Dit
voorstel wil burgers een effectiever rechtsmiddel geven tegen te trage besluitvorming door het
bestuur. Als uitvloeisel van het regeerakkoord en het kabinetsstandpunt
"Juridisering in het openbaar bestuur" (Kamerstukken II 1998-1999, 26 360, nr. 1)
is een vorig kabinet in een afzonderlijke notitie "Termijnen voor bestuur en
rechter" (Kamerstukken II 2000-2001,
27 461, nr. 1) ingegaan op
de problematiek van de tijdige besluitvorming, zowel binnen het bestuur als
bij de rechter. In deze notitie is gesteld dat de oplossing voor deze
problematiek niet moet worden gezocht in het invoeren van nieuwe of het
bekorten van bestaande beslistermijnen, maar veeleer in organisatorische
en kwaliteitsbevorderende maatregelen. Daarnaast werd geconstateerd dat de
burger die geconfronteerd wordt met een bestuur dat stilzit, in
de praktijk niet over een adequaat rechtsmiddel beschikt. Daarom werd in
genoemde notitie geconcludeerd dat de rechtsbescherming bij niet tijdig beslissen
moet worden verbeterd.
De problematiek van trage
besluitvorming is niet nieuw. Onder meer in de eerste evaluatie van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) kwam duidelijk naar voren dat
bestuursorganen beslistermijnen nogal eens overschrijden (zie het verslag van de
Commissie Evaluatie Awb I, Den Haag 1996). Ook in opeenvolgende jaarverslagen van de
Nationale ombudsman
is deze problematiek aan de
orde gekomen (Jaarverslagen Nationale ombudsman 1999-2004, zie
Kamerstukken II 2004-2005 30030, nrs. 1-2; Kamerstukken II 2003-2004 29
460, nrs. 1-2; Kamerstukken II 20022003 28 825, nrs. 1-2; Kamerstukken II
2001-2002 28 260, nrs. 1-2; Kamerstukken II 2000-2001, 27 645, nr. 2; en
Kamerstukken II 1999-2000, 27 050, nr. 2). Uit die verslagen blijkt dat elk
jaar weer een aanzienlijk deel van de klachten die de Nationale ombudsman te
behandelen krijgt betrekking heeft op trage besluitvorming, al neemt het
aandeel daarvan de laatste jaren wel geleidelijk af (van 52% in 2001
naar 33%
in 2004). In 2003 heeft de Nationale ombudsman in zijn rapport "Correspondentie
burger-overheid" (rapport van 30 september 2003, 2003/325) aangegeven dat de afhandeling van
correspondentie met burgers
moet worden verbeterd. In dat rapport heeft hij een aantal concrete
aanbevelingen gedaan. Dat laatste geldt ook voor rblz.|2|
de Algemene Rekenkamer in
zijn rapport "Beslistermijnen. Waar blijft de tijd?" (Kamerstukken II
2003-2004 29 495, nrs. 1-2).
Ook dit kabinet is van
mening dat de oplossing voor het terugdringen van termijnoverschrijdingen in
de eerste plaats moet worden gezocht in organisatorische maatregelen en maatregelen
die de kwaliteit van de dienstverlening verbeteren. Alleen daarmee
kan op een breed front winst worden geboekt. In het kader
van het Actieprogramma "Andere Overheid" (Kamerstukken II 2003-2004,
29 362, nr. 1) wordt hieraan hard gewerkt en de reeds getroffen
maatregelen beginnen inmiddels resultaat op te leveren. Op dit
Actieprogramma wordt hierna nader ingegaan. Dat neemt niet weg dat daarnaast
verbetering van de rechtsbescherming voor de individuele burger wenselijk
blijft, zoals ook al in genoemde notitie "Termijnen voor bestuur en
rechter" werd geconstateerd. In een concreet geval waarin een bestuursorgaan in gebreke blijft op het punt van de
vereiste voortvarendheid,
heeft die burger immers weinig aan de constatering dat het in het merendeel van
de gevallen inmiddels een stuk beter gaat.
De Awb biedt de burger ook
thans een rechtsmiddel tegen niet tijdig beslissen. Artikel 6:2
Awb
bepaalt dat niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan wordt gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen
bezwaar en beroep openstaan.
Na de inwerkingtreding van de Awb bleek echter geleidelijk dat dit
rechtsmiddel niet altijd even effectief is. Bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen
leiden soms, maar niet altijd tot een versnelling van de
bestuurlijke besluitvorming. Beroepen wegens niet tijdig beslissen waren tot
enkele jaren geleden onvoldoende effectief, omdat de meeste
bestuursrechters deze zaken behandelden als alle andere zaken. Daardoor kon
het vele maanden - en soms langer - duren voordat een beroep wegens
niet tijdig beslissen ter zitting werd behandeld. Tegen die tijd was er inmiddels meestal wel een besluit genomen.
Veelal trok de rechter
daaruit de conclusie dat appellant geen belang meer had bij de behandeling
van zijn beroep wegens niet tijdig beslissen. Het gevolg was dat
betrekkelijk weinig beroepen wegens niet tijdig beslissen werden ingesteld.
Kennelijk waren rechtshulpverleners tot de conclusie gekomen dat zo’n
beroep toch niet hielp.
Zowel van binnen als van
buiten de rechterlijke macht is op deze stand van zaken kritiek geleverd
(zie onder meer B. J. van Ettekoven, Alternatieven van de bestuursrechter
(observaties vanuit de eerste lijn), preadvies Vereniging voor bestuursrecht VAR,
VAR-geschrift 126, Den Haag 2001; B.M.J. van der Meulen, Vooruit te
branden bestuur, JBPlus 1999, blz. 15). Dat de rechterlijke macht zich van
het probleem bewust is, blijkt voorts uit de op 1 oktober 2001 in werking getreden gewijzigde Procesregeling
bestuursrecht,
vastgesteld door de
rechtbankvergaderingen van de negentien rechtbanken
(Stcrt. 2001, 189) [zie ook Procesregeling bestuursrecht
2003 e.v., red.]. De Procesregeling bevat sinds die datum richtlijnen voor de
behandeling van beroepen wegens niet tijdig beslissen, waardoor tegenwoordig
doorgaans binnen enkele weken een uitspraak op deze beroepen wordt gegeven.
Andere bestuursrechters hebben dit voorbeeld gevolgd.
Ook in het parlement is deze
problematiek herhaaldelijk aan de orde geweest, recent nog bij de
behandeling van de Nota "Naar een slagvaardiger bestuursrecht" (Kamerstukken II
2003-2004, 29 279, nr. 16H) en bij de
behandeling van de Wet extern klachtrecht (Kamerstukken II 2002-2003, 28 747, nrs. 1-2). Bij
deze beide behandelingen is aangegeven dat wordt bezien of een doeltreffender
rechtsmiddel bij niet tijdig beslissen geleidelijk zou kunnen worden ingevoerd,
in aansluiting op organisatorische maatregelen in het kader van
het Actieprogramma "Andere Overheid" (Handelingen II, 30 juni
2004, blz. 90-5764 e.v.). Met dit voorstel wordt deze herhaalde toezegging
ingelost.
rblz.|3|
Verbeterde rechtsbescherming
kan een bijdrage leveren aan het tegengaan van termijnoverschrijdingen,
maar het kan daarvoor niet de primaire oplossing bieden. Daarvoor
zijn organisatorische maatregelen nodig en in veel gevallen zelfs een
cultuuromslag binnen de betrokken diensten en bij hun leidinggevenden.
Modernisering van de
overheid is één van de centrale doelstellingen van dit kabinet. Daartoe zijn
inmiddels zowel rijksbreed als op decentraal niveau talloze projecten en
maatregelen in gang gezet, die voor het merendeel voortvloeien uit
het Actieprogramma "Andere Overheid". De projecten en maatregelen die
uit dit programma voortvloeien zijn - kort gezegd - gericht op
verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van de overheid, op
vermindering van de administratieve lasten van burgers en bedrijfsleven en
vermindering van de regeldruk. In verschillende van deze projecten komt ook
het probleem van niet-tijdige besluitvorming aan de orde. Waar mogelijk
wordt overleg gevoerd met decentrale overheden en private organen
met publieke taken om na te gaan in hoeverre de ambities en maatregelen op rijksniveau door hen kunnen
worden overgenomen.
Rechtstreeks gericht op
tijdiger besluitvorming en op verbetering van de communicatie over de
voortgang van beslissingen, is het "Actieplan professioneel omgaan met
brieven en elektronische berichten" (Kamerstukken II 2003-2004, 29 362, nr. 16),
dat tevens de kabinetsreactie bevat op eerdergenoemd rapport van de Nationale ombudsman
uit 2003. In dit Actieplan is op hoofdlijnen
aangegeven hoe schriftelijke correspondentie, waaronder ook aanvragen en
bezwaar- en beroepschriften vallen, beter kan worden afgehandeld.
Thans worden of zijn op basis van dit Actieplan departementale en
interdepartementale activiteiten ontplooid, waarbij de wettelijke normen en de
aanvullende normen van de Nationale ombudsman het leidend kader
zijn. Binnenkort zal een Implementatieplan worden vastgesteld dat een
overzicht zal bevatten van alle interdepartementale en departementale
activiteiten die tot 2008 zullen worden uitgevoerd in het kader van
bovengenoemd Actieplan.
Recent heeft de Nationale
ombudsman geëvalueerd in hoeverre zijn aanbevelingen in
eerdergenoemd onderzoeksrapport uit 2003 hebben geleid tot acties en resultaat. Zijn bevindingen heeft hij beschreven in een
rapport dat op 7 september
2005 is uitgebracht (rapport 2005/250). De Nationale ombudsman
constateert daarin met tevredenheid dat er binnen de rijksoverheid een
cultuuromslag heeft plaatsgevonden in die zin dat de rijksoverheid het belang is
gaan inzien van het halen van beslistermijnen, het tijdig reageren en het
tussentijds informeren van de burger. De ministeries hebben volgens de Nationale
ombudsman talrijke en zeer diverse initiatieven genomen om de
afhandeling van correspondentie met de burger te verbeteren. De
doorlooptijden en tussentijdse informatievoorziening zijn in het algemeen sterk
verbeterd. Niettemin constateert de Nationale ombudsman dat de
tijdige afhandeling van bezwaarschriften over vrijwel de gehele linie
nog een knelpunt vormt. Omdat er thans op rijksniveau zoveel
activiteiten worden ontplooid, doet de Nationale ombudsman in dit rapport
geen nieuwe aanbevelingen.
In sommige gevallen kan ook
de figuur van de fictieve positieve beslissing een wettelijke prikkel
vormen om tijdig te beslissen. Het kabinet heeft onlangs aangekondigd dat
voor het bijzondere bestuursrecht in een afzonderlijk project zal worden nagegaan
op welke gebieden deze figuur kan worden ingevoerd (kabinetsreactie op het advies van de Taskforce Vereenvoudiging
Vergunningen, Kamerstukken
II 2004-2005, 29 515, nr. 93). Deze figuur houdt in dat een
vergunning van rechtswege wordt verleend zodra de beslistermijn is
verstreken. Daarvan kan echter alleen sprake zijn bij eenvoudige vergunningen
waarbij aan de voorwaarden wordt voldaan dat door de vergunningverlening
geen ernstige maatschappelijke gevolgen ontstaan, de belangen van
derden niet worden geschaad en geen rblz.|4|
onduidelijkheden bestaan
over de rechten en plichten van de vergunninghouder.
2. Voorbereiding van het
wetsvoorstel
De Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht heeft in maart 2002 een voorontwerp
van Wet beroep bij niet tijdig beslissen aangeboden aan de Ministers
van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Het
voorontwerp is vervolgens voorgelegd aan de Hoge
Raad, de Raad voor de rechtspraak, de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State, de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Nederlandse Orde
van Advocaten (NOvA), de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs,
de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs, de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.], het Interprovinciaal
Overleg, de Unie van Waterschappen, de Raad voor openbaar
bestuur, de Sociaal-Economische Raad (SER) en de
Nationale ombudsman. De uitgebrachte adviezen waren verdeeld. Voorstander van
het voorstel waren de Hoge Raad, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs,
de NOvA en de Raad voor de rechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de SER
en de VNG waren van mening
dat de oplossing voor het probleem niet in wetgeving moet worden
gevonden, maar in organisatorische maatregelen bij het bestuur. De Afdeling
plaatste vraagtekens bij de noodzaak van het voorstel en was van mening
dat het huidige procesrecht voldoende mogelijkheden biedt. In paragraaf
1 van
deze toelichting hebben wij reeds aangegeven dat het kabinet
onderschrijft dat de oplossing primair moet worden gezocht in dergelijke
maatregelen, maar dat het in aanvulling daarop wettelijke
maatregelen om de rechtsbescherming van de burger te verbeteren noodzakelijk
acht. Het wetsvoorstel sluit aan bij de reeds bestaande procesrechtelijke
mogelijkheden waarop de Afdeling doelde. De doelstelling van het
voorstel sprak de NVvR aan. De NVvR was voor het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure, maar had kritiek op de uitwerking. Evenals de
Afdeling achtte de NVvR de bestaande mogelijkheden voldoende. Met name de
ingebrekestelling en het vervallen van artikel
6:20, vierde lid,
stuitten in verschillende adviezen op bezwaren. Ook bestond bij sommige
adviseurs vrees voor een toename van de werklast van de rechterlijke macht.
Naar aanleiding van de ontvangen adviezen ¹ is het wetsvoorstel op
onderdelen aangepast. Op de daartoe geëigende plekken in deze toelichting
wordt nader ingegaan op de in de adviezen gemaakte opmerkingen.
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
3. Hoofdlijnen van het
wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel bouwt voort
op de Procesregeling [zie ook Procesregeling
bestuursrecht 2003 e.v., red.] en het eerder genoemde preadvies van B.J.
van Ettekoven. Het wetsvoorstel schept een snelle en effectieve procedure bij niet tijdig beslissen, die bestaat uit vier
hoofdelementen:
• Bij niet tijdig
beslissen kan de belanghebbende direct beroep bij de rechter instellen, zonder
eerst bezwaar te maken.
• Alvorens beroep in te
stellen, dient de belanghebbende het bestuursorgaan echter schriftelijk in
gebreke te stellen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
• De rechter behandelt het
beroep in beginsel met toepassing van artikel
8:54, dus zonder zitting.
Hij doet binnen acht weken uitspraak en bepaalt daarbij dat het bestuursorgaan binnen twee weken alsnog een
beslissing neemt.
• Als het bestuursorgaan
na afloop van de door de rechter bepaalde termijn nog steeds niet
heeft beslist, kan de belanghebbende via een eenvoudige procedure bij de
voorzieningenrechter, waarvoor geen griffierecht is
verschuldigd, de rechter verzoeken aan het bestuursorgaan een dwangsom op te
leggen.
rblz.|5|
De
rechter beoordeelt in het
kader van deze procedure slechts of de beslistermijn inderdaad is
overschreden. Dit maakt een snelle procedure mogelijk, want het eindpunt
van de beslistermijn is als regel eenvoudig vast te stellen.
De Procesregeling
bestuursrecht [zie ook Procesregeling bestuursrecht
2003 e.v., red.] is een vorm van zelfbinding door de rechtbanken. Zij bevat
richtlijnen voor de hantering van procesrechtelijke bevoegdheden, teneinde
daarin meer eenheid te brengen. Met ingang van 1 oktober 2001 is deze
Procesregeling aangevuld met een richtlijn voor de wijze van behandeling van
beroepen wegens niet tijdig beslissen. Artikel 11 van de Procesregeling
[zie ook artikel 18 van de Procesregeling bestuursrecht
2003 en hoofdstuk 7 van de Procesregeling bestuursrecht
2008, red.] bepaalt dat deze beroepen in beginsel worden behandeld met toepassing van
artikel 8:54 Awb. Dit wil zeggen dat zij buiten zitting worden
afgedaan. Daarmee is het probleem echter nog niet geheel opgelost. Dit
wetsvoorstel geeft dezelfde hoofdregel als de Procesregeling, maar gaat op vier punten
verder:
• Dit wetsvoorstel ziet op
alle met bestuursrechtspraak belaste colleges, terwijl de door de
rechtbanken vastgestelde Procesregeling uit de aard der zaak slechts voor de
rechtbanken geldt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State, de
Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het
bedrijfsleven hebben met ingang van 1 januari 2002 eigen - onderling afgestemde
- procesregelingen vastgesteld (zie respectievelijk Stcrt. 2001, 245,
243 en 210) [zie Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006, red.], maar deze bevatten nog geen richtlijnen voor de
behandeling van beroepen wegens niet tijdig beslissen.
• De rechtbank is als
regel slechts bevoegd nadat een bezwaarschriftprocedure is doorlopen. Daarom ziet de
Procesregeling in de meeste gevallen slechts op het niet
tijdig beslissen op bezwaar. Het onderhavige wetsvoorstel geeft ook een
regeling voor het niet tijdig nemen van een primaire beslissing.
• De Procesregeling
schrijft voor dat de rechtbank uitspraak doet binnen vier weken na ontvangst van
de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit wetsvoorstel verplicht de rechtbank binnen acht weken na
ontvangst van het
beroepschrift uitspraak te doen, ook als het bestuursorgaan de op de zaak
betrekking hebbende stukken niet tijdig heeft ingezonden.
• Anders dan de
Procesregeling geeft dit wetsvoorstel een regeling voor het opleggen van een
dwangsom indien het bestuursorgaan ook na veroordeling door de rechtbank nalatig blijft te beslissen.
Het wetsvoorstel is in de
volgende situaties van toepassing:
• De wettelijke
beslistermijn is overschreden, terwijl het bestuursorgaan de aanvrager niet heeft
laten weten dat het de termijn niet haalt en dat de beschikking binnen een
bepaalde termijn zal worden gegeven (artikel
8:55a, eerste lid,
onderdeel a);
• bij het ontbreken van
een wettelijke beslistermijn is de termijn van acht weken overschreden (artikel
4:13, tweede lid), terwijl het bestuursorgaan de aanvrager niet heeft
laten weten dat het de termijn niet haalt en dat de beschikking
binnen een redelijke termijn zal worden gegeven (artikel
8:55a,
eerste lid, onderdeel b);
• de wettelijke
beslistermijn voor een beslissing op bezwaar of in administratief beroep is overschreden,
terwijl het bestuursorgaan de indiener van het bezwaar- of beroepschrift niet heeft laten weten dat
het de termijn niet haalt en
dat de beslissing binnen een bepaalde termijn zal worden gegeven (artikel
8:55a, eerste lid, onderdeel c);
• bij wettelijk
voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is de regeling van toepassing
verklaard (artikel 8:55a, tweede lid).
De voornaamste categorie
gevallen waarin afdeling 8.2.4a niet van toepassing is, betreft de
gevallen waarin een beschikking weliswaar niet binnen de wettelijke termijn
wordt gegeven, maar het bestuursorgaan de aanvrager daarvan wel tijdig
in kennis heeft gesteld (artikel 4:14, eerste en
rblz.|6|
derde lid). In die gevallen
is het bestuursorgaan te laat met het geven van een beschikking, maar is het
op grond van artikel 8:55a niet mogelijk direct beroep in te stellen
bij de rechtbank. Een belanghebbende moet in die gevallen eerst bezwaar
maken wegens niet tijdig beslissen voordat beroep bij de rechtbank kan
worden ingesteld. Dit lijdt uiteraard uitzondering indien afdeling
8.2.4a op
die categorie besluiten op grond van artikel
8:55a, tweede lid, van
toepassing is.
Het toepassingsbereik van de
regeling wordt beperkt tot bovengenoemde situaties, omdat zo eerst
kan worden bezien hoe de regeling in de praktijk uitwerkt en wat de gevolgen
daarvan zijn voor de belasting van de rechterlijke macht. Indien blijkt dat het
overslaan van de bezwaarfase en de snelle, eenvoudige procedure
het beoogde effect hebben, kan op een later tijdstip ervoor worden
gekozen de regeling algemene gelding te geven. Tot die tijd hebben
bestuursorganen nog de gelegenheid orde op zaken te stellen binnen hun
organisatie. Het implementeren van eerdergenoemde organisatorische en
kwaliteitsbevorderende maatregelen is immers een proces dat niet van de ene
op de andere dag effect sorteert.
In de eerste drie gevallen
waarin het wetsvoorstel van toepassing wordt, is een bestuursorgaan wel
heel nalatig: de (wettelijke) beslistermijn is overschreden én het bestuursorgaan heeft niets van zich laten horen. In
deze situaties wordt het
niet tijdig beslissen waarschijnlijk als bijzonder ergerlijk ervaren. Er is dan
immers in feite sprake van een dubbel stilzitten van het bestuur. In
dergelijke gevallen is het niet meer dan redelijk dat de bezwaarfase wordt
overgeslagen en dat direct beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De
afdeling is ook van toepassing op beslissingen op bezwaar en in administratief
beroep. Evenals bij aanvragen om een beschikking staat in geval
van niet tijdig beslissen op bezwaar of in administratief beroep beroep open met
toepassing van afdeling 8.2.4a wanneer de wettelijke beslistermijn
is overschreden zonder dat het bestuursorgaan iets van zich heeft laten
horen (artikel 4:14, eerste lid). In de artikelen 7:14 en
7:27 wordt geregeld dat
artikel 4:14, eerste lid, ook van toepassing is op beslissingen op bezwaar
en in administratief beroep (zie onderdeel G [zie onderdeel
D, red.]). Juist bij beslissingen op
bezwaar is gebleken dat tijdige besluitvorming een nijpend probleem vormt.
Met het wetsvoorstel wordt ook hier enige tijdwinst geboekt ten
opzichte van de "gewone" beroepsprocedure en geldt dat eenvoudig een
dwangsom kan worden opgelegd.
Daarnaast kan in bijzondere
wetten worden bepaald dat het wetsvoorstel van toepassing is. Ook kan
een bestuursorgaan dat zijn processen goed op orde heeft er zelf voor
kiezen dat er in geval van niet tijdig beslissen direct beroep bij de
rechtbank kan worden ingesteld. Benadrukt wordt dat indien in een bijzondere wet
of bij besluit wordt bepaald dat de afdeling van toepassing is op een
bepaald type besluiten, de afdeling ook van toepassing is op de
beslissingen op bezwaar tegen dier besluiten, tenzij dit uitdrukkelijk wordt
uitgezonderd. Dit volgt uit de systematiek van de Awb. Een beslissing op
bezwaar houdt immers een heroverweging in van het primaire besluit en
deelt dus (in ieder geval bij een ontvankelijk bezwaar) het karakter van
het primaire besluit. Wanneer bijvoorbeeld in de Woningwet
wordt bepaald
dat afdeling 8.2.4a van toepassing is op besluiten omtrent
bouwvergunningen, dan geldt die toepasselijkheid ook voor de beslissing op
bezwaar tegen de verlening of weigering van een bouwvergunning, want ook dat
is een besluit omtrent een bouwvergunning. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld
bij een uitkering of een kapvergunning.
Voor beslissingen in administratief beroep geldt in beginsel hetzelfde, maar daar
ligt het uiteraard in de rede dat het bestuursorgaan dat het primaire besluit
neemt afdeling 8.2.4a slechts van toepassing verklaart op de beslissing
in administratief beroep als het beroepsorgaan daarmee instemt.
Overigens kan afdeling
8.2.4a wel uitsluitend van toepassing worden verklaard op beslissingen op
bezwaar tegen bepaalde besluiten (terwijl rblz.|7|
die afdeling dus niet van
toepassing wordt verklaard op de onderliggende primaire besluiten). Naar
wij hopen, zal de implementatie van organisatorische en kwaliteitsbevorderende
maatregelen er in toenemende mate toe leiden dat de regeling in
bijzondere wetten of door bestuursorganen zelf van toepassing wordt
verklaard. Als gezegd, vormt dit wetsvoorstel een sluitstuk van die
maatregelen.
Vanwege de opzet van de
regeling bestaan er tegen niet tijdig beslissen twee rechtsgangen naast
elkaar: in sommige gevallen blijft het huidige regime gelden, waarin eerst
bezwaar moet worden gemaakt wegens niet tijdig beslissen, en in
andere gevallen geldt het nieuwe regime, waarin ook in de primaire fase
direct beroep openstaat bij de rechtbank en waarin eigen procedureregels
gelden. Dat betekent dat de situatie van bezwaar en beroep niet zo
overzichtelijk is als voorheen. Voor een goed begrip zijn de verschillende
rechtsgangen in geval van niet tijdig beslissen hierna in een overzicht weergegeven.
Nieuw regime:
op grond
van afdeling 8.2.4a direct beroep bij de rechter:
• bij overschrijding van
de wettelijke beslistermijn voor primaire besluiten zonder mededeling
als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid;
• bij overschrijding van
de termijn van acht weken van artikel 4:13, tweede lid, zonder
mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid;
• bij overschrijding van
de wettelijke beslistermijn voor beslissingen op bezwaar of in administratief
beroep zonder mededeling als bedoeld in artikel
4:14, eerste lid; en
• in de gevallen waarin afdeling 8.2.4a
in een bijzondere wet of bij besluit van het
bestuursorgaan van toepassing is verklaard.
Huidig regime:
eerst
bezwaar of administratief beroep:
• bij overschrijding van
de wettelijke termijn voor primaire besluiten en er is een mededeling gedaan
als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid (mits
afdeling 8.2.4a niet in een
bijzondere wet of bij besluit van het bestuursorgaan van
toepassing is verklaard);
• bij overschrijding van
de termijn van acht weken van artikel 4:13, tweede lid, en er is een
mededeling gedaan als bedoeld in artikel 4:14, derde lid (mits
afdeling 8.2.4a niet in een bijzondere wet of bij besluit
van het bestuursorgaan van
toepassing is verklaard); en
• bij overschrijding van
de wettelijke termijn voor beslissingen op bezwaar of in administratief
beroep en er is een mededeling gedaan als bedoeld in artikel
4:14, eerste lid (mits afdeling 8.2.4a
niet in een
bijzondere wet of bij
besluit van het bestuursorgaan van toepassing is verklaard).
Opgemerkt wordt dat de
mededeling van het bestuursorgaan op grond van artikel
4:14, eerste of
derde lid, dat het de termijn niet haalt, niet betekent dat de beslistermijn wordt
verlengd. Bij het overschrijden van een wettelijke beslistermijn is
het bestuursorgaan dus, ongeacht of het een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 verzendt, altijd te laat met het
geven van de beschikking.
Op grond van artikel
4:13,
tweede lid, kan de beslistermijn in bijzondere omstandigheden ook al eerder
zijn verstreken dan na acht weken. In die gevallen zou reeds zodra de
redelijke termijn verstreken is bezwaar of beroep wegens niet tijdig
beslissen kunnen worden ingesteld. Er zal in die gevallen echter vaak
verschil van mening bestaan tussen het bestuursorgaan en de belanghebbende over
het antwoord op de vraag wanneer de termijn precies verstreken
is. Er bestaat dan nooit op voorhand zekerheid wanneer de termijn
verstreken is. Dat wordt pas duidelijk door het oordeel van de rechter. Om de
regeling van het wetsvoorstel niet nog ingewikkelder te maken, is ervoor gekozen
om bij het ontbreken van een wettelijke rblz.|8|
beslistermijn alleen
direct beroep bij de rechter open te stellen zodra een termijn van acht weken
is verstreken en geen mededeling is gedaan (artikel
4:14, derde lid). In
voorkomende gevallen zou een belanghebbende die van mening is dat de
redelijke termijn eerder is verstreken dan na acht weken, bezwaar kunnen maken
wegens niet tijdig beslissen en door middel van een voorlopige
voorziening om een rechterlijk oordeel kunnen vragen.
4. Afdoening buiten zitting
De Awb
kent reeds sedert
haar inwerkingtreding de - ook in het pre-Awb-procesrecht al voorkomende
- figuur van de vereenvoudigde afdoening van het beroep. Ingevolge
artikel 8:54 Awb
kan de rechter zonder een zitting te houden op het
beroep beslissen indien dit beroep kennelijk (dat wil zeggen: evident)
gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk is, dan wel de rechtbank
kennelijk
onbevoegd is. De achterliggende gedachte is dat een zitting niet nodig is
als de uitslag van het beroep naar het oordeel van de rechter evident is.
In navolging van de
Procesregeling van de rechtbanken [zie ook Procesregeling
bestuursrecht 2003 e.v., red.] is voor de procedure bij niet tijdig beslissen
aansluiting gezocht bij deze bestaande procedure. Dit heeft het voordeel dat
de wettelijke en jurisprudentiële regels inzake vereenvoudigde
afdoening, waarmee rechter, bestuur en rechtshulpverleners sedert lang vertrouwd zijn,
van toepassing blijven voor zover daarvan in dit
wetsvoorstel niet uitdrukkelijk wordt afgeweken. Dit waarborgt een soepele
invoering van de nieuwe procedure: de praktijk kan voortbouwen op bestaande
ervaringen. Dit voordeel wordt nog sterker doordat dit
wetsvoorstel voortbouwt op de Procesregeling van de rechtbanken, waarmee rechter
en partijen tegen de tijd dat dit voorstel in werking treedt de nodige
ervaring zullen hebben. Erkend zij dat dit in minder mate het geval is bij
de andere bestuursrechtelijke colleges, maar dit is minder bezwaarlijk
nu het in de praktijk vooral de rechtbanken zijn die met beroepen wegens niet
tijdig beslissen worden geconfronteerd. Naar huidig recht is de
rechter in de in artikel 8:54 bedoelde gevallen bevoegd, maar nimmer
verplicht om een beroep vereenvoudigd af te doen. De hoofdregel van het
onderhavige wetsvoorstel is dat hij daartoe in beginsel wel verplicht is indien het een beroep wegens niet tijdig beslissen betreft. Dit is
mogelijk omdat beroepen wegens niet tijdig
beslissen voor de rechter
als regel eenvoudig zijn. Bij beslissingen op aanvraag bepaalt de wet in
de meeste gevallen dat het bestuursorgaan binnen een aantal weken of
maanden na de ontvangst van de aanvraag een besluit moet nemen. Om
vast te stellen of het besluit al dan niet te laat komt, heeft de rechter
dus meestal niet het volledige dossier nodig. Hij hoeft slechts vast te
stellen op welke datum een (volledige) aanvraag is ingediend en daar de
wettelijke beslistermijn bij op te tellen.
Gelet hierop moet het
mogelijk zijn dat de rechtbank binnen acht weken na ontvangst van het
beroepschrift beslist. De Procesregeling bestuursrecht van de rechtbanken
(artikel 11,
eerste lid)
[zie ook artikel 18 van de Procesregeling bestuursrecht
2003 en hoofdstuk 7 van de Procesregeling bestuursrecht
2008, red.] stelt in afwijking hiervan een termijn van vier weken na
ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit houdt
echter het risico in dat de uitspraak wordt vertraagd indien, zoals
helaas soms het geval is, het bestuursorgaan talmt met het inzenden van de
stukken, terwijl de rechter deze stukken als regel niet nodig heeft om op het
beroep te beslissen. Als regel behoeft de rechter slechts te weten op
welke datum de aanvraag is ingediend. Dit zal meestal reeds uit het
beroepschrift en eventueel uit een daarbij overgelegd afschrift van de aanvraag
blijken.
Er zijn echter wel gevallen
waarin de zaak minder eenvoudig is, bijvoorbeeld als in geschil is of de
belanghebbende met uitstel heeft ingestemd, dan wel of de overschrijding
(mede) aan hem is te wijten. Voor die gevallen blijft de rechter
bevoegd te kiezen voor een behandeling ter zitting. In navolging van de
Procesregeling is ervoor gekozen om dan in rblz.|9|
beginsel een versnelde
behandeling (artikel 8:52 Awb) voor te schrijven, die zo mogelijk moet leiden
tot een uitspraak binnen dertien weken na de indiening van het
beroepschrift. Zo mogelijk, omdat uitzonderlijke gevallen denkbaar zijn
waarin het beroep wegens niet tijdig beslissen dermate complex is dat een
gewone behandeling nodig is, die niet binnen dertien weken kan worden
afgerond.
5. Ook beroep bij het niet
tijdig nemen van een primair besluit
Ingevolge artikel
7:1 Awb moet, alvorens beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, als
regel eerst een bezwaarschrift worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
het bestreden besluit heeft genomen. Naar huidig recht geldt dit
ook in alle gevallen van niet tijdig beslissen. Als een bestuursorgaan te
laat op een aanvraag beslist, moet de belanghebbende dus eerst een bezwaarschrift
wegens niet tijdig beslissen indienen. Pas als ook daarop
niet tijdig wordt beslist, heeft betrokkene toegang tot de rechter. Dit
kan, afhankelijk van de omstandigheden, na de indiening van het
bezwaarschrift nog zes tot veertien weken duren (vgl. artikelen 7:10 en
7:13 Awb).
Deze rechtsgang werkt in de
praktijk vaak niet bevredigend. Hoewel veel bestuursorganen zich
inspannen om na indiening van een bezwaarschrift wegens niet tijdig beslissen
ten spoedigste alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen, komt het voor dat
een bestuursorgaan daarvoor de volle termijn voor de beslissing
op bezwaar benut, of zelfs na afloop daarvan nog altijd geen inhoudelijke
beslissing heeft gegeven. In dat geval kan het voorkomen dat de
belanghebbende vele maanden na afloop van de wettelijke beslistermijn nog
altijd geen inhoudelijke beslissing heeft. Bestuursorganen weten ook
niet altijd goed raad met bezwaarschriften wegens niet tijdig
beslissen. De enige juiste reactie is zo snel mogelijk alsnog een inhoudelijk
besluit nemen. Als dit gebeurt, ontstaat nogal eens verwarring over de vraag of
dit inhoudelijke besluit nu een primair besluit of een beslissing op bezwaar
is, alsook over de vraag of nog afzonderlijk op het bezwaarschrift wegens
niet tijdig beslissen moet worden beslist. Het komt zelfs voor dat een
bestuursorgaan het bezwaarschrift wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaart, maar daarbij nog steeds geen
inhoudelijke beslissing
neemt. Daar schiet de belanghebbende natuurlijk weinig mee op.
De Procesregeling
bestuursrecht [zie ook Procesregeling bestuursrecht
2003 e.v., red.] lost deze problemen niet op en kan deze ook niet oplossen, omdat zij
uiteraard de wettelijke verplichting om eerst bezwaar te maken niet opzij
kan zetten. Daarom voorziet het onderhavige voorstel in de mogelijkheid
om in bepaalde gevallen bij overschrijding van de primaire
beslistermijn rechtstreeks de rechter te adiëren. Daartoe wordt in artikel
7:1, eerste
lid, Awb bepaald dat de verplichting om eerst een bezwaarschriftprocedure
te doorlopen niet geldt indien tegen het niet tijdig beslissen beroep
openstaat met toepassing van de nieuwe afdeling
8.2.4a. Voor partijen
betekent dit geen verlies van instantie. Zoals hierna zal worden uiteengezet,
heeft het rechterlijk oordeel namelijk in beginsel betrekking op de vraag of al
dan niet tijdig is beslist, niet op de inhoud van de zaak.
6. De schriftelijke
ingebrekestelling
Dit wetsvoorstel biedt de
burger in bepaalde gevallen een snelle en effectieve procedure tegen te laat
beslissen door het bestuur. Maar de burger moet het bestuur niet met
deze procedure kunnen overvallen. Het is niet meer dan redelijk dat de
belanghebbende het bestuur eerst even laat weten dat het naar zijn
oordeel in gebreke is. Dit is een eis die ook elders in ons bestuursrecht wordt
gesteld. Zo neemt ook de Nationale ombudsman
een klacht in
beginsel niet in behandeling indien deze niet eerst aan het bestuur
kenbaar is gemaakt (het zogenaamde rblz.|10|
"kenbaarheidsvereiste" van artikel
12, tweede lid, Wet
Nationale ombudsman). Daarom is bepaald dat het
beroep wegens niet tijdig beslissen slechts ontvankelijk is indien de
belanghebbende het bestuur schriftelijk in gebreke heeft gesteld.
Dit kan ook voor de burger
voordelen hebben. Vaak zal het bestuur in de ingebrekestelling aanleiding
zien om de besluitvorming in de bewuste zaak zoveel mogelijk te
versnellen. Als dat tot gevolg heeft dat de tussenkomst van de rechter niet meer
nodig is, is dat voor alle betrokkenen een betere en goedkopere oplossing. Het voorkomt voorts onnodige belasting
van de rechter. Ook is
natuurlijk denkbaar dat de belanghebbende ten onrechte meent dat de
beslistermijn al is overschreden. De ingebrekestelling kan dan aanleiding zijn om
de belanghebbende nog eens voor te lichten over de juiste
termijn.
In geval van het niet tijdig
nemen van een primair besluit fungeert de ingebrekestelling zo in
zekere zin als een lichter en informeler alternatief voor het bezwaar wegens niet
tijdig beslissen. In geval van het niet tijdig beslissen op een
bezwaarschrift betekent de eis van een voorafgaande ingebrekestelling ten
opzichte van het huidige recht op papier een verzwaring van de eisen die aan de
burger worden gesteld. In de praktijk is het verschil echter niet zo
groot. Ook nu al gaat aan een beroep wegens niet tijdig beslissen vaak de
nodige correspondentie vooraf. Omdat het beroep wegens niet tijdig beslissen
niet aan een termijn is gebonden, is het immers meestal niet nodig om
het rauwelijks in te stellen.
Aan het vereiste van
schriftelijke ingebrekestelling kan ook worden voldaan door het indienen
van een schriftelijke klacht als bedoeld in artikel 9:4
Awb. Men zie nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel I,
onderdeel D (artikel 6:12).
Een ingebrekestelling is ten slotte niet nodig indien deze redelijkerwijs
niet kan worden gevergd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de zaak zeer
spoedeisend is.
Over de ingebrekestelling
zijn in de adviezen veel opmerkingen gemaakt. De ingebrekestelling zou
niet binnen het systeem van de Awb passen, nodeloos ingewikkeld en
verwarrend zijn en feitelijk de beslistermijn met twee weken verlengen. Met
name om redenen van proceseconomie, zoals hiervoor uiteengezet, is de
ingebrekestelling echter niet onredelijk. Het vereiste van schriftelijke
ingebrekestelling is dan ook gehandhaafd.
7. Inhoudelijke beoordeling
van de zaak
Voorheen - en in het
spraakgebruik ook nu nog wel - werd het niet tijdig beslissen op een aanvraag
wel aangeduid als een "fictieve weigering". De Wet Arob [Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen; voordien vanaf 1963
de Wet beroep administratie beschikkingen (Wet BAB), red.] - die tussen 1976
en 1994 algemeen aanvullende rechtsbescherming tegen de overheid bood - hanteerde in artikel 3 namelijk de
fictie dat een bestuursorgaan dat
niet tijdig op een aanvraag had beslist, geacht werd de aanvraag te hebben
afgewezen. Dit betekende dat de rechter in beginsel inhoudelijk moest
beoordelen of deze afwijzing de rechterlijke toets kon doorstaan.
De
Algemene wet bestuursrecht hanteert deze fictie niet expliciet.
Artikel 6:2 stelt het niet tijdig
beslissen gelijk met een besluit, zodat daartegen beroep kan worden ingesteld,
maar kleurt dit fictieve besluit niet met zoveel woorden inhoudelijk
in. Uit de memorie van toelichting (PG Awb
I, blz. 281-283) blijkt
echter wel dat de wetgever ervan uitging dat de rechter naar aanleiding van
een beroep wegens niet tijdig beslissen ook tot een inhoudelijke
beoordeling van de zaak zou kunnen overgaan.
De Afdeling
bestuursrechtspraak heeft enige tijd geleden geoordeeld dat de bestuursrechter bij een
beroep wegens niet tijdig beslissen in het algemeen slechts kan beoordelen of de
beslistermijn is overschreden; hij mag in beginsel geen inhoudelijk
oordeel geven (ABRvS 3-12-1998, AB 1999, 107 m.nt. FM; JB 1999, 13 m.nt.
FAMS (De Gier/Haarlemmermeer)). Aanvankelijk werd in het voorontwerp
voortgebouwd op deze jurisprudentie van de Afdeling. Het vierde lid van
artikel 6:20 Awb, dat bepaalt dat het bezwaar
rblz.|11|
en beroep mede worden geacht
te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, kwam daarin te
vervallen omdat de procedure uitsluitend gericht moest zijn op het
snel verkrijgen van een rechterlijk oordeel. Naar aanleiding van de ontvangen
adviezen wordt hiervan echter teruggekomen en wordt voorgesteld artikel
6:20, vierde lid, te handhaven. Vrijwel alle geconsulteerde
rechterlijke colleges en instanties (Hoge Raad, Afdeling bestuursrechtspraak
van de
Raad van State, NVvR en Raad voor de rechtspraak) hebben
aangegeven dat zij het vierde lid van artikel 6:20 een voor de praktijk zinvolle
regeling vinden, met name voor zover het gaat om beslissingen op bezwaar
die hangende het beroep worden genomen. De handhaving van het vierde
lid van artikel 6:20 brengt mee dat het ook mogelijk blijft om een
hangende het beroep afgekomen primair besluit inhoudelijk te beoordelen.
De grootste nadelen van deze mogelijkheid - doorkruising van de
bezwaarschriftprocedure en verlies van een instantie - worden ondervangen door
handhaving van artikel 6:20, vijfde lid (dat aanvankelijk ook werd
geschrapt in het voorontwerp), dat de bevoegdheid bevat van de rechter om de
zaak terug te verwijzen naar het bestuursorgaan.
Ook is in enkele adviezen
opgemerkt dat de mogelijkheid om een "fictief besluit" in te kleuren
indien de zaak zich leent voor toepassing van artikel 8:72
Awb
behouden moet
blijven. Hoewel uitgangspunt van het wetsvoorstel blijft dat een beroep wegens
niet tijdig beslissen primair moet worden beschouwd als een procedureel middel en dat het bestuursorgaan alsnog
een inhoudelijke beslissing
moet nemen, blijft het bij wijze van uitzondering ook mogelijk dat de rechtbank
zelf in de zaak voorziet (artikel
8:72, vierde lid, Awb). Uit een
oogpunt van proceseconomie is dit immers een praktische en zinvolle
mogelijkheid.
8. De uitspraak
Als gezegd, gaat de
voorgestelde procedure in beginsel slechts over de vraag of de beslistermijn
is overschreden. Dit komt tot uiting in de inhoud van de uitspraak. Indien het
beroep gegrond is - dus indien de beslistermijn inderdaad is overschreden
- moet de rechter ingevolge artikel 8:55c
in beginsel bepalen dat het
bestuur binnen twee weken alsnog een besluit bekendmaakt. Dit lijkt
ongerijmd: een bestuursorgaan dat al te laat is met beslissen, krijgt nog eens
twee weken de tijd. De realiteit gebiedt echter te erkennen dat het alsnog op
schrift stellen en bekendmaken van een besluit nu eenmaal enige
tijd neemt. De rechter is echter wel bevoegd een kortere termijn te stellen
indien de omstandigheden daartoe nopen.
Het is echter onvermijdelijk
dat er van tijd tot tijd ook gevallen zullen zijn waarin de rechter een
langere termijn moet stellen. De rechter kan namelijk voor een dilemma tussen
snelheid en zorgvuldigheid komen te staan. Er zijn bijvoorbeeld
gevallen waarin een zorgvuldig besluit een medisch advies vereist. Indien dit
advies er bij het verstrijken van de beslistermijn nog niet is, hetzij omdat de
adviseur onvoldoende voortvarend te werk gaat, hetzij omdat het
bestuur te laat om advies heeft gevraagd, is het niet zonder meer verantwoord om
de zorgvuldigheid aan de snelheid op te offeren. Daarom biedt het
voorstel de rechter de ruimte om zo nodig een langere termijn te stellen,
dan wel een andere voorziening te treffen. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan het stellen van een termijn voor de volgende
stap in de procedure die uiteindelijk tot een besluit moet leiden.
De verplichting om een
termijn te stellen, geldt uiteraard niet indien inmiddels - al dan niet
onder druk van het beroep - alsnog een besluit is genomen. In dat geval
kan de
rechter volstaan met het gegrond verklaren van het beroep, voor zover
de indiener daarbij nog belang heeft.
rblz.|12|
9. De dwangsomprocedure
Aangenomen mag worden dat
het bestuursorgaan in de overgrote meerderheid van de gevallen zal voldoen
aan het rechterlijk bevel om binnen twee weken alsnog te
beslissen. Het moet daaraan ook kunnen voldoen, omdat het als regel al de
nodige extra tijd heeft gehad: in ieder geval twee weken, maar vaak zal daar
ook de duur van de procedure wegens niet tijdig beslissen bij moeten
worden opgeteld, en in sommige gevallen ook nog de periode die is
verstreken voordat dit beroep werd ingesteld. Het is daarom niet nodig de rechter
te verplichten om aan zijn uitspraak steeds een dwangsom te verbinden.
De rechter is daartoe overigens - ook naar huidig recht - wel bevoegd indien daartoe aanleiding bestaat (artikel
8:72, zevende lid). Ook zonder
dwangsom betekent de voorgestelde procedure voor bestuursorganen
overigens al een financiële prikkel tot tijdig beslissen. Bij een gegrond
beroep moet het bestuursorgaan immers het griffierecht vergoeden (artikel
8:74, eerste lid) en kan het in de proceskosten van de belanghebbende worden
veroordeeld (artikel 8:75).
Maar het is helaas niet
helemaal ondenkbaar dat het bestuur na afloop van de door de rechter
gestelde termijn nog steeds geen besluit heeft genomen. Voor dat geval
voorziet het wetsvoorstel in een eenvoudige procedure om het bestuur
alsnog een dwangsom op te leggen. De belanghebbende kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het verzoek
alsnog een dwangsom aan de
eerdere uitspraak te verbinden. Voor dat verzoek is geen griffierecht
verschuldigd. De procedure voor de behandeling van het verzoek is ontleend
aan de voorlopigevoorzieningsprocedure. Dit maakt een snelle
beslissing mogelijk. Een snelle beslissing is ook verantwoord, omdat de
rechter eenvoudig kan vaststellen of de eerder gestelde termijn is
verstreken en of er inmiddels een besluit is. Daarnaast behoeft nog slechts over de
hoogte van de dwangsom te worden beslist.
10. Verhouding tot de
voorlopige voorziening
Thans wordt de rechter soms
verzocht om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat het
bestuursorgaan binnen een bepaalde termijn alsnog zal beslissen. Hoewel
deze oplossing soms het gewenste resultaat heeft, is zij systematisch
minder juist. Zij impliceert immers dat het oordeel van de rechter dat
de beslistermijn is overschreden een voorlopig karakter heeft. In de
gevallen waarin dit wetsvoorstel niet van toepassing is, blijft deze mogelijkheid
uiteraard bestaan. Indien dit wetsvoorstel wel van toepassing is, geeft de
rechter echter op korte termijn een oordeel ten gronde over de vraag of de
beslistermijn is overschreden. Voor laatstbedoelde gevallen zal een
voorlopigevoorzieningprocedure doorgaans nauwelijks sneller zijn dan
de in dit voorstel geregelde procedure.
Daarnaast kan er in beide
gevallen behoefte bestaan aan een voorlopige voorziening die betrekking
heeft op de inhoud van de zaak. In dat geval zal de rechter het niet tijdig
beslissen inhoudelijk moeten duiden. Een treffende illustratie daarvan biedt
Pres. CBb 24-3-2001, AB 2001, 191 m.nt. JHvdV. In deze zaak verzocht
een aantal exploitanten van dierentuinen de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij om ontheffing van het verbod op vaccinatie tegen
monden klauwzeer. Twee dagen later dienden zij een bezwaarschrift
wegens niet tijdig beslissen in en vroegen zij de president van het College
van Beroep voor het bedrijfsleven een voorlopige voorziening te treffen,
inhoudende dat de minister de gevraagde ontheffing moest verlenen.
De volgende dag oordeelde de president dat in dit bijzondere geval de
redelijke termijn van artikel 4:13 Awb
inderdaad reeds na twee dagen was
verstreken. Tevens oordeelde hij dat er in dit bijzondere geval aanleiding
was om dit niet tijdig beslissen te duiden als een (fictieve) weigering van
de gevraagde ontheffing. Deze weigering bleek uiteindelijk de
rechterlijke toets te kunnen doorstaan. Waar het om gaat, is echter dat de
rechter een inhoudelijk - zij het voorlopig - oordeel rblz.|13|
gaf. Het belang van
verzoekers bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of een ontheffing mogelijk
was, was onder de gegeven omstandigheden dermate spoedeisend dat een
bevel aan het bestuursorgaan om alsnog een besluit te nemen in dit
geval geen adequate rechtsbescherming zou zijn geweest.
Een dergelijk voorlopig
inhoudelijk oordeel blijft ook in de thans voorgestelde procedure mogelijk. Indien
beroep wegens niet tijdig beslissen is ingesteld, is voldaan aan
het in artikel 8:81 Awb
neergelegde connexiteitsvereiste en kan dus een voorlopige
voorziening worden gevraagd.
De mogelijkheid om bij wege
van voorlopige voorziening een voorlopig inhoudelijk oordeel te
krijgen, brengt voorts mee dat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak kan
doen in de hoofdzaak op grond van artikel 8:86
Awb. Dit wordt
wel "kortsluiting" genoemd. Artikel 8:86 bepaalt dat kortsluiting
slechts mogelijk is als beroep bij de rechter is ingesteld. Dit houdt verband
met het gegeven dat een verzoek om voorlopige voorziening ook mogelijk is
indien nog slechts een bezwaarschrift is ingediend. In laatstgenoemd
geval is het ongewenst dat de rechter inhoudelijk op de uitkomst van de
bezwaarschriftprocedure zou gaan vooruitlopen. Het onderhavige voorstel
doet aan de bevoegdheid tot kortsluiting in beginsel niet af. Volgens
het onderhavige voorstel kan echter ook beroep bij de rechter worden
ingesteld indien niet tijdig een primair besluit is genomen. Ook dan
is derhalve kortsluiting mogelijk. Omdat de hoofdzaak echter slechts
betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn is overschreden, zal ook het
oordeel ten gronde na kortsluiting slechts daarop betrekking hebben.
Dat betekent dat de rechter met toepassing van artikel
8:55c kan
bepalen dat het bestuursorgaan binnen twee weken alsnog een beslissing moet
nemen. Met dit oordeel wordt inhoudelijk niet vooruitgelopen op de
uitkomst van de bezwaarschriftprocedure.
Het voorgaande ligt anders
indien het bestuursorgaan hangende het beroep wegens niet tijdig
beslissen een primair besluit neemt in de onderliggende zaak. Voor die gevallen
bepaalt artikel 6:20, vierde lid, Awb
dat het beroep geacht wordt te
zijn gericht tegen het primaire besluit. Dat betekent dat het ingestelde
beroep van aard verandert: het wordt van een procedureel middel een
inhoudelijk middel. Dat leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de
hoofdzaak inhoudelijk kan afdoen indien hij van mening is dat nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
De bevoegdheid tot
kortsluiting bestaat ongeacht of het verzoek om een voorlopige voorziening is
toegewezen of afgewezen. Het is immers denkbaar dat de gevraagde voorlopige
voorziening wordt afgewezen omdat de verzoeker een onvoldoende
spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijk vooruitlopen op de zaak, hoewel wel
vaststaat dat het bestuursorgaan
de beslistermijn heeft
overschreden.
11. Gevolgen voor de rechter
De kern van dit voorstel is
dat bepaalde beroepen wegens niet tijdig beslissen op een andere
wijze moeten worden behandeld dan gewone beroepen. Derhalve zullen de
met bestuursrechtspraak in eerste aanleg belaste colleges
voorzieningen moeten treffen om direct na ontvangst van een beroepschrift te
beoordelen of dit betrekking heeft op niet tijdig beslissen of op een reëel
besluit. Voor de rechtbanken is dit niet nieuw, omdat de noodzaak daartoe
ook al voortvloeit uit de Procesregeling bestuursrecht, zoals deze
sedert 1 oktober 2001 geldt [zie ook Procesregeling
bestuursrecht 2003 e.v., red.]. Voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het
College
van Beroep voor het bedrijfsleven is het wel nieuw en vergt het dus een aanpassing van
de administratieve procedures voor de behandeling van beroepen in
eerste aanleg. Deze aanpassing is echter beperkt en dus zonder veel
problemen te realiseren.
Het ligt in de lijn der
verwachting dat als gevolg van de nieuwe procedure rblz.|14|
het aantal beroepen wegens
niet tijdig beslissen aanvankelijk zal toenemen, reeds omdat ook
beroep mogelijk wordt bij overschrijding van de primaire beslistermijn.
De omvang van dit effect is echter niet te voorspellen: er bestaan geen betrouwbare
kwantitatieve gegevens over het aantal gevallen waarin het
wetsvoorstel van toepassing zal zijn. Evenmin kan worden voorspeld in
welk percentage van deze gevallen beroep zal worden ingesteld.
Aannemelijk is voorts dat dit effect na verloop van tijd weer zal afnemen. Als het
nieuwe rechtsmiddel effectief blijkt, zullen bestuursorganen immers
genoodzaakt zijn ervoor zorg te dragen dat de beslistermijnen minder vaak
worden overschreden. Bovendien zal de ingebrekestelling, zoals in paragraaf
6 van deze toelichting al is aangegeven, onnodige belasting van de
rechter kunnen voorkomen. Het bestuur zal de besluitvorming naar
aanleiding van de ingebrekestelling immers zoveel mogelijk kunnen
versnellen, zodat een gang naar de rechter niet meer nodig zal zijn.
Overigens zal de belasting van de rechterlijke macht vanwege het beperkte
toepassingsbereik van het wetsvoorstel in ieder geval minder groot zijn dan
waarvoor in enkele adviezen werd gevreesd. In het voorontwerp werd
immers nog uitgegaan van algemene gelding van het voorstel.
12. Gevolgen voor het
bestuur
Voor bestuursorganen die
thans stelselmatig te laat beslissen op een bezwaarschrift of een
aanvraag en de aanvrager niet meedelen dat de termijn wordt overschreden
en dat zij binnen een bepaalde termijn de beschikking zullen geven (artikel
4:14, eerste en derde lid), kunnen de gevolgen van de nieuwe
procedure ingrijpend zijn. Zij kunnen worden geconfronteerd met een groot
aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen en wellicht zelfs
met dwangsommen. In dat geval zal het desbetreffende bestuursorgaan zich
genoodzaakt zien maatregelen te treffen om te waarborgen dat als regel
op tijd wordt beslist. Soms zal het daarbij gaan om aanpassingen in de
werkwijze of de organisatie. Niet kan echter worden uitgesloten dat
sommige bestuursorganen zullen moeten investeren in extra capaciteit voor de
afhandeling van aanvragen of bezwaarschriften. De budgettaire gevolgen
daarvan zullen door de desbetreffende bestuursorganen binnen hun
eigen begrotingen moeten worden opgevangen. Van een bestuursorgaan mag
immers worden verwacht dat het voldoende middelen vrijmaakt
om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdelen A en B
[zie onderdelen Ba en Bb,
red.] (artikelen
4:13 en 4:14)
De redactie van de
artikelen
4:13 en 4:14 wordt geharmoniseerd door voortaan overal het begrip
mededeling te bezigen in plaats van kennisgeving.
Onderdeel C [zie onderdeel
Bc, red.] (artikel
4:15)
Het instellen van bezwaar of
beroep wegens niet tijdig beslissen kan onredelijk zijn in gevallen waarin het
niet tijdig beslissen niet aan het bestuursorgaan is te wijten. In het nieuwe
tweede en derde lid van artikel 4:15 is bepaald dat de beslistermijn
in bepaalde gevallen van rechtswege of door een kennisgeving van het
bestuursorgaan wordt opgeschort. Het betreft de volgende gevallen:
• de aanvrager is met
uitstel akkoord gegaan;
rblz.|15|
• de dreigende
termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de aanvrager;
• het bestuursorgaan is
feitelijk verhinderd een beschikking te geven als gevolg van overmacht; of
• het bestuursorgaan heeft
ter voorbereiding van de beschikking bij één of meer instanties in het
buitenland verzocht om informatie en die informatie is niet tijdig
beschikbaar.
Hoewel het voor zich lijkt
te spreken dat een bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen
niet-ontvankelijk is indien de aanvrager akkoord is gegaan met uitstel van de
beslissing, bevat de wet nog geen voorziening dat de beslistermijn in die
gevallen wordt opgeschort of verlengd. In die gevallen wordt de
beslistermijn voortaan opgeschort (tweede lid, onderdeel a). De instemming met
uitstel zal uiteraard wel uitdrukkelijk moeten zijn gegeven of zonder
twijfel moeten kunnen worden afgeleid uit de gang van zaken.
In de tweede plaats wordt de
termijn opgeschort indien het niet tijdig beslissen aan de aanvrager
moet worden toegerekend (tweede lid, onderdeel b). De situatie kan zich
voordoen dat het bestuursorgaan niet tijdig zal kunnen beslissen omdat
de aanvrager enkele dagen vóór afloop van de beslistermijn nog
omvangrijke pakketten nadere gegevens opstuurt, of omdat de aanvrager zelf bij
herhaling om uitstel van een hoorzitting of om nader onderzoek heeft
gevraagd en het bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd. Dergelijke
situaties zouden er niet toe mogen leiden dat de beslistermijn verstrijkt en
het bestuursorgaan te laat is met het geven van een beschikking. Overigens
wordt de beslistermijn in gevallen van dreigende termijnoverschrijding die
wordt veroorzaakt door een verzuim van de aanvrager, opgeschort op
grond van het eerste lid van artikel 4:15.
In de derde plaats kan zich
de uitzonderlijke situatie voordoen dat een bestuursorgaan wegens
overmacht geen beschikking kan geven. Ook in die gevallen kan de termijn
worden opgeschort (tweede lid, onderdeel c). Het instellen van bezwaar en
beroep heeft immers geen zin als daarmee het doel niet kan worden
bereikt doordat het bestuursorgaan zich in een overmachtsituatie bevindt
(vergelijk, maar dan voor de omgekeerde situatie: voorzitter ABRvS
25 februari 1999, JM 1999/66). Van overmacht zal niet snel sprake zijn.
Het zal dan in ieder geval moeten gaan om een onmogelijkheid om te
beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden
buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn
risicosfeer liggen. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer het
gemeentehuis is afgebrand of onder water gelopen. Uit de
jurisprudentie inzake termijnoverschrijdingen kan echter worden afgeleid dat
ziekteverzuim en administratieve of organisatorische problemen binnen de
invloedssfeer van het bestuursorgaan niet een beroep op overmacht
rechtvaardigen, ook niet als zij van structurele aard zijn (bijvoorbeeld vz.
CBb 28
april 1995, JB 1995/136, en Rechtbank Roermond 9 februari 1996, JB
1996/102), evenmin als het niet tijdig ter beschikking komen van informatie van een
ander bestuursorgaan (CBb 25 november 2003, LJN
AO1044), het willen afwachten van een rechterlijke beslissing in een andere
zaak (ABRvS 5 november 2003, JB 2004/11) of een verzoek van de
Europese Commissie (vz CBb 30 januari 2004, JM 2004/87 en JB 2004/ 138). In
een andere uitspraak nam de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State zonder meer aan dat aan de eis van een integrale
beoordeling in onderlinge samenhang van ruim 2000 bezwaarschriften, onmogelijk binnen de wettelijke termijn kon worden voldaan (ABRvS 19
november 2003, JB 2004/19). Het bestuursorgaan moet van de
opschorting wegens overmacht mededeling doen aan de aanvrager. Doet
het bestuursorgaan dat niet, dan verstrijkt de termijn, is het
bestuursorgaan te laat en kan bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen worden
ingesteld.
Het nieuwe derde lid biedt
het bestuur de mogelijkheid de beslistermijn op te schorten indien het in
het kader van een zorgvuldige voorbereiding informatie moet inwinnen in
het buitenland, maar die informatie niet tijdig rblz.|16|
beschikbaar is. Bij
beschikkingen op het gebied van de sociale zekerheid kan het bijvoorbeeld
relevant zijn of de aanvrager een vrouw of kinderen heeft in Marokko of dat hij
daar onroerende zaken bezit. De praktijk leert dat dergelijke informatie
vrijwel nooit binnen de wettelijke beslistermijn of de termijn van acht weken
van artikel 4:13 Awb
beschikbaar is. Het uitstel mag echter niet onredelijk
lang duren. In eerste instantie dient het bestuursorgaan er zelf op
toe te zien dat het uitstel niet onredelijk lang duurt. Het eindoordeel
daarover ligt echter bij de rechter. Indien de aanvrager van mening is dat
verder uitstel niet meer redelijk is, kan hij bezwaar maken wegens niet
tijdig beslissen.
De opschorting op grond van
het tweede lid, onderdeel c, en het derde lid werkt pas als het
bestuursorgaan daarvan mededeling heeft gedaan. De mededeling moet vóór het
verstrijken van de beslistermijn worden verzonden. Doet een
bestuursorgaan dat niet, dan is de beschikking niet tijdig gegeven en kan
bezwaar of beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Indien een bestuursorgaan na
afloop van de beslistermijn in gebreke wordt gesteld en
binnen twee weken na de ingebrekestelling een mededeling van opschorting
verzendt, is het bestuursorgaan te laat. De belanghebbende kan dan twee
weken na de ingebrekestelling beroep instellen bij de rechtbank.
De mededeling van
opschorting is een beschikking. Tegen de mededeling kan echter niet afzonderlijk
bezwaar en beroep worden ingesteld, omdat het een
voorbereidingshandeling betreft in de zin van artikel
6:3 Awb. Dat lijdt uitzondering indien de
mededeling de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit
rechtstreeks in zijn belang treft.
Onderdeel D [zie onderdeel
Ca, red.] (artikel
6:12)
Artikel 6:12 is aangepast
aan de situatie dat in bepaalde gevallen direct beroep bij de rechtbank
kan
worden ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Tevens is van de
gelegenheid gebruik gemaakt het vijfde lid technisch aan te passen. Ter
wille van de duidelijkheid is het artikel opnieuw vastgesteld.
In het systeem van de Awb
worden het bezwaar en beroep wegens niet tijdig beslissen mogelijk
gemaakt door artikel 6:2, aanhef en onder
b. Daar is bepaald dat het niet
tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften
inzake bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.
Dit neemt niet weg dat de Awb ook thans reeds enkele bijzondere
regels geeft voor een beroep wegens niet tijdig beslissen. Zo bepaalt
artikel 6:12, eerste lid, dat bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen
niet aan een termijn is gebonden. Het grote voordeel van deze regel is
dat een belanghebbende bij overschrijding van de beslistermijn kan
besluiten - al dan niet in overleg met het bestuursorgaan - om het bestuursorgaan
nog wat meer tijd te gunnen, zonder daarmee zijn recht te
verspelen om later alsnog bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen
in te stellen.
Nieuw in het derde lid is
het vereiste van een schriftelijke ingebrekestelling (zie ook paragraaf
6 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting). Het derde lid brengt mee dat
het beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld zodra aan
twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats dient de
beslistermijn inderdaad te zijn verstreken (artikel
6:12, derde lid, onderdeel a).
Indien dit niet het geval is, is het beroep te vroeg ingesteld en derhalve
niet-ontvankelijk.
In de tweede plaats dient de
belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke te stellen.
Daarbij dient hij het bestuursorgaan nog enige tijd te gunnen om alsnog te
beslissen, anders heeft de ingebrekestelling immers geen zin. Ter wille
van de duidelijkheid is deze termijn gefixeerd op twee weken. Indien het
beroep wordt ingesteld voordat deze termijn is verstreken, is het in
beginsel prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.
De termijn van twee weken
vangt aan op de dag na die waarop de rblz.|17|
ingebrekestelling is verzonden.
Indien een belanghebbende het bestuur op maandag 11 februari in
gebreke stelt, is de eerste dag van de termijn dus dinsdag 12 februari. De
laatste dag van de termijn is dan maandag 25 februari, zodat vanaf
dinsdag 26 februari beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden
ingesteld. De ingebrekestelling dient schriftelijk te geschieden. De vraag in
hoeverre ingebrekestelling langs elektronische weg mogelijk is, moet worden
beantwoord aan de hand van afdeling 2.3 Awb
(verkeer langs
elektronische weg).
De belanghebbende kan het
bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat
het bestuursorgaan in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij een
aanvraag of bezwaarschrift het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te
stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de
ingebrekestelling immers zijn functie niet meer kunnen vervullen. Aan de inhoud van
de ingebrekestelling zijn geen specifieke wettelijke eisen gesteld.
Het spreekt echter vanzelf dat van een ingebrekestelling in de zin van de wet
slechts
sprake kan zijn indien voldoende duidelijk is op welk te
nemen besluit zij betrekking heeft.
Als de belanghebbende over
het niet tijdig beslissen een schriftelijke klacht als bedoeld in
artikel 9:4 Awb
indient, is daarmee tevens voldaan aan het vereiste van
schriftelijke ingebrekestelling. Het bestuursorgaan is dan in beginsel niet
verplicht, maar wel bevoegd, de klacht als zodanig te behandelen, omdat beroep
mogelijk is (artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onderdeel
d, Awb). Naar
huidig recht is een klacht die gericht is tegen niet tijdig beslissen aan te
merken als een bezwaarschrift. Indien geen bezwaar meer mogelijk is als
gevolg van dit voorstel, zal de klacht voortaan als
ingebrekestelling kunnen worden aangemerkt. Een goede behandeling van de klacht
kan een gang naar de rechter voorkomen. Vooropstaat overigens dat
zo snel mogelijk alsnog een besluit moet worden genomen. Indien dit
geschiedt, zal de klager in veel gevallen geen behoefte meer hebben aan een
verdere behandeling van zijn klacht. Eén en ander geldt mutatis
mutandis ook als een klacht bij de Nationale ombudsman
is ingediend (zie
de artikelen 14, aanhef en onder g, en 16, aanhef en onder
c, Wet
Nationale ombudsman).
Anders dan de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de NVvR, de
NOvA en de
Nederlandse Orde van Belastingadviseurs wensen, wordt voorlichting over de
nieuwe beroepsmogelijkheid niet verplicht gesteld. Dat zou er immers
op neerkomen dat een bestuursorgaan alle aanvragers van een
beschikking nog voordat het een beschikking geeft, zou moeten wijzen op de
mogelijkheid om bezwaar te maken of, voor de gevallen waarin dit
wetsvoorstel van toepassing is, beroep in te stellen wanneer het niet tijdig de
beschikking geeft. De Awb kent bij aanvragen echter niet de plicht voor
een bestuursorgaan om een ontvangstbevestiging van de aanvraag te sturen.
De baten van het doen van een dergelijke afzonderlijke mededeling
wegen dan ook niet op tegen de administratieve lasten daarvan.
Indien een bestuursorgaan
niet in gebreke is gesteld voordat beroep wordt ingesteld, is het
beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet van belanghebbende kan
worden gevergd dat hij het bestuursorgaan eerst in gebreke stelt. Voor
die gevallen bevat het nieuwe vierde lid een voorziening. Dit kan zich
bijvoorbeeld voordoen als de zaak zozeer spoedeisend is dat een
ingebrekestelling niet kan worden afgewacht.
Wanneer een beroep wegens
niet tijdig beslissen als onredelijk laat moet worden aangemerkt, hangt
sterk van de omstandigheden van het geval af. Daarbij speelt een rol in
hoeverre belanghebbende na het verstrijken van de beslistermijn over de
zaak in contact is gebleven met het bestuursorgaan. Zo werd in ABRvS
12 augustus 1999,
AB 1999, 392 m.nt. MSV, een ruim een jaar na het verstrijken
van de beslistermijn ingesteld beroep niet als onredelijk laat aangemerkt,
onder meer omdat belanghebbenden op grond van correspondentie
met het bestuursorgaan gedurende dit jaar mochten verwachten dat
alsnog een besluit zou worden genomen. In een rblz.|18|
zaak echter waarin een
belanghebbende na de laatste brief van het bestuursorgaan ruim een jaar
lang niets van zich liet horen en toen alsnog beroep instelde, werd dit
beroep wel als onredelijk laat aangemerkt en daarom niet-ontvankelijk
verklaard (CBb 16 april 1998, AB 1998, 289 m.nt. JHvdV).
Onderdeel E [zie onderdeel
Cb, red.] (artikel
6:20)
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt artikel 6:20 op enkele punten technisch aan te passen.
Onderdeel F [zie onderdeel
Cc, red.] (artikel
7:1)
Om redenen die in
paragraaf
5 van het algemeen deel van deze toelichting zijn uiteengezet, wordt
voorgesteld de verplichte bezwaarschriftprocedure te laten vervallen wanneer
tegen niet tijdig beslissen beroep openstaat met toepassing van afdeling
8.2.4a.
Onderdeel G [zie onderdeel
D, red.] (artikelen 7:14
en 7:27)
Onderdeel G
[zie onderdeel
D, red.] regelt dat de
plicht van een bestuursorgaan mee te delen dat het de wettelijke termijn
niet haalt en een nieuwe termijn te noemen waarbinnen zal worden
beslist, voortaan
ook geldt voor beslissingen op bezwaar en in administratief
beroep. Zie hierover ook paragraaf 3 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Onderdeel H [zie onderdeel
G, red.] (afdeling
8.2.4a)
Artikel 8:55a
Artikel
8:55a bepaalt in
welke gevallen afdeling 8.2.4a van toepassing is. In het eerste lid is
geregeld in welke gevallen de afdeling rechtstreeks van toepassing is. Het gaat
daarbij om de gevallen waarin het niet tijdig beslissen als bijzonder
ergerlijk kan worden ervaren: de termijn wordt niet gehaald én het
bestuursorgaan heeft dat niet meegedeeld aan de aanvrager of de indiener van
het bezwaar- of administratief beroepschrift. Op grond van het eerste lid,
onderdeel c, is de afdeling ook van toepassing indien niet tijdig wordt
beslist op bezwaar of in administratief beroep en het bestuursorgaan geen
mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel
4:14, eerste lid
(zie tevens onderdeel G [zie onderdeel
D, red.]). In het tweede lid is geregeld dat de afdeling van
toepassing is indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het
bestuursorgaan is bepaald, waarbij geldt dat de afdeling altijd van toepassing is op
beslissingen op bezwaar indien de afdeling van toepassing is verklaard
op het primaire besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt. Zie verder
over deze aspecten en over de verhouding tussen de huidige en de
nieuwe procedure paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 8:55b
Artikel
8:55b, eerste lid,
bevat de kern van het nieuwe stelsel: een beroep wegens niet tijdig beslissen
wordt in beginsel buiten zitting afgedaan, en wel binnen acht weken na
ontvangst van het beroepschrift. Zoals in het algemeen deel van deze
toelichting is uiteengezet, is dit mogelijk omdat een beroep wegens niet
tijdig beslissen in beginsel eenvoudig is. In veel gevallen behoeft de rechter
slechts vast te stellen wanneer de aanvraag is ingediend en daar de
wettelijke beslistermijn bij op te tellen.
Er zijn echter ook gevallen
waarin één en ander iets ingewikkelder ligt. Het kan zijn dat de
beslistermijn is opgeschort met de termijn die het bestuursorgaan de aanvrager
heeft gegeven om een onvolledige rblz.|19|
aanvraag aan te vullen (artikel
4:15, eerste lid, juncto artikel 4:5) of met de termijnen van het overeengekomen of
door de aanvrager veroorzaakte uitstel, voor het inwinnen van informatie
in het buitenland of voor de duur van de overmachtsituatie (artikel
4:15, tweede en derde lid).
In deze gevallen ligt het op
de weg van het bestuursorgaan om dit bij een tijdig ingediend
verweerschrift aan te voeren en aannemelijk te maken. Artikel
8:42, eerste lid, Awb bepaalt dat het bestuursorgaan binnen vier weken nadat de rechter het
beroepschrift heeft toegezonden, de op de zaak betrekking hebbende
stukken en een verweerschrift moet inzenden. De hier voorgestelde
regeling gaat ervan uit dat de rechter het beroepschrift onmiddellijk na ontvangst
aan het bestuursorgaan zendt. Het bestuursorgaan heeft dan
vier weken om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te
zenden. Veelal zal het dan slechts gaan om de aanvraag of het
bezwaarschrift en eventuele stukken waaruit blijkt dat de beslistermijn is opgeschort.
Binnen dezelfde vier weken kan het bestuursorgaan een verweerschrift indienen;
verplicht is dit echter niet.
Voor de rechter betekent dit
dat hij in beginsel kan beslissen nadat vier weken zijn verstreken sedert
hij het beroepschrift aan het bestuursorgaan heeft verzonden. Als het
bestuursorgaan op dat tijdstip nog geen stukken heeft ingezonden, mag de
rechter ervan uitgaan dat de in het beroepschrift vermelde datum van aanvraag
juist is. Als op dat tijdstip nog geen verweerschrift is
ingezonden, mag de rechter ervan uitgaan dat er geen omstandigheden zijn die
overschrijding van de beslistermijn rechtvaardigen.
Dit betekent dat de zaak al
na iets meer dan vier weken beslissingsrijp is als het bestuursorgaan geen
stukken, noch een verweerschrift inzendt. In het andere geval heeft de
rechter natuurlijk enige tijd nodig om deze stukken te beoordelen.
Daarom bepaalt dit wetsvoorstel dat de rechter bij een beroep wegens niet
tijdig beslissen binnen acht weken uitspraak doet. Dit laat de in artikel
6:5,
eerste lid, onderdeel d, neergelegde eis dat het beroepschrift de gronden van
het beroep bevat onverlet. Indien dus beroep wordt ingesteld op
nader aan te voeren gronden, gaat de termijn van acht weken pas lopen
nadat de gronden van het beroep zijn aangevuld. Omdat een beroep wegens niet
tijdig beslissen niet aan een termijn is gebonden (artikel
6:12), zal
het echter doorgaans niet nodig zijn om een zodanig beroep in te stellen
op nader aan te voeren gronden.
Voor een beroep wegens niet
tijdig beslissen is het gewone griffierecht verschuldigd (artikel
8:41 Awb). Artikel
8:41, tweede lid, schrijft voor dat de griffier van het gerecht
de indiener van een beroepschrift op het verschuldigde griffierecht
wijst en daarbij mededeelt dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien
het verschuldigde bedrag niet binnen vier weken op de
rekening van het gerecht is bijgeschreven.
In de praktijk van de rechtbanken geschiedt deze mededeling in eerste instantie bij gewone brief.
Indien het griffierecht niet binnen vier weken na verzending van deze brief is
betaald, volgt een aangetekende brief die belanghebbende nogmaals
aanmaant het griffierecht te voldoen. Aldus wordt enerzijds bespaard op
de kosten van aangetekende verzending, maar anderzijds gewaarborgd
dat de ingrijpende sanctie van niet-ontvankelijkheid pas wordt toegepast als
redelijkerwijs gesproken zeker is dat de aanmaning de
belanghebbende heeft bereikt. Door deze praktijk kan het af en toe
voorkomen
dat acht weken na het indienen van het beroepschrift nog niet zeker
is of het griffierecht tijdig is voldaan. Om te voorkomen dat daardoor de
uitspraaktermijn van acht weken niet kan worden gehaald, zullen de
rechtbanken in de toekomst bij beroepen wegens niet tijdig beslissen
iets kortere termijnen moeten stellen voor de betaling van het
griffierecht. Dat is ook redelijk: van de belanghebbende die om een snelle uitspraak
vraagt, mag ook worden verwacht dat hij zijnerzijds ook voortvarend
aan zijn verplichtingen voldoet.
De rechter blijft altijd
bevoegd het beroep op de gewone wijze, dus ter zitting, te behandelen (artikel
8:55b, eerste lid, in fine). Daarvoor kan bijvoorbeeld rblz.|20|
aanleiding
zijn
indien niet aanstonds duidelijk is of de beslistermijn is overschreden. Denkbaar is
ook dat in geschil is of, dan wel voor hoe lang, de beslistermijn met
toepassing van artikel 4:15 is opgeschort. In al deze gevallen kan een
behandeling ter zitting aangewezen zijn. Artikel
8:55b, tweede lid, schrijft
voor dat de partijen daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld.
Voor het geval een
behandeling ter zitting nodig is, geeft artikel
8:55b, derde lid, eerste volzin, in
navolging van de Procesregeling (artikel 11, tweede lid)
[zie ook artikel 18 van de Procesregeling bestuursrecht
2003 en hoofdstuk 7 van de Procesregeling bestuursrecht
2008, red.], als hoofdregel
dat met toepassing van artikel 8:52 een versnelde behandeling
plaatsvindt. Deze versnelde behandeling komt erop neer dat de rechter de
termijnen voor de door partijen te verrichten proceshandelingen kan
verkorten. Artikel 8:55b, derde lid, tweede volzin, voegt daar, wederom in
navolging van de Procesregeling (artikel 11, tweede lid, tweede volzin), aan
toe
dat de rechter binnen dertien weken uitspraak doet. Ook voor deze gevallen
geldt echter de clausule "zo mogelijk". Het kan niet geheel worden
uitgesloten dat de zaak zo complex is dat een gewone behandeling nodig is.
Hoger beroep is alleen
mogelijk indien de zaak wordt behandeld met toepassing van artikel 8:52
of indien het met toepassing van de "gewone" regels wordt behandeld. Naar
aanleiding van het advies van de Hoge Raad waarin de zin van hoger
beroep wordt betwijfeld, wordt opgemerkt dat het hoger beroep voor
die gevallen wenselijk wordt geacht wegens de meer inhoudelijke
beoordeling van de zaak. Het uitsluiten van hoger beroep zou in die zaken ook
systematisch minder juist zijn.
Artikel 8:55c
Eerste lid
Als
gezegd, gaat de
voorgestelde procedure in beginsel slechts over de vraag of de beslistermijn
is overschreden. Dit komt tot uiting in de inhoud van de uitspraak. Indien het
beroep gegrond is - dus indien de beslistermijn inderdaad is overschreden
- moet de rechter ingevolge artikel 8:55c
in beginsel bepalen dat het
bestuur binnen twee weken alsnog een besluit bekendmaakt.
Dit geldt uiteraard niet
indien inmiddels een besluit is genomen en bekendgemaakt. In dat geval
kan de rechter volstaan met een gegrondverklaring van het beroep, voor
zover de
indiener daarbij nog belang heeft (artikel
6:20, zesde lid).
Dit belang is in ieder geval nog aanwezig als het bestuursorgaan betwist dat
de beslistermijn is overschreden, dan wel op welk tijdstip dit het geval
was, en zulks van belang is voor de verschuldigdheid van wettelijke rente of
(andere) schadevergoeding. Of de belanghebbende schade lijdt indien te laat
is beslist, is echter niet altijd eenvoudig vast te stellen.
De voorgestelde procedure leent zich er niet voor om daarnaar uitgebreid
onderzoek te doen. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop de rechter
in de praktijk met deze situatie omgaat. Indien alsnog een reëel besluit is
genomen, pleegt de rechter thans het beroep wegens niet tijdig beslissen
niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, tenzij de
indiener aangeeft dat dit belang er nog wel is. Nu beroepen wegens niet tijdig
beslissen voortaan als regel buiten zitting zullen worden afgedaan, zal
de indiener niet altijd meer voldoende gelegenheid hebben om een eventueel
belang aannemelijk te maken. Daarom zal het in de toekomst
waarschijnlijk praktischer zijn dat de rechter het beroep wegens niet tijdig
beslissen ten gronde beoordeelt, tenzij blijkt dat de indiener daarbij geen
belang meer heeft.
Indien het beroep gegrond
wordt verklaard en er nog geen besluit is genomen, past het vorderen
van schadevergoeding (artikel 8:73, eerste lid,
Awb) evenmin in deze
procedure. In deze procedure kan alleen de vraag centraal staan naar
schade die wordt geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen. De
vraag of schade wordt geleden (en zo ja, hoeveel) zal echter vaak zozeer
samenhangen met de inhoud van het uiteindelijk te
rblz.|21|
nemen besluit, dat het niet
goed mogelijk is daarover in deze procedure een uitspraak te doen.
De onderhavige bepaling
verdringt als "lex specialis" de hoofdregel van artikel
8:72, eerste lid,
inhoudende dat de rechter bij een gegrond beroep het bestreden besluit moet
vernietigen. Bij een beroep wegens niet tijdig beslissen is er immers geen
besluit dat vernietigd kan worden.
Tweede lid [vervallen, red.]
Het tweede lid bepaalt in de
eerste plaats dat de rechter in bijzondere gevallen een andere termijn
kan stellen voor het alsnog nemen van een besluit. Dit kan een langere
termijn zijn, bijvoorbeeld indien het een ongewoon complex besluit betreft.
Maar het kan ook een kortere termijn zijn, bijvoorbeeld indien het
bestuursorgaan de beslistermijn reeds in ruime mate heeft overschreden en
de belanghebbende daardoor ernstig wordt benadeeld.
Het komt voor dat een
bestuursorgaan voor het nemen van een besluit afhankelijk is van derden.
Zo moet voor het nemen van een besluit soms een advies worden
ingewonnen. Indien dit advies door toedoen van de adviseur niet tijdig wordt
uitgebracht, kan het zijn dat het bestuursorgaan zijn verantwoordelijkheid
voor het tijdig beslissen moet nemen door dan maar zonder advies te
besluiten. Artikel 3:6, tweede lid, bepaalt dat in dat geval het enkele ontbreken
van een advies niet aan het nemen van een besluit in de weg staat.
Indien dus bijvoorbeeld een op grond van artikel 7:13
Awb ingestelde externe
bezwaarschriftcommissie niet tijdig over een bezwaarschrift kan
adviseren, zal het bestuursorgaan moeten afwegen of het ook zonder dat advies
een voldoende zorgvuldig besluit kan nemen. Maar dit laatste zal niet
altijd mogelijk zijn. Als eenmaal is besloten voor bepaalde categorieën
bezwaarschriften een adviescommissie in te stellen, kunnen bijvoorbeeld belangen
van derden zich er tegen verzetten dat de waarborg van een extern
advies opzij wordt gezet op de enkele grond dat het advies te laat komt.
Maar ook in tweepartijenverhoudingen kan het voorkomen dat zonder advies
geen zorgvuldig besluit kan worden genomen, bijvoorbeeld als
het besluit steunt op een medisch oordeel. Dit geldt nog sterker als het
uitblijven van het advies niet aan de adviseur te wijten is, maar bijvoorbeeld
aan het feit dat het bestuursorgaan te laat advies heeft gevraagd.
Artikel 3:6, eerste lid, tweede volzin, bepaalt immers juist uit oogpunt van
zorgvuldigheid dat het bestuursorgaan aan een adviseur niet een
zodanig korte termijn mag stellen dat de adviseur zijn taak niet meer naar
behoren kan vervullen.
In dergelijke gevallen kan
het voorkomen dat het gelet op de vereiste zorgvuldigheid niet mogelijk
is om binnen twee weken na de uitspraak van de rechter een besluit
te nemen, bijvoorbeeld omdat een voor de besluitvorming essentieel
advies ontbreekt of omdat de bezwaarschriftcommissie pas na afloop van die
termijn weer vergadert en de belangen van derden zich tegen het
passeren van deze commissie verzetten.
Zoals reeds in paragraaf 8
van het algemeen deel van deze toelichting werd opgemerkt, zijn dit
slechts voorbeelden van een meer algemeen dilemma tussen snelheid en
zorgvuldigheid waarvoor de rechter kan komen te staan. Ook als het
ontstaan van dit dilemma aan het bestuursorgaan te wijten is, kan dit enkele
feit als gezegd niet zonder meer rechtvaardigen dat de zorgvuldigheid wordt
opgeofferd aan de snelheid. Daarom biedt artikel
8:55c,
tweede lid, de rechter de ruimte om zo nodig een langere termijn voor het
nemen van een besluit te stellen, maar ook om zo nodig een andere
voorziening te treffen. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het
stellen van een termijn voor de eerstvolgende stap in de procedure.
Het stellen van een langere
termijn of het treffen van een andere voorziening kan zelfs noodzakelijk
zijn
als slechts op die manier de naleving van andere wettelijke
voorschriften kan worden verzekerd. Daarbij kan men bijvoorbeeld denken aan het
voorschrift van artikel 3:16, eerste lid, zoals
rblz.|22|
dit zal luiden na
inwerkingtreding van de Wet
uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). Daaruit vloeit
voort dat bij besluiten waarbij de
openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast, aan belanghebbenden
gedurende zes weken de gelegenheid moet worden geboden om
zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. Indien het
ontwerpbesluit zo laat ter inzage wordt gelegd dat dit voorschrift slechts door
overschrijding van de beslistermijn kan worden nageleefd, zal de
rechter daar bij zijn uitspraak rekening mee moeten houden. Dit is in
artikel 8:55c tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat de rechter een
andere termijn kan stellen of een andere voorziening kan treffen indien de
naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt.
Van een bijzonder geval kan
voorts sprake zijn als een bestuursorgaan wordt geconfronteerd met een
onverwachte piekbelasting waarmee het redelijkerwijs geen rekening
kon houden, of met een crisissituatie - men denke bij wijze van
voorbeeld weer aan de MKZ-crisis in 2001 - op grond waarvan het bestuursorgaan
redelijkerwijs kon besluiten om capaciteit tijdelijk elders in te
zetten. Een voorzienbare periodieke piekbelasting is echter geen bijzonder geval;
daarmee behoort reeds bij het bepalen van de lengte van de wettelijke
beslistermijn en bij de inrichting van de organisatie rekening te worden gehouden.
Indien de aard van een beleidsterrein meebrengt dat zich
noodsituaties, calamiteiten of onvoorzienbare piekbelastingen kunnen
voordoen (zoals op het gebied van landbouw), kan overigens worden
overwogen in de desbetreffende wettelijke regeling een afwijkende beslistermijn
op te nemen voor die specifieke gevallen. Iets vergelijkbaars is
gebeurd in artikel 43 van de Vreemdelingenwet
2000, dat de Minister van Justitie
de bevoegdheid geeft om voor maximaal één jaar een besluitmoratorium
in te stellen.
Artikel 8:55d [zie artikel
8:55e, red.]
Indien het beroep wegens
niet tijdig beslissen overeenkomstig de hoofdregel buiten zitting wordt
afgedaan, staat tegen de uitspraak het rechtsmiddel verzet open (artikel
8:55).
Indien het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard, kan
het verzet worden gedaan door de belanghebbende. Indien het beroep gegrond is
verklaard, kan het bestuursorgaan verzet doen. De indiener van
het verzet wordt over het verzet gehoord indien deze daarom
heeft gevraagd (artikel 8:55, derde lid, eerste volzin), tenzij de
rechtbank aanstonds van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere
gevallen kan de rechtbank de indiener horen (artikel
8:55, derde lid, tweede
volzin). De termijn voor het doen van uitspraak na verzet bedraagt zes weken
(artikel 8:55, eerste lid, derde volzin juncto
artikel 6:7). De Raad voor de
rechtspraak heeft aangegeven dat deze termijn korter is dan de termijn die
in de Procesregeling [zie ook Procesregeling
bestuursrecht 2003 e.v., red.] wordt gehanteerd (dertien weken) en dat deze termijn
praktisch niet haalbaar is. De kortere termijn hangt samen met de aard van
de uitspraak waartegen verzet wordt gedaan. Het gaat om relatief
eenvoudige zaken. De beslistermijn voor het verzet moet bovendien niet
langer zijn dan de beroepsprocedure zelf. Ook voorlopige voorzieningen,
die naar hun aard vaak veel complexer zullen zijn, kunnen binnen een
korte termijn worden behandeld. Gerechten moeten derhalve hun interne
organisatie aanpassen aan de kortere termijn. Als het verzet
gegrond is, vervalt de uitspraak waartegen het verzet is gericht en wordt
het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevindt (artikel
8:55,
zevende lid). Voor het verzet is geen afzonderlijk griffierecht verschuldigd
(een verzetschrift is geen beroepschrift in de zin van artikel
8:41).
Het verzet is gegrond
indien de juistheid van de aanvankelijk met toepassing van artikel 8:54 gedane
uitspraak moet worden betwijfeld. In dat geval vervalt deze uitspraak
en wordt het onderzoek van de zaak voortgezet rblz.|23|
(artikel
8:55, zevende
lid). Er vindt dan alsnog een zitting plaats. Bij nader inzien ligt de zaak
immers kennelijk niet zo duidelijk.
Als het verzet gegrond is,
dient de rechter het beroep in volle omvang opnieuw te beoordelen. In
beginsel gelden daarbij weer de regels van de artikelen
8:55b en 8:55c.
Derhalve dient het beroep zo mogelijk versneld te worden behandeld (artikel
8:55b, derde lid, eerste volzin). De uitspraaktermijn van dertien weken na
indiening van het beroepschrift zal echter na verzet veelal niet meer
haalbaar zijn. Daarom bepaalt artikel 8:55d, derde lid, voor dit geval slechts
dat de rechtbank zo spoedig mogelijk beslist. Een bijkomend voordeel van
deze formulering is dat zij de rechter enige ruimte laat om rekening te
houden met de mate van spoedeisendheid van de zaak. Indien inmiddels
een besluit is genomen, zal de zaak als regel minder spoedeisend zijn dan
wanneer dit niet het geval is.
Indien het beroep na verzet
door de belanghebbende alsnog gegrond blijkt te zijn en er is ten
tijde van de uitspraak nog steeds geen besluit, zal er in het algemeen
aanleiding zijn om met toepassing van artikel
8:72, zevende lid, direct een
dwangsom aan de uitspraak te verbinden. Indien het beroep pas na verzet
gegrond wordt bevonden, zal immers meestal de beslistermijn inmiddels in
ruime mate zijn overschreden.
Verzet door het
bestuursorgaan heeft geen schorsende werking. Artikel
8:55, tweede lid, dat
bepaalt dat het verzet wel schorsende werking heeft als hoger beroep tegen de
uitspraak dit zou hebben, is in artikel 8:55d, tweede lid, buiten
toepassing verklaard. Het zou anders immers voor het bestuursorgaan wel erg
eenvoudig worden om de verplichting om binnen twee weken alsnog te
beslissen op te schorten.
Het kan zijn dat er ten
tijde van de uitspraak na verzet, of zelfs al ten tijde van de beslissing op het
verzet, inmiddels een reëel besluit is. In geval van verzet door het
bestuursorgaan is dit zelfs waarschijnlijk, omdat dit verzet zich als regel zal richten
tegen een uitspraak waarbij het bestuursorgaan is bevolen om binnen twee weken
een besluit te nemen. Zoals hiervoor uiteengezet, brengt het
gegeven dat inmiddels een besluit is genomen niet zonder meer mee dat de
belanghebbende of het bestuursorgaan geen belang meer heeft bij
verzet, omdat het antwoord op de vraag of, en zo ja, op welk tijdstip, de
beslistermijn is overschreden van belang kan zijn voor de verschuldigdheid van
wettelijke rente of (andere) schadevergoeding.
Artikel 8:55e [zie artikel
8:55d, red.]
Artikel
8:55e regelt de
procedure om aan de opdracht om een besluit te nemen alsnog een dwangsom te
verbinden. Aangenomen mag worden dat het bestuur in de
overgrote meerderheid van de gevallen binnen de door de rechter gestelde
termijn alsnog een besluit zal nemen. Maar het is helaas niet helemaal
ondenkbaar dat het bestuur ook na afloop van die termijn nog geen besluit
heeft genomen.
Voor deze - naar mag
worden aangenomen schaarse - gevallen biedt artikel
8:55e de
belanghebbende een dwangmiddel. Indien het rechterlijk bevel om binnen twee weken
- of binnen een andere door de rechter gestelde termijn - te
beslissen niet wordt nageleefd, kan de belanghebbende zich tot de
voorzieningenrechter wenden met het verzoek alsnog een dwangsom aan de eerdere
uitspraak te verbinden. Deze mogelijkheid bestaat uiteraard niet
indien de rechter reeds aan de eerdere uitspraak een dwangsom heeft verbonden.
De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn advies opgemerkt dat het
opleggen van een dwangsom niet past in het kader van een vereenvoudigde
behandeling. Daarbij acht de Afdeling onder meer van belang dat
tegen een uitspraak als bedoeld in artikel
8:55e geen verzet open lijkt te
staan. Er staat inderdaad geen verzet open tegen een uitspraak op grond van
artikel 8:55e. Hoger beroep is ingevolge artikel
8:55e, derde lid, juncto
artikel 8:84, tweede lid, evenmin mogelijk. Op grond van artikel
8:55e, derde
lid, juncto artikel 8:72, zevende lid, is artikel
611d rblz.|24|
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering echter van overeenkomstige toepassing. Laatstgenoemd
artikel bepaalt dat de rechter op vordering van de veroordeelde de
dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten of de dwangsom
kan verminderen. Een bestuursorgaan kan derhalve nog wel opkomen
tegen de dwangsomoplegging. Bedacht moet worden dat het gaat om een
naar zijn inhoud eenvoudige procedure. Er hoeft immers alleen bepaald
te worden of de beslistermijn is overschreden. In zo’n procedure past de
mogelijkheid van dwangsomoplegging juist wel goed. Dit geldt te meer omdat een bestuursorgaan tegen de tijd dat een
dwangsom wordt opgelegd al twee keer een termijn heeft overschreden: de
wettelijke beslistermijn en de termijn die in de uitspraak is gesteld.
De voorzieningenrechter
behandelt het verzoek grotendeels met overeenkomstige toepassing van de regels
voor de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening
artikel 8:55e, derde lid). Artikel 8:82 is echter niet van overeenkomstige
toepassing verklaard, zodat voor het verzoek om alsnog een dwangsom op te
leggen geen griffierecht verschuldigd is. Bij het verzoek moet een
afschrift van de eerdere uitspraak worden overgelegd (artikel
8:55e, tweede lid).
Aan de hand daarvan kan de voorzieningenrechter eenvoudig vaststellen of de
gestelde termijn inderdaad is overschreden. In dat geval
is er, uitzonderlijke gevallen van overmacht aan de zijde van het
bestuursorgaan daargelaten, in beginsel aanleiding om alsnog een dwangsom op te
leggen, tenzij inmiddels wel een besluit is genomen. In dit laatste
geval ligt het op de weg van het bestuursorgaan om dit aan te tonen door dit
besluit uiterlijk ter zitting van de voorzieningenrechter over te leggen. Geschiedt
dit niet, dan kan het debat ter zitting zich concentreren op
de op te leggen dwangsom. Gelet op één en ander zal de
voorzieningenrechter als regel zeer snel kunnen beslissen.
Artikel II
Indien de
rechtbank, in
afwijking van de hoofdregel, het beroep wegens niet tijdig beslissen ter
zitting behandelt, staat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep open.
In bepaalde gevallen, met name op het gebied van de sociale
zekerheid, heeft dit hoger beroep schorsende werking (zie artikel 19
Beroepswet). Deze schorsende werking is, evenals bij verzet (vgl. de
toelichting op het voorgestelde artikel
8:55d, tweede lid), niet gewenst indien het een
uitspraak op een beroep wegens niet tijdig beslissen betreft. Als de
rechtbank het bestuur heeft opgedragen binnen twee weken alsnog een
besluit te nemen, moet het bestuursorgaan niet door het enkele instellen
van hoger beroep aan deze verplichting kunnen ontkomen. Daarom wordt in
artikel 19 Beroepswet bepaald dat het hoger beroep tegen een uitspraak
op een beroep wegens niet tijdig beslissen geen schorsende werking
heeft.
Voor de gevallen waarin de
bijzondere wet bepaalt dat het beroep en hoger beroep tegen een
besluit schorsende werking hebben, is een soortgelijke voorziening niet nodig.
Dergelijke bepalingen beogen de werking van een besluit op te
schorten totdat het onherroepelijk is. Zij missen derhalve praktische
betekenis als er juist geen besluit is omdat niet tijdig is beslist.
Artikel III
Artikel III bevat het
overgangsrecht. Het eerste lid brengt mee dat een voor de inwerkingtreding van
deze wet ingediend bezwaar- of beroepschrift op de voorheen gebruikelijke
wijze moet worden afgehandeld. Daarmee wordt voorkomen dat
alle reeds aanhangige bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen
die onder het toepassingsbereik van afdeling
8.2.4a vallen, opeens
niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard, omdat onder het nieuwe recht
geen bezwaar wegens niet tijdig beslissen rblz.|25|
meer mogelijk is. Tevens
wordt voorkomen dat op reeds aanhangige beroepen wegens niet-tijdig
beslissen alsnog binnen acht weken zou moeten worden beslist,
hetgeen uiteraard praktisch veelal niet haalbaar zal zijn.
Het tweede lid
bepaalt dat
het nieuwe recht nog niet van toepassing is bij overschrijding van de
beslistermijn bij een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van deze wet is ingediend.
Aldus wordt bestuursorganen enige tijd geboden om zich
op het nieuwe regime in te stellen.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes