Met
dit wetsvoorstel worden enige wijzigingen aangebracht in de Wet maatschappelijke
ondersteuning (Wmo). Hoofddoel van de wijziging is om de positie van de burger
- bij het ontvangen van huishoudelijke verzorging in het kader van
de Wmo - adequaat te borgen. De wetswijziging voorziet erin dat de
gemeenten de burgers voorafgaand aan de keuze voor een individuele
voorziening anders dan in natura, te weten een persoonsgebonden budget (PGB)
of een financiële vergoeding, begrijpelijk inlichten omtrent de
consequenties die aan de keuze verbonden zijn.
Daarnaast wordt in dit
wetsvoorstel voorzien in een verplichting voor aanbieders van
huishoudelijke verzorging om, na het verwerven van een opdracht van de gemeente
voor het leveren van de hulp in natura aan burgers, overleg te voeren
met de partijen die tevoren in opdracht van de gemeente die ondersteuning
leverden. Dit met het oog op de continuïteit van de ondersteuning voor de
burger en het behoud van personeel voor de thuiszorgsector.
Bij brieven van 15 februari
2008 en van 2 juni 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 29 538, nrs. 70 en
82) heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Tweede
Kamer geïnformeerd over het voornemen de Wmo te wijzigen. Deze
laatste brief is besproken tijdens het algemeen overleg met de
Kamer op 11 juni 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 29 538, nr. 86).
2. Aanleiding tot wetgeving
De Wmo
is op 1 januari 2007
in werking getreden. Sindsdien zijn meerdere voortgangsrapportages aan de
Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II vanaf 2007-2008, onder
dossiernummer 29 538), waarin zowel de compensatieplicht van de gemeente
en de positie van de burger als de arbeidsmarktgevolgen van de
Wmo voor de thuiszorg belangrijke onderwerpen waren.
rblz.|2|
Door verschillende (in de
hiervoor genoemde kamerstukken beschreven) factoren - zoals het
inschrijven door aanbieders voor een te lage prijs en het feit dat gemeenten
aanbieders de hulp laten leveren die geïndiceerd is, en die levering dus niet
langer af laten wijken van de indicatie - worden burgers die gekozen hebben
voor hulp in natura te vaak onbewust (en ongewild) geconfronteerd met
een alfahulp.
De regering heeft eind 2007
een telefonische enquête uit laten voeren onder gemeenten
(Kamerstukken II 2007-2008, 29 538, nr. 70). Eén van de onderwerpen was de
toename
van het aantal alfahulpen, die volgens de meeste gemeenten onverkort
zou doorzetten in 2008 en latere jaren indien niet zou worden ingegrepen.
Uit deze enquête blijkt dat 43% van deze gemeenten verwacht dat een
substantieel deel van de overgangscliënten een lichtere vorm van
huishoudelijke hulp krijgt. Bij 50% van de gemeenten zetten de
gecontracteerde aanbieders bij deze lichtere vorm van hulp overwegend
alfahulpen in. In 38% van de gevallen worden zowel alfahulpen als thuiszorgmedewerkers ingezet. Uit de enquête blijkt verder
dat 42% van de ondervraagde
gemeenten de burger niet (zelf) informeert indien de hulp bij het
huishouden door een alfahulp geleverd wordt, aangezien de aanbieder vaak
zelf bepaalt welke hulp wordt ingezet.
Vóór de invoering van de
Wmo werden alfahulpen al ingezet, maar alleen bij die burgers die dit
soort hulp ook daadwerkelijk aankonden. Voorts hadden zij tijdens eventuele
ziekte of vakantie van de alfahulp niet noodzakelijkerwijs meteen vervangende hulp
nodig. Voor hulpen die uitsluitend of in hoofdzaak
huishoudelijke of persoonlijke diensten verrichtten in het huishouden van een
natuurlijk persoon voor twee dagen per week, gold een lichter regime dan
voor "gewone" werknemers.
De regeling voor alfahulpen
is in het Belastingplan 2007 (Stb. 2006, 682) opgegaan in
de "regeling
dienstverlening aan huis", waarbij ook het aantal dagen waarop zo gewerkt kon worden, werd uitgebreid van twee
naar drie dagen in de week.
Deze regeling is nu niet alleen voor de alfahulp, maar betreft alle
werkzaamheden in en rond het huis, zoals de werkster, de tuinman of de oppas. De
regeling is uitsluitend van kracht tussen twee particulieren. De
burger, die werkgever is, hoeft hierbij geen loonbelasting of premies
werknemersverzekeringen in te houden of af te dragen. De burger en de alfahulp
bepalen samen voor welk loon de diensten worden verricht, waarbij de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag de ondergrens vormt. De
alfahulp dient zelf jaarlijks zijn verdiensten op te geven in zijn aangifte
inkomstenbelasting.
Het werkgeverschap betekent
dat de burger gehouden is om de alfahulp bij ziekte gedurende zes
weken loon door te betalen. Ook heeft de burger uit hoofde van zijn werkgeverschap geen hulp bij afwezigheid door ziekte
of vakantie en is de burger
aansprakelijk voor schade die ontstaat tijdens de werkzaamheden van de
alfahulp.
De praktijk laat zien dat
burgers te vaak onwetend zijn van de daarbij behorende plichten, zoals de
werkgeverslasten en de aansprakelijkheid (bijvoorbeeld wanneer de
alfahulp tijdens het werk van een trapje valt). Anders dan bij een PGB wordt
te vaak, zonder een bewuste keuze van de burger, een hem meer
belastende vorm van compensatie gegeven.
Bij het gebruik van de
regeling dienstverlening aan huis zocht de burger direct contact met degene
die voor hem klussen in en om het huis uitvoerde. Het is de burger
die dan bepaalt wat hij nodig heeft en dit zelf regelt. Dat is anders bij de
Wmo, waar de gemeente een compensatieplicht heeft richting de burger en
de gemeente verantwoordelijk is dat de burger in voldoende mate
gecompenseerd wordt. De Wmo ziet in de kern toe op de mogelijkheden van
burgers te participeren in de maatschappij.
rblz.|3|
Daarbij zij bedacht dat het
in dit geval gaat om veelal kwetsbare burgers, die zonder compensatie door
de gemeente niet in staat zijn zelfstandig een huishouden te voeren.
In onderhavig wetsvoorstel
wordt de keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura en het PGB aangepast in een keuze tussen de voorziening in natura en de voorziening
anders dan in natura, namelijk een PGB of een financiële vergoeding.
Onder de voorziening anders dan in natura valt dan de alfahulp. In paragraaf 3
wordt hier op ingegaan.
De burger heeft bij het
maken van zijn keuze voor een individuele voorziening anders dan in natura recht
op adequate informatie, verstrekt door de gemeente. De regering wil op
dit terrein daarom ook het recht op informatie voor de burger wettelijk
verankeren. De verdere invulling daarvan past binnen de kerngedachte
van de Wmo: de wetgever stelt de kaders die van belang zijn voor de
positie van de burger. De gemeente is vrij in de invulling daarvan. Vanuit
dit adagium wordt in dit wetsvoorstel de zogenoemde geïnformeerde toestemming
geïntroduceerd: de burger heeft recht op informatie over de
mogelijkheden van een individuele voorziening anders dan in natura, maar
de gemeente is vrij in de wijze waarop zij daaraan invulling geeft.
Paragraaf 4 zal daar nader op ingaan.
Behalve dat
onderhavige
wetswijziging de positie van de burger verbetert, door helderheid te creëren
over wat diens rechten en plichten zijn bij een individuele voorziening
onder de Wmo, heeft de beoogde wetswijziging ook een positief
(neven)effect op de positie van de (gedwongen) alfahulpen, thuiszorgmedewerkers en op
de arbeidsmarkt van de thuiszorg. De groei van het aantal
alfahulpen heeft ook nadelige gevolgen voor de medewerkers in de thuiszorg,
die sinds de invoering van de Wmo vaak "gedwongen" worden om als
alfahulp te werken.
Na de invoering van de
Wmo ontstond het volgende beeld: een door de gemeente
voor het leveren
van een voorziening in natura gecontracteerde aanbieder zendt voor de hulp
bij het huishouden (in casu bij een indicatie voor lichte hulp bij het
huishouden) een persoon naar de burger om de hulp te verlenen die
voorheen deel uitmaakte van het personeelsbestand van de aanbieder. Deze
persoon is in een aantal gevallen onder druk overgehaald om ontslag te nemen. Dit om
vervolgens via de aanbieder als "alfahulp" bij de burger
aan de slag te gaan. De medewerkers zagen zich dan gedwongen in te stemmen
met deze constructie, omdat anders ontslag zou volgen. Vandaar
dat gesproken wordt van "gedwongen" alfahulp.
Ook heeft de regering veel
signalen gekregen dat het voor de betrokken burgers en voor de voormalig
medewerkers van de aanbieder niet duidelijk was wat er precies gebeurde.
Wel was duidelijk dat de alfahulp, voorheen medewerker, liever zijn of
haar werk in dienst van de aanbieder zou hebben voortgezet, met
inbegrip van de daaraan verbonden rechtspositie.
Met het oog op de toekomst
is het noodzakelijk dat de zorg voldoende mensen weet aan te trekken.
De thuiszorg dreigt momenteel op die arbeidsmarkt aan concurrentiekracht te verliezen, omdat de thuiszorg
geen aantrekkelijke
werkgever meer is. Een tekort aan thuiszorgpersoneel kan ertoe leiden dat het
voor de gemeente moeilijker wordt om aan haar compensatieplicht te
voldoen.
Op het terrein van de
arbeidsmarkt bevat dit wetsvoorstel tevens een overlegbepaling die ziet op
een overleg over de eventuele overname van personeel tussen (nieuwe)
"winnende" en (oude) "verliezende" of niet meer meedingende aanbieders
die betrokken zijn bij de aanbesteding voor hulp bij het
huishouden. De gemeente ziet erop toe dat dit overleg plaatsvindt. Dit wordt
verder uitgewerkt in paragraaf 5. In paragraaf 6
rblz.|4|
worden de financiële
effecten van het wetsvoorstel op de overheidsbegroting uiteengezet. In paragraaf 7
worden tot slot de administratieve lasten behandeld.
3. Mogelijkheden individuele
voorziening
De Wmo
heeft als doel de
participatie van de burger te bevorderen. Om dat te bewerkstelligen, is
onder meer in artikel 4 het compensatiebeginsel opgenomen.
Gemeenten
compenseren burgers voor de beperkingen die deze ondervinden in hun
maatschappelijke participatie bij het voeren van een huishouden, het zich
verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
vervoermiddel en het ontmoeten van andere mensen en het op basis daarvan aangaan
van sociale verbanden. De wet geeft de burger op deze terreinen
recht op compensatie door de gemeenten. De gemeenten zijn vrij hoe zij
de compensatie invullen. Bij het bepalen van de voorzieningen voor de
burger dienen gemeenten rekening te houden met de persoonskenmerken en
behoeften, alsmede met de capaciteit van de burger om uit oogpunt van
kosten zelf in maatregelen te voorzien. Het beleid van het college van
burgemeester en wethouders van een gemeente komt tot stand na consultatie van de cliënten
patiëntorganisaties [lees: cliënten-/patiëntenorganisaties, red.]
en het wordt vastgesteld en
getoetst door de gemeenteraad.
In artikel 6 van
de wet
staat nu dat gemeenten de burger die aanspraak heeft op een individuele
voorziening de keuze bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of een hiermee vergelijkbaar
PGB,
tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.
Naar nu blijkt, biedt
- met name bij hulp bij het huishouden - de huidige bepaling over de voorziening
in natura onvoldoende duidelijkheid over de rechten en plichten van de
burger, waardoor een adequate borging van de positie van de burger
ontbreekt.
Zoals hiervoor is
beschreven, maakt de burger de keuze voor een alfahulp bij de hulp in het
huishouden te vaak niet bewust. Daarbij zij bedacht dat de burger onder de
Wmo een
burger is die door de gemeente gecompenseerd wordt voor zijn beperkingen.
Juist deze beperkingen kunnen ertoe leiden dat de burger niet
geschikt is om de rol van werkgever voor de alfahulp te vervullen. Zeker
niet als dit niet bewust doordacht is.
Om de opgedrongen inzet van
de alfahulp bij de hulp in natura binnen de Wmo
tegen te gaan en deze
inzet als bewuste keuze voor de burger (die wel als werkgever kan en wil
optreden) als mogelijkheid te behouden, wordt de Wmo aangepast.
Artikel 6 van de wet wordt zo gewijzigd dat het college van burgemeester en
wethouders personen die een aanspraak hebben op een individuele
voorziening de keuze biedt tussen:
• het ontvangen van een
voorziening in natura; of
• het ontvangen van een
daarmee vergelijkbare en toereikende voorziening anders dan in natura.
De voorziening anders dan in
natura kan een persoonsgebonden budget of een financiële
vergoeding zijn.
Bij een individuele
voorziening in natura regelt de gemeente, bij voorkeur via de inzet van derden,
zoals is opgenomen in artikel 10 van de Wmo, de voorziening voor de burger.
De burger is uitsluitend de ontvanger van de voorziening en wordt niet
geconfronteerd met lasten of verplichtingen voortvloeiend uit het
ontvangen van de individuele voorziening.
Bij de individuele
voorziening anders dan in natura dient de burger begrijpelijke informatie van de
gemeente te ontvangen, zodat hij ook daadwerkelijk
rblz.|5|
een bewuste keuze kan
maken. In het wetsvoorstel wordt die duidelijkheid geboden door deze keuzes
naast elkaar te zetten. Bijvoorbeeld bij de hulp in het huishouden
wordt zo voor de burger (maar ook voor de andere betrokkenen, zoals de
thuiszorgmedewerkers, de alfahulpen, de aanbieders en de gemeenten)
duidelijk op welke wijze de aanspraak op hulp bij het huishouden tot
gelding kan worden gebracht en wie in welke situatie welke rol vervult.
Voorziening in natura
Bij de voorziening in natura
wendt de burger zich - nadat deze bij de gemeente
is geweest en een
besluit heeft waaruit zijn recht op een individuele voorziening blijkt -
tot
één van de aanbieders of leveranciers waarmee de gemeente een
contract heeft gesloten. Om mogelijke onduidelijkheid over de individuele
voorziening in natura uit te sluiten, is ervoor gekozen om in de wet op te
nemen dat de burger die kiest voor een individuele voorziening in natura
uitsluitend ontvanger van de voorziening kan zijn. Dat betekent dat
degene die hem of haar de voorziening levert, veelal een door de gemeente
gecontracteerde derde, de burger niet kan belasten met werkgever- of
opdrachtgeverschap.
De aanbieder is volledig
verantwoordelijk voor de levering van de voorziening in natura aan de burger.
Niets van deze verantwoordelijkheid kan op welke wijze dan ook bij de
burger komen te liggen. Hoe de door de gemeente gecontracteerde
derde de voorziening in natura levert, is diens keuze. De derde blijft vrij
in het aangaan van verschillende soorten dienstverbanden, zoals oproep-, uitzend- of
flexcontracten, alsook de inschakeling van zelfstandigen. Zolang
de burger maar niet geconfronteerd wordt met enige
verantwoordelijkheid als opdrachtgever of werkgever.
Voorziening anders dan in
natura
Naast natura heeft de burger
de mogelijkheid om te kiezen voor een individuele voorziening anders dan in
natura. Tot nu toe werden in de Wmo de voorziening in natura en
het persoonsgebonden budget onderscheiden. Gekozen is om bij het
wetsvoorstel de term "voorziening anders dan in natura" in te voeren.
Het nieuwe begrip
"individuele voorziening anders dan in natura" geldt voor alle individuele
voorzieningen binnen de Wmo. Voor de individuele voorziening geldt dat de
gemeente een burger de keuze dient te geven tussen de
naturavoorziening
en de voorziening anders dan in natura, tenzij er overwegende
bezwaren bestaan om iemand een voorziening anders dan in natura te
geven. De gemeente dient bij de voorziening anders dan in natura de
burger de keuze tussen zowel het persoonsgebonden budget als de financiële
vergoeding aan te bieden.
De voorziening anders dan in
natura is een gelijkwaardig alternatief waarmee een burger de
individuele voorziening, bijvoorbeeld een hulpmiddel of hulp bij het huishouden,
zelf kan inkopen. De gemeente dient een vergelijkbare en
toereikende voorziening anders dan in natura vast te stellen. Dat geldt zowel
voor het persoonsgebonden budget
(PGB) als de financiële vergoeding. Burgers dienen in alle vrijheid te
kunnen kiezen voor de individuele voorziening die het beste past bij hun
situatie en bij hun voorkeur.
Het
PGB maakt nu onderdeel
uit van de voorziening anders dan in natura. Het PGB neemt een
belangrijke plaats in binnen het systeem van de Wmo
en bij het compensatiebeginsel van de gemeenten richting de burgers.
Materieel is er geen
verandering ten opzichte van het huidige systeem: de gemeente dient de burger ook
na de wetswijziging de keuze te geven bij rblz.|6|
een individuele voorziening
tussen natura en het PGB. In het licht van de bepaling inzake de
geïnformeerde toestemming zal de regering gemeenten wijzen op de
rechten van burgers op begrijpelijke informatie over de voorziening anders
dan in natura, zowel het PGB als de financiële vergoeding. In samenwerking
met de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
red.] en Per Saldo zal aan de gemeenten de pas opgestelde PGB-wijzer worden aangeboden, waarin verschillende facetten van het
PGB worden uitgewerkt.
Het
PGB wordt vooraf door gemeenten aan de burger verstrekt en kan besteed worden aan
bijvoorbeeld een rolstoel of hulp bij het huishouden. De financiële vergoeding is
bedoeld voor hulp bij het huishouden uitgevoerd door een alfahulp. De hoogte
van een PGB en de hoogte van een financiële vergoeding
kunnen verschillen. Bij de financiële vergoeding is sprake van een
arbeidsovereenkomst met een alfahulp. Daardoor heeft de burger de verplichting om
ten minste het minimumloon te betalen. Bij het
PGB hoeft geen sprake te
zijn van een arbeidsovereenkomst onder de regeling dienstverlening aan
huis.
De burger die kiest voor een
individuele voorziening anders dan in natura kan, als hij dat wil,
gebruik maken van de bemiddelingsdiensten van een derde. Ook een gemeente
kan
een burger deze diensten aanbieden door voor de bemiddeling een
contract met een derde af te sluiten. Deze derde is dan bemiddelaar tussen de
burger en bijvoorbeeld een alfahulp of zelfstandige zonder
personeel. Bij deze bemiddeling dient de derde, bijvoorbeeld een aanbieder
van maatschappelijke ondersteuning, zich te houden aan de vigerende wet-
en regelgeving.
Zowel het
PGB als de
financiële vergoeding zijn vergelijkbaar en toereikend, zodat de burger zelf de
voorziening kan regelen. Dit betekent dat de burger moet kunnen voldoen
aan de wettelijk geldende verplichtingen, zoals het minimumloon. Het
toereikend zijn van de voorziening anders dan in natura ziet op de
kwaliteit en omvang van de voorziening in vergelijking met de voorziening in
natura.
Nochtans schrijft de regering niet voor wat het precieze bedrag
van een voorziening anders dan in natura zou moeten zijn. Het opnemen
van de wettelijke criteria toereikend én vergelijkbaar zijn met de
voorziening in natura geeft een burger voldoende rechten en geeft
ook de gemeente afdoende mogelijkheden om te voldoen aan het
compensatiebeginsel richting de burger, zonder dat het lokale beleid van de
gemeente beperkt wordt.
4. Geïnformeerde
toestemming
Bij het ontvangen van
huishoudelijke verzorging door een alfahulp is de burger nu niet altijd
voldoende geïnformeerd over de rechten en plichten. In het wetsvoorstel
wordt de
instemming voor de voorziening anders dan in natura, te weten het PGB of de financiële vergoeding, expliciet gemaakt en gekoppeld aan het recht
op begrijpelijke informatie: de gemeente dient er redelijkerwijs zeker van
te zijn dat een burger zich bewust is van alle rechten en plichten die de
keuze voor ondersteuning in een voorziening anders dan in natura (een
financiële vergoeding of een PGB) met zich meebrengt. Daartoe is een
wettelijke informatieverplichting van de gemeente jegens de burger
opgenomen die waarborgt dat sprake is van een geïnformeerde keuze van
de burger. Die informatieverstrekking is vormvrij. De gemeente kan de
wijze waarop zij informatie wil verschaffen zelf nader invullen.
Daarvoor wordt onder meer een handreiking aan de gemeenten ter beschikking
gesteld, waarin wordt ingegaan op de manier waarop een gemeente een
burger kan informeren. Ook wordt in samenwerking met Per Saldo aan gemeenten
de PGB-wijzer ter beschikking gesteld.
rblz.|7|
Het enerzijds stellen van
regels die de burger beschermen en het anderzijds vrijlaten voor wat betreft
de invulling daarvan past binnen de uitgangspunten van de Wmo. Zo geeft de Wmo
gemeenten de mogelijkheid
om integraal lokaal beleid
te voeren en daarbij eigen accenten te leggen en keuzes te maken.
Een burger heeft onder de Wmo geen aanspraak op een bepaalde
voorziening. De burger heeft wel een wettelijk vastgelegd recht op
compensatie. Evenals bij het recht op compensatie gaat het bij de
geïnformeerde toestemming om een dermate fundamenteel belang dat de regering dit
wettelijk vast wil leggen. Hoe de gemeente uiteindelijk de informatie verschaft, is aan de gemeente.
5. Overlegbepaling
Om negatieve gevolgen van de
overgang van contracten van de ene naar de andere aanbieder in de Wmo
na een nieuwe aanbesteding door een gemeente - op het terrein van
de huishoudelijke hulp - zowel voor de burger als voor de
individuele thuiszorgmedewerkers te beperken, respectievelijk om de
"rust" in de
thuiszorg te bevorderen, wordt aan de Wmo een overlegbepaling
toegevoegd.
Deze bepaling is anders dan
bijvoorbeeld de mens-volgt-werkbepaling in de wetgeving inzake het
openbaar vervoer. In die wetgeving is een bepaling opgenomen die de
"winnaar"
verplicht het personeel van de "verliezer" over te nemen.
Omdat de gemeenten in het kader van de Wmo
ervoor moeten zorgen dat de
burger kan kiezen uit meerdere aanbieders, is het niet mogelijk om in
concrete situaties aan te geven welke aanbieder nu ten koste van welke
concrete andere aanbieder een deel van de markt heeft verworven. Anders dan
in de vervoerswereld, waar steeds sprake is van overname van het
contract van de ene vervoerder door één andere, is het derhalve niet mogelijk
in de wet een verplichting tot overname van het personeel op te nemen. Ook
al niet omdat bij de contracten huishoudelijke verzorging vooraf niet vast
staat welk volume een aanbieder gedurende de contractperiode zal gaan
leveren.
Om te bevorderen dat
betrokken partijen afspreken hoe eventuele overname van het personeel
plaatsvindt, is voor de huishoudelijke verzorging voorzien in een overlegverplichting. Deze verplichting is voor de verliezende
partijen in elk geval een
instrument om zo nodig af te dwingen dat met hen wordt overlegd over
de eventuele overname van het personeel. Indien gemeenten de stap
zouden zetten om in het aanbestedingsbestek ook als eis op te nemen dat
de winnaars gehouden zullen zijn om met de verliezers te overleggen,
wordt het naleven van die conditie ook een contractuele verplichting,
zodat de gemeente aan het niet naleven daarvan (indien
noodzakelijk) consequenties kan verbinden.
6. Financiële effecten
(conform artikel 2 Financiële-verhoudingswet)
De wetswijziging is er
primair op gericht om de burger die hulp bij het huishouden ontvangt bewust
te laten kiezen. Ten opzichte van de afgelopen periode, waarin een groei
van het aantal "gedwongen" alfahulpen optrad, zal dit betekenen
dat er minder alfahulpen en meer thuishulpen, werkzaam voor een aanbieder,
ingezet zullen worden. Een gevolg van deze verschuiving kan zijn
dat er voor gemeenten een kostenstijging binnen de uitgaven voor hulp
bij het huishouden in vergelijking met 2007 en 2008 optreedt, omdat
sprake is van een ruimer volume aan minder goedkoop personeel.
Bij de overheveling van de
huishoudelijke verzorging uit de AWBZ is het beschikbare budget "schoon
aan de haak" overgeheveld naar het Wmo-budget. Op het AWBZ-budget, heeft bij het overhevelen geen
rblz.|8|
korting plaatsgevonden. Met
de inwerkingtreding van de Wmo is een duidelijke ommezwaai in
geleverde hulp waarneembaar. In de kern omdat in de Wmo het verschil
tussen geïndiceerde en geleverde ondersteuning - dat onder de AWBZ op het
terrein van de huishoudelijke verzorging gebruikelijk was - werd
opgeheven. Destijds werd huishoudelijke verzorging voor ongeveer 80% geleverd
door "zwaardere" en ook duurdere huishoudelijke verzorging en
voor zo’n 20% door "lichtere" en goedkopere medewerkers. Deze werd
vooral door alfahulpen geleverd. Dat betrof ondersteuners die bewust - en niet gestuurd door andere factoren
- voor een alfahulpconstructie
kozen. Met de inwerkingtreding van de Wmo is er een verschuiving opgetreden
naar het leveren van huishoudelijke hulp door "lichtere" goedkopere
medewerkers. De keuze om al dan niet als alfahulp aan de slag te gaan,
wordt naar verwachting door de wetswijziging zo
beïnvloed dat het
alleen bepaald wordt door de betrokkene zelf.
De precieze financiële
effecten zijn afhankelijk van de afspraken per gemeente, van beleidskeuzen
op lokaal niveau en van het gedrag van marktpartijen. Door het Rijk en de
VNG is bestuurlijk geconstateerd en
afgesproken dat het Wmo-budget geen aanpassing behoeft voor de financiële gevolgen van
de
wetswijziging Wmo. Deze zal in het budget worden opgevangen gelet op de
onderuitputting van het budget 2007 en de ontwikkeling van het budget
in verband met de afgesproken Wmo-indexatie.
Bij dit alles zij verder
bedacht dat het financiële arrangement voor de Wmo
(zie de brief aan de
Tweede Kamer van 11 januari 2007, Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 XVI, 30
131 nr. 60) er via de koppeling aan de feitelijke uitgaven door gemeenten voor
zorgt dat het budget voor komende jaren telkens wordt
aangepast aan de feitelijke uitgavenontwikkeling. Tot slot wordt, zowel in de
adviezen van het SCP [Sociaal en Cultureel Planbureau, red.], de onafhankelijke derde, als in het regulier
onderhoud van het gemeentefonds, ieder jaar aandacht
geschonken aan de ontwikkeling van de uitgaven in relatie tot de
bekostigingssystematiek. Als blijkt dat de ontwikkeling van de uitgaven uit de pas
loopt
met de bekostiging, dan zal het Rijk met de VNG
bespreken hoe daarmee om
te gaan.
7. Administratieve lasten
Met de onderhavige
wetswijziging treedt formeel geen verandering in de administratieve lasten voor
zowel burgers als bedrijven op.
In veel gevallen zullen
nieuwe contracten, wegens het aflopen van de bestaande contracten, reeds
eerder worden gesloten. Er wordt van uitgegaan dat de gemeenten,
kennis dragende van de voorgenomen wetswijziging, daarbij rekening zullen
houden met de nieuwe regeling.
De wetswijziging kan voor
het gevoel van burgers die kiezen voor een voorziening anders dan in
natura in vergelijking met het huidige systeem een verandering in administratieve lasten met zich mee brengen. Hoewel
de burger nu formeel zelf al
werkgever is van de alfahulpen en derhalve ook de administratieve
lasten heeft, worden vaak door de aanbieder de administratieve lasten van
de alfahulp overgenomen. Te vaak is de burger zich hier niet van bewust.
Omgekeerd zal de burger veel meer administratieve lasten hebben als zich
onverhoopt problemen voordoen in de werkgever-werknemerrelatie
tussen de burger en de alfahulp, juist omdat men niet op de hoogte is van
de rechten en plichten. Door de wetswijziging kan de burger zelf
geconfronteerd worden met deze lasten. In feite is daarmee sprake van een
verschuiving van lasten naar de juiste plaats. De regering is van mening dat
dit materiële gevolg de consequentie is van het adequaat verankeren van
de positie van de burger.
rblz.|9|
Artikelsgewijs
Artikel I
Zoals in het
algemeen deel
van de toelichting is aangegeven, kunnen de individuele voorzieningen
die gemeenten verstrekken, worden onderverdeeld in voorziening in natura en
voorzieningen anders dan in natura. Eén en ander wordt nader
uitgewerkt in artikel 6 Wmo
(zie onderdeel B). De opsomming in artikel
5,
eerste lid, is niet meer nodig en is weggehaald.
