|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2008-2009, 2009-2010,
31 780.
Handelingen II 2008-2009, blz. 5769-5813, 6067-6084, 6084-6096,
6162-6164; 2009-2010.
Kamerstukken I 2008-2009, 2009-2010, 31 780 (A, B, C, D, E, F, G, H, I,
J).
Handelingen I 2009-2010, blz. 259-271, 284-308, 314-317.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 3 december 2009, Stb.
2009, 580, tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning.
Inwerkingtreding: 1 januari 2010 (Stb.
2009, 581).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de participatie van jonggehandicapten door middel van werk en arbeidsondersteuning te bevorderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Wijziging
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Art.
I. Wijziging van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
[MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1 [1:1], eerste lid,
komt te luiden:
-1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c.
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten: het
arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten,
bedoeld in artikel 63 [5:1];
[MvT]
d. jonggehandicapte: de
natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 5.1.3 [2:3]
of 5b [3:2]; [MvT]
e. vreemdeling: hetgeen
daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
f. rechtens zijn
vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de situaties,
bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
g. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b,
van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
h. re-integratiebedrijf:
een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert;
i. resterende
verdiencapaciteit: het inkomen dat de jonggehandicapte die de leeftijd van
18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of recht heeft op
arbeidsondersteuning op grond van deze wet nog met arbeid kan verdienen en dat bij of
krachtens artikel 5.1.5 [2:5], 5.6.7
[2:37] of 5a [3:1]
is vastgesteld; [MvT]
j. werknemer: een
werknemer in de zin van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
k. werkgever: een
werkgever in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
l. inkomensvoorziening:
inkomensondersteuning als bedoeld in de artikelen 5.7.2 [2:40],
5.7.3 [2:41],
5.7.4 [2:42] of 5.7.5 [2:43], of een uitkering als bedoeld in artikel
5.7.7 [2:45]; [MvT]
m. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een persoon
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per
maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid,
van die
wet;
n. participatieplan: het
participatieplan, bedoeld in artikel 5.5.1 [2:18], eerste lid;
o. recht op
arbeidsondersteuning: het recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk
1a [2];
p.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van hoofdstuk 2 [3].
B. [MvT]
Artikel 2 [3:1] vervalt.
C. [MvT]
Artikel 5 [1:4] wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te
luiden: Studerenden.
2. Onder vernummering
van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid
vervalt het eerste lid.
3. De aanhef van het
eerste lid (nieuw) komt te luiden: In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt als studerende aangemerkt de persoon:.
4. In het tweede en
derde lid (nieuw) wordt "het tweede lid" telkens vervangen door: het
eerste lid.
D. [MvT]
Na artikel 5 [3:2/1:4]
wordt een hoofdstuk
ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 1A [2]. Werk en arbeidsondersteuning
[MvT]
AFDELING 1. Algemene bepalingen [MvT]
Art. 5.1.1 [2:1].
Algemene
bepaling [MvT]
In dit hoofdstuk en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder grondslag: het
minimumloon gedeeld door 21,75.
Art. 5.1.2 [2:2].
Maatmaninkomen [MvT]
-1. In dit hoofdstuk en
de daarop berustende bepalingen word verstaan onder maatmaninkomen:
het inkomen dat gezonde personen, met soortgelijke opleiding
en ervaring, ter plaatse waar de jonggehandicapte woont of in de omgeving
daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen, waarbij, zoveel
doenlijk, rekening wordt gehouden met door de jonggehandicapte
verkregen nieuwe bekwaamheden.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald hoe het
maatmaninkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
Art. 5.1.3 [2:3].
Jonggehandicapte [MvT]
-1. Jonggehandicapte in
de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die: [MvT]
a. aansluitend op de dag
waarop hij 17 jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75%
van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat
hij binnen één jaar volledig zal herstellen;
b. na de in onderdeel a
bedoelde dag waarop hij 17 jaar wordt als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid
meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk
is dat hij binnen één jaar volledig zal herstellen en hij in het
jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende
was.
-2. Indien de ingezetene
geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode
van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat
is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van
een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52
weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl
niet aannemelijk
is dat de ingezetene binnen één jaar volledig zal herstellen, dan wordt de
ingezetene alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij
niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te
verdienen. [MvT]
-3. Voor het bepalen van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, is artikel
6 [3:3],
tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 5.1.4 [2:4].
Definitie
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt [MvT]
-1. Volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam
slechts in staat is om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het
maatmaninkomen. [MvT]
-2. In het eerste lid
wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of
verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot
arbeidsparticipatie. [MvT]
-3. Onder een medisch
stabiele of verslechterende situatie wordt mede verstaan een medische
situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
[MvT]
-4. De jonggehandicapte
wordt uitsluitend als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de
zin van dit hoofdstuk beschouwd indien en zolang hij daarmee instemt.
[MvT]
Art. 5.1.5 [2:5].
Nadere
bepalingen definitie jonggehandicapte en volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt [MvT]
-1. De beoordeling van
wat iemand met arbeid kan verdienen, alsmede de beoordeling of iemand
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig
een arbeidskundig
onderzoek. [MvT]
-2. Bij het vaststellen
van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt, zo mogelijk,
rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten
beschouwing gelaten of betrokkene de arbeid feitelijk kan
verkrijgen. [MvT]
-3. Onder arbeid als
bedoeld in het tweede lid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde
arbeid waartoe betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is. [MvT]
-4. Bij de toepassing van
dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan
worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening
als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de
Wet sociale werkvoorziening. [MvT]
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste, tweede en derde lid en de artikelen 5.1.3 [2:3], 5.1.4
[2:4] en 5.6.7 [2:37], tweede lid,
nadere regels worden gesteld, die voor verschillende groepen van
jonggehandicapten verschillend kunnen zijn. Hierbij kan tevens onderscheid
worden gemaakt tussen de situaties, bedoeld in artikel 5.1.4 [2:4], tweede en
derde lid. [MvT]
-6. De voordracht voor
een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur, onderscheidenlijk de vaststelling van een ministeriële regeling
op grond van het vijfde lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen.
Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. [MvT]
-7. Bij de beoordeling,
bedoeld in het eerste lid, maakt de verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik
van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke
inzichten die de beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen,
alsmede de beoordeling of iemand volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is, kunnen ondersteunen. [MvT]
Art. 5.1.6 [2:6].
Inkomen [MvT]
Bij algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen per dag in de zin van
dit hoofdstuk wordt verstaan.
AFDELING 2. Algemene plichten jonggehandicapten [MvT]
Art. 5.2.1 [2:7].
Informatieplicht en medewerking aan controle [MvT]
-1. De jonggehandicapte
alsmede de instelling waaraan op grond van artikel 5.8.9 [2:55]
de
inkomensvoorziening wordt uitbetaald, doen op verzoek of onverwijld uit eigen
beweging mededeling van alle feiten of omstandigheden waarvan het hen
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het
recht op arbeidsondersteuning, de hoogte van de inkomensvoorziening of de betaling
van de inkomensvoorziening, waaronder mede is
begrepen informatie in het kader van re-integratie, aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze verplichting geldt niet indien die
feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk
voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen
uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij
ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin
van toepassing is. [MvT]
-2. De jonggehandicapte
is verplicht:
a. te voldoen aan elke
oproep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of van
één of meer door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen personen om
aanwezig te zijn op een door of vanwege het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats voor
beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken
aan een
onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van
controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d;
b. vragen te
beantwoorden die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of door één of meer door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aangewezen personen in verband met het recht op
arbeidsondersteuning op grond van deze wet worden gesteld; [MvT]
c. mee te werken door
zich te laten onderzoeken door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of door één of meer daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen personen;
d. tot naleving van door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde
controlevoorschriften die noodzakelijk zijn voor een juiste
uitvoering van deze wet;
e. op verzoek onverwijld
inzage te geven aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
in een op hem betrekking hebben document als bedoel in artikel 1,
eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de
Wet op
de identificatieplicht.
-3. De verplichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing op: [MvT]
a. de ingezetene die een
aanvraag voor het recht op arbeidsondersteuning heeft ingediend;
b. de persoon die de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en ten aanzien van wie of ten
behoeve van wie een re-integratie-instrument als bedoeld in artikel
5.5.3 [2:20], 5.5.5 [2:22]
of 5.5.6 [2:23] is toegekend of waarvan toekenning wordt overwogen.
-4. De verplichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van: [MvT]
a. het
re-integratiebedrijf dat in opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
werkzaamheden verricht; of
b. personen die met
toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf als bedoeld in onderdeel
b, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij
wet of overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen
opgedragen taken.
-5. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk
en die bij deelname aan een re-integratietraject zijn
re-integratieverplichtingen niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan
het re-integratiebedrijf. [MvT]
-6. De ingezetene die een
aanvraag voor arbeidsondersteuning heeft ingediend of de
jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van dit
hoofdstuk zijn verplicht te voldoen aan het voorschift gegeven
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe
aangewezen deskundige om zich ter observatie te doen
opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting mits
observatie of verblijf in een aangewezen inrichting noodzakelijk is voor de vaststelling
van de omvang van de arbeidsbeperking of bijdraagt aan genezing of aan behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot
het verrichten van arbeid. [MvT]
-7. De werkgever ten
behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid, op
grond van artikel 5.5.3 [2:20] heeft verminderd of die daarvoor een verzoek
heeft gedaan, is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
omstandigheden
waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning of
de duur en hoogte van de vermindering. [MvT]
Art. 5.2.2 [2:8].
Plichten
ter beperking van het ontstaan en bestaan van recht op
arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk [MvT]
-1. De ingezetene die een
aanvraag voor het recht op arbeidsondersteuning heeft ingediend en de
jonggehandicapte beperken het bestaan van
arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid, voor zover dit
redelijkerwijs van hen verwacht mag worden. [MvT]
-2. De ingezetene die
recht op arbeidsondersteuning heeft aangevraagd, is verplicht: [MvT]
a. mee te werken aan het
opstellen van het participatieplan; en
b. een naar algemeen
medische maatstaven adequate behandeling te ondergaan voor zijn
ziekte of gebrek die bijdraagt aan genezing of aan behoud, herstel of
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
Art. 5.2.3 [2:9].
Plichten
wettelijke vertegenwoordiger [MvT]
De plichten, bedoeld in
de artikelen 5.2.1 [2:7], 5.2.2 [2:8], 5.6.1
[2:31] en 5.6.2 [2:32], worden, indien de in die
artikelen genoemde ingezetene of jonggehandicapte een wettelijke
vertegenwoordiger heeft, door die vertegenwoordiger nageleefd. Voor zover de plichten
slechts door de ingezetene of jonggehandicapte kunnen worden nageleefd,
bevordert de wettelijke
vertegenwoordiger die naleving.
Art. 5.2.4 [2:10].
Delegatiebevoegdheid [MvT]
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 5.2.1 [2:7] en
5.2.2 [2:8].
AFDELING 3. Uitsluitingsgronden voor het recht op
arbeidsondersteuning [MvT]
Art. 5.3.1 [2:11].
Uitsluitingsgronden [MvT]
-1. Voor de toepassing
van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden de
volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het rechtens zijn
vrijheid zijn ontnomen;
b. het niet in Nederland
wonen;
c. het als vreemdeling
niet rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdeel a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000;
d. het bereiken of
bereikt hebben van de eerste dag van de kalendermaand waarin de
jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, niet geldt ten aanzien van
vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000,
rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel
g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art. 5.3.2 [2:12].
Nadere
bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en
vrijheidsbenemende maatregelen [MvT]
-1. In afwijking van de
artikelen 5.4.1 [2:15] en 5.4.2 [2:16]
is artikel 5.3.1 [2:11], onderdeel a, eerst van toepassing met
ingang van de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid
is ontnomen.
-2. Artikel 5.3.1 [2:11],
onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een
justitiële inrichting.
-3. Voor de toepassing
van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen.
Art. 5.3.3 [2:13].
Niet in
Nederland wonen [MvT]
-1. In afwijking van de
artikelen 5.4.1 [2:15] en 5.4.2 [2:16]
is artikel 5.3.1 [2:11], onderdeel b, eerst van toepassing
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.
-2. Het eerste lid is
tevens van toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan
wonen en op wie artikel 3 [1:2], derde lid, van toepassing is.
-3. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan artikel 5.3.1 [2:11], onderdeel
b, buiten
toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het
belang van het eindigen van het recht op arbeidsondersteuning
indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 5.3.4 [2:14].
Niet
meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op arbeidsondersteuning
[MvT]
Indien voor het
vaststellen van het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk,
in het kader van een aanvraag voor de toekenning van het recht
op arbeidsondersteuning op grond van deze wet, naar het oordeel
van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek
nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat
onderzoek, blijven eventuele uit dit hoofdstuk voortvloeiende aanspraken op
arbeidsondersteuning buiten aanmerking voor zolang het recht op
arbeidsondersteuning niet kan worden vastgesteld.
AFDELING 4. Recht op arbeidsondersteuning
[MvT]
Art. 5.4.1 [2:15].
Recht op
arbeidsondersteuning [MvT]
-1. De jonggehandicapte
heeft op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van dit
hoofdstuk, indien: [MvT]
a. hij sinds de dag
waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75%
van het maatmaninkomen te verdienen;
b. op hem geen
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 5.3.1 [2:11]
van toepassing is;
c. hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
d. hij de aanvraag,
bedoeld in de aanhef, heeft ingediend op of na de datum van
inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de
participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning
(Stb. 2009, 580).
-2. Het recht op
arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag dat
aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan, doch niet eerder dan
zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op
arbeidsondersteuning, bedoeld in dit artikel, werd ingediend. [MvT]
-3. In afwijking van het
tweede lid ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de
aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend, indien:
[MvT]
a. de jonggehandicapte
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; of
b. het recht op
arbeidsondersteuning op grond van artikel 5.4.3 [2:17], eerste of tweede lid, herleeft.
Art. 5.4.2 [2:16].
Einde van
het recht op arbeidsondersteuning [MvT]
-1. Het recht op
arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk eindigt:
a. twee maanden na de
dag dat de jonggehandicapte in staat is meer dan 75% van het
maatmaninkomen te verdienen; [MvT]
b. op de dag dat er op
hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 5.3.1 [2:11]
van toepassing is;
[MvT]
c. indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe op zijn verzoek besluit; of
[MvT]
d. indien de
jonggehandicapte overlijdt. [MvT]
-2. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op arbeidsondersteuning van
de jonggehandicapte die arbeid verricht niet, tenzij de
jonggehandicapte ten minste 75% van het maatmaninkomen verdient nadat hij vijf
jaar arbeid heeft verricht. [MvT]
-3. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid eindigt het recht op
arbeidsondersteuning van de jonggehandicapte die arbeid verricht, op de dag dat
hij gedurende één jaar met arbeid meer heeft verdiend dan 100% van
het
minimumloon. [MvT]
-4. Het recht op
arbeidsondersteuning eindigt niet op grond van het eerste lid, onderdeel
a,
of het tweede of derde lid indien de jonggehandicapte gebruik maakt van een
voorziening als bedoeld in artikel 5.5.5 [2:22], tweede lid, onderdeel a,
b of d. [MvT]
Art. 5.4.3 [2:17].
Herleving
van het recht op arbeidsondersteuning [MvT]
-1. Indien op grond van
artikel 5.4.2 [2:16], eerste lid, onderdeel a, tweede of derde lid, het recht op
arbeidsondersteuning is geëindigd, herleeft op aanvraag het recht op
arbeidsondersteuning als de jonggehandicapte binnen vijf jaar na de
dag waarop het recht op arbeidsondersteuning is geëindigd niet in staat
is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen en dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij
eerder recht op
arbeidsondersteuning had. [MvT]
-2. Indien op grond van
artikel 5.4.2 [2:16], eerste lid, onderdeel b, geen recht op arbeidsondersteuning
meer bestaat omdat op de persoon die recht had op
arbeidsondersteuning één of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel
5.3.1 [2:11],
onderdeel a, b of c, van toepassing waren, herleeft op
aanvraag het recht op
arbeidsondersteuning wanneer zich geen van deze uitsluitingsgronden meer
voordoet. [MvT]
-3. Indien het recht op
arbeidsondersteuning is geëindigd op grond van artikel 5.4.2 [2:16], eerste
lid, onderdeel c, herleeft het recht op arbeidsondersteuning op aanvraag van de
jonggehandicapte indien zich geen uitsluitingsgrond als
bedoeld in artikel 5.3.1 [2:11] voordoet. Het recht op arbeidsondersteuning
herleeft niet eerder dan één jaar na de dag waarop het recht op
arbeidsondersteuning is geëindigd. [MvT]
-4. Dit artikel is niet
van toepassing indien artikel 29b
van de Ziektewet toepassing kan vinden,
tenzij de toe te kennen inkomensvoorziening het ziekengeld overtreft.
AFDELING 5. Re-integratie en arbeidsondersteuning [MvT]
Art. 5.5.1 [2:18].
Participatie en re-integratieaanpak door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[MvT]
-1. Uiterlijk op de dag
dat het recht op arbeidsondersteuning ontstaat, stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in samenspraak met de jonggehandicapte
een ontwerpparticipatieplan op waarin de rechten, de
verplichtingen en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen van de
jonggehandicapte en de voorwaarden voor het recht op inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
5.7.1 [2:39], zijn vermeld.
Indien de
jonggehandicapte de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot
5 jaar, bevat het ontwerpparticipatieplan afspraken over de wijze waarop arbeid
en zorg kunnen worden gecombineerd. Bij deze afspraken worden in
ieder geval de mogelijkheden tot scholing en opleiding betrokken. Het
participatieplan wordt na de vijfde werkdag na de opstelling van het
ontwerpparticipatieplan vastgesteld.
-2. In het
participatieplan kan worden bepaald dat ten behoeve van de inschakeling in de
arbeid van de jonggehandicapte de volgende instrumenten kunnen worden ingezet:
a. een
re-integratietraject als bedoeld in artikel 30a, achtste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. loondispensatie als
bedoeld in artikel 5.5.3 [2:20];
c. loonkostensubsidie
als bedoeld in artikel 5.5.4 [2:21];
d.
arbeidsplaatsvoorziening en voorziening ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid
als bedoeld in artikel 5.5.5 [2:22]
en 5.5.6 [2:23];
e. proefplaatsing als
bedoeld in artikel 5.5.7 [2:24];
h.¹ het aanbod van
concrete algemeen geaccepteerde arbeid, bedoeld in artikel 30a, tweede lid,
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-3. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen evalueert, in samenspraak met de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, periodiek het
participatieplan en stelt deze zo nodig bij.
Art. 5.5.2 [2:19].
Werkaanbod
[MvT]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de jonggehandicapte tevens een aanbod van
concrete algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
doen
indien dat niet in het participatieplan wordt genoemd.
Art. 5.5.3 [2:20].
Loondispensatie [MvT]
-1. Indien de
arbeidsprestatie van een werknemer die:
a. recht heeft op
arbeidsondersteuning; of
b. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
in een bepaalde functie,
maar geen functie waarin hij werkzaam is als werknemer in de zin van
de Wet sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 7 van die
wet, ten gevolge van ziekte of gebrek
duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van
het voor hem geldende wettelijk minimumloon rechtvaardigt, vermindert het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek van de
betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op een
geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, in
afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
-2. Elk beding waarbij
een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid wordt overeengekomen die
lager is dan de beloning vastgesteld op grond van het eerste lid
is nietig.
-3. Vanaf de dag waarop de werknemer,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de leeftijd
van 18 jaar bereikt en recht heeft op arbeidsondersteuning,
wordt de op grond van onderdeel b verstrekte vermindering van de
hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning geacht te zijn gebaseerd
op het eerste lid, onderdeel a, tenzij de werknemer niet aan de
overige
voorwaarden van het eerste lid voldoet.
Art. 5.5.4 [2:21].
Loonkostensubsidie [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met
een jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning en
die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een
dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan,
subsidie voor loonkosten verlenen indien de dienstbetrekking een overeengekomen duur
van ten minste twaalf maanden heeft. De subsidie kan slechts
worden verstrekt indien de jonggehandicapte op de eerste dag van de
dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt.
-2. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst
als bedoeld in artikel
690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek betreft,
verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien
de derde in wiens opdracht de jonggehandicapte,
bedoeld in het eerste lid, ter beschikking wordt gesteld om arbeid te verrichten,
zich jegens de werkgever verplicht die jonggehandicapte ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Indien de
uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd door een
dienstbetrekking bij de derde voor ten minste de resterende duur van de
twaalf maanden, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op aanvraag aan die derde loonkostensubsidie verstrekken voor
maximaal de resterende duur van de twaalf maanden.
-3. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan van de jonggehandicapte,
bedoeld in het eerste lid, vaststellen dat hij in aanmerking komt voor
toepassing van het eerste lid indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de inschakeling
in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt
is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts:
a. indien naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen reële behoefte bestaat
aan de arbeid die op grond van de dienstbetrekking,
bedoeld in het eerste lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele
arbeid betreft;
b. indien er naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een reëel uitzicht is
op continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes
maanden na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie
wordt verstrekt, dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende
dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes
maanden; en
c. indien ten behoeve
van de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, in de vijf jaar
voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, niet eerder
loonkostensubsidie op grond van dit artikel is verstrekt; en
d. indien de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, in de zes maanden voorafgaand aan
de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden
op een proefplaats als bedoeld in artikel 5.5.7 [2:24]
of artikel 76a
van de
Werkloosheidswet heeft verricht.
-5. Onder additionele
arbeid als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling
op reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt
ten hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8,
derde lid, van die wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt naar
evenredigheid verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur korter is
dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van
laatstgenoemde wet. Indien ten behoeve van de betrokken werknemer artikel 5.5.3
[2:20] van deze wet toepassing vindt, bedraagt de subsidie, zo nodig in
afwijking van de eerste zin, ten hoogste de aanspraak op een
geldelijke beloning voor verrichte arbeid die krachtens dat artikel 5.5.3
[2:20] is
vastgesteld.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
-8. Indien de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de
Ziektewet, wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever
verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met dit
ziekengeld.
-9. Indien de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om
subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking
wordt ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie
maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-10. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit
artikel, welke regels betrekking kunnen hebben op:
a. nadere
subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art. 5.5.5 [2:22].
Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van
toeleiding naar arbeid [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die
arbeid in dienstbetrekking verricht, of die arbeid in dienstbetrekking gaat
verrichten, doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin van
de Wet sociale werkvoorziening, of die scholing of opleiding in het
kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of
gaat volgen, of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, met
uitzondering van de jonggehandicapte die werkzaam is als
werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, op aanvraag
voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de
mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of
opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.
-2. Onder voorzieningen
als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
a. vervoersvoorzieningen
die ertoe strekken dat de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste
lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;
b. intermediaire
activiteiten ten behoeve van jonggehandicapten met een visuele, auditieve
of motorische handicap;
c. meeneembare
voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de
productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de
proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen,
die in overwegende mate op het individu van de jonggehandicapte,
bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd; en
d. noodzakelijke
persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan de jonggehandicapte
opgedragen taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor
zijn beperkingen.
-3. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte, bedoeld in het
eerste lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die
strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van
dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot dit artikel.
Art. 5.5.6 [2:23].
Voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige
[MvT]
Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld op grond
waarvan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag van de
ingezetene die 17
jaar is en niet meer dan 75% van het
maatmaninkomen kan verdienen en de jonggehandicapte die
recht heeft op arbeidsondersteuning, in het kader van de bevordering en
ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige aan die
jonggehandicapte voorzieningen kan verstrekken.
Art. 5.5.7 [2:24].
Proefplaatsing [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van
de inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de
jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning om op een proefplaats
bij een werkgever gedurende maximaal drie maanden
onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
-2. Tijdens het
verrichten van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste
lid wordt het recht op arbeidsondersteuning en de inkomensvoorziening niet
beëindigd.
-3. De onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden
waartoe de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten
en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden
waarbij de werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een
aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de jonggehandicapte,
bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder
onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft
verricht; en
d. werkzaamheden
waarbij er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden
aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor
ten minste zes maanden.
-4. Indien de
werkzaamheden, bedoel in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken,
wordt deze periode voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing
gelaten.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit artikel.
Art. 5.5.8 [2:25].
Loonsuppletie [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag loonsuppletie
verstrekken aan de ingezetene:
a. die 17
jaar
is;
b. die niet meer dan 75%
van het maatmaninkomen kan verdienen;
c. die arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht; en
d. wiens loon lager is
dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie
wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt
ontvangen.
-3. Als perioden waarin
loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede
lid worden eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond van de
Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is
geëindigd.
-4. De loonsuppletie
wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.
-5. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de loonsuppletie.
Art. 5.5.9 [2:26].
Inkomenssuppletie [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag inkomenssuppletie
verstrekken aan de ingezetene:
a. die 17
jaar
is;
b. die niet meer dan 75%
van het maatmaninkomen kan verdienen;
c. die arbeid als
zelfstandige verricht of gaat verrichten; en
d. wiens inkomen uit het
bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie
wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend.
-3. De inkomenssuppletie
wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
-4. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de inkomenssuppletie.
Art. 5.5.10 [2:27].
Nadere
regels aanvraag re-integratie-instrumenten [MvT]
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 5.5.8 [2:25], van inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 5.5.9 [2:26], de termijn waarbinnen die aanvraag wordt
ingediend, alsmede omtrent de rechtsgevolgen die aan overschrijding van die
termijn zijn verbonden, en met betrekking tot de aanvraag van voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.5
[2:22] en 5.5.6 [2:23], en van
toestemming als bedoeld
in artikel 5.5.7 [2:24].
Art. 5.5.11 [2:28].
Arbeidsinschakeling door re-integratiebedrijf [MvT]
Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van een jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning werkzaamheden door een
re-integratiebedrijf laat verrichten, is artikel 30a, zesde en zevende lid,
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
van
overeenkomstige toepassing.
Art. 5.5.12 [2:29].
Scholing
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen [MvT]
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te verstrekken subsidie aan
een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep
of bedrijf door scholing de inschakeling van jonggehandicapten met
ernstige scholingsbelemmeringen in de arbeid bevordert.
-2. Bij de
subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan de
subsidieontvanger
verplichtingen worden opgelegd omtrent het hanteren van een
registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt.
-3. Voor de toepassing
van het eerste lid wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op
grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening.
Art. 5.5.13 [2:30].
Geen
participatieondersteuning volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten [MvT]
De artikelen 5.5.1 tot
en met 5.5.4 [2:18 t/m 2:21] en 5.5.7
[2:24] zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
AFDELING 6. Plichten in verband met het recht op
arbeidsondersteuning [MvT]
§ 1. Verplichtingen van
de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning [MvT]
Art. 5.6.1 [2:31].
Plichten
gericht op het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid [MvT]
-1. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning is verplicht in voldoende
mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid te behouden of te verkrijgen. [MvT]
-2. Ter naleving van de
plicht, bedoeld in het eerste lid, is de jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te
laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het re-integratiebedrijf
in opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe opdracht geeft
en de behandeling of de aanwijzing bijdraagt aan
genezing of aan behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot
het verrichten van arbeid, en zijn genezing niet te belemmeren; [MvT]
b. mee te werken aan het
opstellen van het re-integratieplan; [MvT]
c. te voldoen aan
verplichtingen die zijn opgenomen in het re-integratieplan. [MvT]
-3. De verplichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de persoon
die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening
of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet
in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid.
Art. 5.6.2 [2:32].
Plichten
gericht op inschakeling in de arbeid [MvT]
-1. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning en zijn resterende
verdiencapaciteit niet volledig benut, is verplicht zich als werkzoekende bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te laten registreren,
indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid,
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem dit opdraagt. De
verplichting, bedoeld in de eerste zin, is niet van toepassing op de jonggehandicapte
die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening
of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet
in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid. [MvT]
-2. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning en arbeid in
dienstbetrekking verricht, is verplicht: [MvT]
a. zich te onthouden van
verwijtbaar gedrag dat aangemerkt kan worden als een dringende
reden in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de dienstbetrekking
niet door of op zijn verzoek te laten beëindigen zonder dat aan de
voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze
voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
-3. Het door de
jonggehandicapte, bedoeld in het tweede lid, niet voeren van verweer tegen of het instemmen
met een beëindiging van de dienstbetrekking door of
op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de
verplichting, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a. [MvT]
-4. In dit hoofdstuk
wordt onder algemeen geaccepteerde arbeid verstaan algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden
in staat is. [MvT]
Art.
5.6.3 [2:33]. Delegatiebevoegdheid
[MvT]
-1. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 5.6.1 [2:31] en
5.6.2 [2:32], eerste en tweede lid.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen
jonggehandicapten worden vrijgesteld van verplichtingen hun op grond van artikel
5.6.1 [2:31] opgelegd.
Art. 5.6.4 [2:34].
Plichten
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten [MvT]
De artikelen 5.6.1 [2:31] en 5.6.2
[2:32], eerste lid, zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
§ 2. Bevoegdheden en
plichten Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [MvT]
Art. 5.6.5 [2:35].
Controlevoorschriften [MvT]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze
voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een
juiste uitvoering van dit hoofdstuk.
Art. 5.6.6 [2:36].
Periodieke
beoordeling volledig en duurzaam arbeidsongeschikten met
geringe kans op herstel [MvT]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt met inachtneming van artikel
5.1.5 [2:5] en de daarop berustende bepalingen gedurende de eerste vijf
jaar nadat recht op arbeidsondersteuning is ontstaan jaarlijks of de
jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als
bedoeld in artikel 5.1.4 [2:4], derde lid, nog volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Art. 5.6.7 [2:37].
Beoordeling jonggehandicapte na werkregeling [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt, met inachtneming van artikel
5.1.5 [2:5] en de daarop berustende bepalingen, de resterende
verdiencapaciteit vast van de jonggehandicapte die: [MvT]
a. gedurende een periode
van ten minste zeven jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad;
b. de leeftijd van 27
jaar heeft bereikt; en
c. niet volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is.
-2. In afwijking van het
eerste lid stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
met inachtneming van artikel 5.1.5 [2:5]
en de daarop berustende
bepalingen, op aanvraag van de jonggehandicapte zijn resterende
verdiencapaciteit vast, indien: [MvT]
a. hij gedurende een
periode van ten minste vijf jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad;
b. gedurende een
aaneengesloten tijdvak van vijf jaar inkomsten uit arbeid heeft genoten die
overeenkomen met zijn resterende verdiencapaciteit; en
c. er geen perspectief
is op verdere verbetering van de verdiencapaciteit.
-3. Onverminderd artikel 5.1.5 [2:5], tweede
lid, wordt bij het vaststellen van de resterende
verdiencapaciteit, bedoeld in het eerste en tweede lid, rekening gehouden met
hetgeen de jonggehandicapte met behulp van voorzieningen als
bedoeld in artikel 5.5.5 [2:22] kan verdienen.
Art. 5.6.8 [2:38].
Reiskostenvergoeding [MvT]
Opgeroepenen en, indien
hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden
reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens
regels die door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden vastgesteld.
AFDELING 7. Inkomensvoorzieningen
[MvT]
§ 1.
Inkomensondersteuning werkregeling [MvT]
Art. 5.7.1 [2:39].
Voorwaarden inkomensondersteuning [MvT]
-1. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt op aanvraag
inkomensondersteuning met ingang van de dag waarop de aanvraag werd
ingediend. [MvT]
-2. In afwijking van het
eerste lid ontvangt de jonggehandicapte de inkomensondersteuning,
bedoeld in het eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de
jonggehandicapte aan de voorwaarden, bedoeld in het derde en vierde
lid, voldoet. [MvT]
-3. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt
inkomensondersteuning als bedoeld in het eerste lid, indien en zolang hij:
[MvT]
a. meewerkt aan
activiteiten of werkzaamheden gericht op zijn inschakeling in de
arbeid die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wenselijk acht voor
verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid;
b. meewerkt aan
aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt voor
verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid en zo nodig tracht die aanpassing en die
voorzieningen te verkrijgen;
c. meewerkt aan het
opstellen van het participatieplan;
d. voldoet aan
verplichtingen die zijn opgenomen in het participatieplan;
e. algemeen
geaccepteerde arbeid verricht wanneer hij daartoe in de gelegenheid wordt
gesteld;
f. in voldoende mate
tracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
g. geen eisen stelt in
verband met door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen
van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren.
-4. De jonggehandicapte
die niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel
e, ontvangt geen inkomensondersteuning zolang hij geen algemeen
geaccepteerde arbeid verricht. [MvT]
-5. Onder de in het derde
lid, onderdeel e, f en g, bedoelde arbeid wordt
verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is. [MvT]
-6. De voorwaarden,
bedoeld in het derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op de persoon
die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening
of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet
in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid.
Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt niet
als
inschakeling in de arbeid beschouwd inschakeling in arbeid op grond van een
dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening.
[MvT]
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan aan jonggehandicapten die recht hebben op
arbeidsondersteuning in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden
verleend van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel e en
f. [MvT]
Art. 5.7.2 [2:40].
Inkomensondersteuning werkregeling [MvT]
-1. De
inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 5.7.1 [2:39], eerste lid, bedraagt per dag:
[MvT]
a. bij een inkomen per
dag van minder dan 20% van het minimumloon: 0,55 * G;
b. bij een inkomen per
dag van ten minste 20% van het minimumloon maar minder dan 70% van
het minimumloon: 0,55 * G – 0,5 * (I – 0,2 * G); en
c. bij een inkomen per
dag van ten minste 70% van het minimumloon: G – I;
waarbij G staat
voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
-2. Indien de
jonggehandicapte aantoont dat hem niet kan worden verweten dat hij een
inkomen per dag verwerft van minder dan 20% van het minimumloon, dan
bedraagt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de
inkomensondersteuning per dag: 0,75 * G – I, waarbij G staat voor de grondslag en I voor
het inkomen per dag. [MvT]
Art. 5.7.3 [2:41].
Voortgezette inkomensondersteuning werkregeling [MvT]
-1. In afwijking van
artikel 5.7.2 [2:40], eerste lid, bedraagt de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
5.7.1 [2:39], eerste lid, van de jonggehandicapte die op grond van artikel
5.6.7 [2:37] opnieuw is beoordeeld, per dag:
a. indien de
jonggehandicapte een resterende verdiencapaciteit heeft van minder dan 25% van
de grondslag:
1º. 0,75 * G, als het
inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit; en
2º. G – I, als het
inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit; en
b. indien de
jonggehandicapte een resterende verdiencapaciteit heeft die ten minste gelijk is
aan 25% van de grondslag:
1º. 0,75 * G + 0,25 * G
* I/R – I, als het inkomen per dag lager is dan de resterende
verdiencapaciteit; en
2º. G – I, als het
inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende
verdiencapaciteit;
waarbij G staat voor de grondslag, I voor het inkomen per dag en R voor de
resterende verdiencapaciteit.
-2. In het eerste lid,
onderdeel b, is I/R ten hoogste gelijk aan 1.
Art. 5.7.4 [2:42].
Breman-regeling [MvT]
-1. De
inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 5.7.1 [2:39], eerste lid, van de
jonggehandicapte die
op grond van artikel 5.6.7 [2:37] opnieuw is beoordeeld, ten aanzien van wie
loondispensatie als bedoeld in artikel 5.5.3 [2:20]
is verkregen en die
noodzakelijke persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel
5.5.5 [2:22], tweede
lid, onderdeel d, geniet, of zou hebben genoten wanneer de jonggehandicapte niet reeds op grond van een andere
regeling deze
ondersteuning zou genieten, bedraagt in afwijking van artikel 5.7.3
[2:41] per dag:
a. bij een resterende
verdiencapaciteit van minder dan 45% van de grondslag:
1º. M – I, maar ten
hoogste 0,75 * G, als het inkomen per dag lager is dan de resterende
verdiencapaciteit; en
2º. G – I, als het
inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit; en
b. bij een resterende
verdiencapaciteit die ten minste gelijk is aan 45% van de grondslag:
1º. 0,75 * G + (L –
0,75) * G * I/R – I, als het inkomen per dag lager is dan de resterende
verdiencapaciteit; en
2º. M – I, als het
inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende
verdiencapaciteit;
waarbij G staat voor de grondslag, I voor het inkomen per dag, R voor de
resterende verdiencapaciteit, L voor het bij de arbeid die de jonggehandicapte
verricht rechtens geldende loon per maand gedeeld door G en M voor
het bij de arbeid die de jonggehandicapte verricht rechtens
geldende loon gedeeld door 21,75, waarbij M ten hoogste 1,2 * G is.
-2. In het eerste lid,
onderdeel b, is L ten minste gelijk aan 1 en ten hoogste aan 1,2, en is
I/R ten hoogste 1.
-3. Het eerste lid is
eveneens van toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte die:
a. geen begeleiding meer
op zijn werkplek heeft als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel
b,
van de Wet sociale werkvoorziening, maar ten aanzien van wie wel
loondispensatie als bedoeld in artikel 5.5.3 [2:20]
is verkregen, zolang hij
werkzaam blijft in de dienstbetrekking waarvoor die begeleiding was
verkregen; of
b. geen noodzakelijke
persoonlijke ondersteuning meer geniet als bedoeld in het eerste
lid, maar ten aanzien van wie wel loondispensatie als bedoeld in artikel
5.5.3 [2:20] is verkregen, zolang hij werkzaam blijft in de dienstbetrekking
waarvoor die persoonlijke ondersteuning was verkregen.
§ 2.
Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing [MvT]
Art. 5.7.5 [2:43].
Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing [MvT]
-1. In afwijking van de
artikelen 5.7.2 [2:40], 5.7.3 [2:41]
en 5.7.4 [2:42] ontvangt de jonggehandicapte die
recht heeft op arbeidsondersteuning, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel
5.7.6 [2:44], wanneer hij: [MvT]
a. aanspraak heeft op
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000;
b. aanspraak heeft op
een financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de
Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of
c. recht heeft op een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond
van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
-2. De artikelen 5.6.1 [2:31],
eerste lid, tweede lid, onderdeel b en c, en derde lid, 5.6.2
[2:32] en 5.7.1 [2:39],
tweede, derde en vierde lid, zijn tot een bij ministeriële regeling te bepalen
tijdstip niet van toepassing op de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste
lid. [MvT]
Art. 5.7.6 [2:44].
Hoogte
inkomensondersteuning tijdens studie of scholing [MvT]
De
inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 5.7.5 [2:43], bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per
dag van ten hoogste 25% van het minimumloon: 25% van de grondslag; en
b. bij een inkomen per
dag van meer dan 25% van het minimumloon: (0,25 * G) – (I – 0,25
G), waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
§ 3. Uitkering volledig
en duurzaam arbeidsongeschikten [MvT]
Art. 5.7.7 [2:45].
Uitkering
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten [MvT]
-1. De jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning en volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is, ontvangt een uitkering, tenzij hij aanspraak heeft op
inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 5.7.5 [2:43].
-2. Artikel 5.7.1 [2:39] is niet
van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is.
Art. 5.7.8 [2:46].
Hoogte
uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten [MvT]
-1. De uitkering, bedoeld
in artikel 5.7.7 [2:45], bedraagt per dag:
[MvT]
a. bij een inkomen per
dag van minder dan 20% van het minimumloon: 0,75 * G – I;
b. bij een inkomen per
dag van ten minste 20% van het minimumloon en ten hoogste 70% van
het minimumloon: 0,55 * G – 0,5 * (I – 0,2 * G); en
c. bij een inkomen per
dag van ten minste 70% van het minimumloon: G- I;
waarbij G staat
voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
-2. Indien de volledig en
duurzaam arbeidsongeschikte gedurende een aaneengesloten termijn
van twaalf kalendermaanden per dag een inkomen verwerft dat
meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen, roept het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de jonggehandicapte op voor
een onderzoek naar het voortbestaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
[MvT]
-3. Het tweede lid is
niet van toepassing op bij ministeriële regeling te bepalen groepen volledig
en duurzaam arbeidsongeschikten. [MvT]
AFDELING 8. Aanvraag en betaling [MvT]
§ 1. De aanvraag van
arbeidsondersteuning [MvT]
Art. 5.8.1 [2:47].
Aanvraag
van arbeidsondersteuning [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of recht op arbeidsondersteuning
op grond van artikel 5.4.1 [2:15] ontstaat.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
gegevens die door de jonggehandicapte bij de aanvraag worden verstrekt.
Art. 5.8.2 [2:48].
Aanvraag
inkomensondersteuning [MvT]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of aanspraak op
inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 5.7.1 [2:39], eerste lid, bestaat.
§ 2. Betaling
[MvT]
Art. 5.8.3 [2:49].
Betaling [MvT]
-1. De
inkomensvoorziening wordt betaald door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De betaling geschiedt in tijdvakken van één maand.
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de
inkomensvoorziening op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. aanspraak op
inkomensvoorziening niet of niet meer bestaat;
b. aanspraak op een lagere
inkomensvoorziening bestaat;
c. de jonggehandicapte
of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld
in de artikelen 5.2.1 [2:7], 5.2.2 [2:8], 5.6.1
[2:31] of 5.6.2 [2:32]
niet of niet behoorlijk is
nagekomen;
d. een instelling als
bedoeld in artikel 5.8.9 [2:55] een verplichting als bedoeld in artikel
5.2.1 [2:7] niet
of niet behoorlijk is nagekomen.
-3. Indien de
inkomensvoorziening, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt
uitbetaald:
a. worden de daaraan
verbonden kosten van overmaking op de inkomensvoorziening in
mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling
in afwijking van artikel 4.4.1.5,² derde lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de
schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Indien de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is
toegekend een ander
machtigt om de inkomensvoorziening in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven
met ingang van een betalingstijdvak aanvangende na de dag
waarop de machtiging door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
is ontvangen, onderscheidenlijk waarop van haar
intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de
tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
Art. 5.8.4 [2:50].
Herziening
van de grondslag [MvT]
-1. Een herziening van
een inkomensvoorziening als gevolg van een herziening van de
grondslag van het minimumloon
vindt plaats zonder dat dit bij beschikking
is vastgesteld.
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene
inkomensvoorziening, bedoeld in het eerste lid, bij de eerstvolgende
betaling nadat de
grondslag van het minimumloon is herzien.
Art. 5.8.5 [2:51].
Verhoging
bij hulpbehoevendheid [MvT]
Indien de jonggehandicapte die een inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk
ontvangt en die slechts in staat is om met arbeid minder dan 20% te verdienen van
het maatmaninkomen, verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende
toestand van hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging
nodig maakt, wordt de inkomensvoorziening voor de duur van die
hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging met ten hoogste de
factor 100/75. De eerste zin vindt geen toepassing indien de
jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van
verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake
ziektekosten komen.
Art. 5.8.6 [2:52].
Tegemoetkoming in aanvulling op inkomensvoorziening [MvT]
-1. De jonggehandicapte
die behoort tot een bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft
recht op een tegemoetkoming.
-2. De tegemoetkoming
wordt verstrekt in aanvulling op de inkomensvoorziening.
-3. Bij ministeriële
regeling worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de hoogte
van de tegemoetkoming en de betaling van de tegemoetkoming.
-4. De tegemoetkoming
wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-5. De betaling van de
tegemoetkoming vindt plaats binnen één maand nadat het recht op de
tegemoetkoming is vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde
termijnen als die waarin de betaling van de inkomensvoorziening plaatsvindt.
Art. 5.8.7 [2:53].
Betaling
vakantiebijslag [MvT]
-1. De jonggehandicapte
die over één maand recht heeft op inkomensvoorziening, heeft over die maand
recht op vakantiebijslag.
-2. De vakantiebijslag
bedraagt 8 procent van het bedrag aan inkomensvoorziening
waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf maanden voorafgaande
aan de maand mei.
-3. Indien het percentage
van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit
gewijzigde percentage in de plaats van het in het tweede lid genoemde
percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over
de inkomensvoorziening waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
-4. De vakantiebijslag
wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden
gesteld.
Art. 5.8.8 [2:54].
Inhouding
vereveningsbijdrage [MvT]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen houdt op de inkomensvoorziening, op
de vakantiebijslag en op de toeslag op de inkomensvoorziening op
grond van de Toeslagenwet een bedrag in dat gelijk is aan het bedrag
van de premie die een werkgever op grond van afdeling 2 van hoofdstuk
3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op het overeenkomstige
loon van een werknemer die verzekerd is op grond van de
Werkloosheidswet inhoudt.
Art. 5.8.9 [2:55].
Betaling
aan instellingen [MvT]
-1. Indien de
jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend aanspraak
heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor
die zorg verschuldigd is, is het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de inkomensondersteuning tot het bedrag van die bijdrage
in plaats van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te
betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is
toegekend in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende
inrichting of van het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente die de opnamekosten
betaalt het verzoek
ontvangt om de inkomensvoorziening aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de inkomensvoorziening dat niet aan het College
voor zorgverzekeringen wordt betaald.
-4. Een herziening van de
betaling van de inkomensvoorziening op grond van het eerste lid
als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Art. 5.8.10 [2:56].
Overlijdensuitkering [MvT]
-1. Na het overlijden van
de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, wordt met
ingang van de dag na het overlijden de inkomensvoorziening in de vorm van
een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen
tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien
van wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en
met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de
jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, wordt voor de
toepassing van dit artikel gelijkgesteld de jonggehandicapte wiens
overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd
van 65 jaar zou hebben bereikt, doch die vóór het bereiken van deze
leeftijd is overleden, en die uitsluitend op grond van artikel 5.3.1
[2:11],
onderdeel d, over de dag van zijn overlijden geen recht op een inkomensvoorziening
had.
-3. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de
inkomensvoorziening over één maand, doch
niet over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar
de hoogte van die inkomensvoorziening op de dag of laatstelijk vóór
de dag van overlijden van de jonggehandicapte.
-4. In verband met het
overlijden van de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is
toegekend, is artikel 5.3.1 [2:11], onderdeel d, niet van toepassing.
-5. De
overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld
in het eerste lid, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaald.
-6. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan
inkomensvoorziening dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
Art. 5.8.11 [2:57].
Verjaringstermijn [MvT]
Inkomensvoorzieningen op
grond van dit hoofdstuk die niet in ontvangst zijn genomen
of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling,
worden niet meer betaald.
Art. 5.8.12 [2:58].
Intrekking en herziening beschikkingen [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herziet beschikkingen op grond van dit
hoofdstuk of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het
niet nakomen van de artikelen 5.2.1 [2:7],
5.2.2 [2:8], 5.6.1 [2:31]
en 5.6.2 [2:32] en de daarop
berustende bepalingen het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit
hoofdstuk niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten
onrechte is vastgesteld of een inkomensvoorziening ten onrechte op een te hoog
bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van
een voorziening als bedoeld in artikel 5.5.5 [2:22],
5.5.6 [2:23], 5.5.8 [2:25]
of 5.5.9 [2:26] ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins het recht
op arbeidsondersteuning ten onrechte of een inkomensvoorziening tot
een te hoog bedrag is vastgesteld.
-2. Indien een
voorziening als bedoeld in artikel 5.5.6 [2:23]
in de vorm van een subsidie wordt
verstrekt, wijzigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de beschikking tot
vaststelling van de subsidie of trekt het die beschikking in
indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel
4:49, eerste
lid, onderdeel a, b of c, van de Algemene wet
bestuursrecht.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
Art. 5.8.13 [2:59].
Terugvordering [MvT]
-1. Een
inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald en hetgeen
als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel
5.8.12 [2:58] door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is
betaald of verstrekt, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te
zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar
niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen
van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering
niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 5.2.1 [2:7], eerste lid.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
-5. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
-6. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, onder bij ministeriële regeling
te stellen voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het
terug te vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag
niet te boven gaat.
Art. 5.8.14 [2:60].
Invordering bij dwangbevel [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde
inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 5.8.13 [2:59], eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 46 [3:43]
is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 5.8.15 [2:61].
Nadere
regels [MvT]
Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van
tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
Art. 5.8.16 [2:62].
Schuldregeling [MvT]
-1. In afwijking van artikel
5.8.13 [2:59] kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
verzoek van degene van wie wordt teruggevorderd, besluiten gedeeltelijk
van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering
af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan
met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand
verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een
schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet; en
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
degene van wie wordt teruggevorderd van de verplichting, bedoeld in
artikel 5.2.1 [2:7], en hiervoor een boete is opgelegd als bedoeld in artikel
5.9.3 [2:69],
dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is
gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van degene van wie
wordt teruggevorderd, gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene van wie wordt
teruggevorderd zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
Art. 5.8.17 [2:63].
Preferentie [MvT]
Een vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel
5.8.13 [2:59] en 5.8.16 [2:62]
van deze wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de
vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 5.8.18 [2:64].
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen [MvT]
-1. Een inkomensvoorziening
op grond van dit hoofdstuk en een voorziening als bedoeld in
de artikelen 5.5.5 [2:22], 5.5.6 [2:23], 5.5.8
[2:25] of 5.5.9 [2:26]
zijn onvervreemdbaar en niet
vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk onder welke
vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel
is nietig.
Art. 5.8.19 [2:65].
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen [MvT]
De voorzieningen, bedoeld in
de artikelen 5.5.5 [2:22], 5.5.6 [2:23], 5.5.8
[2:25] of 5.5.9 [2:26], de verhoging, bedoeld in
artikel 5.8.5 [2:51], alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel
5.8.10 [2:57],
zijn niet vatbaar voor beslag.
Art. 5.8.20 [2:66].
Verrekening
boete met inkomensvoorziening
Een boete opgelegd op grond
van de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Toeslagenwet, de
Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Ziektewet die verrekend kan worden met een uitkering
op grond van deze wet, kan tevens verrekend worden met een
inkomensvoorziening.
AFDELING 9. Sancties
[MvT]
Art. 5.9.1 [2:67].
Maatregelen
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert een inkomensvoorziening op grond
van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk,
indien: [MvT]
a. de jonggehandicapte
verplichtingen als bedoeld in de artikelen 5.2.1 [2:7], tweede tot en met zesde lid,
5.2.2 [2:8], 5.6.1 [2:31]
en 5.6.2 [2:32] niet of niet behoorlijk is nagekomen;
[MvT]
b. de jonggehandicapte de
verplichting, bedoeld in artikel 5.2.1 [2:7], eerste lid, niet binnen de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen. [MvT]
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 5.2.1 [2:7], eerste lid, indien het niet tijdig nakomen van de
verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van een inkomensvoorziening, tenzij het niet tijdig
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
een zodanige waarschuwing is gegeven. [MvT]
-3. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel
af te zien.
Art. 5.9.2 [2:68].
Afstemming
maatregel [MvT]
-1. Een maatregel als bedoeld
in artikel 5.9.1 [2:67] wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de
mate waarin de jonggehandicapte de gedraging verweten kan
worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. [MvT]
-2. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.9.3 [2:69]
wordt opgelegd. [MvT]
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid, waarbij in ieder geval kan worden geregeld in welke
gevallen het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een
maatregel. [MvT]
Art. 5.9.3 [2:69].
Bestuurlijke
boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting [MvT]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van
ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever, bedoeld in
artikel 5.2.1 [2:7], zevende lid, van de verplichting, bedoeld in
artikel 5.2.1 [2:7], eerste of zevende lid.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 5.2.1 [2:7], eerste lid, indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een
inkomensvoorziening, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken
die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de
bestuurlijke boete.
-6. De artikelen 42 tot en
met 46a [3:41 t/m 3:44] zijn van overeenkomstige toepassing op een bestuurlijke boete
die op grond van dit artikel is opgelegd.
E. [MvT]
Het opschrift van hoofdstuk
2 [3] komt te luiden: HOOFDSTUK 2 [3]. Arbeidsongeschiktheids-
voorziening
F. [MvT]
Voor afdeling 1 van
hoofdstuk 2 [a2] wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
AFDELING 1A [a1].
Algemeen [MvT]
Art. 5a [3:1].
Begrip
arbeidsongeschiktheid [MvT]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel
of gedeeltelijk, in de zin van dit hoofdstuk is de persoon die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke
opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving
daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De persoon die op de dag
dat hij ingezetene wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de
zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen
aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen
soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het
eerste lid, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de op de in het tweede lid
bedoelde dag aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van
het eerste lid naderhand is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de dag waarop de
betrokkene ingezetene wordt in de plaats treedt het tijdstip waarop
de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid
vinden geen toepassing indien de betrokkene op het moment dat
hij ingezetene werd jonger was dan 17
jaar en hij
gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17
jaar wordt ingezetene is geweest.
-5. Onder de in het eerste en
tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.
-6. Bij de vaststelling van
de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten
of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-7. Bij de toepassing van dit
artikel wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden
ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening als
bedoeld in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
-8. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste
tot en met zevende lid nadere regels worden gesteld.
-9. De voordracht voor een
krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur of ministeriële regeling wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid
is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te
brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers
der Staten-Generaal overgelegd.
-10. Bij de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in dit hoofdstuk maakt de
verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling
vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.
Art. 5b [3:2].
Jonggehandicapte [MvT]
Jonggehandicapte in de zin
van dit hoofdstuk is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij 17
jaar wordt arbeidsongeschikt is;
b. na de in onderdeel a
bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten
minste zes maanden studerende was.
G. [MvT]
Afdeling 1 van hoofdstuk 2 [a2] wordt vernummerd tot afdeling 1b
[a2].
H. [MvT]
In artikel 6 [3:3], eerste lid,
wordt "artikel 5 [3:2]" vervangen door: artikel 5b
[3:2].
I. [MvT]
Na artikel 6b [3:5]
wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 6c [3:6].
Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering na inwerkingtreding van de Wet
van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in verband met het bevorderen
van de participatie van jonggehandicapten door werk
en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580)
-1. De jonggehandicapte,
bedoeld in artikel 6 [3:3], heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien hij de aanvraag, bedoeld in artikel 28
[3:28], voor het eerst heeft
ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet van 3
december 2009 tot
wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband
met het bevorderen van de participatie van
jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009,
580).
-2. De jonggehandicapte,
bedoeld in artikel 6 [3:3], heeft geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien hij de leeftijd van 17 jaar niet had bereikt op de datum
van inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband
met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk
en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580).
J. [MvT]
In artikel 10 [3:11], eerste lid,
onderdeel c, wordt "tweede lid" vervangen door: eerste lid.
K. [MvT]
In artikel 27 [3:27], eerste lid,
wordt "artikel 5 [3:2]" vervangen door: artikel 5b
[3:2].
L. [MvT]
In artikel 55 [3:56], derde lid,
onderdeel b, wordt "artikel 62
[3:74]" vervangen door: artikel
59m [3:74].
M. [MvT]
In het opschrift van
hoofdstuk 2a [a5] wordt "HOOFDSTUK 2A
[a5]" vervangen door: AFDELING
4 [a5].
N. [MvT]
Artikel 59a [3:63] wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het eerste lid komt als
volgt te luiden:
-1. Indien de
arbeidsprestatie van een werknemer die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in een bepaalde functie, maar geen functie waarin hij werkzaam
is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening
of op een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van
die wet, ten gevolge van
ziekte of gebrek duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die een
geldelijke beloning van het voor hem geldende wettelijk minimumloon
rechtvaardigt, vermindert het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar
evenredigheid, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
2. Het derde lid vervalt.
O. [MvT]
Na artikel 59l [3:73]
wordt een
afdeling toegevoegd, luidende:
AFDELING 5 [a6].
Het verstrekken van inlichtingen
Art. 59m [3:74].
Verplichting tot
het verstrekken van inlichtingen
-1. De jonggehandicapte,
diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 49 [3:47], waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn
verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen
van alle feiten of omstandigheden waarvan het hun
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht
op uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt
betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op
grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek
aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij
ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2. Op de jonggehandicapte
die aanspraak maakt op of recht heeft op een vakantie-uitkering dan
wel een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9a
[3:10] en diens wettelijke
vertegenwoordiger rusten overeenkomstige verplichtingen als
omschreven in het eerste lid.
-3. De jonggehandicapte aan
wie een re-integratie-instrument als bedoeld in afdeling 4 [a5]
is
verstrekt of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan wordt
overwogen, alsmede diens wettelijke
vertegenwoordiger, en de werkgever ten behoeve
van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid, op
grond van artikel 59a [3:63], heeft verminderd, zijn verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het
re-integratie-instrument.
P. [MvT]
Hoofdstuk 4 [a6] vervalt.
Q. [MvT]
In artikel 63 [5:1]
en het
opschrift van artikel 63 [5:1]
wordt "Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten"
vervangen door: Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten.
R. [MvT]
Artikel 64 [5:2] wordt als volgt
gewijzigd:
1. "Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten" wordt vervangen
door:
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten.
2. In onderdeel b wordt "artikel 48
[3:46]" vervangen door: de artikelen 5.8.8
[3:54] en 48 [3:46].
3. In onderdeel c wordt "artikel 40
[3:40]" vervangen door: de artikelen 5.9.3
[3:69] en 40 [3:40].
S. [MvT]
Artikel 65 [5:3] wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het opschrift en in
het eerste lid, onderdeel h, wordt "Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten" vervangen door: Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten.
2. In het eerste lid, onderdeel a en b, wordt na "uitkeringen"
telkens toegevoegd: en
inkomensvoorzieningen.
3. In het eerste lid,
onderdeel f, wordt "artikel 50a
[3:49]" vervangen door: de
artikelen 5.5.12 [3:29] en 50a
[3:49].
Sa.
In artikel 72a [6:6]
wordt "artikel 59b [3:64]" vervangen door: de artikelen 5.5.6
[3:23] en
59b [3:64].
T. [MvT]
In artikel 76d [8:5], eerste lid,
wordt "Artikel 59j [3:71]
vervalt" vervangen door: De artikelen 5.5.4 [3:21]
en
59j [3:71] vervallen.
U. [MvT]
In artikel 77 [8:7]
wordt na "artikelen" ingevoegd: 5.3.2 [3:12], derde lid,.
V. [MvT]
Na artikel 77 [8:7]
worden drie
artikelen toegevoegd, luidende:
Art. 77a [8:8].
Overgangsrecht
in verband met artikel 5.7.2, 5.7.3 en 5.7.4 [MvT]
-1. Op een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen tijdstip wordt:
a. het getal 0,75 in de
artikelen 5.7.2 [2:40], tweede lid,
5.7.3 [2:41], eerste lid, onderdeel a, onder
1º, en b, onder 1º, en
5.7.4 [2:42], eerste lid, onderdeel
a, onder 1º, en b, onder
1º,
telkens gewijzigd in 0,7;
b. het getal 0,55 in artikel 5.7.2 [2:40], eerste lid, onderdeel a en b, gewijzigd in 0,5;
c. het getal 0,25 in artikel 5.7.3 [2:41], eerste lid, onderdeel b, onder 1º,
gewijzigd in 0,3;
d. het percentage van 70% in
artikel 5.7.2 [2:40], eerste lid, onderdeel b en c, gewijzigd in 80%;
e. het percentage van 25% in
artikel 5.7.3 [2:41], eerste lid, onderdeel a en b, gewijzigd in 30%; en
f. het percentage van 45% in
artikel 5.7.4 [2:42], eerste lid, onderdeel a en b, gewijzigd in 50%.
-2. Onze
Minister stelt de
beide kamers der Staten-Generaal in kennis van het voornemen tot de
voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid.
Art. 77b [8:9].
Overgangsrecht
in verband met artikel 59a [MvT]
Artikel 59a [3:63], zoals dat
luidde vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet van 3 december
2009 tot wijziging van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband
met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk
en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580), blijft van toepassing op de
vermindering van de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning die
vóór de dag waarop die wet in werking trad, was verstrekt, met dien
verstande dat de op grond van artikel 59a
[3:63], eerste lid, onderdeel b, verstrekte
vermindering geacht wordt te zijn gebaseerd op artikel 5.5.3 [2:20], eerste
lid, onderdeel a, vanaf de dag waarop de werknemer die de leeftijd
van 18
jaar heeft bereikt recht heeft op arbeidsondersteuning als
bedoeld in hoofdstuk 1a [2], tenzij de werknemer niet aan de overige
voorwaarden van artikel 5.5.3 [2:20], eerste lid, voldoet.
Art. 77c [8:10].
Bij recht op
arbeidsondersteuning geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
[MvT]
-1. De jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 2
[3] heeft geen recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a
[2].
-2. Vanaf een nader bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip kan de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 2,
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzoeken om toekenning van het recht op
arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a [2].
-3. Een verzoek om toekenning
van het recht op arbeidsondersteuning als bedoeld in het tweede lid wordt ingewilligd indien de jonggehandicapte voldoende mogelijkheden tot
arbeidsparticipatie heeft.
-4. Door inwilliging van het
verzoek, bedoeld in het tweede lid, eindigt het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 2
[3] en ontstaat het recht op
arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a [2].
-5. Artikel 5.4.1 [2:15], eerste
lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die een
verzoek doet als bedoeld in het tweede lid, voor wat betreft de periode
waarin hij recht heeft gehad op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 2 [3].
-6. Hoofdstuk 4 van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a [2].
-7. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere bepalingen worden gesteld met betrekking tot de
overgang van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar het recht op
arbeidsondersteuning overeenkomstig het bepaalde
in het vierde lid.
W. [MvT]
Artikel 79 [8:12] komt te luiden:
Art. 79 [8:12]. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
1. Volgens de redactie
dient onderdeel h te worden verletterd tot onderdeel g.
2. Volgens de redactie dient "artikel
4.4.1.5" te worden vervangen door: artikel
4:89.
HOOFDSTUK
2
Wijziging
andere wetten
§ 1.
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Art.
Ia. Wijziging
Algemene bijstandswet
In artikel 14f, derde lid,¹
van de Algemene bijstandswet wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
1. Volgens de redactie
dient "derde lid" te worden vervangen door: vierde lid.
Art.
Ib. Wijziging
Algemene Kinderbijslagwet
In artikel 17g, tweede lid,
van de Algemene Kinderbijslagwet wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ic. Wijziging
Algemene nabestaandenwet
De Algemene nabestaandenwet
wordt als volgt gewijzigd:
A.
In de artikelen 45, tweede
lid, 67, eerste lid, onderdeel b, en 69, eerste lid, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 63a, derde lid,
onderdeel e, onder 4º, komt te luiden:
4º. uitkering of op recht
op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;.
Art.
Id. Wijziging
Algemene Ouderdomswet
De Algemene Ouderdomswet
wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 17i, tweede lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 35, derde lid,
onderdeel e, onder 4º, komt te luiden:
4º. uitkering of op recht
op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;.
Art.
Ie. Wijziging
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
De Invoeringswet nieuwe en
gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel I, eerste lid,
onderdeel f, komt te luiden:
f.
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten: het
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, bedoeld
in artikel 5:1 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Het opschrift van hoofdstuk
4 komt te luiden: Hoofdstuk 4.
Overgangsbepalingen ten aanzien van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
C.
Artikel XXIV wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te
luiden:
-4. Ten aanzien van de in het
eerste lid bedoelde persoon zijn uitsluitend de artikelen
3:5, 3:7, 3:8,
3:9, 3:14,
3:15, 3:16,
3:17, 3:18,
3:19, 3:20,
3:21, 3:22,
3:24, 3:25,
3:26, 3:27,
3:29, 3:30,
3:31, 3:33,
3:34, 3:35,
3:36, 3:37,
3:38, 3:39,
3:40, 3:41,
3:42, 3:43,
3:45, 3:46,
3:47, 3:48,
3:50, 3:52,
3:54, 3:55,
3:56, 3:57,
3:61, 3:62,
3:73, 5:4,
7:1 en 7:2
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten van
toepassing.
2. In het vijfde, zesde en
zevende lid, onderdeel c, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
D.
In artikel XXV, eerste lid,
wordt "artikel 5 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 3:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
E.
In hoofdstuk 4 wordt in het
opschrift van paragraaf 3 "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
F.
In artikel XXVI wordt "de
artikelen 21 en 22 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: de artikelen 3:24 en 3:25
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
G.
In artikel XXVIII wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
If. Wijziging
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
In de artikelen 1, onderdeel a, 5a, derde lid, en
9, eerste lid, van de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ig. Wijziging
Toeslagenwet
De Toeslagenwet wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In artikel 1, eerste lid,
onderdeel d, wordt "een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door: een
uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten".
B.
Na artikel 4a wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 4b.
Geen recht op toeslag heeft
de persoon die inkomensondersteuning als bedoeld in artikel
2:43 van
de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten ontvangt.
C.
In artikel 14g, eerste lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
D.
In artikel 23, tweede lid,
wordt "of artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen
door: , artikel 2:11, eerste lid, onderdeel d, of
3:19, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
E.
In artikel 38, tweede lid,
wordt "artikel 70, tweede lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 6:3, tweede lid, van
de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ih. Wijziging
Werkloosheidswet
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 27g, eerste lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
In artikel 34, vijfde lid,
onderdeel c, wordt na "bestaan uit een uitkering" ingevoegd
"of inkomensvoorziening" en wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
C.
In artikel 76, vierde lid,
wordt "artikel 28, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 3:28, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ii. Wijziging Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
In artikel 54, eerste lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ij. Wijziging Wet financiering sociale verzekeringen
De Wet financiering sociale
verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 49, eerste lid,
onderdeel b, komt te luiden:
b. recht heeft op een
uitkering of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;.
B.
In artikel 50, derde lid,
wordt "artikel 5 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 2:3 of 3:2
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
C.
Artikel 51 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het derde lid wordt na "bestaat uit een uitkering" ingevoegd
"of inkomensvoorziening" en
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. Er wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-4. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing op de persoon die recht op
arbeidsondersteuning heeft op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
D.
In artikel 115, eerste lid,
wordt "artikel 65 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 5:3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
E.
In artikel 117, zesde lid,
onderdeel d, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt na
"uitkering" toegevoegd: , dan wel het op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten toegekende
recht op arbeidsondersteuning.
F.
In artikel 117b, derde lid,
onderdeel d, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt na
"uitkering" toegevoegd: , dan wel het op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten toegekende
recht op arbeidsondersteuning.
Art.
Ik. Wijziging Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
In artikel 20f, derde lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Il. Wijziging Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
In artikel 20f, derde lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Im. Wijziging Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
In artikel 24, eerste lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
In. Wijziging Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
De Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 2.3, tweede lid,
onderdeel c, komt te luiden:
c. artikel 8:3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;.
B.
In artikel 2.4, vierde lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
C.
Artikel 2.6, eerste lid,
komt te luiden:
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, aan de persoon die
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten dan wel een werkhervattings- uitkering op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ontvangt of recht heeft op
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, op
aanvraag in plaats van bij die regeling vast te stellen
re-integratie-instrumenten als bedoeld hoofdstuk
IIb van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk
3a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, afdeling 5 van hoofdstuk
2 of afdeling 5 van hoofdstuk 3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten en paragraaf 4.2 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een subsidie verstrekt in de vorm van een op de
arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden re-integratiebudget. In deze
regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang
van de activiteiten en de aan de subsidie te verbinden verplichtingen.
D.
Artikel 2.8, eerste lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt "het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, genoemd
in artikel 63 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, genoemd
in artikel 5:1 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. In onderdeel b wordt "artikel 76a
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 8:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Io. Wijziging Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
De Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 29g, eerste lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 43a, derde lid, komt
te luiden:
-3. In de gevallen waarin
artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk artikel
3:21 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten geen toepassing vindt omdat artikel 29b
van de Ziektewet toepassing kan vinden, wordt het aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan 108/100
maal de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten in aanmerking werd genomen, dan wel
108/100 maal de grondslag die in aanmerking zou zijn genomen indien na het
einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk artikel
3:3,
eerste lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, recht zou
hebben bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van een laatstbedoelde wet, zoals die sinds de
beëindiging van die uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van
artikel 8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk artikel
3:7 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten zou zijn herzien.
C.
In artikel 75a, derde lid,
onderdeel b, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
D.
In artikel 91d, derde lid,
wordt "artikel 28, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 3:28, vijfde lid, van
de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ip. Wijziging Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
De Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel l, aanhef,
wordt na "ontvangt" ingevoegd: of recht heeft op arbeidsondersteuning.
2. In onderdeel l, onder 2º, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 30 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. In het tweede lid wordt "het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, genoemd
in artikel 63 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, genoemd
in artikel 5:1 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
C.
Artikel 30a wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
onderdeel a, wordt na "uitkering" ingevoegd: of arbeidsondersteuning.
2. In het eerste lid,
onderdeel c, wordt "artikel 3 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 1:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
3. Aan het tweede lid wordt
een zin toegevoegd, luidende: Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen maakt in dit kader tevens afspraken met werkgevers op
basis waarvan concrete, algemeen geaccepteerde arbeid kan
worden aangeboden aan personen die recht op arbeidsondersteuning hebben
op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
4. In het vierde lid wordt
na "wettelijke ziekengeldverzekering" ingevoegd: en het recht op
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
D.
Artikel 82a, eerste lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. Onderdeel h komt te
luiden:
h. afdeling 5 van hoofdstuk 2, afdeling
5 van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
E.
In artikel 84, eerste lid,
wordt "40, vierde lid, en 55, vijfde lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
2:69, vierde lid, 2:59, vijfde lid,
3:40, vierde lid, en 3:56, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Iq. Wijziging Wet
werk en bijstand
De Wet werk en bijstand
wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, wordt na "uitkering" ingevoegd "of
arbeidsondersteuning" en
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
In artikel 31, tweede lid,
onderdeel r, wordt "artikel 9a
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 2:52 of 3:10
van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Ir. Wijziging Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
De Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 35 wordt, onder
vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-4. Dit artikel is niet van
toepassing op de persoon die recht op arbeidsondersteuning heeft
op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
In artikel 82, vierde lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt
na "toegekende uitkering" toegevoegd: of op een periode waarin recht
op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten bestond.
C.
In artikel 96, eerste lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Is. Wijziging
Ziektewet
De Ziektewet wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In artikel 29b, derde lid, onderdeel a en c, wordt na "arbeidsongeschiktheidsuitkering"
telkens ingevoegd "of arbeidsondersteuning" en wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 32 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
aanhef, wordt "artikel 20 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "artikel 3:22 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt "artikel 6 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 3:3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. In het eerste lid,
onderdeel a, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt
"artikel 6 of 20" vervangen door:
artikel 3:3 of 3:22.
3. In het eerste lid,
onderdeel b, wordt "artikel 6 of
20 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 3:3
of 3:22 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
4. In het tweede lid,
aanhef, wordt "de artikelen 12, 13,
14 of 15 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door: de
artikelen 3:14, 3:15,
3:16 of 3:17
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
5. In het tweede lid,
onderdeel a, wordt "Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" telkens
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt
"artikel 12, 13,
14 of 15" vervangen door:
artikel 3:14, 3:15,
3:16 of 3:17.
6. In het tweede lid,
onderdeel b, wordt "artikel 12,
13, 14 of 15 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 3:14, 3:15,
3:16 of 3:17
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
7. In het vierde lid wordt "Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
C.
In artikel 32a wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt
"artikel 19" telkens vervangen door:
artikel 3:21.
D.
Artikel 45, eerste lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel f wordt "onderscheidenlijk
de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "onderscheidenlijk de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt "onderscheidenlijk artikel
37 of 38, onderdeel a of b, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: , artikel 3:37 of 3:38, eerste lid,
onderdeel a of b, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten onderscheidenlijk artikel 2:67 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten in verband met het niet naleven van de
artikelen 2:7, tweede lid, onderdeel a tot en met c, en zesde lid,
2:8, eerste
lid, 2:31 of 2:32, tweede lid, van laatstgenoemde
wet.
2. Onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma wordt een
onderdeel toegevoegd, luidende:
q. indien de verzekerde die
recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten op grond van artikel
2:39,
vierde lid, van die wet geen inkomensvoorziening ontvangt.
E.
In artikel 45g, eerste lid,
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
§ 2.
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijkrelaties
Art.
It. Wijziging
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
In de artikelen 9, tweede
lid, onderdeel c, 54, tweede lid, onderdeel c, en 134, tweede lid, onderdeel
c, van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers wordt na
"een arbeidsongeschiktheidsuitkering" telkens ingevoegd "of een
inkomensvoorziening" en wordt "Wet op de
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
§ 3.
Financiën
Art.
Iu. Wijziging Wet
inkomstenbelasting 2001
De Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt als
volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1.7a, tweede lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt na "uitkeringen" ingevoegd: of inkomensvoorzieningen.
2. In onderdeel d wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 3.78a wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt
na "arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het tweede lid,"
ingevoegd: of in het kalenderjaar recht heeft op arbeidsondersteuning op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten,.
2. In het tweede lid,
onderdeel d, wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
C.
Artikel 8.16a, eerste lid,
komt te luiden:
-1. De
jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten recht
heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij
voor hem de ouderenkorting geldt.
Art.
Iv. Wijziging Wet op
de loonbelasting 1964
De Wet op
de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 22a, vijfde lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt na "uitkeringen" ingevoegd: of inkomensvoorzieningen.
2. In onderdeel d wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
Artikel 22aa, eerste lid,
komt te luiden:
-1. Voor de werknemer die een
uitkering geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op
grond van die wet, is de jonggehandicaptenkorting van toepassing. De korting
kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer die
ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch welke uitkering
ingevolge artikel 3:48, 3:50
of 3:51 van die
wet niet wordt betaald.
C.
In artikel 23, tweede lid,
wordt "bedoeld in artikel 22aa, eerste lid, eerste volzin" vervangen door
"die een uitkering of inkomensvoorziening geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt "die de uitkering
op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitbetaalt" vervangen door:
die de uitkering of
inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
uitbetaalt.
Art.
Iw. Wijziging Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen
In artikel 1, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
§ 4.
Justitie
Art.
Ix. Wijziging bijlage
bij de Beroepswet
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel
C, wordt in subonderdeel 3b "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Iy. Wijziging
Burgerlijk Wetboek
In artikel 197, eerste lid,
van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek wordt "60 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
4:1 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Iz. Wijziging Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren
In artikel 20, eerste lid,
onderdeel e, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt
"of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is toegekend" vervangen door: of de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten is toegekend, recht heeft op arbeidsondersteuning op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten,.
Art.
Iaa. Wijziging
Wetboek van Koophandel
In artikel 415, vierde lid,
van het Wetboek van
Koophandel wordt na "uitkering" telkens
ingevoegd "of inkomensvoorziening" en wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
§ 5.
Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap
Art.
Ibb. Wijziging Wet
kinderopvang
Artikel 6, eerste lid,
onderdeel i, van de Wet
kinderopvang wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt na
"Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen" ingevoegd: , arbeidsondersteuning op grond van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
2. Onder 3º wordt "artikel 59h
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: artikel 2:24 of 3:69
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Icc. Wijziging Wet op
het primair onderwijs
In artikel 1a, vijfde lid,
onderdeel a, van de Wet
op het primair onderwijs wordt "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door:
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Idd. Wijziging Wet
overige OCW-subsidies
Artikel 19a van de Wet
overige OCW-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "artikel 3 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door "artikel 1:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" en wordt "artikel 5 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" telkens vervangen door:
artikel 1:4 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. In het vijfde lid wordt "de artikelen
16, 33, 55,
56, 57, 58,
59 en 62 van
de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door: de
artikelen 3:18, 3:33,
3:56, 3:57,
3:58, 3:62
en 3:74 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Art.
Iee. Wijziging Wet
studiefinanciering 2000
De Wet
studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 4.13 wordt "80%
of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door: in staat
wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het
maatmaninkomen in de zin van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
B.
In artikel 5.15 wordt "80%
of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten" vervangen door: in staat
wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het
maatmaninkomen in de zin van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
HOOFDSTUK
3
Slotbepalingen
Art.
Iff. Wijziging
wetsvoorstel in verband met samenloop
Indien het bij koninklijke
boodschap van 15 december 2008 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van een aantal wetten van het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (Verzamelwet
SZW-wetgeving 2009) (Kamerstukken 31 811) tot wet is of wordt
verheven en artikel III, onderdeel Q, van die wet eerder in werking is
getreden of treedt dan artikel Ir, onderdeel B, van deze wet, komt
artikel Ir, onderdeel B, te luiden:
B.
In artikel
82, vierde lid,
wordt "of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten"
vervangen door: of de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, of in
aansluiting op een periode waarin recht op
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten bestond.
Art.
Igg. Verruiming
grondslag lagere regelgeving
-1. De volgende algemene
maatregelen van bestuur berusten met ingang van de dag van
inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten mede op de bij die
maatregelen genoemde artikelen van die wet:
a. het Besluit extramurale
vrijheidsbeneming en sociale zekerheid en het Reglement
justitiële jeugdinrichtingen: artikel
2:12, tweede lid;
b. het Besluit ontheffing
verplichtingen WW, Wet WIA en IOW: artikelen
2:10, 2:33, eerste lid, en 2:39,
zevende lid;
c. het Boetebesluit
socialezekerheidswetten: artikel 2:69, derde lid;
¹
d. het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten: artikel 2:68, derde lid;
e. het Reïntegratiebesluit:
de artikelen 2:22, vierde lid, 2:23,
2:25, vijfde lid, en 2:26, vierde
lid;
f. het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten: de artikelen
2:2, tweede lid, 2:5,
vijfde lid, en 3:1, achtste lid.
-2. De volgende ministeriële
regelingen berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de
desbetreffende bepalingen van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten mede op de bij die regelingen genoemde
artikelen van die wet:
a. de Regeling afwijkende
regels omtrent de uitbetaling van de vakantie-uitkering op grond van de
WAO en de Wet WIA: artikel 2:53, vierde lid;
²
b. de Regeling betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde
betalingen: ³ artikel 2:61;
c. de Regeling
tegemoetkoming Wajong-ers: artikel
2:52, eerste en derde lid;
d. de Regeling terugvordering
geringe bedragen: artikel 2:59, zesde lid;
e. de Regeling van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2008, nr.
AM/BR/08/34335, houdende de instelling van een subsidieplafond voor
loonkostensubsidie (Stcrt. 2008, 2706): artikel
2:21, elfde lid;
f. de Regeling
verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten: artikelen
2:5, zevende lid,
en 3:1, tiende lid;
g. de Regeling vrijstelling
verplichtingen socialezekerheidswetten: artikelen
2:24, vijfde lid, 2:33,
tweede lid, en 2:43, tweede lid;
h. de Reïntegratieregeling:
artikel 2:27;
i. de Subsidieregeling
scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbeperkingen:
artikel 2:29, eerste lid.
1. Volgens de redactie dient
"derde lid" te worden vervangen door: vijfde lid.
2. Volgens de redactie dient "vierde lid" te worden
vervangen door: vijfde lid.
3. Volgens de redactie dient "Regeling betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde
betalingen" te worden vervangen door: Regeling
tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde
betalingen.
Art.
II. Integrale
plaatsing en vernummering [MvT]
-1. De tekst van de Wet werk
en arbeidsondersteuning jonggehandicapten wordt in
het Staatsblad geplaatst. Vóór de plaatsing in het Staatsblad stelt
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de nummering van de artikelen,
afdelingen en hoofdstukken van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
opnieuw vast en brengt hij de in die wet voorkomende
aanhaling van de artikelen, afdelingen en hoofdstukken met de nieuwe
nummering in overeenstemming.
-2. Vóór de plaatsing van
deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid de in deze wet voorkomende aanhalingen van de
artikelen, afdelingen en hoofdstukken van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten in overeenstemming met de in het eerste lid
bedoelde nieuwe nummering van die wet.
Art.
III. Inwerkingtreding [MvT]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 15 december 2009, Stb. 2009, 581, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2010, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 3 december 2009
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de dertigste december 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|