|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 811
Wijziging
van een aantal wetten van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW-wetgeving
2009)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
deel
Dit wetsvoorstel wijzigt
een aantal wetten op het terrein van de
socialezekerheidswetgeving, arbeidsomstandigheden,
arbeidsverhoudingen en SUWI. Het wetsvoorstel betreft onder andere wijzigingen die voortvloeien
uit door het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] aangedragen knelpunten in de uitvoering. Naast dit "klein
beleid" bevat
het wetsvoorstel ook een aantal wijzigingen van technische aard. De
voorgestelde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de administratieve
lasten. In het artikelsgewijze deel wordt nader ingegaan op de verschillende
wijzigingsvoorstellen.
Dit wetsvoorstel is door
de Minister en de Staatssecretaris [van Sociale
Zaken en Werkgelegeheid, red.] aan de toetsende instanties voorgelegd.
Door het UWV, de IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.], en het CBP [College
bescherming persoonsgegevens, red.] zijn toetsen uitgebracht.
UWV
Naar het oordeel van het
UWV zijn de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar.
De door het UWV voorgestelde wijzigingen zijn in overwegende mate in het
wetsvoorstel verwerkt.
IWI
De IWI heeft
het
wetsvoorstel beoordeeld op de mogelijkheden van het houden van toezicht op
de rechtmatigheid en de doelmatigheid. De IWI heeft aangegeven geen problemen te voorzien bij het toezicht op de
uitvoering van de
voorgenomen wetsaanpassingen. De opmerkingen van de IWI zijn in
overwegende mate overgenomen.
CBP
Het
CBP heeft advies
uitgebracht over de voorgenomen bepalingen inzake gegevensuitwisseling
tussen bestuursorganen en toezichthouders in de Wet
SUWI, de Arbowet [Arbeidsomstandighedenwet,
red.],
de Arbeidstijdenwet
en de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Het CBP adviseert een explicitering te geven van het doorbreken van de
geheimhoudingsplicht voor de in het wetsvoorstel omschreven doelen. De
toelichting op de desbetreffende bepalingen is rblz.|2|
aangevuld
waarbij een
uiteenzetting is gegeven over de doorbreking van de algemene
geheimhoudingsplichten door de in het wetsvoorstel voorgestelde bepalingen inzake
gegevensuitwisseling.
Verder adviseert het CBP dat
op korte termijn nadere regels worden opgesteld waarin zal worden aangegeven
welke organisaties, in welke situaties, welke (persoons)gegevens
mogen ontvangen en verstrekken. Ten aanzien van de voorgestelde
bepalingen is de mogelijkheid geboden om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen. Van deze
delegatiemogelijkheid zal gebruik worden gemaakt zodra een helder beeld ontstaat van de
gegevensstromen in de samenwerkende toezichtsdomeinen. Waar het
gaat om de Wet SUWI wordt erop gewezen dat ook nu al de nadere
uitwerking van de gegevensstromen in het Besluit SUWI is geregeld. Dit besluit zal worden aangepast aan de voorgestelde
bepalingen. Tot slot wijst
het CBP erop dat ten aanzien van het verstrekken van bijzondere
gegevens specifieke regels dienen te worden opgesteld. In de toelichting
op de betreffende bepalingen is aangegeven dat het hierbij niet gaat om
uitwisseling van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16
van de Wet
bescherming persoonsgegevens, zoals bijvoorbeeld
strafrechtelijke persoonsgegevens.
Artikelsgewijs
deel
Artikel I.
Wijziging van de
Werkloosheidswet
Onderdeel A
Artikel 6 van de
Werkloosheidswet (WW) heeft met de Verzamelwet
sociale verzekeringen 2007 een vierde lid erbij gekregen, terwijl het artikel al vier leden had.
Voorgesteld wordt om dit vierde lid te vernummeren tot vijfde lid.
Onderdeel B
Met ingang van 1 januari
2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking getreden.
Daarmee is het persoonsgebonden budget ten behoeve van huishoudelijke hulp niet langer geregeld in de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ), maar in de Wmo. De voorgestelde wijziging van de WW voorziet
erin dat het derde lid van artikel 42a
van de WW ook van toepassing is op
personen die inkomsten ontvangen voor het verlenen van zorg op
grond van een regeling voor persoonsgebonden budget, die is gegrond op
artikel 5, eerste lid, van de Wmo. Daarin is bepaald dat de gemeenteraad
regels vaststelt over de door het college van burgemeester en
wethouders te verlenen individuele voorzieningen, onder andere te ontvangen in
de vorm van een persoonsgebonden budget.
Onderdeel C
De voorgestelde wijziging
vervangt artikel 62, vierde lid, van de WW. Deze bepaling verwerkt artikel
8bis, eerste lid, van Richtlijn nr. 2002/74/EG van het Europees Parlement
en de
Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 80/987/EEG van
de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie
van de werkgever (PbEG L 270) (Insolventierichtlijn) in de WW.
In artikel
8bis van de
Insolventierichtlijn wordt het waarborgfonds aangewezen dat bevoegd is voor de
honorering van onvervulde loonaanspraken bij grensoverschrijdende arbeid. Wanneer een onderneming met activiteiten
op het grondgebied van ten
minste twee lidstaten in staat van rblz.|3|
betalingsonmacht verkeert,
is als waarborgfonds bevoegd om de onvervulde loonaanspraken van de
werknemers te honoreren, het fonds van de lidstaat waarin de
werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten of verrichten.
Ten tijde van de wijziging
van de WW ter uitvoering van de Insolventierichtlijn is, gelet op de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op dit
punt,
aangenomen dat artikel 8bis van de Insolventierichtlijn zo moet
worden uitgelegd dat de term "activiteiten" in dit artikel betrekking heeft
op de onderneming zelf en niet op de werknemer (Kamerstukken II 2004-2005, 30
133, nr. 3). Daarbij is de term "activiteiten" zo uitgewerkt dat een
vestiging of vaste vertegenwoordiger van de werkgever is vereist.
Aanknoping bij de vaste
vertegenwoordiging van de onderneming en niet van de werkgever, blijkt
echter in een klein aantal gevallen geen uitkomst te bieden voor in Nederland
woonachtige werknemers die werken voor buitenlandse werkgevers die
geen vaste vertegenwoordiging of vaste inrichting hebben in
Nederland. Door verschillen in verwerking van de Insolventierichtlijn in de
regelgeving van de verschillende EU-lidstaten blijkt inmiddels dat
werknemers in sommige gevallen bij betalingsonmacht van de werkgever geen
aanspraak kunnen maken op tijdelijke loondoorbetaling door een
buitenlands waarborgfonds, noch dat een uitkering door het UWV
mogelijk is.
Na nadere bestudering van de
tekst, totstandkomingsgeschiedenis en juridische context van
artikel 8 van de Insolventierichtlijn is de regering van mening dat artikel
62,
vierde lid, van de WW geen juiste verwerking is van artikel
8bis van de
Insolventierichtlijn en dat het de rechtszekerheid van de werknemers met deze
uitleg niet wordt gewaarborgd, doordat aan bepaalde groepen werknemers
de bescherming van artikel 8bis van de Insolventierichtlijn
feitelijk wordt onthouden.
Bij brief van 17 december
2007 (Kamerstukken II 2007-2008, 31 080, nr. 7) is aan de Tweede Kamer
toegezegd om artikel 62, vierde lid, van de WW aan te passen.
Artikel 61 van de
Werkloosheidswet leidt er reeds toe dat een werknemer die verzekerd is op grond
van de WW, in principe ook aanspraak kan maken op een insolventie-uitkering op grond van
hoofdstuk IV van die
wet. De toepassing van de
aanwijsregels van de artikelen 13 en verder van de Verordening van de Raad
van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden,
die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149)
(Verordening 1408/71), leidt ertoe dat in grensoverschrijdende situaties een werknemer die
gewoonlijk in Nederland werkzaam is, verzekerd is krachtens de WW en derhalve in Nederland
recht op een
insolventie-uitkering heeft.
In sommige gevallen hoeft
dit echter niet het geval te zijn. Hierbij dient met name te worden gedacht
aan het geval dat iemand buiten Nederland woont, in zijn woonland ook een dienstbetrekking heeft van beperkte
omvang, doch daarnaast in
een dienstbetrekking met een in Nederland gevestigde werkgever
gewoonlijk in Nederland werkzaam is. De toepassing van artikel 14, tweede lid,
onderdeel b, van Verordening 1408/71 leidt in dat geval ertoe dat die
persoon niet in Nederland op grond van de WW is verzekerd, hoewel hij
gewoonlijk in Nederland werkt. Om te voorkomen dat in een dergelijk geval
geen uitkering in verband met betalingsonmacht van de werkgever kan worden
verkregen, terwijl de Insolventierichtlijn daartoe wel noodzaakt, wordt
voorgesteld om in artikel 62, vierde lid, van de
WW te bepalen dat de
persoon, niet zijnde werknemer, bedoeld in de artikelen 3 of
3a van de WW,
die gewoonlijk in Nederland werkzaam is, recht krijgt op een
insolventie-uitkering bij betalingsonmacht van de werkgever, bedoeld in artikel 61
van de WW.
rblz.|4|
De voorgestelde aanpassing
sluit aan bij de bewoordingen van artikel 8bis van de
Insolventierichtlijn en waarborgt het doel van de Insolventierichtlijn om een
minimumbescherming te
bieden bij betalingsonmacht van de werkgever, bedoeld in
artikel 61 WW.
Een uitkering bij
betalingsonmacht van de werkgever wordt verstrekt door het UWV. Het UWV kan in zijn
administratie nagaan of de betrokkene is verzekerd. Voor het merendeel van gevallen zal hierdoor uitsluitsel
worden gegeven over de
toepasselijkheid van hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet
op die persoon.
De aanvullende toets of
gewoonlijk in Nederland wordt gewerkt, komt slechts aan de orde bij een
aanvraag van een persoon die niet in de verzekerdenadministratie van
het UWV voorkomt. Of sprake is van het hoofdzakelijk verrichten van
arbeid wordt dan door het UWV beoordeeld op basis van alle
individuele omstandigheden. Hierbij vormen de aard en inhoud van de
arbeidsovereenkomst of opdracht een indicatie, alsmede de vraag of de betrokkenen
wellicht in een ander land aanspraak heeft op een insolventie-uitkering.
In gevallen van detachering naar Nederland overeenkomstig artikel 14,
eerste lid, van Verordening 1408/71 is hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet
in ieder geval niet van toepassing.
Onderdeel D
Aangezien
artikel 29, tweede
lid, is vervallen (Stb. 2005, 573), kan hier niet meer naar verwezen worden.
In plaats daarvan wordt voorgesteld te verwijzen naar een re-integratievisie en een re-integratieplan als bedoeld
in de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).
Onderdeel E
Artikel 77 van de
WW is
nooit in werking getreden. Wel is het artikel door middel van verschillende
wetswijzigingen enige malen aangepast. Mede daardoor is onduidelijkheid
ontstaan over de tekst van het artikel. Inmiddels is duidelijk dat artikel 77
WW nooit in werking zal treden, omdat het niet meer aansluit bij de
huidige systematiek van de WW. Artikel 77 vervalt met
dit wetsvoorstel.
Artikel II.
Wijziging van de
Ziektewet
Onderdeel A
Met deze wijziging wordt een
foutieve vernummering gecorrigeerd. Met de Wet van 12 december
2007,
houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond
van de Ziektewet (Stb.
2007, 553), wordt artikel 29, elfde lid, vernummerd tot het twaalfde lid. Op het
moment van inwerkingtreding van genoemde wet gold echter al
een twaalfde lid, te weten het artikellid dat met de Wet
wijziging WW-stelsel als elfde lid aan artikel 29 is toegevoegd en dat met de
Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 tot twaalfde lid is vernummerd. Het
desbetreffende artikellid wordt in onderdeel A vernummerd tot dertiende lid.
Onderdelen B en
G
Naar aanleiding van de motie
van Eerste Kamerlid Jurgens (Kamerstukken I 2006-2007, 26 200 VI, nr. 65
/ 21 109 D) wordt de inhoud van artikel 20 van het
Reïntegratiebesluit,
dat zijn grondslag vindt in artikel 87 van de
Ziektewet (ZW) en afwijkt van die wet,
opgenomen in de ZW zelf (in voorgesteld artikel 29c). Hiermee wordt geen
beleidswijziging beoogd, maar enkel een technische aanpassing. Met de
toevoeging "bij aanvang van het dienstverband" wordt de tekst van het
betreffende artikel in overeenstemming gebracht rblz.|5|
met het huidige beleid van
het UWV. Omdat alleen artikel 20
van het Reïntegratiebesluit op
artikel 87 van de ZW is gebaseerd, kan artikel 87 vervallen. Opgemerkt wordt
dat artikel 20 van het Reïntegratiebesluit
bij eerste gelegenheid eveneens
zal vervallen.
Onderdeel C
De Wet
van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering
van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de
Ziektewet (Stb. 2007, 553), beperkt de situaties waarin de werkgever het
UWV moet melden dat hij het
loon inhoudt wegens het niet meewerken aan de re-integratie door de
werknemer, tot artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 76b, tweede lid, onderdeel g, van de
ZW. Voordien
diende de werkgever in alle situaties die artikel 7:629, derde lid,
van het BW en artikel 76b, tweede lid, van de
ZW beschrijven door te geven
dat hij het loon van de werknemer inhield. Deze beperking is niet
beoogd en voor het UWV ook niet wenselijk. Met de voorgestelde wijziging in
onderdeel D wordt opnieuw geregeld dat de werkgever het aan het UWV
moet melden indien een zieke werknemer op grond 7:629, derde lid, van
het BW
of artikel 76b, tweede lid, van de
ZW geen recht meer heeft op
loondoorbetaling bij ziekte.
Onderdeel D
Met de
Wet van 12 december 2007, houdende regels tot
bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een
uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, 553), is de termijn waarop een verzekerde
aan het UWV meldt dat hij
weer geschikt is tot het verrichten van arbeid, in artikel 38ab
per abuis
gewijzigd van twee naar vier dagen. Met de voorgestelde wijziging in onderdeel E
wordt dit hersteld en wordt deze termijn weer gesteld op twee dagen,
zodat voor het beter melden weer dezelfde termijn geldt als voor de
melding tot de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte,
bedoeld in artikel 38ab, eerste lid en
artikel 38.
Onderdeel E
De voorgestelde wijziging in
onderdeel E betreft een aanpassing in de terminologie van artikel
45,
eerste lid, onderdeel j, van de ZW. De wachtgeldfondsen zijn in de
Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) vervangen door het instellen
van sectorfondsen op grond van artikel 94 van de
Wfsv. In artikel
45,
eerste lid, onderdeel j, van de ZW gaat het dan ook om de mogelijke
benadeling van een sectorfonds in plaats van een wachtgeldfonds. De
voorgestelde wijziging corrigeert dit.
Onderdeel F
Met
onderdeel F wordt
voorgesteld een foutieve verwijzing in artikel 72b
te corrigeren. Artikel
72b dient toegepast te worden onder onverminderde werking van
artikel 72c van
de ZW .
Onderdeel H
Met de
Wet van 22 mei 2008
tot wijziging van enige wetten teneinde het verhaal van kosten van
re-integratiemaatregelen te vergemakkelijken (Stb. 2008,
199), is in de ZW
artikel 93 toegevoegd. Er was echter reeds eerder een
artikel 93 toegevoegd
met de Wet van 12 december 2007, houdende regels
tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op
een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, 553). Door vernummering van het tweede
artikel 93 tot artikel 94 wordt dit hersteld.
rblz.|6|
Artikel III.
Wijziging Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdelen A, onder 1, en
L
In artikel 2 van de
Regeling aanwijzing regelingen ex
artikel 7 en 7a WAO is geregeld dat degene die wegens werkloosheid
niet
werkt en die een wachtgeld ontvangt, onder bepaalde voorwaarden,
verzekerd is voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Nog niet geregeld is dat de persoon die recht heeft op wachtgeld,
net als de verzekerde die recht heeft op een uitkering op grond van de WW
(zie artikel 58, eerste lid, onderdeel b, Wet
WIA), na 104 weken ziekte
voldoet aan de referte-eis. Dit wordt nu alsnog geregeld.
In artikel
58, eerste lid,
onderdeel c, Wet WIA is geregeld dat degene die vanuit de
WW als werknemer
is gaan werken, niet aan de referte-eis voor de loongerelateerde werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) hoeft te
voldoen als zijn recht op een WW-uitkering niet is herleefd omdat hij
ziek is. Een vergelijkbare situatie is de volgende: het recht op een
WW-uitkering is geëindigd vanwege het ontstaan van een recht op
uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, maar na eindiging van
laatstgenoemd recht herleeft het WW-recht niet omdat de betrokkene ziek is.
Ook voor deze situatie wordt geregeld dat de verzekerde wordt geacht te hebben voldaan aan de referte-eis. Na 104
weken ziekte komt hij dus in
aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering.
Onderdeel A, onder 2
Met de Wet werken aan winst
is artikel 3.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
aangepast. Hierdoor is geregeld dat deze MKB-winstvrijstelling wordt afgetrokken van de
winst om tot de belastbare winst uit onderneming te komen. Voor
de winstvaststelling ligt het voor de hand dat niet alleen de
ondernemersaftrek bij de belastbare winst wordt opgeteld, maar ook de
MKB-winstvrijstelling. Met de wijziging, genoemd in onderdeel A, onder 2, wordt
dit bewerkstelligd.
Onderdeel B
De wijzigingen in
artikel 6,
vijfde lid, eerste volzin, betreffen redactionele verbeteringen
Onderdeel C
Met ingang van 1 januari
2007 is de Wmo in werking getreden. Daarmee is het persoonsgebonden
budget ten behoeve van huishoudelijke hulp niet langer geregeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ),
maar in de Wmo. De
voorgestelde wijziging van de Wet WIA voorziet erin dat het zevende lid van
artikel 15 van de Wet WIA ook van toepassing is op personen die inkomsten
ontvangen voor het verlenen van zorg op grond van een regeling voor
persoonsgebonden budget, die is gegrond op artikel
5, eerste lid,
van de Wmo. Daarin is bepaald dat de gemeenteraad regels vaststelt over de
door het college van burgemeester en wethouders te verlenen
individuele voorzieningen, onder andere te ontvangen in de vorm van een
persoonsgebonden budget.
Onderdeel D
Bepaalde groepen personen
kunnen zich vrijwillig verzekeren voor de Wet WIA
en de ZW. Het spreekt
voor zich dat dit dezelfde groepen zijn. Echter, rblz.|7|
degenen van wie de WIA-uitkering is geëindigd, kunnen zich wél vrijwillig
verzekeren voor de ZW (zie
artikel 64, eerste lid, onderdeel f, ZW), maar niet voor de Wet WIA. Dat is
uiteraard niet de bedoeling geweest. Daarom wordt dit nu alsnog geregeld
in de Wet WIA.
Onderdeel E
In artikel
23, zesde lid, Wet WIA is geregeld dat iemand die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is het UWV kan verzoeken om een verkorte wachttijd. Deze mogelijkheid
bestaat niet voor verzekerden die ziekengeld op grond van de ZW
ontvangen. Het kan zich echter voordoen dat iemand zowel ziekengeld ontvangt
als recht heeft op loondoorbetaling. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als
iemand die ziek wordt een WW-uitkering ontvangt én een
dienstbetrekking heeft. Of als iemand met een dienstbetrekking ziek wordt en recht heeft op
ziekengeld op grond van artikel 29a ZW
(ziekengeld in verband
met zwangerschap of bevalling) of artikel 29b
ZW (no-riskpolis). In deze
situaties heeft de werkgever er belang bij dat de betrokken werknemer een
verkorte wachttijd aanvraagt, want dan vervallen zijn
re-integratieverplichtingen als de betrokkene recht heeft op een IVA-uitkering
(IVA = inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten). De
tekst van de huidige bepaling kan zo worden uitgelegd dat in de
geschetste situatie geen verkorte wachttijd kan worden aangevraagd, omdat de
betrokken werknemer - naast zijn recht op loondoorbetaling - ziekengeld
ontvangt.
Vanwege deze onduidelijkheid wordt geregeld dat alléén geen
verkorte wachttijd kan worden aangevraagd als de verzekerde ziekengeld
ontvangt én geen recht heeft op loondoorbetaling.
Onderdeel G
Dit artikel betreft de
periodieke (jaarlijkse) herbeoordeling gedurende de eerste vijf jaar nadat recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan bij geringe kans op herstel. Bij deze keuring wordt beoordeeld of
de verzekerde die volledig
en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel
4, derde lid, nog
steeds volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In de wettekst staat nu
echter alleen "volledig arbeidsongeschikt". Door toevoeging van het
woord "duurzaam" wordt deze onjuistheid hersteld.
Onderdeel H
In artikel
49, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet WIA is bepaald dat het recht op een IVA-uitkering
eindigt als de verzekerde niet meer volledig arbeidsongeschikt is. Een letterlijke uitleg zou meebrengen dat het recht
op IVA-uitkering niet
eindigt als de betrokkene wel volledig maar niet meer duurzaam
arbeidsongeschikt is. Dit is niet de bedoeling, omdat in die situatie iemand recht
heeft op een WGA-uitkering en die uitkering niet kan samenlopen met een
IVA-uitkering. Daarom wordt de tekst van artikel
49, onderdeel a, van de Wet WIA bepaling zo gewijzigd dat het recht op een IVA-uitkering ook
eindigt als de verzekerde niet meer duurzaam arbeidsongeschikt is.
Onderdelen I en
V
In artikel 51
Wet WIA is
geregeld dat de hoogte van de IVA-uitkering 70% van het maandloon bedraagt.
Verder is in artikel 126 Wet WIA
geregeld dat de hoogte van de IVA-uitkering op 75% van het maandloon wordt
vastgesteld op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit besluit is inmiddels vastgesteld op 11
december 2006 (zie Stb. 2006, 698). Daarom
rblz.|8|
kan in artikel 51
Wet WIA nu
worden bepaald dat de IVA-uitkering 75% van het maandloon bedraagt en
kan artikel 126 Wet WIA
vervallen.
Onderdeel J
In artikel
52, tweede lid, Wet WIA is geregeld dat het
UWV iemand met recht op een IVA-uitkering
moet oproepen voor een herbeoordeling als hij gedurende twaalf kalendermaanden een inkomen verdient dat meer
bedraagt dan 20% van het
maatmaninkomen per kalendermaand. Kalendermaand is echter een
periode en geen grootheid. Daarom wordt het begrip "kalendermaand"
vervangen door "maand".
Onderdeel M
Bij het opnemen van de in
artikel 58, eerste lid, onderdeel c, Wet WIA
genoemde situatie is
verzuimd te bepalen dat de duur van de reeds genoten WW-uitkering in mindering wordt gebracht op de duur van de
loongerelateerde uitkering
van de WGA-uitkering. Dit gebeurt ook in de hiermee vergelijkbare
situatie dat de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de wachttijd recht had
op een WW-uitkering. Deze omissie wordt met de voorgestelde
wijziging van artikel 59, derde lid, Wet WIA
hersteld.
Hetzelfde wordt nu duidelijk
geregeld voor de situatie dat de verzekerde na 104 weken ziekte minder
dan 35% arbeidsongeschikt is en dan recht heeft op een WW-uitkering. In deze situatie kan alsnog recht op een
WGA-uitkering ontstaan als
de verzekerde binnen vier weken (als gevolg van een andere oorzaak) of
vijf jaar (als gevolg van dezelfde oorzaak) ten minste 35% arbeidsongeschikt
wordt. In dit geval wordt de duur van de inmiddels ontvangen
WW-uitkering in mindering gebracht op de loongerelateerde WGA-uitkering.
Tot slot wordt ook voor de
twee nieuwe situaties die hiervoor zijn genoemd (zie onderdelen A,
onder 1, en L), voorgesteld om de duur van de reeds genoten WW- of wachtgelduitkering in mindering te brengen op de
duur van de loongerelateerde WGA-uitkering.
Onderdeel N
Als iemand volledig
(niet-duurzaam) arbeidsongeschikt is, dan geldt voor hem geen inkomenseis om in
aanmerking te komen voor een loonaanvulling. Mocht deze persoon op een
gegeven moment niet meer volledig arbeidsongeschikt
zijn, dan gaat voor hem na een termijn van 24 kalendermaanden een
inkomenseis gelden. In die periode kan er echter sprake zijn van een
kortstondige periode dat de betrokkene weer volledig arbeidsongeschikt is. Dit
onderbreekt voornoemde periode van 24 kalendermaanden niet. Deze
loopt door, tenzij de betrokkene ten minste twee kalendermaanden
volledig arbeidsongeschikt is. In dat laatste geval eindigt de periode van 24
kalendermaanden en geldt voor deze persoon wederom geen inkomenseis.
Tevens is in dit onderdeel geregeld dat het ingaan van voornoemde
periode van 24 maanden ook geldt voor de verzekerde als bedoeld in
het tweede lid, laatste volzin, met dien verstande dat die periode
pas ingaat na het verstrijken van de in die zin bedoelde twee
kalendermaanden.
Onderdeel O
Omdat het recht op uitkering
of de hoogte van de uitkering op grond van deze wet niet alleen op
aanvraag kan herleven respectievelijk worden gewijzigd, maar ook ambtshalve, wordt in het nieuwe twaalfde lid
geregeld rblz.|9|
dat het elfde lid van
overeenkomstige toepassing is wanneer geen sprake is van een aanvraag.
Daardoor kan de herleving of het later ontstaan van het recht dan
wel de verhoging van de uitkering niet vroeger ingaan dan 52 weken
voorafgaand aan de dag waarop het UWV heeft vastgesteld dat daarvan
sprake is. Hiermee wordt aangesloten bij de overige arbeidsongeschiktheidswetten, waar deze beperking in terugwerkende kracht op vergelijkbare
wijze is geregeld.
Onderdeel P
Dit onderdeel voegt een zin
toe aan artikel 65 van de Wet WIA, waardoor het
UWV de
re-integratie-inspanningen van werkgever en werknemer niet hoeft te
beoordelen
indien
de werknemer, op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f
of g, ZW, recht heeft op ziekengeld. Deze groep is in dienst van een
werkgever, maar ontvangt van het UWV ziekengeld wegens orgaandonatie,
zwangerschap/bevalling of arbeidshandicap. De werkgever moet wel
zorgdragen voor de re-integratieactiviteiten en het opstellen van een
re-integratieverslag als het dienstverband tussentijds eindigt. Aangezien bij
niet-nakoming van deze verplichting geen sanctie geldt - omdat de werkgever
in geval van ziekte wegens orgaandonatie, zwangerschap/bevalling of
arbeidshandicap financieel uit de wind wordt gehouden - wordt geregeld
dat het UWV de re-integratie-inspanningen ook niet hoeft te
beoordelen. Immers, als er geen consequenties aan worden verbonden, is het ook
niet nodig om de inspanningen te beoordelen.
Onderdeel Q
Artikel
82, vierde lid, Wet WIA bepaalt dat de eigenrisicodrager WGA niet het risico draagt van onder
andere WGA-uitkeringen die toegekend worden in aansluiting op een voordien op grond van de
ZW toegekende
uitkering. Door de
voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat ook indien als gevolg van
bijvoorbeeld detentie of verblijf in het buitenland bij einde wachttijd geen
ZW-uitkering wordt ontvangen, de eigenrisicodrager niet zelf het risico hoeft
te dragen. De gekozen formulering sluit aan bij de formulering van artikel
117b, derde lid, onderdeel c, van de Wfsv.
Onderdeel R
Tegelijkertijd met het
afschaffen van de mogelijkheid om eigenrisicodrager voor de WAO te worden, is
ook de mogelijkheid om eigenrisicodrager voor de IVA te worden, beëindigd door middel van de
Wet van
12 december 2007 tot
wijziging van de Wfsv, de WAO en de Wet WIA in verband met het afschaffen
van de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden voor de WAO en de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten in het
kader van de Wet WIA, het afschaffen van de premiedifferentiatie
voor de Arbeidsongeschiktheidskas en enige andere wijzigingen (Stb.
2007, 557). Door middel van die wijziging zijn ook de verwijzingen naar de
mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden voor de IVA in de desbetreffende
wetsartikelen geschrapt. Abusievelijk is de wijzigingsopdracht om
artikel 83 in dit kader aan te passen onjuist geformuleerd, waardoor deze niet kon
worden doorgevoerd. Door middel van de voorgestelde wijziging
wordt dit hersteld.
De doorbelasting van de
garantie-uitkering, bedoeld in artikel 62, derde lid, van de
Wet WIA, is
verschillend geregeld voor de eigenrisicodrager en voor de publiek verzekerde
werkgever. Dit nu wordt onwenselijk geacht. De voorwaarden voor de
uitkering en de lasten van de uitkering die worden gedragen door de
publiek verzekerde werkgevers/doorbelast aan de eigenrisicodragers moeten
gelijk zijn. Dit vloeit voort uit het level rblz.|10|
playing field dat aan het
stelsel van eigen risico dragen ten grondslag ligt. Wenselijk is dat de regeling
voor de eigenrisicodrager inhoudelijk gelijk wordt aan die voor de
omslagleden. Daarom wordt nu in artikel 83, tweede lid, van de
Wet WIA voorgesteld te regelen dat ook de verhoging van de vervolguitkering op
grond van artikel 62, derde lid, van de Wet WIA
(de garantieregeling) door
de eigenrisicodrager op het UWV kan worden verhaald. In verband daarmee
is de formulering van de eerste zin van het derde lid verduidelijkt.
Omgekeerd geldt dat het UWV, indien het UWV de vervolguitkering betaalt,
de
verhoging van de vervolguitkering in verband met de garantieregeling,
niet kan verhalen op de eigenrisicodrager. Dit volgt uit de formulering van
artikel 83, derde lid, van de Wet WIA.
Onderdelen S en
T
Dit betreft het opnemen van
een verlengings- en verdagingsmogelijkheid voor de situatie dat het
nodig is om de in het buitenland woonachtige betrokkene voor een medische/arbeidskundige beoordeling op te roepen
naar Nederland. In de Wet WIA, de WAO, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
is een verlengingsmogelijkheid van ten hoogste zes maanden
opgenomen als in het kader van de primaire beslissing nadere informatie
uit het buitenland moet worden opgevraagd. Voor de beslissingen waarbij
in het buitenland wonenden moeten worden opgeroepen, is dit echter niet geregeld. Voorgesteld wordt om voor de
primaire fase een
verlengingsmogelijkheid op te nemen en voor de beslissing op bezwaar een
verdagingsmogelijkheid voor beslissingen waarbij in het buitenland wonenden
moeten worden opgeroepen, waarbij aangesloten wordt bij de termijn van
maximaal zes maanden. Bij deze onderdelen is aangesloten bij de
terminologie zoals die in de Awb wordt gebezigd; in de primaire fase wordt
gesproken over "verlenging van de termijn" en in de bezwaarfase over
"verdaging van de beslissing".
Onderdeel U
Op grond van
artikel 59,
derde lid, Wet WIA dient in een aantal situaties de duur van de ontvangen
WW-uitkering of van het ontvangen wachtgeld in mindering te worden gebracht
op de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering. Het
gemeenschappelijke van de bedoelde situaties is dat de betrokkene (al dan niet
direct) voorafgaand aan de wachttijd uitsluitend verzekerd was voor de Wet WIA
omdat hij recht had op een WW-uitkering (of op wachtgeld). De ratio
daarvan is dat het recht op een WW-uitkering na de wachttijd van 104
weken zou zijn herleefd als de betrokkene niet ten minste 35% arbeidsongeschikt
zou zijn geweest. Artikel 59, derde lid, Wet WIA
zorgt ervoor dat de duur
van de loongerelateerde WGA-uitkering gelijk is aan de resterende
duur van het niet-herleefde recht op een WW-uitkering. Met ingang van
1 oktober 2006 is de duur van de WW-uitkering verkort. En
vanaf 1 januari 2008 wordt de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering op dezelfde
wijze vastgesteld als de duur van de WW-uitkering. Dit kan tot
gevolg hebben dat bij een verzekerde die vóór 1 oktober 2006 recht
had op een WW-uitkering en na 1 januari 2008 recht heeft op een
WGA-uitkering, de resterende duur van de (niet-herleefde) WW-uitkering langer kan zijn
dan de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering, waardoor hij
die laatste uitkering niet ontvangt. Dat is uiteraard niet de bedoeling geweest van de wijzigingen
van de uitkeringsduur in de
WW en WGA. Daarom wordt geregeld dat de duur van de loongerelateerde
WGA-uitkering ten minste gelijk is aan de resterende duur van de
niet-herleefde WW-uitkering. Deze situatie kan zich niet meer voordoen als
het recht op WW-uitkering is ontstaan na 1 oktober 2006.
rblz.|11|
Artikel IV.
Wijziging van de
Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
Onderdelen A en
B en
artikel
XV
Met het vervallen van de
artikelen 2.7a en 2.7b
van de Wet invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (IWIA) kan het UWV
niet langer aan de zieke werknemer die een dienstbetrekking heeft een persoonsgebonden
re-integratiebudget (PRB) verstrekken. Gedurende de verplichte
loondoorbetalingsperiode zijn de werkgever en werknemer primair
verantwoordelijk voor re-integratie. De werkgever moet in deze periode
voldoende inspanningen plegen om zijn werknemer te re-integreren. Daaraan is
ook een verantwoordelijkheid in financiële zin verbonden. De inzet van het
PRB, dat uit publieke middelen wordt gefinancierd, doorkruist de huidige
verantwoordelijkheidsverdeling voor re-integratie en dat wordt
niet wenselijk geacht.
De regeling voor het PRB
voor zieke werknemers is met de invoering van de Wet WIA
in de IWIA
opgenomen. Daarmee werden bestaande aanspraken gewaarborgd. Aan
een dergelijke bepaling bestaat thans geen behoefte meer.
Hetzelfde geldt voor artikel 73a
van de WW. Invoering van dit artikel werd beoogd met
artikel 43,
onderdeel Za, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen (ISUWI). Omdat dat wijzigingsartikel niet in
werking is getreden, kent de WW thans geen artikel 73a. Derhalve dient
niet artikel 73a van de WW, maar
artikel 43, onderdeel Za, van de ISUWI te vervallen.
Ten behoeve van PRB’s die
zijn verstrekt vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet of waartoe een
aanvraag vóór die datum bij het UWV is ingediend, is overgangsrecht in het voorgestelde nieuwe
artikel
2.7b van de IWIA opgenomen. Hierdoor blijven de voorwaarden die gelden voor reeds toegekende
en aangevraagde PRB’s ook na het vervallen van de
artikelen 2.7a en 2.7b
van de IWIA onverkort van toepassing. Het opnemen van
overgangsrecht in de
ISUWI is niet nodig, omdat artikel 43, onderdeel
Za, van die wet nooit in werking is getreden.
Het is slechts nodig in het
voorgestelde overgangsrechtelijke artikel, artikel 2.7a, zoals dat
thans luidt, te noemen en niet artikel
2.7b zoals dat thans luidt. Artikel
2.7b,
zoals dat thans luidt, regelt immers "slechts" dat het Besluit SUWI
tevens is
gebaseerd op artikel 2.7a, zoals dat thans luidt. Dat is bij de
inwerkingtreding van IWIA geregeld en hoeft nu niet voor de overgangsrechtelijke
situatie nogmaals te worden geregeld. Het UWV kan voor de "oude" PRB’s
derhalve gebruik maken van de desbetreffende bepalingen uit het Besluit SUWI.
Opgemerkt wordt dat het PRB
dat hiermee komt te vervallen, moet worden onderscheiden van het
experimentele PRB voor arbeidsongeschikte uitkeringsgerechtigden, bedoeld in
artikel 2.6 van
de IWIA, en de individuele
re-integratieovereenkomst (IRO),
bedoeld in artikel 4.2 van het Besluit SUWI. Dat PRB en de
IRO blijven onveranderd voortbestaan.
Onderdeel C
Voordat het bestuursorgaan
op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden
gehoord (artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met ingang van 1 januari 2006 is in de wetten die
UWV uitvoert echter geregeld dat het UWV van het horen van belanghebbenden kan afzien indien de
belanghebbende niet binnen een door het UWV gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord
(artikelen 72c ZW,
113 Wet WIA, 87a
WAO, 95b
WAZ,
69b Wajong, 128 WW
en 37a Toeslagenwet (TW)). Een dergelijke bepaling ontbreekt in de
IWIA, terwijl ook op grond van die wet
rblz.|12|
besluiten worden genomen waartegen bezwaar openstaat. Het ontbreken
van een dergelijke bepaling
heeft tot gevolg dat niet zeker is of de hier bedoelde uitzondering op de
hoorplicht ook geldt in gevallen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen
besluiten die genomen zijn op grond van de IWIA. Daarom wordt
voorgesteld de IWIA op dit punt aan te vullen met een
gelijkluidende bepaling.
Artikel V.
Wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet
Onderdeel A
In
artikel 1 van de Grondwet
is bepaald dat discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook niet is toegestaan en dat allen die zich in Nederland
bevinden in gelijke gevallen
gelijk behandeld moeten worden. Het verbod op discriminatie vloeit
voort uit diverse internationale verdragen en EG-richtlijnen. In Nederland
is het verbod op discriminatie verder uitgewerkt in artikel 7:646 Burgerlijk
Wetboek (BW), dat betrekking heeft op gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, en in een viertal specifieke gelijkebehandelingswetten,
te weten: de Algemene
wet gelijke behandeling, de Wet
gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, de
Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de Wet
gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Omdat de Algemene wet gelijke behandeling mede
betrekking heeft op discriminatie op grond van hetero- of
homoseksuele gerichtheid, vallen de gronden leeftijd, handicap en seksuele
gerichtheid hiermee expliciet onder de term "welke grond dan ook" van
artikel 1 van de Grondwet. In de
Wet op de
ondernemingsraden is verder geregeld dat de
ondernemingsraad dient te waken tegen discriminatie in de
onderneming en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en
vrouwen en de inschakeling van gehandicapten en minderheden in de
onderneming dient te bevorderen (artikel 28, derde lid).
In de namens het kabinet
door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 9 november
2007 ingediende nota Lesbisch- en homoemancipatiebeleid 2008-2011 is aangegeven
dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
mogelijkheid onderzoekt van het opnemen van discriminatie als
psychosociale arbeidsbelasting in de Arbowet
(Kamerstukken II 2007-2008,
27 017, nr. 33, blz. 39). Ook in reactie
op de motie van de leden Dibi en Depla, ingediend
tijdens de behandeling van de begroting Wonen, wijken en integratie voor
het jaar 2008 (Kamerstukken II 2007-2008,
31 200 XVIII, nr. 32), is aangegeven dat zal worden bezien of het tegengaan van
discriminatie zou kunnen worden opgenomen in de Arbowet (Kamerstukken II 2007-2008,
31 200 XVIII, nr. 40, blz. 8). Bij brief
aan de Tweede Kamer van 13 december 2007 is het plan van aanpak
discriminatie op de arbeidsmarkt aangeboden. In dat plan is aangegeven
dat het de bedoeling is dat de beleidsverplichting uit de Arbowet met
betrekking tot psychosociale arbeidsbelasting zich ook uitstrekt tot
discriminatie op de werkvloer (Kamerstukken II 2007-2008,
29 544 en 30 950, nr. 130, blz. 4 en 5). Bij brief van 23 april 2008 is ten slotte
aangegeven dat gedacht wordt aan het expliciet toevoegen van discriminatie
aan de opsomming van onderwerpen die nu onder psychosociale
arbeidsbelasting vallen (Kamerstukken II 2007-2008,
29 544, nr. 149, blz. 5). Daarbij is tevens aangegeven dat de plicht bestaat
discriminatie op de werkvloer te bestrijden. Mensen moeten worden
beoordeeld op hun talenten en niet op bijvoorbeeld hun afkomst of religie.
Discriminatie is evenzeer als agressie en geweld, seksuele
intimidatie, pesten en werkdruk één van de factoren in de arbeidssituatie die kan
leiden tot stress.
Met het onderhavige voorstel
tot wijziging van de Arbowet wordt uitvoering gegeven aan dit onderdeel
van het plan van aanpak discriminatie op de arbeidsmarkt.
Het voorstel voorziet in de
opname in de definitie van psychosociale arbeidsbelasting van direct
of indirect onderscheid als één van de factoren in de arbeidssituatie die
stress teweeg kunnen brengen. In de bedoelde rblz.|13|
definitie wordt niet de term
discriminatie gebruikt, maar wordt aansluiting gezocht bij de bestaande
begrippen "direct en indirect onderscheid" als bedoeld in de hiervoor genoemde
gelijkebehandelingswetten. In deze
wetten wordt onder direct
respectievelijk indirect onderscheid verstaan dat iemand op een andere
wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie
wordt, is of zou worden behandeld op grond van godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele
gerichtheid, burgerlijke staat, leeftijd, handicap of chronische
ziekte, respectievelijk dat een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf
of handelwijze personen van een bepaalde godsdienst,
levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, burgerlijke staat, leeftijd
dan wel een hetero- of homoseksuele gerichtheid of met een
handicap of chronische ziekte bijzonder treft.
Met betrekking tot
discriminatie in de Arbowet wordt opgemerkt dat het zowel gaat om direct
onderscheid, met inbegrip van seksuele intimidatie, als om indirect onderscheid,
hetgeen factoren zijn die stress tot gevolg kunnen hebben. De vraag of
er sprake is of kan zijn van direct of indirect onderscheid moet worden
beantwoord aan de hand van de uitleg en rechtspraak van deze
begrippen in bovenvermelde gelijkebehandelingswetten. Hoewel het begrip
"seksuele intimidatie" reeds wordt begrepen onder het begrip
"direct onderscheid" in de gelijkebehandelingswetgeving, blijft dit element, omwille
van de duidelijkheid, expliciet vermeld. Opgemerkt zij
verder nog dat het in de definitie van psychosociale arbeidsbelasting factoren
betreft waarvan sprake is in de arbeidssituatie en die stress teweegbrengen; het gaat dus om direct of indirect onderscheid in de
arbeidssituatie dat stress teweegbrengt. Omdat het moet gaan om direct of
indirect onderscheid in de arbeidssituatie, dus op de werkvloer, kan de factor
direct of indirect onderscheid niet betrekking hebben op onderscheid ten
aanzien van beloningen.
Uitbreiding van het begrip
psychosociale arbeidsbelasting met direct of indirect onderscheid brengt
met zich mee dat de werkgever op grond van artikel 3, tweede lid, Arbowet, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid,
een beleid moet voeren gericht op voorkoming en, indien dat niet mogelijk
is, beperking van discriminatie op de werkvloer. Op grond van
artikel 2.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit
moet de werkgever in het
kader van de risico-inventarisatie en evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de Arbowet, de risico’s ten aanzien van psychosociale
arbeidsbelasting beoordelen en in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de
Arbowet, maatregelen vaststellen en uitvoeren om psychosociale
arbeidsbelasting te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, te beperken.
Iedere organisatie zal dus
moeten onderzoeken wat en in welke situatie deze zich voordoen en wat de
bronnen en oorzaken voor psychosociale arbeidsbelasting en dus ook voor discriminatie zijn en in welke situatie
deze zich voordoen. De
uitkomsten van de risico-inventarisatie zijn daarvoor het startpunt.
Als gevolg van het opnemen
van het element "onderscheid" in de definitie van psychosociale
arbeidsbelasting krijgt ook de Arbeidsinspectie (AI) een rol. Bij de
handhaving wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige handhavingsbeleid
van de AI rondom seksuele intimidatie en pesten. Dat betekent dat de
AI bij geconstateerde of gemelde discriminatie aan de werkgever zal vragen
om aan te tonen dat deze een beleid heeft inzake psychosociale
arbeidsbelasting. Dit houdt tevens in dat als de AI constateert dat in een
bepaald bedrijf sprake is van duidelijke kansen op discriminatie, van de
werkgever kan worden geëist dat er gericht beleid wordt gevoerd. Geeft de
werkgever daaraan geen gevolg, dan kan de AI een bestuurlijke boete
opleggen. Om geen misverstand te laten ontstaan, wordt opgemerkt dat de AI
geen toezichthoudende taak heeft bij de bestrijding van
geconstateerde discriminatie op de werkvloer zelf. De AI
rblz.|14|
beoordeelt niet zelf of er
daadwerkelijk sprake is van discriminatie (of ongeoorloofd onderscheid),
deze taak is voorbehouden aan de Commissie gelijke behandeling of de
rechter.
Tevens wordt in
onderdeel A een aantal redactionele onjuistheden ongedaan gemaakt ten aanzien van de
definitie van "vrijwilliger" dat met de Verzamelwet
SZW-wetgeving 2008 in de Arbowet
terecht is gekomen.
Onderdeel B
In artikel 4, eerste lid,
was verzuimd om te verwijzen naar het eerste lid van artikel 1. Door
onderdeel B wordt dit gecorrigeerd.
Onderdeel C
Bij de
Verzamelwet SZW-wetgeving 2008 is in artikel XII, onderdeel
D, de aanhef van het eerste lid
van artikel 14 van de Arbowet
gewijzigd. Verzuimd is om het tweede
lid, onderdeel c, hiermee in overeenstemming te brengen. Door onderdeel C
wordt dit gecorrigeerd. De wijziging brengt met zich mee dat in de
omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, ook een bedrijfsarts de
risico-inventarisatie en -evaluatie kan toetsen en daarover kan
adviseren.
Onderdeel D
Het nieuwe derde lid van
artikel 20 voorziet in een uniforme regeling ter zake van de aan een
certificaat respectievelijk aanwijzing als certificerende instelling (CI) te stellen
beperkingen en voorschriften. Ook voor de aanwijzing wordt thans bepaald dat deze
alleen voor een beperkte tijdsduur kan worden gegeven. In de
praktijk is dat overigens al overwegend het geval. Uitgangspunt zal zijn een
periode van vier jaar. Tijdig, vóór het verstrijken van de einddatum, moet weer
een verzoek tot het verstrekken van een certificaat respectievelijk
aanwijzing worden gedaan, waarbij een nieuwe toetsing aan de dan geldende
wettelijke voorschriften plaatsvindt.
Verder wordt in het nieuwe
vierde lid, onderdeel b, expliciet bepaald dat de gronden voor schorsing
(naast die voor wijziging en intrekking) van een aanwijzing worden geregeld
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Voor certificaten
is dit al bepaald (onderdeel c en het huidige artikel 20, vierde lid). Hieraan zal
uitvoering worden gegeven in het Arbeidsomstandighedenbesluit
en een daarop gebaseerd
adequaat toezichthoudend beleid van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Dit biedt de mogelijkheid
passend te reageren al naargelang de aard en ernst van de bij een CI
geconstateerde tekortkoming.
Voor een aanwijzing als CI
op een specifiek werkveld door de Minister van SZW is een
beoordelingsonderzoek nodig om vast te stellen of de instelling voldoet aan de
voorwaarden
zoals genoemd in het vierde lid, onderdeel b. De kosten van het
beoordelingsonderzoek (gemaakt door zowel het ministerie van SZW als derden) kunnen
ten laste worden gebracht van de aanvrager om te worden
aangewezen als CI.
De aanvrager dient een
beoordelingsonderzoek te laten doen door de Raad voor Accreditatie
(RvA). Dit wordt als aanwijzingsvoorwaarde vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Omdat de kosten per werkveld
en zelfs binnen een werkveld
kunnen verschillen, wordt in artikel 20, zevende lid, volstaan met
vermelding van een aantal cruciale criteria die door de derden in acht
genomen moeten worden bij het berekenen van de kosten. Te weten de
zorgvuldigheid, transparantie en eenduidigheid (zoals een goede onderbouwing van
de te hanteren bedragen in het algemeen, een duidelijke uiteenzetting
van de opbouw van de in concreto gemaakte rblz.|15|
kosten en het gelijk behandelen van gelijke gevallen), de redelijkheid
(zoals een adequate
verhouding tussen de in rekening gebrachte kosten en de omvang van het
onderzoek) en de proportionaliteit (zoals verschillende bedragen voor de initiële
toelating en posttoelatingswerkzaamheden; zie ook hieronder). Deze
criteria zijn verder uitgewerkt in de hoofdovereenkomst tussen de Staat der
Nederlanden en RvA betreffende de werkzaamheden van de RvA bij
de beoordeling van, in het kader van wettelijke regelingen, aan
te wijzen instellingen en de tussen het ministerie van SZW en de RvA af te
sluiten maatwerkovereenkomst. Zo is bepaald dat het dagtarief
dat de RvA hanteert in 2005 voor beoordeling, jaarlijks mag worden
verhoogd met maximaal het CBS-prijsindexcijfer voor zakelijke
dienstverlening [CBS: Centraal bureau voor de
statistiek, red.].
De aanvrager om te worden
aangewezen als CI betaalt de eventuele vergoeding van die kosten
rechtstreeks aan de RvA.
Gaat het om door de overheid
(het ministerie van SZW) zelf te maken kosten, dan geldt uiteraard
een soortgelijke aanpak. Ter zake zijn de bepalingen van de Awb van belang
en van
toepassing (met name de hoofdstukken 2 en 3: beginselen van
behoorlijk bestuur, besluitvorming, termijnen, motivering).
Met het bovenstaande is de
reguliere aanwijzingsprocedure op hoofdlijnen beschreven. Dit laat
onverlet dat er werkvelden kunnen zijn die aanleiding geven tot een afwijkende procedure.
De aanwijzingsprocedure en
de mogelijkheid tot differentiatie worden verder uitgewerkt en
vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.
Meer dan thans het geval is,
zullen de CI’s periodiek toezien (herbeoordelingsonderzoek) op de vraag of de houders
van een certificaat gedurende de looptijd ervan (in
principe vier jaar) nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor afgifte van het
certificaat en daarop handhaven.
Hetzelfde geldt voor het
toezicht door het ministerie van SZW op de CI’s.
Ten behoeve van de
ministeriële besluitvorming betreffende voortzetting van een aanwijzing
c.q. hernieuwde aanwijzing doet de RvA periodiek herbeoordelingsonderzoek
naar de vraag of de CI’s nog voldoen aan de voorwaarden voor het
verkrijgen van een aanwijzing.
De houder van een
certificaat respectievelijk de aangewezen instelling is verplicht mee te werken aan
periodieke herbeoordelingsonderzoeken door de CI waarvan het certificaat is verkregen, respectievelijk de RvA.
Deze verplichting dient, uit
een oogpunt van inzichtelijkheid en transparantie, te worden opgenomen in een
voorschrift dat is verbonden aan het certificaat respectievelijk
de aanwijzing (artikel 20, vijfde lid). Ontbreekt een dergelijk voorschrift,
dan kan geen herbeoordelingsonderzoek plaatsvinden.
De kosten van
herbeoordelingsonderzoeken naar het blijven voldoen aan de voorwaarden voor een
certificaat respectievelijk aanwijzing kunnen ten laste worden gebracht van
de
houder van het certificaat respectievelijk de aangewezen instelling. Het
betreft hier zogenoemde posttoelatingskosten als bedoeld in het rapport
Maat houden, bekendmaking van het kader voor de doorberekening van
toelatings- en toezichtskosten (Stcrt. 2000, 90). Dergelijke
posttoelatingskosten kunnen worden doorberekend, tenzij:
- dit leidt tot een
onaanvaardbare ongelijkheid tussen groepen;
- dit in strijd is met het
doel van de regeling;
- dit de
concurrentiepositie van het bedrijfsleven substantieel aantast; of
- er dwingende redenen
(zoals EU-regelgeving) zijn om hiervan af te zien.
Van dergelijke
omstandigheden is hier geen sprake.
Verder spelen de volgende in
evengenoemd rapport vermelde criteria. Duidelijk moet zijn welke
kosten worden gemaakt en doorberekend. De eventuele vergoeding moet
redelijk zijn voor de werkelijk gemaakte rblz.|16|
kosten. Indien de
posttoelatingskosten lager zijn dan die voor de toelating, moet dat zichtbaar zijn in
de te betalen vergoeding (lager bedrag).
Omdat ook de
posttoelatingskosten per werkveld en zelfs binnen een werkveld kunnen verschillen,
wordt hier, evenals bij de berekening van de kosten voor de initiële toelating, volstaan met vermelding van enige
cruciale criteria die door
de derden in acht genomen moeten worden bij het berekenen van de kosten,
te weten de zorgvuldigheid, transparantie, eenduidigheid, redelijkheid
en proportionaliteit (artikel 20, zevende lid). Bij de uitwerking van deze
criteria zal daar waar mogelijk worden aangesloten bij hogervermelde raam- en
maatwerkovereenkomst, zoals de jaarlijkse verhoging van het
dagtarief. Zo nodig wordt dit vastgelegd in een aan de aanwijzing verbonden voorschrift.
De verplichting tot
vergoeding van de kosten moet, uit een oogpunt van transparant toezichthoudend
beleid en kenbaarheid voor betrokkene, in een aan het certificaat respectievelijk de aanwijzing verbonden voorschrift
als bedoeld in het derde lid
van artikel 20, worden opgenomen. Ontbreekt een dergelijk voorschrift,
dan kunnen de kosten van een herbeoordelingsonderzoek niet ten laste worden
gebracht van de houder van het certificaat respectievelijk de
aangewezen instelling.
De houder van het
certificaat respectievelijk de aangewezen instelling betaalt de eventuele
vergoeding van die kosten rechtstreeks aan de instelling die het certificaat heeft
afgegeven, respectievelijk de RvA (bij aanwijzing als CI).
Onderdeel F
Artikel
29a bevat een
regeling voor de gegevensuitwisseling, uit eigen beweging en verplicht,
tussen het ministerie van SZW en de aangewezen toezichthouders op de
Arbowet
enerzijds en andere bestuursorganen, met
inbegrip van de onder deze
bestuursorganen ressorterende toezichthouders, en certificerende
instellingen die belast zijn met de uitvoering van wettelijke taken anderzijds.
Voor deze bepaling hebben de artikelen 16 van de Wet
arbeid vreemdelingen en 107 van de Vreemdelingenwet
2000 model gestaan.
Met deze bepaling wordt
primair een verhoging van de effectiviteit en efficiency van de handhaving
van de Arbowet nagestreefd. De AI werkt steeds meer samen met andere (rijks)inspecties. Hierbij gaat het niet
alleen om de samenwerking
met de toezichthouders van andere ministeries die op grond van artikel 24,
tweede lid, van de Arbowet
als mede toezichthouder op de Arbowet
zijn aangewezen, maar ook om samenwerking met toezichthoudende
diensten die niet primair zijn belast met het toezicht op de naleving van
de Arbowet, zoals provinciale milieudiensten, afdelingen bouw- en
woningtoezicht van gemeenten en de regionale politie. De intensivering
van de samenwerking vereist een adequate gegevensuitwisseling. Deze
bepaling biedt hiervoor het kader.
In dit verband wordt
erop
gewezen dat in januari 2007 de Inspectieraad is ingesteld. Deze
Inspectieraad beoogt, mede op grond van de motie-Aptroot en de (nieuwe)
Kaderstellende Visie op Toezicht (Kamerstukken II 2005-2006,
27 831, nr. 15) die in 2005 is uitgebracht door de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een betere samenwerking
tussen de verschillende rijksinspecties tot stand te brengen. Een
voorbeeld van deze samenwerking is het werken met domeingerichte
inspecties, waarbij verschillende inspecties en andere toezichthouders samenwerken
per domein. Het object van toezicht staat daarbij centraal. Een domein
is een branche (bijvoorbeeld de horeca) of een keten (bijvoorbeeld de
asbestverwijdering) waar veel toezichtslast voorkomt. Bij de
domeingerichte inspecties zijn niet de indeling in sectorale wetgeving
en de daarin aangewezen inspectiedienst(en) leidend, rblz.|17|
maar wordt gekeken naar de
instellingen/bedrijven zelf en de wetgeving waarmee zij te maken hebben.
Voor bijvoorbeeld het toezicht op de sector horeca is een samenwerkingsverband aangegaan tussen de
Arbeidsinspectie en de Voedsel en Waren Autoriteit. Beoogd is een gecoördineerde samenwerking te realiseren
voor het toezicht op de Arbowet
en de warenwetgeving. Hetzelfde is gerealiseerd
met het Staatstoezicht op de Mijnen wat het toezicht op de
sector energiewinning op zee betreft.
Ketentoezicht is een vorm
van samenwerking waarin het maatschappelijke belang (of probleem) leidend
is. Met ketentoezicht volgen de betrokken toezichthouders
van bedrijven en instellingen de grondstoffen, goederen, producten,
distributie en diensten. De verwachting is dat het toezicht op de verschillende
onderdelen van de keten effectiever en efficiënter kunnen verlopen. Door
samenwerking van toezichthouders in de keten kunnen eventuele
lacunes of overlappingen in de handhaving worden ondervangen. Met de
ketenbenadering zal de ene toezichthouder, uitgaande van de informatie
verkregen uit toezichtcontroles van de andere toezichthouder, een betere
inschatting kunnen maken van de nalevingrisico’s en zijn controles daarop
aanpassen. Een voorbeeld op het terrein van SZW betreft het toezicht
op de asbestverwijdering, waarbij op basis van een convenant wordt
samengewerkt tussen de verschillende toezichthouders die zijn betrokken bij
asbestverwijdering.
Een betere samenwerking
tussen de verschillende rijksinspecties past ook in het streven naar een
andere wijze van toezicht zoals verwoord in het Coalitieakkoord. Volgens
het
Coalitieakkoord dient dit toezicht zoveel mogelijk vanuit vertrouwen
te worden uitgevoerd en geen onnodige overlast te veroorzaken voor de te
inspecteren instellingen en bedrijven.
Met de organisatie van het
toezicht per domein hebben de samenwerkende inspecties gekozen voor het
centraal stellen van het object van toezicht. Hiermee bundelen
de betrokken inspecties hun krachten door het maken van gecoördineerde
afspraken tussen toezichthouders op basis van een geïntegreerd
toezichtprogramma. Het doel is: effectief en efficiënt toezicht met zo weinig
mogelijk hinder voor bedrijven en instellingen.
Gegevensuitwisseling
Door domeingericht toezicht
(en handhaving) doet zich ook steeds vaker de vraag voor welke
interventiestrategie er moet worden gevolgd. Het onderscheid tussen toezicht
en handhaving wordt diffuser. Uiteindelijk gaat het om de effectiviteit
van het toezichtdoel. Door de integrale aanpak van toezichtdoelen die
worden toegepast op een domein bestaat er een toenemende behoefte om enige
kaders of criteria te hebben op grond waarvan interventies binnen
een domein op elkaar kunnen worden afgestemd. Voor afstemming is
uitwisseling van informatie over toegepaste interventies noodzakelijk.
Persoonsgegevens
In de domeinen zal het ook
kunnen gaan om persoongegevens. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om
hetzij eenmansbedrijven, hetzij werknemers die in overtreding zijn.
Derhalve zullen voor de beantwoording van de vraag of uitwisseling van
basisgegevens en/of toezichtsbevindingen de kaders van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) [overschrijden, ..., red.]
bepalend zijn.
Bij het uitwisselen van de
genoemde gegevens kan sprake zijn van verwerking van gegevens die
verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen. Dit
zal echter met toepassing van met name artikel 9 van de Wbp
per
geval moeten worden beoordeeld. De uitkomst van die beoordeling is
afhankelijk van de aard van de gegevens. Omdat de gewenste
gegevensuitwisseling in de samenwerking tussen de AI
en rblz.|18|
andere inspectiediensten een
structureel karakter heeft, heeft het daarom de voorkeur de informatiestroom tussen de AI en de andere diensten een
wettelijke grondslag te
geven en daarmee wettelijk toe te staan. Het voorgestelde artikel 29a voorziet daarin.
Hierbij gaat het niet om uitwisseling van bijzondere
persoonsgegevens als bedoeld artikel 16 van de Wbp. Voor bijvoorbeeld de eventuele
verstrekking van strafrechtelijke persoonsgegevens is de Wet
politiegegevens primair van toepassing.
Structurele
gegevensuitwisseling op grond van het eerste en tweede lid is mogelijk wanneer de gegevens
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wettelijke taken of het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften.
Hieraan is de voorwaarde
toegevoegd dat de gegevensverstrekking noodzakelijk moet zijn ten behoeve van
een samenwerkingsverband tussen de betrokken inspectiediensten
met het oog op het uitoefenen van toezichthoudende bevoegdheden en de
uitvoering van de wettelijke taken. Niet is voorgeschreven welke
vormgeving de samenwerking dient te hebben. Aan een samenwerkingsverband
zullen meestal schriftelijke afspraken ten grondslag liggen. Dit sluit
aan bij de praktijk waarbij de samenwerking tussen de deelnemende inspectiediensten en andere bestuursorganen
veelal plaatsvindt op basis
van convenanten. De noodzakelijkheid van structurele
gegevensverstrekking kan bijvoorbeeld ook voortvloeien uit regelgeving, bijvoorbeeld
met toepassing van het vijfde lid.
Waar sprake is van
samenwerkingsverbanden in een domein kan erop worden gewezen dat de
gegevensuitwisseling beperkt blijft tot de deelnemers aan het samenwerkingsverband
(toezichthoudende/inspecterende en handhavende deelnemers).
De deelnemers aan een samenwerkingsverband voor een bepaald domein zijn
allen bestuursorganen of privaatrechtelijke rechtspersonen die een
bepaalde publiekrechtelijke taak (als toezichthouder,
vergunningverstrekker of certificaatverlener) uitvoeren en hebben daarmee een grond
voor de gegevensverwerking.
Ook bestuursorganen die niet
direct een toezichthoudende taak vervullen, maar wel relevante gegevens
(kunnen) verstrekken aan het samenwerkingsverband. kunnen participeren.
Ten behoeve van een
samenwerkingsverband zal er doorgaans sprake zijn van een goed omschreven
(gemeenschappelijk) doel en zullen er in de regel afspraken worden gemaakt over de onderlinge noodzakelijke
verstrekking van
(persoon)gegevens waarmee deze verstrekking van gegevens binnen een domein
is te rechtvaardigen.
Het gaat hierbij
bijvoorbeeld om uitwisseling van:
• basisgegevens, ter
voorbereiding op een (gezamenlijk) onderzoek;
• inspectieresultaten ten behoeve van een gemeenschappelijke risicoanalyse;
• de uitkomsten van de
gezamenlijke risicoanalyse ten behoeve van selectieve controles;
• het voorbereiden van een
gezamenlijk onderzoek met als resultaat een gezamenlijk rapport van
bevindingen;
• (mogelijke) ad-hocmisstanden op het terrein van de ander.
Het hoofddoel van de
samenwerking binnen domeinen is vermindering van de toezichtlast bij
ondertoezichtgestelden door operationalisering van de Kaderstellende Visie op
Toezicht. Voorbeelden voor (gemeenschappelijke) subdoelen zijn:
• Om meervoudige
gegevensuitvraag bij de ondertoezichtgestelden zoveel mogelijk te voorkomen,
worden de door (een lid van) het samenwerkingsverband verzamelde gegevens, ter
voorbereiding op een gezamenlijk afgestemde
inspectie/controle onderling uitgewisseld.
• Inspectieoordelen en
bevindingen worden binnen het samenwerkingsverband onderling uitgewisseld om
nalevingsrisico’s vast te stellen op grond waarvan bedrijven en instellingen onder verscherpt toezicht
worden gesteld.
rblz.|19|
• Vermoedens van
overtredingen die door individuele deelnemers uit het samenwerkingverband
worden gesignaleerd, worden doorgegeven aan de daarvoor
verantwoordelijke opsporingsdienst.
• De gezamenlijke
inspecties stellen een integraal rapport op.
Geheimhoudingsplichten
Met het voorgestelde artikel
29a wordt beoogd een grondslag te bieden voor de doorbreking van de
bestaande algemene geheimhoudingsplichten voor die gegevens die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke taken van andere
bestuursorganen en toezichthouders. In dit verband kan worden gewezen
op de volgende algemene geheimhoudingsbepalingen.
Artikel 9, vierde lid, van
de Wbp
verplicht de verstrekking van persoonsgegevens achterwege te laten voor
zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of
wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat. Voor toezichthouders bij
rijksinspecties geldt een geheimhoudingsplicht uit hoofde van hun ambt; de
geheimhoudingsplicht maakt deel uit van de eed of belofte die geldt
voor rijksambtenaren. Artikel 29a maakt het mogelijk om de beoogde gegevens toch
te kunnen verstrekken.
Artikel 12, eerste lid, Wbp
stelt dat een ieder die handelt onder het gezag van de verantwoordelijke,
voor zover deze toegang heeft tot persoonsgegevens, deze slechts verwerkt in
opdracht van de verantwoordelijke, behoudens afwijkende
wettelijke verplichtingen. Het tweede lid van artikel 29a geeft hiervoor de
afwijkende wettelijke grondslag.
Verder bevat artikel 2:5 van
de Awb een algemene geheimhoudingsbepaling ten aanzien van gegevens
waarvan een bij de uitvoering van de taak van het desbetreffende
bestuursorgaan betrokkene het vertrouwelijke karakter kent of
redelijkerwijs moet vermoeden. Ook hiervoor biedt artikel 29a de grondslag voor de
beoogde gegevensverstrekking, uiteraard met inachtneming van het vierde
lid.
Tot slot wordt nog gewezen
op de bijzondere geheimhoudingsbepaling van artikel 26 van de Arbowet. Op grond van deze bepaling hebben de
toezichthouders een geheimhoudingsplicht van de namen van de personen door wie een klacht
is ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze bijzondere
geheimhoudingsbepaling
blijft onverkort gelden.
Certificerende instellingen (CI)
Waar het gaat om
uitwisseling van (persoons)gegevens tussen de toezichthouders op de Arbowet
en de CI wordt erop gewezen dat de informatie van de toezichthouder van belang is voor de beoordeling van
de CI of een
certificaathouder in het bezit dient te blijven van een certificaat. Wanneer de toezichthouder
bijvoorbeeld overtredingen constateert bij de verwijdering van
asbest, is deze informatie van belang voor de CI die het desbetreffende
asbestverwijderingsbedrijf een wettelijk certificaat heeft verleend. Omgekeerd is
het van belang dat wanneer een CI een wettelijk certificaat heeft
geschorst of ingetrokken, dit gegeven kenbaar wordt gemaakt aan de
toezichthouder opdat onderzocht kan worden of de arbeidsomstandighedenwetgeving
(nog) wordt nageleefd. Deze gegevensuitwisseling berust
thans op artikel 1.5b, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze grondslag voor gegevensuitwisseling is als zodanig voldoende,
maar uit systematisch oogpunt is het gewenst deze grondslag
voor gegevensuitwisseling te laten opgaan in het voorgestelde artikel 29a, waarna de specifieke grondslag uit het
Arbeidsomstandighedenbesluit
kan vervallen. In het Arbeidsomstandighedenbesluit zal een delegatiebepaling
worden opgenomen op grond waarvan bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld over de onderlinge verstrekking van
gegevens tussen certificerende instellingen rblz.|20|
en de toezichthouders. De te
verstrekken gegevens zullen feitelijk worden opgenomen in een door
betrokken partijen overeengekomen schema voor aanwijzing en toezicht
waarnaar in de Arbeidsomstandighedenregeling statisch zal worden
verwezen.
Derde lid
In het derde lid is bepaald
dat bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik gemaakt kan worden
van het burgerservicenummer. Op grond van artikel 10 van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer kunnen bestuursorganen en
toezichthouders bij het verwerken van persoonsgegevens in het
kader van de uitvoering van hun taken gebruik maken van het
burgerservicenummer. Voor zover ten aanzien van een CI niet steeds kan worden
gesproken van een overheidsorgaan als bedoeld in artikel 1 van voornoemde
wet, is het noodzakelijk deze bevoegdheid expliciet te regelen. Het
sociaal-fiscaal nummer blijft van belang omdat de kring van personen aan wie
een burgerservicenummer is toegekend niet geheel overeenkomt met de
kring van de personen die in aanmerking komen of kwamen voor een
door de belastingdienst toegekend sociaal-fiscaal nummer. Dit kan zich bijvoorbeeld
voordoen bij personen die uit het buitenland afkomstig zijn.
Vierde lid
In het vierde lid is bepaald
dat geen gegevensverstrekking plaatsvindt indien de persoonlijke
levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt geschaad. Hiermee
wordt gerefereerd aan aspecten van subsidiariteit en
proportionaliteit bij de gegevensverstrekking. Gegevensverstrekking is aan de orde wanneer dit
noodzakelijk is en er worden niet meer gegevens verstrekt dan
die welke nodig zijn. Deze bepaling heeft met name betekenis in
gevallen waar geen sprake is van structurele samenwerkingsverbanden van
inspectiediensten, maar bijvoorbeeld van een ad-hocverzoek om
gegevens. In dit verband wordt erop gewezen dat op grond van het tweede lid
gegevensverstrekking alleen aan de orde kan zijn voor zover deze
gegevens nodig zijn voor de uitvoering van een wettelijke taak van de verzoekende bestuursorganen.
Vijfde lid
In het vijfde lid is de
mogelijkheid geboden om bij lagere regelgeving te bepalen in welke gevallen en
de wijze waarop in ieder geval gegevens moeten worden verstrekt.
Indien bijvoorbeeld sprake is van een gestructureerde gegevensuitwisseling in de
domeinen die betrekking hebben op dezelfde of soortgelijke
gegevens, ligt het voor de hand deze in de regelgeving te benoemen zodat niet
steeds in de samenwerkingsafspraken hieraan aandacht behoeft te
worden besteed. Ook kunnen de samenwerkingspartners in de
domeinen tussen wie de onderlinge gegevensverstrekking
plaatsvindt in de regelgeving worden geduid.
Artikel VI.
Wijziging van de
Arbeidstijdenwet
In de Arbeidstijdenwet
worden enkele beperkte wijzigingen voorgesteld. De onderdelen
A, C, D,
F en
G zorgen ervoor dat het begrip "toezichthouder" meer uniform wordt
gebruikt in de Arbeidstijdenwet. Dit wordt bereikt door het begrip te
definiëren (onderdeel A) en die definitie vervolgens in
de wet daar waar mogelijk
te gebruiken. Onderdeel B zorgt ervoor dat in
genoemde wet de tot
stand gekomen Richtlijn nr. 2005/47/EG van de Raad van de Europese Unie
van 18 juli 2005, betreffende de overeenkomst tussen de Gemeenschap van
Europese Spoorwegen (CER) en de Europese Federatie van
Vervoerswerknemers (ETF) inzake bepaalde aspecten van de rblz.|21|
arbeidsvoorwaarden voor
mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de
spoorwegsector verrichten (PbEU L 195), ook bij overtreding buiten
Nederland kan worden gehandhaafd. Genoemde richtlijn is
inmiddels geïmplementeerd in het Arbeidstijdenbesluit
vervoer. Onderdeel E zorgt ervoor dat in de Arbeidstijdenwet evenals in de
Arbowet
een
bepaling wordt opgenomen over gegevensuitwisseling. Voor de toelichting op deze
wijziging wordt verwezen naar de toelichting op het
soortgelijke artikel in de Arbowet (artikel V, onderdeel
F). Anders dan in de Arbowet
speelt in de Arbeidstijdenwet geen gegevensuitwisseling met
certificerende instellingen. Het voorgestelde artikel is voor de
Arbeidstijdenwet hierop aangepast.
Artikel VII.
Wijziging van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A
Met de voorgestelde
wijzigingen in onderdeel A en de wijzigingen uit de
artikelen VIII, onderdeel B,
en X, onderdeel A, worden de bepalingen gewijzigd ten aanzien van de
voorhang van algemene maatregelen [lees: algemene maatregelen van
bestuur, red.], bedoeld in de artikelen 18
van de WAO, 2 van de
WAZ en 2 van de
Wajong. In de huidige voorhangbepalingen is
- in tegenstelling tot
bijvoorbeeld de
voorhangbepaling, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de
Wet WIA - niet expliciet
bepaald dat een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur aan het
parlement wordt toegezonden. De voorgestelde wijzigingen zijn overigens
in overeenstemming met de bestaande praktijk. De voorgestelde
voorhangprocedure zal op vergelijkbare wijze gelden voor ministeriële
regelingen op basis van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de
artikelen 18 van de WAO,
2 van de WAZ, respectievelijk
artikel 2 van de Wajong.
Hierdoor is expliciet verhelderd in de wetgeving dat in geval van
een voorhangprocedure voor algemene maatregelen van bestuur en ministeriële
regelingen ten aanzien van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid het parlement moet worden betrokken
door toezending van de
desbetreffende ontwerpregeling. Ten overvloede wordt vermeld dat dit nu
overigens reeds gebeurt.
Onderdeel B
Als een
WAO-gerechtigde gaat
werken en daarmee meer verdient dan zijn resterende
verdiencapaciteit, wordt in beginsel zijn mate van arbeidsongeschiktheid
verlaagd, wat kan leiden tot
een herziening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. In artikel 44
WAO is echter
geregeld dat deze herziening gedurende vijf
jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid worden genoten,
niet plaatsvindt omdat in dat tijdvak de arbeid niet wordt aangemerkt
als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de
WAO ("gangbare
arbeid"). In de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid is
een aantal situaties geregeld waarin de
betrokkene niet werkt, maar toch geacht wordt een inkomen uit arbeid als
bedoeld in artikel 44 van de WAO te hebben genoten. Zo wordt bij werkloosheid de
WW-uitkering en bij ziekte de ZW-uitkering als inkomen uit
arbeid aangemerkt. Deze perioden van niet werken worden derhalve feitelijk in
mindering gebracht op de hiervoor genoemde termijn van vijf
jaar. Dit is onwenselijk omdat artikel 44 WAO beoogt de betrokkene
voldoende tijd te geven om na te gaan of de betreffende arbeid voor hem geschikt is,
gelet op zijn krachten en bekwaamheden.
Daarom wordt geregeld dat de
termijn van vijf jaar waarin de WAO-uitkering niet wordt
herzien, wordt onderbroken met een periode waarin de betrokkene niet
heeft gewerkt, maar zijn inkomsten wel als inkomsten uit arbeid als
bedoeld in artikel 44 van de WAO worden
aangemerkt. rblz.|22|
Dit betekent dat als
iemand na vier jaar werken onder toepassing van artikel 44
WAO, twee
jaar lang een WW-uitkering ontvangt, de periode van vijf jaar met twee jaar
wordt verlengd. De periode van niet werken dient overigens wel langer
dan vier weken te duren. Op die manier wordt voorkomen dat iedere korte
onderbreking van het werk tot verlenging van het tijdvak van vijf jaar
leidt.
Onderdeel C
Met de voorgestelde
wijziging wordt duidelijk gemaakt dat ten aanzien van de aanvraag van loon- of
inkomenssuppletie ook regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de termijn waarbinnen deze aanvraag
gedaan wordt en de gevolgen
van een te late aanvraag.
Onderdelen D en
E
Zie de
toelichting op artikel III, onderdeel R en S
Onderdeel F
Met de
Wet van 22 mei 2008
tot wijziging van enige wetten teneinde het verhaal van kosten van
re-integratiemaatregelen te vergemakkelijken (Stb. 2008, 199) is in de
WAO
artikel 91e toegevoegd. Dit artikel was echter reeds eerder toegevoegd met
de Wet verhoging uitkeringshoogte
arbeidsongeschiktheidswetten.
Door vernummering van het tweede artikel 91e tot artikel 91h
wordt dit hersteld.
Artikel VIII.
Wijziging van
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdeel A
Zie de
toelichting op artikel III, onderdeel A, onder 2.
Onderdeel B
Zie de
toelichting op artikel VII, onderdeel A.
Onderdeel C
Zie de
toelichting op artikel VII, onderdeel B.
Onderdeel D
Zie de
toelichting op artikel VII, onderdeel C.
Onderdeel E
Als gevolg van het voorstel
van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde
tranche Awb) (Kamerstukken II 2007-2008, 31 124) komt onbedoeld artikel
65,
onderdeel b, van de WAZ te vervallen. Dit wordt gerepareerd in
artikel XXV,
onderdeel C, van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in
verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken II 2008-2009, 31 514). Wanneer
de Aanpassingswet vierde tranche Awb echter later in werking
treedt dan dit wetsvoorstel, dan heeft de reparatie van
artikel 65 van de WAZ
tot gevolg dat de wijziging op grond van dit wetsvoorstel ongedaan
gemaakt wordt. Om dit te voorkomen, is in het rblz.|23|
voorgestelde artikel VIII,
onderdeel E, nogmaals de omissie uit de Aanpassingswet vierde tranche Awb gerepareerd, waarbij rekening
gehouden is met de wijziging
van artikel 65 van de WAZ op grond van dit wetsvoorstel. Afhankelijk
van het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel en de
Aanpassingswet vierde tranche Awb zal uiteindelijk één van de beide artikelen
waarin de omissie wordt gerepareerd in werking treden.
Onderdelen F en
G, onder 2
Zie de
toelichting op artikel III, onderdelen S en T.
Artikel IX.
Wijziging van de
Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering
zelfstandigen
In de overgangsbepaling van
de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering
zelfstandigen zijn
abusievelijk twee verkeerde verwijzingen naar de Wet arbeid en zorg opgenomen. Deze verwijzingen worden met de
voorgestelde wijziging
gecorrigeerd.
Artikel X.
Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Onderdeel A
Zie de
toelichting op artikel VII, onderdeel A.
Onderdeel B
Met de onderhavige wijziging
wordt het derde lid taaltechnisch verbeterd.
Onderdeel C
Zie de
toelichting op artikel VII, onderdeel C.
Onderdelen D en
E, onder 2
Zie de
toelichting op artikel III, onderdelen S en T.
Artikel XI.
Wijziging van de
Wet arbeid en zorg
Onderdeel A
Een vrouwelijke zelfstandige
in de zin van de Wet arbeid en zorg heeft, als gevolg van de
inwerkingtreding van de Wet zwangerschaps- en
bevallingsuitkering zelfstandigen, op grond van
artikel 3:23, derde lid, van de Wet arbeid en zorg recht op
een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling ter hoogte van 100% van het
wettelijk minimumloon indien
in het jaar voorafgaand aan
het jaar waarop recht ontstaat op een uitkering in verband met zwangerschap
en bevalling 1225 uur of meer is gewerkt als zelfstandige. De
vrouwelijke zelfstandige wordt in dat geval geacht ten minste 100% van
het wettelijk minimumloon te hebben verdiend. Hierdoor is een
aanzienlijke vereenvoudiging bereikt in de uitvoering.
In geval van samenloop van
inkomsten als zelfstandige met inkomsten als werknemer of indien sprake
is van inkomsten als zelfstandige naast bijvoorbeeld een uitkering
op grond van de Wet WIA, dient op grond van artikel
3:29, derde lid, van
de Wet arbeid en zorg verrekening plaats te vinden van de uitkering die
als zelfstandige kan worden verkregen voor rblz.|24|
zover de uitkering op grond
van paragraaf 1 [hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, red.] en de uitkering op grond van paragraaf 2
[hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, red.]
van de Wet
arbeid en zorg samen meer bedragen dan 100% van de som van de inkomsten
uit of in verband met arbeid die de vrouwelijke zelfstandige ontving op de
dag direct voorafgaande aan de dag waarop recht op uitkering op
grond van afdeling 2, paragraaf 1 [hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, red.], en de uitkering op grond van
afdeling 2, paragraaf 2 [hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 2, red.], van de Wet arbeid en zorg ontstaat.
Dit betekent dat indien
sprake is van samenloop van een uitkering aan een zwangere vrouw in haar
hoedanigheid van werknemer met een uitkering in haar hoedanigheid van
zelfstandige, ook bij personen die 1225 uur of meer hebben gewerkt door het
UWV gegevens dienen te worden gevraagd over de inkomsten
op de dag direct voorafgaande aan de dag van aanvang van de uitkering
in verband met zwangerschap.
De regering stelt voor om
in het geval waarin 1225 uur of meer als zelfstandige is gewerkt, ook als sprake
is van samenloop van uitkeringen in verband met zwangerschap en
bevalling, de hoogte van de uitkering aan een vrouwelijke zelfstandige
te stellen op 100% van het wettelijk
minimumloon voor dat gedeelte van haar
tijd dat zij als zelfstandige in de zin van de Wet arbeid en zorg
heeft gewerkt.
Indien niet ten minste het
minimumloon is verdiend, kan de voorgestelde wetswijziging leiden tot een
voordeel voor een vrouwelijke zelfstandige op arbeidsovereenkomst. Daartegenover staat een beperking van administratieve lasten voor zelfstandigen en
van de uitvoeringskosten.
Onderdeel B
Met de
Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering
zelfstandigen hebben vrouwelijke zelfstandigen
recht gekregen op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling.
Hiertoe dient op grond van artikel 3:22, eerste lid, van de
Wet arbeid en
zorg een aanvraag te worden ingediend bij het UWV. Deze aanvraag dient uiterlijk twee weken
vóór de datum van ingang
van het zwangerschapsverlof
van de vrouwelijke zelfstandige te worden gedaan. Op het niet naleven
van deze verplichting bestaat voor vrouwelijke zelfstandigen echter geen
sanctie. Voor (vrouwelijke) beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst is
geregeld in artikel 3:27, vijfde lid, van de
Wet arbeid en zorg
dat een maatregel kan volgen bij een te late aanvraag om een uitkering in
verband met zwangerschap en bevalling. De regering ziet geen reden
tot het maken van onderscheid tussen vrouwelijke beroepsbeoefenaars op
arbeidsovereenkomst en vrouwelijke zelfstandigen als bedoeld in
de Wet arbeid en zorg en acht het ongewenst dat een sanctiemogelijkheid
ontbreekt. Door de voorgestelde wijziging van artikel
3:27, vijfde
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt het mogelijk dat ook aan vrouwelijke
zelfstandigen als bedoeld in de Wet arbeid en zorg door het UWV een
maatregel kan worden opgelegd op grond van het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten als sprake is van een te late indiening van een aanvraag
om een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling.
Het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten zal hiertoe eveneens worden aangepast.
Artikel XII.
Wijziging van de
Wet financiering sociale verzekeringen
Onderdeel B
Door middel van de wijziging
van artikel 97, derde lid, van de Wfsv
komt de mogelijkheid van
ambtshalve gesplitste sectoraansluiting te vervallen. In de praktijk wordt thans
alleen op aanvraag van de werkgever beslist door de inspecteur dat een
werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door
de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden rblz.|25|
is aangesloten bij een
andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die
hij vooral doet verrichten. Als de werkgever geen aanvraag doet, wordt de
werkgever voor zijn gehele onderneming ingedeeld in de sector
waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor het grootste bedrag aan
premieplichtig loon wordt betaald.
Onderdelen C en
D, onder 1
De wijziging van de aanhef
van onderdeel a van artikel 100 betreft een
verbetering waardoor
duidelijk wordt dat het in dit onderdeel a alleen gaat om uitkeringen op
grond
van de WW.
Voorts wordt vanwege
uitvoeringstechnische redenen aan onderdeel b toegevoegd dat indien
sprake is van elkaar opvolgende ZW-uitkeringen, voor de vaststelling of een
dergelijke uitkering ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf)
komt dan wel de sectorfondsen of het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (Ufo), de eerste rechtsgrond bepalend is.
Indien bijvoorbeeld de
dienstbetrekking wordt beëindigd van een werknemer die recht heeft op
ziekengeld op grond van artikel 29b ZW
(uitbetaling ziekengeld op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel g), heeft hij in plaats van een uitkering
op grond van dat artikel (direct aansluitend) recht op een uitkering op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c,
ZW. Het ziekengeld op
grond van artikel 29b ZW
komt ten laste van het AWf (artikel 100, onderdeel b; als de uitkering, bedoeld in
artikel 29,
tweede lid, onderdeel g, van de ZW). In de bestaande wet zou gelezen
kunnen worden dat het ziekengeld na einde van de dienstbetrekking,
omdat het dan een uitkering betreft op grond van artikel
29, tweede lid,
onderdeel c, Ziektewet, als is bepaald in
artikel 104, eerste lid, onderdeel
c, ten
laste van de sectorfondsen zou komen. Door de voorgestelde toevoeging
wordt geregeld dat in genoemd voorbeeld de uitkering na beëindiging van de dienstbetrekking ten laste blijft komen
van het AWf. Overeenkomstig is in artikel 104, eerste lid, onderdeel
c,
bepaald dat voor de vraag of een ZW-uitkering ten laste komt van het
sectorfonds de eerste rechtsgrond bepalend is (onderdeel
D, onder 1). Daarbij wordt bepaald dat uitkeringen (na einde van de dienstbetrekking of bij een
bijzondere dienstbetrekking bijvoorbeeld) indien zij aansluitend
omgezet zijn in een ziekengelduitkering in een normale dienstbetrekking,
ten laste blijven komen van de sectorfondsen en niet van het AWf . In de
praktijk zal dit een meer theoretische situatie kunnen betreffen,
bijvoorbeeld waarin een werknemer die behoort tot de doelgroep voor artikel
29b ZW (arbeidsgehandicapte) vanuit een omstandigheid dat hij ziekengelduitkering
ontvangt uit een dienstbetrekking in uitzendarbeid (artikel
29,
tweede lid, onderdeel a) instroomt in een dienstbetrekking waarop
artikel
29b ZW van
toepassing is, maar ziekengeld blijft ontvangen.
Onderdeel D, onder 2 en
3
De formulering van het
eerste lid, onderdeel d, sluit niet aan op de formulering van artikel
117b, derde lid,
onderdeel c, waardoor indien geen ZW-uitkering wordt ontvangen
bij het einde van de wachttijd als gevolg van detentie of verblijf in
het buitenland, de WGA-uitkering niet ten laste komt van het sectorfonds,
maar van het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Dit wordt onwenselijk geacht.
Daarom wordt door middel van de voorgestelde wijziging geregeld dat ten
laste van een sectorfonds komen de uitkeringen toegekend aan
een werknemer die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is
ontstaan recht had op een ZW-uitkering dan wel indien er geen recht
bestond op een ZW-uitkering vanwege verblijf in het buitenland (artikel
19a van de ZW) of detentie (artikel 19b
van de ZW). Met het oog hierop is
artikel 108, eerste lid, onderdeel d, ten aanzien van rblz.|26|
de uitgaven voor het
Ufo ook aangepast (onderdeel F, onder
2 [lees: onderdeel F, red.]).
Door de toevoeging van een
zinsnede aan het vierde lid wordt bewerkstelligd dat lasten van
WGA-uitkeringen voor flexibel personeel boven het lastenplafond niet ten laste
van het AWf komen, maar ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Voor zover de overschrijding
wordt veroorzaakt door de WGA-lasten, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, wordt de overschrijding ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds gebracht.
Het gaat hier om lasten van
WGA-uitkeringen voor flexibel personeel boven het lastenplafond.
In de memorie van
toelichting op Wet financiering en invoering Wet WIA [lees: memorie
van toelichting bij de Wet invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, red.] wordt in
paragraaf 3.7.4 opgemerkt: "De WGA-vangnetlasten die niet worden
gedifferentieerd, worden gefinancierd via het Aof. Dit geldt voor de
WGA-lasten na tien jaar, de WGA-lasten boven het lastenplafond voor de
uitzendsector en de WGA-lasten van bijzondere vangnetters." Met dit
voorstel wordt gevolg gegeven aan de tekst van paragraaf 3.7.4 van
deze
memorie van toelichting.
Met het oog hierop zijn ook
artikel 105, eerste lid (berekening lastenplafond), en 115, eerste
lid (lasten Aof [Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]), aangepast (onderdelen E en G).
Onderdeel F
In geval van
overheidswerknemers komen de uitkeringen ingevolge artikel 29b
ZW alleen niet ten laste
van het Ufo (doelgroep arbeidsgehandicapte), maar ten laste van het AWf.
Dit betekent zoals hiervoor bij de wijzigingen van artikel
100 en 104 (onderdelen C en D) is
toegelicht, dat indien bijvoorbeeld bij
uitdiensttreding een ziekengelduitkering wordt voortgezet aansluitend aan
een artikel 29b ZW-uitkering deze voortgezette uitkering ten laste van het
AWf blijft komen indien de dienstbetrekking wordt beëindigd. Volgens de
hoofdregel zouden de ziekengeldlasten dan ten laste van het Ufo
komen (uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c).
Dit is geregeld in de voorgestelde toevoeging van artikel
100, onderdeel
b.
De omgekeerde situatie, een ten laste van het Ufo komende
ziekengelduitkering die wordt voortgezet als een artikel-29b-ZW-uitkering, komt niet
voor en hoeft niet geregeld te worden. Dit geldt wel voor de WGA
uitkeringen die betaald worden aan personen die
recht hebben op een
ziekengelduitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d,
e, f en g,
die aansluitend op een ziekengelduitkering op grond van artikel
29, tweede
lid, onderdeel a, b, of c, wordt verstrekt. Onderdeel
d van het eerste
lid van artikel 108 heeft hierop betrekking. Het gaat dan om een
vangnetter
die bijvoorbeeld een uitkering krijgt wegens ziekte in verband met
zwangerschap en bevalling. De WGA-vangnetlasten voor overheidswerknemers
komen alleen ten laste van het Ufo wanneer het gaat om uitkeringen op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
b, en c. Daartoe wordt
artikel 108, onderdeel d, aangevuld.
Voorts sluit de formulering
van het eerste lid, onderdeel d, niet aan op de formulering van artikel
117b, derde lid, onderdeel c, waardoor indien geen ZW-uitkering wordt
ontvangen bij einde wachttijd als gevolg van detentie of verblijf in buitenland,
de WGA-uitkering niet ten laste komt van het Ufo, maar van het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Dit wordt onwenselijk
geacht. Daarom wordt door middel van de voorgestelde wijziging
geregeld dat ten laste van het Ufo de
uitkeringen komen, toegekend aan werknemers die uit de dienstbetrekking
waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht hadden op een ZW-uitkering
dan wel indien er geen recht bestond op een ZW-uitkering vanwege
verblijf in het buitenland (artikel 19a
van de ZW) of detentie (artikel
19b van de ZW). Met het oog hierop is
artikel 104, eerste lid, rblz.|27|
onderdeel d, ten
aanzien van de uitgaven voor het sectorfondsen ook aangepast (onderdeel
D,
onder 2).
Onderdeel G
Door de toevoeging van een
onderdeel aan artikel 115, eerste lid, wordt bewerkstelligd dat lasten
van WGA-uitkeringen voor flexibel personeel boven het lastenplafond ten
laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Met het oog hierop wordt ook
artikel 104, vierde lid, aangepast. Zie verder de toelichting
op onderdeel D, onder 3.
Onderdeel I
Met de inwerkingtreding van
het Besluit van 21 december 2006 tot wijziging van het Besluit
Wfsv in
verband met het afsluiten van de mogelijkheid om eigenrisicodrager te
worden voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 2006, 725) is het met
ingang van 24 november 2006 voor werkgevers niet meer mogelijk om een verzoek in te dienen
om eigenrisicodrager voor de
WAO te worden. Werkgevers die op dat moment al eigenrisicodrager
waren voor de WAO behielden de status van eigenrisicodrager. Voor die
laatste groep geldt dat een werkgever het eigenrisicodragerschap voor
de WAO ook behoudt als hij een deel van zijn activiteiten overdraagt aan
een ander. De beschikking en de garantieverklaring blijven immers voor die
werkgever van kracht. Dit geldt ook als een werkgever nieuwe
werknemers aanneemt, bijvoorbeeld door overname van een onderneming. Een
werkgever behoudt eveneens zijn status van eigenrisicodrager in het
geval van uitsluitend een naamswijziging. Bij een overgang van een
onderneming, zoals bij een fusie, een splitsing of bij een rechtsvormwijziging,
naar een nieuwe werkgever kan sprake zijn van verplichte, voortgezette
dienstbetrekkingen. Materieel hoeft er voor de werkgever en de
werknemers niets te wijzigen. De nieuwe werkgever kan het
eigenrisicodragerschap voor die werknemers in zulke gevallen echter niet voortzetten.
Deze situatie wordt onwenselijk geacht. In het Beleidsbesluit van de
Staatssecretaris van Financiën van 24 maart 2008, nr. CPP2008/325M
(Stcrt. 2008, 69), is vooruitlopend op wijziging van de wettelijke regeling daarom goedgekeurd
dat een nieuwe werkgever het eigenrisicodragerschap onder in dat beleidsbesluit
te bepalen voorwaarden kan voortzetten. In vervolg
daarop wordt voorgesteld in artikel 122e
van de Wfsv een overgangsbepaling
toe te voegen op grond waarvan deze handelswijze in de Wfsv
wordt vastgelegd. In dit artikel wordt bepaald dat de rechtsopvolger van een
eigenrisicodrager, voor zover de onderneming overgaat naar een werkgever
die de hoedanigheid van werkgever nieuw heeft verkregen, bij voor
bezwaar vatbare beschikking toestemming kan krijgen om het
eigenrisicodragerschap voor de WAO van de oude werkgever voort te zetten. Hierbij
gaat het om een fusie, splitsing of wijziging van rechtsvorm, waardoor de
onderneming door een nieuwe werkgever wordt voortgezet. De rechtsopvolger moet daarvoor bij de overgang van
de onderneming een
garantieverklaring op zijn naam van een kredietinstelling of een verzekeraar aan de
belastingsinspecteur kunnen overleggen. Indien sprake is van
meerdere rechtsvoorgangers, bijvoorbeeld bij een fusie, zullen al die
rechtsvoorgangers eigenrisicodrager moeten zijn, wil de rechtsopvolger
toestemming krijgen tot voortzetting van het eigenrisicodragerschap voor de WAO.
Aan de wijziging zal
terugwerkende kracht worden verleend tot en met 1 januari 2008: de datum
waarop het eigen risico dragen voor de WAO is komen te vervallen. Dit
artikel voorziet immers in een overgangsbepaling die betrekking heeft op
artikel 40, eerste lid, van de Wfsv zoals het artikel tot die datum luidde.
rblz.|28|
Artikel
XIII.
Wijziging van
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
Onderdeel A
In de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is thans geen mogelijkheid opgenomen om
andere dan onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
ressorterende ambtenaren aan te wijzen voor het toezicht op de naleving
van genoemde
wet. In bijvoorbeeld de Arbowet
en de Arbeidstijdenwet
is deze mogelijkheid wel opgenomen. In een tijd waarin samenwerking
tussen inspectieorganen meer en meer aan de orde is, wordt het
raadzaam gevonden ook in de WML een bepaling op te nemen waarmee een
mogelijkheid wordt gecreëerd om voor bepaalde categorieën van arbeid het
toezicht te kunnen opdragen aan een ander toezichtorgaan dan de onder
de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ressorterende Arbeidsinspectie. Aanwijzing van
toezichthoudende organen die ressorteren onder een ander departement kan alleen
geschieden bij gezamenlijk besluit van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en de desbetreffende andere minister (onderdeel
A).
Hoewel op dit moment geen
sprake is van een concreet voornemen om het toezicht op de naleving
van de WML mede te laten uitvoeren door andere dan SZW-toezichthouders, geeft het voorgestelde artikel
18a van de WML
hiertoe wel de
mogelijkheid. Dit sluit aan bij het kabinetsbeleid om onnodige belemmeringen in de
wetgeving weg te nemen die een intensievere samenwerking tussen
rijksinspecties in weg staan. Immers niet is uitgesloten dat in navolging
van de Arbowet
en de Arbeidstijdenwet het toezicht op de WML
domeingericht wordt aangepakt, zodat bijvoorbeeld in een bepaalde bedrijfstak
de ondernemingen nog maar met één rijksinspectie worden geconfronteerd die
toezicht houdt op de naleving van meerdere wetten waarvoor
verschillende ministers primair verantwoordelijk zijn.
Onderdeel B
In
onderdeel B wordt net als
in de Arbowet
en de Arbeidstijdenwet
een mogelijkheid opgenomen om
tot gegevensuitwisseling te kunnen overgaan. Verwezen wordt hierbij naar
de toelichting op artikel V, onderdeel F. Anders dan in de Arbowet
speelt in de WML
geen gegevensuitwisseling met certificerende
instellingen. Het voorgestelde artikel in de WML is hierop aangepast.
Onderdeel C
Na de wijziging van de
vakantiewetgeving bij Wet van 30 november 2000 tot wijziging van titel 7.10
(arbeidsovereenkomst) van het Burgerlijk
Wetboek met betrekking tot
vakantie en ouderschapsverlof (Stb. 2000, 545) is de verjaringstermijn voor
vakantieaanspraken in artikel 7:642 van het Burgerlijk
Wetboek op vijf jaar
gezet
om het sparen van vakantieaanspraken in het kader van het beter
kunnen combineren van arbeid en zorg mogelijk te maken. Als gevolg van het
onveranderd laten van de verjaringstermijn van de
minimumvakantiebijslag in de WML
op een periode van twee jaren is er een verschil in
verjaringstermijnen ontstaan. In de oorspronkelijke WML (Stb. 1968, 656) en de
uit 1966 daterende vakantiewetgeving (Stb. 1966, 290) was sprake van
een gelijkluidende verjaringstermijn van twee jaren. Er wordt nu van de
gelegenheid gebruik gemaakt om de beide verjaringstermijnen weer gelijk te trekken. Er
is voor gekozen aan te sluiten bij de termijn die in 2001 in
het Burgerlijk
Wetboek is opgenomen, namelijk vijf jaren.
rblz.|29|
Artikel
XIV.
Wijziging van de
Wet werk en bijstand
Onderdeel A
Het vierde lid van het per
18 juli 2008 in werking getreden artikel 7 van de
Wet werk en bijstand (Wwb)
kan vervallen omdat de inhoud van dit vierde lid al is geregeld in het
per 1 januari 2008 in werking getreden tweede lid van artikel 6 van de
Wwb.
Onderdeel B
In de brief van 4 juli
2008 (Kamerstukken II 2007-2008,
29 389, nr. 11) heeft het kabinet het voornemen kenbaar gemaakt een vrijlating van
inkomsten uit arbeid in de Wwb
op te nemen voor personen met een AOW-uitkering en aanvullende bijstand. Met het oog op het betaalbaar houden
van verzorgingsstaat en het realiseren van economische groei is het van belang dat iedereen
meedoet, dus ook
ouderen. De regering vindt
het daarom belangrijk ouderen te stimuleren om te (blijven) werken. De
regering wil op dit punt een cultuurverandering bewerkstelligen. Doorwerken
na 65 jaar moet normaler worden gevonden. Het is belangrijk te
bevorderen dat zowel werknemers als werkgevers meer van dit nieuwe
perspectief zullen uitgaan. Tegelijkertijd wordt doorwerken na 65 jaar geen
verplichting. De keuzevrijheid van 65-plussers blijft behouden. Zij kunnen
ervoor kiezen om wel of niet (door) te werken en of zij dit voltijds dan
wel deeltijds zullen doen.
Een vrijlating van inkomsten
uit arbeid voor personen van 65 jaar of ouder met aanvullende
bijstand past naar de mening van het kabinet binnen deze uitgangspunten.
Een dergelijke vrijlating kan stimuleren dat ouderen langer blijven
doorwerken of weer aan het werk gaan. Door de vrijlating worden de
inkomsten niet geheel op de bijstandsuitkering in mindering gebracht, maar
behoudt de oudere een deel van die inkomsten. Dit draagt ook bij aan de
invulling van de eigen verantwoordelijkheid van de oudere met een
onvolledige AOW-opbouw om dit AOW-hiaat zelf zoveel mogelijk te
verkleinen. Aan de andere kant is het een keuze van de oudere zelf of hij na het
bereiken de pensioengerechtigde leeftijd wil blijven doorwerken of weer
aan het werk wil gaan om zo te profiteren van de vrijlating van de
arbeidsinkomsten.
Om voor die vrijlating in
aanmerking te komen, geldt de voorwaarde dat de oudere recht heeft op
aanvullende bijstand. De combinatie van een onvolledige AOW-uitkering en
inkomsten uit arbeid kan er sneller toe leiden dat dit niet het
geval is. Daar staat tegenover dat in het kader van de AOW geen inkomstenverrekening
plaatsvindt.¹
Voor personen van 65 jaar of
ouder vervallen twee voorwaarden met betrekking tot de vrijlating
van inkomsten uit arbeid. Ten eerste hoeft deze vrijlating van inkomsten
niet bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van die persoon. Dit wordt
voorgesteld omdat voor 65-plussers op grond van de Wwb geen arbeids- en re-integratieverplichtingen gelden. Daarnaast
wordt deze vrijlating niet
meer beperkt tot zes aaneengesloten maanden. Dit omdat er geen sprake is
van armoedeval bij deze groep (werken is immers een vrije keuze).
Door het laten vervallen van de twee genoemde voorwaarden wordt het
aantrekkelijker voor personen vanaf 65 jaar met aanvullende bijstand om te
(blijven) werken.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat de vrijlating van inkomsten uit arbeid voor personen
jonger dan 65 jaar ongewijzigd blijft.
Het voorstel leidt tot
circa
€|1,5 miljoen aan extra uitkeringskosten op jaarbasis. Middelen hiervoor
worden voor 2009 toegevoegd aan het inkomensdeel Wwb.
1. Bij de AOW-toeslag voor de
jongere partner geldt wel een
inkomstenverrekening; bij deze inkomstenverrekening geldt
een vrijlating.
Onderdelen
C, D en E
Op dit moment bestaat er op
grond van artikel 74 van de Wwb
voor rblz.|30|
gemeenten de mogelijkheid om
een aanvullende uitkering op het inkomensdeel aan te vragen
indien zij over een begrotingsjaar een tekort hebben gehad van meer dan
10%. De voorwaarden waaronder gemeenten recht hebben op
deze uitkering zijn uitgewerkt in het Besluit
Wwb 2007. Deze uitkering
heeft een incidenteel karakter, zodat de aanvulling slechts betrekking heeft op
één begrotingsjaar. Bij de evaluatie van het Wwb-verdeelmodel is
gebleken dat daarnaast behoefte bestaat aan een voorziening voor
gemeenten die meerjarig tekort komen op het Wwb-inkomensdeel. Om deze
reden wordt een nieuwe voorziening geïntroduceerd: de meerjarige aanvullende
uitkering op het Wwb-inkomensdeel (kortweg de MAU-uitkering).
Hiertoe worden het Besluit Wwb 2007 en de Regeling
Wwb aangepast. Er is echter ook aanpassing van de wet in formele zin
[lees: de wet, red.] noodzakelijk.
Daarom worden artikel 74 en 75 van de
Wwb
aangepast en wordt er een
nieuw artikel 74a voorgesteld.
In artikel 74 van de
Wwb
wordt verduidelijkt dat een aanvullende uitkering een incidentele aanvullende
uitkering of een meerjarige aanvullende uitkering kan zijn. In
artikel 75 wordt om diezelfde reden "aanvullende uitkering" gewijzigd in
"incidentele aanvullende uitkering en meerjarige aanvullende
uitkering".
In het nieuwe artikel 74a
van de Wwb
wordt ten eerste een aantal bevoegdheden, rechten en
plichten geformuleerd die nodig zijn voor de MAU-uitkering. Dit betreft
onder andere het verbinden van voorwaarden aan het besluit tot
verlening van een MAU-uitkering. Aangezien aannemelijk is dat de eerste besluiten
tot verlening van de MAU-uitkering eerst na 1 juli 2009 vastgesteld
zullen worden en de genoemde bevoegdheden dus ook eerst na 1 juli
uitgeoefend zullen worden, dient deze wijziging van de Wwb uiterlijk 1 juli 2009 in
werking te treden.
Ten tweede wordt in het
zesde lid van artikel 74a bepaald dat de oordelen van de toetsingscommissie
worden gepubliceerd. Dit is om twee redenen van belang. De eerste reden
houdt verband met de keuze dat de MAU-uitkering tot en met
2012 het karakter krijgt van een groeimodel, met als doel om aan de hand van
concrete casuïstiek steeds beter tot een gerichte analyse van de
oorzaken van een gemeentelijk tekort te komen. Door publicatie van de
oordelen van de toetsingscommissie wordt inzicht verschaft in de wijze waarop
het leerproces zich voltrekt. Dit is vooral van belang voor gemeenten die
een beroep doen op de voorziening of dat overwegen. De tweede reden
houdt verband met de aard van de voorziening, waarbij de toe te kennen
MAU-uitkeringen ten laste komen van het macrobudget voor het Wwb-inkomensdeel. Door alle adviezen van de toetsingscommissie integraal
openbaar te maken, kan iedere gemeente kennis nemen van de situatie
van de gemeenten die een beroep hebben gedaan op de MAU-uitkering
alsmede van de wijze waarop de betreffende verzoeken zijn beoordeeld.
Dit is mede van belang voor het draagvlak van de collectieve voorziening.
Artikelen XV en
XVI
(Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)
Zowel de
Wet van 20 december
2007 tot wijziging van de Wet sociale werkvoorziening in verband
met een betere realisering van de met die wet beoogde doelen (Stb.
2007, 564)
als de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en
inkomen, die beiden op 1
januari 2008 in werking zijn getreden, voegden een nieuw zevende
lid toe aan artikel 14 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en aan artikel 14 van de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Deze omissie wordt hierbij hersteld.
rblz.|31|
Artikel XVII.
Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdelen A en
B
De wijziging van de
artikelen 54 en 73 (onder
2) van de Wet
SUWI heeft tot doel aan
gegevensuitwisseling tussen de AI (en andere inspectiediensten) en de Sociale Inlichtingen-
en Opsporingsdienst (SIOD) een wettelijke basis te geven.
Bij de uitoefening van hun
taken is het wenselijk dat de SIOD en de AI gebruik kunnen maken van
elkaars gegevens.
Het gaat dan om bijvoorbeeld
de volgende vormen van gegevensuitwisseling:
- De AI wenst de SIOD te
informeren over overtredingen die de AI aantreft bij het uitoefenen van het toezicht op de naleving van de
wetten waarmee zij belast is en bij het opmaken van rapporten voor
het opleggen van
bestuurlijke boeten.
- De AI ontvangt van de
SIOD informatie over lopende onderzoeken (in verband met afstemming op
eigen taakuitoefening (samenwerking, onveilige situaties).
- De SIOD verstrekt
informatie aan de AI over illegale werknemers, zodat de AI kan nagaan of sprake
is van tewerkstelling in strijd met de Wet
arbeid vreemdelingen,
waarbij oplegging van een bestuurlijke boete aan de orde kan zijn.
In het
Besluit SUWI zijn in
de artikelen 5.4 en 5.5 bepalingen opgenomen om
gegevens die
noodzakelijk zijn voor de opsporingstaken en voor toezichthouders, binnen het
domein van werk en inkomen uit te wisselen met gebruikmaking van
elektronische voorzieningen. De grondslag daarvoor was meer expliciet opgenomen
in artikel 62 van de Wet
SUWI, zoals dat artikel luidde vóór de wijziging
van de Wet SUWI in de Wet
eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen. Het gaat daarbij met name om het uitwisselen van dit soort
gegevens met de uitvoeringsorganen van de socialezekerheidswetten,
zoals het UWV en de Sociale verzekeringsbank (SVB).
Voor de gegevensverwerking
door de SIOD en de AI is de Minister van SZW de verantwoordelijke.
Bij het uitwisselen van de genoemde gegevens kan sprake zijn van
verwerking van gegevens die verenigbaar is met het doel waarvoor de
gegevens zijn verkregen. Dit zal echter met toepassing van bijvoorbeeld artikel 9
van de Wet
bescherming persoonsgegevens per geval moeten worden
beoordeeld. De uitkomst van die beoordeling is afhankelijk
van de aard van de gegevens. Omdat de gewenste
gegevensuitwisseling in de samenwerking tussen AI en SIOD een structureel karakter
heeft, heeft het daarom de voorkeur de informatiestroom tussen de AI en de SIOD een
wettelijke grondslag te geven en daarmee wettelijk toe te
staan. Daarmee wordt ook de relatie met de geheimhoudingsplicht, die in artikel 74 van de
Wet SUWI is geregeld en
een verbijzondering is van
de algemene geheimhoudingsbepaling van artikel 2:5
Awb, duidelijk.
In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat gegevens niet verder bekend
worden gemaakt dan voor de uitvoering van de Wet SUWI noodzakelijk is
dan wel op grond van die wet is voorgeschreven of toegestaan.
Met de voorgestelde
wijziging van artikel 54 en 73 van de
Wet SUWI wordt hierin voorzien.
Artikel 54 regelt de
gegevensverstrekking aan het UWV, de SVB en de
minister. Het gaat om
gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van taken door het UWV, de
SVB en de minister. Tot de taak van de minister behoort op grond
van artikel 85, tweede lid, van de Wet
SUWI het in stand houden van een
bijzondere opsporingsdienst. In artikel 54, derde lid,
rblz.|32|
onderdeel i, wordt de
gegevensverstrekking aan onder meer de minister geregeld door personen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de Arbowet
en
de Wet arbeid
vreemdelingen. Dit betreft dus de AI. Het tiende lid van
artikel 54 bevat de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nog
andere instanties aan te wijzen die bepaalde gegevens moeten verstrekken
aan - onder meer - de minister voor de taakuitoefening op grond van
de Wet SUWI. Aan dat artikel wordt nu
toegevoegd dat dit
betrekking kan hebben op andere toezichthouders die door de Minister van SZW
zijn aangewezen (dus ook voor andere wetten dan de in onderdeel i
genoemde) of andere inspecties die gegevens verstrekken aan
opsporingsambtenaren bij de SIOD.
Artikel 54 is het algemene
artikel voor de gegevensverstrekking aan de genoemde instanties,
inclusief de minister. Daarnaast regelt artikel 62 de onderlinge gegevensuitwisseling van het UWV
en de SVB en met de gemeenten. Voorts bieden de
artikelen 72 en 77 (uitwerking bij ministeriële regeling) de grondslag voor
de gegevensverstrekking van de in die artikelen genoemde
bestuursorganen (UWV en SVB) aan de minister. Het betreft gegevens die voor de
uitoefening van de taak van de minister noodzakelijk zijn. Een taak
van de minister is zoals hiervoor aangegeven de opsporing van strafbare
feiten door de SIOD. Een andere taak is het verzamelen van informatie
die in brede zin ondersteunend kan zijn voor de taken die aan de minister
en de onder hem ressorterende diensten zijn opgedragen. In dit verband
wordt erop gewezen dat op 1 januari 2007 het Informatieknooppunt SZW (IKP-SZW)
van start is gegaan. Het IKP is ingericht binnen het ministerie van
SZW en ondergebracht bij de SIOD. Het IKP heeft als doelstelling
het vervullen van de rol van informatiemakelaar op het terrein van werk en
inkomen. Hiermee wordt beoogd om signalen van regelovertreding binnen
het SZW-domein bij elkaar te brengen in één loket, zodat controle- en toezichtsinformatie naar de juiste partij kan
worden geleid. Op deze
grondslag kan bijvoorbeeld het UWV toezichtsinformatie verstrekken aan het
IKP.
Verder kan erop worden gewezen dat op deze grondslag ook gegevens
uit bijvoorbeeld de polisadministratie, bedoeld in artikel
33, door
het UWV aan de SIOD ten behoeve van het IKP kunnen worden verstrekt.
Indien nodig kunnen hiervoor op grond van artikel 77 nadere regels
worden gesteld.
Artikel
73, zesde lid, gaat
over gegevensverstrekking door de minister aan het
UWV, de SVB en de
Centrale organisatie werk en inkomen en het vijfde lid over de gegevensverstrekking door deze bestuursorganen, inclusief
de minister, aan andere
bestuursorganen. Ook dit is gegevensverstrekking in het domein van werk en
inkomen en daarbuiten voor zover het om publieke taken gaat.
Aan artikel 73, vijfde lid, wordt
toegevoegd dat bij algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld voor de verwerking van gegevens
onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW door de
SIOD, die verder
kunnen worden verwerkt voor toezicht door de AI. De toevoeging
biedt tevens de grondslag voor gegevensverstrekking door de SIOD aan eventuele
andere inspectiediensten voor toezichtsdoeleinden. Op deze
wijze wordt een grondslag geboden voor regeling bij algemene
maatregel van bestuur van het verstrekken van gegevens waarvan de SIOD
bij de uitvoering van zijn taak kennis neemt en die van belang kunnen
zijn voor de AI en eventuele andere inspectiediensten. Met dit voorstel wordt in de
Wet SUWI duidelijk gemaakt dat op het terrein van opsporing en
toezicht door de daarmee binnen het SUWI-domein belaste personen gegevens
kunnen worden uitgewisseld. In het Besluit SUWI
wordt nog nader
uitgewerkt om welke soort gegevens het daarbij kan gaan.
Met de wijziging van
artikel
54 wordt een nadere grondslag geboden voor het meer op structurele
wijze informeren van de SIOD door de AI en eventuele andere inspectiediensten. De
wijziging van artikel 73 geeft een rblz.|33|
grondslag voor het verder
bekend maken van gegevens door de SIOD die ook betrekking hebben op het toezicht op de naleving van
wetten door de
AI en ook andere
inspectiediensten.
Zo kan in het Besluit SUWI
nader inhoud worden gegeven aan de meer structurele uitwisseling van
gegevens tussen de AI en de SIOD.
Deze grondslag in de Wet
SUWI maakt duidelijk dat er sprake is van deze informatiestromen tussen de
opsporingsambtenaren en de toezichthouders in het belang van een goede
samenwerking bij opsporing en toezicht op het beleidsterrein
waarvoor de Minister van SZW verantwoordelijk is.
Gegevensuitwisseling tussen
Inspecties
Naast de inspecties, die
toezichthouders zijn in de zin van de Awb, is in het domein werk en inkomen
de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) belast met het toezicht op de
naleving van wetten door de bestuursorganen werk en inkomen, zoals het UWV
en
de SVB. In artikel 54 van de Wet
SUWI is bepaald dat door de daar
genoemde personen en instanties ook gegevens verstrekt dienen te worden
aan de IWI, voor zover de IWI die gegevens nodig heeft voor de
uitvoering van taken. Een dergelijke bepaling ontbreekt in artikel
73,
vijfde lid, waar alleen de minister wordt genoemd. In
subonderdeel 1 van de
wijziging van artikel 73 is daarom de IWI toegevoegd. Voor regeling van
gegevensverstrekking door de IWI bestaat noodzaak omdat de IWI in samenwerking
met andere inspecties, zoals de Voedsel en Waren Autoriteit
en het CBP, gegevens uitwisselt. De IWI
is bijvoorbeeld mede belast met het toezicht op de Warenwet.
Bij het toezicht op de gegevensverwerking door gemeenten werken de IWI
en het CBP samen.
Om welke bestuursorganen het
gaat, wordt nader uitgewerkt in het Besluit SUWI
op grond van artikel
54, tiende lid, en artikel 73, vijfde lid, van de
Wet SUWI.
Artikel
XVIII.
[Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
red.]
Zie de
toelichting op artikel IV, onderdeel A.
Artikel XIX.
Wijziging van de
Pensioenwet
Onderdeel A
Artikel 40 van de
Pensioenwet heeft betrekking op informatieverstrekking aan de gewezen deelnemer. In
het derde lid wordt echter gesproken over "de deelnemer". Voorgesteld
wordt dit alsnog te wijzigen in "de gewezen deelnemer".
Onderdeel B
Door de zinsnede "op grond
van het pensioenreglement" te schrappen, wordt de redactie van dit
artikel verbeterd. De wijziging heeft geen materiele gevolgen.
Onderdeel C
De verwijzing naar een
artikel in de Wft
wordt aangepast aan de nummering van de Wft.
Onderdeel D
Pensioenfondsen stellen hun
jaarrekening en jaarverslag vast met toepassing van titel 9 van Boek
2 van het BW. Onderdeel van deze regeling is rblz.|34|
artikel 2:390 van dat
wetboek op grond waarvan in bepaalde gevallen een herwaarderingsreserve wordt
gevormd.
Artikel 135 van de Pensioenwet
schrijft voor dat (beroeps)pensioenfondsen de beleggingen waarderen op
basis van marktwaardering. Wanneer activa tegen marktwaarde worden gewaardeerd, schrijft artikel
2:390 BW voor dat een
herwaarderingsreserve wordt gevormd voor eventuele waardevermindering. Het doel
van de herwaarderingsreserve is kapitaalbescherming voor met
name aandeelhouders. Pensioenfondsen kennen geen
aandeelhouders. Het gehele pensioenvermogen is beschikbaar voor het doen
van uitkeringen. Daarnaast worden aan pensioenfondsen
strenge solvabiliteitseisen gesteld, hetgeen onder meer tot uitdrukking
komt in de eisen aan de dekkingsgraad. De in het Financieel Toetsingskader
[lees: Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen, red.] voorgeschreven buffers vervangen als het
ware de eisen van
kapitaalbescherming. De verplichting om een herwaarderingsreserve op de
balans op te nemen, is voor pensioenfondsen dan ook niet nodig en
belastend voor de administratie. Voorgesteld wordt dan ook in artikel 146
van de Pensioenwet
op te nemen dat pensioenfondsen niet aan
artikel 390 van Boek
2 van het BW hoeven te voldoen.
Artikel
XX. Wijziging van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling
Onderdeel A
Bedrijfstakpensioenfondsen
waarvoor een verplichtstelling geldt, zijn bevoegd op verzoek van een
werkgever vrijstelling van de verplichte deelname aan het fonds te verlenen. Daarnaast kunnen pensioenuitvoerders
vrijstelling van de
verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds of aan een
beroepspensioenregeling verlenen aan individuele gemoedsbezwaarden. Het
verlenen van vrijstellingen van een verplichtstelling geldt als
het uitoefenen van openbaar gezag, waarmee deze pensioenuitvoerders
voor dat deel van hun werkzaamheden bestuursorgaan zijn in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het betreft private "deeltijd-ZBO’s"
[ZBO: zelfstandig bestuursorgaan, red.], waarbij de ZBO-activiteiten slechts een zeer klein deel van de
werkzaamheden beslaan en er, als gevolg van de wet- en
regelgeving, maar
weinig beleidsruimte voor de uitvoerders is. Om deze reden is in de
mededeling op grond van artikel 42 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen vermeld dat deze instanties buiten de Kaderwet zullen blijven
(Kamerstukken II 2007-2008, 25 268, nr. 55). Voor bestaande instanties volgt
dit uit artikel 2, tweede lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen. Voor nieuwe instanties dient dit expliciet te
worden geregeld. Daartoe
wordt voorgesteld in de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) en de
Wet
verplichte beroepspensioenregeling een bepaling op te nemen op grond waarvan verplicht gestelde
bedrijfstakpensioenfondsen en pensioenuitvoerders van een
beroepspensioenregeling niet onder de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen vallen.
Onderdeel B
Artikel 51 van de
Wet
verplichte beroepspensioenregeling heeft betrekking op informatieverstrekking
aan de gewezen deelnemer. In het derde lid wordt echter gesproken over
"de deelnemer". Voorgesteld wordt dit alsnog te wijzigen in
"de gewezen deelnemer".
Onderdeel C
Door de zinsnede "op grond
van het pensioenreglement" te schrappen, rblz.|35|
wordt de redactie van de
artikelen verbeterd. De wijziging heeft geen materiële gevolgen.
Onderdeel D
De verwijzing naar een
artikel in de Wet
op het financieel toezicht (Wft) wordt aangepast aan de
nummering van de Wft.
Onderdeel E
Beroepspensioenfondsen
stellen hun jaarrekening en jaarverslag vast met toepassing van titel 9 van
Boek 2 van het
BW. Onderdeel van deze regeling is artikel 2:390 van dit
wetboek op grond waarvan in bepaalde gevallen een
herwaarderingsreserve wordt gevormd.
Artikel 130 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling schrijft voor dat beroepspensioenfondsen
de beleggingen waarderen op basis van marktwaardering. Wanneer
activa tegen marktwaarde worden gewaardeerd, schrijft artikel 2:390 BW
voor dat een herwaarderingsreserve wordt gevormd voor eventuele waardevermindering. Het doel van de
herwaarderingsreserve is
kapitaalbescherming voor met name aandeelhouders.
Beroepspensioenfondsen
kennen geen aandeelhouders. Het gehele pensioenvermogen is
beschikbaar voor het doen van uitkeringen. Daarnaast worden aan beroepspensioenfondsen strenge solvabiliteitseisen
gesteld, hetgeen onder meer
tot uitdrukking komt in de eisen aan de dekkingsgraad. De in het
Financieel Toetsingskader [lees: Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen, red.] voorgeschreven buffers vervangen als het
ware de eisen van kapitaalbescherming. De verplichting om een
herwaarderingsreserve op de balans op te nemen, is voor beroepspensioenfondsen
dan ook niet nodig en belastend voor de administratie. Voorgesteld
wordt dan ook in artikel 141 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling op te nemen dat beroepspensioenfondsen
niet aan artikel 390 van Boek
2 van het BW hoeven te voldoen.
Artikel
XXI.
Wijziging van de
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000
Bedrijfstakpensioenfondsen
waarvoor een verplichtstelling geldt, zijn bevoegd op verzoek van een
werkgever vrijstelling van de verplichte deelname aan het fonds te verlenen. Daarnaast kunnen pensioenuitvoerders
vrijstelling van de
verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds of aan een
beroepspensioenregeling verlenen aan individuele gemoedsbezwaarden. Het
verlenen van vrijstellingen van een verplichtstelling geldt als
het uitoefenen van openbaar gezag, waarmee deze pensioenuitvoerders
voor dat deel van hun werkzaamheden bestuursorgaan zijn in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het betreft private "deeltijd-ZBO’s",
waarbij de ZBO-activiteiten slechts een zeer klein deel van de
werkzaamheden beslaan en er, als gevolg van de wet- en
regelgeving, maar weinig
beleidsruimte voor de uitvoerders is. Om deze reden is in de mededeling op
grond van artikel 42 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen vermeld dat
deze instanties buiten de Kaderwet zullen blijven (Kamerstukken II 2007-2008, 25 268, nr. 55). Voor bestaande instanties volgt dit uit artikel 2,
tweede lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen. Voor nieuwe instanties dient
dit expliciet te worden geregeld. Daartoe wordt voorgesteld in
de Wet
Bpf 2000 en de Wet
verplichte beroepspensioenregeling een
bepaling op te nemen op grond waarvan verplicht gestelde
bedrijfstakpensioenfondsen en pensioenuitvoerders van een beroepspensioenregeling
niet onder de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen vallen.
rblz.|36|
Artikel
XXII.
Wijziging van
de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Bij de inwerkingtreding van
de Pensioenwet is het begrip "pensioentoezegging" vervangen door
"pensioenovereenkomst", maar was de formulering van het onderhavige onderdeel ten onrechte voor het overige
nog niet aangepast.
Artikel
XXIII.
Wijziging van
de Wet op de bedrijfsorganisatie
Onderdelen A en
C
De voorgestelde aanpassingen
houden verband met de invoering van de Handelsregisterwet
2007. Op
grond van de artikelen 5 en 6 van de Handelsregisterwet
2007 is
de inschrijvingsplicht uitgebreid (zie Kamerstukken II 2005-2006 30 656, nr. 3,
blz 12, 28), waardoor onder andere ook eenmanszaken in de landbouw
uiterlijk 31 december 2009 verplicht zijn tot inschrijving in het
handelsregister. De in artikel 3, tweede lid, van de Handelsregisterwet
1996 geformuleerde uitzondering voor ondernemingen waarin uitsluitend landbouw
of visserij wordt uitgeoefend en die niet aan een rechtspersoon
of vennootschap toebehoren, is daarmee komen te vervallen.
In de
Wet op
de bedrijfsorganisatie is in de artikelen 54 en 55 voorzien in een systematiek van
financiering op basis waarvan hetzij een opslag in rekening kon worden gebracht,
hetzij via de bedrijfslichamen een bijdrage kon worden gevraagd.
Voor deze opzet was gekozen
omdat ondernemingen die behoren tot bepaalde takken van het
bedrijfsleven, onder andere de meeste landbouwbedrijven, niet in het handelsregister
ingeschreven hoefden te zijn. Ten aanzien van die
ondernemingen werd daarom voorzien in een heffing via de bedrijfslichamen.
Nu door de inwerkingtreding
van de Handelsregisterwet
2007 de verplichting tot inschrijving zoals
gezegd is uitgebreid, kan worden volstaan met het heffen van een opslag op
het bedrag dat krachtens artikel 49 van de Handelsregisterwet
2007 in
verband met de inschrijving verschuldigd is. De mogelijkheid om van de bedrijfslichamen bijdragen te heffen, kan
daarom komen te vervallen
met ingang van 1 januari 2010. Deze datum houdt verband met het
tijdstip waarop de inschrijving uiterlijk verplicht is.
Onderdeel B
Bij de aanpassing van de
artikelen 54 en 55 per 1 juli 2008 (zie Stb. 2007,
153 [publicatie Handelsregisterwet
2007, red.]) is de verwijzing
niet helemaal goed geformuleerd. Voorgesteld wordt dit nu te corrigeren.
Artikel XXIV.
Wijziging van
het Burgerlijk Wetboek
Onderdeel A
In de
Wet van 15 juli 2008
tot wijziging van de Pensioenwet, de
Wet
verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten (Stb. 2008, 314) is een wijziging
opgenomen van artikel 664 van Boek
7 van het BW. Met die wijziging was
bedoeld de in het artikel gebruikte terminologie aan te passen aan de
Pensioenwet. Een materiële wijziging van de bepaling was niet beoogd. Gebleken is
echter dat de aanpassing tot een onbedoelde andere uitleg van de
bepaling aanleiding kan zijn. Om die reden wordt de aanpassing van het
artikel, met terugwerkende kracht tot het moment waarop bovengenoemde
wet in werking treedt, verbeterd en geheel in lijn gebracht met
de oorspronkelijke bedoeling.
rblz.|37|
Artikel XXVI.
Inwerkingtreding
Het is het voornemen om
enkele artikelen van deze wet te laten terugwerken tot en met een bij
koninklijk besluit nader te bepalen tijdstip. Hierbij gaat het in ieder geval om
artikel I, onderdeel B, en artikel III, onderdeel
C. Aangezien de Wmo met
ingang van 1 januari 2007 in werking is getreden, ligt het voor de
hand genoemde artikelen terug te laten werken tot 1 januari 2007 (zie
verder de toelichting op artikel I, onderdeel B, en
artikel III, onderdeel C).
Artikel III, onderdeel S, zal terugwerken tot en met 1 januari 2008.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|
|