Het
kabinetsbeleid is gericht op een substantiële verhoging van de
arbeidsparticipatie in het algemeen en het betrekken van mensen met een
grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt in het bijzonder. Er staan nog
steeds te veel mensen langs de kant met een grote(re) afstand tot de
arbeidsmarkt, terwijl deze groep wel mogelijkheden heeft. Dit geldt ook
voor oudere werklozen.
Op verzoek van het kabinet
heeft de Commissie Arbeidsparticipatie (de Commissie) aanbevelingen
gedaan om de arbeidsparticipatie te verhogen. De Commissie acht het van
groot belang dat meer mensen sneller aan de slag gaan. De Commissie
constateert onder meer dat de arbeidsmarkt voor oudere werklozen en
oudere werknemers ernstige tekortkomingen vertoont. Eén van de
aanbevelingen van de Commissie betreft de invoering van een no-riskpolis
voor oudere langdurig werklozen. Naar aanleiding van het advies van de
Commissie heeft het kabinet aangekondigd om binnen de budgettaire
randvoorwaarden de introductie te bezien van een tijdelijke no-riskpolis
voor het in dienst nemen van werklozen van 55 jaar of ouder
(Kamerstukken II 2007-2008, 29 544, nr. 158). Dit wetsvoorstel vormt de
uitwerking van dit voornemen. Het doel van het wetsvoorstel is de
invoering van een tijdelijke compensatieregeling om werkgevers tegemoet
te komen in de kosten van loondoorbetaling bij ziekte van voorheen
werklozen van 55 jaar of ouder.
Dit wetsvoorstel impliceert
een afwijking van de huidige systematiek waarbij de eerste twee jaar
loondoorbetaling voor rekening van de werkgever komen. Het kabinet is,
mede naar aanleiding van het advies van de Commissie, tot de slotsom
gekomen dat er bijzondere redenen zijn om tijdelijk van de systematiek
af te wijken en een compensatieregeling te treffen voor werkgevers om de
werkhervatting van langdurig werklozen van 55 jaar of ouder te
stimuleren. Deze redenen zijn gelegen in een combinatie van de zwakke
arbeidsmarktpositie van deze groep en een negatieve beeldvorming over
deze groep bij werkgevers. Deze combinatie van factoren rechtvaardigt
dat voor deze specifieke groep tijdelijk afgeweken rblz.|2|
wordt van de
bestaande verantwoordelijkheidsverdeling in de eerste twee ziektejaren.
Met de voorgestelde compensatieregeling is deels aansluiting gezocht bij
het instrument, bedoeld in artikel 29b
van de Ziektewet (ZW)
Dit instrument wordt ook wel
no-riskpolis genoemd. De onderhavige wetswijziging kent echter een
aantal bijzondere, van de bestaande no-riskpolis afwijkende, aspecten.
Om het onderscheid met de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
van de ZW, te benadrukken, wordt dit wetsvoorstel Tijdelijke wet
compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig
langdurig werklozen genoemd.
Het doel en de strekking van
dit wetsvoorstel worden in deze memorie van toelichting nader
toegelicht. Allereerst wordt ingegaan op de huidige systematiek bij
ziekte en de bestaande no-riskpolis. Daarna komen de knelpunten op de
arbeidsmarkt voor ouderen aan de orde, alsmede de verhouding tot de
andere maatregelen die het kabinet neemt om de arbeidsparticipatie van
ouderen te bevorderen. De inhoud van het wetsvoorstel zelf wordt
aansluitend behandeld, gevolgd door de financiële gevolgen van het
wetsvoorstel.
2. Huidige systematiek
Omdat dit wetsvoorstel een
afwijking inhoudt van de huidige systematiek waarbij de eerste twee jaar
loondoorbetaling voor rekening van de werkgever is, is het van belang om
eerst in te gaan op de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling in de
eerste twee ziektejaren en de huidige no-riskpolis.
2.1.
Verantwoordelijkheidsverdeling eerste twee ziektejaren
De Wet verbetering
poortwachter en de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 voorzien in een evenwichtig stelsel van rechten en plichten,
instrumenten en mechanismen om re-integratie te bevorderen en
arbeidsongeschiktheid te voorkomen. De kern van dit stelsel is dat
werkgever en werknemer in de eerste twee ziektejaren verantwoordelijk
zijn en al het redelijkerwijs mogelijke moeten doen om de kansen op
werkhervatting te vergroten en alle mogelijkheden moeten benutten om de
werknemer weer aan de slag te krijgen. De re-integratieactiviteiten zijn
vooral gericht op herstel van de werknemer en terugkeer naar zijn oude
functie, dan wel een andere functie bij zijn werkgever. Mocht dit niet
lukken, dan bekijkt de werkgever of re-integratie bij een andere
werkgever tot de mogelijkheden behoort.
Beide partijen hebben er
belang bij deze re-integratie tot een succes te maken, mede op
financiële gronden. De werkgever heeft immers de plicht om in geval van
ziekte 104 weken door te betalen en bij het leveren van onvoldoende
re-integratie-inspanningen wordt deze periode nog verlengd. Ook de
werknemer wordt financieel gestimuleerd om aan zijn re-integratie mee te
werken, want bij onvoldoende medewerking wordt hij geconfronteerd met
een vermindering van het loon. De overheid heeft in de periode van
loondoorbetaling slechts een beperkte, faciliterende rol. Indien de
inspanningen niet tot volledige werkhervatting hebben geleid, volgt een
beoordeling in het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Het systeem van twee jaar
loondoorbetaling bij ziekte met de verplichtingen van de Wet verbetering
poortwachter en de Wet WIA heeft een belangrijke impuls gegeven aan de
aanpak van ziekteverzuim en beperking van beroep op de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet WIA. Dit is gebleken
uit de evaluatie van de Wet verbetering poortwachter en uit de evaluatie
van het verlengen van de loondoorbetalingsverplichting rblz.|3|
van één naar
twee jaar.¹ Uit de cijfers over het ziekteverzuim en het beroep op de
Wet WIA blijkt dat het beleid zijn vruchten heeft afgeworpen.
1. Dit blijkt onder meer uit
de evaluatie van de Wet verbetering poortwachter (Kamerstukken II
2005-2006, 30 510, nr. 1) en de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (Kamerstukken II 2006-2007,
30 915, nr. 1).
2.2.
Huidige no-riskpolis
Werknemers die na twee jaar
ziekte een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, worden op diverse
manieren bij hun re-integratie door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) ondersteund. Werkgevers spelen bij de
re-integratie een belangrijke rol, omdat zij moeten beslissen of zij een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst kunnen houden of nemen. Daarom
zijn er speciaal voor hen bestemde re-integratie-instrumenten. Een
belangrijk instrument is de huidige no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
van de ZW. Deze geldt met name voor personen die na de ziekteperiode van
twee jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben en vervolgens weer
gaan werken. Ook betreft het een afgebakende doelgroep, te weten mensen
met structurele functionele beperkingen.¹
Werkgevers zien bij het in
dienst nemen of houden van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en (ex-)arbeidsongeschikten
risico’s zoals veelvuldige uitval wegens ziekte of hernieuwde
arbeidsongeschiktheid. Deze mogelijke risico’s en de daarmee
samenhangende kosten van onder meer loondoorbetaling kunnen
belemmeringen vormen voor de werkhervatting van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten. Om werkgevers te stimuleren tot het in dienst houden
of het in dienst nemen van gedeeltelijk arbeidsgeschikten, voorziet de
no-riskpolis in een voorziening voor de werkgever in de vorm van een
tegemoetkoming in de kosten van uitval als gevolg van ziekte of
arbeidsongeschiktheid. De werknemer heeft dan recht op ziekengeld op
grond van artikel 29b van de ZW. De no-riskpolis compenseert dan
als het ware de kosten van loondoorbetaling bij ziekte. In het geval van
arbeidsongeschiktheid voorkomt de no-riskpolis een hogere
gedifferentieerde premie voor de regeling werkhervatting gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA), bedoeld in hoofdstuk 7 van de
Wet WIA, voor
publiek verzekerden en ook voor eigenrisicodragers voorkomt de
no-riskpolis extra lasten.
De no-riskpolis
verleent de werknemer een recht op ziekengeld bij ziekte die aanvangt in
de vijf jaar na de datum van de aanvang van de dienstbetrekking bij zijn
nieuwe werkgever. In de regel betaalt het UWV het ziekengeld uit aan de
nieuwe werkgever, die daarmee gecompenseerd wordt voor de kosten van
loondoorbetaling. De werkgever betaalt de werknemer dan het
verschuldigde loon door. De no-riskpolis geldt ook voor werknemers die
bij de beoordeling voor de Wet WIA
minder dan 35% loonverlies hebben als
zij direct aan het einde van de loondoorbetalingsperiode van twee jaar
niet in staat zijn werk bij de eigen werkgever te verrichten en daarna
binnen vijf jaar bij een andere werkgever in dienst treden.
1. De no-riskpolis is bedoeld voor: werknemers met een WIA-,
WAO- of WAZ-uitkering, werknemers van wie de WAO- of WAZ-uitkering minder dan
vijf jaar geleden is beëindigd, Wajong-ers,
ex-Wajong-ers en
jonggehandicapten tijdens de wachttijd voor de Wajong, mensen met een Wsw-indicatie die bij een gewone werkgever gaan werken (ook begeleid
werken), werknemers die na het einde van de wachttijd in de Wet WIA
minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, maar op dat moment niet meer bij
de eigen werkgever terechtkunnen, mensen met scholingsbelemmeringen als
gevolg van ziekte of gebrek die binnen vijf jaar na afronding van de
scholing gaan werken (jongeren onder de 18 jaar met
scholingsbelemmeringen kunnen van het UWV een verklaring krijgen dat zij
onder de no-riskpolis vallen) en mensen die volgens het UWV voor de
no-riskpolis in aanmerking komen (het gaat dan om mensen die al meer dan
twee jaar onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeente
vallen, bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden, en die niet meer dan 65%
kunnen werken).
De wijze waarop de
verantwoordelijkheidsverdeling in de eerste twee ziektejaren is
vormgegeven, impliceert dat de huidige no-riskpolis in principe alleen
beschikbaar is voor mensen die de wachttijd van twee jaar hebben
doorlopen. Met mogelijke wijzigingen in dit systeem moet uiterst
terughoudend worden omgegaan, omdat dat een inbreuk op de huidige
prikkels en verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever, werknemer
en het UWV kan opleveren. Er moeten derhalve redenen van klemmende aard
bestaan die verdere afwijking van het bestaande systeem voor andere
groepen rechtvaardigen.
3. Arbeidsmarkt voor ouderen
Het kabinet is, mede naar
aanleiding van het advies van de Commissie, tot de slotsom gekomen dat
er redenen van klemmende aard zijn om voor een specifieke groep
tijdelijk van de bestaande systematiek van loondoorbetaling rblz.|4|
bij ziekte af te
wijken. Hiertoe wordt tijdens de loondoorbetalingsperiode een
compensatieregeling ingevoerd voor werkgevers om de werkhervatting van
de groep langdurig werklozen van 55 jaar of ouder te stimuleren. De
redenen zijn gelegen in de zwakke arbeidsmarktpositie van deze groep en
de bestaande beelden over deze groep bij werkgevers, die indiensttreding
belemmeren.
3.1.
Arbeidsmarktpositie
oudere werklozen
De arbeidsmarkt voor
werknemers van 55 jaar of ouder lijkt op slot te zitten. Deze conclusie
is getrokken door de Commissie en het kabinet sluit zich hierbij aan.
Oudere werklozen en werknemers worden door werkgevers te vaak als
onvoldoende inzetbaar beschouwd, ook al zijn ze nodig. Dit blijkt uit
het feit dat werklozen van 55 jaar of ouder een belangrijk deel vormen
van de groep werklozen die gebruik maakt van een Werkloosheidswet(WW)-uitkering. In 2007 was 10% van de nieuwe instroom WW-gerechtigden
55 jaar of ouder. Ultimo 2007 was 38% van het lopend bestand
WW-gerechtigden 55 jaar of ouder.¹
Deze aanzienlijke groep
slaagt er slechts mondjesmaat in om een nieuwe baan te krijgen. Van
werknemers die werkloos worden nadat ze 55 jaar of ouder zijn en die
een uitkering op grond van de WW ontvangen, vindt slechts 33% binnen
één jaar weer werk (van de volledige populatie van WW-gerechtigden,
ongeacht de leeftijd bij instroom, hervat 51% binnen één jaar het
werk).² Werkloze ouderen komen dus moeilijker aan een baan en dit geldt
in versterkte mate voor de laagopgeleiden onder hen.
1. UWV
Kwantitatieve
informatie 2007, blz. 47 en 48.
2. Rijksbegroting 2009, tabel 46.3, blz. 70.
3.2.
Oorzaken slechte
arbeidsmarktpositie ouderen
Volgens de Commissie zijn de
oorzaken van de slechte arbeidsmarktpositie van ouderen gelegen in de
hoge loonkosten en de beeldvorming bij werkgevers. Werkgevers zien
bovendien het risico van de kosten gemoeid met de loondoorbetaling bij
ziekte als een ernstige belemmering om oudere werklozen in dienst te
nemen, ook al geeft de omvang van dit ziekteverzuim daartoe weinig
aanleiding. Uit verzuimstatistieken is namelijk gebleken dat oudere
werknemers zich minder vaak dan gemiddeld ziek melden.¹ Echter áls
oudere werknemers zich ziek melden, dan is er vaker sprake van een
langdurige ziekteperiode.²
1. De werknemer in de leeftijd 55-65 was in het jaar 2005 gemiddeld
0,95 keer ziek, terwijl alle werknemers in totaal in dat jaar gemiddeld
0,99 keer ziek waren (bron: CBS Statline [CBS: Centraal
bureau voor de statistiek, red.]).
2. De werknemer in de leeftijd 55-65 jaar was in het jaar 2005
gemiddeld 29,5 dagen ziek, terwijl alle werknemers in totaal in dat
jaar gemiddeld 18,4 dagen ziek waren (bron: CBS Statline).
3.3.
Stimuleren
arbeidsparticipatie oudere werklozen
Om het in dienst nemen van
deze leeftijdsgroep aantrekkelijker te maken, moet de opstelling van de
werkgever positief worden beïnvloed. Om dit te bewerkstelligen, is een
eerste stap gemaakt door middel van een separate wet waarin geregeld is
dat het instrument van premiekorting kan worden ingezet voor werkloze
uitkeringsgerechtigden die 50 jaar of ouder zijn.¹ Het kabinet verwacht
dat de premiekorting de positie van ouderen structureel zal verbeteren.
Dit is echter een geleidelijk proces. Naar verwachting zullen de jongere
werkloze uitkeringsgerechtigden binnen de doelgroep voor de
premiekorting daarvan het eerst profiteren. Het is daarom nodig om voor
de groep werklozen van 55 jaar en ouder een extra impuls in te zetten om
de opstelling van werkgevers positief te beïnvloeden. Uit de
verzuimstatistieken blijkt namelijk dat werknemers van 55 jaar en ouder
langer ziek zijn in vergelijking tot andere werknemers. Om de huivering
hiervoor en uiteraard voor de financiële gevolgen hiervan bij
werkgevers weg te nemen, dient het onderhavige
wetsvoorstel. Tevens
profiteren ouderen van de inkomstenverrekening in de WW,² doordat het
aantrekkelijker wordt om lager betaalde arbeid te accepteren. Voor
degenen die 57 jaar of ouder zijn geldt een verhoogde arbeidskorting
waardoor het nettoinkomen uit arbeid stijgt en voor degenen van 62 jaar
en ouder zijn wordt werk aantrekkelijker doordat hun een doorwerkbonus
wordt verleend.
1. Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet financiering sociale
verzekeringen en enige andere wetten in verband met de invoering van een
premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50
jaar of ouder en het in dienst houden van werknemers van 62 jaar of ouder
(Stb. 2008, 598). Deze wet is in werking getreden met ingang van 1
januari 2009 (Besluit van 29 december 2008, Stb.
2008, 599).
2. Voorstel van wet tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het
vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen (Kamerstukken
II 2008-2009, 31 767).
rblz.|5|
Het kabinet verwacht dat een
tijdelijke stimulans voldoende is, aangezien het komende kabinetsbeleid
en de inzet van sociale partners de houding tegenover ouderen zal
veranderen. Daarnaast zal door de toenemende vergrijzing in de komende
tien jaar een grote groep oudere werknemers (de babyboomgeneratie) als
gevolg van pensionering de arbeidsmarkt verlaten. Hierdoor zal er een
grote vervangingsvraag op de arbeidsmarkt optreden. Dit zal de
arbeidsmarktpositie van oudere werknemers en langdurig oudere en
langdurige werklozen verbeteren.
Het onderhavige wetsvoorstel
past daarmee in de aanpak van het kabinet om de arbeidsmarkt voor
ouderen open te breken.
4. Compensatieregeling
loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen
In deze paragraaf wordt
ingegaan op de compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en
voormalig langdurig werklozen. Voor deze benaming is gekozen ter
onderscheiding van de huidige no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
van de ZW, voor gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers en de andere
groepen die daaronder vallen.
4.1.
Algemeen
In het licht van het
voorgaande wordt voorgesteld om voor werkgevers het risico van
loondoorbetaling bij ziekte te beperken voor werknemers die op de datum
van inwerkingtreding van deze wet 55 jaar of ouder zijn, na die datum in
dienst worden genomen en voorafgaand aan de indiensttreding minstens 52
weken werkloos zijn geweest. Werkgevers die deze oudere en langdurig
werklozen in dienst nemen, krijgen als de werknemer langer dan dertien
weken ziek is, het loon dat zij tijdens ziekte doorbetalen vanaf
dertien weken gecompenseerd doordat de werknemer een recht op ziekengeld
op grond van het voorgestelde artikel 29d
van de ZW krijgt. De
streefdatum van invoering is 1 juli 2009. Omdat de regeling geldt voor
personen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet 55 jaar of ouder zijn, zal de regeling op 1 juli 2019 kunnen vervallen.
4.2.
Aansluiting bij huidige
no-riskpolis
Wat de vormgeving betreft, is
zoveel mogelijk aangesloten bij de wijze waarop de no-riskpolis, bedoeld
in artikel 29b van de ZW, is vormgegeven en zoals die wordt
uitgevoerd door het UWV. Dit bevordert de transparantie voor werkgevers
en beperkt tevens de administratieve lasten. Net als in het geval van
die no-riskpolis hebben werknemers die in loondienst werken bij ziekte
op grond van het voorgestelde artikel 29d
van de ZW gedurende
104 weken recht op ziekengeld ter hoogte van 70% van het dagloon. Het
eerste jaar kan deze uitkering op verzoek van de werkgever worden
verhoogd tot 100% van het dagloon. De werkgever kan de uitkering
verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. Aldus wordt de
werkgever tegemoetgekomen in de loonkosten bij ziekte. In de praktijk
betaalt het UWV het ziekengeld aan de werkgever, die vervolgens het
verschuldigde loon doorbetaalt aan de werknemer. Tevens wordt voor de
omvang van de risicodekking aansluiting gezocht bij de no-riskpolis,
bedoeld in artikel 29b van de ZW. De bestaande no-riskpolis dekt
ziekte die is aangevangen binnen vijf jaar na aanvang van de
dienstbetrekking. Ook onder de compensatieregeling is er een
risicodekking van vijf jaar. De financiering van deze
compensatieregeling geschiedt ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf) en het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo).
Wat betreft de
re-integratieverplichtingen wordt aangesloten bij de
verantwoordelijkheidsverdeling zoals die ook bij de bestaande
no-riskpolis rblz.|6|
geldt. Dit betekent dat de werkgever verantwoordelijk is om
de noodzakelijke re-integratieactiviteiten tijdens de ziekteperiode te
verrichten.
De compensatieregeling
vergoedt, evenals de bestaande no-riskpolis, in het geval van ziekte de
kosten van loondoorbetaling. In het geval van arbeidsongeschiktheid
voorkomt de no-riskpolis een hogere gedifferentieerde premie voor de
regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) voor
publiek verzekerden en ook voor eigenrisicodragers voorkomt de
no-riskpolis extra lasten. Het onderhavige wetsvoorstel sluit daarbij
aan.
De onderhavige wetswijziging
kent echter een aantal bijzondere, afwijkende aspecten ten opzichte van
de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
van de ZW. Deze aspecten
zijn het tijdelijke en gerichte karakter van de regeling. Deze worden in
de volgende paragraaf besproken.
4.3.
Gericht en tijdelijk
karakter
De voorgestelde regeling is
gericht op langdurig werklozen die op de datum van inwerkingtreding van
deze wet 55 jaar of ouder zijn. Dit wetsvoorstel regelt een voorziening
voor werkgevers die deze werklozen in dienst nemen, in de vorm van een
compensatie van de loondoorbetalingsplicht bij langdurige ziekte van
deze werknemers. De grens van 55 jaar is gekozen aangezien uit de in
paragraaf 3.1 en 3.2 aangehaalde statistische gegevens blijkt dat op dit
moment juist vanaf deze leeftijd slechts een laag percentage na één jaar
werkloosheid opnieuw aan het werk komt, terwijl juist in de
leeftijdscategorie van 55 tot 65 jaar het langdurige ziekteverzuim meer
dan gemiddeld is. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om in de
onderhavige voorziening een leeftijdsgrens aan te houden van diegenen
die op de datum van inwerkingtreding van deze wet 55 jaar of ouder zijn.
De compensatieregeling heeft daarmee een gericht karakter. Het is
gewenst dat de regeling zo goed mogelijk wordt toegespitst op de
bestaande problematiek van werklozen van 55 jaar of ouder, waarbij
sprake is van grote afstand tot de arbeidsmarkt en er sprake is van
langer durend verzuim.
Oudere werklozen die minder
dan één jaar werkloos zijn, vallen onder de premiekortingsregeling.¹ De
compensatieregeling is bedoeld als extra faciliterend instrument, naast
de premiekortingsregeling voor werkgevers om oudere werklozen met een
grote afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Van een grote
afstand tot de arbeidsmarkt is in dit verband sprake bij ten minste 52
weken werkloosheid. De keuze voor een periode van 52 weken is in lijn
met het voorstel van wet tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband
met het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen. Dit
betekent dat sprake moet zijn van 52 weken werkloosheid, waarbij
onderbrekingen van de WW-uitkering van maximaal vier weken worden
meegeteld. Op deze manier wordt de uitvoering van de wet voor het UWV
vergemakkelijkt.
1. Zie voetnoot
1 van blz. 4.
Uit onderzoek blijkt dat
ouderen zich minder vaak dan gemiddeld ziek melden. Als ouderen echter
ziek worden, is de kans groter dat zij langdurig ziek blijven. De
compensatieregeling voorziet er daarom alleen in om langer durend
verzuim van ten minste dertien weken onder de voorziening voor oudere
werklozen te laten vallen. Dit wordt geregeld doordat het ziekengeld
slechts uitgekeerd wordt vanaf de eerste dag van de veertiende week van
ziekte. Werkgevers houden dan een prikkel om preventiebeleid te voeren
en verzuim te voorkomen.
Als gevolg van de gekozen
leeftijdsgrens zal de compensatieregeling na tien jaar geen werking meer
hebben en is de compensatieregeling daardoor tijdelijk van aard.
rblz.|7|
De maatregelen
van het kabinet zijn bovendien erop gericht om een verhoogde
arbeidsparticipatie onder ouderen te bereiken en inspanningen van
werkgevers en werknemers daartoe te faciliteren. Het kabinet vertrouwt
erop dat het kabinetsbeleid en de inzet van sociale partners de houding
tegenover ouderen zal veranderen, waardoor tevens een verbetering van de
arbeidsmarktpositie zal plaatsvinden. Voor werknemers die op het moment
van de inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijzigingen jonger dan
55 jaar zijn, is de onderhavige voorziening voor die groep daardoor
minder nodig.
Zoals hiervoor al aangegeven
zal tegen die tijd de "babyboomgeneratie" de arbeidsmarkt
hebben verlaten en zal iedereen hard nodig zijn. Dit geldt ook voor
ouderen. Hierdoor zal de arbeidsmarktpositie van ouderen verbeteren.
Deze extra maatregel voor ouderen zou daarom niet meer nodig moeten zijn
na 2019.
5. Financiële gevolgen
5.1. Uitkeringslasten
De compensatieregeling is
een tijdelijke regeling. De regeling zal voor gemiddeld 8000 mensen per
jaar betekenen dat het financiële risico van langdurend verzuim geen
obstakel meer is om hen in dienst te nemen.
De eerste dertien weken van
ziekte zijn onder de compensatieregeling voor risico van de werkgever.
Dit komt overeen met het gegeven dat ouderen gemiddeld niet vaker ziek
zijn, maar bij ziekte wel gemiddeld langer ziek blijven. Bij de
berekening van de uitkeringslasten van de compensatieregeling is het
ziekteverzuimpercentage van 55-plussers na dertien weken geschat op 3%
per jaar. In de raming van de kosten is rekening gehouden met een kleine
verhoging van de instroom in de Wet WIA. Deze verhoogde instroom komt
voort uit het feit dat door de compensatieregeling de financiële
prikkel voor werkgevers om WIA-instroom te voorkomen, wordt verminderd.
Daarnaast is rekening gehouden met besparingen op de WW-uitkeringslasten
vanwege extra uitstroom uit de WW als gevolg van de stimulerende werking
van de compensatieregeling. De gesaldeerde baten en lasten van de
regeling tot en met 2019 bedragen €|15 mln.
Budgettaire effecten
compensatieregeling (ingangsdatum 1 juli 2009; bedragen x €|1
mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2009-2019
|cumulatief| |
| Uitkeringslasten ZW
|
x|1 |
x3 |
x4 |
x5 |
x6 |
x5 |
x39 |
| Uitkeringslasten Wet WIA |
x|0 |
x0 |
x0 |
x0 |
x1 |
x1 |
xx6 |
| Besparing uitkeringen WW |
–1 |
–3 |
–3 |
–3 |
–3 |
–3 |
–30 |
| Totaal* |
x|0 |
x0 |
x1 |
x3 |
x3 |
x3 |
x15 |
* Als gevolg van
afrondingsverschillen kan de som van de afzonderlijke posten afwijken
van het totaal.
5.2. Uitvoeringskosten en
implementatiekosten
De implementatiekosten voor
het UWV bedragen €|280
000,-. De structurele uitvoeringskosten bedragen
jaarlijks €|580 000,-. Deze kosten hebben betrekking op de werkzaamheden
die het UWV moet doen naar aanleiding van de ziektegevallen waarbij een
beroep wordt gedaan op de compensatieregeling. Verder is er sprake van
een geringe instroom naar uitkeringen op grond van de Wet
WIA, die
eveneens gepaard zal gaan met beperkte extra uitvoeringskosten bij het
UWV. Aangezien de uitvoeringskosten jaarlijks minder bedragen dan €|1 mln,
zullen deze kosten conform afspraken met het UWV uit het reguliere budget
UWV gefinancierd worden.
rblz.|8|
5.3. Administratieve lasten
Zoals eerder aangegeven,
sluit de vormgeving van de compensatieregeling zoveel mogelijk aan bij
de wijze waarop de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
ZW, is
vormgegeven en wordt uitgevoerd door het UWV. De werknemer meldt aan
zijn werkgever dat hij ziek is en de werkgever meldt vervolgens de zieke
bij het UWV, waarna het UWV het ziekengeld als regel aan de werkgever
betaalt. De omvang van de structurele toename van de administratieve
lasten blijft daarmee gering (maximaal €|200
000,-).
6. Uitvoering
De doelgroep omvat de
cliënten van het UWV. Aangezien het UWV ook de bestaande voorziening
uit artikel 29b van de ZW
uitvoert, zal het UWV worden belast met
de uitvoering van de compensatieregeling. Dit betreft met name de
beoordeling of de compensatieregeling voor betrokkene is aangewezen en
de verstrekking van het ziekengeld.
7. Ontvangen commentaren
7.1. Uitvoeringstoets UWV
Het UWV
heeft het
conceptwetsvoorstel op uitvoerbaarheid getoetst. De conclusie is dat het
wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar is.
Naar aanleiding van de
uitvoeringstoets is het wetsvoorstel op een aantal punten aangepast:
• Het jaarcriterium is in lijn
gebracht met het duurcriterium in het voorstel van wet
tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het vergroten van
kansen op werk voor langdurig werklozen.¹ Dit betekent dat sprake moet zijn van 52 weken
werkloosheid, waarbij onderbrekingen van de WW-uitkering van maximaal
vier weken worden meegeteld. Dit vereenvoudigt de uitvoering voor het
UWV.
• Door toevoeging van een
overgangsbepaling is bepaald dat de regeling alleen geldt voor
dienstverbanden die zijn aangegaan op of na de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
• De overige opmerkingen van
wettechnische aard zijn bezien en voor het merendeel verwerkt.
1. Kamerstukken II
2008-2009,
31 767.
7.2. Toets Actal
Actal heeft laten weten in
verband met de beperkte administratieve lasten geen toets uit te
brengen.
7.3. Toezichtbaarheidstoets
IWI
De Inspectie Werk en Inkomen
heeft aangegeven dat het wetsvoorstel inhoudelijk geen aanleiding geeft
tot opmerkingen over de toezichtbaarheid.
Artikelsgewijs
Artikel I.
Wijziging van de
Ziektewet
Onderdeel A
In onderdeel A wordt in het
eerste lid voorgesteld om een uitzondering te maken op de bepaling in
artikel 29, eerste lid, onderdeel a en b, van de ZW,
dat
bepaalt dat ziekengeld niet wordt uitbetaald indien een werknemer recht
heeft op doorbetaling van loon op grond van artikel 629 van Boek
7 van het BW rblz.|9|
of op bezoldiging
gedurende ziekte op grond van artikel 76a
van de ZW.
Het tweede lid van onderdeel
A stelt voor om aan artikel 29, tweede lid, onderdeel g, van de
ZW de werknemer, bedoeld in het voorgestelde artikel 29d
van de ZW, toe te voegen. Hierdoor is het mogelijk om de financiering van het
ziekengeld op grond van het voorgestelde artikel 29d
van de ZW te
laten plaatsvinden uit het AWf en voor het overheidspersoneel uit het
Ufo. De financiering uit het AWf vindt plaats op grond van artikel
100,
onderdeel b, van de Wet financiering sociale verzekeringen
(Wfsv).
De financiering uit het Ufo
vindt plaats op grond van artikel 108, eerste lid, onderdeel b,
van de Wfsv. Daartoe wordt in artikel III van
dit wetsvoorstel voorzien
in wijziging van bedoeld onderdeel b.
In het derde lid van
onderdeel A wordt geregeld dat artikel 29, zesde lid, ook van toepassing
wordt op artikel 29d. Daarmee wordt geregeld dat op basis van de
compensatieregeling geen ziekengeld wordt betaald wanneer de verzekerde
geen recht heeft op loon door toepassing van artikel 7:629, derde lid, BW
of artikel 76b ZW. Het gaat dan om situaties waarin de
verzekerde zijn ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt of daarover valse
informatie heeft verstrekt, zijn genezing belemmert of vertraagt, geen
passende arbeid wil verrichten of anderszins niet meewerkt aan zijn
re-integratie.
Onderdeel B
Onderdeel B stelt een nieuw
artikel 29d voor in de ZW. In het voorgestelde
artikel 29d,
eerste lid, van de ZW wordt geregeld dat een werknemer die 55 jaar of
ouder is op de dag van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel en
onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking langdurig werkloos is
geweest, recht heeft op ziekengeld indien hij ziek wordt en die ziekte
ongeschiktheid tot werken tot gevolg heeft. Dit recht bestaat indien hij
ziek wordt in de vijf jaar na aanvang van de dienstbetrekking. Het recht
op ziekengeld bestaat slechts indien de werknemer ten minste dertien
weken ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Van
langdurige werkloosheid is sprake indien een werknemer 52 weken of
langer werkloos is geweest. In de tweede zin van het eerste lid is
bepaald dat, net als bij de toepassing van artikel 29b
van de ZW,
voor het bepalen van de perioden van ongeschiktheid tot werken
ziekteperioden worden samengeteld indien deze perioden elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Dit laatste is van
belang voor de berekening van het dagloon van de werknemer dat (op grond
van het voorgestelde tweede en derde lid) de basis vormt voor de hoogte
van het uit te betalen ziekengeld.
De tekst van het
voorgestelde artikel 29d van de ZW
sluit aan bij de tekst van
artikel 29b van de ZW.
Zoals ook uiteengezet in het
algemeen deel van deze memorie van toelichting, betaalt de werkgever in
de praktijk doorgaans het loon door aan de werknemer en wordt het
ziekengeld door het UWV
aan de werkgever uitbetaald.
In het tweede en het derde
lid van het voorgestelde artikel 29d
van de ZW wordt bepaald dat
ook bij uitbetaling van ziekengeld op grond van het voorgestelde artikel
29d van de ZW het ziekengeld 70% van het dagloon bedraagt. Op
verzoek van de werkgever kan een werknemer tot het einde van het eerste
ziektejaar maximaal 100% van het dagloon ontvangen, afhankelijk van de
aanspraken die een werknemer op zijn werkgever heeft. Het vierde lid
bepaalt dat geen recht op ziekengeld bestaat indien sprake is van een
dienstbetrekking waarbij tevens subsidie is verstrekt op grond van
artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) of indien sprake is
van een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de
Wsw. In dit rblz.|10|
laatste geval is er sprake van een dienstbetrekking in het kader van de
gemeentelijke sociale werkvoorziening.
Tot slot wordt in het vijfde
lid voorgesteld om voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken
werkloosheid op grond van de
WW, perioden van onderbreking van het recht
op een werkloosheidsuitkering te beschouwen als uitkeringsperioden, mits
deze perioden korter zijn dan vier weken.
Onderdeel C
In onderdeel C wordt
geregeld dat ook in het geval waarin een werknemer mogelijk aanspraak
heeft op ziekengeld op grond van het voorgestelde artikel 29d
van
de ZW de werknemer zijn werkgever desgevraagd daarover dient te
informeren. Het voorgestelde artikel 38b, derde lid, van de
ZW
bepaalt dat, in afwijking van de termijn van ziekmelding door de
werkgever op grond van artikel 38a, tweede lid, van de
ZW, de
werkgever voor de werknemer een ziekmelding doet bij het UWV
binnen vier
dagen nadat de werknemer dertien weken ongeschikt is geweest tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte. Deze keuze om de ziekmelding eerst
na dertien weken arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van de werknemer te
laten plaatsvinden, vloeit voort uit het feit dat slechts na het
verstrijken van dertien weken van arbeidsongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte een recht op uitkering kan ontstaan
op grond van het voorgestelde artikel 29d, eerste lid, van de
ZW.
Een ziekmelding op een eerder tijdstip is, als het gaat om de toepassing
van artikel 29d van de ZW, minder zinvol omdat werknemers
dikwijls binnen dertien weken herstellen. Met het voorgestelde derde lid
kunnen onnodige administratieve lasten voor werkgevers worden voorkomen.
De voorgestelde afwijkende
ziekmeldingstermijn geldt slechts indien de werkgever ervan op de hoogte
is gesteld dat een mogelijke aanspraak op grond van artikel 29d
van de ZW bestaat. Dit kan plaats hebben gevonden op verzoek van de
werkgever, maar kan ook door de werknemer zelf aan de orde zijn gesteld,
bijvoorbeeld voorafgaand aan het aangaan van zijn dienstbetrekking.
Het voorgestelde vierde lid
van artikel 38b van de ZW
bepaalt dat indien de werkgever de
eerste ziektedag van de werknemer later meldt aan het UWV dan de vierde
dag na het verstrijken van dertien weken van arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte, dit als consequentie heeft dat wel een recht bestaat op
ziekengeld, maar dat het ziekengeld slechts wordt uitbetaald vanaf de
datum van die latere melding door de werkgever.
De werkgever betaalt in dat
geval in de tussenliggende periode het loon door van de werknemer. Deze
consequentie geldt overigens zowel voor de situatie, bedoeld in artikel
29b van de ZW, als de situatie, bedoeld in het voorgestelde
artikel 29d van de ZW.
Onderdeel D
Artikel 95
Voorgesteld wordt de
bepalingen van deze wet uitsluitend van toepassing te laten zijn op
dienstbetrekkingen die worden aangegaan op of na de datum van
inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijzigingen. Deze
wetswijzigingen hebben immers tot doel werkgevers te stimuleren om
bestaande langdurig werklozen van 55 jaar of ouder in dienst te nemen en
vervolgens een financiële compensatie te bieden bij langdurige ziekte
van deze personen.
Artikel 96
Gelet op het feit dat de
jongste persoon van de doelgroep van het onderhavige wetsvoorstel tien
jaar na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de leeftijd van 65 jaar
zal hebben bereikt, zal het voorgestelde artikel 29d
van de ZW na
tien jaar geen toepassing meer hebben. Na het bereiken rblz.|11|
van de leeftijd
van 65 jaar bestaat immers geen recht meer op ziekengeld, omdat een
werknemer in de zin van de ZW op grond van artikel 3 van de
ZW jonger is
dan 65 jaar. Nadat tien jaar na de inwerkingtreding van deze wet zullen
zijn verstreken, zal er niet langer gebruik kunnen worden gemaakt van
artikel 29d van de ZW. Dit betekent dat de thans voorgestelde
wijzigingen van de ZW op dat moment kunnen vervallen.
Artikel II.
Wijziging van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Artikel 30a, derde
lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI) bepaalt dat het UWV
geen taken heeft ten
aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces van werknemers, bedoeld
in artikel 29b van de ZW. Ook voor werknemers met een recht op
ziekengeld op grond van het voorgestelde artikel 29d
van de ZW wordt de re-integratie verricht door de werkgever en niet door het UWV,
zodat ook werknemers, bedoeld in artikel 29d
van de ZW, onder de
uitzondering van artikel 30a, derde lid, onderdeel e, van
de Wet SUWI dienen te vallen. De voorgestelde wetswijziging regelt dit.
Omdat, zoals aangegeven in
de toelichting op artikel 96, er tien jaar na de inwerkingtreding van
deze wet niet langer gebruik zal worden gemaakt van artikel 29d
van de ZW, kan ook de thans voorgestelde wijziging van
artikel 30a van de Wet SUWI op dat moment vervallen.
Artikel III.
Wijziging van de
Wet financiering sociale verzekeringen
Uitgangspunt in de
financiering van ZW-uitkeringen is dat uitkeringen aan
overheidspersoneel uit het Ufo worden gefinancierd. Voor de
compensatieregeling wordt hierbij aangesloten en tevens wordt in artikel
III van de gelegenheid gebruik gemaakt om de financiering van de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b ZW, in lijn te brengen met dit
uitgangspunt. Daarom is in artikel III een wijziging van
artikel 108,
eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv opgenomen waarmee wordt bereikt dat de
financiering van uitkeringen aan overheidspersoneel op basis van de
no-riskpolis en de compensatieregeling ten laste van het Ufo
plaatsvindt. Door de financiering voor overheidspersoneel uit het Ufo te
laten plaatsvinden, dragen overheidswerkgevers bij aan de financiering
van de compensatieregeling en de no-riskpolis.
Artikel IV.
Slotbepaling
betreffende artikel 29d van de Ziektewet
Indien
artikel I, onderdeel B, van deze wet na 1 juli 2009 in werking treedt, wordt het voorgestelde
artikel 29d, eerste lid, van de ZW gewijzigd en zal de
compensatieregeling in dit artikel slechts van toepassing zijn op
diegene die op die latere datum van inwerkingtreding 55 jaar of ouder
is.
Artikel V.
Citeertitel
Gelet op het feit dat
dit
wetsvoorstel een instrument betreft voor een specifieke doelgroep,
namelijk oudere werknemers die langdurig werkloos zijn geweest en
vervolgens langere tijd ziek worden, is ervoor gekozen de wet van een
citeertitel te voorzien. In de praktijk zal er dikwijls behoefte zijn
aan een citeerwijze van de onderhavige wet. Zoals eerder aangegeven,
heeft de regeling als gevolg van de gekozen leeftijdsgrens na tien jaar
geen werking meer en is deze daardoor tijdelijk van aard. Dit tijdelijke
karakter is voor de duidelijkheid in de citeertitel tot uitdrukking
gebracht.
rblz.|12|
Artikel
VI. Inwerkingtreding
Het is de bedoeling
de wet
in werking te laten treden met ingang van 1 juli 2009. Omdat artikel 29d,
eerste lid, betrekking heeft op de werknemer die is geboren vóór 1 juli
1954, betekent dit dat de wet van toepassing wordt op werknemers die op 1
juli 2009 55 jaar of ouder zijn. Voor het geval inwerkingtreding met
ingang van 1 juli 2009 niet haalbaar zou blijken te zijn, is in artikel
IV voorzien in een bepaling die regelt dat de in artikel 29d
genoemde datum daarop wordt aangepast.
De inwerkingtredingsbepaling
is zodanig geformuleerd dat het mogelijk is artikel III op een ander
tijdstip in werking te laten treden dan de overige artikelen van het
wetsvoorstel. De financiering van de compensatieregeling en de
no-riskpolis uit het Ufo voor overheidspersoneel is in het wetsvoorstel
opgenomen nadat het UWV de uitvoeringstoets heeft uitgebracht. Het UWV heeft
laten weten de financiering van de compensatieregeling en de
no-riskpolis voor overheidspersoneel uit het Ufo en de daarvoor
noodzakelijk systeemtechnische aanpassingen te kunnen realiseren met
ingang van 1 januari 2010.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner