Dit wetsvoorstel heeft ten doel aan zorgverzekeraars en
hun verzekeringnemers mogelijkheden te bieden om in gevallen waarbij het
betalen van de nominale zorgverzekeringspremie door de
verzekeringnemer niet of niet meer regelmatig plaatsvindt, het betaalgedrag weer
tot een regelmatig patroon terug te brengen.
Het wetsvoorstel voorziet hiertoe in de eerste plaats in
het versterken van de mogelijkheden die zorgverzekeraars en hun
verzekeringnemers hebben om onderling, in het kader van een door de
zorgverzekeraar aan te bieden betalingsregeling, in de situatie waarbij een
verzekeringnemer in de omstandigheid is komen te verkeren dat hij de nominale
zorgverzekeringspremie niet of niet meer geheel binnen de gestelde termijn kan
voldoen, het verstoorde betaalpatroon weer te herstellen. Van deze
betalingsregeling
maakt het geven van een machtiging door de
verzekeringnemer aan zijn zorgverzekeraar tot automatische incasso van de in de
toekomst te vervallen premietermijnen verplicht deel uit.
Voor die gevallen waarin een verzekeringnemer niet wil
betalen of anderszins niet meewerkt aan de door de zorgverzekeraar aangeboden betalingsregeling, voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid dat de
zorgverzekeraar de betreffende verzekeringnemer aanmeldt bij het College
voor zorgverzekeringen (CVZ) dat vervolgens de
premierelatie van de zorgverzekeraar overneemt. Daarbij heft het CVZ bij de
verzekeringnemer een hogere, bestuursrechtelijke premie en houdt die in
op inkomensbronnen van de verzekeringnemer. Tot deze inkomensbronnen
behoort ook de eventuele zorgtoeslag.
De Zorgverzekeringswet (Zvw) maakt deel uit van het
geheel van de Nederlandse sociale verzekeringen. Aan de bekostiging
van deze verzekeringen wordt door de betrokkenen naar draagkracht bijgedragen.
Voor de Zvw heeft deze wijze van financiering aldus vorm
gekregen dat van het totaal van de kosten van de uitvoering van de Zvw
ongeveer de helft gedekt wordt door een inkomensgerelateerde bijdrage, die
geïnd wordt door de belastingdienst. De andere helft van de kosten
wordt gedekt door rblz.|2|
een vast bedrag dat voor verzekerden van 18 jaar of ouder aan de zorgverzekeraar moet worden betaald, de zogeheten (nominale) premie.
Verzekerden met een relatief laag inkomen worden financieel tegemoet gekomen met een uitkering op grond van de
Wet op de zorgtoeslag
(Wzt). Gebleken is dat een aantal verzekeringnemers niet
voldoet aan hun verplichting tot betalen van de nominale premie. In
totaal ging het op 31 december 2007 om ruim 240 000 verzekerden. Het is
geen nieuw verschijnsel dat verzekeringnemers nalatig zijn met het
betalen van de verschuldigde premie. Dat was ook al het geval bij de voormalige
ziekenfondsverzekering en bij de vroegere particuliere
ziektekostenverzekeringen. Ook toen ging het zoals nu om een kleine 2% van het
verzekerdenbestand.
Op mijn verzoek heeft het Centraal
bureau voor de statistiek (CBS) onderzoek gedaan naar de samenstelling van de groep mensen die
niet of niet meer volledig hun verschuldigde nominale zorgpremie
betalen. In een rapportage van 14 mei 2008 heeft het CBS aangegeven dat
er op 31 december 2007 (gecorrigeerd voor dubbele
inschrijvingen en inschrijving in het GBA) 240 250 verzekerden waren met een
premieachterstand van zes of meer maandpremies. Ontvangers van een uitkering, eenoudergezinnen,
ongehuwde stellen met kinderen en allochtonen zijn
relatief vaker wanbetaler. Van de groep wanbetalers zijn ruim 130
000 wanbetalers tussen de 20 en 40 jaar oud. Ruim 100 000 wanbetalers
hebben een allochtone achtergrond. Ruim 50 000 wanbetalers hebben
een uitkering. Het CBS is verzocht om een nadere analyse te maken,
waarmee beter inzicht wordt verkregen in de inkomstenbronnen van de
wanbetalers. Op basis van het gedane onderzoek kan wel al worden gesteld
dat ruim 60% van de wanbetalers inkomsten verwerft uit een baan en
20% uit een uitkering. Van de resterende 20% van de wanbetalers is de bron van
inkomsten bij het CBS niet bekend. Bijvoorbeeld zelfstandigen
behoren tot deze laatste groep. Het CBS heeft ook gekeken naar het aantal
zorgtoeslagen onder de groep wanbetalers. Van de groep
zorgtoeslagontvangers is 2,5% (bijna 120 000) wanbetaler. Van de gemiddelde
Nederlandse ingezetenen is dat ongeveer 1,9%.
Uit de cijfers kan ook worden afgeleid dat, hoewel
mensen in kwetsbaarder groepen vaker wanbetalers zijn, het behoren tot een
kwetsbaardere groep op zich niets zegt over wanbetaling.
De regering vindt het gewenst dat maatregelen worden
getroffen om het aantal mensen dat niet of niet tijdig voldoet aan de
verplichting tot het betalen van de nominale zorgverzekeringspremie terug te
dringen. Allereerst omdat eventuele zorgkosten van wanbetalende
verzekeringnemers op de schouders komen van de wel betalende
verzekeringnemers, waarmee de solidariteit die ten grondslag ligt aan het
stelsel van sociale verzekering wordt aangetast. Daarnaast omdat betrokkenen
vanwege het niet betalen van de premie door hun zorgverzekeraar
geroyeerd kunnen worden en daardoor zonder zorgverzekering kunnen komen.
Wanneer zij in die situatie toch zorg behoeven, kan dat zeer
ongewenste consequenties hebben. Voor de betrokkenen zelf uiteraard wanneer zij
geconfronteerd worden met aanzienlijke zorgkosten, voor de
zorgaanbieders die te maken krijgen met de lasten van incassoprocedures en mogelijk
voor de volksgezondheid wanneer wordt afgezien van noodzakelijke zorg. Een
geroyeerde wanbetaler kan ook bij een andere verzekeraar een nieuwe
zorgverzekering sluiten, er is immers acceptatieplicht, maar de kans is
groot dat hij ook bij zijn nieuwe verzekeraar een schuld
opbouwt. Ook daar wordt hij vervolgens dan weer geroyeerd dan wel wordt
(de dekking van) de verzekering geschorst. Enzovoort. Dit levert voor
verzekeraars een hoop administratieve lasten en geen premie-inkomsten op
(carrousel van wanbetalers) en zou uiteindelijk de wettelijke
acceptatieplicht onder druk kunnen zetten.
rblz.|3|
Omdat het primair gaat om het nakomen van de
verzekeringsovereenkomst tussen de zorgverzekeraar en zijn verzekeringnemer,
dienen de maatregelen tot het tegengaan van
betalingsachterstand naar de mening van de regering primair getroffen te worden in de
relatie tussen de zorgverzekeraar en zijn verzekeringnemer. Omdat
royement en het vervolgens weren uit de verzekering van een wanbetaler
als ultieme sanctie voor het niet nakomen van de verplichtingen uit
de zorgverzekeringsovereenkomst, voor de zorgverzekeringssector als geheel op
publiekrechtelijke basis terzijde is gesteld door de
acceptatieplicht in de Zvw, is de regering van mening dat eveneens dient te
worden voorzien in een publiekrechtelijk sluitstuk voor de
wanbetalersproblematiek in die gevallen waarin maatregelen tussen de zorgverzekeraar en
de wanbetalende verzekeringnemer niet meer werken door de
opstelling van de verzekeringnemer. Dit geldt te meer omdat de in dit verband voorziene
bronheffing, waarbij de door het CVZ te heffen
bestuursrechtelijke premie zoveel mogelijk wordt ingehouden op inkomensbronnen van
de verzekeringnemer, niet in het kader van de
privaatrechtelijke zorgverzekeringsovereenkomst kan worden opgelegd.
Het voorliggende wetsvoorstel voorziet in de tweezijdige
benadering van de wanbetalersproblematiek waar de Tweede kamer bij de
behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet
en andere wetten met het oog op het
verzwaren van het premie-incassoregime en andere maatregelen om de
werking van het met die wet en de Wet
op de zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren (verzwaren
incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering) (Kamerstukken II 2006-2007, 30 918; Stb. 2007, 540)
meerdere malen om heeft gevraagd. Tijdens de plenaire behandeling van
voormeld wetsvoorstel op 20 juni 2007 en met de brief van 12 november 2007
(Kamerstukken II 2006-2007, 30 918) heb ik de hoofdlijnen van deze
structurele aanpak van de wanbetalingsproblematiek aan de Kamer geschetst.
De voorgestelde benadering bestaat uit vier fasen:
Fase 1: Bij het
ontstaan van een betalingsachterstand ter grootte van twee maandpremies informeert de zorgverzekeraar de
verzekeringnemer over deze constatering en biedt hem een betalingsregeling
aan.
Onderdeel van deze betalingsregeling - naast afspraken over de
afbetaling van de inmiddels opgebouwde schuld - is een machtiging van de
verzekeringnemer tot automatische incasso van de in de toekomst te vervallen
premietermijnen. De zorgverzekeraar geeft hierbij ook aan wat de
consequenties zijn van het niet betalen van de achterstallige premie of het
niet meewerken aan de aangeboden betalingsregeling (incasso en op termijn publiekrechtelijke
premie). De zorgverzekeraar wijst de verzekeringnemer
hierbij op de mogelijkheid van hulpverlening bij betalingsproblemen.
Een verzekeringnemer die meewerkt aan de aangeboden betalingsregeling zal zo de
schuld beperkt houden en de grens van zes maanden premieschuld
niet overschrijden en niet in de bronheffing terechtkomen. Om de omvang
van de schuldlast voor de verzekeringnemer overzichtelijk en
beheersbaar te maken, wordt tevens bepaald dat de zorgverzekeraars de
verplichting krijgen om de verzekeringnemer aan te bieden dat
eventuele medeverzekerden ¹ een eigen polis nemen en zelf verzekeringnemer worden.
Voor de "oude" verzekeringnemer blijft de schuld dan
beperkt tot de schuld die is opgebouwd voor zichzelf en voor
medeverzekerden op de oude polis. Vanaf het moment dat de medeverzekerden een
eigen zorgverzekering hebben, is hij alleen premie verschuldigd voor zichzelf.
De "oude" medeverzekerden krijgen het aanbod om een eigen
zorgverzekering af te sluiten zonder premieachterstand. Ze kunnen dus
met een schone lei beginnen.
1. Waar in het hiernavolgende wordt gesproken van "medeverzekerden" of over
"bijgeschreven andere verzekerden" worden bedoeld verzekerden die niet tevens
verzekeringnemer zijn. Veelal gaat het hier om situaties waarin een gezinshoofd de andere,
meerderjarig gezinsleden heeft verzekerd. Hoewel dit juridisch gezien onjuist is
- iedere
verzekerde krijgt ingevolge de Zvw
zijn eigen zorgverzekering - schrijven de
zorgverzekeraars deze verzekerden in de praktijk vaak op de zorgpolis van de
verzekeringnemer ("de hoofdverzekerde") bij, waarna dergelijke verzekerden worden
aangeduid met "medeverzekerden". Voor de leesbaarheid is in het
algemene deel van deze
toelichting bij dit taalgebruik aangesloten.
Fase 2: Gaat de
verzekeringnemer niet in op bovenbedoeld aanbod, en gaat hij ook niet op andere wijze betalen, dan ontvangt
hij nadat de schuld tot vier maandpremies is gestegen een waarschuwing van
zijn verzekeraar rblz.|4|
dat de door hem gesloten zorgverzekering(en) voor
het bestuursrechtelijke premieregime zullen worden aangemeld zodra de schuld
(per verzekering) tot zes maandpremies is gestegen. De
zorgverzekeraar meldt hierbij tevens hoe de verzekeringnemer de voorgenomen
melding - bijvoorbeeld omdat hij van mening is dat
hij in het
geheel geen of een veel lagere premieachterstand heeft - kan betwisten.
Fase 3: Indien een
verzekeringnemer de achterstallige premie dan nog niet voldoet, meldt de zorgverzekeraar de betreffende
zorgverzekeringnemer (en eventueel bijgeschreven verzekerden) aan bij het
CVZ zodra de betaalachterstand de grens van
zes maandpremies heeft overschreden. Vanaf
dat moment is de verzekeringnemer voor zijn
zorgverzekering, die gewoon doorloopt bij zijn zorgverzekeraar, geen premie
meer verschuldigd aan zijn zorgverzekeraar, maar moet hij voor zichzelf (en
eventueel medeverzekerden) een bestuursrechtelijke premie betalen
aan het CVZ. Tevens moet hij zijn achterstallige premie nog aan zijn zorgverzekeraar
voldoen. Ter compensatie van de (verdere) premiederving
ontvangt de zorgverzekeraar een bijdrage uit het
Zorgverzekeringsfonds.
Zodra de aanmelding is ontvangen door het
CVZ gaat het
over tot heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie bij de
wanbetaler. Deze bestuursrechtelijke premie is aanmerkelijk hoger dan de
gemiddelde nominale premie die een verzekeringnemer aan een
zorgverzekeraar verschuldigd zou zijn. Het CVZ int de premie door deze
door een werkgever, pensioenfonds of uitkeringsinstantie op het loon, het
pensioen of de uitkering in te laten houden en aan zich te laten
afdragen (bronheffing), door de zorgtoeslag naar zich te laten afdragen en/of
door beslaglegging als door de verzekeringnemer niet op een acceptgiro
wordt betaald. Dit laatste in het geval dat de bron(nen) ontoereikend of
niet benaderbaar zijn. De opbrengst van de inning stort het CVZ in het
Zorgverzekeringsfonds.
Fase 4: Indien de
wanbetaler zijn schuld bij de zorgverzekeraar heeft voldaan, meldt de zorgverzekeraar dit bij het
CVZ. De
betrokkene is vervolgens geen publiekrechtelijke premie meer verschuldigd en
dient weer de gewone nominale premie aan zijn zorgverzekeraar te
betalen.
In hoofdstuk 2 van deze algemene toelichting beschrijf
ik de maatregelen die al zijn genomen om de betaling van de nominale
premie mogelijk te maken. In hoofdstuk 3 beschrijf ik de andere getroffen
maatregelen om onverzekerdheid en wanbetaling te voorkomen. In
hoofdstuk 4 geef ik een beschrijving van het resterende probleem. In
hoofdstuk 5
wordt de inhoud van het wetsvoorstel nader toegelicht. In de
hoofdstukken 6, 7, 8, 9 en
10 beschrijf ik via welke procedure het wetsvoorstel tot
stand is gekomen (hoofdstuk 6), wat de kosten van de uitvoering zijn voor
het Rijk (hoofdstuk 7), wat de kosten zijn voor andere betrokkenen en hoe
wordt voldaan aan de privacyverplichtingen (hoofdstuk 8), de invulling
van de behoefte aan beleidsevaluatie (hoofdstuk 9) en de
inwerkingtreding en voorlichting daarover (hoofdstuk 10).
2. Getroffen maatregelen in relatie tot de
betaalbaarheid van de nominale zorgverzekeringspremie
De regelgeving in Nederland is
zodanig dat in beginsel
iedereen in staat zou moeten zijn de nominale premie voor zijn
zorgverzekering te betalen. Het sociaal minimum is daarop afgestemd.
rblz.|5|
a. Compenserende maatregelen bij de invoering van de Zvw
Met de inwerkingtreding van de
Zvw heeft de overheid
diverse maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de zorgverzekering voor
iedereen betaalbaar blijft. De voornaamste daarvan is de
zorgtoeslag (een financiële tegemoetkoming voor de nominale premie van de
zorgverzekering). Daarnaast heeft de overheid een aantal fiscale
maatregelen getroffen. De belangrijkste aanvullende fiscale maatregelen die het
kabinet heeft genomen, zijn:
- verlaging AWBZ-premie met 0,9 procentpunt (van 13,45% naar
12,55%);
- verlaging werknemerspremie Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) met 0,65%;
- verhoging algemene heffingskorting met €|86,-;
- veranderingen in de ouderenkorting die ertoe leiden
dat ouderen gebruik kunnen maken van een hogere korting.
Zorgtoeslag en aanvullende fiscale maatregelen zorgen er
samen voor dat de nominale premie betaalbaar blijft.
b. Verzekeringnemer in de wettelijke schuldsanering (WSNP [Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet), red.])
Indien op iemand met schulden de wettelijke
schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, vallen zijn bezittingen en
inkomsten in principe in de boedel waaruit de bewindvoerder zijn schulden
betaalt. Omdat degene op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is
natuurlijk ook moet kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, wordt hierbij
een bedrag vrijgelaten dat is bepaald op 90% van de toepasselijke
bijstandsnorm. Dit wordt ook wel de beslagvrije voet of het vrij te laten
bedrag genoemd. De bijstandsnormen worden zo vastgesteld dat ze hoog
genoeg zijn om er - tezamen met de zorgtoeslag waar
bijstandsgerechtigden
recht op hebben - de nominale premie van een zorgverzekering, almede
de premie voor een aanvullende verzekering, uit te voldoen.
c. Gedwongen opgenomen patiënten
Door middel van een recente wijziging van de
Wet werk en
bijstand (Wwb; zie voor de wijziging Stb. 2008,
87) wordt de
mogelijkheid opengesteld om bijzondere bijstand te verlenen aan personen die
rechtens gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis
op grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Met deze structurele maatregel wordt voorkomen dat een gedwongen
opname in een psychiatrisch ziekenhuis leidt tot onverzekerdheid,
schulden of dakloosheid door het wegvallen van inkomsten.
d. Overige maatregelen
In de praktijk worden er nog andere mogelijkheden benut
om betalingsproblemen hanteerbaar te maken. Als iemand door omstandigheden
tijdelijk niet zou kunnen betalen, dan kan een
zorgverzekeraar bijvoorbeeld een betalingsregeling met die persoon treffen of
afspraken maken over automatische incasso. In veel gevallen nemen ook
gemeenten hun verantwoordelijkheid voor bepaalde groepen van sociale
minima, waaronder dak- en thuislozen. Als deze personen een bijstandsuitkering
ontvangen, kan op vrijwillige en verplichte basis de
betaling van de premie met de gemeente geregeld worden (artikel 57
Wwb).
rblz.|6|
3. Overige getroffen maatregelen ter voorkoming van onverzekerdheid en wanbetaling
Zoals hiervoor gesteld, is het uitgangspunt dat lonen en
uitkeringen zodanig hoog zijn dat iedereen zijn zorgpremie moet kunnen
betalen. Toch zijn er mensen bij wie het misgaat. Mensen die
geconfronteerd worden met plotseling hoge kosten, mensen die niet met geld
kunnen omgaan en mensen die simpelweg niet willen betalen. Om die reden
zijn de volgende maatregelen getroffen om onverzekerdheid en
betalingsachterstand te voorkomen.
a. Om het aantal onverzekerden terug te dringen, wordt doelgroepgerichte voorlichting ontwikkeld of
geïntensiveerd
Zoals ik in mijn brief van 3 maart 2008 (Kamerstukken ll
2007-2008, 29 689, nr. 180) heb gemeld, is om onverzekerdheid te voorkomen
al een groot aantal maatregelen in de voorlichtingssfeer getroffen.
Vóór de invoering van de Zvw hebben grootscheepse voorlichtingscampagnes
plaatsgevonden. Daarnaast zijn in het kader van het rapport "Zorg
Verzekerd" (13 december 2005 aangeboden aan beide Kamers) diverse
maatregelen getroffen, zoals het bevorderen van collectieve (aanvullende) verzekeringen
voor bijstandsgerechtigden en andere sociale minima,
signalering van betalingsachterstanden bij bijstandsgerechtigden en
subsidies aan belangenorganisaties van moeilijk bereikbare groepen.
Om het aantal onverzekerden nog verder terug te brengen,
worden in eerste instantie verdergaande voorlichtingsactiviteiten
ingezet die gericht zijn op specifieke groepen. Tijdens de behandeling van
het wetsvoorstel tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere
wetten met het oog op het verzwaren van het premie-incassoregime en andere
maatregelen om de werking van het met die wet en de Wet
op de zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren
(verzwaren
incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering; inmiddels geplaatst
in Stb. 2007, 540) heb ik toegezegd dat doelgroepgerichte voorlichting
zal worden ontwikkeld of zal worden geïntensiveerd voor reeds in
beeld zijnde groepen en voor specifieke groepen onverzekerden op
basis van een nadere analyse door het CBS. Het gaat daarbij om
doelgroepgerichte voorlichting aan allochtonen, gezinnen met kinderen,
jongeren die de leeftijd van 18 jaar bereiken, dak- en thuislozen,
nieuwe ingezetenen, gedetineerden, ex-asielzoekers en rechthebbenden op
generaal pardon. Voor mensen die zich in Nederland vestigen, is een
brochure verschenen die beschikbaar is bij inschrijfbalies van
gemeenten.
b. De actieve opsporing van onverzekerden
De regering heeft de mogelijkheid bezien om alle mensen
zonder zorgverzekering via bestandskoppeling individueel te benaderen om zich
te verzekeren. Het "plan van aanpak inzake het
terugdringen van onverzekerden" dat hieruit is voortgekomen, staat beschreven in de
hiervoor genoemde brief van 3 maart 2008.
c. Protocol incassotraject wanbetalers
Zorgverzekeringswet
Zorgverzekeraars en de
Minister van VWS hebben vanaf de
ingangsdatum van de Zvw (op 1 januari 2006) een aantal maatregelen
afgesproken om het aantal onverzekerden wegens royement (en het aantal
mensen zonder dekking wegens schorsing van de dekking) als reactie op
een betalingsachterstand zo klein mogelijk te houden respectievelijk om te
voorkomen dat verzekeringsplichtigen zich bij de ene na de andere
verzekeraar, rblz.|7|
telkens met achterlating van een premieschuld,
verzekeren (wanbetalerscarrousel).
De afspraken hadden oorspronkelijk betrekking op de
periode 1 januari 2006 tot en met 1 juli 2007, maar zijn in het
perspectief van voorliggend wetsontwerp verlengd tot 1 januari 2009. Het gaat om de
volgende afspraken:
- wanbetalers worden niet geroyeerd, noch wordt de
dekking van hun verzekering geschorst;
- verzekeraars spannen zich in tot incasso van de
nominale premies. De eerste prikkel die wanbetalers moet stimuleren tot
tijdige betaling is dat ze te maken krijgen met een incassotraject dat in
zwaarte oploopt. De mogelijkheden die verbonden zijn aan een
incassoprocedure (deurwaarder, beslag, executoriale verkoop) zijn
dusdanig dat weinig
mensen dit lichtvaardig zullen opvatten;
- de zorgverzekeraar loopt voor een bedrag gelijk aan
zes maandpremies zelf het volledige betalingsrisico. Neemt de schuld
verder toe, dan wordt de zorgverzekeraar daarvoor gecompenseerd
vanuit het Zorgverzekeringsfonds. De compensatie is gelijk aan de
rekenpremie en wordt alleen verleend als de verzekeraar de
wanbetaler gedurende een heel kalenderjaar verzekerd houdt en zijn
incasso-inspanningen blijft leveren. Als ondersteuning van deze afspraak
wordt in de Zvw
geregeld (inmiddels is dat geregeld; zie paragraaf 3.d
van deze toelichting [lees: zie hierna onder d, red.]) dat een verzekeringnemer met betalingsachterstand zijn
zorgverzekering niet kan opzeggen en de incasso-inspanningen van de verzekeraar niet kan ontlopen. De vraag of het
incassoprotocol is gevolgd dan wel vergelijkbare incasso-inspanningen zijn
verricht, wordt door de Nederlandse zorgautoriteit (NZa) per
verzekeraar beoordeeld. De compensatiesystematiek is geregeld in het Besluit
zorgverzekering en de Regeling
zorgverzekering.
d. Wettelijke maatregel ter voorkoming van beëindiging zorgverzekeringsovereenkomst door de verzekeringnemer
met betalingsachterstanden
In de wetswijziging van de
Zorgverzekeringswet en andere
wetten met het oog op het verzwaren van het premie-incassoregime en
andere maatregelen om de werking van het met die wet en de Wet op de
zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren (verzwaren
incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering, Stb. 2007,
540) is in een nieuw artikel (artikel 8a) van de
Zvw geregeld dat een
verzekeringnemer de zorgverzekering niet kan opzeggen nadat hij eenmaal
is aangemaand tot betaling van de premie voor de zorgverzekering. Deze
wetswijziging is vanaf 21 december 2007 van kracht. Het incassobeleid van
zorgverzekeraars in combinatie met het opzegverbod bewerkstelligt dat de
verzekeringnemer die een zorgverzekering met een andere
zorgverzekeraar wil sluiten, geprikkeld wordt eerst zijn achterstallige
verplichtingen na te komen. Het mes snijdt daarbij aan twee kanten. Het
stimuleert de verzekeringnemer om aan zijn betalingsverplichting te
voldoen, maar voorkomt ook dat zorgverzekeraars te maken krijgen
met veel verzekeringnemers die van verzekeraar naar verzekeraar overstappen
zonder hun verplichtingen te zijn nagekomen.
e. Zorgtoeslag rechtstreeks overmaken aan de
zorgverzekeraar of aan de gemeente
De zorgtoeslag automatisch inhouden en rechtstreeks naar
de zorgverzekeraar of gemeente overmaken, kan nu alleen op basis van
vrijwilligheid. De verzekerde geeft dan zelf aan naar welke rekening de
zorgtoeslag moet worden overgemaakt. Het is op dit moment niet
mogelijk om bij rblz.|8|
betalingsachterstanden de zorgtoeslag zonder instemming
van de wanbetaler rechtstreeks naar de zorgverzekeraar over te laten
maken. De huidige wetgeving en het automatiseringssysteem van de belastingdienst
maken
dat onmogelijk. Het recht op zorgtoeslag is immers
gekoppeld aan inschrijving bij een zorgverzekeraar en niet aan het
betalen van de premie. Het automatiseringssysteem van de belastingsdienst is
nog ingericht op betaling aan de aanvrager. De zorgverzekeraar kan wel
beslag laten leggen op de zorgtoeslag. Het voorliggende wetsvoorstel
regelt dat de zorgtoeslag zonder toestemming van de verzekerde als
bron kan dienen voor de inning van de bestuursrechtelijke premie. De
systemen van de belastingdienst worden zodanig aangepast dat de
zorgtoeslag straks kan worden omgeleid naar het CVZ.
f. Database verzekerden met betalingsachterstand
Daarnaast hebben zorgverzekeraars een landelijk dekkend
bestand van verzekeringnemers met een betalingsachterstand ingericht
op wie het opzeggingsbeletsel ingevolge artikel
8a Zvw van
toepassing is. Verzekeraars kunnen daarin opzoeken of aspirant-verzekeringnemers een
premieschuld hebben en dus niet mogen opzeggen bij hun huidige
verzekeraar.
g. Signalering van betalingsachterstand bij bijstandsgerechtigden via Inlichtingenbureau aan gemeenten
Om wanbetaling te voorkomen, is een snelle signalering
van betalingsachterstanden en een zo vroeg mogelijk ingrijpen wenselijk. In verband
met onder meer de toepassing van artikel 57
Wwb is het
voor
gemeenten van belang om zo vroeg mogelijk te beschikken over
informatie over betalingsachterstand van bijstandsgerechtigden. De
gemeente kan dan met deze bijstandsgerechtigden afspraken maken over het
oplossen van de betalingsachterstand. Daarbij kan eventueel gebruik
worden gemaakt van artikel 57 Wwb
(budgetbeheer). De gemeente kan
uiteraard ook kiezen voor een minder zwaar instrument zoals "een goed
gesprek" of
budgetbegeleiding.
Er was al afgesproken dat individuele zorgverzekeraars
betalingsachterstanden van bijstandsgerechtigden via het Inlichtingenbureau aan
gemeenten melden. Gemeenten melden vervolgens aan
verzekeraars terug wat zij met de melding hebben gedaan. Deze
werkwijze levert al resultaat op, zodat schuldtoename wordt voorkomen en
bestaande schuld wordt gesaneerd. Het gebruik van deze maatregel kan
echter intensiever en effectiever. Daarom zijn er nieuwe afspraken gemaakt
tussen gemeenten en zorgverzekeraars; hierbij wordt de
landelijke database van verzekeraars met gegevens over betalingsachterstanden
bij hun verzekerden toegankelijk gemaakt voor het Inlichtingenbureau. Het
Inlichtingenbureau koppelt de gegevens van zorgverzekeraars met de gegevens
van de bijstandsgerechtigden en levert de "match" aan
gemeenten.
h. Bevorderen collectieve verzekeringen voor
bijstandsgerechtigden en andere sociale minima en het bevorderen van automatische incasso
Op dit moment hebben een kleine 400
gemeenten een
collectieve verzekering (inclusief aanvullende verzekering) voor hun
bijstandsgerechtigden en andere sociale minima gesloten. Geschat wordt dat 75%
van de bijstandsgerechtigden en 20% van de overige minima in een dergelijk collectief
contract van de gemeente participeert. Deze collectieve
contracten zijn vooral bedoeld om het voor mensen met lage inkomens
gemakkelijk te maken zich tegen zorgkosten te verzekeren. In enkele
gevallen wordt de nominale premie rechtstreeks ingehouden op de uitkering.
Dit gebeurt echter niet vaak. Veel gemeenten zijn van mening dat dit
indruist tegen de rblz.|9|
eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigden.
Indien de premie niet door de gemeenten op de bijstandsuitkering
wordt ingehouden, is een collectief contract geen sluitende oplossing voor
het wanbetalersprobleem.
4. Resterende problematiek
4.1. Karakter van de zorgverzekering
De zorgverzekering is een bijzondere vorm van een
privaatrechtelijke verzekeringsovereenkomst, zoals geregeld in titel 7.17
van het Burgerlijk
Wetboek (BW). Op de zorgverzekering zijn dan ook de
bepalingen van het BW
van toepassing, voor zover daarvan niet bij of
krachtens de Zvw is afgeweken. De privaatrechtelijke overeenkomst van
zorgverzekering (zoals vastgelegd in de zorgpolis) verplicht de
verzekeringnemer een nominale premie te betalen voor de verzekerde in de
overeenkomst,
tenzij deze jonger dan 18 jaar is. Voor de betaling van premie
ontvangt de verzekerde - indien nodig - zorg. Verzekeringnemers
die niet betalen, komen hun overeenkomst niet na en kunnen dan door de
zorgverzekeraar worden geroyeerd. Ook is het mogelijk dat de verzekeraar
de dekking van de verzekering beperkt.
Verzekeringnemers kunnen zich niet volledig onttrekken
aan de, aan de zorgverzekering ten grondslag liggende,
solidariteitsgedachte. Als ze een inkomen hebben, wordt hierop immers een
inkomensafhankelijke bijdrage ingehouden, of ze zich nu verzekerd hebben of niet en of
ze nu hun nominale premie betaald hebben of niet. De verzekeringnemer die
zijn premieverplichting niet nakomt, doet echter wel afbreuk aan de solidariteit
binnen de portefeuille van de verzekeraar waarmee hij een
verzekeringsovereenkomst heeft. De hoogte van de nominale premie van die
verzekeraar is erop gebaseerd dat beide partijen hun
betalingsverplichtingen nakomen. Als een verzekeringnemer niet betaalt, wentelt
hij de van hem verwachte betaling af op andere verzekeringnemers. Als
hij daarnaast ook nog zorgkosten heeft, wentelt hij ook de vergoeding van
die zorgkosten af. Een verzekeraar kan er voor kiezen dit gedrag te
accepteren en de premies van zijn wel betalende verzekeringnemers laten
stijgen.¹
Hij kan ook proberen via incasso-inspanningen zijn verlies, en
daarmee premiestijging, te beperken. Hij kan ten slotte premiestijging voorkomen
door de overeenkomst met de verzekeringnemer (en eventueel
bijgeschreven verzekerden) met een betalingsachterstand zo snel
mogelijk op te zeggen (royeren) of (de dekking van) de verzekering te beperken
(dat wil zeggen: te schorsen of op te schorten). De eerste twee
gedragskeuzen hebben consequenties voor zijn marktpositie. Een verzekeraar
die slecht betaalgedrag van zijn verzekeringnemers accepteert of veel moet
uitgeven aan incasso, prijst zichzelf uit de markt.
Een probleem voor de verzekeraar, en voor de overheid
als systeemverantwoordelijke, is dat er geen negatieve sanctie is voor een
verzekeringnemer die zijn nominale premie niet betaalt.
Dat ligt anders bij een huurschuld of een schuld bij het energiebedrijf waar
huisuitzetting en afsluiting effectieve reacties zijn op slecht betaalgedrag. Onverzekerd zijn
ten gevolge van royement heeft geen consequenties zolang
je gezond bent. En als je zorg nodig hebt, kun je je alsnog
verzekeren, er is immers acceptatieplicht, of de zorgaanbieder, die altijd zal
helpen als het nodig is, met een onbetaalde rekening laten zitten. Dit is ook de
reden waarom er in de Zvw niet alleen een acceptatie- en een zorgplicht
voor de verzekeraar is geregeld, maar ook een verzekeringsplicht voor de
burger.
1. Dit heeft consequenties voor de hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage. Via de
50/50-regeling stijgt het percentage van de inkomensafhankelijke bijdrage
en wordt een deel van het probleem afgewenteld op de werkgevers en werknemers.
rblz.|10|
4.2. Analyse van de wanbetalerspopulatie
Met de analyses die het CBS
op de bestanden van de zorgverzekeraars heeft uitgevoerd, is er
enig inzicht ontstaan in de groep wanbetalers. Er blijkt duidelijk
sprake te zijn van concentratie bij deelgroepen. De leeftijdscategorie
tussen 20 en 40 jaar, allochtonen (vooral Antilianen en Arubanen, en
Surinamers), uitkeringsgerechtigden (vooral ontvangers van bijstand), eenoudergezinnen en
ongehuwde stellen met kinderen. Ook geografisch is concentratie van wanbetalers meetbaar. In de
"aandachtswijken" is het
percentage wanbetalers gestegen van gemiddeld 3,6% in 2006 naar gemiddeld 5,0%
in 2007. Rotterdam/Oud-Zuid en Zuidelijke Tuinsteden en
Amsterdam/Bijlmer staan hierbij bovenaan met wanbetalers van respectievelijk 7,9%, 7,0% en
7,8%.
Door het CBS is ook gekeken naar inkomens en het al dan
niet ontvangen van een zorgtoeslag. Hieruit blijkt dat 80% van de
wanbetalers beschikt over een periodiek inkomen; ongeveer 60% heeft een baan
en 20% heeft een uitkering. Van de resterende 20% zijn de
inkomensbronnen bij het CBS niet bekend. Bijvoorbeeld zelfstandigen vallen in
deze categorie.
Een kleine helft van de wanbetalers ontvangt
zorgtoeslag. Voor de grote meerderheid van de wanbetalers zou het betalen van de
zorgpremie geen probleem mogen opleveren tenzij hun uitgavenpatroon niet
op hun inkomen is afgestemd.
4.3. Problemen bij de incasso
Gezien het gestelde in de hoofdstukken 2 en
3 [van deze memorie, red.] is het
vreemd dat de premiebetaling en, als daar achterstanden bij ontstaan,
de incasso van schulden in een aanzienlijk aantal gevallen niet lukt.
Hoe is het mogelijk dat het aantal verzekerden met een betalingsachterstand
van meer dan zes maandpremies in 2007 ten opzichte van 2006 met 26%
is toegenomen ondanks de incasso-inspanningen van verzekeraars? En dan
ook nog vooral bij die deelgroepen die er toch al uitsprongen.
Hoe komt het dat het probleem groter wordt in plaats van kleiner?
Uit de vergelijking die het CBS
heeft gemaakt tussen de
cijfers van 2007 en 2006 blijkt dat het aantal van 240 250 wanbetalers
bestaat uit een harde kern van 122 250 verzekerden en een instroom van 118 000
nieuwe wanbetalers. Hiertegenover staan 67 870 verzekerden die
hun schuld hebben afgelost en in 2007 weer met premie betalen zijn
begonnen. De incasso-inspanningen van zorgverzekeraars en de
ondersteuning die ze daarbij van
gemeenten krijgen, werken dus wel, maar het
resultaat wordt ruimschoots overtroffen door het aantal nieuwe
premiemijders. Een groot aantal wanbetalers wordt kennelijk niet bereikt. Met
zorgverzekeraars en gemeenten is besproken welke problematiek aan de
problemen ten grondslag ligt. Dit tegen de achtergrond van het feit
dat het zowel voor de zorgverzekeraar als voor de gemeente nog om een relatief
beperkt probleem gaat; ultimo 2007 1,9% van de verzekerden
respectievelijk 7,0% van de bijstandsgerechtigden.
Het grootste probleem voor de incassopraktijk is dat een
effectieve sanctie bij het achterblijven van de betaling ontbreekt doordat
verzekeraars met de minister hebben afgesproken dat ze bij
betalingsachterstand niet royeren en ook de dekking van de polis niet beperken. De
overeenkomst zal dus niet beëindigd worden. Dit weet de wanbetaler.
Incasso en dwangvordering is een duur en tijdrovend proces, dat zonder preferentie
ten opzichte van andere schuldeisers vaak weinig oplevert.
De mate van inzet van incassomiddelen wordt dan ook bepaald door een
inschatting van de kans op succes. Bovendien is de schuldtoename elke maand
gering, zodat eerst wordt gewacht tot er een redelijk bedrag is ontstaan
voordat een deurwaarder of een rechter wordt ingeschakeld. Door het wachten
neemt de kans op succesvolle inning af omdat ook andere, qua
bedrag vaak grotere, schulden zijn toegenomen. Een belangrijke belemmering
voor succes is rblz.|11|
ook dat dwangmaatregelen vaak betrekking hebben op een
bestaande schuld, terwijl er tijdens de pogingen om die te mogen
innen, in de vorm van niet-betaalde premies, weer een nieuwe schuld wordt
opgebouwd. Een mogelijk instrument als automatische incasso is
vrijwillig en dus niet hanteerbaar bij wanbetalers die niet willen betalen.
Voor de gemeenten is de eigen verantwoordelijkheid van
de burgers terecht een belangrijk uitgangspunt. Zij zullen pas in
actie komen als mensen er blijk van geven dat ze hun
verantwoordelijkheid niet aankunnen. De meeste gemeenten hebben een collectieve
zorgverzekering voor hun minima gesloten met één of meerdere
zorgverzekeraars. Deelname is echter vrijwillig en inning van de premie
door de gemeente is zelden een voorwaarde voor deelname.
Huurschulden en schulden bij energiebedrijven worden door sociale
diensten als meer bedreigend gezien dan een schuld aan een
zorgverzekeraar. Te meer omdat het beëindigen van de verzekeringsovereenkomst
niet aan de orde is.
4.4. Ontwikkelingen
Intussen komen er wel steeds meer initiatieven tot stand
waarbij
gemeenten en zorgverzekeraars in het kader van een
collectieve zorgverzekering mogelijkheden vinden om elkaars belangen te
ondersteunen. Hierbij gaat het om informatie over
betalingsachterstanden, ondersteuning van administratieve processen, bevordering
van het
afgeven van machtigingen tot automatische incasso,
(schuld)hulpverlening, etc. Ook op landelijk/koepel niveau worden activiteiten ontplooid om
elkaar te ondersteunen. Effectuering van intenties in administratieve processen
en werkvormen kost echter tijd en er is een bestendig gevoel van een
gezamenlijk belang nodig. Van effecten is dan ook weinig meetbaar.
Met de aanpak van de wanbetalersproblematiek is nu ruim
twee jaar ervaring opgebouwd. De problematiek is nog relatief
beperkt, maar neemt (snel) toe. Zorgverzekeraars zijn zonder het instrument
van royement, schorsing of opschorting niet in staat het
wanbetalersprobleem volledig op te lossen. Ze moeten bij het innen van premies voor
een klein deel van de verzekerden ondersteund worden. Voor
verzekeringnemers die betalingsproblemen hebben, kan die steun het beste georganiseerd
worden tussen zorgverzekeraars en de lokale overheid. De
verplichting om bij betalingsachterstand een betalingsregeling aan te
bieden en te wijzen op mogelijkheden van (schuld)hulpverlening helpt
hierbij. Voor verzekeringnemers die om andere redenen weigeren de
premie te betalen, is een bestuursrechtelijk instrument nodig om de
betaling af te dwingen. Dit instrument is de bestuursrechtelijke premie.
5. Inhoud voorliggend wetsvoorstel
5.1. Hoofdlijnen
De in het kader van de afspraken met zorgverzekeraars
getroffen maatregelen en de maatregelen die, onder meer door
gemeenten in het
kader van de sociale zekerheid, zijn getroffen, hebben zeker
bijgedragen aan het verminderen van de wanbetalersproblematiek. Dit valt ook
af te leiden uit het feit dat het aantal wanbetalers in 2006 daalde ten
opzichte van de eerste ramingen.
Met deze maatregelen alleen blijkt het probleem echter
niet opgelost te kunnen worden. Het aantal wanbetalers is nog steeds hoog
en is eind 2007 opgelopen tot 240 000. Uit de vergelijking die het CBS
heeft gemaakt van de in- en uitstroom van het bestand wanbetalers
blijkt dat 122 000 wanbetalers eind 2006 al een betalingsachterstand van
meer dan zes maandpremies had, er 118 000 nieuwe wanbetalers zijn
bijgekomen en er rblz.|12|
67 870 verzekerden hun schuld (deels) hebben afgelost en
daardoor geen of in ieder geval minder dan zes maandpremies
betalingsachterstand hebben.
Uit deze cijfers valt af te leiden dat inspanningen van
zorgverzekeraars en gemeenten effect hebben (uitstroom van 67 870
wanbetalers). Er is echter ook een harde kern en een nieuwe instroom. Personen die
zich kennelijk weinig hoeven aan te trekken van de incassomaatregelen
van hun zorgverzekeraar en die in wezen een gratis zorgverzekering hebben.
Bovendien is de kans dat het aantal wanbetalers (snel) toeneemt
groot als, door de afspraak om niet te royeren en de dekking van de
zorgverzekering niet te beperken, de indruk algemeen wordt dat het goed
mogelijk is om een zorgverzekering te hebben zonder ervoor te betalen. De
toename in 2007 zou hiervoor een indicatie kunnen zijn.
In de opvatting van de regering kan de
verantwoordelijkheid voor de benadering van de wanbetalersproblematiek niet volledig
worden gelaten in de sfeer van de verzekeringsovereenkomst tussen de
verzekeringnemer en zijn zorgverzekeraar. Door de acceptatieplicht voor
de Zvw is namelijk aan de zorgverzekeringssector in zijn geheel de ultieme
sanctie ontnomen om wanbetalers te royeren en hen vervolgens uit de
verzekering te weren. Royement van een individuele verzekeringnemer door een
individuele verzekeraar, waarbij een verzekeraar van zijn probleem
af is, blijft echter mogelijk. De acceptatieplicht is één van de kernpunten
van de Zvw en de regering wenst die dan ook als zodanig niet ter
discussie te stellen. Dat brengt dan wel met zich dat in de publiekrechtelijke
sfeer een antwoord moet worden gegeven op de problematiek van de
wanbetalers.
De regering heeft daarbij onder ogen gezien dat het niet
betalen van de premie meerdere oorzaken kan hebben. Enerzijds zijn er
verzekeringnemers die de premie zonder veel problemen kunnen betalen, maar
het geld liever aan iets ander uitgeven. In het advies van
de Raad van State worden deze mensen de "onwilligen" genoemd. En er zijn
verzekeringnemers die, hoewel zij gezien de geldende Nederlandse
regelgeving over het minimumloon en de socialezekerheidsuitkeringen in theorie de nominale
premie kunnen betalen, dit in de praktijk toch niet
kunnen, bijvoorbeeld omdat zij niet met geld om kunnen gaan, schulden hebben
gemaakt en die schulden trachten af te betalen met geld dat zij
eigenlijk voor de betaling van de nominale premie hadden moeten
reserveren. Dergelijke mensen noemt de Raad van State in zijn advies de
"onmachtigen".
Doel van
het wetsvoorstel is de onwilligen tot het
betalen van de nominale premie aan hun zorgverzekeraar te bewegen door hen
indien de wanbetaling voortduurt een hogere, bestuursrechtelijke
premie in het vooruitzicht te stellen, die bovendien direct op het
inkomen zal worden geïnd. Doel van het wetsvoorstel is voorts onmachtigen
zo snel mogelijk nadat een premieachterstand is ontstaan bij de hand te
laten nemen, opdat zij hun - op dat moment nog beperkte - schuld
aan de zorgverzekeraar kunnen afbetalen alsmede nieuw opkomende premietermijnen
kunnen betalen. Daarmee wordt dan voorkomen dat zij het duurdere, bestuursrechtelijke
regime terechtkomen.
Hiertoe voorziet
dit wetsvoorstel in een aantal
maatregelen. In de eerste plaats wordt zorgverzekeraars en hun verzekeringnemers
de mogelijkheid geboden om samen, in het geval een verzekeringnemer in
de situatie is gekomen dat hij zijn zorgpremie niet meer of niet meer
volledig voldoet, het verstoorde betaalpatroon te herstellen. De
zorgverzekeraar wordt verplicht om de verzekeringnemer bij een
premieachterstand van twee maanden - dus al voordat de schuld aan de zorgverzekeraar tot een lastig
af te betalen bedrag is opgelopen - een
betalingsregeling aan te bieden. Van deze regeling vormt automatische incasso voor
toekomstig vervallende rblz.|13|
premietermijnen en de garantie dat de
zorgverzekering doorloopt zolang de betalingsregeling door de verzekeringnemer
wordt nagekomen, een verplicht onderdeel. Nadrukkelijk wordt de
mogelijkheid van hulp door derden (gemeenten, schuldhulpverleners) hierbij in
beeld gebracht. Met dit verplichte aanbod van de verzekeraar wordt
onmachtigen de mogelijkheid geboden te voorkomen dat de
betalingsachterstand uitgroeit tot een betalingsprobleem. Accepteert de wanbetaler de
aangeboden regeling, dan zal geen betalingsachterstand van zes
maandpremies ontstaan en zal hij buiten het duurdere,
bestuursrechtelijke premieregime kunnen blijven. Om de omvang van de schuldlast voor de
verzekeringnemer overzichtelijk en beheersbaar te maken, wordt tevens
bepaald dat de zorgverzekeraars de verplichting krijgen om de
verzekeringnemer aan te bieden dat medeverzekerden een eigen polis nemen en
zelf verzekeringnemer worden. Wordt dat aanbod geaccepteerd en verzekeren de
medeverzekerden zichzelf daadwerkelijk, dan mag de "oude" verzekeringnemer de verzekeringen die hij voor zijn medeverzekerden had
gesloten, in weerwil van artikel
8a Zvw, opzeggen. Voor de
"oude" verzekeringnemer blijft de schuld dan beperkt tot de schuld die in
twee
maanden is opgebouwd voor zichzelf en de medeverzekerden op de oude
polis. Vanaf dat moment is hij alleen premie verschuldigd voor
zichzelf. De "oude" medeverzekerden hebben een nieuwe, eigen zorgverzekering
en kunnen zonder premieachterstand - dus met een schone lei - beginnen.
Het aanbieden van de betalingsregeling kan in wezen
worden beschouwd als een middel om de onmachtigen van de onwilligen te
scheiden. Als de verzekeringnemer met betalingsachterstand de
betalingsregeling afwijst of de afgesproken regeling niet nakomt en ook niet op
andere wijze de premie gaat betalen, hebben we te maken met onwilligen.
Hun schuld zal verder toenemen. De zorgverzekeraar zal in dat geval
zijn zwaardere incasso-instrumenten inzetten en de verzekeringnemer na
vier maanden wijzen op de gevolgen van verdere toename van de
betalingsachterstand, te weten dat hij, naast de incasso van de zorgverzekeraar, te maken zal
krijgen met de hogere, bestuursrechtelijke premie, die
bovendien zo mogelijk direct op het inkomen zal worden ingehouden. De verzekeraar zal
hem in deze waarschuwing wijzen op de
geschillenprocedure. Deze is van belang voor het geval de verzekeringnemer van mening is
dat er geen of minder premieachterstand is dan zijn zorgverzekeraar
aanneemt. Als de waarschuwing onvoldoende soelaas biedt, zal de
verzekeraar betrokkene bij het bereiken van zes maanden
premieachterstand
uiteindelijk aanmelden voor het bestuursrechtelijke regime.
Aanmelding voor het bestuursrechtelijke
regime betekent
dat de verplichting tot het betalen van de nominale premie aan de
zorgverzekeraar wordt omgezet in de plicht om een bestuursrechtelijke premie
aan het CVZ te betalen. Het CVZ heft vanaf dat moment een vervangende
premie, die hoger is dan de hoogste nominale premie. Het CVZ geeft
aan werkgevers, uitkeringsinstanties en pensioenfondsen opdracht de
vervangende premie in te houden op het loon, uitkering of pensioen. Daarnaast kan het CVZ de
Belastingdienst/Toeslagen (BD/T) vragen de zorgtoeslag
van de wanbetaler naar zich te laten overmaken. Deze wordt dan gebruikt
ter (gedeeltelijke) betaling van de bestuursrechtelijke premie. Voorts kan
het CVZ uiteraard ook een acceptgiro voor (het restant van) de
bestuursrechtelijke premie sturen of de wanbetaler vragen een automatische
machtiging tot incasso te tekenen, waarna het CVZ, na aanmaning en
dwangbevel, beslag op de bankrekening of de goederen van de
schuldenaar kan laten leggen indien deze niet reageert.
De zorgverzekeraars blijven net als bij de tijdelijke
oplossing voor de wanbetalersproblematiek een compensatiebijdrage
ontvangen vanaf het moment dat de premieschuld zes maandpremies bedraagt. De
compensatie rblz.|14|
verandert echter enigszins van karakter. De
bijdrage wordt gegeven omdat de zorgverzekeraar gedurende de periode dat de
bestuursrechtelijke premie wordt geheven het
recht verliest om een nominale zorgpremie te innen en toch de verzekering uitvoert. Het
CVZ stort de geïnde bestuursrechtelijke premies in het
Zorgverzekeringsfonds. Hierdoor ontstaat dekking voor de bijdrage aan de
zorgverzekeraars voor het verzekerd houden van deze wanbetalers.
De premieschuld jegens de zorgverzekeraar blijft beperkt
tot rond de 1000 euro (zes maandpremies, wettelijke rente, incassokosten)
per verzekerde. Om uit het bestuursrechtelijk premieregime te komen, moet
een wanbetaler zijn uit zijn zorgverzekering voortvloeiende schuld aan
de zorgverzekeraar voldoen. Dat kan door deze in één keer af te betalen,
maar ook door een schuldsaneringstraject te doorlopen of - met
betrokkenheid van een schuldhulpverlener - (alsnog) een regeling tot
afbetaling van de inmiddels opgebouwde schuld te treffen. Als hij naast de
premieschuld geen schuld aan zijn verzekeraar heeft voor niet voldane
eigen betalingen,¹ is de schuld aan zijn zorgverzekeraar te overzien.
Daarmee heeft hij perspectief om weer uit het voor hem duurdere,
bestuursrechtelijke premieregime te geraken.
1. Het gaat dan om "eigen betalingen", zoals bijbetaling verzekerde
naturapolis indien de
verzekerde niet-gecontracteerde zorg gebruikt (artikel 13
Zvw), een verplicht eigen risico (artikel
18a Zvw) of een eventueel vrijwillige eigen risico
(artikel 19 Zvw).
Natuurlijk heeft de wanbetaler, zolang hij nog in het
bestuursrechtelijke regime verblijft, wél last van het feit dat de
bestuursrechtelijke premie aanzienlijk meer bedraagt dan de premie die aan een
verzekeraar moet worden betaald. Er is bewust gekozen voor een hoge
bestuursrechtelijke premie om het onaantrekkelijk te maken in dit regime
terecht te komen. Het moet aantrekkelijker zijn om, zoals het hoort, een
nominale premie aan de verzekeraar te betalen.
5.2. Uitwerking enige deelonderwerpen
a. Medeverzekerden
Artikel
8a Zvw bepaalt dat zorgverzekeringen ten aanzien
waarvan een premieachterstand is ontstaan in principe niet door de
verzekeringnemer kunnen worden opgezegd. Om de problematiek van het
voldoen van de zorgpremie bij een verzekeringnemer die daar kennelijk
moeite mee heeft zo overzichtelijk en beheersbaar mogelijk te maken,
voorziet het wetsvoorstel in een uitzondering op dat artikel voor eventueel op
dezelfde polis bijgeschreven medeverzekerden. De zorgverzekeraar zal de
verzekeringnemer in de gelegenheid stellen hun zorgverzekering op te
zeggen, onder de voorwaarde dat zij een eigen verzekering sluiten en, indien die verzekering
bij dezelfde zorgverzekeraar gaat lopen, een machtiging
tot automatische incasso van de premie afgeven. Dit laatste om zoveel
mogelijk te voorkomen dat gezinsleden van een wanbetaler ook zelf
onmiddellijk weer wanbetaler worden.
b. Start bestuursrechtelijk premieregime
Het bestuursrechtelijke
premieregime start bij een
premieschuld ter hoogte van zes maanden nominale premie. Op dat moment
wordt een wanbetaler door zijn verzekeraar aangemeld voor het
bestuursrechtelijk regime. Kosten van rente, incasso en kosten als gevolg
van eigen betalingen tellen hiervoor niet mee.
Het gaat bij de start van het bestuursrechtelijk
premieregime dus om de nettopremieschuld. Hiervoor is gekozen, omdat:
1. eigen betalingen, anders dan de premie, afhankelijk
zijn van de gezondheidstoestand van de verzekerde en de meting
afhankelijk is van het moment waarop zorg wordt gebruikt en van het
moment waarop de rekening door zorgaanbieder of verzekerde
wordt ingediend. rblz.|15|
Dit belemmert de voorgenomen eenduidige en
daarmee voor iedereen heldere procedure waarlangs iemand in het
bestuurlijke premieregime terechtkomt;
2. zo voorkomen wordt dat een wanbetaler met veel
zorgkosten of met een zorgverzekeraar die veel incassokosten maakt veel
sneller in het (nadeliger) bestuursrechtelijk premieregime terecht zou
komen dan andere wanbetalers.
c. Einde bestuursrechtelijk premieregime
Eenmaal in het bestuursrechtelijk
premieregime
terechtgekomen, kan de nettopremieschuld jegens de zorgverzekeraar niet meer
stijgen. De totale schuld kan wel stijgen, omdat over de schuld de
wettelijke rente verschuldigd blijft, en voorts kan de zorgverzekeraar kosten blijven
maken om de premie en rente alsnog te incasseren.
Daarnaast kan de verzekeringnemer schulden hebben wegens
niet aan de zorgverzekeraar voldane eigen betalingen. Ook over die
schulden kan wettelijke rente lopen en ook ter zake van die schulden
kan de zorgverzekeraar incassokosten hebben gemaakt. Anders dan voor de aanvang
van het bestuursrechtelijk regime waarvoor slechts de nettopremieschuld van belang is, is
ervoor gekozen om het
bestuursrechtelijk premieregime pas te beëindigen na aflossing van alle uit de
zorgverzekering voortvloeiende schulden van de verzekerde bij de verzekeraar:
1. zodat verzekeringnemer en verzekeraar weer met een "schone lei" kunnen beginnen en/of de verzekeringnemer kan
overstappen naar een andere verzekeraar;
2. omdat het niet praktisch is om een onderscheid te
maken tussen de verschillende zorgverzekeringsschulden aan de
verzekeraar. In zo’n geval zou de verzekeraar voor de verschillende schulden ook
een gesplitste schuldenadministratie of gesplitste incasso-inspanning
moeten aanhouden. Het wettelijk vastleggen van een dergelijke
verplichting zou bovendien dwingen tot ingewikkelde wetgeving die de
vrijheid van verzekeraars onnodig beperkt.
d. Hoogte bestuursrechtelijke premie
De bestuursrechtelijke premie dient op een zo hoog
bedrag te worden vastgesteld dat het voor de verzekeringnemer
aantrekkelijk blijft buiten het bestuursrechtelijk premieregime te blijven. Dat wil
zeggen: om zijn nominale premie aan zijn zorgverzekeraar te voldoen. Dat
betekent dat de vervangende premie hoger moet zijn dan de nominale
premie bij de duurste zorgverzekeraar. Dit wordt bereikt door de
bestuursrechtelijke premie te stellen op 130% van de standaardpremie,
bedoeld in de Wzt. De standaardpremie in de zin van de Wzt is een bedrag dat
bestaat uit de in de markt gemeten premie gecorrigeerd voor het verplicht
eigen risico. De standaardpremie wordt ook gebruikt bij de berekening van
de bijdrage voor verdragsgerechtigden. Het percentage van 130 sluit
aan op het boetepercentage dat geldt indien iemand zich te laat
verzekert (artikel 96 Zvw) dan wel zich te laat als verdragsgerechtigde meldt
(artikel 69 Zvw). Het feit dat voor de bestuursrechtelijke premie
eenzelfde percentage is gekozen als voor de boete, laat overigens onverlet dat
de bestuursrechtelijke premie geen boete is.
De bestuursrechtelijke premie zorgt ervoor dat in het
Zorgverzekeringsfonds ook inkomsten binnenkomen, die de last van de
compensatie aan verzekeraars vanwege de door hen gederfde premie dempen.
Ook de kosten van de uitvoering van het bestuursrechtelijk regime worden zoveel mogelijk op de wanbetaler verhaald.
rblz.|16|
e. Rechtsbescherming
Zoals in het voorgaande reeds is aangegeven, dient voor
een zorgverzekering ter zake waarvan een premieschuld ter hoogte van zes
maandpremies is ontstaan, in plaats van de normale,
nominale premie, een bestuursrechtelijke premie ter hoogte van 130% van
de standaardpremie te worden geheven. Hiertoe meldt een zorgverzekeraar de
zorgverzekering bij het CVZ aan. In dit verband is de vraag opgekomen
hoe een verzekeringnemer die van mening is dat hij geen
premieachterstand
heeft (dan wel een premieachterstand van minder dan zes
maandpremies) kan voorkomen dat hem ten onrechte de
bestuursrechtelijke premie in rekening wordt gebracht. In theorie zijn daar
twee mogelijkheden voor: er wordt voorzien in bestuursrechtelijke
rechtsbescherming of er wordt voorzien in privaatrechtelijke
rechtsbescherming. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming zou inhouden dat het CVZ, alvorens de
bestuursrechtelijke premie te heffen, nagaat of ten
aanzien van een aangemelde premie daadwerkelijke een premieachterstand van zes
maandpremies bestaat. Is dat het geval, dan heft het CVZ de bestuursrechtelijke
premie. De verzekeringnemer die van mening is dat het
CVZ ten onrechte tot het bestaan van de eerderbedoelde premieachterstand
heeft geconcludeerd, kan vervolgens tegen de heffingsbeschikking in bezwaar
komen bij het CVZ en kan tegen de beslissing op bezwaar in
beroep komen bij de bestuursrechter. Voor deze wijze van rechtsbescherming
is niet gekozen. Zij impliceert namelijk dat het CVZ zich voor iedere
aangemelde zorgverzekering mengt in een in wezen privaatrechtelijke aangelegenheid,
te weten de vraag of er nu wel of geen premie aan de
zorgverzekeraar is betaald, en zo ja, hoeveel (niet). Niet alleen is het CVZ
hiertoe niet in staat, ook principieel acht de regering dit onwenselijk: de
vraag of een privaatrechtelijke premie in een privaatrechtelijke situatie al
dan niet is
betaald, dient in de privaatrechtelijke sfeer te worden
beantwoord.
Daarom is voorzien in civielrechtelijke
rechtsbescherming: de zorgverzekeraars worden krachtens voorliggend wetsvoorstel verplicht
voorafgaande aan de aanmelding van een zorgverzekering voor het
bestuursrechtelijke regime, een procedure te volgen die de verzekeringnemer
in de gelegenheid stelt eventuele verschillen van mening over
het al dan niet hebben voldaan van de nominale premie, aan de civiele
rechter voor te leggen. Deze voorprocedure behelst het volgende. De
verzekeraar mag iemand pas als wanbetaler aanmelden bij het CVZ
als hij,
nadat een premieachterstand van vier maandpremies is ontstaan,
het voornemen daartoe aan de verzekeringnemer kenbaar heeft gemaakt ("vierdemaandsmededeling") en hem een termijn van vier weken heeft gegeven om
daartegen te protesteren. Protesteert de verzekeringnemer niet en
gaat hij ook niet betalen, dan meldt de zorgverzekeraar hem na die
termijn aan bij het CVZ. Protesteert de als wanbetaler aangemerkte
verzekeringnemer wel, dan dient hij zich eerst te wenden tot de verzekeraar.
Als de kwestie niet wordt opgelost, kan de verzekeringnemer zich binnen een
termijn van vier weken na ontvangst van de afwijzende herbeoordeling van
de zorgverzekeraar wenden tot - naar eigen keuze - de Stichting
Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) of tot de
burgerlijke rechter. In dat geval zal de verzekeraar de zorgverzekering pas mogen
aanmelden bij het CVZ als hij onherroepelijk van de SKGZ of de rechter
gelijk heeft gekregen. De wanbetalende verzekeringnemer komt dus pas
in het bestuursrechtelijk regime terecht nadat, na de
vierdemaandsmededeling, de termijn om het bestaan van de
premieachterstand te betwisten ongebruikt is verlopen, dan wel betrokkene onherroepelijk in het
ongelijk is gesteld. Van het met terugwerkende kracht heffen en
innen van de bestuursrechtelijke premie is derhalve geen sprake.
Aldus wordt benadrukt dat het bij onenigheid tussen verzekeraar en
verzekeringnemer over de vraag óf er sprake is van een betalingsachterstand
van zes maandpremies rblz.|17|
gaat om een privaat geschil, waarbij de
verzekeringnemer als zwakkere partij rechtsbescherming verdient.
Is een zorgverzekering eenmaal bij het
CVZ aangemeld,
dan is het CVZ verplicht de bestuursrechtelijke premie te heffen. Het
CVZ heeft dus in dezen geen beleidsvrijheid. Aldus wordt voorkomen dat
het CVZ alsnog wordt belast met de taak om na te gaan of daadwerkelijk
van een premieachterstand van zes maanden sprake is (wat op zijn beurt dan ook
weer het ongewenste gevolg zou hebben dat er van dubbele
rechtsbescherming sprake zou zijn: civielrechtelijke zowel als bestuursrechtelijke). Het
voorgaande lijdt slechts uitzondering als een marginale
toets van het CVZ aantoont dat de melding niet juist kán zijn. Dat zal
vooral het geval zijn als een zorgverzekeraar een zorgverzekering van een
minderjarig kind heeft aangemeld (die zijn immers premievrij). Onderdeel van de
aanmelding van een zorgverzekering voor het bestuursrechtelijke regime dient overigens te vormen een verklaring van de
zorgverzekeraar dat hij
de voorprocedure in acht heeft genomen. Ontbreekt de verklaring, dan is
geen sprake van een rechtsgeldige melding en zal het CVZ niet
tot de heffing van de bestuursrechtelijke premie overgaan.
Met de hiervoor beschreven procedure is naar de mening
van de regering voorzien in afdoende, aan artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM)
[lees: (EVRM) voldoende, red.] rechtsbescherming tegen onterechte aanmeldingen voor het
bestuursrechtelijke regime.
De regering realiseert zich dat er verzekeringnemers
kunnen zijn die misbruik maken van de hier geregelde rechtsbescherming
door een procedure te starten met als enig doel het startmoment
van de heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie en daarmee van
de bronheffing uit te stellen. Alles tegen elkaar afwegend is zij
echter van mening dat het belang van verzekeringnemers die werkelijk van mening
zijn dat zij geen wanbetaler zijn (of dat zij een lagere schuld hebben dan
hun verzekeraar aanneemt) zwaarder weegt dan het belang van de
verzekeraars om iedereen die volgens hun eigen administratie een
premieschuld van zes maanden heeft via een aanmelding bij het CVZ
in het
bestuursrechtelijke premieregime op te laten nemen. Vandaar de
privaatrechtelijke rechtsbescherming met opschortende werking zolang niet onherroepelijk is
beslist.
De verzekeraars kunnen protesten van kwaadwillende
wanbetalers, dat wil zeggen protesten louter om nog even buiten het
bestuurlijke premieregime te blijven, overigens binnen de perken houden door in
een vroeg stadium van betalingsachterstand de verzekeringnemer te
waarschuwen en door vroeg in het traject te starten met de inzet van
incasso-instrumenten. Ook kunnen zij zorgen voor een snelle afhandeling van de
interne heroverwegingsprocedure, kunnen zij een
spoedprocedure bij de SKGZ (helpen) inrichten en kunnen zij voor een spoedige
afhandeling van zaken door de burgerlijke rechter zorg dragen door de
aan hen gevraagde stukken snel te leveren.
De compensatie aan de verzekeraar vindt overigens wel
met terugwerkende kracht plaats. Hiermee wordt enerzijds de verzekeraars
een prikkel gegeven om geschillen over de vraag of iemand nu wel of
niet een premieschuld van zes maanden heeft snel af te (helpen)
doen. Immers, zolang er geen onherroepelijke beslissing is, mag er
niet bij het CVZ worden aangemeld en zolang er geen aanmelding is, is er
geen compensatie. Anderzijds worden verzekeraars, door middel van de
terugwerkende kracht, wel gecompenseerd voor de opschortende werking
van de privaatrechtelijke procedures indien later blijkt dat zij het altijd bij
het rechte eind hebben gehad.
rblz.|18|
f. Protocol incassotraject Zorgverzekeringswet
Het
huidige
incassoprotocol loopt af op 1 januari 2009.
Als de wet [lees: deze wet, red.] later dan dit moment van kracht wordt, zal het protocol
opnieuw moeten worden verlengd. Ook al zijn een aantal onderdelen uit
het incassoprotocol nu in de wet opgenomen, de behoefte aan afspraken blijft
ook na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel relevant. Met
zorgverzekeraars worden nieuwe afspraken gemaakt. Het gaat daarbij vooral
over het leggen van het zwaartepunt van de incasso-inspanning in
de eerste zes maanden betalingsachterstand en het niet royeren van
verzekeringnemers (en eventueel bijgeschreven verzekerden) met
betalingsachterstand. In dit nieuwe protocol worden ook afspraken gemaakt over het
tijdig informeren van verzekeringnemers met betalingsachterstand over de
consequenties van hun gedrag - in de vorm van incasso en beslag,
bekend worden van wanbetalingsgedrag bij werkgever (op het moment dat de
broninhouding van de bestuursrechtelijke premie start) - en over de
rechtsbescherming die ze daarbij hebben. Ook als verzekeringnemers in het
bestuursrechtelijke premieregime zitten, moet de zorgverzekeraar zich ervoor
blijven inspannen dat de schuld wordt voldaan. Net als
met het huidig incassoprotocol vormt het naleven van het "wanbetalersprotocol"
een voorwaarde voor het door de verzekeraar ontvangen van
een compensatie voor premiederving uit het Zorgverzekeringsfonds. Op
deze manier wordt, in aanvulling op de verplichting om bij
premieachterstand een betalingsregeling met onder andere automatisch incasso
aan te bieden, zoveel mogelijk van de betalingsproblemen in de
particuliere sfeer afgehandeld en kan het aantal aanmeldingen voor de
bestuursrechtelijke premie zo beperkt mogelijk worden gehouden. De klachten-
en geschillenprocedures die gehanteerd worden, zijn overigens al in de
verzekeringspolis opgenomen.
g. Inningwijzen bestuursrechtelijke premie
Het inhouden van de vervangende premie zal plaatsvinden
op periodiek inkomen (als loon, uitkeringen en pensioen). Dat gebeurt
via de werkgever of uitkerende instantie vanuit het nettoloon. Vaak zal
het periodieke inkomen van de verzekeringnemer voldoende zijn om de
bestuursrechtelijke premie uit te betalen. Zeker is dit echter niet. In de
gevallen dat de periodieke inkomsten ontoereikend zijn om de
vervangende premie op in te houden, zal het CVZ
op andere wijze de 130% moeten
zien binnen te krijgen. Om die reden is bepaald dat de BD/T op verzoek
van het CVZ een (voorschot op een) zorgtoeslag aan dat college
overmaakt. Geregeld wordt dat de zorgtoeslag - in bepaalde gevallen - niet meer aan een verzekeringnemer maar aan het CVZ wordt uitbetaald
indien deze een premieschuld van meer dan zes maandpremies heeft. De
zorgtoeslag kan worden benut voor het betalen van - een deel van - de bestuursrechtelijke premie.
Bij personen met een minimumgerelateerde uitkering, waar
de 130% publiekrechtelijke premie betekent dat ze onder het
bestaansminimum komen, wordt slechts de standaardpremie aan de bron
geïnd. Deze uitkeringen zullen in de Regeling
zorgverzekering worden aangewezen.¹ De niet via bronheffing geïnde opslag van 30% wordt als
schuld aan het CVZ geboekt en kan via incasso en beslag worden geïnd.
Dit wetsvoorstel maakt het voorts mogelijk dat het CVZ
zonder tussenkomst van de rechter tot beslaglegging overgaat, of dit
opdraagt aan een gespecialiseerde incasso-organisatie. Dit kan aan de
orde zijn in die gevallen waarbij de wanbetaler niet beschikt over
periodieke inkomensbronnen (zoals bij ondernemers) of zorgtoeslag, of als bronnen
er wel zijn. maar niet of moeilijk te benaderen zijn (zoals
buitenlands inkomen). Wel zal het CVZ natuurlijk voordat het tot beslaglegging
en
verkoop van het beslagene overgaat de bestuursrechtelijke premie op
normale wijze rblz.|19|
hebben moeten proberen te incasseren (verzending
acceptgiro, verzoek tot machtiging automatische incasso en aanmaning als
daar niet op wordt gereageerd). Het CVZ zal in beleidsregels
vastleggen hoe het omgaat met bovengenoemde instrumenten.
1. Het gaat hierbij om de Algemene Ouderdomswet, de
Algemene nabestaandenwet, de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Toeslagenwet, de Wet
werk en bijstand of de Wet werk en inkomen
kunstenaars, of op een vervolguitkering van
de WGA-uitkering als bedoeld in de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
h. Wat te doen met restschuld jegens CVZ indien verzekeringnemer schuld jegens verzekeraar voldoet?
Een verzekeringnemer komt weer in het privaatrechtelijke
premieregime terecht indien hij de uit de zorgverzekering
voortvloeiende schulden jegens de zorgverzekeraar heeft voldaan. Eventuele
schuldopbouw bij het CVZ vormt hierbij geen drempel. Deze schuld blijft staan
en zal na vijf jaar verjaren, tenzij het CVZ doorgaat met
invorderingsactiviteiten. Dit is de normale, in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
opgenomen verjaringsregeling voor bestuurlijke premieschulden.
Er is echter voor gekozen niet door te gaan met pogingen
tot broninhouding en het blijven gebruiken van de zorgtoeslag voor het
binnenhalen van de restschuld. Dit ligt namelijk minder voor de hand
nu de verzekeringnemer ook weer de nominale premie aan zijn
verzekeraar moet betalen. Die heeft daar zijn geld immers voor nodig, wil hij niet
opnieuw bij het CVZ in het bestuursrechtelijk regime komen. Om die reden wordt bepaald dat het CVZ niet meer aan
broninhouding doet of de zorgtoeslag naar zich laat overmaken, zodra iemand weer
in het privaatrechtelijke premiesysteem is teruggekeerd. De mogelijkheid van
beslaglegging voor het CVZ om de nog resterende schuld voldaan te
kunnen krijgen, staat echter wel open. Het is immers mogelijk
dat de financiële situatie van de schuldenaar aanzienlijk beter wordt.
In de wet wordt daarnaast een mogelijkheid van
kwijtschelding door het CVZ opgenomen voor deze restschuld. Het CVZ zal in
beleidsregels moeten aangeven hoe en in welke gevallen hiermee om te
gaan.
i. Toezicht
De NZa houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering door
de zorgverzekeraars van hetgeen bij en krachtens de Zvw
geregeld is (artikel
16 van de Wet
marktordening gezondheidszorg (Wmg)). Dat
betekent dat de NZa erop toeziet dat zorgverzekeraars verzekeringnemers
niet ten onrechte voor het bestuursrechtelijk premieregime aanmelden ¹ en ook dat zij bij aflossing van de schulden jegens hen,
onverwijld een afmelding aan het CVZ sturen. Indien een zorgverzekeraar deze
meldingen ten onrechte of, wat betreft de afmelding, niet of te laat
verricht, kan de NZa de zorgverzekeraar op grond van artikel 80 Wmg
een aanwijzing geven en
bij het niet opvolgen van die aanwijzing publiceren dat
de verzekeraar zich niet aan zijn meldingsplichten houdt. Daarnaast kan de
NZa het CVZ dan melden dat de zorgverzekeraar niet aan de voorwaarden
voor het recht op een bijdrage voldoet.
Overigens ziet de NZa er ook op toe dat de
zorgverzekeraar zich houdt aan de overige voorwaarden om recht te hebben op een
bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds. Deze voorwaarden worden uit het Besluit
zorgverzekering overgeheveld naar artikel 34a Zvw
(in de verzekering
houden van de wanbetaler, effectieve incasso-inspanningen
verrichten, enz.).
1. Uit onderdeel e van deze paragraaf zal duidelijk zijn geworden dat daarnaast de
verzekeringnemer afdoende mogelijkheden heeft om te protesteren indien zijn
zorgverzekeraar naar zijn mening ten onrechte van plan is zijn zorgverzekering voor het
bestuursrechtelijke premieregime aan te melden. Aldus is als het ware reeds op het
niveau van de individuele verzekeringnemer (microniveau) voorzien in toezicht op de
rechtmatigheid van de aanmeldingen van de verzekeraar. Het toezicht van de
NZa speelt
zich af op een hoger aggregatieniveau.
j. Bestaande groep wanbetalers
De bestaande groep wanbetalers zal met ingang van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ruimschoots een premieachterstand ter
hoogte van zes maandpremies hebben opgebouwd.
De heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie
is echter pas mogelijk ná inwerkingtreding van deze
wet. In de wet
wordt de procedure beschreven die aan een aanmelding voor bronheffing
vooraf moet gaan.
rblz.|20|
Ook de bestaande groep wanbetalers krijgt de gelegenheid
om een betalingsregeling te treffen, terwijl daarnaast de
mogelijkheid moet worden gegeven het bestaan van de schuld bij de
zorgverzekeraar aan te vechten.
Verzekeringnemers kunnen naast zichzelf ook anderen
verzekerd hebben en ook voor de verzekering van die anderen de premie
niet hebben betaald. In de wet wordt voorgesteld dat de hier
bedoelde verzekerden, tegelijk met het aanbod van de betalingsregeling aan de
verzekeringnemer, een aanbod van hun zorgverzekeraar krijgen om zelf
verzekeringnemer van een eigen, nieuwe zorgverzekering te worden. Wordt
dat aanvaard, dan zegt de zorgverzekeraar de verzekering die
de wanbetalende verzekeringnemer voor ze heeft gesloten
op. Het aanbod aan de medeverzekerden geldt als door hen geaccepteerd
als het niet actief wordt verworpen (bij de inwerkingtreding van de Zvw
is ook een dergelijke constructie gehanteerd). Wil dit kunnen
werken, dan moet de wet in werking zijn. In de praktijk betekent dit dat de
inning van de bestuursrechtelijke premie 3 á 4 maanden na de
inwerkingtreding van deze wet zal beginnen.
De toepassing van het publiekrechtelijke
premieregime
maakt het moeilijker voor de bestaande groep wanbetalers om weer uit dit
regime te komen, omdat hun schuld al tot meer dan zes maandpremies
is opgelopen - sommigen hebben vanaf 1 januari 2006 niet betaald - en omdat ze meteen geconfronteerd worden met een publiekrechtelijke
premie die 130% van de standaardpremie bedraagt. Daar staat
tegenover dat het niet rechtvaardig zou zijn om de schuld bij deze categorie
wanbetalers (tot bijvoorbeeld ten hoogste zes maanden premieachterstand)
kwijt te schelden. De betalende verzekeringnemers en nieuw
instromende wanbetalers betalen daarvoor dan de prijs (afwenteling).
6. Consultatie en advies
Bij de totstandkoming van
dit wetsvoorstel zijn
Zorgverzekeraars Nederland,
het CVZ, de NZa, Divosa (belangenvereniging voor
gemeentelijke
sociale diensten [Divosa: Vereniging van
directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]), de
Nederlandse Vereniging voor
Volkskrediet en de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten betrokken.
Voor
dit wetsvoorstel is advies gevraagd aan het
College
bescherming persoonsgegevens, de Algemene Rekenkamer, de Raad voor
de Rechtspraak
en het Adviescollege toetsing administratieve lasten.¹
Het wetsvoorstel is tevens voor een uitvoeringstoets
voorgelegd aan het CVZ en via hen aan de belastingdienst, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) en de Sociale verzekeringsbank (SVB). Het
CVZ heeft aangegeven bereid en in staat te zijn om de
uitvoering van de
bronheffing op zich te nemen, maar heeft na overleg met
de ketenpartners belastingdienst en UWV aangetekend ten aanzien van de
inwerkingtreding
afhankelijk te zijn van de voortgang van de activiteiten
in het kader
van de Samenwerking UWV en belastingdienst (Walvis/SUB).
1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt
Tweede Kamer.
Advies Algemene Rekenkamer (ARK)
De ARK heeft, na overleg met het
ministerie waarin is
afgesproken dat er
in de memorie van toelichting aandacht zal zijn voor
monitoring en
evaluatie van de maatregel, aangegeven geen opmerkingen
te hebben ten
aanzien van de taakuitbreiding van het CVZ.
Advies van het Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal)
Actal heeft besloten
het wetsvoorstel niet te selecteren
voor een advies en
constateert dat een stijging van administratieve lasten
elders dient te rblz.|21|
worden gecompenseerd. Dit gebeurt doordat
zorgverzekeraars door de
bestuursrechtelijke inning in totaal minder
incassokosten hoeven te
maken dan nu het geval is. Naar verwachting zal tevens
beslaglegging ten
behoeve van verzekeraars als schuldeiser sterk
verminderen.
Advies van het College bescherming persoonsgegevens
(CBP)
Het
CBP heeft aangegeven positief te zijn over de
hoofdlijnen van het conceptwetsvoorstel en heeft een aantal adviezen
gegeven ter verbetering.
Het advies om artikel
18c (inmiddels 18f) Zvw
en de
toelichting aan te
passen naar analogie van de Wet
gebruik burgerservicenummer in de zorg is in het wetsvoorstel verwerkt.
Het
CBP is verder van oordeel dat
artikel 18a, eerste
lid (inmiddels 18c,
eerste lid,) Zvw zonder nadere invulling onvoldoende
specifiek is met
betrekking tot de melding door de zorgverzekeraar aan
het CVZ van de "voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke
persoonsgegevens" en
adviseert in wet of onderliggende regelgeving op te
nemen welke gegevens
het betreft.
De regering is van oordeel dat nadere invulling
overbodig is en heeft het
advies op dit onderdeel niet gevolgd. Artikel 18c
bepaalt dat zorgverzekeraars
aan het CVZ melden welke personen een premieschuld van
zes of meer maandpremies hebben, onder vermelding van de
voor de
uitvoering van dit artikel noodzakelijke
persoonsgegevens van de
verzekeringnemer en de verzekerde. Zoals het CBP terecht
veronderstelt,
gaat het hierbij om persoonsgegevens die moeten
garanderen dat het bronheffingsregime op de juiste persoon betrekking
heeft. Onverminderd
de mogelijkheid van gegevensverwerking op basis van de
artikelen 88 en
89 Zvw kan artikel
18a, eerste lid, dan ook niet dienen
als grondslag voor
verstrekking van persoonsgegevens die buiten dat kader
vallen. De noodzakelijke
persoongegevens bevatten geen bijzondere
persoonsgegevens
als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp).
Het
CBP maakt een aantal opmerkingen over het
Zorgverzekeringsfonds
die zijn ingegeven door de veronderstelling dat voor het
beheer en de
administratie van het Zorgverzekeringsfonds
persoonsgegevens worden
verwerkt. Deze aanname is echter niet juist. Het CVZ
maakt bij het beheer
van het Zorgverzekeringsfonds geen gebruik van
persoonsgegevens.
Met betrekking tot de wenselijkheid van een database
wanbetalers merkt
het CBP onder verwijzing naar het advies van 12 december
2005, uitgebracht
naar aanleiding van het rapport "Zorg verzekerd", op
dat het
daarvan geen voorstander is. De inrichting van de in paragraaf 3.f
[lees: hoofdstuk 3, onder f, red.] van
deze memorie genoemde database is echter een uitvloeisel
van de invoering
van artikel 8a Zvw
in 2007 en is als zodanig niet op
bezwaren van het
CBP gestuit. In paragraaf 3.f [lees: hoofdstuk 3, onder f,
red.], waarin wordt gesproken
over de database
van verzekeringsnemers met een betalingsachterstand, is
verduidelijkt dat
het hier gaat om verzekeringnemers op wie het
opzeggingsbeletsel ingevolge artikel
8a Zvw
van toepassing is.
Het advies van het
CBP om de informatieplicht en
incasso-inspanning
vooraf te laten gaan aan de aanmelding als wanbetaler,
is verwerkt in de
wet en de toelichting.
Advies Raad voor de Rechtspraak (RvR)
De RvR heeft opgemerkt dat de memorie van toelichting
niet consistent is
waar het gaat om de beleidsvrijheid die het CVZ
toekomt
bij de acceptatie rblz.|22|
van de aanmelding van de zorgverzekeraar waarmee de
toegang tot het
bestuursrechtelijke premieregime wordt verkregen.
Enerzijds wordt
aangegeven dat het CVZ geen enkele beleidsvrijheid
heeft, anderzijds dat
het CVZ de aanmelding van de zorgverzekeraar wel
marginaal toetst.
Indien deze toets in enigerlei mate inhoudelijk is,
dient het wetsvoorstel
naar het oordeel van de Raad te voorzien in de
mogelijkheid van bezwaar
en vervolgens van beroep op de bestuursrechter. De RvR
adviseert duidelijkheid
te geven over de reikwijdte van deze marginale toets.
In het wetsvoorstel is geregeld dat het
CVZ ervan uit
dient te gaan dat een
door een zorgverzekeraar voor het bestuursrechtelijke premieregime
aangemelde wanbetaler ook werkelijk een wanbetaler met
een premieachterstand
van (ten minste) zes maandpremies is. Het CVZ is
derhalve
niet bevoegd na te gaan of een aangemelde
verzekeringnemer ook werkelijk
een premieachterstand van ten minste zes maandpremies
heeft, laat
staan dat er op dat punt beleidsvrijheid bestaat. Een
wanbetaler die zich,
na ontvangst van de heffingsbeschikking, bij het CVZ
vervoegt met de
mededeling helemaal geen (structurele) wanbetaler te
zijn, zal erop
worden gewezen dat hij met die stelling bij het CVZ aan
het verkeerde
adres is en dat hij dit in de voorprocedure bij zijn
zorgverzekeraar (en
vervolgens zo nodig bij de SKGZ of de civiele rechter)
aan de orde had
moeten stellen. Het CVZ zal de bestuursrechtelijke
premie in dit geval dus
gewoon blijven heffen. Aangezien het CVZ gehouden is
zonder enig
tussenliggend beleidsoordeel van alle aangemelde
verzekeringnemers de
bestuursrechtelijke premie te heffen, staat tegen deze
heffing geen
bezwaar of beroep op de bestuursrechter open.
Het voorgaande laat onverlet dat het CVZ verplicht is de
meldingen van de
zorgverzekeraar marginaal te toetsen. Dat volgt uit de
uitspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
16 februari 2005,
AB Rechtspraak bestuursrecht 2005, nr. 266. De marginale
toets houdt in
dat het CVZ van evident ten onrechte voor het
bestuursrechtelijke regime aangemelde personen geen bestuursrechtelijke premie
heft. Dat betreft
vooral kinderen, die in het geheel geen premie
verschuldigd zijn en
derhalve ook nooit een premieachterstand zullen kunnen
hebben. De
marginale toets gaat echter niet in op de vraag of
iemand die op zich een
premieschuld bij zijn verzekeraar kan hebben, ook
daadwerkelijk een
schuld van (ten minste) zes maandpremies heeft. Toetsing
van die vraag
zou leiden tot een inhoudelijke, volle toets, waarvoor
het CVZ de noodzakelijke
gegevens ontbeert en waarvan de regering vindt dat deze
in het
voortraject dient te geschieden. Samengevat kan worden
gesteld dat de
marginale toets van het CVZ zich in wezen zal beperken
tot de vraag of
iemand überhaupt een premieschuld (ter hoogte van zes
maandpremies)
kan hebben. Zij is
erop gericht kennelijke missers op dit terrein "eruit te zeven". De reikwijdte van de marginale toets is dan ook
beperkt. De volle toets zou zien op de vraag of de verzekeringnemer ook
daadwerkelijk een premieachterstand van (ten minste) zes maanden heeft.
Deze volle toets wordt niet door het CVZ, maar in het voortraject bij
(en, in geval van adiëring van de SKGZ of de civiele rechter: tegen) de
zorgverzekeraar verricht.
De RvR adviseert in de memorie van toelichting een
passage op te nemen waarin wordt uitgelegd hoe het opleggen van een
bestuursrechtelijke premie ter hoogte van 130% van de standaardpremie,
bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag, zich verhoudt tot artikel 1 van het
Eerste EVRM. Ik heb dit advies niet overgenomen. De bestuursrechtelijke
premie wordt geheven van mensen die ondanks aanmaningen en andere
incasso-inspanningen van hun zorgverzekeraar hun premies niet betalen en niet
dan nadat een zorgvuldige voorprocedure heeft
plaatsgevonden. Van inmenging in het "ongestoord genot van het
eigendom"
in de zin van laatstgenoemd artikel, is naar mijn mening dan ook geen
sprake.¹
1. Zelfs al zou het artikel hier van toepassing
zijn, dan kan het heffen van de bestuursrechtelijke
premie overigens eenvoudig
gerechtvaardigd worden met een beroep op
het algemeen belang: een reactie op wanbetaling
is nodig, wil het op solidariteit
gebaseerde zorgverzekeringsstelsel in stand
kunnen blijven.
rblz.|
23
Aan de opmerking van de RvR dat de verhouding tot de
schuldsaneringsregeling
nog niet goed is geregeld, is tegemoet gekomen. Het
wetsvoorstel
is zo aangepast dat het van toepassing worden van deze
regeling
voor de schuldenaar leidt tot de beëindiging van het
bestuursrechtelijke premieregime.
Een aantal wetstechnische opmerkingen van de RvR is
verwerkt in de
wetstekst.
7. Financiële gevolgen voor het
Rijk
Volgens berekeningen van het
CVZ (Jaarstaat
Risicoverevening, 1e voorlopige
afrekening 2006, 30 augustus 2007) is het totale bedrag
aan openstaande
premievorderingen ruim €|196 miljoen. In 2006 is €|82 miljoen
uitgekeerd aan verzekeraars ter compensatie voor de
premiederving en
het verzekerd houden van wanbetalers. In 2007 zou dat
twee keer zo veel
kunnen zijn (immers een heel jaar). De cijfers zijn
echter pas in 2009 definitief
bekend; de incasso-inkomsten van verzekeraars worden
verrekend
met de compensatie voor premiederving. De maatregelen in
dit wetsvoorstel
beogen afname van het aantal wanbetalers en dekking van
het bedrag
dat wordt uitgekeerd ter compensatie.
Vooruitlopend op de parlementaire behandeling van dit
wetsvoorstel
werkt het CVZ aan het opzetten van de
uitvoeringsorganisatie. In januari
2008 heeft het CVZ de eenmalige kosten van voorbereiding
voor het
opzetten van de uitvoeringsorganisatie (werkorganisatie, ICT, gegevensuitwisseling,
procedures en dergelijke) geraamd op €|4 miljoen in 2008.
Voor de uitvoeringskosten bij het CVZ wordt uitgegaan
van €|7,2 miljoen
in 2009 aflopend naar €|2,6 miljoen in 2013 en verder. De dekking van
deze kosten is voorzien in de hoogte van de
bestuursrechtelijke premie.
Voor
incassoactiviteiten naast of in plaats van
bronheffing gaat het CVZ gebruik maken van een professionele incasso-organisatie.
Hoe die incassoactiviteiten er precies uit komen te zien, is nog
onderwerp van
overleg. Waarschijnlijk gaan de incassoactiviteiten
méér kosten dan in
januari 2008 is voorzien, omdat sindsdien is besloten
dat incasso en
beslag niet alleen van toepassing zal zijn voor personen
zonder (regelmatig
periodiek) inkomen, maar ook voor het resterende bedrag
van de
bestuursrechtelijke premie bij personen met een
minimumuitkering
waarbij slechts de standaardpremie op het inkomen wordt
ingehouden.
Hoe hoog deze extra kosten zullen zijn, is nog niet
bekend.
In het advies van de Raad voor de Rechtspraak wordt de
werklast voor de
rechterlijke macht als gevolg van dit wetsvoorstel
geschat op een verhoging
met €|6,9
miljoen in het eerste jaar, €|2,2
miljoen in het tweede jaar en €|1,0 miljoen in
het derde jaar. Vanaf het vierde jaar verwacht de Raad een structurele
afname van de werklast met €|0,25 miljoen per jaar.
Ik verschil van mening met de Raad over de in hun raming
gehanteerde zwaarte van de beroepsprocedures. Bovendien heb ik naar
aanleiding van de werklastschatting aan het CVZ gevraagd om een
werkwijze te bedenken waarin het beroep op de rechtspraak kan worden
beperkt. Over deze verschillende inzichten over de zwaarte van de
zaken, evenals de CVZ-werkwijze bij beroep en de consequenties hiervan
voor de werklastramingen, is nog overleg met de Raad en het ministerie van
Justitie.
8. Uitvoeringsaspecten
a. Administratieve- en uitvoeringslasten
Voor de start van de bronheffing wordt gebruik gemaakt
van een bestaand
bestand met betalingsachterstanden dat is ingericht om
te kunnen zien op
wie het opzeggingsbeletsel ingevolge artikel 8a
Zvw van
toepassing is. Dit rblz.|
24
bestand is ook de basis voor de gegevensuitwisseling die
zorgverzekeraars
via het Inlichtingenbureau hebben met
gemeenten. Deze
uitwisseling is een uitwerking van een intentieverklaring.¹ De gegevens uit
dit bestand worden door de zorgverzekeraars tevens als
basis gebruikt
voor de aanmelding voor de compensatieregeling.
Nieuw in het proces is het vaststellen van de
inkomensbron met behulp
van de polisadministratie, de opdracht tot inhouding, de
broninhouding
zelf (door de bronverschaffer) en registratie van de
inhoudingen en eventuele
navorderingen. Een groot deel van de nieuwe activiteiten
komen
voor rekening van het CVZ en andere
overheidsorganisaties (UWV, belastingdienst
e.d.).
1. De Intentieverklaring ter voorkoming van
problematische schulden die in december
2006 is ondertekend door het ministerie van SZW, ZN,
VNG, Divosa, ministerie van VROM,
Aedes en EnergieNet.
De administratieve lasten voor bedrijven worden geschat
op circa €|2,25
miljoen voor het eerste jaar en worden in vier jaar
afgebouwd naar circa €|0,5 miljoen op
jaarbasis. De kosten van de overheid als bronheffende werkgever worden op een derde van deze bedragen geraamd.
Deze bedragen zijn gebaseerd op het aantal wanbetalers
en de werkzaamheden die moeten worden verricht om achterstallige premies in
te houden. Deze werkzaamheden worden geschat op een half
uur per bronheffing, tegen het laagste administratief tarief.
De verwachting is dat de bronheffing een preventieve
werking zal hebben en dat het aantal wanbetalers en daarmee de
administratieve lasten zullen afnemen. In het volgende schema is de afbouw
opgenomen.
Verwacht aantal wanbetalers:
| xxxxxxxxx |
rTotaalr
A |
Overheid
B |
Bedrijfsleven
C |
Tijdsbesteding
in uren D |
Loon-
kosten E |
AL
(Cr*rDr*rE) |
|
Jaar 1 |
200 000 |
50 000 |
150 000 |
0,5 |
30 |
2 250 000 |
|
Jaar 2 |
150 000 |
37 500 |
112 500 |
0,5 |
30 |
1 687 500 |
|
Jaar 3 |
100 000 |
25 000 |
x75 000 |
0,5 |
30 |
1 125 000 |
|
Jaar 4 e.v. |
x50
000 |
12 500 |
x37 500 |
0,5 |
30 |
xr562 500 |
Er is nog overwogen om de zorgtoeslag als primaire bron
voor de inhouding
te beschouwen. Deze optie is verlaten omdat dit tot
gevolg zou
hebben dat op elk loon of elke uitkering een ander
bedrag ingehouden zou
moeten worden. De zorgtoeslag is immers niet voor
iedereen gelijk en
meer dan de helft van de wanbetalers ontvangt geen
zorgtoeslag. De
wisselende hoogte van het in te houden bedrag zou tot
meer administratieve
lasten voor bedrijven leiden.
Actal heeft besloten
het wetsvoorstel niet te selecteren
voor een advies en
constateert dat een stijging van administratieve lasten
elders dient te
worden gecompenseerd. Dit gebeurt doordat
zorgverzekeraars door de
bestuursrechtelijke inning in totaal minder
incassokosten hoeven te
maken dan nu het geval is. Naar verwachting zal ook de
last als gevolg
van beslaglegging ten behoeve van verzekeraars als
schuldeiser sterk
verminderen. Deze twee lastenverlagingen zijn niet
verwerkt in bovenstaande
tabel.
b. Gegevensverstrekking
In deze paragraaf wordt het verloop beschreven van de
uitwisseling van
persoonsgegevens waartoe het wetsvoorstel leidt. Daarbij
staat de rol van
het CVZ, dat ten behoeve van de uitvoering van de
bronheffing de
beschikking krijgt over persoonsgegevens, centraal. De Wbp
verzet zich
niet tegen deze wettelijke opdracht aan het CVZ en de
toedeling ervan
ontmoet evenmin bezwaren vanuit de andere taken die het
CVZ verricht.
rblz.|
25
Op grond van het voorgestelde
artikel 18f Zvw
wordt het CVZ voor de
heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie
bevoegd tot het
gebruik van het burgerservicenummer van personen die
door zorgverzekeraars
bij het CVZ zijn gemeld als wanbetalers. Daarmee wordt
het
reguliere regime van gegevensverstrekking in de Zvw
van
toepassing op
zorgverzekeraars. Dat houdt in dat bij
gegevensuitwisseling tussen zorgverzekeraars,
CVZ, broninhouders (artikel 18e Zvw) en (andere) in
artikel
88
en 89 Zvw
genoemde personen en instanties het
burgerservicenummer
wordt gebruikt, voor zover betrokkenen tot het gebruik
daarvan bevoegd
zijn.
Op grond van artikel 89
Zvw
verstrekken die instanties,
waarvan hier in
het bijzonder de belastingdienst en het CVZ
worden
genoemd, aan het
CVZ de persoonsgegevens die het CVZ voor de uitvoering
van de wettelijke
taak nodig heeft. Voorts is op grond van artikel 88
Zvw
een ieder
verplicht tot verstrekking van noodzakelijke
persoonsgegevens.
Heffing en inning bestuursrechtelijke premie
Zoals hiervoor is aangegeven, verstrekken de
zorgverzekeraars aan het CVZ per zorgverzekering de volgende persoonsgegevens van
verzekeringnemer
(en eventueel bijgeschreven verzekerden) met een
betalingsachterstand
van zes maandpremies of meer: NAW-gegevens, burgerservicenummer,
geslacht, geboortedatum en verzekeraar, alsmede, met het
oog op de eventuele terugwerkende kracht van de
verstrekking van de
bijdrage, bedoeld in artikel 34a Zvw,
de datum waarop de
premieachterstand
zes maandpremies had bereikt. Op basis van deze gegevens
vraagt het CVZ bij UWV
en BD/T
op over welke inkomensbron(nen)/werkgever(s) de wanbetaler beschikt, wat de omvang van
die bron(nen) is en welke het loonheffingsnummer is. Op basis van deze
gegevens heft en
int het CVZ de premie bij de bron, die op grond van
artikel 88 verplicht is
tot gegevensverstrekking en tot de medewerking die het
CVZ voor de
uitvoering van de wettelijke taak behoeft.
De geïnde bestuursrechtelijke premies worden gestort in
het Zorgverzekeringsfonds.
Ten behoeve van het beheer daarvan en de bevoegdheid
tot kwijtschelding van premies die niet zijn voldaan
(het voorgestelde
artikel 18e, tweede lid), administreert het CVZ van elke
wanbetaler de NAW-gegevens, het burgerservicenummer, geslacht,
geboortedatum,
verzekeraar, heffing en opbrengst per bron en loonheffingsnummer.
De verwerking van persoonsgegevens door het CVZ voor het
genoemde
doel voldoet aan de Wbp. Het CVZ verwerkt
persoonsgegevens slechts
voor zover dat noodzakelijk is voor de goede vervulling
van de publiekrechtelijke
taak (artikel 8, onderdeel e, Wbp). Voorts worden door
het CVZ
niet meer persoonsgegevens verwerkt dan voor het
uitvoeren van die taak
nodig is (artikel 11, eerste lid, Wbp). Er worden tussen
zorgverzekeraars
en CVZ geen persoonsgegevens uitgewisseld waarop artikel
16 van de Wbp
van toepassing is.
De gegevens die voor de bepaling van de bijdrage
betreffen [lees: van de bijdrage nodig zijn, betreffen, red.] het aantal
verzekerden per verzekeraar waar een bestuursrechtelijke
premie wordt
geheven; inclusief de maand waarin het recht op de
bijdrage ontstaat.
9. Evaluatiebepaling ten behoeve van de nieuwe taak van
het
CVZ
Overwogen is een afzonderlijke evaluatiebepaling voor de
nieuwe taak
van het CVZ in onderhavig wetsvoorstel op te nemen.
Hiervoor is niet
gekozen.
Zowel de Zvw (artikel 125 van de
Zvw) als de Wzt bevatten een evaluatiebepaling.
De evaluatie van de Zvw wordt uiterlijk vijf jaar na het
in
werking treden van de Zvw aan de Tweede Kamer
toegestuurd. Dit is dus
uiterlijk 2011. Voor wat betreft de evaluatie van de Wzt
geldt een termijn rblz.|
26
van vier jaar na inwerkingtreding van de Wzt en
vervolgens telkens na
vier jaar. De doeltreffendheid en effecten van
onderhavig wetsvoorstel
zullen in genoemde evaluaties worden meegenomen. Voor
tussentijdse
evaluatie wordt aangesloten bij de jaarlijkse
verantwoordingscyclus van
het CVZ (artikel 73 en verder van de Zvw). In dit kader
richt het CVZ een
monitoringprogramma in dat inzicht geeft in onder meer
(de mutatie van)
de omvang en samenstelling van de populatie, de omvang
en het verloop
van de vorderingen en betalingen. Op basis van de
monitor adviseert het
CVZ de Minister van VWS met betrekking tot mogelijke
verbeterpunten in
de maatregelen tot het terugdringen van het aantal
wanbetalers Daarnaast
informeer ik het parlement via de Verzekerdenmonitor
over een
aantal specifieke aandachtsgroepen, waaronder de ontwikkelingen
rondom de wanbetalers.
10. Inwerkingtreding en voorlichting
De voorgenomen inwerkingtredingdatum van
de
wetswijziging is zo
spoedig mogelijk na goedkeuring door het parlement. Het
tijdstip wordt
bij koninklijk besluit bepaald.
VWS,
CVZ en ZN stemmen voorlichting en communicatie op
hoofdlijnen
af. VWS heeft hierbij het voortouw bij de algemene
publieksvoorlichting.
Het CVZ heeft het voortouw bij het informeren van
werkgevers, uitkeringsinstanties
en personen die in de bronheffing terecht zijn gekomen.
ZN
heeft het voortouw richting verzekeraars. Voorafgaand
aan de inwerkingtreding
zal in de jaarlijkse zorgverzekeringcampagne aandacht
worden
besteed aan deze wetswijziging.
Los van deze algemene voorlichting worden de
(potentiële) wanbetalers
persoonlijk door verzekeraars geïnformeerd in de
procedure die voorafgaat aan de aanmelding voor de bronheffing.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Zorgverzekeringen zijn privaatrechtelijke verzekeringen,
waarvoor volwassenen
een privaatrechtelijke (nominale) premie aan de
zorgverzekeraar
verschuldigd zijn. Voorliggend wetsvoorstel introduceert
een bestuursrechtelijke
premie, die verzekeringnemers met een
betalingsachterstand
ter hoogte van zes of meer maandpremies (verder ook "structurele
wanbetalers" genoemd) in plaats van de
privaatrechtelijke premie voor
hun zorgverzekering verschuldigd zijn, en wel aan het CVZ. Beide zijn "premies". Zonder een nadere regeling zou, daar waar
in de Zvw naar "de premie(s)" wordt verwezen, ook de bestuursrechtelijke
premie worden
bedoeld. Dat is niet de bedoeling. Daarom wordt
voorgesteld een onderdeel
x aan artikel 1 Zvw
toe te voegen, waarin wordt geregeld
dat in de
Zvw en de daaronder vallende regelgeving met "premie"
de privaatrechtelijke
premie wordt bedoeld, tenzij uitdrukkelijk anders is
geregeld. Er
had ook besloten kunnen worden om, waar de
privaatrechtelijke premie
wordt bedoeld, telkens het woord "privaatrechtelijke"
aan het woord "premie" toe te voegen. Daarmee zouden echter de
privaatrechtelijke en
de bestuursrechtelijke premie meer nevengeschikt lijken,
terwijl de
privaatrechtelijke premie de regel is en de
bestuursrechtelijke, gecreëerd
om structurele wanbetalers alsnog voor hun
zorgverzekering te laten
betalen, slechts een uitzondering. In het nieuwe
onderdeel y van artikel 1 Zvw
wordt de bestuursrechtelijke premie gedefinieerd.
rblz.|
27
Onderdeel B
Sinds 1 januari 2008 kan een verzekeringnemer die van
zijn zorgverzekeraar
een aanmaning tot het betalen van de premie heeft
ontvangen, totdat hij zijn premieschuld heeft voldaan de
zorgverzekering
niet meer opzeggen, tenzij de verzekeraar de dekking van
de verzekering
heeft geschorst of de verzekeraar in de opzegging
bewilligt (artikel 8a Zvw).
Aldus wordt voorkomen dat verzekeringnemers met een
betalingsachterstand
de verzekering op een moment dat dat gezien de rest van
de Zvw of de zorgpolis zou zijn toegestaan, opzegt, zich
vervolgens elders
verzekert en ook daar de premie niet betaalt (wanbetalerscarrousel).
Het
opzegverbod vervalt, zo volgt uit artikel
8a, eerste
lid, Zvw, zodra de
premieschuld en eventuele incassokosten zijn voldaan.
Voorliggende
wijziging van artikel
8a, eerste lid, is slechts bedoeld
om enkele kleine
omissies in het artikellid te herstellen en de
bewoordingen van het artikel
daarmee beter te laten aansluiten op de overige
artikelen van voorliggend
wetsvoorstel en van artikel 7:934 van het Burgerlijk
Wetboek (BW). Ten
eerste wordt aan de voorwaarde dat niet kan worden
opgezegd zolang de
achterstallige premies en de incassokosten niet zijn
voldaan, toegevoegd
dat dit ook geldt indien de rente niet is voldaan. Ten
tweede wordt geregeld
dat de wanbetaler niet alleen wél mag opzeggen als de
verzekeraar
de dekking van de zorgverzekering heeft geschorst, maar
ook als hij de
verzekering heeft geschorst, dan wel de verzekering of
de dekking heeft
opgeschort. Zowel bij schorsing als bij opschorting komt
de verzekeraar
zijn eigen verplichtingen (i.c. het leveren of vergoeden
van zorg) niet na
zolang de verzekeringnemer zijn premies niet heeft
betaald, maar bij
schorsing gebeurt dat ook niet nadat de premies alsnog
zijn betaald,
terwijl bij opschorting de verzekeraar zijn deel van de
verplichtingen
alsnog nakomt. De dekking herleeft dan als het ware met
terugwerkende
kracht.
Onderdeel C
Zoals in het
algemene deel van deze toelichting en in de
toelichting op
onderdeel A is aangegeven, wordt met voorliggend
wetsvoorstel naast de
normale, privaatrechtelijke premie voor de
zorgverzekering, die op dit
moment in paragraaf 3.3 van de Zvw
is geregeld, voor
structurele wanbetalers
een bestuursrechtelijke premie geïntroduceerd. De
zorgverzekering
blijft echter ook voor structurele wanbetalers een
privaatrechtelijke verzekering:
de verzekeringsovereenkomst tussen zorgverzekeraar en
wanbetalende verzekeringnemer blijft immers in stand en
de zorgverzekeraar
blijft het verzekeringsrisico lopen. Om die reden is
besloten
ook de regels over de bestuursrechtelijke premie in paragraaf 3.3
op te
nemen. Dat betekent echter wel dat die paragraaf een
ander opschrift
moet krijgen en moet worden gesplitst in twee
afdelingen. Dat geschiedt
in de onderdelen C en F.
Onderdeel D
Eén van de kenmerken van een privaatrechtelijke
verzekering is dat de
verzekeringnemer zich jegens de verzekeraar krachtens de
overeenkomst
tot verzekering verbindt tot het betalen van premie (zie
artikel 7:925 van
het BW). De zorgverzekering is een privaatrechtelijke
schadeverzekering.
Artikel 16, eerste lid, Zvw, bepaalt dan ook dat de
verzekeringnemer krachtens
de zorgverzekering premie verschuldigd is.
Hierop is in het tweede lid van
artikel 16 een
uitzondering gemaakt voor
verzekerden jonger dan 18 jaar. Voor hun
zorgverzekering is geen
premie verschuldigd. Onderdeel D voegt hier een
uitzondering aan toe. In
de toekomst zal ook geen privaatrechtelijke premie
verschuldigd zijn voor rblz.|
28
zorgverzekeringen van verzekerden van 18 jaar of
ouder waarvoor,
wegens een premieachterstand van zes maandpremies of
meer, de
bestuursrechtelijke premie van artikel 18d
Zvw aan het CVZ verschuldigd
is.
De voorwaarden waaronder deze plicht tot betaling van
bestuursrechtelijke
premie ontstaat en daarmee de plicht tot betaling van de
nominale
premie jegens de zorgverzekeraar eindigt, zijn opgenomen
in de
artikelen 18b
en 18c Zvw
(zie artikel I, onderdeel F).
Onderdelen E, G, L en
M
De regels over de bestuursrechtelijke premie worden
opgenomen in een
nieuwe afdeling 3.3.2, onmiddellijk na de paragraaf over
de privaatrechtelijke
premie, die eindigt met artikel 18 Zvw
(collectiviteitskorting).
Zonder
nadere maatregelen is het niet mogelijk de nieuwe
afdeling te beginnen
met een artikel 18a Zvw, aangezien sinds 1 januari 2008
de paragraaf over
het eigen risico (paragraaf 3.4) al met een artikel 18a
begint. Aangezien op diezelfde datum artikel 22, waarin de no-claimteruggave
was geregeld, is
komen te vervallen, is besloten de artikelen van
paragraaf 3.4 (18a tot en
met 21) te vernummeren tot 19 tot en met 22 en
afdeling 3.3.2, de afdeling
waarin de bestuursrechtelijke premie wordt geregeld,
alsnog met artikel 18a te laten
beginnen. Voorliggende onderdelen bevatten
technische
wijzigingen die hier in voorzien.
Onderdeel F
Algemeen
Dit onderdeel voegt een nieuwe afdeling aan de
Zvw toe.
In deze afdeling
wordt geregeld welke gevolgen het niet betalen van de
(nominale) premie
aan de zorgverzekeraar in ieder geval zal hebben.
Samengevat gaat het
om het volgende.
Nadat er twee maanden niet is betaald, doet de
zorgverzekeraar een
aanbod tot het treffen van een betalingsregeling:
tegenover het afgeven
van een incassomachtiging voor nieuw opkomende
premietermijnen en
afbetalingsafspraken over de reeds opgebouwde schuld
staat de toezegging
van de verzekeraar de verzekering niet te beëindigen
en de dekking
ervan niet te schorsen. Heeft de verzekeringnemer
anderen verzekerd en
de premie voor hun verzekering niet betaald, dan krijgt
de verzekeringnemer
voorts de mogelijkheid deze verzekeringen op te zeggen,
mits de
verzekerden zichzelf voordien hebben verzekerd en,
indien dezen dezelfde
zorgverzekeraar kiezen, een incassomachtiging afgeven.
Deze verzekerden
worden hiermee verzekeringnemer ten aanzien van hun
eigen verzekering,
en daarmee worden zij zelf premieplichtig. Bij het
aanbod geeft de
zorgverzekeraar ook aan welke gevolgen weigering zal
hebben, indien
althans voortgegaan wordt met het niet betalen van de
premie.
Gaat de verzekeringnemer niet op dit aanbod in en blijft
hij de premie niet
betalen, dan zal hij, nadat de premieschuld is opgelopen
tot vier maandpremies,
een mededeling van zijn zorgverzekeraar ontvangen,
inhoudende
dat deze van plan is de door hem gesloten
verzekering(en) bij het CVZ voor het heffen van bestuursrechtelijke premie aan
te melden zodra
de premieschuld zes maanden zal bedragen. De
verzekeringnemer die van
mening is dat hij geen premieachterstand heeft dan wel
dat de premieachterstand
minder dan vier maanden (per verzekering) bedraagt, kan
dat
eerst bij zijn zorgverzekeraar en, als deze bij zijn
standpunt blijft, vervolgens
bij de Stichting Klachten en Geschillen
Zorgverzekeringen (SKGZ)
aankaarten. Gebeurt dat, dan mag de zorgverzekeraar
betrokkene niet rblz.|
29
melden zolang hierover geen onherroepelijk oordeel
(inhoudende dat er
wel degelijk premieachterstand is) is gegeven.
Wordt een zorgverzekering, omdat de
premieachterstand
tot zes of meer
maandpremies is opgelopen, door de zorgverzekeraar bij
het CVZ gemeld,
dan is de verzekeringnemer vanaf de eerste dag van de
maand volgende
op de maand waarin de melding heeft plaatsgevonden,
jegens dat college
een hogere, bestuursrechtelijke premie verschuldigd.
Vanaf de dag
waarop het bestuursrechtelijke premieregime gaat gelden,
is de
verzekeringnemer geen nominale premie meer verschuldigd
aan zijn
zorgverzekeraar. De zorgverzekering blijft voor het
overige echter gewoon
jegens zijn zorgverzekeraar in stand, wat bijvoorbeeld
wil zeggen dat de
verzekerde jegens zijn zorgverzekeraar recht heeft op
verzekerde zorg
indien hij daarop is aangewezen. De zorgverzekeraar
blijft derhalve het
risico van de door de structurele wanbetaler gesloten
verzekering(en) dragen en de verzekeringen blijven ook "meedraaien"
in de risicoverevening.
Voor het feit dat de verzekeringnemer vanaf het moment
waarop hij een premieachterstand van zes maandpremies heeft geen
nominale premie meer aan zijn zorgverzekeraar hoeft te
betalen terwijl de
zorgverzekeraar de dekking van de verzekering wel in
stand laat, wordt
zijn verzekeraar gecompenseerd door middel van een door
het CVZ aan
hem te betalen (en uit het Zorgverzekeringsfonds
gefinancierde) bijdrage.
Het
CVZ heft en int de bestuursrechtelijke premie. Omdat
het CVZ, anders
dan de zorgverzekeraars bij de uitvoering van hun
zorgverzekeringen, een
zelfstandig bestuursorgaan is, is het mogelijk het CVZ
ten behoeve van de
inning enkele instrumenten in handen te geven die de
kans van slagen
van de inning vergroten:
- het CVZ kan werkgevers, pensioenfondsen en
uitkeringsinstanties
opdragen de bestuursrechtelijke premie op hun loon,
pensioen of
uitkering in te houden en aan het CVZ af te dragen
(broninhouding);
- het CVZ kan de BD/T
vragen ter (gedeeltelijke)
betaling van de
bestuursrechtelijke premie (een voorschot op) de
zorgtoeslag van een
structurele wanbetaler (en zijn eventuele partner) naar
zich over te
laten maken;
- het CVZ zal beslag op de saldi van bankrekeningen of
op de goederen
van een structurele wanbetaler kunnen leggen zonder dat
het daarvoor
een vonnis van de kantonrechter nodig heeft.
Het bestuursrechtelijke
premieregime komt ten einde
zodra de
verzekeringnemer zijn uit de zorgverzekering jegens zijn
zorgverzekeraar
opgebouwde schulden heeft voldaan, dan wel de door de
rechter opgelegde
schuldsaneringsregeling of een minnelijk schuldhulpverlenings- of
afbetalingstraject voor hem is gaan gelden. Vanaf dat
moment dient hij
aan zijn zorgverzekeraar weer de gewone,
privaatrechtelijke, in zijn zorgpolis
geregelde nominale premie te betalen.
Ingevolge artikel 16 van de
Wet
marktordening gezondheidszorg (Wmg)
houdt de Nederlandse zorgautoriteit (NZa) toezicht op de
rechtmatige
uitvoering door de zorgverzekeraars van hetgeen bij en
krachtens de Zvw geregeld is. Dat betekent dat de NZa
erop toeziet dat
zorgverzekeraars
verzekeringnemers niet ten onrechte voor het
bestuursrechtelijke premieregime aanmelden en ook dat zij bij aflossing van de bij hen
opgebouwde schulden onverwijld een afmelding aan het CVZ
zenden.
Indien een zorgverzekeraar
deze meldingen ten onrechte of, wat betreft de
afmelding, niet
of te laat verricht, kan de NZa de zorgverzekeraar op
grond van artikel 80 Wmg
een aanwijzing geven en bij het niet opvolgen van
die aanwijzing
publiceren dat de verzekeraar zich niet aan zijn
meldingsplichten houdt.
Voorts kan dit leiden tot weigering of verlaging van de
eerdergenoemde bijdrage die de verzekeraar ontvangt voor het verzekerd
houden van structurele rblz.|
30
wanbetalers. Overigens voorziet het wetsvoorstel,
zoals uit het
hiernavolgende zal blijken, uiteraard ook in
rechtsbescherming van de
individuele verzekeringnemer tegen te vroeg aanmelden of
te laat
afmelden door de verzekeraar.
Artikel 18a Zvw
De Zvw
gaat ervan uit dat verzekeringsplichtigen zich
tegen het risico van
behoefte aan geneeskundige zorg verzekeren door middel
van het sluiten
van privaatrechtelijke zorgverzekeringsovereenkomsten
met privaatrechtelijke
zorgverzekeraars. Personen van 18 jaar of ouder
zijn voor hun
zorgverzekering een (nominale) premie aan hun
zorgverzekeraar verschuldigd (artikel 16 Zvw). Wordt die premie niet betaald, dan ligt
het, gegeven de
keuze voor een privaatrechtelijk verzekeringssysteem, in
de rede dat de
zorgverzekeraar gebruikt maakt van de
incasso-instrumenten die iedere
private partij bij wanbetaling van zijn wederpartij ter
beschikking staan en
die voor zover nodig in het burgerlijk (proces)recht
zijn geregeld. Zo kan
de zorgverzekeraar een betalingsregeling aanbieden, kan
hij de schuldenaar
verzoeken een machtiging tot automatische incasso te
geven, kan hij
aanmaningen sturen of betrokkenen laten opbellen, kan
hij de opgebouwde
schuld verhogen met rente en incassokosten, kan hij de
deurwaarder
inschakelen en kan hij na een vonnis van de burgerlijke rechter
beslag laten leggen op de goederen van de wanbetaler om
uit de
opbrengst daarvan de schuld te voldoen.
Voorliggend wetsvoorstel beoogt geenszins beperkingen
aan te brengen
(in het gebruik van) deze privaatrechtelijke
mogelijkheden. Integendeel,
mede naar aanleiding van het RvS-advies inhoudende dat
het bestaande
privaatrechtelijke incasso-instrumentarium voor
verzekeraars waarschijnlijk
niet ontoereikend is, maar dat zij, gegeven de beperkte
periode waarover
zij het incassorisico zullen dragen, onvoldoende
prikkels zullen
ervaren tot het daadwerkelijk inzetten ervan, is
besloten zorgverzekeraars
het gebruik van een aantal privaatrechtelijke
incasso-instrumenten wettelijk
op te leggen. Dat geschiedt in het voorgestelde artikel
18a Zvw. Doel
van deze verplichtingen is om het probleem van
wanbetaling zo vroeg
mogelijk en, zoals ook de Raad wenselijk acht, "aan de
privaatrechtelijke kant" (dus door de zorgverzekeraars) te laten aanpakken
en daarmee te
bereiken dat het bestuursrechtelijke premieregime op zo
min mogelijk
zorgverzekeringen van toepassing wordt. Dat is niet
alleen wenselijk voor
de wanbetaler, wiens schuld niet onnodig oploopt en die
aldus buiten het
duurdere bestuursrechtelijke regime kan blijven, maar
ook voor de zorgverzekeraar,
die meer zekerheid op afbetaling van de schuld en
betaling
van opkomende premietermijnen krijgt. Daarnaast is het
wenselijk met het
oog op het in stand houden van de privaatrechtelijke
basisgedachte van het
zorgverzekeringssysteem: problemen worden zoveel
mogelijk in de
privaatrechtelijke sfeer opgelost.
Eerste en tweede lid
Deze leden verplichten de zorgverzekeraar uiterlijk tien
dagen nadat hij
heeft geconstateerd dat er ter zake van een
zorgverzekering een premieachterstand
van twee maandpremies is, de verzekeringnemer een
betalingsregeling aan te bieden, die ten minste uit de
volgende elementen
bestaat:
a. afgifte, door de verzekeringnemer, van een machtiging
aan de verzekeraar
om de door hem verschuldigde, toekomstige premie(s)
automatisch
van een rekening te incasseren dan wel afgifte, door
die
verzekeringnemer, van een opdracht aan zijn werkgever,
pensioenfonds
of uitkeringsinstantie (of een ander die hem periodieke
betalingen doet) om de verschuldigde premie(s) op zijn loon,
pensioen of rblz.|
31
uitkering (of op die andere periodieke betalingen) in te
houden en
direct aan de zorgverzekeraar over te maken;
b. afspraken over de wijze van afbetaling van de uit de
zorgverzekering
voortvloeiende schulden, inclusief rente en
incassokosten. Voor een
verzekeringnemer die al direct de eerste twee
maandpremies niet heeft
voldaan, zal de schuld zich doorgaans tot die twee
premies (per verzekering)
beperken. De schuld kan echter ook achterstallig
betalingen
aan eigen risico betreffen;
c. een toezegging van de verzekeraar dat hij de
zorgverzekering of de
dekking ervan niet om reden van de premieachterstand zal
beëindigen,
schorsen of opschorten, zolang de verzekeringnemer de
machtiging of
de opdracht, bedoeld in onderdeel a, niet intrekt en
zijn betaalafspraken
om de reeds opgebouwde schuld in te lossen, nakomt.
Beëindiging van de zorgverzekering indien de
verzekeringnemer of de
verzekerde fraudeert, kan dus nog wel.
Derde lid
Het is mogelijk dat een verzekeringnemer
(waarschijnlijk: naast zichzelf)
andere volwassenen heeft verzekerd. Dat zal in
gezinssituaties waarschijnlijk
vaak voorkomen: een man verzekert bijvoorbeeld niet
alleen zichzelf,
maar ook zijn partner en zijn thuiswonende,
meerderjarige kinderen.
Aangezien in het private verzekeringsrecht de
verzekeringnemer altijd
premieplichtig is, zal in dit geval de man de premies
voor alle door hem
gesloten verzekeringen verschuldigd zijn. Betaalt de man
de premies niet,
dan zal de zorgverzekeraar zodra de premieachterstand
per verzekering
twee maanden bedraagt, het in het eerste en tweede lid
bedoelde aanbod
doen. Het aanbod bevat in dit geval echter een extra
element.
Op grond van
artikel 8a Zvw
kan een verzekeringnemer die
een aanmaning
tot betaling van de premie van zijn zorgverzekeraar
heeft gekregen
de zorgverzekering niet opzeggen, tenzij de
zorgverzekeraar de dekking
heeft geschorst of geschorst [lees: geschorst of opgeschort, red.]
(wat hij, gezien de
gemaakte afspraken, in
principe niet zal doen) of de zorgverzekeraar in de
opzegging heeft bewilligd.
Heeft een verzekeringnemer ook op de zorgverzekeringen
die hij ten
behoeve van anderen heeft gesloten premieachterstand
opgelopen, dan
betreft het extra element in het aanbod aan de
verzekeringnemer het
volgende: zijn zorgverzekeraar biedt hem aan in
opzegging van die verzekeringen
te bewilligen indien de verzekerden zelf een
zorgverzekering
hebben gesloten en zij ook zelf een machtiging tot
automatische incasso
van de premie afgeven, dan wel een opdracht aan hun
werkgever,
pensioenfonds of uitkeringsinstantie om de premie op
hun loon,
pensioen of uitkering in te houden en op de rekening van
de zorgverzekeraar
over te maken. Dit laatste geldt overigens slechts
indien de
verzekerden hun nieuwe verzekering bij dezelfde
zorgverzekeraar
afsluiten. Een zorgverzekeraar kan immers niet als
voorwaarde voor
opzegging van hun verzekering stellen dat zij, indien
zij elders een nieuwe
zorgverzekering sluiten, de andere zorgverzekeraar
machtigen tot automatische
incasso.
Het voordeel dat de verzekeringnemer aan het accepteren
van dit deel van
het aanbod ontleent, is dat hij in de toekomst geen
premie meer verschuldigd
zal zijn voor zorgverzekeringen van die anderen, die
besluiten zelf
een zorgverzekering te sluiten. Het voordeel voor de
verzekerden die
besluiten zelf verzekeringnemer te worden, is dat zij,
door de premie voor
hun zorgverzekering te gaan betalen, kunnen voorkomen
dat er een premieachterstand ontstaat, met alle gevolgen van dien.
Het voordeel
voor de zorgverzekeraar is dat, zeker indien de nieuwe
verzekeringnemers
periodiek inkomen genieten, de kans dat nieuw opkomende
premietermijnen
betaald worden groter is. Voor zover dat onverhoopt
niet rblz.|
32
gebeurt, ten slotte, is het voordeel voor het CVZ dat
de bestuursrechtelijke
premie doorgaans gemakkelijker geïnd zal kunnen worden:
gezien de wens bij de broninhouding rekening te houden
met het
bestaansminimum van de verzekeringnemer zal het,
althans indien ook
de nieuwe verzekeringnemers een inkomensbron hebben,
gemakkelijker
zijn eenmaal de bestuursrechtelijke premie per
verzekeringnemer te innen, dan bij de oude verzekeringnemer meerdere malen
de bestuursrechtelijke
premie te innen.
De verzekeringnemer krijgt vier weken om het aanbod te
aanvaarden
(vierde lid, zie ook hierna). Van aanvaarding is slechts
sprake indien de
gehele betalingsregeling (tweede lid) wordt
geaccepteerd, dat wil zeggen
dat de verzekerde zowel de incassomachtiging of de
opdracht aan zijn
werkgever, pensioenfonds of uitkeringsinstantie afgeeft
als akkoord gaat
met de regeling ter afbetaling van de reeds opgebouwde
schuld.
Daarnaast is het niet mogelijk om het in het derde lid
neergelegde aanbod
te aanvaarden zonder de betalingsregeling te aanvaarden.
Dat blijkt uit de
formulering van het derde lid: de daar bedoelde
opzegging wordt van
kracht met ingang van de dag waarop de in het tweede lid
bedoelde
betalingsregeling van kracht wordt, en de in het derde
lid bedoelde verzekerden
moeten voordien een eigen verzekering hebben gesloten
en,
indien men bij dezelfde verzekeraar blijft, de in dat
lid bedoelde machtiging
tot automatische incasso of opdracht aan de werkgever,
het
pensioenfonds of de uitkeringsinstantie hebben gegeven.
Wordt het in het derde lid geregelde deel van het aanbod
geaccepteerd,
dan betekent dat dat degenen die eerder door de
verzekeringnemer verzekerd waren zelf verzekeringnemer van een nieuwe, eigen
zorgverzekering
worden. Dat betekent dat zij vanaf het moment waarop die
verzekering
gaat lopen zelf de (nominale) premie aan hun
zorgverzekeraar verschuldigd
worden. Betalen ook zij de (nominale) premie niet - het risico daarop
verkleint dit wetsvoorstel door aan het aanbod de
voorwaarde van een
incassomachtiging of een betalingsopdracht aan een
werkgever,
pensioenfonds of uitkeringsinstantie te koppelen indien
men bij dezelfde
zorgverzekeraar blijft - dan zullen ook zij na twee
maanden achterstand
een betalingsregeling als bedoeld in het eerste en
tweede lid aangeboden
krijgen en zullen zij uiteindelijk, als zij de
betalingsregeling afslaan en
blijven wanbetalen, na zes maanden wanbetaling in het
bestuursrechtelijke premieregime terechtkomen. Omdat de voormalig door de
verzekeringnemer verzekerden een nieuwe, eigen
zorgverzekering sluiten,
nemen ze de ten aanzien van hun oude zorgverzekering
opgebouwde
premieschuld niet mee. De oude verzekeringnemer blijft
derhalve
gehouden deze schuld te voldoen. Deze wordt, indien hij
de betalingsregeling
accepteert, meegenomen in de afspraken over de
afbetaling van
de reeds opgebouwde schulden.
Ten slotte: wordt het in het derde lid geregelde deel
van het aanbod niet
geaccepteerd (bijvoorbeeld omdat de verzekerden weigeren
zichzelf te
verzekeren), dan laat dat onverlet dat de
verzekeringnemer de betalingsregeling
van het tweede lid wél kan accepteren. In dat geval zal
de zorgverzekeraar
voor iedere door de verzekeringnemer gesloten
zorgverzekering
ten aanzien waarvan premieplicht bestaat de premie naar
zich
laten overschrijven, dan wel zal de opdracht en de
machtiging aan de
werkgever, het pensioenfonds of de uitkeringsinstantie
moeten zijn dat
maandelijks een bedrag ter hoogte van meerdere
maandpremies aan de
zorgverzekeraar wordt overgemaakt.
rblz.|
33
Vierde lid
Tegelijk met het aanbod deelt de zorgverzekeraar de
verzekeringnemer
mee wat de gevolgen zijn als de verzekeraar het niet
aanvaardt en bovendien
in het wanbetalen persisteert: nadat de schuld tot zes
maandpremies
(per zorgverzekering) zal zijn opgelopen, zal hij,
totdat hij alle schulden
aan zijn zorgverzekeraar zal hebben voldaan, aan het CVZ
de hogere,
bestuursrechtelijke premie moeten betalen, welke premie
in principe in
opdracht van het CVZ op zijn periodieke inkomen zal
worden ingehouden
en aan het CVZ zal worden overgedragen. Voorts wijst de
zorgverzekeraar
in zijn aanbod op de mogelijkheid van
schuldhulpverlening. Dit zal vooral
een goede oplossing zijn indien de verzekeringnemer ook
bij anderen dan
de zorgverzekeraar schulden heeft.
De verzekeringnemer heeft vier weken om het aanbod te
aanvaarden. Laat hij in die vier weken niets van zich horen, dan
geldt het als verworpen.
Ten slotte nog het volgende. Een verzekeringnemer die
van mening is dat
zijn zorgverzekeraar hem het aanbod ten onrechte doet,
omdat hij helemaal
geen premieachterstand van twee maanden (per
zorgverzekering)
heeft, kan en zal dat aan zijn zorgverzekeraar melden.
Deze zal dan nagaan
of er een fout in de administratie is gemaakt. Zo niet,
dan zal de verzekeraar
de verzekeringnemer melden toch echt te weinig premie te
hebben
ontvangen. Blijft de verzekeringnemer van mening dat hij
wel voldoende
betaald heeft, dan zal hij een geschil hierover kunnen
voorleggen aan de
SKGZ of aan de burgerlijke rechter. Eén en ander zal al
ten algemene - dat wil zeggen voor welk verschil van mening dat iemand met een
zorgverzekeraar
kan hebben dan ook - in de zorgpolissen of de daarbij
behorende stukken
zijn verwoord. Het is aan de zorgverzekeraar of hij ter
gelegenheid van het
in dit artikel bedoelde aanbod expliciet op de hier
bedoelde betwistingsmogelijkheden
wenst te wijzen. Een reden om dat niet te doen, zou
kunnen zijn dat dit in geval van voortgaande wanbetaling
op grond van
het voorgestelde artikel 18b Zvw
in ieder geval dient te
geschieden nadat
de premieschuld tot vier maandpremies is opgelopen.
Vijfde lid
Indien een verzekeringnemer derden heeft verzekerd en
niet aan zijn
premieverplichtingen voldoet, zullen de zorgverzekeraars
de schuld evenredig
over alle zorgverzekeringen waarvoor premieplicht
bestaat,
verdelen. Het in dit artikel bedoelde aanbod volgt dan
zodra er per zorgverzekeraar
een achterstand van twee maandpremies is ontstaan. Heeft
een verzekeringnemer dus zowel zichzelf als twee
volwassen gezinsleden
verzekerd, dan krijgt hij het in artikel 18a
bedoelde
aanbod zodra hij in
totaal een schuld ter hoogte van zes maandpremies heeft.
Het vijfde lid
regelt dat in zo’n geval de gezinsleden een afschrift
wordt gezonden van
al hetgeen op grond van de eerdere leden van dit artikel
aan de
verzekeringnemer is verzonden. Aldus wordt de verzekerde
ervan op de
hoogte gesteld dat er ten aanzien van zijn
zorgverzekering een premieachterstand
is ontstaan. Hij kan er dan bij de verzekeringnemer op
aandringen de verschuldigde premies alsnog te voldoen
(en hem daar zo nodig de gelden voor ter beschikking te stellen) of
hij kan besluiten zelf
een zorgverzekering te sluiten, waarna de
oorspronkelijke verzekeringnemer
de voor hem gesloten verzekering kan opzeggen (derde
lid).
Artikel 18b, 18c,
18d, eerste
lid, en 18e, eerste
lid, Zvw
Wordt de betalingsregeling, bedoeld in
artikel
18a,
eerste en tweede lid,
niet geaccepteerd en gaat de verzekeringnemer ook uit
zichzelf niet alsnog
betalen, dan zal de premieschuld blijven groeien. Nadat
de premieschuld, rblz.|
34
de kosten van rente en incassokosten buiten beschouwing
latend, een
bedrag ter hoogte van zes maandpremies (per
zorgverzekering) heeft
bereikt, zal de zorgverzekeraar de zorgverzekering bij
het CVZ melden,
opdat deze van de verzekeringnemer de
bestuursrechtelijke premie kan
heffen (artikel18c, 18d
en 18e
Zvw).
De
premieachterstand kan ontstaan in zes maanden
indien de
verzekeringnemer in het geheel geen premie betaalt of
over een periode
van meer dan zes maanden indien hij althans nog zijn
premie gedeeltelijk
betaalt. Slechts niet-voldane premies voor de
zorgverzekering mogen bij
het beantwoorden van de vraag of de achterstand een
bedrag ter hoogte
van zes maandpremies heeft bereikt, meetellen. De rente
en de incassokosten
daarover, alsmede niet-voldane eigen betalingen en de
rente en
incassokosten daar weer over, blijven derhalve buiten
beschouwing. Is
eerder niet ingegaan op het aanbod, bedoeld in artikel 18a, derde lid, dan
zal de verzekeraar de totale premieachterstand delen
door het aantal door
de verzekeringnemer gesloten zorgverzekeringen waarvoor
premieplicht
bestaat. De verzekeringen zullen dan gemeld worden zodra
een achterstand
van zes maanden per verzekering bestaat.
De zorgverzekeraar vermeldt bij zijn melding die
persoonsgegevens van
de verzekeringnemer en van de verzekerde die voor het CVZ
noodzakelijk
zijn om de bestuursrechtelijke premie te kunnen heffen
en om verzekeraars
de bijdrage, bedoeld in het voorgestelde artikel
34a Zvw, te kunnen
verstrekken. Aangezien het CVZ noch voor de heffing,
noch voor de
verstrekking van deze bijdrage bijzondere
persoongegevens als bedoeld
in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens nodig heeft,
zullen de verzekeraars, voor zover zij überaupt al over
dergelijke gegevens
beschikken, deze niet bij de in artikel 18c, eerste lid,
bedoelde melding aan
het CVZ mogen leveren. Daar staat het
noodzakelijkheidsvereiste aan in
de weg. De melding geschiedt op basis van het
burgerservicenummer (artikel 86, vierde lid,
Zvw in verbinding met het
voorgestelde artikel 18c, eerste
en tweede lid, Zvw). De zorgverzekeraar verzendt een
afschrift van de
melding aan de verzekeringnemer en, indien dit een ander
is dan de
verzekeringnemer, aan de verzekerde. De verzekeringnemer
komt er aldus
van op de hoogte dat hij premieplichtig is geworden
jegens het CVZ in
plaats van jegens zijn zorgverzekeraar. Het belang van
de melding aan de
verzekerde ligt vooral in het feit dat zorgtoeslagen aan
verzekerden in
plaats van aan verzekeringnemers worden uitbetaald. In
een huishouden
kan dat de verzekerde zijn die door zijn - structureel
wanbetalende - partner verzekerd is. Ten gevolge van voorliggend
wetsvoorstel kan het
voorkomen dat de BD/T
in opdracht van het CVZ de
zorgtoeslag (als tegemoetkoming
in de bestuursrechtelijke premie) aan het CVZ in plaats
van
aan de verzekerde gaat overmaken.
Voorkomen moet worden dat het
CVZ bij het nemen van
beschikkingen tot
heffing van de bestuursrechtelijke premie telkens moet
onderzoeken of
ten aanzien van de betrokken zorgverzekering werkelijk
sprake is van een
premieachterstand van ten minste zes maandpremies. Het
CVZ beschikt
immers niet over de informatie om een oordeel te geven
over de vraag of
de verzekeringnemer werkelijk wanbetaler was, en zo ja,
of de premieschuld
inmiddels ten minste zes maanden bedraagt. Tevens moet
zoveel
mogelijk worden voorkomen dat het CVZ betrokken raakt in
geschillen
hierover. Dat is een zaak tussen verzekeringnemer en
verzekeraar. Daarom
is in het eerste lid van artikel 18d
Zvw
geregeld dat
de premieplicht
jegens het CVZ ontstaat met ingang van de eerste dag van
de maand
volgende op de maand waarin deze de melding van de
verzekeraar,
bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen. Vanaf dat
moment heft en int
het CVZ de bestuursrechtelijke premie (artikel 18e). Het
CVZ kan dus in rblz.|
35
principe afgaan op de melding van de verzekeraar en
hoeft niet te onderzoeken
of de gemelde verzekeringnemer werkelijk een structurele
wanbetaler
is.
De bescherming van de verzekeringnemer tegen ten
onrechte door zijn
verzekeraar gedane meldingen is opgenomen in de
artikelen 18b en 18c Zvw. De zorgverzekeraar mag de melding namelijk pas
verrichten indien
hij de verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan
de verzekeringnemer,
de verzekerde heeft gewaarschuwd dat hij van plan is bij
verder
oplopen van de premieschuld betrokkene aan te melden
voor het
bestuursrechtelijke regime en nadat hij, te rekenen
vanaf die waarschuwing,
betrokkenen een termijn van ten minste vier weken heeft
gegeven
om de juistheid van de melding te bewisten (dan wel,
uiteraard, om de
premieschuld en bijkomende kosten alsnog te voldoen).
Hoort de zorgverzekeraar binnen de door hem gestelde
termijn van ten
minste vier weken niets, dan mag hij ervan uitgaan dat
de verzekeringnemer c.q. de verzekerde de juistheid van het standpunt van de
zorgverzekeraar
niet betwist. Hij kan de zorgverzekering vervolgens,
nadat de
schuld daadwerkelijk tot zes maandpremies (per
zorgverzekering) is opgelopen,
bij het CVZ melden. Betwist de verzekeringnemer of de
verzekerde wél tijdig het bestaan van de schuld of de hoogte
ervan, dan zal de zorgverzekeraar
een heronderzoek van het betalingsgedrag moeten
verrichten.
Blijft hij vervolgens bij zijn standpunt dat sprake is
van een premieachterstand
die bovendien op afzienbare termijn een bedrag van zes
maandpremies heeft bereikt, dan zal hij dat aan de
verzekeringnemer (en,
als dat een ander is, de verzekerde) meedelen, onder de
melding dat hij,
nadat de premieschuld tot zes maanden (per
zorgverzekering) zal zijn
opgelopen, de zorgverzekering alsnog bij het CVZ zal
melden, tenzij
binnen vier weken een geschil aan de SKGZ of aan de
burgerlijke rechter
is voorgelegd. Gebeurt dat vervolgens inderdaad tijdig,
dan gaat de zorgverzekeraar
pas tot melding aan het CVZ over nadat de
verzekeringnemer
of verzekerde onherroepelijk in het ongelijk is gesteld
(of zich alsnog bij
het (bijna) zijn van structurele wanbetaler neerlegt).
Gebeurt dat niet, dan
kan de zorgverzekeraar ervan uitgaan dat de
verzekeringnemer of de
verzekerde zich bij het resultaat van zijn heroverweging
neerlegt en de
zorgverzekering derhalve bij het CVZ melden nadat de
premieschuld tot
zes maandpremies is opgelopen.
Kortom, de zorgverzekeraar mag een zorgverzekering pas
melden nadat
de premieschuld (exclusief rente en incassokosten) voor
die verzekering
tot een bedrag ter hoogte van zes maandpremies is
opgelopen, de mededeling
bedoeld in artikel 18b is gedaan en:
- een termijn van vier weken om hierover bij de
zorgverzekeraar in het
geweer te komen ongebruikt is verlopen; of
- tijdig bij de zorgverzekeraar is geprotesteerd en
de zaak niet binnen
vier weken nadat de zorgverzekeraar na heroverweging de
mededeling
heeft verzonden dat hij bij de juistheid van zijn
mededeling blijft, aan
de SKGZ of de burgerlijke rechter is voorgelegd; of
- na een onherroepelijke beslissing indien de zaak
tijdig aan de SKGZ of
de burgerlijke rechter is voorgelegd.
Heeft een verzekeringnemer of verzekerde reeds naar
aanleiding van het
aanbod, bedoeld in artikel 18a Zvw, het bestaan van de
premieschuld of
de (toenmalige) hoogte ervan betwist, dan geldt dat,
tenzij er inmiddels
een voor hem negatief uitvallende herbeoordeling heeft
plaatsgevonden,
overigens tevens als betwisting van de vierdemaandswaarschuwing. Dat
volgt uit de redactie van artikel 18b, eerste lid, dat
zegt dat de verzekeringnemer
of de verzekerde de verzekeraar uiterlijk vier weken na
ontvangst
van de vierdemaandsmelding moet laten weten dat hij het
bestaan of de rblz.|
36
hoogte van de schuld betwist. Die formulering laat de
mogelijkheid open
dat dergelijke betwisting reeds vóór ontvangst van de
vierdemaandsmelding
(bijvoorbeeld naar aanleiding van het tweedemaandsaanbod)
heeft plaatsgevonden. Aldus wordt voorkomen dat een
verzekeringnemer
of verzekerde die zijn zorgverzekeraar al direct na het
tweedemaandsaanbod
heeft laten weten dat er volgens hem helemaal geen
premieachterstand
is en die daarop nog geen reactie heeft ontvangen, dat
nog
eens moet doen naar aanleiding van de vierdemaandsmelding.
Betrokkene blijft tot het moment van melding bij het
CVZ in het privaatrechtelijke premieregime. Dat wil zeggen: hij blijft nominale premie
verschuldigd aan zijn zorgverzekeraar. De
zorgverzekeraar komt ingevolge
het voorgestelde artikel 34a Zvw
pas voor een
financiële bijdrage in
aanmerking zodra het bestuursrechtelijke premieregime
gaat gelden (met
dien verstande dat de bijdrage wel met terugwerkende
kracht zal kunnen
worden verstrekt, zie hierna).
Voor de hierboven beschreven systematiek is allereerst
gekozen met het
oog op de rechtsbescherming van de verzekeringnemer.
Voorkomen moet worden dat hij ten onrechte voor het
bestuursrechtelijke regime wordt
aangemeld, nu de bestuursrechtelijke premie hoger is dan
de hoogste
nominale premie en deze bovendien zo mogelijk direct op
het inkomen
wordt ingehouden (wat de bestedingsvrijheid van de
verzekeringnemer
beperkt). Daarnaast is hiervoor gekozen om te voorkomen
dat het CVZ alsnog in geschillen over het al dan niet werkelijk zijn
van structurele
wanbetaler wordt betrokken. Zou het CVZ ook van die
verzekeringnemers
een bestuursrechtelijke premie moeten gaan heffen die
op het moment
van aanmelding over de juistheid van die aanmelding een
procedure bij
(heroverweging) of tegen (SKGZ, civiele rechter) de
verzekeraar hebben
lopen, dan ontstaat er een groot risico dat het CVZ
alsnog veelvuldig
betrokken raakt in geschillen over de juistheid van het
zijn van structurele
wanbetaler. Dat wenst het kabinet om bovengenoemde
redenen te voorkomen.
Voorts leidt de gekozen systematiek ertoe dat de
zorgverzekeraar
een prikkel krijgt om verzekeringnemers die hun premie
niet hebben
betaald zo snel mogelijk nadat de premieschuld vier
maandpremies heeft
bereikt te waarschuwen, om naar aanleiding daarvan
tijdig ontvangen
betwistingen (betrokkene stelt geen wanbetaler te zijn
of een lagere
schuld te hebben dan zijn zorgverzekeraar aanneemt) snel
af te doen en
om de SKGZ dan wel de civiele rechter snel de stukken
ter beschikking te
stellen op grond waarvan deze kan beoordelen of er wel
of niet sprake is
van wanbetaling.
Men kan zich afvragen of het gekozen systeem niet teveel
uitlokt dat
wanbetalers die wel degelijk - tenzij zij hun
betalingsgedrag veranderen - op korte termijn structurele wanbetalers zullen worden,
de voorgenomen
melding aan het CVZ
in grote getalen zullen aanvechten
en de procedure
zo lang mogelijk zullen rekken. Immers, de
bestuursrechtelijke premie is
hoger dan de nominale premie en wanbetalers die naar
aanleiding van de
waarschuwing van hun verzekeraars tijdig protesteren,
kunnen pas voor
het bestuursrechtelijke regime worden aangemeld indien
onherroepelijk
vaststaat dat zij inderdaad wanbetaler zijn en dat zij
inderdaad op korte
termijn een premieachterstand van zes maanden zullen
hebben (of, waarschijnlijker
in dit geval: dat deze achterstand inmiddels al hoger is
geworden). Met een procedure voor de civiele rechter, en
daarna hoger
beroep, zou men de aanmelding bij het CVZ jaren kunnen traineren.
Inderdaad valt dit niet geheel uit te sluiten. Het
alternatief, te weten dat
een zorgverzekeraar een verzekeringnemer die volgens
zijn administratie
wanbetaler is, mag melden zodra volgens die administratie
een premieachterstand
van zes maanden is bereikt, óók als op dat moment nog
een
procedure loopt waarin de verzekeringnemer dit betwist,
zou echter leiden rblz.|
37
tot een te beperkte rechtsbescherming van de
verzekeringnemer, alsmede
tot het hierboven beschreven risico dat het CVZ te vaak
in zaken over het
al dan niet zijn van structurele wanbetaler wordt
betrokken. Bovendien
zou daarmee de in de vorige alinea beschreven prikkel
voor de zorgverzekeraar
om gevallen waarin de verzekeringnemer de voorgenomen
melding tijdig betwist zo snel mogelijk af te handelen,
verminderen.
Alles tegen elkaar afwegend, is besloten te regelen dat
de melding, indien
door de verzekeringnemer tijdig betwist, pas mag worden
gedaan nadat
de verzekeringnemer onherroepelijk in het ongelijk is
gesteld en dat deze
niet terugwerkt. Daarbij is in aanmerking genomen dat de
verzekeringnemer
over deze periode in ieder geval wel de nominale premie
jegens
zijn zorgverzekeraar verschuldigd blijft.
Zorgverzekeraars Nederland (ZN)
en de SKGZ zouden bovendien de procedure voor de
geschillencommissie
zo kunnen inrichten dat eerderbedoelde procedures zo
snel mogelijk
worden afgedaan.
Er zal gemonitord worden hoe de gekozen systematiek in
de praktijk
werkt. Mocht blijken dat wanbetalers de hun geboden
rechtsbescherming
op enige schaal in bovenbedoelde zin misbruiken, dan zal
de systematiek
worden aangepast.
Om te voorkomen dat de zorgverzekeraars onevenredig
nadeel ondervinden
van het feit dat het bestuursrechtelijk regime voor die wanbetalers
die tijdig maar naar later blijkt ten onrechte tegen een
voorgenomen
melding opkomen later ingaat dan de maand volgende op
de maand
waarin een premieachterstand van zes maanden is bereikt,
zullen de zorgverzekeraars
met terugwerkende kracht (tot en met de datum waarop de
premieachterstand zes maanden bedroeg) een bijdrage
krijgen indien het
niet aan hen te wijten is dat de mededeling aan het CVZ
uiteindelijk later
dan die datum is verricht. Immers, de wanbetaler is
gedurende de looptijd
van de procedure weliswaar nominale premie aan de
zorgverzekeraar
verschuldigd gebleven, maar zal deze, gezien het feit
dat het naar later
blijkt inderdaad om een wanbetaler gaat, vaak niet
hebben betaald.
Voor zorgverzekeraars die de premie over
maand t niet
voorafgaande aan
die maand, maar in die maand heffen, kunnen de in
artikel 18a geregelde
termijnen ertoe leiden dat de daar bedoelde
betalingsregeling pas met
ingang van de eerste dag van de vijfde maand ingaat. In
dat geval zal de
eerste premietermijn die automatisch geïncasseerd kan
worden (of die de
werkgever, enz., in opdracht van de verzekeringnemer naar
de zorgverzekeraar overmaakt) die over de vijfde maand zijn. Zonder nadere
bepaling zou dat betekenen dat deze verzekeraars ook
aan mensen die de
betalingsregeling accepteren steeds de in artikel 18b,
eerste lid, bedoelde
mededeling moeten verzenden. Niet alleen is dat, ervan
uitgaande dat de
verzekeringnemer de betalingsregeling blijft nakomen,
zinloos (er zal
immers geen premieachterstand van zes maanden worden
bereikt), maar
ook zou dat bij de verzekeringnemer tot verwarring
leiden. Daarom is in
het derde lid van artikel 18b
bepaald dat de in het
eerste lid van dat artikel
bedoelde melding niet verzonden dient te worden als de betalingsregeling
is
geaccepteerd, althans zolang, vanaf de ingangsdatum van
die regeling, de
nieuwe premietermijnen worden betaald.
Artikel 18d Zvw
Eerste lid
Nadat een verzekeraar de melding, bedoeld in
artikel
18c, heeft verricht,
zal het CVZ de verzekeringnemer een beschikking zenden
waarin staat dat
en vanaf wanneer deze de bestuursrechtelijke premie
verschuldigd is en, rblz.|
38
indien hij ook anderen heeft verzekerd, voor welke
verzekeringen, hoe
hoog deze is en hoe het CVZ deze zal innen. Aangezien
er voldoende
civielrechtelijke rechtsbescherming tegen een onterechte
melding door
een zorgverzekeraar bij het CVZ is (zie de artikelen 18b
en 18c), is het
onwenselijk om daarnaast voor die verzekeringnemers die
van mening
zijn dat zij geen premieachterstand van zes maanden
hebben en dus
buiten het bestuursrechtelijke regime zouden moeten
worden gehouden,
nog bestuursrechtelijke rechtsbescherming te regelen.
Hetzelfde geldt
overigens voor de vaststelling van de hoogte van de
bestuursrechtelijke
premie. Deze premie wordt immers voor alle structurele
wanbetalers
gefixeerd op 130% van de standaardpremie. Het CVZ heeft
hier geen
beleidsvrijheid. Om die redenen wordt voorgesteld die
onderdelen van de
beschikking waarmee het CVZ de bestuursrechtelijke
premie heft en int,
die zien op de vaststelling dat iemand die premie
verschuldigd is, vanaf
wanneer dat het geval is, alsmede de hoogte daarvan, uit
te zonderen van
de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Dit wordt
geregeld in artikel III.
Eén en ander betekent overigens niet dat het
CVZ in alle
gevallen blindelings
op de juistheid van de meldingen van de zorgverzekeraar
af kan
gaan. Het CVZ zal wel in een marginale toetsing moeten
voorzien. Aldus
kan bij evident onjuiste meldingen (bijvoorbeeld
aanmelding van een kind
van 12 jaar) oplegging van de bestuursrechtelijke
premie worden
voorkomen doordat het CVZ contact opneemt met de
verzekeraar en hem
vraagt zijn melding teniet te doen. Daarnaast zal het
CVZ de zaak aan de
zorgverzekeraar terugzenden en dus niet tot heffing van
de bestuursrechtelijke
premie overgaan indien de verklaring, bedoeld in artikel 18c,
derde lid, ontbreekt. In dat geval is immers niet
duidelijk of de verzekeraar
de verzekeringnemer en, indien dit andere personen zijn,
de verzekerden
voor de melding heeft gewaarschuwd en hen voldoende
gelegenheid
heeft gegeven het bestaan van de premieachterstand of
de hoogte ervan
te betwisten.
Het
CVZ zal echter niet hoeven in te gaan op klachten
van verzekeringnemers
die eerder hadden kunnen klagen bij hun verzekeraar, de
SKGZ of
de civiele rechter, maar die toen hun beurt voorbij
hebben laten gaan of
onherroepelijk in het ongelijk zijn gesteld.
Tweede lid
De bestuursrechtelijke premie dient zo hoog te
zijn dat
het voor de
verzekeringnemer aantrekkelijk is om buiten het
bestuursrechtelijke premieregime te blijven, dat wil zeggen zijn schulden
aan de zorgverzekeraar
te voldoen voordat deze tot de melding, bedoeld in het
eerste
lid, overgaat. Dat betekent dat de bestuursrechtelijke
premie hoger moet
zijn dan de nominale premie bij de duurste
zorgverzekeraar. Dit wordt
bereikt door de bestuursrechtelijke premie te stellen op
130% van de
standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag
(Wzt). De
standaardpremie in de zin van de Wzt is te zien als het
bedrag dat de
overheid een redelijk bedrag voor een zorgverzekering
vindt. (De zorgtoeslag
bedraagt dan ook de standaardpremie minus de normpremie,
waarbij de normpremie gelijk is aan het bedrag dat de
verzekerde, gezien
zijn inkomen en dat van zijn eventuele partner, zelf
voor een zorgverzekering
geacht wordt te kunnen betalen). Bij het bepalen van het
percentage is aangesloten bij het boetepercentage dat
geldt indien
iemand zich te laat verzekert (artikel 96 Zvw) dan wel zich
te laat als
verdragsgerechtigde meldt (artikel 69 Zvw). De reden
daarvoor was dat enerzijds
130% van de standaardpremie op een hoger bedrag uitkomt
dan de
hoogste werkelijke nominale premie (hetgeen wenselijk
is, zie boven),
anderzijds dat er voor het overige geen goede argumenten
zijn om een
ander percentage (bijvoorbeeld 150) te hanteren dan
geldt voor het zich te rblz.|
39
laat verzekeren of het zich te laat als
verdragsverzekerde aan te melden.
Integendeel, een behoorlijk verschil tussen de hoogte
van de boete enerzijds
en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie
anderzijds zou ertoe
leiden dat mensen die zich eigenlijk niet willen
verzekeren een ongewenste
afweging gaan maken tussen het zich niet verzekeren of
het zich
wel verzekeren maar de premie niet betalen. Het feit dat
voor de bestuursrechtelijke
premie een zelfde percentage is gekozen als voor de
boete bij
te laat verzekeren of het zich te laat als
verdragsverzekerde aanmelden,
laat overigens onverlet dat de bestuursrechtelijke
premie geen boete is.
Derde lid
De plicht om bestuursrechtelijke premie te betalen,
eindigt (artikel 18d, eerste
lid, Zvw) en de plicht om weer nominale premie aan de
zorgverzekeraar te
betalen herleeft (artikel 16 Zvw) met ingang van de eerste
dag van de maand
volgende op de maand waarin:
a. de schuld die ter zake van de zorgverzekering bestaat
volledig is
voldaan of waarin deze schuld tenietgaat;
b. de rechter de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen als
bedoeld in de Faillissementswet
op de verzekeringnemer
van toepassing
heeft verklaard; of
c. de verzekeringnemer gaat deelnemen aan een
minnelijke, door tussenkomst
van een professionele schuldhulpverlener tot stand
gekomen schuld(sanerings)regeling, waaraan ten minste ook zijn
zorgverzekeraar
deelneemt.
Onderdeel a
Wat betreft het tenietgaan kan worden gedacht aan
gevallen waarin de
verzekeringnemer en zijn zorgverzekeraar een schikking
of een
afbetalingsregeling hebben getroffen en de
verzekeringnemer het in de
schikking overeengekomen bedrag heeft betaald
respectievelijk het overeengekomen
bedrag heeft afbetaald. Ook kan gedacht worden aan de
situatie waarin de verzekeringnemer na een aantal jaren
schuldhulpverlening
schuldenvrij wordt verklaard.
Het gaat bij het einde van het bestuursrechtelijke
regime wegens aflossen
of tenietgaan van de schulden overigens niet alleen om
aflossen of tenietgaan
van de premieschulden die voorafgaande aan de ingang van
het
bestuursrechtelijke regime waren ontstaan, maar om de
aflossing van alle
schulden die ten aanzien van de zorgverzekering (maar
dus niet ten
aanzien van aanvullende verzekeringen) jegens de
verzekeraar zijn opgebouwd.
Dus bijvoorbeeld ook om een schuld ten aanzien van de
rente en
door de verzekeraar gemaakte incassokosten op de
premieschuld of een
schuld wegens niet voldane eigen betalingen (waaronder
onder het
verplicht of onder een vrijwillig eigen risico vallende
betalingen), de rente
daarover en de incassokosten daarvan. Aldus zal de
verzekeringnemer
weer met een "schone lei" bij de zorgverzekeraar
beginnen, terwijl deze
op zijn beurt niet met openstaande vorderingen blijft
zitten. Voorts
speelde bij deze keuze een rol dat de artikelen 6:43 en
6:44 van het BW
anders tot ingewikkelde, aan de zorgverzekeraars
gerichte, toerekeningsregels
zouden nopen. Dat past niet goed bij een Zvw die
verzekeraars,
zeker wat betreft administratieve procedures, zoveel
mogelijk beleidsvrijheid
wil laten.
Ingevolge artikel 6:44 van het BW
is de zorgverzekeraar
overigens
bevoegd van de verzekeringnemer binnenkomende gelden
eerst in mindering
te brengen op de incassokosten, dan op opeisbare rente
en pas
daarna op de premieschuld (en de lopende rente).
rblz.|
40
Vanaf de eerste dag van de maand volgende op de dag
waarop dat
volgens een afmelding van de verzekeraar het geval is,
gaat de plicht de
nominale premie aan de verzekeraar te betalen weer
lopen (artikel 18d,
eerste lid, juncto artikel 16, tweede lid, onderdeel
b, Zvw). In het Besluit
zorgverzekering zal bovendien worden bepaald dat vanaf
dat moment de
zorgverzekeraar geen recht meer heeft op de financiële
bijdrage. De zorgverzekeraar
dient het CVZ, de verzekeringnemer en, als deze een
ander is
dan de verzekeringnemer, de verzekerde de dag waarop de
schuld is afgelost
te melden. Net als bij de aanmelding geldt, kan het CVZ
ervan uitgaan
dat de afmelding juist is, zij het dat de afmelding,
anders dan de melding, zo nodig terugwerkt tot en met de in de afmelding
genoemde datum. De
reden hiervoor is dat de zorgverzekeraar er - gezien
de groep waar het om
gaat - om goede reden toe kan besluiten de afmelding
pas te doen nadat
hij zich ervan heeft vergewist dat de schuld aan hem ook
daadwerkelijk
volledig is voldaan.
Indien een verzekeringnemer of verzekerde van mening is
dat zijn zorgverzekeraar
hem ten onrechte (nog) niet bij het CVZ heeft afgemeld
of
meent zijn schuld eerder te hebben afgelost dan in de
afmelding is
vermeld, dient hij zijn zorgverzekeraar en niet het CVZ
daar op aan te
spreken. Het CVZ heeft immers geen inzicht in de totale
omvang van de
privaatrechtelijke zorgverzekeringsschulden, noch ook in
de vraag of en
met ingang van welke datum deze geheel zijn gedelgd. Ook
hier kan de
verzekeringnemer of de verzekerde weer na een interne
procedure bij de
zorgverzekeraar een geschil bij de SKGZ of een procedure
bij de civiele
rechter instellen. Krijgt hij gelijk en is er nog geen
afmelding, dan zal hij
alsnog door zijn zorgverzekeraar bij het CVZ moeten
worden afgemeld,
waarbij de in deze melding te noemen datum de dag zal
moeten zijn
waarop de verzekeringnemer zijn schulden jegens zijn
verzekeraar had
voldaan of deze schulden zijn tenietgegaan. Onder
omstandigheden kan
dit ertoe leiden dat het CVZ over een aanzienlijke
periode reeds geïnde
bestuursrechtelijke premie aan de verzekeringnemer zal
moeten terugbetalen,
dat over dezelfde periode de in het voorgestelde artikel
34a Zvw
bedoelde bijdrage aan de verzekeraar zal moeten worden
teruggevorderd
(in de praktijk zal overigens verrekend worden) en dat
de verzekeraar over
die periode alsnog van de verzekerde nominale premie zal
moeten
vragen. Met name dit laatste zal de verzekeraar een
prikkel geven
verzekeringnemers die niet meer in het
bestuursrechtelijke regime thuishoren
zo snel mogelijk bij het CVZ te melden. Overigens kan
een
verzekeringnemer in dit geval het CVZ vragen de aan hem
terug te betalen
bestuursrechtelijke premie tot aan het bedrag dat de
zorgverzekeraar van
hem tegoed heeft, ter voldoening van zijn
privaatrechtelijke premieschuld
aan de zorgverzekeraar over te maken (en de rest aan
hem). Aldus komt
de verzekeringnemer minder snel in de verleiding het van
het CVZ terug te
ontvangen geld geheel aan iets anders te besteden en
zijn nieuwe schuld
aan zijn zorgverzekeraar niet te voldoen (wat hem
vervolgens weer in het
bestuursrechtelijke regime zou kunnen doen belanden).
Vervoegt een verzekeringnemer of verzekerde zich bij het
CVZ met het
verzoek de heffing van de bestuursrechtelijke premie
stop te zetten omdat
de schuld aan de zorgverzekeraar geheel voldaan is, dan
kan het CVZ in
geval van ontbreken van de afmelding door de
zorgverzekeraar dit
verzoek zonder onderzoek afwijzen en betrokkene naar de
zorgverzekeraar
doorverwijzen. Slechts indien de verzekeringnemer of
verzekerde (of een
nabestaande) aantoont dat de verzekeraar evident onjuist
heeft gehandeld
door niet af te melden, zal het CVZ indien een marginale
toets aan de
juistheid van het uitblijven van een afmelding of van de
in een afmelding
genoemde datum doet twijfelen, contact dienen op te
nemen met de
verzekeraar. Het zal echter niet gemakkelijk zijn om bij
het CVZ aan te
tonen dat ten onrechte niet is afgemeld. Overlegging - aan het CVZ - van
rblz.|
41
acceptgiro’s waaruit blijkt dat een bepaald bedrag aan
de zorgverzekeraar
is betaald, volstaat niet. Dat een bepaald bedrag is
afbetaald, wil immers
niet zeggen dat de gehele zorgverzekeringsschuld aan de
zorgverzekeraar - waarvan de hoogte bij het CVZ niet bekend is -
is
afbetaald. Het voorgaande
geldt mutatis mutandis ook als er weliswaar een
afmelding is,
maar de verzekeringnemer of verzekerde stellen dat deze
in een eerdere
maand gedaan had moeten worden. Kortom, het is
verstandiger hierover
met de zorgverzekeraar in discussie te gaan.
Omdat ook hier voldoende rechtsbescherming aan de
civielrechtelijke
kant bestaat en het CVZ niet in staat is om na te gaan
of ten onrechte niet
of te laat is afgemeld, is in artikel III van
dit
wetsvoorstel geregeld dat
tegen beschikkingen van het CVZ over het einde van de
heffing van de
bestuurlijke premie geen administratieve rechtsgang en
daarmee ook
geen bezwaar openstaat.
Onderdeel b
Op grond van titel III van de
Faillissementswet
kan de
rechter op verzoek
van een schuldenaar de zogenoemde "schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen" op een schuldenaar van toepassing verklaren.
Deze regeling
duurt drie tot vijf jaar, gedurende welke een door de
rechter aangewezen
bewindvoerder uit de periodieke inkomsten van de
schuldenaar
alsmede, indien aanwezig, uit de opbrengst van de
verkoop van zijn bezittingen,
de opkomende periodieke verplichtingen van de
schuldenaar,
alsmede zijn bestaande schulden, zoveel mogelijk voldoet.
Gedurende
deze periode dient de schuldenaar voor zijn
levensbehoeften genoegen te
nemen met het sociaal minimum. Schuldeisers kunnen
worden verplicht
hun schulden in deze regeling in te brengen. Nadat de
schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen regulier is beëindigd, is de
schuldenaar
schuldenvrij, zelfs als niet alle schulden zijn
afbetaald.
Om structurele wanbetalers wier schulden zo hoog zijn
opgelopen dat
aflossing van de schulden aan de zorgverzekeraar niet te
verwachten valt,
toch perspectief te geven op het einde van het
bestuursrechtelijke regime,
wordt in onderdeel b (juncto het eerste lid) bepaald dat
dat regime eindigt
met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
hierboven
beschreven schuldsaneringsregeling ingaat. Vanaf dat
moment wordt de
verzekeringnemer derhalve weer nominale premie aan zijn
zorgverzekeraar
verschuldigd. De bewindvoerder zal er gedurende de
looptijd
van de regeling voor zorgen dat opkomende premies worden
voldaan,
zodat de zorgverzekeraar in ieder geval enkele jaren van
premiebetaling
verzekerd is. Daarnaast heeft hij perspectief op
aflossing van een deel van
de schuld die reeds bij hem was opgebouwd voordat de
toepassing van
de regeling werd uitgesproken.
Onderdeel c
Een structurele wanbetaler kan ook besluiten het niet zo
ver als een rechterlijk
vonnis tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke
personen te laten komen en zelf een (derhalve:
minnelijke) schuldsanerings- of afbetalingsregeling met zijn
schuldeisers overeen te
komen. Dergelijk initiatief valt te prijzen en ook
wanbetalers die zo’n
regeling met hun zorgverzekeraar en eventuele andere
schuldeisers
afspreken, dient het perspectief op het einde van het
bestuursrechtelijke regime te worden geboden. Wel dient daarbij dan enige
zekerheid te
bestaan dat de met de zorgverzekeraar afgesproken
afbetalingsregeling
van de opgebouwde schulden wordt nagekomen en bovendien
dat de
verzekeringnemer zijn alsdan weer opkomende
zorgverzekeringspremies
aan de zorgverzekeraar voldoet. Anders zou een
kwaadwillende rblz.|
42
verzekeringnemer zich eenvoudig aan het
bestuursrechtelijke premieregime
kunnen onttrekken door een afbetalingsafspraak met de
verzekeraar
te maken en zich daar vervolgens onmiddellijk niet aan
te houden of
al de eerste opkomende premie weer niet aan zijn
verzekeraar te betalen.
Met het oog hierop is bepaald dat alleen een minnelijke
schuldregeling
die door tussenkomst van een (professionele)
schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet tot stand is gekomen aanleiding kan zijn voor het einde van het
bestuursrechtelijke
systeem. De schuldhulpverlener zal er doorgaans voor zorgen dat de
opkomende premies worden voldaan en de afspraken over
de afbetaling
van de schulden worden nagekomen. Aan de minnelijke
schuldregeling
dient uiteraard in ieder geval de zorgverzekeraar deel
te nemen.
Vierde lid
Op grond van
artikel
18d, derde lid, kan een structurele
wanbetaler niet
alleen uit het bestuursrechtelijke premieregime komen
als hij al zijn uit de
zorgverzekering voortvloeiende schulden jegens zijn
zorgverzekeraar heeft
voldaan, dan wel deze schulden tenietgegaan zijn (derde
lid, onderdeel a),
maar ook als er alleen nog maar een vooruitzicht op
(gedeeltelijke) afbetaling
is (derde lid, onderdeel b en c). Weliswaar bevatten
laatstgenoemde
onderdelen voorwaarden die erop gericht zijn dat er ook
daadwerkelijk
volgens de afspraken (derhalve mogelijk slechts
gedeeltelijk) afbetaald
wordt (en dat bovendien de nieuw opkomende premies aan
de zorgverzekeraar
worden voldaan), maar een garantie daarop geven die
voorwaarden
niet. Dat blijkt ook wel uit het feit dat de rechter een
opgelegde
schuldsaneringsregeling soms moet beëindigen om reden
van (dreigende)
onvoldoende medewerking van de schuldenaar ¹ (zie artikel 350,
eerste lid en derde lid, onderdeel c tot en met g, van
de Faillissementswet
(Fw)) en uit het feit dat de uitvoering van een minnelijke schuld(sanerings)regeling regelmatig om deze reden moet worden
stopgezet.
Het is uiteraard de bedoeling dat zo’n schuldenaar zo
snel mogelijk weer
in het bestuursrechtelijke premieregime terechtkomt. Het
vierde lid van
artikel 18d bewerkstelligt dit. Aangezien in het geval,
bedoeld in het vierde
lid, onderdeel a, sprake is van een beëindigingsvonnis
van de rechtbank,
waartegen de schuldenaar zo nodig in hoger beroep kan
komen (artikel 351 Fw), is het niet nodig ook nog bij het
CVZ
(bestuursrechtelijke) rechtsbescherming
te regelen tegen het feit dat betrokkene opnieuw in het
bestuursrechtelijke premieregime terechtkomt (zie dan
ook artikel III). Ook
tegen het wederom van toepassing worden van het
bestuursrechtelijke
premieregime op basis van een mededeling van een zorgverzekeraar dat
de schuldenaar zich aan de afspraken van een minnelijke
regeling heeft
onttrokken, is geen rechtsbescherming bij het CVZ
mogelijk (zie artikel III).
De bescherming van de verzekeringnemer tegen een
onterechte wederaanmelding
van de zorgverzekeraar (dat wil zeggen: de
verzekeringnemer
stelt zich jegens zijn zorgverzekeraar op het standpunt
dat hij wel degelijk
aan de overeengekomen betalingsafspraken heeft voldaan
en nog steeds voldoet) wordt hier gevonden in het feit dat de
schuldhulpverlener deze
melding mede moet ondertekenen.
1. Voorbeelden: de schuldenaar zegt zijn baan
op, zodat de bron van waaruit de bewindvoerder
de schulden kan voldoen, opdroogt,
of de schuldenaar blijft dure dingen kopen,
waardoor hij steeds nieuwe schulden maakt.
Ten slotte
Na afmelding zal de naam van de verzekeringnemer worden
verwijderd
uit het zorgverzekeraarsregister van personen met
betalingsachterstand.
Immers, betrokkene heeft al zijn schulden aan zijn
zorgverzekeraar voldaan.
rblz.|
43
Artikel 18e Zvw
Eerste lid
Het eerste lid van artikel
18b bepaalt dat het CVZ
de
bestuursrechtelijke premie heft en int. Dit geschiedt bij de
verzekeringnemer. Het CVZ brengt hiertoe een beschikking aan de verzekeringnemer
uit
waarin staat dat bestuursrechtelijke premie wordt geheven, hoe hoog deze
is en, indien de verzekeringnemer meerdere verzekerden heeft verzekerd,
voor welke verzekeringen de bestuursrechtelijke premie wordt
geheven. Tegen het feit dat voor een
zorgverzekering vanaf een bepaalde datum de bestuursrechtelijke premie wordt opgelegd
- wat in wezen wil zeggen dat
er sprake is van structurele wanbetaling - kan jegens het
CVZ geen bezwaar of beroep worden ingesteld (zie artikel
III). Een
verzekeringnemer die van mening is dat zijn zorgverzekering(en) ten onrechte bij
het CVZ is (zijn) gemeld, had daarover immers bij zijn verzekeraar en
vervolgens bij de SKGZ of de burgerlijke rechter in het geweer kunnen
komen (zie de toelichting op de artikelen 18b
en 18c). Tegen de hoogte van
de bestuursrechtelijke premie kan ook niet worden opgekomen, nu deze bij
de wet
gefixeerd is op 130% van de standaardpremie Wzt
per
aangemelde zorgverzekering en het CVZ derhalve in dezen geen beleidsvrijheid heeft.
Tweede lid
Het CVZ
wordt in het eerste lid niet alleen belast met
de heffing van de bestuursrechtelijke premie, maar ook met de inning
daarvan. Doorgaans bestaat de inning uit het verrichten van feitelijke
handelingen die erop gericht zijn de geheven premie ook daadwerkelijk binnen
te krijgen. De meest gebruikelijke inningswijze is verzending van een
acceptgiro of automatische incasso nadat de schuldenaar daartoe een
machtiging heeft afgegeven. Op grond van het tweede lid krijgt het CVZ
echter daarnaast de bevoegdheid de bestuursrechtelijke premie (mede) door
inhoudingsplichtigen te laten innen, door deze de opdracht te geven de premie
of een door het CVZ aan te geven deel daarvan op het loon in de
zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 te laten inhouden en aan zich
te laten afdragen. Dit wordt in het kader van voorliggend wetsvoorstel ook
wel "broninhouding" genoemd. Het zal hierbij vooral gaan om inhouding op
het loon (inhouding en afdracht door werkgevers), op
uitkeringen ingevolge de sociale zekerheid (inhouding en afdracht door uitkeringsinstanties) of
op aanvullende pensioenen (inhouding en afdracht door
pensioenfondsen).
Voorkomen moet worden dat verzekeringnemers met een
periodiek inkomen tot net boven het voor hun gezin geldende sociaal
minimum, ten gevolge van de bronheffing beneden dat minimum geraken.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het voorgestelde artikel
18f,
vierde lid, Zvw, zal worden geregeld dat het CVZ
in dergelijke gevallen - voor zover zij voor het CVZ traceerbaar zijn - slechts maximaal 100% van
de standaardpremie laat inhouden en dat het CVZ ook de zorgtoeslag niet
naar zich zal laten overmaken (zie voor het overmaken van de zorgtoeslag de
toelichting op het vijfde lid). Het sociaal minimum wordt immers zo
vastgesteld dat iedereen uit zijn loon of uitkering, in combinatie met
de zorgtoeslag, ten minste de standaardpremie moet kunnen betalen. Het
verschil tussen de bestuursrechtelijke premie en het ingehouden bedrag zal
het CVZ (doorgaans 30% van de standaardpremie) dan op andere manier
proberen te innen, bijvoorbeeld door deze bedragen over een aantal
maanden te laten cumuleren en daarvoor vervolgens een acceptgiro te
sturen, met de mogelijkheid van dwangbevel en beslag na aanmaning.
rblz.|
44
Derde lid
Doorgaans worden op loon in de zin van de
Wet op de
loonbelasting 1964 loonbelasting, premies sociale verzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw ingehouden en aan de
belastingdienst afgedragen. Vervolgens worden veelal ook andere uit een (collectieve)
arbeidsovereenkomst voortvloeiende premies afgedragen, zoals voor
aanvullende pensioenen en bovenwettelijke uitkeringen. De bestuursrechtelijke
premie zal op het loon, de uitkering of het aanvullende pensioen moeten
worden ingehouden nadat daarvan de bedragen zijn ingehouden die een
werkgever op grond van een wettelijk voorschrift of een (collectieve)
arbeidsovereenkomst dient in te houden. Zou ervoor zijn gekozen de
bestuursrechtelijke premie na de loonbelasting, de premies sociale
verzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, maar vóór de premies aanvullende
pensioenen en aanvullende verzekeringen te laten innen
(waar op zich wel wat voor zou zijn te zeggen, nu de bestuursrechtelijke
premie een premie voor een sociale verzekering is), dan zou dat betekenen
dat werkgevers hun loonadministraties moeten aanpassen. Gezien het naar
verwachting relatief kleine aantal structurele wanbetalers per
werkgever, zou dat voor werkgevers tot een disproportionele belasting leiden.
De bestuursrechtelijke premie zal derhalve moeten worden
ingehouden op wat in het spraakgebruik het nettoloon, de
netto-uitkering of het nettopensioen wordt genoemd. De bestuursrechtelijke premie zal wel als eerste
op dit netto-inkomen worden ingehouden. Het
socialeverzekeringskarakter van de zorgverzekering rechtvaardigt dit. De inhouding
geschiedt dus vóór vorderingen die derden op het nettoloon kunnen
hebben. Daarbij kan gedacht worden aan een maandelijkse afdracht aan een
personeelsvereniging of de bedrijfsfitnessclub (tenzij dit in de
arbeidsovereenkomst is opgenomen), maar óók aan bedragen die ingevolge een
beslag van derden (waaronder de belastingdienst, bijvoorbeeld
wegens een niet-voldane aanslag inkomstenbelasting) aan die derden
moeten worden gestort. Artikel 475a, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidt ertoe dat beoogde bronheffing voorgaat
op
dergelijke beslagen.
Vierde lid
Dit lid bevat de sanctie op broninhouders die niet aan
de broninhouding meewerken: zij dienen nog steeds het door het CVZ
aan te
geven bedrag aan dat college af te dragen en moeten dat dan uit
eigen middelen financieren.
Vijfde lid [zie zesde lid, red.]
Naast het verzenden van acceptgiro’s en het laten
inhouden van de bestuursrechtelijke premie op loon, uitkering of
aanvullend pensioen krijgt het CVZ
ook de mogelijkheid om de BD/T
op te
dragen een (voorschot op een) zorgtoeslag aan dat college over te maken. Dat
verrekent het CVZ dan met de bestuursrechtelijke premie die de
structurele wanbetaler jegens hem verschuldigd is. Op zich is zorgtoeslag te
beschouwen als bron bij uitstek voor de betaling van een premie
voor een zorgverzekering (zie ook de definitie van zorgtoeslag in artikel
1,
onderdeel d, Wzt: een zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de premie
voor een zorgverzekering). Het zou derhalve conceptueel logisch zijn dat het CVZ
de zorgtoeslag altijd naar
zich over zou laten maken. Daarmee zou bovendien het in de beeldvorming hinderlijke idee dat wanbetalers
zorgtoeslag blijven ontvangen tot het verleden gaan behoren. Desondanks wordt in
dit wetsvoorstel niet geregeld dat de
bestuursrechtelijke premie eerst uit rblz.|
45
de zorgtoeslag en pas voor zover dat niet kan, via
broninhouding of via betaling op een acceptgiro wordt voldaan. Daar zijn twee
redenen voor. De eerste reden is dat de bestuursrechtelijke premie doorgaans hoger is
dan de zorgtoeslag. Naast de overmaking van de
zorgtoeslag door de BD/T zou derhalve vaak nog een andere actie van het CVZ
nodig zijn: een werkgever, uitkeringsinstantie of pensioenfonds zou
verzocht moeten worden het restant over te maken, dan wel er zou voor
het restant een acceptgiro aan de wanbetaler moeten worden gezonden, met
een aanmaning, dwangbevel en beslag indien - wat gezien de groep waar
het hier om gaat te verwachten is - deze die acceptgiro
vervolgens niet betaalt (meer over een dergelijk beslag in de toelichting op het
derde lid).
De tweede reden is dat het voor werkgevers,
uitkeringsinstanties en pensioenfondsen eenvoudiger is om een vast bedrag
- te
weten 130% van de standaardpremie of, in bijzondere gevallen (zie de
toelichting op het tweede lid) 100% daarvan - op het loon of de uitkering
(of de andere periodiek uit te keren bedragen) in te houden dan een
bedrag dat per structurele wanbetaler verschilt. Omdat de zorgtoeslag
afhankelijk is van het huishoudeninkomen, zou van dat laatste sprake zijn
indien de broninhouders gevraagd zou moeten worden het verschil tussen de
verschuldigde bestuursrechtelijke premie en de zorgtoeslag in te
houden en af te dragen.
Al met al zal het meestal het best zijn de
bestuursrechtelijke premie zoveel mogelijk via broninhouding te laten
inhouden en slechts
indien er geen bron is dan wel de bron onvoldoende is om er de
bestuursrechtelijke premie op in te houden, de BD/T
de zorgtoeslag over te
laten maken.
Doet het CVZ
inderdaad een verzoek om de toeslag aan hem
over te maken, dan geldt het volgende. De over te maken toeslag
betreft in principe het totale bedrag dat aan de verzekerde of zijn partner
aan zorgtoeslag is toegekend, dat wil zeggen, in geval van een
partnerhuishouden, de zorgtoeslag voor het gehele huishouden. Dit geldt
zelfs in het - overigens waarschijnlijk vooral theoretische geval - waarin
binnen een toeslaggerechtigd huishouden de ene verzekeringnemer zijn nominale premie
wel heeft betaald (en dus niet in het
bestuursrechtelijke regime is terechtgekomen) en zijn partner niet. De zorgtoeslag voor twee partners
binnen een huishouden is immers een ondeelbare aanspraak (zie
artikel 2, eerste lid, Wzt), die wordt toegekend aan de partner die deze
heeft aangevraagd (zie artikel 14 van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen). Overigens zal de automatisering van de
BD/T
het ook niet
mogelijk maken slechts een de helft of een door het CVZ aan te geven
ander gedeelte van de uit te betalen zorgtoeslag van een geheel huishouden
over te maken.
Een uitzondering op het geheel overmaken van de
huishoudenstoeslag geldt slechts dan indien op de toegekende zorgtoeslag
door de BD/T een bedrag wordt ingehouden wegens eerder door BD/T gedane
onverschuldigde betalingen. In dat geval wordt op verzoek van het CVZ
de
huishoudenstoeslag overgemaakt die de BD/T aan de
verzekeringnemer of partner zou hebben uitbetaald indien het CVZ niet om
overmaking op zijn rekening zou hebben verzocht. Dat wil zeggen: het over
te maken bedrag is het bedrag van de toegekende zorgtoeslag minus het
wegens een eerdere onverschuldigde betaling (van zorgtoeslag of van
andere door BD/T uit te keren toeslagen) door BD/T daarop ingehouden
bedrag.
Het CVZ
zal dat deel van de ontvangen zorgtoeslag afhouden dat nodig is om de bestuursrechtelijke premie te voldoen en zal een
restant alsnog aan de verzekeringnemer overmaken. Dit laatste zal bij
ministeriële regeling worden geregeld.
rblz.|
46
Het is derhalve het
CVZ dat voor iedere wanbetaler
beslist of tot broninhouding wordt overgegaan dan wel de zorgtoeslag moet worden
overgemaakt dan wel beide instrumenten moeten worden ingezet en in
welke volgorde. Hier is één uitzondering op: indien het CVZ
broninhouders heeft opgedragen slechts 100% van de standaardpremie in te
houden en af te dragen, omdat het inkomen van de wanbetaler anders onder
het sociaal minimum zou komen, zal het CVZ tevens af moeten zien van
een opdracht aan BD/T om de zorgtoeslag over te maken. Het sociaal
minimum wordt namelijk, zoals ook hiervoor al is aangegeven, zodanig
vastgesteld dat dat minimum tezamen met de zorgtoeslag voldoende is om
de standaardpremie te betalen. Zou het CVZ in het hier bedoelde geval de
zorgtoeslag naar zich over laten maken, dan zou (het gezin van) de
wanbetaler alsnog beneden het sociaal minimum belanden.
Besluit het CVZ
te innen door middel van een opdracht
tot broninhouding en/of tot het naar zich laten overmaken van de
zorgtoeslag, dan is dat een op rechtsgevolg gericht besluit en daarmee een
beschikking van het CVZ, waartegen de verzekeringnemer in bezwaar (bij het CVZ)
en beroep kan komen. De broninhouders en BD/T
hebben geen beslissingsbevoegdheid en zijn in dezen dan ook slechts te zien als uitvoerders
van de beschikking van het CVZ, inhoudende dat zij een bepaalde som op het
loon of de uitkering moeten inhouden en afdragen of dat zij de zorgtoeslag
moeten overmaken.
Zesde lid [zie zevende lid, red.]
Een andere mogelijkheid voor het
CVZ om de
bestuursrechtelijke premie geïnd te krijgen, betreft het leggen van beslag op de
saldi van bankrekeningen, op het loon of een uitkering of op goederen van de
structurele wanbetaler, waarna de schuld uit het saldo dan wel uit
de executoriale verkoop van die goederen wordt voldaan. Het CVZ kan dit
instrument zowel toepassen gedurende de periode waarin iemand in
het bestuursrechtelijke premieregime zit als nadat iemand, met achterlating van
een restschuld ten aanzien van de bestuursrechtelijke
premie, ten gevolge van afbetaling van zijn schulden aan zijn zorgverzekeraar in
het privaatrechtelijke premieregime is teruggekeerd.
Anders dan niet-bestuursorganen (zoals de
zorgverzekeraars voor zover zij zorgverzekeringen aanbieden en
uitvoeren) hebben
bestuursorganen, indien dit althans bij de wet geregeld is, geen vonnis
van de kantonrechter nodig, willen zij tot een dergelijk beslag kunnen
overgaan. Met het oog daarop is in het derde lid van artikel
18b Zvw geregeld
dat het CVZ
de bestuursrechtelijke premie bij dwangbevel kan
invorderen. Dat dwangbevel levert, zo zal de Awb na inwerkingtreding van het
wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht (Kamerstukken I 2006-2007, 29 702, A) bepalen, een executoriale titel op
als bedoeld in het tweede boek van het Rv. De voorwaarden waaronder het
dwangbevel wordt uitgebracht, zullen met bovengenoemde Vierde tranche ook in de
Awb te vinden zijn.
Kort gezegd, komen deze voorwaarden op het volgende
neer. Nadat een bestuursorgaan een beschikking tot betaling heeft
uitgebracht waarin staat dat een geldsom aan dat orgaan moet worden betaald
en in dat verband een acceptgiro heeft verzonden, heeft de
schuldenaar zes weken om die geldsom te voldoen. Is binnen die termijn niet
betaald, dan dient het bestuursorgaan de schuldenaar een aanmaning te
sturen, waarin staat dat deze twee weken, gerekend vanaf de datum waarop de
aanmaning is toegezonden, heeft om alsnog te betalen en waarin
bovendien staat dat bij niet betalen betaling kan worden afgedwongen door op
kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen. Is na
deze twee rblz.|
47
weken nog niet betaald, dan zal, indien dat bij wet is
geregeld, een dwangbevel kunnen worden uitgebracht. Dat dwangbevel
levert vervolgens een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften
van het Rv ten uitvoer kan worden gelegd.
Gezien deze
voorwaarden is te verwachten dat het
CVZ slechts van de mogelijkheid van beslaglegging gebruik
maakt voor zover
de bestuursrechtelijke premie niet via broninhouding of uit de zorgtoeslag kan
worden voldaan. Evenzo is te verwachten dat het CVZ
eerder een opdracht tot broninhouding op het loon zal geven, dan
tot loonbeslag zal overgaan. Het CVZ bepaalt echter zelf welke
inningsinstrumenten het voor de bestuursrechtelijke premie gebruikt en in welke
volgorde. De enige uitzondering daarop vormen de nog in de ministeriële
regeling op te nemen bepalingen ter zake van de broninhouding op inkomens rond het
sociaal minimum en het niet laten overmaken van de
zorgtoeslag van de desbetreffende wanbetalers (zie boven).
Ten slotte wordt hier nog opgemerkt dat het
CVZ de via
broninhouding te innen premie met een dwangbevel bij de broninhouder zal
kunnen invorderen indien deze het door het CVZ aan te geven bedrag niet of
niet geheel op de bron heeft ingehouden en afgedragen.
Zevende lid [zie achtste lid, red.]
Komt de bestuursrechtelijke premie met behulp van
broninhouding niet (geheel) binnen, dan heeft het CVZ
een
(restant)vordering. Het zesde lid zorgt ervoor dat deze vordering het CVZ een voorrecht
geeft op alle goederen van de structurele wanbetaler, welk voorrecht
onmiddellijk na het voorrecht, bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet
1990, uitgeoefend kan worden. Dit betekent dat een aantal in het
BW genoemde voorrechten, alsmede de vorderingen ter zake van de belastingen
(artikel
21 Invorderingswet
1990), de premies sociale verzekeringen (artikel 60
Wet financiering sociale verzekeringen juncto
artikel 21 Invorderingswet
1990) en de inkomensafhankelijke bijdrage (artikel 52
Zvw juncto artikel 21 Invorderingswet
1990), voorgaan op het voorrecht dat het CVZ ter zake van
de bestuursrechtelijke premie heeft, maar vorderingen van
private partijen - enkele gevallen van voorrechten op bepaalde goederen
daargelaten - niet. Legt het CVZ dus bijvoorbeeld beslag op een auto
van een structurele wanbetaler en blijken ook de belastingdienst
en een
postorderbedrijf beslag te hebben gelegd, dan wordt, na verkoop van de
auto, eerst de vordering van de belastingdienst uit de opbrengst
voldaan, vervolgens de vordering van het CVZ en dan pas de vordering van het
postorderbedrijf. Ook hier volgt de hoge rang van het voorrecht van het
CVZ (onmiddellijk na dat van de belastingdienst voor de inning van
belastingen, premies (overige) sociale verzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage) uit het feit dat de zorgverzekering een sociale verzekering
is die behoort tot de Nederlandse sociale zekerheid.
Artikel
18e, zevende lid, leidt er overigens ook toe
dat het verzoek van het CVZ aan de BD/T
om de zorgtoeslag over te maken
(artikel 18d, vierde lid), voorgaat op een door de zorgverzekeraar op de
zorgtoeslag gelegd beslag. Beslagen van de zorgverzekeraar die reeds op de
zorgtoeslag liggen op het moment dat het CVZ zijn verzoek aan de
BD/T doet, kunnen vanaf dat moment derhalve niet worden geëffectueerd. De
in dit onderdeel geregelde volgorde ligt in de rede, nu ook de
bestuursrechtelijke premie een door een bestuursorgaan geheven premie voor
een sociale verzekering is.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de Commissie
Insolventierecht (commissie-Kortmann) heeft geadviseerd het
insolventierecht te herzien rblz.|
48
en in dat verband ook het stelsel van voorrechten te
wijzigen. In het kader van een nieuwe Insolventiewet zal
zo nodig ook het hier
gecreëerde voorrecht voor het CVZ kunnen worden heroverwogen.
Artikel 18f Zvw
Eerste en tweede lid
Op grond van artikel 24 van de
Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) is gebruik van een persoonsidentificerend nummer,
zoals het burgerservicenummer of het sociaal-fiscaal nummer,
slechts toegestaan indien dat bij de wet (of bij de AMvB, bedoeld in het
tweede lid artikel 24, Wbp) is bepaald. Het eerste lid regelt dat het
CVZ eerdergenoemde nummers bij de uitvoering van zijn taken inzake de
bestuursrechtelijke premie gebruikt. De redactie van deze bepaling is
afgestemd op artikel 86, derde lid, Zvw.
Ook de zorgverzekeraars en de personen en instanties,
bedoeld in het tweede en vijfde lid van artikel 18e, dienen deze
nummers te gebruiken bij de uitvoering van hun taken. Artikel 18f, tweede lid,
regelt dat zij de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van afdeling 3.3.2, op basis van het voor de betreffende
verzekeringnemer of verzekerde geldende nummer met elkaar uitwisselen.
Derde lid
Indien een zorgverzekeraar het
CVZ meldt dat de
verzekeringnemer de jegens die zorgverzekeraar opgebouwde schuld heeft
voldaan (of de zorgverzekeraar deze kwijtscheldt), is de verzekeringnemer geen
bestuursrechtelijke premie meer verschuldigd. Het is mogelijk dat bij het
einde van het bestuursrechtelijke premieregime een restschuld bij
het CVZ (bestuursrechtelijke premie, rente daarop, door of
namens CVZ gemaakte incassokosten) resteert. Ingevolge de Awb
zoals deze na
inwerkingtreding van het wetsvoorstel Vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht zal komen te
luiden, verjaart een dergelijke schuld - als het CVZ geen handelingen
verricht die de verjaring stuiten - na vijf jaar. Gedurende deze periode dient
het CVZ in principe pogingen te ondernemen deze restschuld te innen. Het
voornemen is overigens in de ministeriële regeling, bedoeld in het
vierde lid (zie hierna), te bepalen dat een restschuld niet met behulp van nog
enige tijd voortgaande broninhouding of overmaking van de zorgtoeslag zal
kunnen worden geïnd. De reden daarvoor is dat een verzekeringnemer die weer in
het privaatrechtelijke premieregime is terechtgekomen
zijn inkomen en zorgtoeslag nodig zal hebben om de nominale premie aan
zijn zorgverzekeraar te voldoen. Voorkomen moet worden dat iemand ten gevolge
van voorrang van delging van een restschuld bij het CVZ
zijn nominale premie weer niet kan voldoen en derhalve na korte tijd
wederom in het bestuursrechtelijke regime terechtkomt. Het CVZ zal de
restschuld derhalve kunnen proberen te innen door een acceptgiro te
zenden dan wel - nadat de acceptgiro niet is betaald, onverrichter
zake is aangemaand en een dwangbevel is uitgebracht - door beslag te leggen
op goederen van de verzekeringnemer. Op grond van het voorgestelde
artikel 18f, derde lid, krijgt het CVZ echter ook de mogelijkheid de schuld
kwijt te schelden. Het CVZ zal hiertoe beleidsregels dienen te ontwikkelen. Het
artikellid is zo opgesteld dat kwijtschelding niet alleen mogelijk is
indien de betrokken verzekeringnemer weer in het normale, privaatrechtelijke
premieregime terechtkomt, maar ook indien er na het einde van het
bestuursrechtelijke regime, bijvoorbeeld wegens emigratie of overlijden, in
het geheel geen zorgverzekering meer zal zijn.
rblz.|
49
Vierde lid
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
over de wijze waarop het CVZ de bestuursrechtelijke premie int.
Daarbij gaat het naast het onderwerp, genoemd in de toelichting op artikel
18e,
tweede en vijfde lid, bijvoorbeeld om de wijze waarop het CVZ eventueel
teveel ontvangen zorgtoeslag aan de rechthebbenden uitbetaalt en om de
wijze waarop een restschuld wordt geïnd. Voortgaan met broninhouding of
het naar zich laten overmaken van de zorgtoeslag liggen namelijk niet
voor de hand indien een verzekeringnemer zijn inkomensbron en
zorgtoeslag nodig heeft om aan zijn hernieuwde premieplicht jegens zijn
zorgverzekeraar te voldoen.
Onderdelen H en I
Zoals uitgebreid aan de orde is gekomen tijdens de
parlementaire behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet
en andere wetten met het oog op het
verzwaren van het premie-incassoregime en andere maatregelen om de
werking van het met die wet en de Wet
op de zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren (verzwaren
incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering) Kamerstukken
2006-2007, 30 918) werd het ook toen al
wenselijk geacht dat zorgverzekeraars de (dekking van) zorgverzekeringen
van wanbetalers niet beëindigden of beperkten. In dat verband is toen
onder meer met de zorgverzekeraars afgesproken dat zij in ruil voor het
onverminderd verzekerd houden van wanbetalers, ten laste van het
Zorgverzekeringsfonds een compensatiebijdrage zouden ontvangen vanaf het
moment waarop de premieschuld zes maanden bedroeg. Voorwaarde daarvoor
was wel dat de verzekeraars voldoende incasso-inspanningen
verrichten (dat wil zeggen, zich aan het door ZN opgestelde "Protocol incassotraject wanbetalers
Zorgverzekeringswet" houden of gelijkwaardige incasso-inspanningen verrichten) en dat zij, nadat de schuld van zes maanden
eenmaal was ontstaan, betrokkenen gedurende ten minste
de rest van het kalenderjaar (onverminderd) verzekerd hielden. Eén en
ander was in de paragraaf respectievelijk het hoofdstuk over de
vereveningsbijdragen in het Besluit
zorgverzekering respectievelijk de Regeling
zorgverzekering geregeld.
Nu voorliggend wetsvoorstel de structurele maatregelen
om wanbetaling aan te pakken bevat, ligt het in de rede de hier
bedoelde bijdrage voor het onverminderd verzekerd houden van structurele
wanbetalers een basis in de wet zelf te geven. Daartoe wordt voorgesteld in
paragraaf 4.2 Zvw een artikel
34a toe te voegen (onderdeel I). Aangezien de
bijdrage geen vereveningsbijdrage is, wordt in onderdeel H tevens voorgesteld het
opschrift van
paragraaf 4.2 ("De vereveningsbijdrage") te
wijzigen ("De vereveningsbijdrage en de bijdrage voor het verzekerd houden van wanbetalers")
Artikel 34a Zvw
Eerste lid
Artikel
34a, eerste lid, Zvw stipuleert dat
zorgverzekeraars voor zorgverzekeringen ten aanzien waarvan bestuursrechtelijke premie
verschuldigd is, jegens het CVZ recht hebben op een bijdrage zolang
zij de dekking van die verzekeringen niet hebben beperkt. Dat wil
zeggen: zolang zij de desbetreffende zorgverzekeringen of de dekking daarvan
niet hebben ontbonden, opgezegd, geschorst, opgeschort of anderszins
beperkt. De bijdrage voor het jaar t wordt na het jaar t, op basis
van het aantal zorgverzekeringen rblz.|
50
waar de hier bedoelde
premieachterstand
zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, verstrekt.
Tweede lid
Dit lid bevat de voorwaarden waaraan de zorgverzekeraar
voorts moet voldoen, wil hij voor de bijdrage in aanmerking komen:
a. hij moet tijdig het aanbod, bedoeld in artikel 18a,
hebben gedaan, hij moet de mededeling, bedoeld in artikel
18b hebben verzonden en
hij moet zich hebben gehouden aan de voorwaarde dat een
zorgverzekering niet bij het CVZ mag worden aangemeld zolang de
verzekeringnemer (of, indien dit een ander is, ook de verzekerde) nog
tegen de voorgenomen melding bij het CVZ op kan komen dan wel tijdig tegen
die melding opgekomen is en daar nog niet onherroepelijk op
is beslist. Overigens zal de verzekeraar zich daarnaast moeten
hebben gehouden aan artikel 18c, eerste lid,
Zvw, maar dat volgt al uit
het eerste lid van artikel 34a: zonder de melding aan het CVZ, bedoeld in
artikel 18c, eerste lid, kan een zorgverzekering immers niet onder
het bestuursrechtelijke regime vallen;
b. de zorgverzekeraar moet daarnaast ook voldoende
andere op incasso gerichte inspanningen hebben verricht, dat wil zeggen,
zich hebben gehouden aan het nieuwe wanbetalersprotocol, dan wel
gelijkwaardige inspanningen hebben verricht;
c. de zorgverzekeraar moet een verzekeringnemer die zijn
schulden jegens hem heeft afbetaald tijdig bij het CVZ afmelden
en pogingen van de verzekeringnemer of derden - bijvoorbeeld een
schuldhulpverlener - om dergelijke schulden jegens hem af te betalen,
ondersteunen.
Het is de NZa die zal moeten bepalen of de
zorgverzekeraar voldoende aan bovenstaande voorwaarden heeft voldaan (met
uitzondering van de vraag of de melding, bedoeld in artikel 18b,
gedaan is:
bij het ontbreken van de verklaring, bedoeld in artikel 18c, zal het
CVZ
immers in het geheel niet overgaan tot heffing van de bestuursrechtelijke
premie, omdat er geen geldige aanmelding voor de bestuursrechtelijke premie is
gedaan, in welk geval er voor de desbetreffende verzekering, ingevolge
het eerste lid, ook geen recht op een bijdrage bestaat). Is dat naar haar
mening niet het geval, dan zal zij dat aan het CVZ kunnen melden, dat
een zorgverzekeraar in een bepaald jaar niet aan de voorwaarden, bedoeld in
het tweede lid, heeft voldaan, waarna het CVZ zal besluiten de bijdrage
niet te verstrekken.
Derde en vierde lid
De hoogte van de bijdrage en de periode waarover deze
zal worden verstrekt, zal in de Regeling
zorgverzekering worden
bepaald. Wat betreft dat laatste: in principe bestaat recht op de bijdrage
zolang op een zorgverzekering het bestuursrechtelijke regime van toepassing is. Indien
echter het bestuursrechtelijke regime later ingaat dan
het moment waarop de premieschuld zes maandpremies is gaan bedragen en dit
niet aan de zorgverzekeraar ligt, zal wat betreft de bijdrage
voorzien worden in terugwerkende kracht tot de maand waarin de premieschuld zes
maandpremies bereikte. Dit zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als
de verzekeringnemer naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel
18b, zijn geschil aan de burgerlijke rechter heeft voorgelegd en
onherroepelijk in het ongelijk wordt gesteld.
Ook de wijze waarop de bijdrage wordt verstrekt, zal in
de Regeling zorgverzekering worden neergelegd. Het is goed mogelijk dat er bij
de
vaststelling van de bijdrage of bij de betaling daarvan samenloop
ontstaat met rblz.|
51
de vaststelling en uitbetaling van de
vereveningsbijdrage. Omdat dat efficiënt kan zijn, bepaalt het vierde lid dat het
CVZ bevoegd is tot verrekening met terug te vorderen vereveningsbijdragen.
Onderdeel J
Deze wijziging zorgt ervoor dat het
CVZ de ontvangen
bestuursrechtelijke premies aan het Zorgverzekeringsfonds toevoegt (eerste
onderdeel). Aan de andere kant zullen ook de aan de verzekeraars te
betalen bijdragen uit dat fonds worden gefinancierd (tweede onderdeel). Dat
laatste is nu ook al het geval, maar op dit moment wordt het verstrekken van
de bijdrage beschouwd als onderdeel van de vaststelling van de
risicovereveningsbijdrage, waarvoor op grond van de verwijzing in artikel
39,
derde lid, onderdeel a, Zvw naar artikel 34
Zvw een basis bestaat.
Doordat het verstrekken van de bijdrage na inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel geen onderdeel meer uitmaakt van de risicoverevening,
was verwijzing in laatstgenoemd onderdeel naar het nieuwe
artikel 34a Zvw nodig.
Onderdeel K en artikel IV
Net zoals dat geldt voor andere zaken waarin het
CVZ op
grond van de Zvw beschikkingen jegens burgers neemt, wordt met
voorliggende wijzigingen bereikt dat tegen de beschikkingen inzake de heffing en
de inning van de bestuursrechtelijke premie en beschikkingen over
het kwijtschelden van restschulden daarvan nadat een verzekeringnemer weer
in het privaatrechtelijke premieregime terecht is gekomen,
geen beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de
Raad van State, maar bij de rechtbank. Hoger beroep kan worden ingesteld bij
de Centrale Raad van Beroep. Beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij
de Centrale Raad van Beroep zijn echter slechts mogelijk voor zover dat
op grond van de artikelen III en IV niet is uitgesloten.
Artikel II
Onderdeel A
De zorgtoeslag is gelijk aan het verschil tussen de
standaardpremie en de normpremie, bedoeld in de Wzt. De standaardpremie is
gelijk aan de geraamde gemiddelde premie voor een zorgverzekering,
vermeerderd met het geraamde gemiddelde bedrag dat een verzekerde
die geen recht heeft op een compensatie als bedoeld in artikel
118a Zvw, als verplicht eigen risico betaalt. Zoals eerder uiteengezet, bedraagt
de bestuursrechtelijke premie 130% van het bedrag van de standaardpremie.
Onderdeel A voorziet in enkele technische wijzigingen van artikel
1 Wzt, die ertoe strekken helder te regelen dat bij de berekening
van de standaardpremie slechts naar de geraamde gemiddelde aan
de zorgverzekeraar verschuldigde (privaatrechtelijke)
premie wordt gekeken. Er wordt dus geen rekening gehouden met de (30% hogere)
bestuursrechtelijke premie. Zou dat wel worden gedaan, dan zouden structurele
wanbetalers die recht hebben op een zorgtoeslag de in de bestuursrechtelijke
premie besloten liggende verhoging gedeeltelijk via de zorgtoeslag gecompenseerd
krijgen. Dat is uiteraard niet de bedoeling. Bovendien
zouden ook andere verzekerden door het meenemen van de bestuursrechtelijke
premie in het bedrag van de standaardpremie een hogere zorgtoeslag
krijgen. Daar is geen aanleiding voor.
Onderdeel B
Dit onderdeel verplicht de
BD/T in opdracht van het
CVZ
een (voorschot rblz.|
52
op) de zorgtoeslag aan het CVZ over te maken. Uiteraard
zullen dan wel eerst de regels, bedoeld in artikel
18b, tweede lid,
onderdeel b, Zvw, getroffen moeten zijn. De BD/T handelt wat dit betreft
in opdracht van het CVZ, dat wil zeggen, heeft geen beleidsvrijheid. Het in
opdracht van het CVZ overmaken van de zorgtoeslag impliceert dan ook geen
beschikking van de BD/T.
Onderdeel C
Deze wijziging is nodig nu het artikel over het
verplicht eigen risico in de Zvw, artikel
18a, vernummerd wordt tot artikel 19.
Artikel III
Op grond van artikel 8:1
Awb staat tegen besluiten
beroep open bij de rechtbank. Zonder nadere regelgeving geldt dit ook voor
beschikkingen van het CVZ, inhoudende dat iemand een
bestuursrechtelijke premie verschuldigd is of juist niet meer verschuldigd is, en
met ingang van welke datum dat het geval is. Zoals in de toelichting op
artikel I, onderdeel F, uitvoerig is betoogd, heeft het CVZ wat betreft de
verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie geen beleidsvrijheid: het
moet die premie gaan heffen vanaf de eerste dag van de maand volgende op
de maand waarin hij de melding, bedoeld in artikel 18c, krijgt.
Hetzelfde geldt voor het einde van het bestuursrechtelijke regime: het CVZ
moet met premieheffing stoppen als het een afmelding krijgt. Omdat tegen
onjuistheid van deze meldingen voldoende rechtsbeschermingsmogelijkheden
tegen de zorgverzekeraar zijn geregeld en omdat bovendien het CVZ
niet in staat is telkens na te gaan of een gemelde verzekeringnemer
werkelijk structurele wanbetaler is, respectievelijk of aan artikel
18d, derde
lid, onderdeel a, b of c, Zvw
is voldaan, wordt in artikel III een beroep op
de administratieve rechter tegen CVZ-beschikkingen, inhoudende dat iemand
(met ingang van een bepaalde datum) bestuursrechtelijke premie is
verschuldigd of juist niet meer is verschuldigd, uitgesloten. Hoewel
het, nu de hoogte van de bestuursrechtelijke premie een gefixeerd bedrag is
(130% van de standaardpremie) niet strikt noodzakelijk is dit te
bepalen, is voor de overzichtelijkheid ook geregeld dat geen beroep openstaat tegen de hoogte
van de opgelegde bestuursrechtelijke premie.
De uitsluiting van het beroep geschiedt door
bovenbedoelde beschikkingen te plaatsen op de bijlage bij de
Awb, bedoeld in
artikel
8:5 van die wet. Dit laat onverlet de mogelijkheid van een
verzekeringnemer of een verzekerde het CVZ bij de civiele rechter te dagen
(artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens [lees:
Europees
verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.]). Zoals in de
toelichting op artikel I, onderdeel F, is gesteld, kan het CVZ dit
zoveel mogelijk voorkomen door kennelijke misslagen in meldingen van de
verzekeraar, bovengekomen na marginale toetsing, bij die verzekeraar
te melden, opdat deze zijn melding kan intrekken of wijzigen.
Aangezien artikel 7:1 van de
Awb regelt dat tegen
beschikkingen waartegen beroep op de administratieve rechter openstaat eerst
bezwaar moet worden gemaakt, wordt hiermee tegelijkertijd de
bezwaarprocedure voor deze beschikkingen buiten werking gesteld.
Ten slotte nog het volgende. Indien het
CVZ in één
beschikking opneemt dat iemand (a) met ingang van een bepaalde datum
bestuursrechtelijke premie verschuldigd is omdat hij door zijn
zorgverzekeraar bij het CVZ als structurele wanbetaler is gemeld, (b) dat die premie
130% van de standaardpremie bedraagt en (c) op welke wijze deze
geïnd zal worden (zie artikel 18e, tweede lid), is wel bezwaar en beroep
mogelijk tegen het rblz.|
53
door het CVZ voorgenomen inhoudingsbesluit (c), niet
tegen de heffingsbesluiten (a) en (b).
Artikel V
Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke schuldeisers
kunnen onder meer beslag leggen op periodieke inkomsten van de
schuldenaar, zoals loon, uitkeringen, pensioenen en alimentatie. Gebeurt dat, dan
geldt ingevolge het Rv
dat de schuldeiser een bedrag vrij van beslag
moet laten, de zogenoemde "beslagvrije voet". Met dit bedrag kan de schuldenaar
in zijn noodzakelijke levensbehoeften voorzien. De beslagvrije
voet is gelijk aan 90% van de bijstandsnorm die voor de schuldenaar zou
hebben gegolden indien deze voor zijn levensonderhoud volledig op
bijstand zou zijn aangewezen, met dien verstande dat deze norm nog kan
worden verhoogd met enkele posten. Eén van die posten zijn de
premies voor een door de schuldenaren gesloten zorgverzekering en een
aanvullende ziektekostenverzekering (artikel 475a, vijfde lid, onderdeel
a, Rv). Aangezien er
bij het vaststellen van de bijstandsnorm al rekening mee
wordt gehouden dat de bijstandsgerechtigde uit zijn bijstand, in combinatie
met de zorgtoeslag, zijn premie aan zijn zorgverzekeraar moet kunnen
betalen, is in laatstgenoemd artikelonderdeel vervolgens weer geregeld
dat van de bijtelling voor het kunnen betalen van de premies voor
een ziektekostenverzekering (waaronder de zorgverzekering valt) het in de
bijstandsnorm voor die premiebetaling besloten bedrag alsmede door de schuldenaar
ontvangen zorgtoeslag worden afgetrokken. Samengevat is
de bijtelling beperkt tot de premie voor een aanvullende
ziektekostenverzekering plus het verschil tussen de werkelijk verschuldigde premie
voor een zorgverzekering enerzijds (dit is voor structurele wanbetalers derhalve
de bestuursrechtelijke premie) en het in de bijstandsnorm
besloten bedrag alsmede, indien de verzekerde deze ontvangt, de
zorgtoeslag anderzijds.
Toch laat zelfs deze beperkte bijtelling de schuldenaar
te veel vrij besteedbaar geld indien de bestuursrechtelijke premie voor een
zorgverzekering reeds door middel van bronheffing is ingehouden. In dat
geval is er bij het - later komend - beslag immers geen reden om nog een
bedrag vrij te houden voor het kunnen betalen van die premie. Daarom
wordt voorgesteld artikel 475d, vijfde lid, onderdeel a, Rv
zodanig te herformuleren dat de bijtelpost ten aanzien van (een deel van) de premie
voor een zorgverzekering niet geldt indien deze premie al op grond van afdeling
3.3.2 van de Zvw
is ingehouden.
Artikelen VI en
VII
De wijzigingen in de
Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 en in de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zijn van louter technische aard. Zij zijn noodzakelijk ten
gevolge van het invoegen van een onderdeel d aan artikel
1, eerste lid, Wzt (zie
artikel II, onderdeel A).
Artikel VIII
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel I, onderdeel E, G, M en N.
Artikel IX
Dit artikel bevat het overgangsrecht. Zoals in het
algemene deel van deze toelichting is aangegeven, waren er op 31 december 2007
rond de 240 000 zorgverzekeringen ten aanzien waarvan de premie niet was
voldaan.
Derhalve zullen er bij de inwerkingtreding van deze wet
zeer veel verzekeringnemers zijn die gedurende (zeer) lange tijd
hun p
remie niet rblz.|54
hebben betaald en derhalve bij hun zorgverzekeraar
ruimschoots een premieachterstand ter hoogte van zes maandpremies
hebben opgebouwd. Het is van belang hun zorgverzekeringen zo snel mogelijk
aan te melden voor het bestuursrechtelijke regime. Aan de
andere kant dienen ook zij de gelegenheid te krijgen een betalingsregeling
te treffen en, voor zover verzekerden door een wanbetalende verzekeringnemer
zijn verzekerd, zichzelf te verzekeren, terwijl daarnaast de mogelijkheid moet
worden gegeven het bestaan van de schuld bij de
zorgverzekeraar aan te vechten. Voorliggend artikel voorziet hierin.
Eerste lid
Op grond van dit lid biedt de zorgverzekeraar
wanbetalers die volgens de administratie van de zorgverzekeraar bij
inwerkingtreding van deze wet al een premieachterstand van twee of meer maandpremies
zullen hebben, uiterlijk tien werkdagen na inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel een betalingsregeling als bedoeld in artikel 18a
aan. De
formulering "uiterlijk tien dagen na inwerkingtreding van deze wet" geeft de zorgverzekeraar de
mogelijkheid om het aanbod zelfs vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet te doen.
Tweede en derde lid
Is sprake van een verzekeringnemer die anderen heeft
verzekerd en ook voor hen de premie niet heeft voldaan, dan geldt
krachtens artikel 18a, derde lid, Zvw
in de structurele situatie dat hij die
verzekeringnemer in de gelegenheid stelt de desbetreffende zorgverzekeringen op
te zeggen, onder de voorwaarde dat deze verzekerden zichzelf
verzekeren en, indien dit bij dezelfde zorgverzekeraar gebeurt, een machtiging
tot automatische incasso afgeven dan wel een opdracht aan een werkgever,
pensioenfonds of uitkeringsinstantie om de verschuldigde premie
maandelijks aan de zorgverzekeraar over te maken. Zelfs als de
verzekeringnemer hen hiervan niet op de hoogte stelt, komen de verzekerden hiervan op
de hoogte doordat de zorgverzekeraar hen een kopie van het aanbod
zendt (artikel 18a, vijfde lid, Zvw). Verzekerden die dachten dat hun
verzekeringnemer netjes de premie voor hun zorgverzekering betaalde, kunnen dan
alsnog besluiten zichzelf te verzekeren. Deze mogelijkheid
vloeit reeds uit de Zvw voort en geldt zelfs indien de verzekeringnemer geen
gebruik maakt van het aanbod van zijn zorgverzekeraar om de
zorgverzekering die hij voor dezelfde verzekerden heeft op te zeggen. (Maakt de
verzekerde gebruik van het aanbod en de verzekeringnemer niet, dan zal de
verzekerde tweemaal verzekerd zijn, waarbij hij zelf - als
verzekeringnemer op zijn eigen, nieuwe polis - de premie voor de door hem gesloten
verzekering verschuldigd is, terwijl de oude verzekeringnemer de
premie voor de niet-opgezegde zorgverzekering verschuldigd blijft. Indien
die laatste premie niet betaald wordt, heeft de verzekerde daar geen last
van).
In het overgangsrecht is voor een enigszins afwijkende
constructie gekozen. In plaats van de verzekeringnemer krijgen zijn
verzekerden direct van de zorgverzekeraar het aanbod om zelf een
zorgverzekering te sluiten (tweede lid, onderdeel b). Verwerpen zij dit
niet vóór de eerste van de maand volgende op de maand waarin het aanbod is
gedaan, dan geldt het als geaccepteerd (derde lid). In dezen is voor
dezelfde constructie gekozen als bij de invoering van de Zvw: toen gold dat
iedereen die bij een voormalig ziekenfonds of een voormalige particuliere
ziektekostenverzekeraar verzekerd was een aanbod van hun rechtsopvolger
(zorgverzekeraar in de zin van de Zvw) ontving en volgens dat aanbod
verzekerd raakte indien het niet vóór een bepaalde termijn verworpen was (zie
artikel 2.5.1 Invoerings- en aanpassingswet
Zorgverzekeringswet). Blijft tijdige verwerping achterwege en raakt de verzekerde
derhalve met rblz.|
55
ingang van de eerste dag van de tweede maand volgende op
de maand waarin hem het aanbod is gedaan zelf op een nieuwe
zorgverzekering als verzekeringnemer verzekerd, dan zal de zorgverzekeraar
met ingang van dezelfde dag de door de oorspronkelijke verzekeringnemer
voor die verzekerde gesloten verzekering beëindigen (tweede lid, onderdeel
c). Aangezien de verzekerde zelf, als verzekeringnemer, een nieuwe
zorgverzekering krijgt, is er geen sprake van schuldovername. De nieuwe
verzekeringnemer kan "met een schone lei" beginnen. Betaalt ook hij de
premie niet, dan krijgt hij na twee maanden het aanbod, bedoeld in
artikel 18a, Zvw, en na vier maanden de mededeling, bedoeld in
artikel 18b Zvw,
waarna bij voortgezette wanbetaling (tenzij hij de juistheid van de
mededeling van zijn zorgverzekeraar tijdig heeft betwist) na zes
maanden de melding aan het CVZ, bedoeld in artikel
18c. eerste lid, Zvw, in zal
gaan en het bestuursrechtelijke premieregime op hem van toepassing zal worden. De schuld
die de oude verzekeringnemer ten aanzien van de eerdere
verzekering van de verzekerde heeft opgebouwd, blijft bij die
verzekeringnemer. Hij zal meegenomen worden in de afbetalingsregeling die deze
verzekeringnemer ingevolge het eerste lid juncto artikel
18b, tweede lid,
onderdeel b, Zvw met de zorgverzekeraar zal kunnen sluiten.
Willen verzekerden die niet op het aanbod van hun
verzekeraar reageren slechts op basis van de wet (derde lid) toch
verzekeringnemer bij een eigen, nieuwe verzekering kunnen worden, dan zal eerst
het derde lid in werking moeten zijn getreden. Gezien de termijn die een
verzekerde heeft om het aanbod van zijn verzekeraar te aanvaarden,
betekent dat dat de verzekeraar het aanbod op zijn vroegst in de tweede
maand voorafgaande aan de maand van inwerkingtreding van deze wet kan doen.
Dit in tegenstelling tot het aanbod tot het treffen van een betalingsregeling
aan verzekeringnemers die alleen zichzelf verzekerd hebben,
dat al eerder kan worden gedaan.
Vierde lid
Reageert de verzekeringnemer niet binnen vier weken op
het aanbod tot het treffen van een betalingsregeling als bedoeld in het
eerste lid juncto artikel 18a, tweede lid,
Zvw, dan zal zijn
zorgverzekeraar hem, indien de schuld volgens zijn administratie vier of meer
maandpremies beslaat, direct de melding, bedoeld in artikel
18b Zvw, doen.
Hetzelfde geldt als het aanbod wel is aanvaard en een machtiging tot
automatische incasso is gegeven voor een rekening waar zo weinig geld op
staat
dat de nieuwe opkomende premietermijn er niet van kan worden
afgeschreven.
Artikel X
Zelfs als
artikel IX juncto het in
artikel 18a Zvw bedoelde aanbod ertoe leidt dat een fors aantal zorgverzekeringen buiten het
bestuursrechtelijke regime blijft, zal er naar verwachting nog een
aanzienlijk aantal zorgverzekeringen overblijven dat in het eerste halfjaar na
inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel wél voor het
bestuursrechtelijke regime zal worden aangemeld. Deze toevloed van
aanmeldingen zal,
zo leert de ervaring, naar verwachting ook leiden tot een - zij
het kleinere - toevloed van bezwaarschriften. Te verwachten is dat een
aanzienlijk deel van deze bezwaarschriften gericht zal zijn tegen de heffing van
de bestuursrechtelijke premie an sich of de hoogte daarvan. Dergelijke
bezwaarschriften zal het CVZ
simpelweg niet-ontvankelijk kunnen verklaren
(zie artikel III en de toelichting daarop). Echter, er zullen
ook bezwaarschriften zijn tegen de wijze van inning en - later in het jaar en in
het jaar daarop - inzake kwijtschelding van restschulden. In de
structurele situatie, als de aanmeldingen van de overgangsgevallen volledig verwerkt
zijn, moet het CVZ in staat worden geacht dergelijke bezwaren binnen de
in artikel 7:10, rblz.|
56
eerste lid, Awb
genoemde termijn van zes weken
(eventueel met verdaging van enkele weken) af te doen. Het CVZ zal
echter wegens capaciteitsgebrek naar verwachting niet in staat zijn de
in het kader van het overgangsrecht te verwachten bezwaarschriften binnen
zes weken af te doen. Dit knelt te meer vanaf het moment waarop de
Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen (Kamerstukken I 2005-2006, 29
934, A) in werking treedt, aangezien dat zou betekenen dat het CVZ voor
iedere dag waarop het zijn beslissing op bezwaar te laat heeft gegeven
(doch voor ten hoogste 42 dagen) een dwangsom aan de structurele
wanbetaler zou verbeuren. Met het oog hierop wordt de termijn voor het
geven van een beslissing op bezwaar voor bezwaarschriften, bij het CVZ
ingediend binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, in
artikel X op twaalf weken gesteld. Voor bezwaarschriften
die daarna bij het CVZ binnenkomen - wanneer de structurele situatie
zal zijn ingetreden en de overgangsgevallen zullen zijn verwerkt - zullen
de alsdan in artikel 7:10 Awb
geregelde termijnen gelden. Omdat artikel X dan
niet meer nodig is, regelt het tweede lid van dat artikel dat het
met ingang van het derde jaar na inwerkingtreding van deze wet vervalt.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink