|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2007-2008, 31 579
Implementatie
van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de
interne markt (Dienstenwet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING (enkel artikelsgewijs m.b.t. Awb) |
Artikelsgewijs
rblz.|128|
Wijzigingen
van andere wetten
Artikel 60 (Wijziging
Awb) [zie art.
61 Dienstenwet, red]
Onderdeel B
Artikel 4:20a
De regeling van paragraaf
4.1.3.3 heeft een facultatief karakter. Zij is alleen van toepassing wanneer
een wettelijk voorschrift zulks bepaalt. Dit betekent dat ook decentrale
overheden de regeling in hun verordeningen van toepassing kunnen
verklaren op de daarin geregelde beschikkingen. Het is evenwel niet mogelijk om
in lagere regelgeving te bepalen dat de regeling van toepassing is op een
type beschikking die voor het overige in hogere regelgeving is geregeld.
Voor een facultatieve
regeling is gekozen omdat het niet goed mogelijk is een algemeen criterium
te formuleren aan de hand waarvan bepaald kan worden of aan het niet
tijdig beslissen op een aanvraag de consequentie moet worden verbonden
dat er een positieve fictieve beschikking ontstaat. De vraag of de regeling
van toepassing zou moeten zijn, moet per geval worden bezien en
beantwoord en leent zich derhalve niet voor een regeling in de Algemene wet
bestuursrecht.
Deze paragraaf zal in
ieder geval van toepassing worden verklaard op een aantal vergunningen die
onder de Dienstenrichtlijn vallen [Richtlijn
2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU
L 376), red.]. Uit artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn vloeit immers voort dat een vergunning wordt geacht te zijn
verleend bij het uitblijven van een beslissing op een aanvraag binnen de
beslistermijn. Paragraaf
4.1.3.3 zal evenwel niet op elke vergunning die
onder de Dienstenrichtlijn valt van toepassing zijn. Dwingende redenen van
algemeen belang, waaronder de rechtmatige belangen van derden zijn
begrepen, kunnen een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. In
overweging 40 en 41 bij de Dienstenrichtlijn is nader ingegaan op de
dwingende redenen van algemeen belang. De aldaar beschreven
redenen zijn een verkorte weergave van de stand van de jurisprudentie van
het Hof van Justitie [Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, red.] over de artikelen 43 en 49 van het EG-Verdrag aan het
einde van 2006. Dwingende redenen van algemeen belang omvatten
bijvoorbeeld de openbare orde en veiligheid en de volksgezondheid.
Voorts kan deze
paragraaf van toepassing worden verklaard op andere beschikkingen dan
vergunningen die onder de Dienstenrichtlijn vallen. In zijn voorlichting over
de lex silencio positivo beval de Raad van State aan deze figuur slechts te
gebruiken voor die beschikkingen waar weinig risico bestaat dat het algemeen
belang of belangen van derden als gevolg van de fictieve verlening
worden geschaad en waarbij bovendien de rechtspositie van de vergunninghouder
na de fictieve verlening voldoende duidelijk is. Gedacht zou kunnen
worden aan de huisvestingsvergunning of de kapvergunning.
Toepassing van de lex silencio positivo op deze vergunningen levert in het algemeen
niet direct risico op voor schade aan het belang van derden of de
samenleving. Ook de rechtspositie van de vergunninghouder na de
fictieve verlening is voldoende duidelijk.
Op grond van het
bepaalde in paragraaf 4.1.3.2 verbeuren bestuursorganen
(met ingang van 1
januari 2009 [zie Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht, red.]) een dwangsom aan aanvragers indien niet tijdig op
een aanvraag is beslist. Het zou ongerijmd zijn wanneer de paragrafen
4.1.3.2 en 4.1.3.3
tegelijkertijd van toepassing zouden zijn. Gesteld zou
ook kunnen worden dat wanneer ervan wordt
rblz.|129|
uitgegaan dat de
gevraagde beschikking van rechtswege is verleend indien de beslistermijn
is verstreken, er nimmer een dwangsom verschuldigd zou kunnen zijn. Om
onduidelijkheid op dit punt te voorkomen, is in het tweede lid bepaald
dat paragraaf 4.1.3.2 niet van toepassing is als
paragraaf 4.1.3.3 van
toepassing is.
Artikel 4:20b
Indien niet tijdig op de
aanvraag is beslist, wordt de beschikking geacht te zijn gegeven
overeenkomstig de aanvraag. Onder niet tijdig wordt verstaan dat niet
overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.1.3.1 van
de Algemene wet bestuursrecht is besloten. Indien deze regeling van
toepassing is, zal er
doorgaans een wettelijk voorgeschreven termijn gelden waarbinnen het
bestuursorgaan dient te besluiten. Het is dan duidelijk dat er niet
tijdig is besloten indien niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn een beslissing
is genomen.
Denkbaar is dat paragraaf
4.1.3.3 een enkele maal van toepassing wordt verklaard op
beschikkingen ten aanzien waarvan geen vaste beslistermijn geldt op grond
van een
bijzondere wettelijke regeling. Alsdan geldt op grond van artikel
4:13,
eerste lid, dat de beschikking binnen een redelijke termijn na ontvangst van
de aanvraag dient te worden genomen. Deze redelijke termijn is in
ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na de
ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven of aan de
aanvrager heeft medegedeeld dat de beschikking niet binnen acht weken
kan worden gegeven. Is dit laatste het geval, dan moet het bestuursorgaan
bij die mededeling de redelijke termijn noemen waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel
4:14, derde lid). De
vergunning is van rechtswege verleend indien het bestuursorgaan na het verstrijken van
deze redelijke termijn nog geen beslissing heeft genomen.
Het tweede lid van dit
artikel brengt tot uitdrukking dat de fictieve positieve beslissing geldt als een
beschikking. Van een beschikking als bedoeld in artikel 1:3
kan immers geen sprake zijn aangezien de beslissing niet schriftelijk is
(vgl. ABRvS 30 juni 2004, JB 2004, 291, AB 2005, 9,
m.nt. ABB). Door in het tweede
lid te bepalen dat de fictieve positieve beslissing geldt als een
beschikking, wordt al hetgeen in de Algemene wet
bestuursrecht over beschikkingen is
bepaald van toepassing op van rechtswege genomen positieve
beschikkingen.
Uit jurisprudentie van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het
bestuursorgaan niet is toegestaan om na afloop van de beslistermijn wanneer de
beschikking van rechtswege derhalve reeds is verleend, alsnog een
reële beslissing op de aanvraag te nemen. Doet het bestuursorgaan dit toch,
dan is deze reële beschikking nietig (ABRvS 4 maart 1996, AB 1996,
320, m.nt. PvB). Desalniettemin heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in
een andere zaak geoordeeld dat een dergelijk nietig besluit voor
beroep vatbaar is, "omdat het is gericht op rechtsgevolg, al bewerkstelligt het
dat niet" (ABRvS 7 februari 1997, AB 1997, 154, m.nt. PvB).
Het derde lid regelt de
inwerkingtreding van de van rechtswege gegeven beschikking. In artikel
3:40 is bepaald dat een besluit niet in werking treedt voordat het is
bekendgemaakt. De bekendmaking is dus een constitutief vereiste voor het naar
buiten toe kunnen werken van een besluit. De wijze van bekendmaking is
geregeld in de artikelen 3:41 en 3:42. De bekendmakingsregeling
van de Awb is primair
geschreven met het oog op reële besluiten. Aangezien een
besluit van een bestuursorgaan is gericht op rechtsgevolgen waaraan
ook burgers zijn gebonden, wordt het vanzelfsprekend gevonden dat deze
rechtsgevolgen niet intreden voordat een besluit aan de bij dit
besluit betrokken burgers is bekendgemaakt. Wat betreft de gerichtheid
op rechtsgevolgen verschillen van rechtswege verleende beschikkingen
niet van reële beschikkingen. Vanuit deze optiek rblz.|130|
bezien zou het dan ook
voor de hand liggen dat ook de rechtsgevolgen verbonden aan een van rechtswege verleende
beschikking eerst in
werking zouden treden
nadat de beschikking aan de daarbij betrokkenen is bekendgemaakt. Voor
de aanvrager is het echter vaak van belang dat de beschikking zo snel
mogelijk in werking treedt. Indien paragraaf
4.1.3.3 van toepassing is
verklaard, is een snelle inwerkingtreding voorts van belang omdat anders het
doel dat wordt beoogd met de inzet van de figuur van de van
rechtswege verleende beschikking niet of in mindere mate wordt bereikt. De
houder van een van rechtswege gegeven beschikking heeft immers niets aan
de beschikking zolang deze niet in werking is getreden. Daarom is in
het derde lid van dit artikel in afwijking van artikel
3:40 geregeld dat de van
rechtswege gegeven beschikking op de derde dag na afloop van de
beslistermijn in werking treedt. Zou deze bepaling niet zijn opgenomen, dan
zou de beschikking pas in werking treden op het moment dat het
bestuursorgaan overgaat tot bekendmaking overeenkomstig artikel
4:20c. Het
gevolg daarvan zou kunnen zijn dat er nog enige tijd geen gebruik zou kunnen
worden gemaakt van de van rechtswege verleende beschikking.
De keuze voor de derde
dag na afloop van de beslistermijn is gemaakt om zoveel mogelijk te
voorkomen dat er verwarring zou kunnen ontstaan over de vraag of er tijdig een reëel besluit is genomen of dat er van
rechtswege een
beschikking is ontstaan. Denkbaar is immers dat het beslissingsbevoegde
bestuursorgaan het reële besluit op de laatste dag van de beslistermijn per
post aan de aanvrager verzendt (in de jurisprudentie wordt ervan uitgegaan
dat de postregistratie van het bestuursorgaan hiervoor als bewijs kan
dienen). Het besluit is dan tijdig genomen, zij het dat het de
aanvrager nog niet heeft bereikt. Hoewel brieven die per post worden
toegezonden
de geadresseerde in de regel de volgende dag bereiken, is dat geen
wet van Meden en Perzen. Wanneer de van rechtswege gegeven beschikking de
dag na afloop van de beslistermijn in werking zou treden,
zouden er misverstanden kunnen ontstaan. De aanvrager zou dan - naar later blijkt ten onrechte
- geneigd kunnen zijn te denken dat hij van
rechtswege over het gevraagde besluit beschikt en de kans bestaat dat hij
zelfs al met de activiteiten zou kunnen zijn gestart omdat hij in de
veronderstelling was dat de gevraagde beschikking van rechtswege was gegeven.
Door de inwerkingtreding te laten aanvangen op de derde dag na
afloop van de beslistermijn worden misverstanden over de vraag of er
tijdig een reële beschikking is genomen of niet, zoveel mogelijk voorkomen.
De aanvang van de
bezwaartermijn is in artikel 6:8 gekoppeld aan de
bekendmaking van een
besluit. Op grond van artikel 6:8 vangt de
bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op
de voorgeschreven wijze
is bekendgemaakt. Deze regel blijft onverkort van toepassing. Dit
betekent dat de bezwaartermijn bij van rechtswege verleende beschikkingen
ook pas aanvangt op de dag na die waarop de van rechtswege verleende
beschikking overeenkomstig artikel 4:20c
is bekendgemaakt. Doorgaans
zal de houder van de van rechtswege verleende beschikking
geen bezwaar willen maken tegen de beschikking, maar voor het geval hij
dat wel zou willen, moet de bekendmaking worden afgewacht. In het geval
hij niettemin voortijdig een bezwaarschrift indient, zal artikel 6:10 in de
weg staan aan niet-ontvankelijkverklaring.
Artikel 4:20c
Vanuit een oogpunt van
rechtszekerheid is het wenselijk dat er geen geheime vergunningen
ontstaan. Evenmin is wenselijk dat er vergunningen ontstaan waarvan het
bestaan omstreden is, bijvoorbeeld omdat onzeker is of er een
voldoende duidelijke aanvraag was dan wel of de beslistermijn al dan
niet was verdaagd. Door op het punt van de bekendmaking geen onderscheid te
maken tussen reële en van rechtswege rblz.|131|
genomen besluiten, wordt
onduidelijkheid over het bestaan van van rechtswege verleende
besluiten zoveel mogelijk voorkomen. Dit is ook in het belang van de
aanvrager.
Als de vergunning direct
na het ongebruikt verstreken zijn van de beslistermijn in werking
zou treden, zou het nadeel in sommige gevallen zijn dat de belangen van
derden direct lijden onder de trage besluitvorming door het bestuursorgaan.
Om tegemoet te komen aan de belangen van derden en de
samenleving, suggereerde de Raad van State in zijn voorlichting over de lex
silencio positivo dan ook om de vergunning pas in werking te laten
treden nadat de bezwaartermijn is verstreken en, als tijdig bezwaar wordt
gemaakt, nadat de beroepstermijn is verstreken. Ook zou volgens de Raad van
State kunnen worden gedacht aan schorsende werking van bezwaar en
beroep of aan het verruimen van de mogelijkheden om een vergunning in te
trekken of te wijzigen (Kamerstukken II 2007-2008, 29 515, nr.
224).
In dit voorstel is
ervoor gekozen om de van rechtswege verleende beschikking drie dagen
na afloop van de beslistermijn in werking te laten treden. De reden daarvoor is dat de van toepassing verklaring van de
figuur van de fictieve
positieve beschikking enigszins wordt ontkracht wanneer de beschikking
eerst in werking treedt nadat de beroepstermijn is verstreken of nadat
op het beroep is beslist. Bij de keuze tussen inwerkingtreding van een van rechtswege
genomen beschikking op een vrij korte termijn of
inwerkingtreding op een wat langere termijn speelt de vraag een rol welke
belang dient te prevaleren: dat van de aanvrager of dat van derden. Het is
niet goed mogelijk om bij die keuze volledig recht te doen aan zowel de
belangen van de aanvrager als die van derden. Van belang is echter wel dat
over de vantoepassingverklaring van paragraaf
4.1.3.3 weloverwogen
wordt besloten: de bepalingen zijn niet automatisch van toepassing, maar
alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dit zal in de
praktijk waarschijnlijk tot gevolg hebben dat de regeling niet van
toepassing zal zijn op besluiten die potentieel zeer gevaarlijke of
ingrijpende maatschappelijke gevolgen hebben. Om deze redenen zou het niet
voor de hand liggen om de inwerkingtreding op te schorten tot na de beroepstermijn of zelfs de beslissing op het beroep.
Integendeel, vantoepassingverklaring van deze paragraaf zou tot gevolg moeten hebben dat de
belangen van de aanvrager moeten prevaleren boven die van derden en
de maatschappij. Dit sluit overigens ook goed aan bij de geest van de
Dienstenrichtlijn. Derden-belanghebbenden die zich niet kunnen verenigen
met de van rechtswege verleende beschikking kunnen opkomen tegen de
beschikking en zo nodig om een voorlopige voorziening verzoeken.
Op grond van het eerste
lid moet de bekendmaking plaatsvinden binnen twee weken nadat de
beslissing van rechtswege is genomen. Bekendmaking van een van rechtswege
verleende beschikking vergt niet veel tijd en dient met het oog op de
belangen van de aanvrager dan ook binnen een korte termijn plaats te
vinden. Overigens is het het bestuursorgaan niet toegestaan om na het
verstrijken van de beslistermijn, bijvoorbeeld gedurende de periode waarin de van
rechtswege verleende beschikking bekend moet worden
gemaakt, alsnog een reële beschikking te nemen (vgl. ABRvS 13 april
2004, JB 2005, 167, m.nt. RvD, ABRvS 4 maart 1996, AB 1996, 320,
m.nt. PvB, ABRvS 7 februari 1997, AB 1997, 154, m.nt. PvB). De bekendmaking
geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel
3:41. Ook voor het overige is
afdeling 3.6 zoveel mogelijk van toepassing. Zo moet bijvoorbeeld
mededeling van het besluit worden gedaan aan personen die eventueel
bij de voorbereiding betrokken zijn geweest, maar aan wie niet bekend
hoeft te worden gemaakt en moet in de bekendmaking en in de mededeling
worden gewezen op bestaande beroepsmogelijkheden.
In het tweede lid is
bepaald dat bij de bekendmaking en mededeling van de beschikking wordt
vermeld dat de beschikking van rechtswege is rblz.|132|
verleend. Deze vermelding is van belang omdat daardoor voor betrokkenen
en eventueel ook derden-belanghebbenden bekend is dat de beschikking bepaalde
gebreken vertoont zoals de afwezigheid van een motivering of van
voorschriften.
Denkbaar is dat er zich
in de periode tussen de totstandkoming en inwerkingtreding van de van rechtswege
verleende beschikking en de aanvang van de bezwaartermijn
conflicten voordoen over de vraag of de beschikking al of niet is gegeven.
In eerste instantie zou hierover uiteraard informatie kunnen worden ingewonnen
bij het bestuursorgaan dat bevoegd was te beslissen op de
aanvraag. Mochten derden-belanghebbenden willen opkomen tegen een van
rechtswege verleende vergunning, dan zouden zij in de periode tussen de
totstandkoming en inwerkingtreding van de van rechtswege verleende
beschikking en de bekendmaking strikt genomen te vroeg zijn omdat de
aanvang van de bezwaartermijn is gekoppeld aan de bekendmaking van de
beschikking. Alsdan staat artikel 6:10, eerste lid, er
echter aan in de weg dat
het bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Op
grond van dit artikel blijft niet-ontvankelijkheidsverklaring [lees:
niet-ontvankelijkverklaring, red.] immers achterwege indien
het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaar- of
beroepschrift wel reeds tot stand was gekomen (artikel
6:10, eerste lid, onderdeel a). Op grond van artikel
6:10, tweede lid, zou de behandeling van het
bezwaar of beroep vervolgens kunnen worden aangehouden tot het
begin van de bezwaar- of beroepstermijn. Bij van rechtswege verleende
beschikkingen ligt het niet in de rede dat van deze bevoegdheid gebruik
wordt gemaakt. Mocht dit niettemin een keer gebeuren, dan kan de
derde-belanghebbende de voorzieningenrechter van de rechtbank vragen om
een voorlopige voorziening treffen. Hoewel de voorzieningenrechter
eveneens over de bevoegdheid beschikt de behandeling aan te houden, is het
onwaarschijnlijk dat hij dit doet. Hij moet immers afwegen of
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, noopt tot het treffen
van een voorlopige voorziening.
Artikel 4:20d
Denkbaar is dat een
bestuursorgaan dat talmt met de beslissing op de aanvraag, eveneens zou
kunnen talmen met de bekendmaking van de van rechtswege verleende
beschikking. Het gevolg daarvan zou zijn dat de aanvrager inmiddels
houder is van een niet goed bruikbare beschikking (bijvoorbeeld omdat hij
de beschikking soms wil of moet kunnen tonen). Dit zou op gespannen
voet staan met het doel dat met de inzet van de figuur van de van
rechtswege verleende beschikking wordt nagestreefd. Artikel
4:20d dient als
een stok achter de deur voor het bestuursorgaan om de van rechtswege
verleende beschikking daadwerkelijk tijdig bekend te maken. Laat het
bestuursorgaan dit na, dan kan de aanvrager het in gebreke stellen. Na de
ingebrekestelling heeft het bestuursorgaan nog twee weken de tijd om
het besluit bekend te maken, daarna verbeurt het een dwangsom per dag dat
het in gebreke is. De verbeurte van een dwangsom laat de verplichting om de van rechtswege verleende beschikking
bekend te maken
onverlet.
De dwangsom wordt
berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid van artikel
4:17. Dit
houdt in dat het bestuursorgaan de aanvrager een dwangsom verschuldigd is
van €|20,- per dag oplopend tot €|40,- per dag, met een maximum van €|1260,-.
Wanneer het
bestuursorgaan zelfs na de ingebrekestelling en de verbeurte van
dwangsommen nalaat
de beschikking bekend te maken, heeft de aanvrager op grond van
artikel 8:55f de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de rechter.
Afdeling 8.2.4a is dan van overeenkomstige toepassing.
In het derde lid is
voorts een aantal andere artikelen en artikelleden uit paragraaf
4.1.3.2 van
overeenkomstige toepassing verklaard. Hoewel de reden waarom er een
dwangsom wordt verbeurd in beide paragrafen rblz.|133|
verschilt, kunnen de
meeste regels die van toepassing zijn op dwangsommen die worden verbeurd op
grond van paragraaf 4.1.3.1 gelijkelijk
gelden voor dwangsommen
die worden verbeurd wegens de te late bekendmaking van een van
rechtswege verleende positieve beschikking. Artikel 4:19 is van
overeenkomstige toepassing verklaard voor het geval een van rechtswege
verleende vergunning als gevolg van door derden-belanghebbenden gemaakt
bezwaar wordt
ingetrokken of gewijzigd op grond van artikel
4:20f,
terwijl de oorspronkelijke aanvrager/beschikkinghouder ook nog een geschil
aanhangig heeft gemaakt over de dwangsom, bijvoorbeeld omdat hij
meent dat die verschuldigd is of dat er een te lage dwangsom is vastgesteld.
Uit praktische overwegingen verdient het aanbeveling dat beide
geschillen zoveel mogelijk in één en dezelfde procedure kunnen worden
afgedaan.
Artikel 4:20e
Trage besluitvorming die
leidt tot een beschikking van rechtswege kan onwenselijke gevolgen
hebben voor derden-belanghebbenden of voor de maatschappij indien het
bestuursorgaan niet zou beschikken over instrumenten om de mogelijke gevolgen
van deze beschikking - tot aanvaardbare proporties - te
beperken. De artikelen 4:20e en
4:20f bieden hiertoe de mogelijkheid.
Dit artikel waarborgt
dat een beschikking van rechtswege is onderworpen aan dezelfde
voorschriften die - krachtens een wettelijk voorschrift of een beleidsregel
- gelden
voor een reële beschikking. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het geval
waarin een gemeente aan een terrasvergunning standaard het
voorschrift verbindt dat het sluitingstijdstip 23.00 uur is. Dit sluitingstijdstip
geldt dan eveneens wanneer de vergunning van rechtswege is verleend,
zelfs wanneer in de aanvraag geen of een later sluitingstijdstip werd
genoemd. Wanneer de vergunninghouder zich niet kan verenigen met het
standaardvoorschrift, kan hij opkomen tegen de van rechtswege verleende
vergunning.
Indien de aanvrager
meent dat een in een beleidsregel vervat voorschrift voor hem een onevenredig
nadelige gevolg heeft, kan hij bezwaar maken tegen de van rechtswege
verleende beschikking. Bij de heroverweging van de van rechtswege
verleende vergunning op grondslag van het bezwaar kan het
bestuursorgaan vervolgens nagaan of in het specifieke geval is voldaan aan de
voorwaarden die artikel 4:84 aan afwijking van
een beleidsregel stelt.
Degene aan wie van rechtswege een beschikking is verleend, wordt door de
onderhavige bepaling dus niet in zijn processuele belangen geschaad. Ook
derden-belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen de van rechtswege
verleende beschikking als zij menen dat een in een beleidsregel
geformuleerd voorschrift niet streng genoeg is voor de aanvrager.
Artikel 4:20f
Dit artikel verschaft
het bestuursorgaan de bevoegdheid om een van rechtswege verleende
beschikking alsnog aan beperkingen te onderwerpen door er voorschriften
aan te verbinden of de beschikking te wijzigen of zelfs in te
trekken. Deze mogelijkheden zijn er uitsluitend indien ernstige nadelige
gevolgen voor het algemeen belang moeten worden voorkomen. Dit
betekent dat van de bevoegdheid die dit artikel geeft slechts gebruik
zal worden gemaakt in uitzonderlijke gevallen en dat dus niet lichtvaardig
kan worden besloten om de beschikking alsnog in te trekken of daaraan
alsnog voorschriften te verbinden. Een deugdelijke onderbouwing is vereist
en strookt ook met de gedachte dat weloverwogen wordt gekozen om te
werken met de figuur van de van rechtswege verleende beschikking.
Overigens worden onder algemeen belang ook dwingende redenen van
algemeen belang begrepen.
rblz.|134|
Van de bevoegdheid om
voorschriften aan de van rechtswege verleende beschikking te verbinden
of om de beschikking in te trekken, moet binnen zes weken na de bekendmaking van de vergunning van rechtswege,
gebruik worden gemaakt.
Hierdoor wordt een redelijk evenwicht gevonden tussen het belang van
rechtszekerheid van degene die de beschikking van rechtswege heeft
verkregen enerzijds en het algemeen belang anderzijds. De aanvulling met
voorschriften of de intrekking geschiedt in een nieuwe beschikking,
waartegen de betrokkene desgewenst kan opkomen. Het bepaalde in dit
artikel moet goed worden onderscheiden van bepalingen in bijzondere regelingen
die intrekkings- of wijzigingsgronden bevatten die gelden voor
zowel tijdig verleende beschikkingen - meestal vergunningen - als van
rechtswege verleende beschikkingen. Gedacht kan worden aan een bepaling
die regelt dat een vergunning door het bestuursorgaan kan worden ingetrokken
indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste
of onvolledige opgave is verleend of indien blijkt dat de vergunninghouder
de voorschriften verbonden aan de vergunning niet naleeft. Een
dergelijke intrekkingsgrond is bedoeld als sanctie op het niet
naleven van
wettelijke of vergunningvoorschriften. Het onderhavige artikel is niet bedoeld
als een sanctie, maar moet ernstige nadelige gevolgen voorkomen, die
zich in een enkel uitzonderlijk geval zouden kunnen voordoen bij een
van rechtswege verleende vergunning.
Het derde lid verplicht
het bestuursorgaan tot vergoeding van de schade die de houder van de van
rechtswege verleende beschikking lijdt indien deze beschikking ter
voorkoming van ernstige gevolgen voor het algemeen belang weer wordt
ingetrokken. Er dient derhalve causaal verband te bestaan tussen de
schade en de intrekking of wijziging op grond van het eerste lid. Schade
die is geleden doordat het bestuursorgaan niet tijdig heeft besloten of
schade die anderszins is geleden in verband met de aanvraag, wordt niet
op grond van het derde lid vergoed.
Onderdeel C
Artikel 4:71, vierde lid
Artikel 4:71 somt een
aantal rechtshandelingen op waarvan het verrichten van invloed kan zijn op
de aanwending van subsidiegelden, op de hoogte van later ingediende
subsidieaanvragen of op de kwaliteit en omvang van de activiteiten. Bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de
subsidieontvanger voor het verrichten van één of meer van deze
rechtshandelingen toestemming behoeft van het subsidiërende bestuursorgaan. Het
bestuursorgaan dient binnen vier weken te beslissen omtrent de
toestemming. In het vierde lid was bepaald dat de toestemming geacht werd
te zijn verleend indien omtrent de toestemming niet tijdig was beslist.
De tekst van dit lid is aangepast aan de regeling over de positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Inhoudelijk zijn er geen wijzigingen
beoogd.
Onderdeel D
Artikel 6:12, eerste en tweede lid
Tegen het niet tijdig
bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking kan op grond
van artikel 8:55f beroep worden ingesteld. Ingevolge
artikel 7:1 Awb
moet,
alvorens beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, als
regel eerst een bezwaarschrift worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
het bestreden besluit heeft genomen. Dit gold lange tijd ook in alle
gevallen van niet tijdig beslissen. Als een bestuursorgaan te laat op een aanvraag
besliste, moest de belanghebbende dus eerst een bezwaarschrift
wegens niet tijdig beslissen indienen. Aangezien deze rechtsgang in de
praktijk vaak niet bevredigend werkte is in de rblz.|135|
Wet
dwangsom en beroep bij
niet tijdig beslissen (Kamerstukken 29 934) voorzien in de mogelijkheid om in
bepaalde gevallen bij overschrijding van de primaire beslistermijn
rechtstreeks de rechter te adiëren. Daarbij is artikel
6:12 in die zin
aangepast dat beroep instellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit
eerst mogelijk is indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop
belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in
gebreke is. De reden voor deze het stellen van deze eis was dat het
niet meer dan redelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan eerst
laat weten dat het bestuursorgaan naar zijn oordeel in gebreke is en dat
deze eis ook elders in ons bestuursrecht wordt gesteld. Als voorbeeld
kan worden verwezen naar artikel 12 van de Wet
Nationale ombudsman waarin is bepaald dat een klacht in beginsel niet in
behandeling wordt
genomen indien deze niet eerst aan het bestuur kenbaar is gemaakt.
Op het beroep tegen het
niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking is
afdeling 8.2.4a van overeenkomstige toepassing.
Deze afdeling bevat
uitsluitend bepalingen over het beroep. Het vereiste van de ingebrekestelling
voorafgaand aan het beroep is ten aanzien van beroepen die zijn
gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, in artikel 6:12 gesteld.
Door de onderhavige wijziging geldt het vereiste van een voorafgaande
ingebrekestelling eveneens bij beroepen tegen het niet tijdig bekendmaken van
een van rechtswege verleende beschikking.
Onderdeel F
Artikel 8:55c
Het artikel is aangepast
aan de omstandigheid dat afdeling 8.2.4a
voortaan geldt voor
beroep bij niet tijdig handelen. Zowel het beroep wegens niet tijdig
beslissen als het beroep wegens het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege
verleende beschikking wordt door deze afdeling bestreken. Niet
uitsluitend artikel 4:17 bevat thans een verplichting
tot betaling van een
dwangsom, maar ook artikel 4:20d. Om deze
reden is de verwijzing
naar artikel 4:17 vervangen door een verwijzing
naar afdeling 4.1.3.
Onderdeel G
Artikel 8:55f
Dit artikel
bewerkstelligt dat tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende
beschikking beroep kan worden ingesteld. Op het beroep is afdeling
8.2.4a van overeenkomstige toepassing. Afdeling
8.2.4a is niet
letterlijk van toepassing omdat er van rechtswege een beschikking is verleend.
De belanghebbende stelt beroep in tegen het niet tijdig aan hem
bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking.
Wanneer afdeling
8.2.4a van toepassing is, wordt de bezwaarschriftprocedure
overgeslagen. Dit volgt
uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en
onder e, Awb.
Onderdeel H
Artikel 10:31, vierde
lid
In artikel 10:31 is de
procedure geregeld die moet leiden tot het besluit omtrent goedkeuring van
een ander besluit. Het vierde lid van artikel 10:31
is aangepast aan de regeling over de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen. Paragraaf 4.1.3.3 is
"van overeenkomstige toepassing" verklaard omdat deze
niet letterlijk kan worden toegepast.
|
|