)
compensatie van een lager loon via de WW-uitkering beperkt de stimulans voor
werklozen om te streven naar een zo hoog mogelijk loon. Dit kan ertoe bijdragen dat zij relatief laag betaald werk aanvaarden en daardoor hun
competenties en productiviteit onvoldoende benutten. Als dit op grote
schaal gebeurt, daalt de productiviteit en worden actieve werknemers of
andere werklozen met geringere competenties van de arbeidsmarkt verdrongen.
rblz.|5|
Deze nadelen wegen bij
langdurig werklozen minder zwaar. Langdurige werkloosheid gaat immers
vaak al ten koste van productiviteit. In veel gevallen zal een langdurig
werkloze voor vervangend werk zijn aangewezen op werk op lager niveau, in
ieder geval in eerste instantie. Van verdringing is dan geen
sprake. Ook oudere werklozen moeten in de praktijk vaak een stapje terug doen,
om weer aan het arbeidsproces deel te nemen. Inkomstenverrekening
kan hen hiertoe in staat stellen. De arbeidsmarkt is bovendien meer gediend
bij hervatting van arbeid op een lager niveau dan bij het
voortduren van de langdurige werkloosheid.
Invulling
inkomstenverrekening
Inkomstenverrekening
betekent dat de WW-uitkering bij werkhervatting in beginsel niet wordt
beëindigd, maar dat deze wordt voortgezet, onder verrekening van de inkomsten
die de WW-gerechtigde met het nieuwe werk verwerft. De
inkomstenverrekening blijft van kracht gedurende de resterende duur van het
WW-recht. Om werkhervatting aantrekkelijk te maken, worden de nieuwe
inkomsten niet volledig met de uitkering verrekend, maar voor 70%.
Een voorbeeld verduidelijkt
de werking van het voorstel.
De langdurig werkloze
WW-gerechtigde die vóór zijn werkloosheid per week €|600,- verdiende,
ontvangt een uitkering van €|420,- per week. Als hij met een nieuwe baan €|400,-
gaat verdienen, wordt daarvan €|280,- (70%) verrekend met zijn
uitkering. Er resteert dan een WW-uitkering van €|140,-. Zijn totale inkomen bedraagt €|540,- (€ 400,- + €|140,-). De werkhervatting levert betrokkene per saldo
een voordeel op van €|120,-.
Inkomstenverrekening wordt
toegepast als de werkloze na 52 weken onafgebroken werkloosheid weer gaat
werken. Van onafgebroken werkloosheid is sprake als de WW-uitkering in die 52 weken niet gedurende een aaneengesloten periode van
vier weken of langer geheel is beëindigd. De omvang van de werkloosheid
tijdens die 52 weken is niet van belang. Om te voorkomen dat op een
WW-recht zowel arbeidsurenverlies als inkomstenverrekening moet worden toegepast, dient
de langdurig werkloze op het moment waarop hij het
werk hervat volledig werkloos te zijn. Deze voorwaarde wordt toegelicht
in hoofdstuk 3, bij de bespreking van de uitvoeringstoets van het UWV.
De WW-uitkering bestaat in
bijzondere gevallen uit twee of meer deelrechten. Voor de vaststelling van de
duur van de werkloosheid wordt in dat geval uitgegaan van de
datum waarop het eerste deelrecht is ontstaan. Voor het tweede of
volgende deelrecht geldt niet de voorwaarde dat dit minstens 52 weken
moet duren.
Voorgesteld wordt de
inkomstenverrekening uitsluitend toe te passen bij personen die het werk als
werknemer hervatten. Voor langdurig werklozen die als zelfstandige van
start gaan, blijft de bestaande aftrekregeling van kracht. Voor de
aftrekregeling voor zelfstandigen geldt geen minimumuitkeringsduur. De regeling
is dus ook van toepassing op WW-gerechtigden die nog maar enkele weken of
maanden werkloos zijn. Voor het oogmerk van die regeling,
het bevorderen van het starten vanuit de WW, is een duurvoorwaarde niet
nodig of wenselijk. De aftrekregeling is ook qua duur meer toegesneden op
de situatie van de startende zelfstandigen dan de in dit voorstel
beschreven inkomstenverrekening, die maximaal ruim twee jaar kan duren.
Voor de vaststelling van de
WW-uitkering moet het UWV
informatie hebben over het inkomen uit
arbeid van de WW-gerechtigde. Dit kan op zich ontleend worden aan de
loonaangifte door de werkgever van betrokkene. Voor een tijdige
vaststelling van de WW-uitkering komt deze informatie rblz.|6|
echter te laat. De
WW-uitkering zal bij inkomstenverrekening daarom in eerste instantie
bij wijze van voorschot worden vastgesteld op basis van de informatie van
de werknemer over diens brutoloon, met inbegrip van vast
overeengekomen toeslagen, zoals vakantietoeslag. De definitieve vaststelling van
de uitkering vindt plaats aan de hand van het loon dat de werkgever
opgeeft in het kader van de loonaangifte. Er zal in beginsel geen uitvraag bij
de werkgever plaatsvinden.
De WW-uitkering wordt na
werkhervatting niet in alle gevallen voortgezet. De uitkering wordt
beëindigd als de inkomsten uit het nieuwe werk meer bedragen dan 87,5% van het
loon waarop de uitkering is gebaseerd. Een inkomstenderving van minder
dan 12,5% wordt dus niet via de WW gecompenseerd. Dit
percentage is afgestemd op de huidige ondergrens voor het resterende
arbeidsurenverlies van minimaal vijf uur per week. De toepassing van een
ondergrens heeft als nadeel dat de WW-uitkering wegvalt zodra die grens
wordt overschreden. Dit kan tot gevolg hebben dat het totale inkomen van
de werknemer daalt als hij meer gaat verdienen.
De nadelen van
inkomstenverrekening zonder ondergrens wegen echter zwaarder. Indien geen
ondergrens zou worden toegepast, zou het UWV
een groot aantal WW-uitkeringen van (zeer) geringe omvang moeten
toekennen en betalen. Dit
zou leiden tot een forse toename van de uitvoeringskosten en de
administratieve lasten. Deze lasten zouden niet in verhouding staan tot het
belang van dergelijke uitkeringen voor de betrokken werknemers. Een
ondergrens beperkt verder de optische toename van het WW-volume
als gevolg van de voortzetting van de WW-uitkeringen na
werkhervatting.
Beëindiging van de
uitkering bij een inkomstenderving van minder dan 12,5% kan op twee manieren:
door beëindiging van het recht op WW of door de uitkering op nihil
te stellen. De regering geeft de voorkeur aan een volledige beëindiging
van het WW-recht als het inkomen meer bedraagt dan 87,5% van het
loon waarop de WW-uitkering is gebaseerd. Dit voorkomt dat de
betrokkene WW-rechten opsoupeert, terwijl hij feitelijk geen uitkering ontvangt.
Om te bepalen of de
WW-uitkering wordt voortgezet, worden de nieuwe inkomsten in beginsel
vergeleken met het loon dat de WW-gerechtigden voorafgaand aan de
werkloosheid heeft ontvangen. In de meeste gevallen zou dit kunnen door het
nieuwe loon te vergelijken met het WW-dagloon. Zo’n vergelijking pakt in
bijzondere gevallen echter onbillijk uit. Dit is bijvoorbeeld het geval als
betrokkene wegens gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid tevens een WAO-uitkering
ontvangt. Het WW-dagloon wordt in dat geval verlaagd naar
rato van de arbeidsongeschiktheidsklasse. Bij werkhervatting zou het loon
al snel meer bedragen dan 87,5% van dit dagloon, met als gevolg dat
het WW-recht eindigt. De regering acht dit niet wenselijk. Voorts zou
bij een WW-recht dat uit meerdere deelrechten bestaat niet duidelijk zijn
met welk dagloon het nieuwe loon vergeleken moet worden.
Daarom wordt voorgesteld het
loon na werkhervatting te vergelijken met 100/70 van de uitkering, of
uitkeringen, die betrokkene voorafgaand aan de werkhervatting ontving.
Als de WW-gerechtigde uitsluitend een WW-uitkering heeft die uit
één recht bestaat, komt dit feitelijk neer op een vergelijking met het
dagloon. Bij samenloop met een andere uitkering, of bij twee of meer
deelrechten, komt deze invulling het dichtst bij het loon dat betrokkene voorafgaand
aan de WW-uitkering heeft ontvangen.
Overgangsrecht
De regering stelt voor om
inkomstenverrekening toe te passen bij iedere werkhervatting door een
langdurige werkloze vanaf de inwerkingtredingsdatum rblz.|7|
van dit wetsvoorstel
(onmiddellijke werking). Ten opzichte van de bestaande systematiek
(arbeidsurenverlies) levert inkomstenverrekening bij werkhervatting meestal
een financieel voordeel op. Een nadeel treedt slechts op als de langdurig
werkloze in deeltijd gaat werken tegen een hoger (uur)loon dan waarop
de uitkering is gebaseerd. Een dergelijke situatie zal zich bij
langdurig werklozen naar verwachting niet vaak voordoen. De regering acht het daarom
verantwoord om aan de invoering van inkomstenverrekening
onmiddellijke werking te verlenen.
3. Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid
De taken van de CWI en het
UWV op het terrein van bemiddeling en re-integratie worden per
2009 samengevoegd en uitgevoerd door het WERKbedrijf UWV [lees: UWV
WERKbedrijf, red.]. Dit onderdeel van het UWV zal het werkaanbod
uitvoeren. Jaarlijks worden
met het UWV afspraken gemaakt over het aantal langdurig werklozen
aan wie het UWV een werkaanbod zal doen. Het UWV kan ervoor kiezen
deze taak zelf uit te voeren, eventueel via een detacheringsbedrijf, of uit
te besteden aan re-integratiebedrijven of uitzendbureaus. In alle
gevallen blijft het UWV aanspreekbaar op nakoming van de gemaakte afspraken.
Over de invoering van de
inkomstenverrekening en de andere maatregelen die samenhangen met de
aanpassing van de regels in het kader van passende arbeid is overleg
gevoerd met vertegenwoordigers van het UWV en de
CWI. Vervolgens is
bij het UWV en aan de Inspectie werk en inkomen
(IWI) commentaar
ingewonnen op een concept van dit wetsvoorstel. Deze commentaren worden
hieronder besproken.
Commentaar UWV
In zijn uitvoeringstoets van
27 juni 2008 levert het UWV commentaar op concepten van
het
onderhavige wetsvoorstel en de - inmiddels gepubliceerde - Richtlijn
passende arbeid 2008. Het UWV acht het wetsvoorstel uitvoerbaar indien enkele
onderdelen van het wetsvoorstel conform zijn commentaar worden aangepast
en er over de interpretatie van andere onderdelen duidelijkheid
wordt geboden. Het commentaar op het concept van de Richtlijn passende
arbeid 2008 is vóór de publicatie verwerkt. Het UWV acht de richtlijn en het
werkaanbod uitvoerbaar voor langdurig werklozen die op of na 1
juli 2008 werkloos worden of zijn geworden. De overstap van
arbeidsurenverlies op inkomstenverrekening voor langdurig werklozen is volgens het UWV
uitvoerbaar vanaf 1 juli 2009.
Het
UWV vraagt in zijn
commentaar specifiek de aandacht voor de volgende onderdelen:
• De doelgroep voor
inkomstenverrekening.
• Het begrip onafgebroken
werkloos.
• Het begrip inkomsten uit
arbeid (het loonbegrip).
• De verplichtingen voor WW-gerechtigden die het werk (bijna) volledig hebben hervat.
Daarnaast gaat het UWV in op
enkele meer technische onderwerpen.
Naar aanleiding van de toets
van het UWV is geregeld dat inkomstenverrekening niet wordt toegepast op
langdurig werklozen die op het moment waarop zij het werk hervatten niet volledig werkloos zijn. Hiermee wordt voorkomen dat
op één WW-recht tegelijk arbeidsurenkorting en inkomstenverrekening zou
moeten worden toegepast.
De combinatie van beide
systemen op één recht zou moeilijk uitvoerbaar zijn en is aan de betrokken
WW-gerechtigde niet goed uit te leggen.
rblz.|8|
De voorwaarde van 52 weken
onafgebroken werkloosheid geldt voor de toepassing van
inkomstenverrekening bij werkhervatting, maar ook voor de aanscherping van
de
arbeidsverplichtingen via de Richtlijn
passende arbeid 2008 en voor de
doelgroep van het werkaanbod. Voor de WW-gerechtigden, maar ook voor de medewerkers
van het WERKbedrijf UWV [lees:
UWV
WERKbedrijf, red.], is het van belang om
duidelijkheid te hebben over het moment waarop de aanscherping van de
verplichtingen een feit is en wanneer de betrokkenen in aanmerking komen voor een
werkaanbod. De voorlichting over die verplichtingen, de afspraken
over de wijze waarop die verplichtingen concreet worden ingevuld en
de dienstverlening van het WERKbedrijf zijn hiervan immers afhankelijk.
Het moment waarop de 52 weken verstrijken, moet daarom redelijk
voorspelbaar zijn.
Naar aanleiding van het
commentaar van het UWV is besloten om onderbrekingen van het WW-recht (door welke
oorzaak dan ook) die korter duren dan vier weken mee te
tellen bij de vaststelling van die 52 weken. Het moment waarop die periode is
verstreken, wordt dus niet beïnvloed door dergelijke kortdurende onderbrekingen.
Het voorstel om bij de
vaststelling van de 52 weken in het geheel geen rekening te houden met
onderbrekingen, is niet overgenomen. Dat zou betekenen dat de aanscherping van de verplichtingen, het werkaanbod en
de inkomstenverrekening ook
van toepassing worden op personen die tijdens die 52 weken langere
tijd volledig aan het werk zijn. Deze personen zijn niet als langdurig
werkloos te beschouwen en vallen buiten de doelgroep voor dit beleid.
In zijn commentaar zet het
UWV uiteen dat het uitvoeringstechnisch lastig zou zijn om bij de inkomsten
die met de WW-uitkering moeten worden verrekend, uit te moeten
gaan van het SV-loon [socialeverzekeringsloon, red.]. De werknemer weet meestal niet wat zijn
SV-loon is. De aanlevering van het SV-loon via de loonaangifteketen duurt voor
een tijdige vaststelling van de WW-uitkering te lang. Dat zou betekenen
dat het UWV het SV-loon zou moeten uitvragen bij de nieuwe werkgever.
Deze zou dan geconfronteerd worden met onvoorziene administratieve
lasten.
Het begrip inkomsten uit
arbeid wordt concreet uitgewerkt in het Inkomensbesluit
WW [lees: Inkomstenbesluit Werkloosheidswet, red.]. Bij dit
besluit wordt aandacht besteed aan het commentaar van het UWV en
dat van Actal op dit punt. De inkomsten uit arbeid zullen niet worden
uitgevraagd bij de werkgever van de WW-gerechtigde. De voorkeur gaat uit naar
een systeem waarbij het UWV een voorschot verstrekt op basis van het
door de WW-gerechtigde opgegeven brutoloon. Een definitieve
verrekening zal plaatsvinden aan de hand van de loonaangifte van de
werkgever(s) van de betrokkene.
In beginsel zijn alle
WW-gerechtigden gehouden om passende arbeid te zoeken (de
sollicitatieplicht), te verkrijgen en te aanvaarden (de
acceptatieplicht). Tevens moeten zij
geregistreerd staan bij de CWI [lees: UWV,
red.] en meewerken aan re-integratie naar
passende arbeid. Het UWV acht deze verplichtingen moeilijk handhaafbaar ten
aanzien van WW-gerechtigden die volledig of bijna volledig aan het werk
zijn. De betrokken werknemer en diens werkgever zouden niet begrijpen waarom
genoemde verplichtingen van toepassing blijven. Naar
aanleiding van dit commentaar, en vergelijkbaar commentaar van Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.], heeft
de regering besloten om deze verplichtingen buiten toepassing te stellen
voor WW-gerechtigden die (bijna) volledig aan het werk zijn. De
verplichtingen blijven wel gelden voor WW-gerechtigden die het werk voor een deel
van hun verloren arbeidsuren hebben hervat. Concreet: als
betrokkene na werkhervatting nog een verlies heeft van minimaal vijf uur
arbeidsuren, of ten minste de helft van het aantal arbeidsuren per
kalenderweek. Dit is in overeenstemming met de bestaande praktijk. Voor
deze categorie wijzigen de verplichtingen dus niet.
rblz.|9|
De technische opmerkingen
van het UWV over de sanctiebepaling en over de vaststelling van het
bedrag waarmee het nieuwe loon van de WW-gerechtigde moet worden vergeleken om te
bepalen of er recht bestaat op voortzetting van de WW-uitkering, zijn in
het wetsvoorstel verwerkt.
Niet overgenomen is het
voorstel om uitkeringsgerechtigden die als gevolg van
inkomstenverrekening een geringe uitkering ontvangen, de mogelijkheid te bieden
om
hun WW-rechten tijdelijk op te schorten. Een dergelijke mogelijkheid past
niet bij het uitgangspunt dat het WW-recht wordt vastgesteld aan de
hand van objectieve omstandigheden. Startende zelfstandigen met inkomsten
uit hun onderneming en WW-gerechtigden met een klein
arbeidsurenverlies kunnen hun WW-rechten ook niet naar believen opschorten tot
mindere tijden.
Commentaar IWI
De Inspectie
Werk en Inkomen (IWI) maakt in haar toets geen opmerkingen over de toezichtbaarheid van
het wetsvoorstel. Wel geeft de IWI in overweging om het onderhavige
wetsvoorstel af te stemmen op het
voorstel van wet tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de
evaluatie van deze wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en
deregulering, dat op 24 juni 2008 bij de Tweede
Kamer is ingediend.
De regering heeft deze
afstemming bezien. De in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde wijziging van
artikel 32a Wet SUWI gaat uit van de tekst van
artikel 32a Wet SUWI zoals die komt te luiden na inwerkingtreding van de eerstgenoemde wijzigingswet. Het onderhavige voorstel zal immers pas in werking treden
nadat de eerstgenoemde wijzigingswet in werking treedt.
4. Financiële effecten
Onderhavig wetsvoorstel
heeft, in samenhang met de Richtlijn
passende arbeid 2008, consequenties
voor de uitkeringslasten van en de uitvoeringskosten voor de WW. De extra
uitstroom uit de WW naar werk zorgt voor een gemiddeld kortere
uitkeringsduur en daarmee voor lagere uitkeringslasten. De wijziging van de
WW-systematiek bij werkhervatting na 52 weken werkloosheid
(invoering inkomstenverrekening) leidt daarentegen tot hogere uitkeringslasten
en uitvoeringskosten.
WW-gerechtigden die als
gevolg van genoemde maatregelen het werk hervatten, gaan er
financieel op vooruit. De invoering van inkomstenverrekening heeft meestal
positieve
consequenties voor het inkomen van de werknemer. De
administratieve lasten voor burgers nemen in geringe mate toe, doordat
WW-gerechtigden na werkhervatting vaker een deel van hun uitkering behouden.
Hieronder worden de
financiële effecten nader uiteengezet.
• Uitkeringslasten
De Richtlijn
passende arbeid 2008 heeft gevolgen voor WW-gerechtigden met een academische of
HBO-opleiding. Voor hen geldt dat na twaalf maanden WW-uitkering arbeid
op ieder opleidingsniveau als passend wordt beschouwd.
Voor alle langdurig
werklozen geldt dat arbeid ook als passend wordt beschouwd als het loon voor
die arbeid minder bedraagt dan de WW-uitkering. In combinatie met de maatregelen die de belemmeringen
voor het aanvaarden van
lager betaald werk wegnemen, verbreden deze aanpassingen de oriëntatie
van WW-gerechtigden op vervangend werk. De maatregelen leiden tot
intensiever en effectiever zoekgedrag. Hierdoor neemt de gemiddelde
uitkeringsduur af. Als gevolg hiervan dalen de rblz.|10|
uitkeringslasten vanaf 2010
structureel met €|2,5 miljoen. In 2009 is de besparing de helft van dat
bedrag, de aanpassing wordt effectief vanaf 1 juli 2009.
Het
UWV zal aan WW-gerechtigden die langer dan
één jaar in de uitkering verblijven een
niet-vrijblijvend werkaanbod doen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
spreekt jaarlijks met het UWV af aan hoeveel langdurig werklozen zo’n
werkaanbod wordt gedaan. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat
jaarlijks aan 5000 personen een werkaanbod zal worden gedaan. De WW-lasten
dalen hierdoor structureel met €|15 miljoen per jaar. Door
aanloopeffecten bedragen de besparingen in 2009 €|2,5 miljoen en in 2010 €|14,4 miljoen.
Het
niet-vrijblijvende
karakter van het werkaanbod heeft eveneens tot gevolg dat WW-gerechtigden
in het eerste uitkeringsjaar hun zoekgedrag intensiveren. De gemiddelde
WW-duur wordt hierdoor korter. Dit leidt tot een besparing op de
uitkeringslasten van €|17,5 miljoen per jaar vanaf 2010. In 2009 is de
besparing lager omdat deze aanpassing geldt voor nieuwe instroom vanaf 1
juli 2008.
Inkomstenverrekening maakt
het aantrekkelijker om vanuit de WW te hervatten in een baan die
lager beloond wordt dan het loon vóór werkloosheid of dan de WW-uitkering.
Hierdoor zullen meer langdurig werklozen vervangend werk vinden. Een
groot deel van hen zal aanspraak houden op een aanvullende
WW-uitkering voor de resterende duur van het WW-recht. Dit leidt tot
extra WW-lasten. Inkomstenverrekening levert per saldo extra
uitkeringslasten op ter hoogte van €|43 miljoen per jaar vanaf 2011.
Hierbij is rekening gehouden
met extra werkhervatting van oudere werklozen als gevolg van de beoogde
regeling voor premiekorting.
Als gevolg van het
voorstel van Wet
stimulering arbeidsparticipatie zal vaker werkhervatting plaatsvinden
vanuit de WW. Bovendien zal deze relatief vaak in laagbetaalde arbeid
zijn. De introductie van inkomstenverrekening in onderhavig wetsvoorstel
leidt er daardoor toe dat het aantal gevallen waarbij suppletie plaatsvindt groter is dan zonder loonkostensubsidies het
geval zou zijn geweest. Dit
leidt tot extra uitkeringlasten WW voor de periode 2009-2012.¹
1. Loonkostensubsidie is een
tijdelijk instrument.
Bovenstaande leidt tot het
volgende financiële overzicht (x €|1 miljoen), uitgaande van invoering van
het wetsvoorstel per 1 juli 2009:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
| Richtlijn
passende arbeid 2008 |
–1,3 |
x–2,5 |
x–2,5 |
x–2,5 |
x–2,5 |
| Werkaanbod |
–2,5 |
–14,4 |
–15,0 |
–15,0 |
–15,0 |
| Passende arbeid |
–9,0 |
–17,5 |
–17,5 |
–17,5 |
x–7,5 |
| Inkomstenverrekening |
x8,0 |
x45,0 |
x43,0 |
x43,0 |
x43,0 |
| Effect loonkostensubsidies*
op inkomstenverrekening |
x2,0 |
x13,0 |
x14,0 |
xx7,0 |
xx0,0 |
| Totaal |
–2,8 |
x23,6 |
x22,0 |
x15,0 |
xx8,0 |
– is besparing.
* Loonkostensubsidie is een
tijdelijk instrument.
• Uitvoeringskosten
De systematiek van
inkomstenverrekening en het werkaanbod leiden tot meer uitvoeringskosten bij
het UWV. Het UWV zal werkgevers actief benaderen om ervoor te zorgen dat
vacatures beschikbaar komen voor uitkeringsgerechtigden. Individuele werkgevers
zullen door het UWV worden bezocht om ervoor te zorgen dat een
uitkeringsgerechtigde bij die werkgever rblz.|11|
kan worden geplaatst.
Bij de berekening is uitgegaan van een werkaanbod aan 5000 personen per
jaar.
Door inkomstenverrekening
zal de samenloop van een WW-uitkering met inkomsten uit arbeid vaker
voorkomen. De uitvoeringskosten nemen hierdoor structureel toe.
De eenmalige
implementatiekosten betreffen proces- en systeemaanpassingen, arbeidsmarketing, aanpassing
informatievoorziening en -systemen en het inrichten van quality
assurance en evaluatieonderzoeken.
Bovenstaande leidt tot de
volgende effecten op de uitvoeringskosten (x €|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
| Implementatiekosten |
1,5 |
x |
x |
x |
x |
| Uitvoeringskosten passend
werkaanbod |
3,4 |
x5,2 |
x5,2 |
x5,2 |
x5,2 |
| Uitvoeringskosten
inkomstenverrekening |
2,3 |
x8,7 |
x8,5 |
x8,1 |
x6,0 |
| Totaal |
7,2 |
13,9 |
13,7 |
13,3 |
11,2 |
• Inkomenseffecten
a. Werkaanbod
Een werkaanbod aan een
langdurig werkloze heeft als zodanig geen effect op diens inkomen. Als dit
aanbod tot werkhervatting leidt, heeft dit vanzelfsprekend wel inkomenseffecten. Door
de invoering van inkomstenverrekening zal de betrokken WW-gerechtigde bij werkhervatting altijd een financieel voordeel
hebben.
b. Inkomstenverrekening
Het wetsvoorstel heeft
positieve effecten voor WW-gerechtigden die na 52 weken werkloosheid weer aan
het werk gaan. De omvang van het financiële voordeel hangt af van het
nieuwe loon en van het verschil tussen dat loon en het loon waarop de
WW-uitkering is gebaseerd.
De langdurig werkloze
WW-gerechtigde die voorheen €|500,- per week verdiende, ontvangt vanaf de
derde werkloosheidsmaand een uitkering van €|350,- per week.
Als hij vervangend werk
aanvaardt waarin hij (ongeveer) hetzelfde aantal uren werkt, maar met een
loon van €|300,- per week, zou hij onder de huidige regeling zijn WW-uitkering volledig kwijtraken. Zijn inkomen zou
daarmee met €|50,- per week
afnemen. Let wel: op dit moment is aanvaarding van arbeid met een loon
onder het uitkeringsniveau niet verplicht.
Na de invoering van
inkomstenverrekening in de WW zou de betrokken werknemer er ten opzichte
van de WW-uitkering per saldo €|90,- op vooruit gaan. 70% van de nieuwe
inkomsten wordt verrekend met de WW-uitkering. Dan resteert een uitkering
van €|140,- (€|350,- – 0,7 * €|300,-). Zijn totale inkomen (loon plus WW-uitkering) bedraagt €|440,-.
In bijzondere gevallen kan
inkomstenverrekening ten opzichte van de huidige systematiek een
nadelig effect hebben. Dat kan het geval zijn als de werknemer hervat in
deeltijdwerk en daarmee per uur een hoger loon verdient dan waarop de
uitkering is gebaseerd. Een nadelig effect treedt vooral op als betrokkene met
deeltijdwerk meer dan 87,5% van zijn oude loon gaat verdienen. Onder
de huidige WW behoudt hij een deel van de WW-uitkering, als hij per
week minstens vijf uren werkloos blijft. Het onderhavige wetsvoorstel
leidt in dat geval tot een beëindiging van de WW-uitkering. De overstap op
inkomstenverrekening voor de WW-gerechtigde is in deze situaties dus
nadelig. De regering acht dit acceptabel. In de rblz.|12|
praktijk zal de voorgestelde
wijziging voor langdurig werklozen in nagenoeg alle gevallen een voordelig
effect hebben. De regering acht de kans dat een langdurig werkloze
na werkhervatting in deeltijd meer dan 87,5% van zijn oude loon gaat
verdienen, zeer klein.
• Gevolgen voor de
administratieve lasten voor het bedrijfsleven
Het wetsvoorstel heeft geen
gevolgen voor administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De
verplichtingen van werkgevers wijzigen niet door de overstap van de urensystematiek naar inkomstenverrekening. De verificatie
van de gegevens die de WW-gerechtigde aan het UWV
verstrekt over zijn inkomsten vergt geen gegevensuitvraag bij de werkgever.
• Gevolgen voor de
administratieve lasten voor de burger
Het wetsvoorstel leidt tot
een geringe toename van de administratieve lasten voor de burger. Op
dit moment eindigt de WW-uitkering bij een werkhervatting tegen (bijna)
hetzelfde aantal uren dan waarop de uitkering is gebaseerd. De met de
uitkering samenhangende verplichtingen zijn dan vanzelfsprekend niet
langer van toepassing.
Het wetsvoorstel heeft tot
gevolg dat de WW-uitkering wordt voortgezet bij een werkhervatting tegen
een loon tot hoogstens 87,5% van het loon waarop die uitkering is
gebaseerd. De werknemer blijft in dat geval verplicht om het UWV
te
informeren over feiten en omstandigheden die van belang zijn voor recht,
hoogte en duur van de WW-uitkering. De toename van de
administratieve lasten voor burgers is geraamd op 5000 uur per jaar.
Het Adviescollege toetsing
administratieve lasten (Actal) adviseert het wetsvoorstel in te dienen
nadat met zijn advies rekening is gehouden. Dit advies betreft in de eerste
plaats de invulling van het begrip inkomsten uit arbeid die met de WW-uitkering worden verrekend. Actal adviseert dit op de minst belastende manier
te doen.
Het inkomstenbegrip wordt
nader uitgewerkt in een Inkomensbesluit WW [lees: Inkomstenbesluit
Werkloosheidswet, red.]. Daarbij zal rekening worden
gehouden met het advies van Actal. De hoogte van de inkomsten uit
arbeid zal niet worden uitgevraagd bij de nieuwe werkgever van de WW-gerechtigde. Het
UWV zal voorschotten verstrekken op basis van
informatie van de WW-gerechtigde over zijn salaris. De definitieve
vaststelling van de inkomsten uit arbeid, en daarmee van de hoogte van de
WW-uitkering, vindt plaats aan de hand van de gegevens die de
werkgever van de WW-gerechtigde aanlevert ten behoeve van de loonaangifte.
Het
UWV kan zich dus in
eerste instantie baseren op het brutoloon van de WW-gerechtigde, met inbegrip
van vaste toeslagen. Pas bij de definitieve vaststelling wordt verrekend
op basis van het loon in de zin van de Wet financiering sociale
verzekeringen (het SV-loon). Hiermee ontstaat een goed handhaafbaar systeem
tegen zo gering mogelijke administratieve lasten.
In de tweede plaats
adviseert Actal rekening te houden met de verplichtingen die moeten gelden voor de
langdurig werkloze WW-gerechtigde die werk aanvaardt met
(ongeveer) dezelfde omvang als de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is
ontstaan. Als betrokkene met die werkzaamheden ten hoogste 87,5% van het
eerder ontvangen loon verdient, behoudt hij een recht op WW.
Zonder nadere regeling zouden de verplichtingen gericht op het vinden en
aanvaarden van passende arbeid op betrokkene van toepassing
blijven. Nu betrokkene (bijna) volledig in passende arbeid is hervat,
acht de regering dat niet wenselijk. De verplichtingen worden voor deze categorie
WW-gerechtigden daarom buiten rblz.|13|
toepassing gesteld tijdens
de periode waarop inkomsten uit arbeid met hun uitkering worden verrekend.
De geringe toename van de
administratieve lasten voor burgers als gevolg van dit wetsvoorstel
wordt meegenomen bij de taakstelling om de lasten tijdens deze kabinetsperiode met 25% te verminderen.
Artikelsgewijs
Artikel I.
Wijziging
Werkloosheidswet
Onderdeel A (artikel 20
WW)
Aan het huidige
artikel 20,
eerste lid, wordt met het voorgestelde onderdeel f een extra
beëindigingsgrond toegevoegd. Als gevolg hiervan eindigt het recht op uitkering van iedere langdurig werkloze die, op een
moment waarop hij volledig
werkloos is, werkzaamheden als werknemer gaat verrichten en die
daarmee meer verdient dan 87,5% van vijf maal 100/70 van de uitkering.
Voor een nadere toelichting op deze beëindigingsgrond wordt verwezen naar
hoofdstuk 2, paragraaf b, van het algemeen deel van deze toelichting.
Aan het huidige
artikel 20,
zesde lid, wordt, met het voorgestelde onderdeel b, een situatie toegevoegd
waarin een uitzondering wordt gemaakt op artikel
20, eerste lid,
onderdeel b. De inhoud van het huidige zesde lid is terug te vinden in het
voorgestelde onderdeel a.
Op grond van artikel 20,
eerste lid, onderdeel b, geldt het uitgangspunt dat het recht op uitkering
eindigt voor zover de werknemer niet langer werkloos is. Wanneer een
werknemer opnieuw werkzaamheden gaat verrichten, is de werknemer
niet langer werkloos voor het aantal uren dat hij die werkzaamheden is
gaan verrichten en dus eindigt het recht op uitkering voor dat aantal
uren (artikel 20, derde lid).
Voorgesteld wordt dit
uitgangspunt los te laten ten aanzien van de langdurige werkloze; de werkloze die
ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering heeft. Voor
deze werkloze blijft het recht op uitkering doorlopen als hij werkzaamheden als
werknemer gaat verrichten terwijl hij op dat moment volledig werkloos is. Van volledige werkloosheid is sprake als
er een volledig verlies aan
arbeidsuren is en er evenmin recht bestaat op onverminderde doorbetaling
van het loon over die uren.
Het voorgestelde
artikel 20,
achtste lid, bevat een nadere bepaling met betrekking tot de wijze
waarop de periode van 52 weken onafgebroken werkloosheid dient te worden
berekend. Ook als tijdelijk geen recht op uitkering bestaat,
bijvoorbeeld omdat werkzaamheden worden verricht, loopt het tijdvak van 52
weken door. Voorwaarde is wel dat deze onderbreking niet langer dan vier weken
aaneengesloten voortduurt. Dit brengt met zich mee dat de periode
van 52 weken opnieuw begint te lopen zodra zich een onderbreking van
vier weken of langer voordoet.
Het voorgestelde
artikel 20,
negende lid, regelt dat het recht op uitkering eveneens blijft doorlopen
tijdens het recht op doorbetaling van het loon of de bezoldiging bij ziekte,
bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 76a,
eerste lid, van de Ziektewet. Dit recht op doorbetaling van het loon of de
bezoldiging dient dan wel werkzaamheden te betreffen waarop artikel
20,
zesde lid, onderdeel b, zelf ook van toepassing was.
Het voorgestelde
artikel 20,
tiende lid, ziet op de situatie waarin naast het reeds bestaande recht op
uitkering een nieuw recht op uitkering ontstaat rblz.|14|
op basis van de werkzaamheden die in het zesde lid, onderdeel
b, zijn beschreven. Voor de
toepassing van het zesde lid, onderdeel b, geldt dat na het ontstaan van dit
nieuwe recht op uitkering niet opnieuw voldaan hoeft te worden aan de
voorwaarde dat sprake moet zijn geweest van ten minste 52 weken onafgebroken
recht op WW-uitkering. De inkomstenverrekening kan derhalve direct worden
toegepast op het nieuwe recht en blijft van toepassing op het
reeds bestaande recht. De inkomstenverrekening ten aanzien van het nieuwe
recht blijft daarop van toepassing, ook in het geval het reeds
bestaande recht zou eindigen.
Overigens wordt op grond van
artikel 20, eerste lid, onderdeel c, in de in het tiende lid bedoelde
gevallen het eerste recht op uitkering beëindigd voor zover het nieuwe recht
op uitkering daarvoor in de plaats komt. Voor de volledigheid wordt
opgemerkt dat de in onderdeel c bedoelde beëindigingsgrond eveneens van
toepassing is
in gevallen waarin het nieuwe recht geheel voor het oude
recht in de plaats komt.
Het voorgestelde
artikel 20,
elfde lid, bevat een nadere bepaling over de wijze waarop het percentage
van 87,5% moet worden berekend ingeval er sprake is van meerdere WW-rechten of in geval van samenloop van WW-uitkering met een
uitkering op grond van één van de in het elfde lid genoemde wetten.
Onderdeel B (artikel
26a WW)
Aan
artikel 26a wordt een
situatie toegevoegd waarin bepaalde, op basis van de WW
voor de werknemer
geldende, verplichtingen niet, althans niet zonder meer, van toepassing
zijn. Het betreft hier de situatie waarin op grond van artikel
35aa,
eerste lid, onderdeel b, inkomstenverrekening wordt toegepast ten aanzien
van langdurig werklozen. Het kan zich voordoen dat de langdurig werkloze
werkzaamheden gaat verrichten in (vrijwel) gelijke omvang als
de omvang van het recht op uitkering. Ten gevolge van de
inkomstenverrekening blijft er dan toch recht op uitkering bestaan, terwijl het recht
op uitkering zou zijn beëindigd indien volgens de hoofdregel van artikel
20,
eerste lid, onderdeel b, urenkorting zou zijn toegepast.
In deze situatie, waarin dus
sprake is van (vrijwel) volledige werkhervatting, wordt het niet doelmatig
geacht de werknemer toch gebonden te achten aan de meeste administratieve verplichtingen en aan de verplichting
tot meewerken aan een
opleiding of een onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid. Evenmin is het zinvol ten
aanzien van deze werknemers een re-integratievisie op te
stellen.
Ten aanzien van de
arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder 1º, 2º en 4º, is gekozen om deze niet geheel buiten toepassing te
verklaren, maar om deze van toepassing te verklaren alsof het recht op
uitkering is geëindigd. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat op
grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van de werknemer
wordt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment
dat hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn
dienstbetrekking eindigt. Het is wenselijk ook aan dit uitgangspunt vast te houden in geval van
verlies van werkzaamheden die leiden tot vermindering of
beëindiging van de inkomstenverrekening en waardoor dus sprake zal zijn van een
toegenomen beroep op de WW. Daarnaast zullen naar het oordeel van
de regering niet alleen sollicitatieactiviteiten moeten worden ontwikkeld
vanaf het moment dat redelijkerwijs duidelijk is
dat de dienstbetrekking eindigt, maar zullen ook de andere verplichtingen,
genoemd in artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder 2º en 4º,
reeds op dat moment gaan gelden. Het volledig uitsluiten van deze
verplichtingen tijdens de inkomstenverrekening zou aan deze invulling van de
arbeidsverplichtingen in de weg staan. Daarom rblz.|15|
is ervoor gekozen te werken
met de fictie alsof het recht op uitkering is geëindigd.
Voorts zal ten aanzien van
deze categorie werklozen de uitsluitingsgrond "vakantie genieten" niet
gelden. Reden daarvoor is om de aanspraken op vakantie die gelden op
basis van de arbeidsovereenkomst te laten prevaleren boven de
vakantieaanspraken
op grond van de WW.
Onderdeel C (artikel
27,
tweede lid, WW)
Op grond van het huidige
artikel 27, tweede lid, kan geen maatregel worden opgelegd aan de
werknemer die een werkaanbod weigert dat, bij aanvaarding ervan, zou
hebben geleid tot inkomstenverrekening. Bepaald is immers dat de uitkering
wordt geweigerd over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou
zijn geëindigd indien de arbeid zou zijn aanvaard of verkregen. Bij
inkomstenverrekening is geen sprake van beëindiging van het recht
op uitkering.
Om in deze gevallen toch een
maatregel op te kunnen leggen, wordt voorgesteld in artikel
27, tweede lid,
te bepalen dat een maatregel wordt opgelegd alsof er bij werkhervatting
geen sprake zou zijn van inkomstenverrekening maar van beëindiging van de
uitkering. Indien een werkaanbod bij acceptatie zou hebben geleid
tot inkomstenverrekening, wordt de uitkering dus blijvend geweigerd over
het aantal [lees: over het aantal uren, red.] waarvoor de werkzaamheden verricht hadden kunnen
worden.
Onderdeel D (artikel
35aa WW)
Er wordt voorgesteld om aan
artikel 35aa een nieuwe situatie toe te voegen waarin
inkomstenverrekening gaat gelden. Dit betreft de situatie waarin op grond van
het
voorgestelde artikel 20, zesde lid, onderdeel
b, of negende lid, de
werkloosheidsuitkering blijft doorlopen ondanks dat als werknemer werkzaamheden
worden verricht. Van de met deze arbeid genoten inkomsten of van het
loon dat voor die arbeid wordt doorbetaald tijdens ziekte wordt 70% op
de uitkering in mindering gebracht. Door de gedeeltelijke vrijstelling
van inkomsten vormt deze voorgestelde maatregel een extra prikkel om weer te
gaan werken.
De delegatiebepaling uit het
tweede lid van het huidige artikel 35aa
wordt ook van toepassing op deze
nieuwe situatie, zodat in een algemene maatregel van bestuur nader kan worden
uitgewerkt wat in dit kader onder "inkomsten" wordt verstaan
en aan welke periode deze kunnen worden toegerekend.
Artikel II.
Wijziging Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Met de voorgestelde
toevoeging aan artikel 30a, tweede lid,
Wet SUWI wordt de bemiddelende taak
van UWV ten aanzien van langdurig werklozen nader geconcretiseerd. Op
grond van deze bepaling rust op UWV de verplichting er zorg voor te
dragen dat bij werkgevers concrete banen beschikbaar komen voor langdurig werkloze
WW-gerechtigden. Zie voor een verdere toelichting op
dit werkaanbod hoofdstuk 2, paragraaf a, van het algemeen deel van deze
toelichting.
Overigens betreft het een
toevoeging aan artikel 30a, tweede lid,
Wet SUWI zoals dat komt te
luiden nadat het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de
evaluatie van deze wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en
deregulering rblz.|1|
(Kamerstukken II 2007-2008, 31 514) tot wet is verheven en in
werking is getreden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner