|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 927
Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan
gemeenten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitgangspunten |
| 3 |
Positie van
Ioaw, Ioaz, Wwik en Bbz 2004 |
| 4 |
Financiering |
| 4.1 |
Bundeling met I-deel |
| 4.2 |
Participatiebudget en
gemeentefonds |
| 5 |
Adviezen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen |
Algemeen
1.
Inleiding
Wanneer
mensen niet in hun levensonderhoud
kunnen voorzien, kunnen zij
een beroep doen op gemeenten voor
aanvulling van hun inkomen tot minimumniveau.
Gemeenten voeren daartoe een aantal
wettelijke regelingen in
medebewind uit, waaronder de Wet werk en
bijstand (Wwb). Zij zijn financieel en beleidsmatig
verantwoordelijk voor de uitvoering van
de Wwb.
Zij ontvangen daartoe middels het
volledig gebudgetteerde inkomensdeel (I-deel) middelen voor
bijstandverstrekking. De middelen voor
de kosten van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling ontvangen
de gemeenten via het werkdeel. Vanaf 1
januari 2009 gaat dit via
het ontschot en flexibel besteedbare
participatiebudget. Uitgangspunt voor
deze vergaande gemeentelijke
verantwoordelijkheid is dat
decentralisatie de
slagkracht van gemeenten vergroot.
Ter
uitvoering van het Bestuursakkoord
tussen Rijk en gemeenten "Samen aan
de slag" van 4 juni 2007 (Kamerstukken
II 2006-2007, 30 800 B, nr. 17) en in
lijn met het Coalitieakkoord, worden de
financiële middelen van andere door
de gemeenten uit te voeren wettelijke
regelingen gebundeld met het I-deel
per 1 januari 2010. Het betreft de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz), de Wet werk en inkomen
kunstenaars (Wwik) en de kosten
van levensonderhoud voor startende
ondernemers uit het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004
(Bbz 2004). Een
aparte financiering in het kader van het Bbz 2004 blijft in overleg
met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) bestaan voor kosten van
levensonderhoud van gevestigde
zelfstandigen en voor bedrijfskapitaal.
De financiële middelen ter
voorbereiding op een zelfstandig bestaan
als startend ondernemer en ter begeleiding van startende ondernemers
uit het Bbz 2004 worden toegevoegd
aan het participatiebudget.
Het
onderhavige wetsvoorstel wijzigt daartoe
de Ioaw, Ioaz
en Wwik.
De
wijziging van het Bbz
2004 zal
geschieden bij algemene maatregel van
bestuur [zie Besluit van 17 december
2009, Stb. 2009, 594, red.].
Vanwege de samenhang worden onderstaand
ook de wijzigingen in
het Bbz 2004 toegelicht.
2.
Uitgangspunten
Maatschappelijke
vraagstukken manifesteren zich bij
uitstek op gemeentelijk niveau.
Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten deze vraagstukken op
basis van lokaal maatwerk van
oplossingen kunnen voorzien. Om
die reden bevordert het kabinet met
kracht dat het Rijk op hoofdlijnen stuurt
en dat taken en bevoegdheden verder
gedecentraliseerd worden aan
medeoverheden. Daarbij kan ook worden
overgegaan tot verdere deregulering.
In samenhang hiermee voert het kabinet
beleid gericht op halvering
van het aantal specifieke uitkeringen.
Het
voorliggende wetsvoorstel bevat al deze
aspecten. Essentieel is dat voor
de Ioaw, Ioaz,
Wwik en de kosten van
levensonderhoud voor startende ondernemers uit het
Bbz 2004
het
gecombineerde declaratie- en budgetsysteem
wordt vervangen door volledige
budgetfinanciering. Aldus
ontstaat voor gemeenten, meer dan thans,
een direct belang om de regelingen
zo goed en doeltreffend mogelijk uit te
voeren. Als gevolg van deze
ontwikkeling kan tot verdere
deregulering worden overgegaan, wat optimale
ruimte creëert voor lokaal beleid. Met
name de centrale administratieve voorschriften
inzake onderzoeksverplichtingen en
-frequenties en de
gemeentelijke administratie, kunnen
vervallen. Dit laat overigens, net als
bij de Wwb, onverlet dat gemeenten zelf
moeten regelen hoe zij de rechtmatigheid
borgen. Daartoe hebben zij nu
beleidsruimte voor een eigen werkwijze en administratieve inrichting.
De
bundeling van geldstromen brengt de vijf
in de Inleiding genoemde specifieke
uitkeringen terug naar twee: het
gebundelde I-deel en het Bbz
2004. Deze bundeling én het feit dat
gemeenten zich niet aan het Rijk behoeven
te verantwoorden over de rechtmatige
besteding van het samengevoegde budget voor de inkomensvoorzieningen
dragen bij aan een
administratieve lastenverlichting voor
gemeenten. Ten behoeve van de
raming van het macrobudget en de
toepassing van het verdeelmodel zullen
gemeenten wel jaarlijks, op basis van de
systematiek van single information
en single audit, informatie moeten
verschaffen over relevante realisatiegegevens.
Het
eerdergenoemde Bestuursakkoord geeft aan
dat de vormgeving van bundeling
in het I-deel onderwerp van nadere
studie is. Hieronder wordt ingegaan
op die vormgeving. Aparte aandacht is
hierbij voor het Bbz
2004 en
de Wwik.
3.
Positie van Ioaw, Ioaz, Wwik en Bbz 2004
De
bundeling van de financiële middelen
van deze inkomensregelingen brengt
geen veranderingen teweeg in de rechten
en plichten van de uitkeringsgerechtigden.
Ioaw, Ioaz,
Wwik en Bbz
2004 blijven als
afzonderlijke regelingen
bestaan. Daarin worden als gevolg van de
volledige financiële verantwoordelijkheid
die gemeenten
krijgen verplichtingen
voor de gemeenten
omgezet in bevoegdheden. Een voorbeeld
is de terugvordering van
ten onrechte verstrekte uitkeringen.
Gemeenten dienen bijgevolg hun
afstemmingsbeleid, het aanpassen van de
uitkering bij het niet nakomen
van verplichtingen door de
uitkeringsgerechtigde, voor deze regelingen
bij verordening te regelen.
Bundeling
van de financiële middelen voor de
uitkeringen op grond van de Ioaw,
Ioaz, Wwik
en de uitkeringen aan
startende zelfstandigen op grond van het
Bbz 2004
met het I-deel staat
voorop. Deze regelingen hebben
echter een eigen achtergrond, doelgroep
en instrumentarium en kennen daardoor elk een specifieke
gemeentelijke beleidsmatige
verantwoordelijkheid. Onderstaand
wordt per regeling aangegeven in welke mate
de bij bundeling behorende financiële
verantwoordelijkheid past bij die
beleidsmatige verantwoordelijkheid. En
wat dit betekent voor de bundeling
van de financiële middelen.
De Ioaw en Ioaz
kennen analoog aan de
Wwb een
uitstroomdoelstelling en geven gemeenten de instrumenten om het volume
aan uitkeringsgerechtigden te
beïnvloeden. De financiële prikkel van
het I-deel past volledig op de
daaraan toe te voegen Ioaw en Ioaz-middelen.
De
doelstelling van de Wwik
is om
kunstenaars gedurende maximaal 48 maanden
de gelegenheid te bieden om te werken
aan de opbouw van een renderende,
al dan niet gemengde beroepspraktijk als
kunstenaar. Een dergelijke
doelstelling verdraagt zich niet met een
uitstroombeleid zoals is vormgegeven in de
Wwb. Immers, door het
opleggen van een sollicitatieplicht zou
een (aankomend) kunstenaar niet in de
gelegenheid worden gesteld
om te werken aan de opbouw van een
zelfstandige beroepspraktijk als
kunstenaar. Dit specifieke karakter van
de Wwik maakt dat gemeenten,
anders dan het geval is bij de Wwb, de
uitkeringsduur en daarmee
de uitkeringslasten niet kunnen
beïnvloeden via op uitstroom gerichte
maatregelen. Bij de bundeling dient dit
specifieke aspect van de Wwik,
met behoud van vermindering van
administratieve lasten, in voldoende
mate tot uitdrukking te komen (zie
hiervoor hoofdstuk 4 van het algemeen
deel van deze memorie van toelichting).
Aandachtspunt is tevens
dat de Wwik vanwege de vereiste expertise uitgevoerd wordt door
een
beperkt aantal centrumgemeenten. De
budgetverdeling over de 20 centrumgemeenten blijft daarom na bundeling gehandhaafd.
De
doelgroep van het Bbz
2004 valt op
hoofdlijnen uiteen in startende ondernemers
en gevestigde ondernemers. De kosten
vallen op hoofdlijnen uiteen in bedrijfskapitaal en kosten van
levensonderhoud. Dit vergt een
gedifferentieerde aanpak.
De
benodigde middelen voor bijstand aan de
gevestigde ondernemers zijn
naast macro-economische factoren
afhankelijk van een groot aantal moeilijk
te voorspellen situaties. Ondernemers
kunnen tijdelijk in de problemen
komen door bijvoorbeeld klimatologische
omstandigheden, uitbraken
van dierziekten en renovaties van
buurten. Het daarmee gemoeide
beslag op bedrijfskapitaal inclusief de
kosten van levensonderhoud laat
zich lastig ramen. De fluctuaties in
opeenvolgende jaren zijn niet alleen
groot, maar kunnen ook regionaal of
lokaal sterk verschillen. Volledige budgettering
en dus bundeling met het I-deel is
hierdoor niet op zijn plaats.
De financiering op grond van het huidige
Bbz 2004, en daarmee het
Bbz 2004 als specifieke uitkering,
blijft op dit punt gehandhaafd.
Het
aantal personen dat jaarlijks als
starter gebruik maakt van het Bbz
2004 valt wel goed te ramen. De kosten van
levensonderhoud voor startende ondernemers
worden om die reden wel gebundeld met
het inkomensdeel Wwb.
Ten
aanzien van de verstrekking van
bedrijfskapitaal krachtens het Bbz 2004
aan starters geldt dat er momenteel
enkele pilots lopen met een aparte borgstellingsregeling voor
bedrijfskapitaal. Na afloop van de
pilots vindt
op basis van een evaluatie een afweging
plaats of deze voorziening als
passend is aan te merken en daaruit
voortvloeiend of verstrekking van bedrijfskapitaal
niet langer hoeft plaats te vinden via
het Bbz 2004. Bij een positieve uitkomst van de evaluatie kan vervolgens
een landelijke uitrol worden
overwogen. In afwachting van de
evaluatie van de pilots blijft de financiering
van het bedrijfskapitaal voor startende
ondernemers conform de
huidige financiering van het Bbz 2004.
Het Bbz 2004
kent naast deze hoofdgroepen
nog bepaalde groepen met specifieke
eigen bepalingen. De afwijkende situatie
van ondernemers in de binnenvaart en van zelfstandigen in het
buitenland leidt tot een eigen financieringswijze
die zich niet leent voor bundeling met
het I-deel. De huidige financiering van het Bbz 2004 blijft
hiervoor gehandhaafd. Voor de groep
bijstandsgerechtigden die zich wil
voorbereiden op een zelfstandig ondernemerschap
zie paragraaf 4.2.
4.
Financiering
4.1.
Bundeling met I-deel
De
kleine inkomensregelingen, waaronder een
deel van het Bbz
2004, worden
volledig gebudgetteerd zoals al het
geval is met het I-deel. Per inkomensregeling
wordt een macrobudget geraamd. De
budgetten van Wwb,
Ioaw, Ioaz
en Bbz 2004 worden middels
het objectief verdeelmodel verdeeld
over de gemeenten. Het budget voor de Wwik
wordt op basis
van historische maatstaven verdeeld. De
bedragen worden per gemeente samengevoegd. Gemeenten ontvangen
vervolgens één ontschot
budget voor de verstrekking van alle
uitkeringen. In de bijlage bij de
jaarrekening komt de
rechtmatigheidscontrole op de Ioaw, Ioaz, Bbz 2004
en Wwik te vervallen. Gemeenten blijven
de uitgaven opnemen in de
bijlage zodat de macrobudgetten kunnen
worden geraamd en de toereikendheid
op macroniveau kan worden gegarandeerd
(conform het huidige
I-deel Wwb voor personen boven 65 jaar).
a.
Budgettering
De
kleine inkomensregelingen kennen thans
een financieringssystematiek met
25% budgettering en 75% declaratie (Ioaw,
Ioaz en Bbz
2004) dan
wel
100% declaratie (Wwik). De Wwb
kent gemeenten volledige financiële verantwoordelijkheid
(100% budgettering) toe om voor hen
maximale lokale
ruimte te realiseren. Ook de kleine
inkomensregelingen worden
daarom volledig gebudgetteerd.
Ioaw-
en Ioaz-gerechtigden hebben de plicht
tot arbeidsinschakeling. Gemeenten
hebben daarmee de mogelijkheid het
aantal uitkeringsgerechtigden te
beïnvloeden. In combinatie met de
financiële prikkel wordt daarom
een besparing op de uitkeringslasten
verwacht. Hiermee is in de raming
van de macrobudgetten Ioaw en Ioaz rekening gehouden. Voor deze
raming is aangesloten bij de
budgettering van de Wwb. Uit de
evaluatie
van de Wwb is gebleken dat het kortetermijneffect van de budgettering
circa 2% is. Omdat het bij de Ioaw en Ioaz
om ouderen gaat,
waarvoor de uitstroom naar werk
moeilijker zal zijn, is van de helft van
dit effect uitgegaan. Er is derhalve
uitgegaan van een daling van de uitkeringslasten
voor zowel Ioaw als Ioaz met 1%, waarbij
is verondersteld dat
dit effect na drie jaar zal worden
bereikt.
Besparing
uitgaven Ioaw/Ioaz (in
miljoen euro):
| xxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
| Uitgaven
Ioaw |
–0,6 |
–1,3 |
–2,1 |
–2,1 |
–2,1 |
| Uitgaven
Ioaz |
–0,1 |
–0,2 |
–0,3 |
–0,3 |
–0,3 |
b.
Verdeelsystematiek
De
verdeling van het I-deel Wwb
werkt
(grotendeels) volgens het objectief verdeelmodel.
Dit versterkt de financiële prikkel om
het bijstandsvolume te verkleinen. Een gemeente
kan door een
effectief uitstroombeleid de bijstandslasten
beperken en overhouden op haar objectief
bepaalde budget.
Het
objectief verdeelmodel wordt toegepast
op de gebundelde middelen voor
de kosten van algemene bijstand op grond
van de Wwb, uitkeringen
op grond van de Ioaw
en Ioaz en de kosten
van levensonderhoud voor startende
ondernemers.
De Wwik-centrumgemeenten kunnen zoals
gezegd het mogelijke financiële risico
van budgettering niet beïnvloeden. Het
Wwik-budget wordt daarom binnen het gebundelde I-deel apart
geraamd en vervolgens verdeeld
op grond van historische uitgaven. Deze
wijze van verdelen zorgt ervoor
dat over de jaren heen de budgetten in
de pas lopen met de feitelijke uitgaven.
De
overgang naar een financiering op basis
van het objectief verdeelmodel gaat
onvermijdelijk gepaard met
herverdeeleffecten. Deze zijn ook beoogd.
Gemeenten die relatief goed presteren,
zullen overhouden aan hun
budget. Gemeenten die relatief minder
goed presteren, kunnen tekort komen. Herverdeeleffecten doen zich met name
voor bij de grote(re) gemeenten.
Kleine gemeenten ontvangen hun budget
immers op basis van
de uitgaven in het verleden, waardoor de
budgetten net als nu (met enige
vertraging) in de pas blijven lopen met
de uitgaven.
Er
is een analyse gemaakt van het verschil
in resultaat tussen verdeling op basis
van het objectief verdeelmodel I-deel Wwb
en verdeling op basis van historische realisatie. Deze simulatie
laat zien dat de gevolgen van de bundeling
van de inkomensregelingen voor vrijwel
alle gemeenten beperkt
lijken. De gevolgen van de bundeling
voor het verdeelmodel van het
I-deel krijgen ook een plaats in het
reguliere onderhoudstraject van dit verdeelmodel.
Een
overschot op het gebundelde I-deel is
vrij besteedbaar. Tekorten dienen gemeenten aan te vullen uit de eigen
begroting. Net als bij het huidige Wwb-budget hebben gemeenten bij het
gebundelde I-deel een eigen
risico van 10% bij een incidenteel
tekort. Daarboven kunnen zij onder voorwaarden in aanmerking komen voor een
aanvullende uitkering. Eveneens
is de meerjarige aanvullende uitkering (MAU),
ter compensatie van
aan het verdeelmodel toe te schrijven
meerjarige tekorten, onder voorwaarden
van toepassing.
4.2.
Participatiebudget en gemeentefonds
Ter
completering van deze
decentralisatiemaatregelen gaan
gelijktijdig met
de bundeling van middelen voor
uitkeringslasten ook middelen voor enkele
andere voorzieningen uit de Wwik
en het Bbz
2004. Zij gaan vanwege
hun afwijkend aanwendingsdoel over naar
andere financiële regimes
dan het I-deel.
a.
Participatiebudget
Bijstandsgerechtigden
die zich willen voorbereiden op een
zelfstandig ondernemerschap
en op een Bbz-aanvraag kunnen een beroep
doen op de gemeente. Gemeenten kunnen deze
prestarters voorbereidingskredieten en
begeleiding bieden. Ook starters kunnen
zij begeleiding bieden.
De middelen voor deze op uitstroom naar
een zelfstandig bestaan gerichte
voorzieningen worden samengevoegd met
het participatiebudget.
b.
Gemeentefonds
De
middelen voor de uitvoeringskosten voor
de Wwb maken deel uit van
het gemeentefonds. De uitvoeringskosten Wwik
worden thans volledig gefinancierd
op declaratiebasis. Toevoeging van de
middelen voor de uitvoeringskosten Wwik aan het
gemeentefonds past in het
terugdringen van
de administratieve lasten voor gemeenten
en van het aantal specifieke uitkeringen.
De middelen worden verdeeld over de
centrumgemeenten Wwik door middel van een
decentralisatie-uitkering. Ook de middelen
voor uitvoeringskosten voor door derden
uitgevoerd bedrijfsonderzoek in
het kader van de Ioaz
worden toegevoegd
aan het gemeentefonds.
Onderzocht
zal worden in hoeverre dit wetsvoorstel
leidt tot lagere uitvoeringskosten
voor de gemeenten.
5.
Adviezen
Dit
wetsvoorstel leidt voor de Ioaw
en Ioaz tot een lastenverlichting bij de
burger. Bij de Wwik
en het Bbz
2004 zijn er geen
veranderingen. De lastenverlichting voor
de cliënt komt enerzijds tot stand door
de overgang van een
maandelijks in te dienen
inkomstenverklaring naar de aanlevering
van enkel
inkomstenmutaties en anderzijds door de
eenmalige gegevensuitvraag binnen
de keten van werk en inkomen.
Gemeenten
kunnen voor het vaststellen van de
rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking
gebruik maken van een maandelijkse
inkomstenverklaring. De
afgelopen jaren is de gemeentelijke
aandacht voor een effectieve
en efficiënte uitvoering van de
bijstand, met ook minder administratieve
lasten voor de cliënt, toegenomen. De
komst van de Wwb
bevorderde
dit. Daarmee is een trend ingezet om het
gebruik van de maandelijkse
inkomstenverklaring te verminderen. Voor
beperkte groepen als
risicogroepen en mensen met een
(mutatiegevoelige) deeltijdbaan wordt
zij nog vaak maandelijks gebruikt. Overige cliënten krijgen in de
meeste
gemeenten doorgaans enkel een
mutatieformulier. Het gebruik is daardoor
in 2008 ten opzichte van 2004 met naar
schatting 70% gedaald. Dit
geldt ook voor de Ioaw
en Ioaz, die in
het uitvoeringsproces van de Wwb
meelopen. De reductie van de administratieve lasten
Ioaw en Ioaz voor
de burger bedraagt hierdoor 141 000 uur
en €|65 000,- aan
out-of-pocketkosten.
Deze
lastenbesparing is daarmee al vóór de
onderhavige bundeling bereikt.
Door de bundeling zal bij de Ioaw
en Ioaz de gemeentelijke budget-
en beleidsverantwoordelijkheid toenemen.
Verwacht mag worden dat
dit gemeenten waar mogelijk aanzet tot
een verdere efficiënte uitvoering en administratieve lastendaling van de
resterende informatie-uitvraag aan
de burger.
Het
Adviescollege toetsing administratieve
lasten adviseert voor de resterende specifieke
uitkering Bbz
2004 ook mogelijkheden tot
vereenvoudiging te onderzoeken. Voor het bedrijfskapitaal
van beginnende zelfstandigen lopen
momenteel pilots met een aparte
borgstellingsregeling (zie hoofdstuk
3). Het doel van deze voorziening is
kostenbesparing en maximale toegankelijkheid
tot bedrijfskapitaal voor de beginnende
zelfstandige, onder
meer te bereiken door zo min mogelijk
administratieve handelingen voor
zowel banken als cliënten. De pilots
worden, naar thans voorzien einde
2010, geëvalueerd. Het Adviescollege
adviseert het voorstel van wet
tot bundeling
van uitkeringen inkomensvoorziening aan
gemeenten in te dienen.
De VNG, medeondertekenaar van het
Bestuursakkoord "Samen aan de slag",
sluit zich aan bij de aanpak van deze
bundeling van uitkeringen in het kader van decentralisatie van taken en
bevoegdheden naar gemeenten.
Zij heeft geen opmerkingen gemaakt bij
het
onderhavige wetsvoorstel.
Artikelsgewijs
Artikel
I, onderdeel A en D
Het
tweede lid van artikel
11a van de Ioaw
kan vervallen, omdat met de invoering
van de Wet
eenmalige gegevensuitvraag werk en
inkomen (Stb. 2007,
555) de uitzonderingen op het indienen
van de aanvraag via het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) niet meer
bij een voorschrift van algemene strekking worden geregeld,
maar dit een element
is van afspraken in het kader van de
samenwerking werk en inkomen
op grond van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI) in de locaties werk en
inkomen tussen de colleges van
burgemeester en wethouders en het UWV. In het kader van
recente wijzigingen van de Wet SUWI
is de Ioaw hierop niet aangepast. Dit
wordt in onderdeel A alsnog gedaan.
In verband met deze wijziging dient ook
de verwijzing naar artikel 11a
in artikel 16a, tweede lid, te worden
aangepast (onderdeel
D).
Artikel
I, onderdeel B en C,
artikel II,
onderdeel A en B,
en artikel IV, onderdeel
A
Nu
de kosten van de uitkeringen op grond
van de Ioaw, de
Ioaz en de Wwik
niet langer op declaratiebasis worden
vergoed aan de gemeenten, doch onderdeel uitmaken van het
I-deel, ligt
het in de rede om de bevoegdheden
en verantwoordelijkheden voor de
colleges van burgemeester en
wethouders in het kader van die wetten
zoveel mogelijk gelijk te
maken aan de bevoegdheden en
verantwoordelijkheden in het kader van
de Wwb.
Dit
betreft in eerste instantie de wijze
waarop geregeld wordt hoe het college
de gegevens over de belanghebbende
verkrijgt voor de bepaling van
het recht op uitkering en het feit of
nader onderzoek naar de juistheid en
volledigheid van die gegevens kan worden
gedaan. Daarvoor geldt meer beleidsvrijheid in de
Wwb. Alleen het
beginsel van eenmalige gegevensuitvraag,
dat wil zeggen het gebruik maken van
gegevens die al bij
de overheid bekend zijn in de
gemeentelijke basisadministratie of de polisadministratie,
blijft gehandhaafd. De verplichting in
de Ioaw en Ioaz om
een onderzoek in te stellen naar de
juistheid en volledigheid van de verstrekte
gegevens en om regelmatig een
heronderzoek te doen naar de voor
het recht op uitkering van belang zijnde
gegevens komt te vervallen (aanpassing
van de artikelen 14
en het vervallen van
de artikelen 16 van
de Ioaw en Ioaz
en
artikel 11 van de Wwik).
Artikel
I, onderdeel E, F,
G,
H,
I,
J,
K,
L,
M
en S,
artikel II,
onderdeel C tot en
met N en Q,
en
artikel IV,
onderdeel B tot en met H
De
afstemming op de bevoegdheden op grond
van de Wwb betekent dat
de
verplichting voor het college om in het
kader van de Ioaw,
Ioaz en Wwik
bij bepaalde overtredingen een maatregel
(in de terminologie van de Wwb een verlaging) op te leggen, wordt
omgezet in een bevoegdheid en
de bestuurlijke boete in de Ioaw
en Ioaz komt te vervallen. Zo ook de verplichting
tot opschorting dan wel herziening of
intrekking van de uitkering in bepaalde situaties en de verplichting
tot terugvordering. Daarmee kunnen
ook de met die verplichting
samenhangende afwijkingsmogelijkheden komen
te vervallen alsmede de mogelijkheid om
bij lagere regelgeving nadere
regels te stellen met betrekking tot die
verplichting. Wel wordt
in de Ioaw, Ioaz en Wwik de verplichting
opgenomen voor de gemeenteraad
om bij verordening regels te stellen met
betrekking tot de maatregelen
(een zogeheten afstemmingsverordening)
en voor de bestrijding van
fraude zoals in artikel
8a van de Wwb
is
voorgeschreven. De verplichting
een afstemmingsverordening vast te
stellen, heeft de gemeenteraad op
grond van artikel
8, eerste lid,
onderdeel b, Wwb.
Artikel
I, onderdeel Q, R en
S,
artikel II,
onderdeel O, P en
Q,
en artikel IV,
onderdeel I, J en
K
Voorts
vervalt de verplichting om via de
bijlage bij de jaarrekening
verantwoording af
te leggen over de uitvoering van de Ioaw
en Ioaz respectievelijk opgave
te doen van de door het college gemaakte
kosten voor de Wwik.
Daarnaast vervallen in de Ioaw en de Ioaz
de verplichtingen om een betrouwbare administratie te voeren. De
kosten van het aan derden opgedragen
onderzoek, bedoeld in de artikelen 59e
tot en met 59h Ioaz, zijn uitvoeringskosten waarvoor het college
na de onderhavige wetswijziging geen
aparte vergoeding krijgt. Middelen
daarvoor zullen in het gemeentefonds worden opgenomen. De vergoeding op basis
van declaratie door
het Rijk aan de adviserende instelling
als bedoeld in paragraaf 6.2
van de Wwik
blijft wel bestaan. De
kosten voor de
re-integratievoorzieningen blijven
ten laste komen van het
participatiebudget. De wijziging
van artikel
59e Ioaw,
59i Ioaz
en 54 Wwik
heeft hierop betrekking. Deze
artikelen blijven gelden, maar zijn in
dit wetsvoorstel aangepast aan
de op 1 januari 2009 in werking getreden Wet
participatiebudget en geformuleerd in
overeenstemming met artikel
69, vierde
lid, van de Wwb.
Met
het vervallen van de overige bepalingen
in hoofdstuk V van de
Ioaw en
hoofdstuk V van de Ioaz
vervalt ook de
grondslag van het Besluit
uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz. Dat besluit
vervalt daarmee van rechtswege.
In
de Ioaw, Ioaz
en Wwik zijn
overgangsbepalingen opgenomen die
bepalen
dat de met dit wetsvoorstel vervallen
bepalingen over de vaststelling van
de uitkeringen en vergoedingen voor de
lasten van de gemeenten
van toepassing blijven voor de
afrekening van de jaren voorafgaande aan
die van de inwerkingtreding van deze
wet. Over die kalenderjaren worden
de uitkeringen en vergoedingen die ten
laste van het Rijk komen
nog vastgesteld aan de hand van de
opgaven van de colleges van burgemeester
en wethouders van de kosten voor de Ioaw, Ioaz en
Wwik die voor financiering door
het Rijk in aanmerking kwamen.
Artikel
III. Wet werk en bijstand
Met
dit artikel wordt geregeld dat de
uitkeringen op grond van de Ioaw,
Ioaz en Wwik
ten laste komen van de
uitkering, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de Wwb
(het I-deel). Bij de
formulering van de voorgestelde wijziging
van de eerste zin van dit eerste lid is
rekening gehouden met
de formulering van dit eerste lid, zoals
dit komt te luiden met de inwerkingtreding
van de Wet investeren in jongeren
(Kamerstukken 2008-2009,
31 775).
Artikel
V [zie artikel
VI, red.]. Inwerkingtreding
Er
is gekozen voor een flexibele
inwerkingtredingsbepaling. Uitgangspunt is
inwerkingtreding op 1 januari 2010,
zodat de nieuwe wijze van financiering gaat
gelden ingaande het nieuwe kalenderjaar.
Met dit wetsvoorstel vervallen
echter ook bepalingen over het opleggen
van boeten en maatregelen. Voor het vervallen van de verplichting
bestuurlijke boeten op te leggen,
geldt onmiddellijke werking. Vanaf het
moment van inwerkingtreding van
de desbetreffende onderdelen kunnen de
colleges geen bestuurlijke boeten
meer opleggen. Voor de wijze van
toepassen van het afstemming-
en maatregelenbeleid voor de uitkeringen
op grond van de Ioaw,
de Ioaz en de Wwik
dienen de colleges
van burgemeester en wethouders de afstemmings-
en fraudeverordeningen aan te passen. Er
kan met deze flexibele
inwerkingtredingsbepaling rekening
gehouden worden met een langere
voorbereidingstijd voor het aanpassen
van de verordeningen.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
|