|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 893
Invoering
en wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
§
1. Inleiding
Het wetsvoorstel
Invoerings- en aanpassingswet Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
(iIOW) [lees: voorstel van Wet invoering en
wijziging Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IIOW), red.]
bevat wijzigingen in andere wetten en technische
aanpassingen van wetgeving in verband met de inwerkingtreding van de
Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) (Stb. 2008, 340). Het betreft
wijzigingen in onder andere de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Toeslagenwet
(TW), de Ziektewet (ZW), de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) en enkele technische aanpassingen in de
IOW. De beoogde
inwerkingtredingsdatum van de IOW en het onderhavige wetsvoorstel is 1 december 2009.
Met de
IOW wordt een
inkomensvoorziening voor oudere werklozen voorgesteld. De IOW biedt personen
die een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW)
en die bij aanvang van de werkloosheid 60 jaar of ouder zijn,
inkomensondersteuning na afloop van de WW-uitkering tot de leeftijd van 65
jaar.
In de memorie van
toelichting bij de IOW is reeds ingegaan op de financiële effecten en
administratieve lasten in verband met de invoering van de IOW. Het onderhavige
wetsvoorstel brengt extra lasten met zich mee als gevolg van de
wijziging in de Wet WIA. Zie hiervoor paragraaf
2, onder Wet WIA.
Paragraaf 2 noemt de
inhoudelijke wijzigingen en technische aanpassingen. Paragraaf 3 geeft de
uitvoeringstechnisch commentaren van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
gemeenten en de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI).
§ 2.
Wijzigingen en
technische aanpassingen
Voorkomen van samenloop IOW en Ioaw
De wijzigingen in de
IOW en de Ioaw hebben betrekking op het
voorkomen rblz.|2|
van samenloop van
de IOW-uitkering met de Ioaw-uitkering. Samenloop kan voorkomen
als de betrokken werknemer in meer dan één dienstbetrekking heeft
gewerkt en volgtijdelijk werkloos wordt. Ook kan samenloop ontstaan als
betrokkene eerst voor een deel van de arbeidstijd werkloos wordt en later
voor het restant. Samenloop van IOW
en Ioaw zou erop neer komen dat
betrokkene voor een deel onder het Ioaw-regime valt en voor het andere
deel onder het IOW-regime.
Voorbeeld:
Betrokkene ontvangt een
WW-uitkering die gebaseerd is op een arbeidsurenverlies van 16 uur per week.
Daarnaast werkt hij voor 20 uur per week in loondienst. Vanuit
deze baan wordt hij eveneens werkloos zodat hij ook voor dat
arbeidsurenverlies van 20 uur een WW-uitkering ontvangt. Hij ontvangt dus nu een
WW-uitkering dat voor een deel gebaseerd is op een arbeidsurenverlies van
16 uur en voor een deel op een arbeidsurenverlies van 20 uur. Stel dat na
afloop van de duur van het eerste WW-recht - gebaseerd op 16 uur - recht ontstaat op een Ioaw-uitkering. In die situatie ontvangt betrokkene een
Ioaw-uitkering - gebaseerd op 16 uur
- én daarnaast een WW-uitkering, gebaseerd op 20 uur per week. Wanneer de duur van de WW-uitkering
van 20 uur ook is doorlopen, kan het voorkomen dat voor dat WW-deel aan
de voorwaarden voor het recht op
IOW-uitkering wordt
voldaan.
Om te voorkomen dat
samenloop van de
IOW-uitkering met de Ioaw-uitkering kan bestaan, wordt
voorgesteld om de uitkering die als eerste is toegekend te laten prevaleren. Wanneer de duur van het andere
WW-recht
afloopt, ontstaat geen
recht op IOW naast de Ioaw-uitkering. Tevens wordt voorgesteld dat
bij de bepaling van de hoogte van de "eerste" IOW- of Ioaw-uitkering rekening
wordt gehouden met het bestaan van een ander WW-recht.
De
IOW- en de Ioaw-uitkering zijn beide gebaseerd op het
wettelijk minimumloon. De grondslag van de
Ioaw-uitkering is afhankelijk van de gezinssituatie: voor een
alleenstaande bedraagt deze 70%, voor een eenoudergezin 90% en
voor gehuwden of samenwonenden 100% van het minimumloon. De IOW-uitkering bedraagt maximaal 70% van het minimumloon en kan afhankelijk van
de gezinssituatie aangevuld worden met een toeslag op grond van
de Toeslagenwet. Het totaalbedrag van de IOW-uitkering én de
(maximale) toeslag is eveneens afhankelijk van de gezinssituatie en komt
overeen met de hierboven genoemde Ioaw-grondslagen. De toepassing van de
verschillende grondslagen - IOW + TW en Ioaw
- kan
echter in één situatie leiden tot verschillende hoogten van de uitkeringen. Het
betreft de situatie van een gehuwde/samenwonende
uitkeringsgerechtigde die zelf geen andere inkomsten heeft naast de
IOW- of Ioaw-uitkering, maar wel een partner heeft met een inkomen dat hoger is
dan 30% van het minimumloon.
De regering onderkent
dat het uitsluiten van de mogelijkheid tot samenloop van
IOW en Ioaw in de
hierboven aangegeven situaties nadelige financiële consequenties zou kunnen hebben. Het naast elkaar bestaan
van een recht op IOW- en Ioaw-uitkering is echter om verschillende redenen niet wenselijk.
De doelstellingen van de IOW en de Ioaw komen overeen: namelijk het
voorzien in een inkomensvoorziening voor oudere werklozen op het niveau
van het minimumloon. De belanghebbende zou, om een inkomen op het
sociaal minimum te verwerven, dan te maken hebben met twee
uitvoeringsinstanties die ook nog verschillende uitkeringsregimes
hebben. Om uitvoeringstechnische redenen is hier niet voor gekozen. Niet uit
te sluiten valt dat het voorkomen van samenloop tussen de IOW en de
Ioaw mogelijk nadelige consequenties heeft, maar het zal gaan om een
(zeer) beperkt aantal gevallen waarin sprake zou rblz.|3|
kunnen zijn van samenloop tussen een IOW- en een Ioaw-uitkering, waarbij dan ook het
inkomen van de partner hoger is dan 30% van het minimumloon. De IOW en
de Ioaw worden overeenkomstig het bovenstaande aangepast.
Toeslagenwet
De
TW wordt zodanig
aangepast dat op grond van de TW een toeslag toegekend kan worden op
de
IOW-uitkering. Hiermee wordt geregeld dat de
IOW-uitkering kan worden aangevuld tot het voor betrokkene geldende sociaal
minimum.
Nawerking Ziektewet
In de
ZW is geregeld dat
na het einde van de verzekering een korte periode (acht dagen of
één
maand) aanspraak op ziekengeld blijft bestaan wanneer betrokkene in die periode ongeschikt tot werken wordt. Degene
die een WW-uitkering
ontvangt, is als werknemer verzekerd op grond van de ZW. Dit zou betekenen
dat voor een
IOW-gerechtigde (kort) na het einde van de WW
- bij
ziekte - recht op ZW-uitkering zou ontstaan. De nawerkingsregeling is
bedoeld om een werknemer die korte tijd niet verzekerd is, toch
aanspraak op ziekengeld te geven bij ziekte tijdens die verzekeringsloze periode
tussen twee dienstverbanden. Deze nawerking is niet nodig voor IOW-gerechtigden. Op grond van de
IOW heeft betrokkene immers recht op een
inkomen op minimumniveau, ook tijdens eventuele perioden van ziekte.
Hetzelfde geldt voor de Ioaw-gerechtigde. Om die reden wordt de nawerking
van de ZW ook beperkt voor de Ioaw-gerechtigde.
Wet WIA
In 2006 is voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten de WW geïncorporeerd in de loongerelateerde
WGA-uitkering die zij ontvangen op grond van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen [zie hoofdstuk
7 van die wet, red.]. De duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is daarom
gelijk aan de duur van de WW-uitkering. Op 1
oktober 2006 is de maximale duur van de WW-uitkering
teruggebracht van vijf jaar naar 38 maanden. Deze wijziging is vervolgens op 1
januari 2008 in de loongerelateerde WGA-uitkering doorgevoerd. Vanwege
voornoemde verkorting van de duur van de WW-uitkering is de
IOW ingevoerd. Het spreekt voor zich dat ook dit moet doorwerken naar de WGA.
Daarom wordt in het voorliggende wetsvoorstel geregeld dat de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte na de loongerelateerde WGA-uitkering recht
heeft op een inkomensgarantie ouderen. De voorwaarden voor het ontstaan van
dat recht komen overeen met de ontstaansvoorwaarden
voor het recht op een IOW-uitkering: de eerste dag van de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid dient te liggen tussen 31 december 2007 en 1
juli 2011, de gedeeltelijke arbeidsgeschikte dient op die dag 60 jaar of
ouder te zijn, hij dient recht te hebben gehad op een loongerelateerde
WGA-uitkering en daarna recht te hebben op een WGA-vervolguitkering of
-loonaanvulling. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte ontvangt daadwerkelijk
een inkomensgarantie ouderen als de IOW-uitkering die hij
zou hebben ontvangen indien hij daar recht op zou hebben gehad, hoger is
dan de WGA-vervolguitkering of -loonaanvulling die hij ontvangt,
terwijl de hoogte ervan het verschil tussen beide overbrugt.
Jaarlijks komen er
ongeveer 150 gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen in de WGA. Dit leidt tot
een toename van maximaal €|1 miljoen extra uitkeringslasten per jaar (structureel). De werkelijke meerkosten zullen
rblz.|4|
lager liggen omdat een
deel van deze ouderen recht heeft op toeslag op grond van de TW
naast de
WGA-vervolguitkering dan wel daarnaast werkt.
IOW
Met
dit wetsvoorstel
worden tevens enkele aanpassingen in de
IOW aangebracht. Het betreft
hier voornamelijk technische aanpassingen. De belangrijkste aanpassingen hebben betrekking op de bepaling van de
hoogte van de IOW-uitkering in samenloopsituaties en een aanvulling in de
IOW met betrekking
tot de positie van Wsw-geïndiceerden.
Bepaling hoogte IOW-uitkering
De
IOW-uitkering is
gemaximeerd tot de hoogte van de voorgaande WW-uitkering die ten
grondslag ligt aan het recht op IOW. De hoogte van de IOW-uitkering wordt
als volgt vastgesteld:
Hoofdregel:
0,7 * (A – B) = hoogte
IOW-uitkering per maand,
waarbij A = maximaal WML [wettelijk minimumloon,
red.] en B = inkomen uit arbeid.
Overige
inkomensbestanddelen worden volledig in mindering gebracht op de IOW-uitkering.
Als de voorgaande WW-uitkering per maand minder bedraagt dan 0,7 x WML, dan is A maximaal
gelijk aan 100/70 x hoogte van de WW-uitkering in de maand voorafgaand
aan het recht op IOW.
In enkele gevallen leidt
maximering tot de hoogte van de voorgaande WW-uitkering per maand
tot een onredelijk resultaat. Dat is het geval als betrokkene naast de
WW-uitkering gedeeltelijk werkt of een uitkering ontvangt op grond van de
WAO, ZW, Wet
WIA, TRI
[Tijdelijke regeling inkomensgevolgen
herbeoordeelde arbeidsongeschikten, red.] of WW.
Deze inkomsten uit
werkzaamheden of uitkering zouden de
IOW-uitkering op twee manieren
verlagen. Namelijk door maximering op hoogte van de voorgaande WW-uitkering
per maand en via verrekening van de inkomsten. Om dit te voorkomen,
wordt factor A in deze situaties als volgt:
- bij samenloop
WW-uitkering met loon uit dienstbetrekking bij aanvang recht op IOW wordt A
niet gemaximeerd op 100/70 x hoogte voorgaande WW-uitkering per maand,
maar op 100/70 x hoogte voorgaande WW-uitkering per maand +
21,75 x het loon per dag uit dienstbetrekking in de maand voorafgaand
aan het recht op IOW.
- bij samenloop
WW-uitkering met uitkering ZW, WIA, WAO, TRI of WW bij aanvang recht
IOW wordt A niet gemaximeerd op100/70 x hoogte voorgaande WW-uitkering,
maar op 100/70 x hoogte van de gezamenlijke uitkeringen per maand in
de maand voorafgaand aan het recht op IOW. Factor A kan niet
meer bedragen dan het minimumloon. Dit impliceert dat de
IOW-uitkering per maand niet hoger kan zijn dan 70% van het minimumloon.
Hoogte van de IOW-uitkering per maand
Hoofdregel:
0,7 * (A – B) =
IOW-uitkering,
waarbij A = maximaal WML
en B = inkomen uit arbeid.
Overige
inkomensbestanddelen worden volledig in mindering gebracht op de IOW-uitkering.
Als de voorgaande WW-uitkering per maand minder bedraagt dan 0,7 x WML dan is A maximaal
gelijk aan 100/70 x hoogte voorgaande WW-uitkering per maand.
rblz.|5|
Bij samenloop WW-uitkering met loon uit dienstbetrekking bij aanvang recht
IOW:
A = 100/70 x hoogte
voorgaande WW-uitkering per maand + 21,75 x het loon per dag uit
dienstbetrekking van de maand voorafgaand aan het recht op IOW
Bij samenloop
WW-uitkering met uitkering ZW, Wet
WIA,
WAO, TRI of WW bij aanvang recht
IOW:
A = 100/70 x hoogte
gezamenlijke uitkeringen per maand in de maand voorafgaand aan het
recht op IOW.
Ioaw
Ook in de
Ioaw leidt
maximering tot de hoogte van de voorgaande WW-uitkering per maand
in een aantal gevallen tot een onredelijk resultaat. Gezien de samenhang
tussen
IOW en Ioaw is het wenselijk dat dit in beide wetten op dezelfde
wijze wordt geregeld. De systematiek van de IOW verschilt echter met
van die van de Ioaw. De formules uit artikel 10
IOW kunnen niet worden
overgenomen. Daarom wordt in de Ioaw geregeld dat als het inkomen in
de maand voordat het recht op Ioaw-uitkering ontstond lager was dan
de grondslag, deze grondslag wordt vastgesteld op dat lagere bedrag.
Positie
Wsw-geïndiceerden
Met de op 1 januari 2008
in werking getreden Wet van 20 december 2007 tot wijziging van de Wet
sociale werkvoorziening in verband met een betere realisering van de met die wet beoogde doelen (Stb.
2007, 564) is in de
diverse
socialezekerheidswetten geregeld dat uitkeringsgerechtigden die in het bezit zijn van
een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) vrijgesteld worden
van re-integratie- en/of sollicitatieverplichtingen. Voorts is geregeld dat
uitkeringsgerechtigden die niet Wsw-geïndiceerd zijn,
niet verplicht kunnen worden te re-integreren in Wsw-arbeid. Daarnaast is
met die wet expliciet geregeld dat de inzet van gemeentelijke en
UWV-re-integratiemiddelen voor personen op de Wsw-wachtlijst, ter
toeleiding naar een Wsw-dienstbetrekking is toegestaan. Met de in de
IIOW
voorgestelde wijzigingen wordt één en ander overeenkomstig geregeld
in de
IOW.
§ 3. Commentaren
Het UWV
heeft in de
uitvoeringstoets aangegeven dat de voorgestelde wetswijzigingen goed
uitvoerbaar zijn. Het UWV heeft twee opmerkingen over het wetsvoorstel
gemaakt die beide tot een aanpassing leiden. De opmerkingen worden
hierna toegelicht.
Het UWV vraagt of het
beleidsmatig gewenst is dat personen die vanwege een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 35% een loongerelateerde uitkering in verband
met
werkhervatting gedeeltelijke arbeidsgeschikten (WGA-uitkering)
ontvangen, na afloop daarvan niet in aanmerking voor een
IOW-uitkering
komen. Deze
opmerking heeft ertoe geleid dat in het voorliggende wetsvoorstel wordt
geregeld dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte na de loongerelateerde
WGA-uitkering recht heeft op een inkomensgarantie ouderen. Zie toelichting
in paragraaf 2.
Het
UWV stelt om
uitvoeringstechnische redenen voor een uitsluitingsgrond in de
IOW op te nemen
voor de situatie waarin een IOW-uitkering niet tot uitbetaling komt in verband met de inkomsten van de
IOW-gerechtigde. Het
gaat dan om een periode van drie maanden waarin de IOW-uitkering niet tot
uitbetaling is gekomen in verband met verrekening van de inkomsten die de
IOW-gerechtigde naast zijn IOW-uitkering heeft rblz.|6|
verworven. Na afloop van
die drie maanden eindigt het recht op IOW-uitkering met
toepassing van die uitsluitingsgrond en vindt de afrekening van de vakantietoeslag
plaats. Wanneer de IOW-gerechtigde op een later moment minder
inkomsten verwerft, herleeft het recht op IOW-uitkering. Op
verzoek van het UWV wordt deze uitsluitingsgrond opgenomen in de IOW.
Deze uitsluitingsgrond heeft uitsluitend een administratieve
uitwerking. Naar aanleiding van dit voorstel wordt artikel
6, eerste lid, onderdeel
h [vervallen, red.], opgenomen in de IOW.
Het Uitvoeringspanel
gemeenten heeft een positief advies gegeven. Ook de Inspectie Werk en
Inkomen heeft aangegeven geen problemen te verwachten bij het toezicht op de uitvoering van de gewijzigde wetgeving.
Artikelsgewijs
Artikel I.
Wijziging van
de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
Onderdelen A en
C, onder
1, 4
[zie C, onder 6, red.]
en
5
De inkomensverrekening
zoals die in de
IOW is opgenomen, kan een ongewenste uitkomst hebben voor de
persoon wiens uitkering is gemaximeerd op de voorliggende WW-uitkering (het oude vijfde lid van
artikel 10). In het nieuwe eerste lid
van artikel 10 wordt dit opgelost. Hierdoor kan het vijfde lid (oud)
vervallen. Wel dient het oude zesde lid te worden herschreven omdat hierin een
verwijzing was opgenomen naar het vijfde lid (oud). Door het vervallen van
het vijfde lid (oud) wordt het zesde lid tevens vernummerd tot het
vijfde lid.
In de IOW was voorts
niet voorzien in samenloop van meerdere uitkeringen alsmede samenloop met
loon in de maand voorafgaande aan het ontstaan van het recht op IOW. Deze situaties worden nu tevens in het
voorgestelde nieuwe eerste lid geregeld. In het algemene deel van de memorie van toelichting
worden deze situaties nader toegelicht.
Voorts is in artikel 6, onderdeel h
[vervallen, red.], een uitsluitingsgrond opgenomen die inhoudt dat geen recht
op uitkering bestaat indien de uitkering nul is (wat inhoudt dat de uitkomst
van de formule bedoeld in artikel 10, minus de overige
inkomensbestanddelen, gelijk is aan of kleiner is dan 0), gedurende
drie maanden. Het inkomen
is dan te hoog om nog recht op een IOW-uitkering te hebben.
Het voorgestelde
onderdeel g [vervallen, red.] van artikel 6 regelt dat indien iemand reeds recht heeft op een
Ioaw uitkering, geen recht kan ontstaan op een
IOW-uitkering. Andersom
wordt in de Ioaw geregeld dat indien iemand reeds recht heeft op een
IOW-uitkering, geen recht kan ontstaan op een Ioaw-uitkering. Met deze
bepaling wordt het naast elkaar bestaan van een Ioaw-uitkering en
een IOW-uitkering voorkomen wat uitvoeringstechnisch wenselijk is.
Onderdeel C, onder 2 en
3 [zie onderdeel
C, onder 3 en 4, red.]
Er bestaat
onduidelijkheid over de definitie "inkomen in verband met
arbeid". De Centrale
Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 21 juni 2000 (LJN ZB8843,
99/1641 AOW) overwogen dat om inkomen als inkomen in verband met
arbeid aan te kunnen merken, er een relatie moet zijn met het verrichten
van arbeid. Er zijn dus inkomensbestanddelen denkbaar die niet onder
de definitie van "inkomen in verband met arbeid" onder te brengen zijn.
Met het oog hierop wordt voorgesteld in het derde en vierde lid van
artikel 10 [vierde en vijfde lid van
artikel 10, red,] niet meer te spreken van "inkomen in verband met
arbeid", maar van "overige inkomensbestanddelen". Met deze
aanpassing is geen
wijziging in de opzet van de
IOW beoogd. In het rblz.|7|
inkomensbesluit op grond
van de IOW wordt geregeld wat onder de begrippen "inkomen uit
arbeid" en "overige inkomensbestanddelen" moet worden verstaan. In
het inkomensbesluit wordt limitatief opgesomd wat met deze definities
wordt bedoeld. Onder "overige inkomensbestanddelen" zullen geen inkomsten
in de vorm van rente, dividenden of royalties worden
verstaan.
Onderdeel D
Het is mogelijk dat een
IOW-gerechtigde geïndiceerd is voor de Wsw. Met dit onderdeel wordt
geregeld dat het UWV re-integratiemiddelen kan inzetten om die persoon
toe te leiden naar een Wsw-dienstbetrekking.
Onderdelen E en
F
Door de wijzigingen
zoals voorgesteld in onderdeel F wordt rekening gehouden met de positie
van Wsw-geïndiceerden met een
IOW-uitkering. Deze positie houdt in dat een Wsw-geïndiceerde duurzaam niet in staat is
om reguliere arbeid te
verrichten, ook niet met inzet van re-integratievoorzieningen. Dat betekent dat
personen die in het bezit zijn van een Wsw-indicatie
vrijgesteld worden van re-integratie- en/of
sollicitatieverplichtingen die voortvloeien uit een IOW-uitkering. Met
artikel
11a (onderdeel E) wordt
voorts geregeld dat de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14 en
15 van
de
IOW, niet zien op het verkrijgen van een Wsw-dienstbetrekking. Heeft een Wsw-geïndiceerde eenmaal een dienstbetrekking
in de zin van hoofdstuk
2 of 3 van de Wsw,
dan is dat evenwel niet vrijblijvend.
Artikel 13, tweede lid,
IOW is wel van toepassing op de Wsw-geïndiceerde, zodat
bij het verwijtbaar verlies van een dergelijke dienstbetrekking het
normale maatregelenregime van de IOW van toepassing is.
Onderdelen G en
L, onder
2
Net zoals dat in de
meeste andere socialezekerheidswetten is geregeld, geldt ook voor de
IOW dat ten aanzien van het maatregelenbeleid nadere regels dienen te worden
gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Deze algemene maatregel
van bestuur is het reeds bestaande Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten. Door toevoeging van de delegatiebepaling aan
artikel 19 van de
IOW, wordt het ook ten aanzien van de in het kader van
de IOW op te leggen maatregelen mogelijk daarover in het
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten nadere regels te stellen. Door het
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten toe te voegen aan artikel
48
van de
IOW, is het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten mede gebaseerd op
artikel 19, achtste lid, van de
IOW.
Onderdelen H en
K, onder
1 [zie K, onder 2,
red.]
De
IOW kent de begrippen
"werknemer" en "belanghebbende" niet. Met onderhavige onderdelen
wordt dit hersteld.
Onderdeel I
Met de voorgestelde
wijziging wordt het artikel verduidelijkt en geharmoniseerd met vergelijkbare
bepalingen in andere socialezekerheidswetten. Het gaat om de inhouding
van een bedrag dat overeenkomt met de premie die een werknemer
is verschuldigd en een werkgever zou inhouden op het loon.
Het artikel is tevens aangevuld met de toeslag en de vakantiebijdrage die
in het oorspronkelijke artikel ten onrechte niet werden genoemd. Het
tweede lid van het oorspronkelijke artikel 28 was naast de verwijzing naar
hoofdstuk 3 van de Wfsv overbodig, omdat
feitelijk rblz.|8|
niet door de
werknemer een premie verschuldigd is die per bedrijfstak verschillend is op grond
van de bepalingen in de Wfsv en het ook niet de bedoeling is dit in
hoofdstuk 3 van de Wfsv te regelen.
Onderdeel J
Een overlijdensuitkering
van vier weken past niet bij de maandsystematiek van de
IOW. Bovendien
wordt met de voorgestelde wijziging van artikel 29 van de
IOW de duur van de overlijdensuitkering in overeenstemming gebracht met de duur van
de overlijdensuitkering in andere socialezekerheidswetten.
Onderdeel K, onder 2 [zie
onderdeel K, onder 1, red.]
In
artikel 34, vierde
lid (oud), en artikel 38 wordt tweemaal hetzelfde geregeld. Omdat het begrip
uitkering in relatie tot de bevoegdheid tot terugvordering niet alleen
voor artikel
34 van belang is, maar ook voor de artikelen 35 en
36, is ervoor
gekozen het vierde lid van artikel 34 te laten vervallen en
artikel 38
te laten bestaan.
Onderdeel L
Artikel 48 bevatte nog
enkele onjuistheden. Zo werd in het oude onderdeel d nog een besluit
genoemd wat niet meer bestaat. Met onderdeel L
worden deze onjuistheden
hersteld.
Artikel II.
Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel A
In de
IOW is de
uitvoering van de IOW belegd bij het UWV. Om het UWV de taken ten aanzien van
de IOW-gerechtigde te kunnen laten uitvoeren, is het van belang dat de
IOW-gerechtigde in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet
SUWI) wordt aangemerkt als uitkeringsgerechtigde.
Onderdeel B
In de
IOW is de
uitvoering van de IOW belegd bij het UWV. In
artikel 30, eerste lid, onderdeel
a,
van de Wet SUWI is bepaald aan welke wetten het UWV uitvoering geeft. Om
het UWV de taken ten aanzien van de IOW te kunnen laten uitvoeren,
wordt voorgesteld de IOW aan dit artikellid toe te voegen.
Onderdeel C
Om innovatie met
betrekking tot de
IOW mogelijk te maken, wordt voorgesteld de IOW
aan artikel
82a,
eerste lid, van de Wet SUWI toe te voegen.
Artikel III.
Wijziging
van de Toeslagenwet
Onderdeel A
Indien de uitkering op
grond van de
IOW minder bedraagt dan het relevant
sociaal minimum, dan
vindt vanuit de TW een aanvulling plaats tot dit sociaal minimum. Betrokkene behoeft in dat geval geen aanspraak te
doen op bijstand. Om dit
mogelijk te maken, wordt de IOW opgenomen in artikel
1, eerste lid,
onderdeel d, van de TW. Hoewel de IOW-uitkering
rblz.|9|
strikt genomen geen
loondervingsuitkering is, wordt de IOW voor de toepassing van de TW
daar wel onder verstaan.
Onderdeel B
Door toevoeging van de
IOW aan dit artikellid wordt ook ten aanzien van de
IOW-gerechtigde
geregeld dat verrekening van de aan hem opgelegde boete met de uitkering
zonder diens machtiging kan plaatsvinden. Door het wetsvoorstel tot
aanpassing van bijzondere wetten aan de
Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet
vierde tranche Awb)
(Kamerstukken 31 124) wordt het tweede lid vernummerd tot eerste lid. Omdat
voornoemd wetsvoorstel naar verwachting eerder in werking treedt dan het
onderhavige, wordt in het onderhavige wetsvoorstel alvast rekening gehouden
met deze vernummering.
Artikelen IV,
V,
onderdeel B, VI,
VII,
VIII,
IX, onderdeel
C, X,
XI,
onderdeel A, XII,
XIII
en XIV
Zie hiervoor de
toelichting op artikel III, onderdeel B.
Artikel V
Onderdeel A [vervallen,
red.]
De voorwaarden voor het
ontstaan van het recht op een inkomensgarantie ouderen komen overeen
met de ontstaansvoorwaarden voor het recht op een
IOW-uitkering,
vertaald naar de Wet WIA: de eerste dag van de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid dient te liggen tussen 31 december 2007 en 1 juli 2011, de
gedeeltelijke arbeidsgeschikte dient op die dag 60 jaar of ouder te zijn, hij dient
recht te hebben gehad op een loongerelateerde WGA-uitkering en daarna
recht te hebben op een WGA-vervolguitkering of -loonaanvulling. Deze
voorwaarden zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 63a. Omdat het
niet de bedoeling is dat naast de inkomensgarantie ouderen ook recht
bestaat op een IOW-uitkering, wordt in het vierde lid bepaald dat
degene die recht heeft op een IOW-uitkering niet ook een recht op
inkomensgarantie ouderen kan hebben (en vice versa, zie artikel I, onderdeel
A [gewijzigd, red.]). In artikel 63b wordt geregeld dat indien de verzekerde geen recht
meer heeft op een WGA-uitkering (die op dat moment alleen uit een
WGA-vervolguitkering of -loonaanvulling kan bestaan omdat voor het
recht op de inkomensgarantie ouderen de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering moet zijn afgelopen), hij ook geen recht heeft op een
inkomensgarantie ouderen. Het recht herleeft zodra het recht op de
WGA-uitkering herleeft. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte ontvangt daadwerkelijk
een inkomensgarantie ouderen als de IOW-uitkering die hij
zou hebben ontvangen indien hij daar recht op zou hebben gehad, hoger is
dan de WGA-vervolguitkering of -loonaanvulling. De hoogte van de
inkomensgarantie ouderen bedraagt het verschil tussen beide. Dat wordt
geregeld in het voorgestelde artikel 63c. In artikel 63d
wordt voorts de voor de
inkomensgarantie ouderen specifieke financiering opgenomen die
overeenkomt met de financiering van de IOW. De overige bepalingen in de
IOW, zoals die over de rechten en plichten van de verzekerde, de
aanvraag, vaststelling en betaling van de uitkering, komen reeds voor in de
Wet WIA en behoeven daarom niet te worden overgenomen. Zie voor de
meer beleidsmatige achtergrond van de inkomensgarantie
ouderen: paragraaf 2, onder Wet WIA, van het algemene deel van deze
toelichting.
rblz.|10|
Artikel IX
Onderdelen A [vervallen,
red.] en
B [gewijzigd,
red.]
De inkomensverrekening
zoals die in de Ioaw is opgenomen, heeft een ongewenste uitkomst voor
de persoon wiens uitkering is gemaximeerd op de voorliggende WW-uitkering; bij een gemaximeerde
Ioaw-uitkering
worden overige inkomsten
vrijgelaten. In het nieuwe vierde lid [vervallen, red.] van artikel 9 wordt dit opgelost
door de grondslag te maximeren op het inkomen in de maand voorafgaand aan
de maand waarin recht op een Ioaw-uitkering ontstaat. Tevens wordt
door de formulering van het nieuwe vierde lid [vervallen, red.]
voorzien in
samenloopsituaties tussen een Ioaw-uitkering en inkomen uit of in verband met arbeid
en tussen een Ioaw-uitkering en andere uitkeringen. De wijziging van het
vijfde lid [vervallen, red.] betreft een technische aanpassing aan het (nieuwe) vierde
lid [vervallen, red.].
Het voorgestelde
onderdeel e [vervallen, red.] van artikel 6 regelt dat indien iemand reeds recht heeft op een
IOW-uitkering, geen recht kan ontstaan op een
Ioaw-uitkering. Andersom wordt in de IOW geregeld dat indien iemand reeds recht heeft op een
Ioaw-uitkering, geen recht kan ontstaan op een IOW-uitkering. Met deze
bepaling wordt het naast elkaar bestaan van een Ioaw-uitkering en een
IOW-uitkering voorkomen wat uitvoeringstechnisch wenselijk is.
Artikel XI
Onderdeel B
Met de nawerking van de
ZW-verzekering, zoals opgenomen in artikel 46 van de
ZW, is
geregeld dat iemand die bijvoorbeeld korte tijd werkloos is tussen
twee banen in, recht heeft op ziekengeld indien hij in die werkloze periode ziek
wordt (en aan de voorwaarden van artikel 46
ZW wordt voldaan). Deze
overbrugging is voor de
IOW- en Ioaw-gerechtigde niet nodig; door de
IOW of Ioaw wordt immers reeds in zijn inkomen voorzien.
Artikel XV
Op grond van de
IOW is
het UWV verantwoordelijk voor de arbeidsinschakeling van de
IOW-gerechtigde.
Daarom is de niet IOW-gerechtigde opgenomen in artikel 6
Wet werk en bijstand, zodat de arbeidsinschakeling
van de niet-IOW-gerechtigde onder verantwoordelijkheid valt van het college van
burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
Artikel XVI
Met het wetsvoorstel
Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met de
invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden en het in dienst houden
van ouderen van 62 jaar
en ouder [lees: voorstel van Wet tot wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten
in verband met de invoering van een premiekorting voor het in dienst
nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het in dienst
houden van werknemers van 62 jaar of ouder, red.] wordt in het eerste lid van
artikel 47 van de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv) geregeld dat de werkgever een
premiekorting oudere werknemer kan toepassen indien hij een werknemer in dienst
neemt die onder andere onmiddellijk voorafgaande aan de dienstbetrekking
inkomen heeft gehad uit de in het eerste lid, onderdeel a,
genoemde uitkeringen. Onder deze uitkeringen moet ook een
IOW-uitkering worden
begrepen. Met artikel XVI wordt artikel 47
Wfsv dienovereenkomstig
aangevuld.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|