|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2008-2009, 2009-2010,
32 037.
Handelingen II 2009-2010, blz. 1734-1734.
Kamerstukken I 2009-2010, 32 037 (A, B, C, D).
Handelingen I 2009-2010, blz. 437-437.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 17 december 2009,
Stb. 2009, 596, tot wijziging van de Wet werk en
bijstand, de Algemene Ouderdomswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de overheveling van de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of ouder van de
gemeenten naar de Sociale verzekeringsbank en het aanbrengen van enkele andere aanpassingen in de Algemene Ouderdomswet en tot wijziging van enkele
socialeverzekeringswetten in verband met de gelijkstelling binnen de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen met eigen kinderen.
Inwerkingtreding: 1 januari 2010 (Stb.
2009, 623).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de
Sociale verzekeringsbank de uitvoering van de aanvullende algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand voor personen van 65 jaar of ouder in de vorm van de verstrekking van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen overneemt van de
gemeenten en het wenselijk is de Algemene Ouderdomswet
op een aantal andere onderdelen aan te passen mede in verband met onvolledige opbouw van tijdvakken van verzekering voor de
AOW en dat het voorts wenselijk is dat binnen de sociale zekerheid voormalige pleeg- en stiefkinderen worden gelijkgesteld met eigen kinderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I. Wijziging van de Wet werk en bijstand
[MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 3 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
-8. Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
B.
[MvT]
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. In het eerste lid, onderdeel d, wordt "de artikelen 9 en
9a," vervangen door: de artikelen
9, 9a, 25, eerste lid,
26 en 30, tweede lid,.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel
a en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
C.
[MvT]
Aan artikel 7 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing indien het verlenen van bijstand op grond van
artikel 47a, eerste lid, tot de taak van de
Sociale verzekeringsbank behoort.
Ca.
Aan artikel 25, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de
Wet
studiefinanciering 2000.
Cb.
Aan artikel 26 wordt een zin toegevoegd, luidende: Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de
Wet
studiefinanciering 2000.
Cc.
In artikel 30, tweede lid, onderdeel a, wordt na
"ten laste komende kinderen" ingevoegd: of met thuisinwonende kinderen als bedoeld in
artikel 25, eerste lid,.
D.
[MvT]
Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "vierde" vervangen door: vijfde.
2. In het tweede lid wordt "een persoon die in een inrichting verblijft, een persoon van 65 jaar of ouder, of een persoon zonder
adres" vervangen door: een persoon jonger dan 65 jaar die in een inrichting verblijft of een persoon jonger dan 65 jaar zonder adres.
E.
[MvT]
In hoofdstuk 5 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:
§ 5.4. Uitvoering Sociale verzekeringsbank
Art. 47a. Taak Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders van 65 jaar of ouder;
b. gehuwden van wie beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn dan wel van wie één echtgenoot 65 jaar of ouder is;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
-2. De artikelen 1 tot en met 6, de hoofdstukken 2 en
3, de paragrafen 5.1 en
5.2, hoofdstuk 6 en de
artikelen 79, 80 en
81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Art. 47b. Invulling toepassing artikelen voor Sociale verzekeringsbank
[MvT]
Voor de toepassing van artikel 47a, eerste lid, wordt in de
artikelen 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel
b, 16, eerste lid, 17,
31, tweede lid, onderdeel m, 33, vierde lid,
40, tweede tot en met zesde lid, 43, eerste en derde lid,
44, eerste en derde lid, 48, derde en vierde lid,
52, eerste lid, 53a, eerste en tweede lid,
54, 55, 57,
58, eerste, derde en vierde lid, 60, tweede tot en met vijfde lid,
62b, vierde lid, 62e,
62f, 62g,
62h, derde lid, 63,
66, 81, eerste en tweede lid, voor
"het college" telkens gelezen: de Sociale verzekeringsbank.
Art. 47c. Toepassing afstemming door Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. De Sociale verzekeringsbank stemt de algemene bijstand als aanvullende inkomensvoorziening ouderen en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
-2. De Sociale verzekeringsbank verlaagt de algemene bijstand ter zake van het niet of onvoldoende nakomen van de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen, waaronder begrepen het zich jegens de Sociale verzekeringsbank zeer ernstig misdragen dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het college een gegrond vermoeden heeft dat een belanghebbende niet voldoet aan de verplichting tot arbeidsinschakeling dan wel niet of onvoldoende gebruik maakt van re-integratievoorzieningen of
inburgeringsvoorzieningen, stelt het de Sociale verzekeringsbank daarvan in kennis.
-4. De Sociale verzekeringsbank heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door haar te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
-5. Bij de toepassing van het eerste en derde lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
-6. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van een melding als bedoeld in het derde lid toepassing heeft gegeven aan dit artikel, stelt de Sociale verzekeringsbank het college daarvan terstond in kennis.
Art. 47d. Specifieke bepalingen voor uitvoering door de Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. De artikelen 40, eerste lid, en 62c
zijn niet van toepassing bij de uitvoering van deze wet door de Sociale verzekeringsbank.
-2. De aanvraag voor algemene bijstand als aanvullende inkomensvoorziening ouderen van een persoon als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, wordt ingediend bij de Sociale verzekeringsbank.
-3. Voor de toepassing van artikel 44, tweede lid, heeft de belanghebbende zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.
Art. 47e. Gegevensverstrekkingen aan en door de Sociale verzekeringsbank
[MvT]
De artikelen 64 en 67 zijn van overeenkomstige toepassing voor het kosteloos verstrekken van opgaven en inlichtingen aan de
Sociale verzekeringsbank die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van de Sociale verzekeringsbank op grond van dit hoofdstuk en voor het verstrekken van gegevens door de Sociale verzekeringsbank uit de administratie voor de uitvoering van deze taak.
F.
[MvT]
In artikel 63, eerste lid, wordt na "uitvoering van deze
wet" toegevoegd: door het college.
G.
[MvT]
In artikel 64, eerste lid, aanhef, wordt na
"uitvoering van deze wet" toegevoegd: door het college.
H.
[MvT]
Na artikel 78h worden zes artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 78i. Overgang besluiten in verband met uitvoering Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. Een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, dat is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 geldt met ingang van die datum als genomen door de
Sociale verzekeringsbank op grond van paragraaf
5.4.
-2. De toepassing van paragraaf 5.4 in relatie tot besluiten als bedoeld in het eerste lid gaat na de datum van inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 over op de Sociale verzekeringsbank.
-3. Een tot het college gericht verzoek door een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, om een besluit te nemen, waarop op de datum van inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 nog niet is beslist, geldt met ingang van die datum als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
Art. 78j. Overgangsrecht vorderingen in verband met uitvoering Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. Het college dat vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf
5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, een vordering heeft in verband met terugvordering of verhaal van kosten van bijstand anders dan in verband met het recht op algemene bijstand, waarop
artikel 78i van toepassing is, blijft, indien die vordering nog niet geheel is voldaan, bevoegd die vordering te innen.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een vóór de datum van inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 verstrekte geldlening of borgtocht op grond van
artikel 48, 50 en
78c aan een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid.
Art. 78k. Overgang krediethypotheek in verband met uitvoering Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. Rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een door het college vóór de datum van inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 verstrekte geldlening of borgtocht op grond van
artikel 48, 50 en
78c aan een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, die na die datum wordt voortgezet, gaan over op de
Sociale verzekeringsbank.
-2. Vermogensbestanddelen die voortvloeien uit een geldlening als bedoeld in het eerste lid gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 over op de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor een akte of betekening nodig is.
-3. Met betrekking tot de ingevolge het tweede lid overgaande vermogensbestanddelen die in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe benodigde opgaven worden door de zorg van
Onze Minister aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
-4. Ter zake van de in het tweede lid bedoelde overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Art. 78l. Overgangsrecht bezwaar en beroep in verband met uitvoering Sociale verzekeringsbank
[MvT]
-1. Het college dat vóór de inwerkingtreding van paragraaf
5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, een besluit in verband met de verlening van algemene bijstand heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
-2. In een geding in beroep en hoger beroep gericht tegen een besluit ten aanzien van een persoon als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, genomen vóór de inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 of gericht tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, blijft het college partij en voor het college staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
-3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de Sociale verzekeringsbank
in een bestuursrechtelijk geding tussen het college en een persoon, bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, in de plaats van het college treden, zonder dat daarvoor een betekening nodig is en met overneming van procureurstelling onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde, indien de Sociale verzekeringsbank vóór de inwerkingtreding van
paragraaf 5.4 mandaat is verleend door het college ten aanzien van besluiten over de verlening van algemene bijstand aan personen als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid.
Art. 78m. Overgangsrecht gelijkstelling voormalige pleeg- en stiefkinderen aan eigen kinderen
[MvT]
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4, tweede lid, zijn niet van
toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van
artikel 11 recht bestaat op bijstand voor gehuwden, omdat de ongehuwde bijstandsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op bijstand bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere bijstandsuitkering.
Art. 78o.¹ Overgangsrecht verrekening in verband met uitvoering Sociale verzekeringsbank
[MvT]
Indien het college vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in
artikel 47a, eerste lid, een vordering heeft waarop
artikel 78j van toepassing is en die persoon een uitkering op grond van die paragraaf ontvangt, betaalt de
Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college ter verrekening van die vordering aan dat college.
1. Volgens de redactie dient
artikel 78o te worden vernummerd tot artikel
78n.
Art. II.
Wijziging van de Algemene Ouderdomswet
[MvT]
De Algemene Ouderdomswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 1 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
B.
[MvT]
In artikel 38 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene wiens verplichte verzekering
vóór het bereiken van de 15-jarige leeftijd is beëindigd, geacht niet verplicht verzekerd te zijn geweest gedurende de periode voorafgaand aan het bereiken van de 15-jarige leeftijd.
C.
[MvT]
In artikel 39, eerste lid, wordt "vijf jaar" vervangen door: tien jaar.
D.
[MvT]
In hoofdstuk VIII wordt in paragraaf 3 na
artikel 63 een artikel toegevoegd, luidende:
Art. 63a.
Artikel 1, achtste en negende lid, is niet van toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van
artikel 8 recht bestaat op toeslag, omdat de ongehuwde pensioengerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op toeslag bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hoger ouderdomspensioen.
Art. III.
Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
[MvT]
In hoofdstuk 8 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen komt
artikel 51 te luiden:
Art. 51. Financiering uitvoering Wet werk en bijstand door de Sociale verzekeringsbank
-1. Onze Minister
verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan de Sociale verzekeringsbank
een uitkering voor de kosten van de door haar toegekende algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen, bedoeld in
artikel
47a, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies voor de volksverzekeringen en de vergoedingen, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, van inkomensafhankelijke bijdragen.
-2. De Sociale verzekeringsbank beheert en administreert de uitkering afzonderlijk.
-3. Dit hoofdstuk is van toepassing voor begroting, beheer en verantwoording door de Sociale verzekeringsbank van de uitvoering van
paragraaf 5.4 van de Wet werk en
bijstand.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de berekening van het bedrag van de uitkering en de daarvoor noodzakelijke gegevens.
Art. IV.
Wijziging van de Algemene nabestaandenwet
[MvT]
Aan artikel 3 van de Algemene nabestaandenwet wordt een lid toegevoegd, luidende:
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de nabestaande een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Art. V.
Wijziging
van de Toeslagenwet [MvT
+ bis]
De Toeslagenwet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT
+ bis]
Aan artikel 1 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
B. [MvT
+ bis]
Na artikel 44b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 44c.
Artikel 1, achtste en negende lid, is niet van toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden op grond van
artikel 2 recht bestaat op toeslag, omdat de ongehuwde toeslaggerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op toeslag bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere toeslag.
Art. VI.
Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
[MvT]
Aan artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. VII.
Wijziging in verband met de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
[MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 19 november 2008 ingediende voorstel van
wet tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Kamerstukken II
2008-2009, 31 780) tot wet is verheven en in werking is getreden op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, komt
artikel VI te luiden:
Art. VI. Wijziging van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Aan artikel 1:1 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag
ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. VIII.
Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
[MvT]
Aan artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. IX.
Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 3 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
B.
[MvT]
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "1." geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de gewezen zelfstandige.
C.
[MvT]
In hoofdstuk VII wordt na artikel 63 een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 63a.
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4, tweede lid, zijn niet van
toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van
artikel 5 recht bestaat op een uitkering voor de zelfstandige en de echtgenoot, omdat de ongehuwde uitkeringsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als echtgenoot, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
Art. X.
Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 3 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
B.
[MvT]
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de gewezen zelfstandige.
C.
[MvT]
In hoofdstuk VII wordt na artikel 63b
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 63c.¹
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4, tweede lid, zijn niet van
toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van
artikel 5 recht bestaat op een uitkering voor de werkloze werknemer en de echtgenoot, omdat de ongehuwde uitkeringsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als echtgenoot, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
1. Volgens de redactie dient artikel
63c te worden vernummerd tot artikel
63d.
Art. XI.
Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
[MvT]
Aan artikel 2 van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen worden twee leden toegevoegd, luidende:
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zesde lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. XII.
Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
[MvT]
Aan artikel 1 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. XIII.
Wijziging van de Wet werk en inkomen kunstenaars
[MvT]
De Wet werk en inkomen kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 2 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-6. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-7. Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
B.
[MvT]
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel
a en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
C.
[MvT]
Na artikel 78e wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 78f. Overgangsrecht gelijkstelling voormalige pleeg- en stiefkinderen aan eigen kinderen
De artikelen 2, zesde en zevende lid, en 3, tweede lid, zijn niet van
toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van
artikel 8 recht bestaat op een uitkering voor gehuwden, omdat de ongehuwde kunstenaar wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
Art. XIV.
Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
[MvT]
Aan artikel 2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen worden twee leden toegevoegd, luidende:
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. XV.
Wijziging van de Ziektewet
Aan artikel 1 van de Ziektewet worden twee leden toegevoegd, luidende:
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de
Wet op de jeugdzorg of
kinderbijslag ontving op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art. XVa.
Vernummering Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Vóór de plaatsing in het Staatsblad brengt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de in
artikel VII van deze wet voorkomende aanhaling van het artikel van de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten in overeenstemming met de nieuwe nummering van
die wet, zoals vastgesteld op grond van artikel II van de
Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning
(Stb. 2009, 580).
Art. XVI. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 23 december 2009, Stb, 2009, 623, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2010, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 17 december 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
Uitgegeven de dertigste december 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|