Onderdeel B
Artikel 6, eerste lid,
Wmo
Het nu geldende
artikel 6,
eerste lid, Wmo verplicht het college van burgemeester en wethouders een persoon
die aanspraak heeft op een individuele voorziening de keuze te
geven tussen een voorziening in natura en een hiermee vergelijkbaar
persoonsgebonden budget [PGB, red.], tenzij hiertegen overwegende bezwaren
bestaan. Deze formulering wekt de indruk dat de enige individuele
voorziening die het college naast de voorziening in natura biedt het PGB
is.
Naast het PGB bestaat echter de mogelijkheid dat de burger van het college op
andere wijze een bedrag kan ontvangen of dat een derde van de gemeente
een bedrag ontvangt voor een individuele voorziening voor de burger.
Gelet hierop wordt
voorgesteld in artikel 6, eerste lid, onderscheid te maken tussen een individuele
voorziening in natura en een individuele voorziening "anders dan in
natura".
Artikel 6, tweede lid,
Wmo
Kiest een burger voor een
voorziening in natura, dan dient de gemeente er zorg voor te dragen dat
aan de burger deze voorziening ook wordt verstrekt. Daartoe gaat de
gemeente bij voorkeur een rechtsbetrekking aan met degene die de
voorziening aan de burger levert, bijvoorbeeld voor een rolstoel. De
leverancier verstrekt de individuele voorziening in natura aan de burger namens
de gemeente, zonder dat tussen de burger en de leverancier een
rechtsbetrekking tot stand komt.
Hetzelfde principe geldt
indien een burger is aangewezen op dienstverlening door derden bij een
voorziening in natura: de gemeente dient ervoor te zorgen dat een door de
gemeente gecontracteerde dienstverlener bij de burger de voorziening in
natura levert en namens de gemeente en op kosten van de gemeente de
bij besluit toegekende dienst verleent.
Een constructie dat een door
de gemeente gecontracteerde aanbieder voor hulp bij het huishouden
naar de burger een alfahulp stuurt, voldoet hier niet aan. Immers, de
burger wordt in dat geval werkgever van de alfahulp op grond van
artikel 5 van de Wet
op de loonbelasting 1964 en krijgt verplichtingen als
werkgever. Verplichtingen die hij, door zijn keuze voor een individuele
voorziening in natura, niet behoort te krijgen.
Evenzo dient een gemeente
een burger die voor een voorziening in natura heeft gekozen ervoor te
behoeden dat hij opdrachtgever wordt van degene die de voorziening uit komt voeren. Ook opdrachtgeverschap
brengt verplichtingen voor
de opdrachtgever mee, zoals de verplichting de opdrachtnemer loon te
betalen en onkosten te vergoeden (artikelen 7:405 en 7:406 van het Burgerlijk
Wetboek). Ook hiervoor geldt dat het verplichtingen zijn die een burger bij een
individuele voorziening in natura niet behoort te hebben.
Kortom, kiest een
burger
die een aanspraak heeft op een individuele voorziening, voor een
voorziening in natura, dan dient de gemeente hem
rblz.|10|
deze voorziening te geven,
zonder dat de burger met enige werkgevers- of opdrachtgeverslast wordt
opgezadeld. Het tweede lid regelt dit.
Artikel 6, derde lid,
Wmo
Het derde lid onderscheidt
de individuele voorziening anders dan in natura. Dit betreft een
financiële vergoeding of een persoonsgebonden budget dat de gemeente
aan
een persoon die een individuele aanspraak heeft, verschaft,
tenzij overwegende bezwaren bestaan om een persoon een bedrag te geven.
De voorziening anders dan in
natura is vergelijkbaar met een voorziening in natura en toereikend,
zodat de burger de voorziening zelf kan regelen en kan voldoen aan de
minimale wettelijke verplichtingen.
Onderdeel C
Omdat aan de keuze tussen
het tot gelding brengen van een aanspraak op een voorziening in natura of
anders dan in natura uiteenlopende consequenties - met
name op het gebied
van de verantwoordelijkheid van de burger, de gemeente
en de
hulpverlener - zijn verbonden, is het van groot belang dat de burger bij het
maken van zijn keuze voor een individuele voorziening anders dan in
natura beschikt over relevante informatie dienaangaande. Alleen dan kan hij een
verantwoorde keuze maken en instemmen met het op zich
nemen van de daaruit eventueel voortvloeiende verplichtingen. Met name de
keuze voor voorziening anders dan in natura is alleen dan
acceptabel als de burger volledig en correct geïnformeerd is over alle
gevolgen en risico’s en op basis van deugdelijke informatie geacht kan worden
bewust daarmee te hebben ingestemd. Omdat dit niet altijd het
geval is en onduidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheden, wordt
in onderhavig artikel uitdrukkelijk opgenomen dat de gemeente de burger
bij de keuze voor een voorziening anders dan in natura
begrijpelijk over alle aan de keuze verbonden gevolgen dient te
informeren, zodat de burger een bewuste keuze kan maken.
Onderdeel D
Evenals voor de financiële
tegemoetkoming (artikel 19 van de Wmo) is ook voor een voorziening
anders dan in natura titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht inzake
subsidies niet van toepassing.
Onderdeel E
De openbare aanbesteding van
huishoudelijke verzorging maakt het mogelijk dat aanbieders die
tot dan toe de hulp leverden niet langer voor het leveren daarvan worden
gecontracteerd of een contract krijgen voor een (aanzienlijk) lagere
hoeveelheid hulp. Anders dan bij bijvoorbeeld het openbaar vervoer gaat in de
Wmo een contract niet in zijn geheel over van aanbieder X naar
aanbieder Y. Verschillende aanbieders worden door de gemeente
gecontracteerd:
de burger heeft de keuzemogelijkheid tussen verschillende
aanbieders. De aanbieder weet daardoor niet hoeveel uur precies geleverd
zal worden of aan welke burgers. Daarom kan de "mens-volgt-werkbepaling" niet worden toegepast bij de Wmo. Naar nu blijkt, zou dit
zonder nadere voorziening kunnen leiden tot verlies van werk voor het betrokken
personeel. Ook voor de burgers kan de wisseling van aanbieder
gevolgen hebben in die zin dat zij niet langer worden geholpen door de
hulpverlener aan wie zij gewend zijn geraakt. Tevens is denkbaar dat
één
en ander leidt tot problemen voor de nieuwe aanbieder om tijdig hulp van
goede kwaliteit te leveren. Met het oog op rblz.|11|
de kwaliteit en
continuïteit van de dienstverlening kan het derhalve zinvol zijn te bezien of het
personeel zijn werk wellicht bij de nieuwe aanbieder kan voortzetten.
Het voorgestelde artikel 10a
Wmo verplicht de winnaars bij aanbesteding in elk geval om met de
verliezers te overleggen over de overname van personeel. Dat is weliswaar
geen garantie dat overeenstemming wordt bereikt over de overgang van
medewerkers, maar het overleg zal uiteraard wel open en zorgvuldig
moeten worden gevoerd. De verliezende partijen kunnen zo nodig in
rechte vorderen dat het overleg plaatsvindt. De gemeente krijgt in het
tweede lid tot taak erop toe te zien dat het overleg wordt gevoerd. Indien de
gemeente het voeren van het overleg zou opnemen in de
aanbestedingsbestekken, krijgt zij zelfs een eigen contractueel recht om
naleving te eisen.
Het vertrouwen bestaat dat aldus goede waarborgen voor een
verantwoorde aanpak aanwezig zijn.
Onderdeel F
De gemeenteraad kan, evenals
voor de voorziening in natura, in zijn verordening opnemen dat een
burger die
ouder is dan 18 jaar en die een individuele voorziening anders dan in
natura ontvangt een eigen bijdrage is verschuldigd.
De regels in
hoofdstuk 4 van
het Besluit maatschappelijke ondersteuning
inzake de eigen bijdrage
zijn van overeenkomstige toepassing voor de voorziening anders dan in
natura.
Artikel II
Artikel I,
onderdeel A tot
en met D en F, treden in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. De regering tracht een periode van zes tot negen maanden
aan te
houden voordat deze bepalingen in werking treden. Voor deze
uitgestelde inwerkingtreding wordt gekozen om de gemeenten voldoende in
staat te stellen met inachtneming van de in de Wmo
opgenomen
bepalingen en de eisen van een aanbestedingsprocedure nieuwe contracten met
aanbieders van huishoudelijke verzorging te sluiten die rekening
houden met deze wetswijziging.
In veel gevallen zullen
nieuwe contracten, wegens het aflopen van de bestaande contracten, reeds
eerder worden gesloten. Er wordt van uitgegaan dat de gemeenten,
kennis dragende van de voorgenomen wetswijziging, daarbij rekening zullen
houden met de nieuwe regeling.
Nadat bekend is gemaakt
wanneer de wetsbepalingen in werking treden, dienen gemeenten die
contracten hebben gesloten die lopen tot na die datum (en deze contracten
zijn aangegaan voordat de wetswijziging werd aangekondigd) hun contracten
aan te passen aan de wet. Dat kan een nieuwe aanbesteding
betekenen. De regering constateert dat nu het zeer overgrote merendeel van de
gemeenten contracten korter dan drie jaar heeft gesloten het probleem gering
zal zijn. Gemeenten die er desondanks mee te maken krijgen en
problemen ondervinden, zullen via het Invoeringsteam Wmo
zoveel mogelijk
geassisteerd worden.
Om de overlegverplichting
voor winnaars bij aanbestedingen zoveel mogelijk voor elke nog
komende aanbestedingsronde te laten gelden, treedt artikel I, onderdeel
E (artikel 10a Wmo), in werking op de dag na publicatie van
de wet in het Staatsblad.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Bussemaker