|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2008-2009, 2009-2010,
31 927.
Handelingen II 2009-2010, blz. 1733-1733.
Kamerstukken I 2009-2010, 31 927 (A, B).
Handelingen I 2009-2010, blz. 437-437.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 17 december 2009,
Stb. 2009, 592, tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan
gemeenten. Inwerkingtreding: 1 januari 2010 (Stb.
2009, 593).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal uitkeringen aan de
gemeenten te bundelen teneinde meer ruimte te creëren voor lokaal beleid en administratieve lastenverlichting voor gemeenten en burgers te bereiken;
Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
De aanduiding "-1" voor het eerste lid en het tweede lid van artikel
11a vervallen.
B.
[MvT]
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14.
-1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in
artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van
die wet, alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
-2. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en
zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.
-3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
C.
[MvT]
Artikel 16 vervalt.
D.
[MvT]
In artikel 16a, tweede lid,
vervalt "als het een aanvraag betreft als bedoeld in
artikel
11a, eerste of derde lid, of bij het college als het een aanvraag betreft als bedoeld in
artikel
11a, tweede lid".
E.
[MvT]
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt de zinsnede "schort het college het recht op uitkering
op" vervangen door: kan het college het recht op uitkering opschorten.
2. In het derde lid wordt de zinsnede "herziet het college een dergelijk besluit of trekt het dat
in" vervangen door: kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken.
3. In het vierde lid wordt de zinsnede "trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering
in" vervangen door: kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken.
4. Het vijfde lid vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 19 vervalt.
G.¹
[MvT]
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
2. Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot het tweede tot en met vierde lid vervallen het tweede en het zesde tot en met achtste lid.
3. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:
-2. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, onderdeel
b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in
artikel 13 of in artikel
30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, of een op grond van hoofdstuk III
aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in
artikel 37, eerste lid, onderdeel
c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
4. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Van een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
H.
[MvT]
Paragraaf 3a van hoofdstuk II vervalt.
I.
[MvT]
Artikel 25 komt te luiden:
Art. 25.
-1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
17, derde of vierde lid, of artikel 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, kan van de belanghebbende worden teruggevorderd.
-2. De uitkering kan van de belanghebbende worden teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.
-3. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering.
-4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het college dat de uitkering verstrekt krachtens de
Wet op de
loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, kunnen worden
teruggevorderd voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
J.
[MvT]
De artikelen 25a tot en met 25c
vervallen.
K.
[MvT]
In artikel 26, tweede lid, wordt "wordt de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede
teruggevorderd" vervangen door: kan de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede worden teruggevorderd.
L.
[MvT]
Artikel 28 komt te luiden:
Art. 28.
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
25, eerste en tweede lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die uitkering met die algemene bijstand of uitkering.
-3. Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd een uitkering of algemene bijstand ontvangt van een andere
gemeente dan de gemeente waarvan het college de uitkering terugvordert, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten,² de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet of de Algemene
nabestaandenwet, betaalt dat college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de
Sociale verzekeringsbank, het bedrag van de terugvordering, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek aan het
college dat besluit tot terugvordering.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van
artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie uitkering wordt teruggevorderd.
-5. Zolang de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel
27, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de
Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van de onverschuldigd betaalde uitkering bij dwangbevel.
M.³
[MvT]
Artikel 35, eerste lid, komt te luiden:
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in
artikel 34, eerste lid, onderdeel
a;
b. de weigering en verlaging, bedoeld in artikel
20; ³
c. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële
beheer.³
N.
In artikel 40 wordt "hoofdstukken
IV, paragraaf 4, en V" vervangen door: paragraaf 4 van dit hoofdstuk en
paragraaf 4 van hoofdstuk V.
O.
Artikel 41 vervalt.
P.
In artikel 54 vervalt het eerste lid, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.
Q.
[MvT]
De paragrafen 1 tot en met 3 van hoofdstuk V vervallen.
R.
[MvT]
Artikel 59e komt te luiden:
Art. 59e.
Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel
34, eerste lid, onderdeel
a, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de
Wet participatiebudget.
S.
[MvT
+ bis]
Artikel 60a vervalt.
T.
Artikel 61 komt te luiden:
Art. 61.
Paragraaf 3 van hoofdstuk V blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in
artikel
59c, zoals dit artikel luidde vóór inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten
(Stb. 2009, 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen
vóór die van inwerkingtreding van die wet.
1. Ingevolge het Besluit
van 17 december 2009, Stb. 2009, 593, treedt onderdeel
G in werking met ingang van 1
juli 2010, red.
2. Volgens de redactie dient "Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" te worden vervangen door: Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. Ingevolge het Besluit
van 17 december 2009, Stb. 2009, 593, treedt onderdeel
M, voor zover het betreft artikel
35, eerste lid, onderdeel b en c, in werking met
ingang van 1 juli 2010, red.
Art. II.
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14.
-1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in
artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in
artikel 35 van die
wet, alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
-2. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en
zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.
-3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
B. [MvT]
Artikel 16 vervalt.
C. [MvT]
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt de zinsnede "schort het college het recht op uitkering
op" vervangen door: kan het college het recht op uitkering opschorten.
2. In het derde lid wordt de zinsnede "herziet het college een dergelijk besluit of trekt het dat
in" vervangen door: kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken.
3. In het vierde lid wordt de zinsnede "trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering
in" vervangen door: kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken.
4. Het vijfde lid vervalt.
D. [MvT]
Artikel 19 vervalt.
E.¹ [MvT]
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, onderdeel
b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in
artikel 13, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in
artikel 37, eerste lid, onderdeel
c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of ter zake van het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan.
2. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren tot de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
2a. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde
lid vervalt het derde lid.
3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:
-3. Van een verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
4. Het zesde tot en met achtste lid vervallen.
F. [MvT]
Paragraaf 3a van hoofdstuk II vervalt.
G. [MvT]
Artikel 25 komt te luiden:
Art. 25.
-1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
17, derde of vierde lid, of artikel 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, kan van de belanghebbende worden teruggevorderd.
-2. De uitkering kan van de belanghebbende worden teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.
-3. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering.
-4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het college dat de uitkering verstrekt krachtens de
Wet op de
loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, kunnen worden
teruggevorderd voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
H. [MvT]
De artikelen 25a tot en met 25c
vervallen.
I. [MvT]
In artikel 26, tweede lid, wordt "wordt de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede
teruggevorderd" vervangen door: kan de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede worden teruggevorderd.
J. [MvT]
Artikel 28 komt te luiden:
Art. 28.
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
25, eerste en tweede lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die uitkering met die algemene bijstand of uitkering.
-3. Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd een uitkering of algemene bijstand ontvangt van een andere
gemeente dan de gemeente waarvan het college de uitkering terugvordert, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten,² de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet of de Algemene
nabestaandenwet, betaalt dat college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de
Sociale verzekeringsbank, het bedrag van de terugvordering, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek aan het
college dat besluit tot terugvordering.
-4. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van
artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie uitkering wordt teruggevorderd.
-5. Zolang de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel
27, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de
Algemene wet
bestuursrecht, niet bij invordering van de onverschuldigd betaalde uitkering bij dwangbevel.
K.³
[MvT]
Artikel 35, eerste lid, komt te luiden:
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in
artikel 34, eerste lid, onderdeel
a;
b. de weigering en verlaging, bedoeld in artikel
20; ³
c. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële
beheer.³
L.
[MvT]
In artikel 40 wordt "hoofdstukken
IV, paragraaf 4, en V" vervangen door: paragraaf 4 van dit hoofdstuk en
paragraaf 5 van hoofdstuk V.
M.
[MvT]
Artikel 41 vervalt.
N.
[MvT]
In artikel 54 vervalt het eerste lid, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.
O. [MvT]
De paragrafen 1 tot en met 4 van hoofdstuk V vervallen.
P. [MvT]
Artikel 59i komt te luiden:
Art. 59i.
Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel
34, eerste lid, onderdeel
a, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de
Wet participatiebudget.
Q. [MvT
+ bis]
Artikel 60a vervalt.
R.
Artikel 61 komt te luiden:
Art. 61.
Paragraaf 3 van hoofdstuk V blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in
artikel
59c en 59e, zoals deze artikelen luidden
vóór inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten
(Stb. 2009, 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen
vóór die van inwerkingtreding van die wet.
1. Ingevolge het Besluit
van 17 december 2009, Stb. 2009, 593, treedt onderdeel
E in werking met ingang van 1
juli 2010, red.
2. Volgens de redactie dient "Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" te worden vervangen door: Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. Ingevolge het Besluit
van 17 december 2009, Stb. 2009, 593, treedt onderdeel
K, voor zover het betreft artikel
35, eerste lid, onderdeel b en c, in werking met
ingang van 1 juli 2010, red.
Art. III.
Wet werk en bijstand [MvT]
De eerste zin van artikel 69, eerste lid,¹ van de
Wet werk en bijstand komt te luiden:
-1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering voor de kosten van de door het college toegekende:
a. algemene bijstand;
b. inkomensvoorzieningen, bedoeld in de Wet investeren in
jongeren;
c. uitkeringen, bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de
Wet werk en inkomen kunstenaars.
1. Volgens de redactie dient
"De eerste zin van artikel 69, eerste
lid" te worden vervangen door: Artikel 69, eerste
lid.
Art. IV.
Wet werk en inkomen kunstenaars
De Wet werk en inkomen kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) vervalt "de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden
en".
B.¹
[MvT]
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "weigert de uitkering tijdelijk geheel of
gedeeltelijk" vervangen door: kan de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.
2. Het derde lid komt te luiden:
-3. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. de maatregel, bedoeld in het eerste lid;
b. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.
3. Het vierde en vijfde lid vervallen.
C.
[MvT]
In artikel 25, eerste lid, wordt de zinsnede "schort het college het recht op uitkering voor de duur van ten hoogste acht weken
op" vervangen door: kan het college het recht op uitkering voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten.
D.
[MvT]
Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt de zinsnede "herziet het college een dergelijk besluit of trekt hij dat
in" vervangen door: kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken.
2. In het tweede lid wordt de zinsnede "trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering
in" vervangen door: kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken.
3. Het derde lid vervalt.
E.
[MvT]
In artikel 28 wordt "worden door het college teruggevorderd" vervangen door: kunnen door het college worden teruggevorderd.
F.
[MvT]
In artikel 29, aanhef, wordt "vordert de kosten van de uitkering
terug" vervangen door: kan de kosten van de uitkering terugvorderen.
G.
[MvT]
In artikel 30 wordt "vordert de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar
terug" vervangen door: kan de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terugvorderen.
H.
[MvT]
De artikelen 31 en 32 vervallen.
I.
[MvT]
Paragraaf 6.1 vervalt.
J.
[MvT]
Artikel 54 komt te luiden:
Art. 54. [Vergoeding kosten van voorzieningen]
Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel
21, eerste lid, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de
Wet
participatiebudget.
K.
[MvT]
Na artikel 78d wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 78e. Overgangsbepaling financiering uitkerings- en uitvoeringskosten
Artikel 50 blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in dat artikel, zoals dat artikel luidde
vóór inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten
(Stb. 2009, 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen
vóór die van inwerkingtreding van die wet.
1. Ingevolge het Besluit
van 17 december 2009, Stb. 2009, 593, treedt onderdeel
B in werking met ingang van 1
juli 2010, red.
Art. V. Afstemmingsbepaling
Indien het bij koninklijke boodschap van 20 april 2009 ingediende voorstel van wet houdende een regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek (Kamerstukken II
2008-2009, 31 929, nr. 2) tot wet is of wordt verheven en eerder in werking treedt dan deze wet, wordt deze wet als volgt gewijzigd:
A.
Artikel I, onderdeel B, komt te luiden:
B.
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14.
-1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in
artikel 33 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in
artikel 35 van die
wet, alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
-2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat hij een werkloze werknemer is als bedoeld in
artikel 5, vierde lid of vijfde lid, onderdeel
a of b. Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, biedt het college bij dit verzoek de belanghebbende aan met diens toestemming zijn woning binnen te treden.
-3. Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een werkloze werknemer is als bedoeld in
artikel 5, vierde lid of vijfde lid, onderdeel
a of b, kent het college de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar de helft van de grondslag, bedoeld in
artikel 5, derde lid, onderdeel
a.
-4. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en
zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.
-5. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
B.
Artikel II, onderdeel A, komt te luiden:
A.
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14.
-1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in
artikel 33 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in
artikel 35 van die
wet, alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
-2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat hij een gewezen zelfstandige is als bedoeld in
artikel 5, vierde lid, onderdeel
b of c. Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, biedt het college bij dit verzoek de belanghebbende aan met diens toestemming zijn woning binnen te treden.
-3. Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een gewezen zelfstandige is als bedoeld in
artikel 5, vierde lid, onderdeel
b of c, kent het college de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar de helft van de grondslag, bedoeld in
artikel 5, vierde lid, onderdeel
a.
-4. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en
zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.
-5. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art. VI. Inwerkingtreding
[MvT]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 17 december 2009, Stb. 2009, 593, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2010, met uitzondering van artikel
I, onderdeel G, artikel I, onderdeel M, voor zover
het betreft artikel 35, eerste lid,
onderdeel b en c, van de Ioaw, artikel II, onderdeel E,
artikel II, onderdeel K, voor zover het betreft artikel
35, eerste lid, onderdeel b en c, van de Ioaz, en artikel
IV, onderdeel B, die in werking treden met ingang van 1 juli
2010, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 17 december 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
Uitgegeven de dertigste december 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|