|
Inhoudsopgave
Wajong
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 5 |
| Hoofdstuk
2 |
De
uitkeringen |
artt.
6 - 59 |
| Afdeling
1x |
Het
recht op en de hoogte van de uitkering |
artt.
6 - 26 |
| §
1x |
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
6 - 20a |
| §
2x |
Vakantie-uitkering |
artt.
21 - 23 |
| §
3x |
Voorzieningen
tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid,
toelagen en vergoedingen (vervallen) |
artt.
24 - 26 |
| Afdeling
2x |
Het
geldend maken van het recht op uitkering |
artt.
27 - 46 |
| §
1x |
Melding |
art.
27 |
| §
2x |
Toekenning |
artt.
28 - 36 |
| §
3x |
Maatregelen en
bestuurlijke boeten |
artt.
37 - 46a |
| Afdeling
3x |
De
betaling van de uitkering |
artt.
47 - 59 |
| Hoofdstuk
2a |
Reïntegratie-instrumenten |
artt.
59a - 59l |
| Hoofdstuk
3 |
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht |
artt.
60 - 61 |
| Hoofdstuk
4 |
Het
verstrekken van inlichtingen |
art.
62 |
| Hoofdstuk
5 |
Financiering |
artt.
63 - 66 |
| Hoofdstuk
6 |
Uitvoering
(vervallen) |
artt.
66a - 67 |
| Hoofdstuk
7 |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in
cassatie |
artt.
68 - 72a |
| Hoofdstuk
8 |
Strafbepalingen |
artt.
73 - 75 |
| Hoofdstuk
9 |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
76 - 79 |
| xxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185,
2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
Geschiedenis:
Staatsblad 1996,
478; Staatsblad 1997, 177;
Staatsblad 1997, 465; Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 773;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1997,
794; Staatsblad 1998, 278;
Staatsblad 1998, 290; Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 1999, 25;
Staatsblad 1999, 185; Staatsblad 1999,
564; Staatsblad 1999, 595;
Staatsblad 2000, 286; Staatsblad 2000,
496; Staatsblad 2000, 627;
Staatsblad 2001, 212; Staatsblad 2001,
225; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001, 568; Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 628;
Staatsblad 2002, 395; Staatsblad 2003,
376; Staatsblad 2003, 544;
Staatsblad 2004, 306; Staatsblad
2004, 324; Staatsblad 2004, 416;
Staatsblad 2005, 37;
Staatsblad 2004, 717; Staatsblad
2005, 65; Staatsblad 2005, 382;
Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad 2005, 530; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 624; Staatsblad 2005, 710;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2005, 713; Staatsblad 2006, 223;
Staatsblad 2006, 703; Staatsblad
2007, 305; Staatsblad 2007, 551;
Staatsblad 2007, 555; Staatsblad
2007, 564; Staatsblad
2007, 567; Staatsblad 2008, 199;
Staatsblad 2008, 510; Staatsblad
2008, 590; Staatsblad 2008, 598;
Staatsblad 2008, 600; Staatsblad
2009, 384; Staatsblad
2009, 265; Staatsblad 2009, 390; Staatsblad
2009, 282; Staatsblad 2009, 318;
Staatsblad 2009, 542.
WET van 24 april 1997, Stb.
1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Laatste
tekstplaatsing: Stb. 1999, 25. Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
jonggehandicapten;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1
[1:1].
Algemene begrippen [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; Stb.
1997, 660 + bis; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
625; Stb. 2004, 306;
Stb. 2005,
573]
-1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c.
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten: het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten,
bedoeld in artikel 63 [5:1];
d. jonggehandicapte:
de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 5 [3:2];
e.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet;
f. vreemdeling:
hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
g. rechtens zijn
vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen,
bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
h. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
i. reïntegratiebedrijf:
een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid
bevordert;
j. resterende
verdiencapaciteit: datgene dat de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog
niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet nog met arbeid kan verdienen
en dat bij of krachtens artikel 2
[3:1]
is vastgesteld;
k. werknemer: een
werknemer in de zin van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
l. werkgever: een
werkgever in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
-2. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot:
geregistreerde partner;
b. echtgenoten:
geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner
geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere
ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt
in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde
lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel
d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het
vierde lid.
Art.
2 [3:1].
Begrip
arbeidsongeschiktheid [Bbu04] [Bu08]
[Bulca] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2003, 544; Stb.
2005, 710; Stb.
2009, 318]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of
gedeeltelijk, is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij
woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De persoon die op de dag dat hij
ingezetene wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid,
wordt
voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken
betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien
hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet
in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in
dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij woont of in de
omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de op de in het tweede lid
bedoelde dag aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand
is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat voor de dag waarop de betrokkene
ingezetene wordt in de plaats treedt het tijdstip waarop de
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid vinden geen
toepassing indien de betrokkene op het moment dat hij ingezetene werd
jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande
aan de dag waarop hij 17 jaar wordt ingezetene is geweest.
-5. Onder de in het eerste en tweede
lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is.
-6. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene
de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-7. Bij de toepassing van dit artikel
wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor
arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zevende lid
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. [Sa]
-9. De voordracht voor een krachtens het
achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de
vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke
algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide kamers van de Staten-Generaal overgelegd.
-10. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een afwijkende wijze
van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid
op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid. [Sa]
-11. Bij de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in deze wet maakt de
verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling
vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen. [Rvpa]
Art.
3 [1:2].
Ingezetene
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999]
-1. Ingezetene in de zin van deze wet
en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in
Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel
beperking worden gegeven aan het begrip "ingezetene". [BubkiW]
-3. Voor de persoon die op grond van
het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland
woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten
aanzien van deze persoon zijn gesteld.
Art.
4 [1:3].
Woonplaats
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
-1. Waar een natuurlijk persoon woont,
wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland metterwoon
heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse
Antillen,
Aruba of op het grondgebied van een
andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van
zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.
Art.
5 [3:2/1:4].
Jonggehandicapte [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 286; Stb.
2001, 225]
-1. Jonggehandicapte is de ingezetene
die:
a. op de dag waarop hij 17 jaar wordt
arbeidsongeschikt is;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag
arbeidsongeschikt wordt en in het jaar onmiddellijk voorafgaande
aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste
zes maanden studerende was.
-2. Als studerende wordt aangemerkt de
persoon:
a. die studiefinanciering ontvangt op
grond van de Wet
studiefinanciering 2000;
b. die een financiële voorziening
ontvangt als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. die een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
schoolkosten ontvangt op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
d. voor wie de
verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet
kinderbijslag ontvangt
op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van die
wet;
e. die, hoewel hij
niet op grond van de onderdelen a tot en met d als studerende wordt
aangemerkt, niettemin in verband met onderwijs of een
beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213
klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet
heeft bereikt.
-3. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het tweede lid bedoelde
personen als studerende worden aangemerkt. [BuksW]
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met
betrekking tot het tweede lid, onderdeel e. [Rk98]
HOOFDSTUK
2
De
uitkeringen
AFDELING
1
Het
recht op en de hoogte van de uitkering
§ 1.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 6
[3:3].
Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering [BewuWWW99]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; Stb. 2007, 551]
-1. De jonggehandicapte
heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken
52 weken onmiddellijk volgend op de in artikel 5 [3:2],
eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag
arbeidsongeschikt is geweest,
indien hij
na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.
-2. Voor het bepalen
van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen
of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8, 3:10,
eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
-3. Recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte
die na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-4. Voor het bepalen
van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden steeds in
aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke de jonggehandicapte recht
zou hebben gehad op ziekengeld op grond van de Ziektewet indien hij op grond van
die wet zou zijn verzekerd.
-5. Voor de toepassing
van het eerste tot en met derde lid wordt niet als arbeidsongeschikt
beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is
alsmede de jonggehandicapte die een
uitkering geniet als bedoeld in het tweede lid.
-6. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats met ingang van een dag gelegen vóór
die waarop betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt.
-7. Toekenning ten aanzien van de in
artikel 3
[1:2], derde lid, bedoelde persoon vindt niet eerder plaats dan met
ingang van de dag dat hij in Nederland woont.
Art.
6a [3:4].
Geen
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
[Bbtv] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 564; Stb. 2000,
496 + bis]
-1. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf houdt in de
zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van
vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin
van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van
de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als
bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art. 6b
[3:5].
Geen
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens vrijheidsontneming
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 595]
-1. De jonggehandicapte, bedoeld in
artikel 6
[3:3], heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode
dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. De jonggehandicapte die op grond
van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf
de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de
bepalingen van deze wet recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 6
[3:3], vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste
lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Met inachtneming van de bepalingen
van deze wet heeft eveneens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering de jonggehandicapte, bedoeld in het
tweede lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het
geval is binnen vier weken na die dag. Artikel 6
[3:3], vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van
toepassing en het tweede lid en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
7 [3:7].
Grondslag
van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon.
-2. Onder het in het eerste lid
bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door
21,75, of, indien het een persoon
jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt
op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid,
van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. Een herziening van de uitkering als
gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt
plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in
het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de
grondslag van het minimumloon is herzien.
Art.
8 [3:8].
Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 628; Stb.
2007, 567]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25-35%: 21% van de grondslag;
35-45%: 28% van de grondslag;
45-55%: 35% van de grondslag;
55-65%: 42% van de grondslag;
65-80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 75% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met
verkregen nieuwe bekwaamheden.
Art.
9 [3:9].
Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering [Bvah99]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005, 525]
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de
jonggehandicapte verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand
van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt,
voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag
verhoogd. De eerste zin vindt geen toepassing indien de jonggehandicapte in een
inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake
ziektekosten komen. [Bvuh]
Art.
9a [3:10].
Tegemoetkoming in aanvulling op
arbeidsongeschiktheidsuitkering [RtW]
[RtW07] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 713; Stb. 2009, 265;
Stb.
2009, 318]
-1. De jonggehandicapte die behoort tot een
bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft recht op een
tegemoetkoming.
-2. De tegemoetkoming wordt verstrekt in
aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Bij ministeriële regeling worden in
ieder geval regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de tegemoetkoming en de
betaling van de tegemoetkoming.
-4. De tegemoetkoming wordt betaald zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-5. De betaling van de tegemoetkoming vindt
plaats binnen één maand nadat het recht op de tegemoetkoming is
vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde termijnen als die waarin
de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt.
Art.
10 [3:11].
Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid [BbalaWWW]
[Bsoihu06] [Rsohiu]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken
geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking laten: [Bbala]
a. gehele arbeidsongeschiktheid die
bestond op de dag dat een persoon ingezetene werd;
b. arbeidsongeschiktheid die is
ingetreden binnen een halfjaar na het tijdstip waarop een persoon ingezetene
werd, terwijl de gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het
intreden van de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest
doen verwachten;
c. arbeidsongeschiktheid die bestond
op de eerste dag dat een persoon studerende was als bedoeld in artikel
5
[1:4], tweede lid;
d. arbeidsongeschiktheid die is
ingetreden binnen een halfjaar na het tijdstip waarop een persoon studerende
werd, terwijl de gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het
intreden van de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest
doen verwachten.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b
en d, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot de toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover
deze
toeneming kennelijk is voortgekomen
uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na aanvang
van het ingezetenschap dan wel na aanvang van de studie is ingetreden.
-3. Het eerste en tweede lid blijven
buiten toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte indien hij op de dag
dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk
voorafgaande
aan de dag waarop hij 17 jaar wordt
ingezetene is geweest.
-4. Zolang het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op grond van het eerste of tweede lid
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel
2
[3:1], tweede lid,
overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de door de jonggehandicapte aan deze wet
nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande dat voor de in het
eerste lid bedoelde dag of tijdstip in de plaats treedt de dag met ingang
waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid
buiten aanmerking laat.
Art.
10a [3:12].
Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op
uitkering [Geschiedenis:
Stb. 2006, 703]
Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze
wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering
op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene
niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit deze wet
voortvloeiende aanspraken op een uitkering op grond van deze wet buiten
beschouwing, voor zolang het recht op uitkering niet kan worden
vastgesteld.
Art.
11 [3:13].
Herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt herzien wanneer de jonggehandicapte aan wie zij is toegekend, op grond van
deze wet voor een hogere of lagere uitkering in
aanmerking komt.
-2. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaats met inachtneming van de artikelen 12 tot en met 15
[3:14 t/m 3:17].
-3. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet
herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de
arbeidsongeschiktheid. Indien
de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid
verwerft, is artikel 50
[3:48], eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art.
12 [3:14].
Herziening
bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de
artikelen 14
[3:16]
en 15
[3:17], plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid bedoelde
herziening vindt niet plaats indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een
andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is
voortgekomen.
-3. Het tweede lid is niet van
toepassing op de persoon die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag van het
intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid zes of
meer maanden studerende was als bedoeld in artikel 5
[1:4], eerste lid,
onderdeel b.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak
van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan
vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8, 3:10,
eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van
het tijdvak van 52 weken blijven perioden
waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid,
3:18 of 3:30,
eerste lid, van
de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
-5. Perioden van wonen buiten Nederland
waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen, worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen
van het tijdvak van 52 weken, bedoeld
in het eerste lid.
Art.
13 [3:15].
Herziening
bij 45% arbeidsongeschiktheid of meer [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd
artikel 14
[3:16], plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
45% doch minder dan
80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid
van minder dan 45%, doch binnen vier
weken na de dag met ingang waarvan die uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van
toepassing, onder afwijking van artikel 12
[3:14].
-3. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van
toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8, 3:10,
eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid,
3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, buiten beschouwing.
-4. Perioden van wonen buiten Nederland
waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen, worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen
van het tijdvak van vier weken,
bedoeld in het eerste en tweede lid.
Art.
14 [3:16].
Herziening
uitkering zonder wachttijd [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2007, 567]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid
optreedt,
indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met
ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met
ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met
ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van
de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële
regeling aan te geven tijdvak in daarbij aan te wijzen gevallen. [Rhaw]
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien dan wel is herleefd, met toepassing van
artikel 29
[3:29], tweede lid, onderscheidenlijk artikel 31
[3:31], tweede lid, geldt voor de
toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b, als dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend,
onderscheidenlijk werd herzien dan wel is herleefd, de dag met ingang waarvan die
uitkering zou zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien dan wel zou zijn
herleefd, indien artikel 29
[3:29], tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 31
[3:31], tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
-3. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als
bedoeld in artikel 28
[3:28], zesde lid, plaats met ingang
van 22 februari 2007.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor gevallen waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaatsvindt.
Op grond van deze regels kan bedoelde
herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van de jonggehandicapte
die bij hervatting van de arbeid in het bedrijfs- of
beroepsleven inkomsten geniet die minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog
bestaande arbeidsgeschiktheid.
-5. Voor de toepassing van het eerste
lid worden perioden van wonen buiten Nederland waarin de
arbeidsongeschiktheid is toegenomen mede in aanmerking genomen.
Art.
15 [3:17].
Herziening
bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; Stb. 2007, 567]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning
of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak
als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter
zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen, vindt herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8, 3:10,
eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid,
3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, buiten beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing
indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van artikel 13
[3:15]
of 14
[3:16], eerste lid, onderdeel a tot en met c,
of derde lid.
-4. Perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen, worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen
van het tijdvak van vier weken,
bedoeld in het eerste lid.
Art.
16 [3:18].
Overige
gronden voor herziening of intrekking [BewuWWW99]
[Bhiu] [Bsoihu06]
[Rsohiu] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb. 2005,
573]
-1. Onverminderd hetgeen overigens in
deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van een
beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter
zake van een weigering van
een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt het
deze in:
a. ter uitvoering van een beslissing
als bedoeld in artikel 10
[3:11];
b. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 37
[3:37],
38
[3:38]
of 62
[3:74]
heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
een uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 37
[3:37],
38
[3:38]
of 62
[3:74]
ertoe
leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van herziening of intrekking
als bedoeld in het eerste lid af te zien.
-3. Een besluit tot
toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 59b
[3:64], een besluit tot
toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 59f
[3:67]
en van inkomenssuppletie
als bedoeld in artikel 59g
[3:68]
wordt ingetrokken of herzien indien die
voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.
Art.
17 [3:19].
Einde
van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2001, 212 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2002, 395; Stb. 2003, 544]
-1. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 25% is gedaald, met ingang van de
dag
aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
c. met ingang van de eerste dag van de
maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland
is gaan wonen.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet
ingetrokken in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de
arbeidsongeschiktheid. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing inkomsten
uit
arbeid verwerft, is artikel 50
[3:48], eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of
opleiding, gaat deze intrekking niet eerder in dan één jaar na voltooiing
van die scholing of opleiding. Indien de jonggehandicapte eerder inkomsten
uit arbeid verwerft, is artikel 50
[3:48], eerste lid, tot uiterlijk het einde
van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is
tevens van toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en
op wie artikel 3
[1:2], derde lid, van toepassing is.
-5. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft
geduurd.
-6. Voor de toepassing van het vierde
lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-7. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan het eerste lid, onderdeel c, buiten
toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het
belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard. [BvWbN]
Art. 18
[3:20].
Herleving
van het recht op uitkering
[Geschiedenis:
versie 24 april 1997; Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999]
Indien het recht op uitkering op grond
van artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel c, is geëindigd en de jonggehandicapte
vervolgens weer in Nederland woont, herleeft het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de maand
volgend op die waarin hij weer in
Nederland is gaan wonen.
Art.
19 [3:21].
Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65]
-1. Indien de jonggehandicapte:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de wachttijd,
bedoeld in artikel 6
[3:3], eerste lid, ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen
recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum van die
intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd
arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die
waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken
uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij
ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
steeds plaats zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft
geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder
dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8, 3:10,
eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid,
3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, buiten beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing:
a. indien op grond van artikel 20
[3:22]
aanspraak bestaat op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. indien artikel 29b van de Ziektewet
toepassing kan vinden, tenzij de toe te kennen
arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.
-4. Artikel 6b
[3:5]
en de daarop berustende
bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
20 [3:22].
Heropening
van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2007, 567]
-1. De
jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 45%, in verband met artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel b, is
ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang
waarvan de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede van
toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken,
indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de dag met
ingang waarvan die uitkering, die voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien
naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%.
-3. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, in verband met artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel b,
is ingetrokken met ingang van een dag gelegen binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die vier weken weer
arbeidsongeschikt
wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
14
[3:16], tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-4. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, in verband met artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel b,
is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en het derde lid, indien
hij binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is
ingetrokken weer arbeidsongeschikt
wordt, niet kennelijk uit een andere
oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken
uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Ten aanzien van de jonggehandicapte
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel
17
[3:19], eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken en die weer
arbeidsongeschikt is geworden op grond van een herbeoordeling als
bedoeld in artikel 28
[3:28], zesde lid, vindt heropening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met ingang van 22 februari
2007.
-6. De heropening vindt plaats naar de
mate van arbeidsongeschiktheid op de dag waarop de heropening ingaat.
-7. Voor de toepassing van het eerste
tot en met vijfde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan
25% arbeidsongeschikt is.
-8. Artikel 6b
[3:5]
en de daarop berustende
bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
20a [3:23].
Heropening
van de uitkering na afloop vrijheidsontneming [Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; Stb.
2004, 416]
-1. De
jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
artikel 17
[3:19],
vijfde
lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met
inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
Artikel 6 [3:3], vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, die op de in
dat lid bedoelde dag
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De
artikelen 6 [3:3],
vijfde lid, 29 [3:29]
en 30 [3:30] zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot de aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit
artikel.
-4. Het eerste en
tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen categorieën personen waarbij
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
§ 2.
Vakantie-uitkering
Art. 21
[3:24].
Recht
op vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
De jonggehandicapte
die over één maand recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft over die maand
recht op vakantie-uitkering.
Art. 22
[3:25].
Hoogte van de vakantie-uitkering
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
-1. De
vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestond in het tijdvak van
twaalf maanden
voorafgaande aan de maand mei.
-2. Indien
artikel 50
[3:48],
51
[3:50]
of
51a
[3:51]
is toegepast, wordt onder het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, verstaan het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel
toepassing
heeft gevonden.
-3. Indien het
percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde
percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in
aanmerking
genomen over de
uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de dag
waarop de wijziging ingaat.
-4.
De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art. 23
[3:26].
Recht op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
De artikelen 21
[3:24] en
22 [3:25],
eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53 [3:54].
§ 3.
Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid,
toelagen en vergoedingen
Vervallen
Art. 24.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999]
Art. 25.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999]
Art.
26.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999]
AFDELING
2
Het geldend
maken van het recht op uitkering
§ 1. Melding
Art. 27
[3:27].
Melding gedurende wachttijd
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001, 625;
Stb. 2004, 324 + bis;
Stb. 2005, 65]
-1.
Teneinde een recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken, meldt de
jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheid binnen dertien weken na de
dag waarop hij 17 jaar is geworden dan wel binnen dertien weken na de in
artikel 5 [3:2], eerste lid, onderdeel
b, bedoelde
dag aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Voor het bepalen
van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden
van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8, 3:10,
eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij
de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van dertien
weken blijven
perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid,
3:18 of 3:30, eerste
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
§ 2. Toekenning
Art. 28
[3:28].
Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering [BewuWWW99]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 627 + bis; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 416; Stb.
2005, 624; Stb. 2007, 567]
-1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag
toegekend.
-2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
stelt de
jonggehandicapte schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het doen
van een aanvraag uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop het in artikel
6
[3:3], eerste lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt.
-3. Het tweede
lid is
niet van toepassing indien de jonggehandicapte de melding, bedoeld in artikel
27
[3:27],
eerste lid, niet of niet tijdig heeft gedaan. Indien de
jonggehandicapte deze melding niet tijdig heeft gedaan, geldt de in het tweede lid
bedoelde verplichting voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
uiterlijk drie maanden nadat de jonggehandicapte de melding heeft gedaan.
-4. De jonggehandicapte die in
aanmerking wenst te komen voor toekenning van de
uitkering
doet zijn aanvraag binnen negen maanden na aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid.
-5. Onverminderd hetgeen in deze wet ter zake van herziening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt ten
aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met
wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.¹ Het
tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden
vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen. [Beha]
-6. Ten aanzien van personen die na 1 juli
1954 maar vóór 2 juli 1959 zijn geboren en die vóór 22 februari 2007
op grond van het vijfde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22
februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet
van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.
-7. Op grond van de beoordeling, bedoeld in
het zesde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon,
bedoeld in het zesde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe medische
beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van
arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.
-8. Een aanvraag is tijdig ingediend
indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving, bedoeld
in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het
tweede lid de aanvraag wordt ingediend
binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-9. Indien de toepassing van het vierde
lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.
1. Zie ook Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten, red.
Art.
29 [3:29].
Ingangsdatum
uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
gaat in op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten
voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
de uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de dag waarop de
aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan voor bijzondere
gevallen van de eerste zin afwijken.
-3. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan op of na de in
artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art.
30 [3:30].
Herziening,
heropening dan wel herleving op aanvraag of ambtshalve [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2004, 416]
Herziening, heropening dan wel
herleving van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve
plaats.
Art.
31 [3:31].
Ingangsdatum
herziening, heropening en herleving uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
-1. De herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag waarop de jonggehandicapte op
grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking
komt.
-2. Met betrekking tot de herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die uitkering
tot gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening of
herleving van de uitkering, is artikel 29
[3:29], tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
-3. De herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid
gaat in op de dag aangegeven in de daartoe strekkende beschikking
van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-4. Indien de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of
opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar na voltooiing
van die scholing of opleiding. Indien de jonggehandicapte eerder inkomsten
uit arbeid verwerft, is artikel 50
[3:48], eerste lid, tot uiterlijk het einde
van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
-5. De herleving van de uitkering,
bedoeld in artikel 18
[3:20], gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin
hij weer in Nederland is gaan wonen.
-6. De heropening van de uitkering,
bedoeld in artikel 20
[3:22], gaat in op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte
weer arbeidsongeschikt is geworden.
-7. Heropening of herleving van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet
plaats indien deze
zou ingaan op
of na de in artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art.
32 [3:32].
Toekenning
vakantie-uitkering op aanvraag of ambtshalve [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
De vakantie-uitkering wordt ambtshalve
of, ingeval artikel 52
[3:52], eerste lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toegekend.
Art.
33 [3:33].
Oproep
en onderzoek door of namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
Stb. 1998, 290; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, telkens wanneer het dat nodig oordeelt, oproepen of doen
oproepen en op een door of namens hem te bepalen plaats ondervragen of
doen ondervragen:
a. de jonggehandicapte die de
wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 6
[3:3], eerste lid, doormaakt;
b. de jonggehandicapte die aanspraak
maakt op of recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
c. de jonggehandicapte ten aanzien van wie of ten behoeve van wie een
reïntegratie-instrument als bedoeld in artikel 59a
[3:63]
of 59b
[3:64]
is toegekend of waarvan toekenning wordt overwogen;
d. de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt
en ten aanzien van wie of ten behoeve van wie een reïntegratie-instrument
als bedoeld in artikel 59a
[3:63]
of 59b
[3:64]
is toegekend of waarvan toekenning wordt overwogen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of namens hem te
bepalen plaats door één of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen
onderzoeken.
-3. De daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid
bedoelde personen oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen
oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken door één of meer door hem
daartoe aangewezen deskundigen.
Art.
34 [3:34].
Vergoeding
kosten en tijdverlies [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Opgeroepenen en, indien hun toestand
geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en
tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden vastgesteld. [Bka]
Art. 35
[3:35].
Voorschriften van
medische of administratieve aard [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis + bis;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb 2007, 564;
Stb. 2008, 600]
-1.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
en de door hem daartoe aangewezen deskundige
kunnen de personen, bedoeld in artikel 33
[3:33], eerste lid, voorschriften geven
in het belang van een behandeling of van genezing of tot behoud,
herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van
arbeid.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan voorschrijven dat personen, bedoeld in artikel 33
[3:33], eerste lid, zich laten registreren als werkzoekende
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als arbeid beschouwd
arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening.
Art. 36
[3:36].
Controlevoorschriften [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
kan controlevoorschriften
vaststellen. Deze voorschriften
mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste
uitvoering van deze wet. [Ca06]
[Cba06]
[CbWWW]
[CWWW01]
§ 3.
Maatregelen en bestuurlijke boeten
Art. 37
[3:37].
Gevolgen weigeren onderzoek
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als bedoeld in artikel
33
[3:33], eerste lid, na
tijdig te zijn opgeroepen niet is verschenen of heeft geweigerd:
a. vragen te
beantwoorden die zijn gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten
onderzoeken door de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
daartoe
aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het
voorschrift, gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie
te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting.
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
handelt overeenkomstig het eerste lid bij
toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het
niet voldoen aan de oproeping of de weigering
plaatsvond.
Art. 38
[3:38].
Gevolgen
niet-naleving voorschriften [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis + bis;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb. 2005,
573; Stb 2007, 564; Stb.
2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
handelt overeenkomstig artikel 37 [3:37], indien de
jonggehandicapte:
a. de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of de door hem daartoe aangewezen
deskundige krachtens artikel 35 [3:35]
in het belang van een behandeling of
genezing of tot
behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven
voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of de door hem daartoe aangewezen deskundige
te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder
geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mee te werken om
aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. de controlevoorschriften, bedoeld
in artikel 36
[3:36], of de verplichting, bedoeld in artikel
55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 62 [3:74], niet binnen de
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen;
e. zijn arbeidsongeschiktheid
opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan het
voorschrift, bedoeld in artikel 28
[3:28], vierde lid;
g. zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing of
opleiding die wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid;
h. indien de
belanghebbende ¹ zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van de
reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het reïntegratieplan,
bedoeld in artikel 30a, derde lid, van
die wet;
i. indien de
belanghebbende ¹ de verplichtingen die zijn opgenomen in de
reïntegratievisie,
bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of in het reïntegratieplan, bedoeld in
artikel 30a,
derde lid, van die wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
j. indien de
belanghebbende ¹ die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
-3. Het eerste lid, onderdeel g, is
niet van toepassing op de jonggehandicapte die blijkens een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort
van de Wet sociale werkvoorziening.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "indien de
belanghebbende" te vervallen.
Art.
39 [3:39].
Afstemming
maatregel op ernst gedraging [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb. 2007, 305; Stb.
2009, 265]
-1. Een maatregel als bedoeld in
artikel 37
[3:37]
of 38
[3:38]
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate
waarin de jonggehandicapte de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 62
[3:74], indien het
niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake
van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel
28
[3:28], vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
jonggehandicapte een zodanige waarschuwing is gegeven. [BmU]
[Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 40
[3:40]
wordt opgelegd.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste
lid.
[Mszw]
[MT] [MU]
Art.
40 [3:40].
Bestuurlijke
boete
bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
[Babw] [Bbwn]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 481; Stb. 2001,
625; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2009, 265]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste €|2269,00
ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever
van de verplichting, bedoeld in artikel 62
[3:74].
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger van
de verplichting, bedoeld in artikel 62
[3:74], indien dit
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven. [Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
Art. 41. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
42 [3:41].
Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd. [Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art. 43.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997,
794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art. 44.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
45 [3:42].
Afwijking
artikel 8:69 Awb [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265]
In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag
waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art.
46 [3:43].
Invordering
bestuurlijke boete [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 717;
Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 390;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 318]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet,
de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen, de Wet arbeid en zorg of een
toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de
persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet werk en bijstand,
de Wet investeren in jongeren, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de
persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel
40 [3:40], vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel
4:93 vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art.
46a [3:44].
In kennis stellen reïntegratiebedrijf van sanctieoplegging
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 551; Stb.
2009, 265]
Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de jonggehandicapte de uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een
bestuurlijke boete heeft
opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die jonggehandicapte werkzaamheden
gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die beschikking in kennis
voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het
reïntegratiebedrijf.
AFDELING
3
De betaling van
de uitkering
Art. 47
[3:45].
Betaalbaarstelling
[BewuWWW99] [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van
één
maand.
-2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of
het
gegronde vermoeden heeft dat: [Rsohiu]
a. het recht op
uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. de jonggehandicapte
of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
37 [3:37], 38 [3:38]
of 62 [3:74] niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-3.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt
uitbetaald:
a.
worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in
mindering gebracht; en
b.
geschiedt de betaling in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door
de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Wanneer de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend een ander
machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven
met ingang van een betalingstijdvak aanvangende na de dag
waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop
van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de
eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening
onderscheidenlijk de mededeling.
-5. Indien een
reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een
persoon aan wie een
uitkering is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem
betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een besluit omtrent de
gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling
van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
-6. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in
kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het
vijfde
lid.
Art. 48
[3:46].
Inhouding vereveningsbijdrage
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 37]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
houdt op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
op de vakantie-uitkering en op de toeslag op de uitkering op grond van de
Toeslagenwet een bedrag in dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een
werkgever op grond van
afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen
op het overeenkomstige loon
van een werknemer die verzekerd is op grond van de
Werkloosheidswet
inhoudt.
Art.
49 [3:47].
Betaling
aan instellingen [BbzmC] [BbzmZ]
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 1996, 478; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 185; Stb. 2001,
625; Stb. 2005, 525; Stb. 2005, 530;
Stb. 2009, 265]
-1. Indien de
jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend aanspraak
heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage
voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in
plaats van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te betalen
aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de jonggehandicapte aan wie
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend in een inrichting ter
verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
van de desbetreffende inrichting of
van het
college van burgemeester en wethouders van
de gemeente die de opnamekosten betaalt het verzoek
ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die
gemeente uit
te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat verzoek zonder het stellen
van andere voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat niet aan het College voor
zorgverzekeringen wordt betaald.
-4. Een herziening van de betaling van de
uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van
de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art.
50 [3:48].
Inkomsten
uit arbeid tijdens uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 465; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 564; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 376;
Stb. 2003, 544 + bis;
Stb. 2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703;
Stb.
2009, 318]
-1. Indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten
tijdvak van vijf jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid
worden genoten, niet aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
2
[3:1],
vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of
herzien, doch wordt de uitkering: [Buaia]
a. niet betaald indien
de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als
bedoeld in artikel 2
[3:1], vijfde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a
niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die
arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2
[3:1], vijfde lid, zou zijn.
Na afloop van het in de
eerste zin genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid,
bedoeld in artikel 2
[3:1], vijfde lid.
-2. Het in het eerste lid
genoemde tijdvak van vijf jaar:
a. wordt niet onderbroken indien gedurende perioden van korter dan
vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten;
b.
wordt, indien gedurende een periode van vier weken of langer geen
inkomsten uit arbeid worden genoten, onderbroken indien vervolgens
opnieuw inkomsten worden genoten uit dezelfde arbeid als de arbeid die
werd verricht vóór de onderbreking, met dien verstande dat het van de
vijf jaar resterende tijdvak aanvangt vanaf het moment dat opnieuw de
inkomsten uit die arbeid worden genoten;
c.
wordt onderbroken met de periode waarin inkomsten uit arbeid zijn
genoten doch waarin geen arbeid is verricht, mits die periode langer dan
vier weken duurt.
-3. Indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
hoofdstuk 2 en 3 van de Wet sociale
werkvoorziening, is het eerste lid voor
onbeperkte duur van toepassing.
-4. Maandelijks wordt, wat
betreft onderdeel b in afwijking van paragraaf 5.3 van de
Zorgverzekeringswet, aan ’s Rijks kas afgedragen het geraamde bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid niet
worden uitbetaald wegens het genieten van dat loon, alsmede van de
dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met:
a. het bedrag aan premies
dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bij uitbetaling op grond
van enige wet over dat bedrag verschuldigd zou zijn en
dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht; en
b. de op grond van artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet vergoede inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die
wet, over dat bedrag.
De afdracht geschiedt
door middel van gelijktijdige verrekening met het aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toegekende voorschot ten behoeve van
uitkeringen, sociale lasten en uitkeringskosten voor hetzelfde tijdvak.
-5. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in elk
geval betrekking op: [Rsaia]
a. de gelijkstelling van inkomsten in
verband met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste lid;
b. de gevallen waarin het eerste lid
buiten toepassing blijft.
-6. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van
andere vormen van arbeid die de jonggehandicapte gaat verrichten. [Rarsipa]
[Rsaia]
Art.
50a [3:49].
Scholing jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen [Rss06-08]
[Rss07-09] [Rss08-10]
[Rss09-13] [Ssjes]
[Geschiedenis:
Stb.
2005, 382; Stb 2007, 564]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen te verstrekken subsidie aan een
rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
door scholing de inschakeling van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen in de arbeid bevordert.
-2. Bij de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan de
subsidieontvanger verplichtingen worden opgelegd omtrent het hanteren
van een registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is
bereikt.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
Art.
51 [3:50].
Samenloop met WIA-uitkering en andere uitkeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb. 2005,
573 + bis
+ bis; Stb. 2006, 703]
-1. Indien zowel recht
bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een uitkering op
grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover deze de
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
overtreft.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en in verband daarmee geen herziening op grond van artikel 12
[3:14]
plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht ontstaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 11 tot en met
16
[3:13 t/m 3:18]
als op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald
voor zover deze de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte
van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-4. Indien na toepassing
van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van toe- of
afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien als de
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
wijzigt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het
eerste lid, uitbetaald voor zover deze het bedrag van de uitkering op grond van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft, doch in elk
geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande
aan de herziening als bedoeld in het derde lid.
-5. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op wijziging van de
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen als op
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de gewijzigde
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
overtreft.
-6. Voor de toepassing van
het eerste tot en met vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering
en uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
uitkering recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is
berekend.
-7. Het eerste tot en met
zesde lid zijn niet van toepassing op de persoon die een uitkering
ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-8. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het
eerste lid;
b. ter voorkoming van
beperking of samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere
wetten.
-9. Voor de toepassing van het eerste en derde tot en met vijfde lid
wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte op wie
artikel 50
[3:48]
van toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag van die
uitkering nadat bedoeld artikel toepassing heeft gevonden.
-10. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering ¹ op grond van de sociale
wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of een andere mogendheid. [BvbsAuswm]
1. Volgens de redactie dient na
"arbeidsongeschiktheidsuitkering" te worden ingevoegd: met
uitkering.
Art.
51a [3:51].
Samenloop
met WAO-uitkering en andere uitkeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb. 2005,
573 + bis; Stb. 2006, 703]
-1. Indien zowel recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
slechts uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
overtreft.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een uitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en in verband daarmee
geen herziening op grond van artikel 12
[3:14]
plaatsvindt van de voordien
toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 11 tot en
met 16
[3:13 t/m 3:18]
als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover
deze de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen overtreft, doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het
bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-4. Indien na toepassing van het derde
lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen als gevolg van toe- of
afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
in afwijking van het eerste lid,
uitbetaald voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch
in elk
geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening
als bedoeld in het derde lid.
-5. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van die wet of op herziening
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in verband met de
artikelen 12 tot en met 16 van die wet als op
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen overtreft.
-6. Voor de toepassing van het eerste
tot en met het vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde
van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover die
vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.
-7. Het eerste tot en met het zesde lid
zijn niet van toepassing op degene die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering als bedoeld in
hoofdstuk
VI van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-8. Voor de toepassing van het eerste en derde tot en met vijfde lid
wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk uitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
onderscheidenlijk uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van de jonggehandicapte
op wie artikel
50
[3:48]
onderscheidenlijk artikel 44 of
65 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, onderscheidenlijk artikel 58 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van toepassing is,
in aanmerking genomen het bedrag van die uitkeringen nadat bedoelde
artikelen toepassing hebben gevonden.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het eerste
lid.
Art.
52 [3:52].
Betaling
van vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. De betaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op uitkering eerder dan in
de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip betalen, mits die betaling
plaatsvindt over één of meer voorliggende maanden waarover reeds recht op
vakantie-uitkering
bestaat.
-2. De artikelen 47
[3:45], 49
[3:47]
en
53
[3:54]
zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor zover
bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art.
52a [3:53].
Betaling van de tegemoetkoming [Geschiedenis:
Stb.
2005, 713]
De artikelen 32
[3:32], 47
[3:45], 49
[3:47],
55
[3:56], 56
[3:57]
en 57
[3:58]
zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling van de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 9a [3:10], voor
zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art.
53 [3:54].
Overlijdensuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 773; Stb. 1997, 678;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. Na het overlijden van de
jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang
van de
dag na het overlijden de uitkering in de vorm
van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien van wie de
overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en met wie
hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de
toepassing
van dit artikel gelijkgesteld de jonggehandicapte wiens overlijden
heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou
hebben bereikt, doch vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die
uitsluitend op grond van artikel 17
[3:19], eerste lid, onderdeel a, over de
dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had.
-3. De overlijdensuitkering is gelijk
aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de
dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de jonggehandicapte.
-4. In verband met het overlijden van
de jonggehandicapte aan wie een uitkering is toegekend, is artikel
17
[3:19],
eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
-5. De overlijdensuitkering wordt op
aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste
lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaald.
-6. De overlijdensuitkering wordt in
een bedrag ineens betaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
Art.
54 [3:55].
Verjaringstermijn [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
Uitkeringen op grond van deze wet die
niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de
dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art.
55 [3:56].
Terugvordering
[Bti] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 278 + bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2009, 265]
-1. De uitkering, de
loonsuppletie, bedoeld in artikel 59f
[3:67], de inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 59g
[3:68], en de voorziening of de kosten van de voorziening,
bedoeld in artikel 59b
[3:64],
die als gevolg van een
besluit als bedoeld in artikel 16
[3:18]
onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen
anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van
verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie
wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet
te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 62
[3:74].
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-5. De persoon van wie of de instelling
waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de inlichtingen te verstrekken die
voor de terugvordering van belang zijn.
-6. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze
Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het
terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
[Rtgb]
Art.
56 [3:57].
Invordering bij dwangbevel [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1998, 278; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
36
[3:36], eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 46
[3:43]
is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie
jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art.
57 [3:58].
Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 278; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art.
57a [3:59].
Schuldregeling [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510]
-1. In afwijking van artikel
55
[3:56], eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de jonggehandicapte,
besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
de jonggehandicapte niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden
te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met
de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de
jonggehandicapte van de verplichting, bedoeld in artikel
62
[3:74], en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 40
[3:40]
is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de jonggehandicapte gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de jonggehandicapte zijn schuld
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig
de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
57b [3:60].
Preferentie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 55
[3:56]
en 57a
[3:59]
van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 58
[3:61].
Onvervreemdbaarheid
van verstrekkingen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 713]
-1.
Onvervreemdbaar en
niet vatbaar voor verpanding en belening zijn:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel
9
[3:9];
c. de vakantie-uitkering;
d. de loonsuppletie,
bedoeld in artikel 59f
[3:67];
e. de inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 59g
[3:68];
f. de voorzieningen,
bedoeld in artikel 59b
[3:64];
g. de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 9a
[3:10].
-2. Volmacht tot
ontvangst van een uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk
beding
strijdig met dit artikel is nietig.
Art. 59
[3:62].
Niet voor beslag
vatbare verstrekkingen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb. 2005,
573]
Niet vatbaar voor
beslag zijn:
a. de verhoging,
bedoeld in artikel 9 [3:9];
b. de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53 [3:54];
c. de voorzieningen,
bedoeld in artikel 59b
[3:64].
HOOFDSTUK
2A
Reïntegratie-instrumenten
Art.
59a [3:63]. Loondispensatie [BlW]
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710]
-1. Indien de
arbeidsprestatie van een werknemer die:
a. recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
in een bepaalde functie,
maar geen functie waarin hij werkzaam is als werknemer in de zin van de
Wet sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 7 van die
wet, tengevolge van ziekte of gebrek duidelijk
minder is dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van het
voor hem geldende wettelijk minimumloon rechtvaardigt, vermindert
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek van de betrokken
werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op
een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid,
in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is
bepaald.
-2. Elk beding waarbij een
geldelijke beloning voor de verrichte arbeid wordt overeengekomen die
lager is dan de beloning vastgesteld op grond van het eerste lid
is nietig.
-3. Vanaf de dag waarop de
werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de leeftijd van
18 jaar bereikt en recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt de op grond van onderdeel b verstrekte vermindering van
de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning geacht
te zijn gebaseerd op het eerste lid, onderdeel a, tenzij de werknemer niet
aan de overige voorwaarden van het eerste lid voldoet.
Art.
59b [3:64]. Voorzieningen
ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710]
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld op grond waarvan
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag van de
jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
in het kader van de
bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de
arbeid als zelfstandige aan die jonggehandicapte voorzieningen kan
verstrekken. [Bia] [BUnv06]
[BUnv07] [BUnv08]
[BUnv09] [Rb]
Art.
59c [3:65].
Experimenteerartikel
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het
onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de
inschakeling in de arbeid van jonggehandicapten die recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben doeltreffender uit te voeren, worden
afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen van deze wet.
Bij toepassing van de eerste zin wordt bij algemene maatregel van
bestuur geregeld op welke wijze van welke artikelen wordt
afgeweken.
-2. Een experiment als
bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste vier jaar. Indien, vóór een
experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de
Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke
regeling, kan het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het
voorstel van wet in werking treedt. Het eerste lid, tweede zin, is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van een experiment en voorzieningen worden getroffen voor zich
gedurende een experiment voordoende onvoorziene gevallen.
-4. Onze Minister meldt
aan de Staten-Generaal hoe het experiment in de praktijk is verlopen,
alsmede zijn standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als
experiment.
-5. De voordracht voor
krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregelen van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
59d [3:66]. Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb 2007, 564]
-1. De jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de
daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk geachte
voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet
sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het
verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen
2 en 7 van die wet.
Art.
59e. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710]
Art.
59f [3:67]. Loonsuppletie
[Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht op aanvraag loonsuppletie
toekennen
indien het loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie wordt
verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt
ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen
vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is
toegekend.
-3. Als perioden waarin
loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid
worden eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond
van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is
geëindigd.
-4. De loonsuppletie wordt
voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de loonsuppletie. [Rb]
Art.
59g [3:68].
Inkomenssuppletie [Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die arbeid als
zelfstandige verricht of gaat verrichten, op aanvraag inkomenssuppletie
toekennen indien zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn
resterende verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie
wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen
vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal inkomenssuppletie is
toegekend.
-3. De inkomenssuppletie
wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de inkomenssuppletie. [Rb]
Art.
59h [3:69]. Proefplaatsing
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
om op een proefplaats bij
een werkgever gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te
verrichten.
-2. Tijdens het verrichten
van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien.
-3. De onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden waartoe
de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij
de werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de jonggehandicapte,
bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder
onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft
verricht; en
d. werkzaamheden waarbij
er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden
aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor
ten minste zes maanden.
-4. Indien de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt
de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de
toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit artikel.
Art.
59i [3:70].
[Nadere regels aanvraag
re-integratie-instrumenten] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2009, 318]
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 59f
[3:67], van inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 59g
[3:68], van voorzieningen, bedoeld in
artikel 59b
[3:64], de termijn
waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede omtrent de
rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn verbonden, en
met betrekking tot de aanvraag en van
toestemming als bedoeld in artikel 59h
[3:69].
[Rr]
Art.
59j [3:71].
Loonkostensubsidie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met een
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een
dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de
inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de
dienstbetrekking een overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden
heeft. De subsidie kan slechts worden verstrekt indien de
jonggehandicapte op de eerste dag van de dienstbetrekking de leeftijd
van 50 jaar niet heeft bereikt.
-2. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien de
derde in wiens opdracht de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter beschikking wordt gesteld om arbeid
te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht die jonggehandicapte
ten minste twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Indien de
uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd door een
dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de resterende duur van de
twaalf maanden, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
aanvraag aan die derde loonkostensubsidie verstrekken voor maximaal de
resterende duur van de twaalf maanden.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan van de jonggehandicapte die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering vaststellen dat hij in aanmerking
komt voor toepassing van het eerste lid indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de
inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer
geschikt is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts: [Bbl]
a. indien naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen reële behoefte bestaat aan
de arbeid die op grond van de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste
lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele arbeid betreft;
b. indien er naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een reëel uitzicht is
op continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden na
afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt verstrekt,
dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden;
c. indien ten behoeve van de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in de vijf jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het
derde lid, niet eerder loonkostensubsidie op grond van dit artikel of
het Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden is verstrekt; en
d. indien de jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zes maanden
voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, geen
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel
59h
[3:69]
of artikel 76a
[8:2]
van de Werkloosheidswet
heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid als bedoeld in
het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten hoogste 50%
van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt naar evenredigheid
verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de normale
arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet. Indien ten behoeve van de betrokken werknemer artikel
59a
[3:63]
van deze wet toepassing vindt, bedraagt de subsidie, zo
nodig in afwijking van de eerste zin, ten hoogste de aanspraak op een
geldelijke beloning voor verrichte arbeid die krachtens dat artikel
59a
[3:63]
is vastgesteld.
-7. De subsidie kan voor maximaal twaalf
maanden worden verstrekt.
-8. Indien de jonggehandicapte, bedoeld in
het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet,
wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met dit
ziekengeld.
-9. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om subsidie voor
loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt ingediend,
wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie maanden na de eerste
dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-10. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel, welke regels
betrekking kunnen hebben op:
a. nadere subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art.
59k [3:72].
Loonkostensubsidie niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelden [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598]
-1. In afwijking van artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand
en artikel 30, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen is artikel 59j
[3:71]
van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de
toepassing van artikel 28
[3:28], vijfde lid, alsmede de
persoon op wie dat artikel, op grond van artikel
2, tweede lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, niet van toepassing
is en wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken;
b. die op de dag voorafgaand aan de
eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen uitkering ontvangt op grond
van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Wet werk en
bijstand; en
c. die op de dag voorafgaand aan de
eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen tegemoetkoming ontvangt op
grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
-2. De leeftijdsgrens, bedoeld in artikel
59j
[3:71], eerste lid, is niet van toepassing op deze persoon.
Art.
59l [3:73].
[Onbeloonde additionele
werkzaamheden] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in
het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar
is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel
10a, tweede tot en met tiende lid, van de Wet
werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
3
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 60
[4:1].
Samenloop aanspraken [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
Bij de vaststelling
van de schadevergoeding waarop de jonggehandicapte naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter
rekening met de aanspraken die hij op grond van deze wet heeft.
Art. 61
[4:2].
Regresrecht [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2008, 199]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
heeft voor de op grond van deze wet gemaakte
kosten verhaal op degene die in verband met het veroorzaken van
arbeidsongeschiktheid jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht
tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag
waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet
naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk
aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de jonggehandicapte
naar burgerlijk recht
is gehouden.
-2. Overeenkomstig door
Onze
Minister te stellen regels kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de
contante waarde daarvan vorderen.
-3.
De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke en de aansprakelijke jegens
de ingezetene die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, zijn
eveneens verplicht tot vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de
verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de jonggehandicapte,
die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen rusten op grond
van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop
berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren
dat hem jegens de jonggehandicapte ten dienste zou hebben gestaan.
HOOFDSTUK
4
Het verstrekken
van inlichtingen
Art. 62
[3:74].
Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen [Bamb]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 290; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 713; Stb. 2007, 555]
-1. De
jonggehandicapte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 49 [3:47], waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn
verplicht aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of
onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van alle feiten
of omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering,
de hoogte van de
uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het
bedrag van de uitkering dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet
indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij
wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen
worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen
administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke
gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2.
Op de jonggehandicapte
die aanspraak maakt op of recht heeft op een vakantie-uitkering dan
wel een tegemoetkoming als bedoeld in artikel
9a
[3:10]
en diens wettelijke
vertegenwoordiger rusten overeenkomstige verplichtingen als
omschreven in het eerste lid.
-3. De jonggehandicapte
aan wie een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk
2a is
verstrekt of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan
wordt overwogen, alsmede diens wettelijke vertegenwoordiger, en de
werkgever ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de aanspraak op een geldelijke beloning voor de
verrichte arbeid, op grond van artikel 59a
[3:63], heeft verminderd, zijn
verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of
onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten
en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking of
toekenning of op de duur of de hoogte van het reïntegratie-instrument.
HOOFDSTUK
5
Financiering
Art. 63
[5:1].
Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 64 [5:2]
bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in
artikel 65 [5:3], in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten dat
deel uitmaakt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art. 64
[5:2].
Middelen
tot dekking van de uitgaven [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
In de middelen tot
dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
wordt voorzien door:
a. het Rijk;
b. de bedragen,
bedoeld in artikel 48 [3:46];
c. de
bestuurlijke boeten, bedoeld
in artikel 40 [3:40];
d. de bedragen die het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
ontvangt met toepassing van
verhaal als bedoeld in artikel 61 [4:2].
Art. 65
[5:3].
Uitgaven ten laste
van Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 290; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 382; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2005, 713; Stb. 2006, 703]
-1. Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten komen:
a. de op grond van
deze wet te betalen uitkeringen;
b. de op grond van
enige wet over de uitkeringen op grond van deze wet door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
verschuldigde premies of vergoedingen als bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet
die niet op
deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
c. het op grond van
artikel 50 [3:48], vierde lid, aan 's Rijks kas af te dragen bedrag;
d.
het op grond van artikel 2.8 van de
Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan het
Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
e. de aan de
uitvoering van deze wet verbonden kosten;
f. de subsidies, bedoeld in
artikel
50a
[3:51], en de kosten in verband met de uitvoering van dat
artikel;
g. de reïntegratie-instrumenten op grond van deze wet;
h. de kosten verband houdende met de uitvoering van
artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
ten aanzien van een betrokkene indien deze ten tijde van het aanvangen van
de werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, bedoeld in het
zesde lid van dat artikel, een uitkering ontvangt ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten;
i. de tegemoetkomingen,
bedoeld in artikel 9a
[3:10].
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan nadere regels stellen omtrent het eerste
lid. [BvAAAu]
Art. 66
[5:4].
Beschikking over financiële middelen
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 37]
Artikel 120 van de Wet financiering sociale verzekeringen
is van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK
6
Uitvoering
Vervallen
Art.
66a.
Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Art.
66b.
Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb.
2001, 625]
Art.
66c.
Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Art.
67.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 290; versie 1 januari 1999]
HOOFDSTUK
7
Bepalingen in
verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art. 68.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265]
Art. 69
[6:1].
Beslistermijnen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 564; Stb. 2000,
627 + bis + bis;
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 318]
-1.
Beschikkingen op grond
van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gegeven
binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een
persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking
niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
-5. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland wonende
persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen acht
weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes
maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis
gesteld.
Art. 69a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2000, 627 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416]
Art.
69b [6:2].
Afzien van
horen belanghebbende [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
In afwijking van artikel
7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een
belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gestelde redelijke
termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden
gehoord.
Art. 70
[6:3].
Beslistermijn Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bij bezwaarschrift [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 384; Stb.
2009, 318]
-1. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
-2. Indien bezwaar
wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige
beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
in afwijking van artikel 7:10, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht,
binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een
deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen
21 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
-3.
Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het
buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing
op bezwaar niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn gegeven kan
worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel
7:10, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de
aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.
Art. 71
[6:4].
Medische bezwaarschriftprocedure
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van
bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 72
[6:5].
Beroep in cassatie [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 678; versie 1 januari 1999]
-1. Tegen uitspraken
van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der
partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de
artikelen 1 [1:1], derde tot en met zevende lid, en 3
[1:2] en de op die artikelen
berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn
de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van
de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van
overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van
een gerechtshof.
Art.
72a [6:6]. Titel 4.2
Algemene wet bestuursrecht
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
is niet van toepassing op aanspraken op grond van
artikel 59b
[3:64].
HOOFDSTUK
8
Strafbepalingen
Art. 73
[7:1].
Strafbepaling [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265]
Een gedraging die in
strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur
voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete
van de tweede categorie.
Art. 73a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999]
Art.
73b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999]
Art.
73c.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999]
Art. 74.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
75 [7:2].
Overtredingen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2003, 544]
De in artikel 73
[7:1]
bedoelde
strafbare feiten worden als overtredingen beschouwd.
HOOFDSTUK
9
Overgangs- en
slotbepalingen
Art. 76
[8:1].
Overgangsbepaling in verband met
artikel 61, derde lid [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2006, 223; Stb.
2008, 199]
In gedingen aangevangen vóór het van toepassing worden van artikel
61
[4:2], derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van één van de
partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid
wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te
passen aan artikel 61
[4:2], derde lid. Stelt de rechter
partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen
die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe
strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts
gelijktijdig met de einduitspraak open.
Art.
76a [8:2].
Overgangsbepaling in verband met de Wet wijziging systematiek
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten [Geschiedenis:
Stb. 2004, 416; Stb.
2005, 710]
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend vóór de
inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten worden geacht te zijn toegekend voor
onbepaalde tijd.
Art.
76b [8:3].
Overgangsbepaling in verband met intrekken Wet Rea [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710]
-1. Een beschikking tot
vermindering van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de
verrichte arbeid op grond van artikel 7 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de
dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de
Wet
invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van
18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet, wordt voor de duur van
het tijdvak waarvoor die aanspraak op grond van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten is verminderd, aangemerkt als een beschikking tot
vermindering van de aanspraak op een geldelijke beloning voor
de verrichte arbeid als bedoeld in artikel 59a
[3:63].
-2. Een beschikking tot
toekenning van een voorziening op grond van artikel
31, tweede lid,
onderdeel b, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten aan
de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat
artikel op grond van artikel 2.10 van de
Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen vervalt de leeftijd
van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur van het tijdvak waarvoor die
voorziening op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is
toegekend, aangemerkt als een beschikking tot toekenning van een
voorziening als bedoeld in artikel 35, eerste lid juncto tweede lid, onderdeel
d, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen.
-3. Een beschikking tot
toekenning van loonsuppletie op grond van artikel 32 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de jonggehandicapte die op
de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel
2.10 van de Wet invoering en financiering Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan
wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur
waarvoor die loonsuppletie was toegekend, aangemerkt als een
beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 59f
[3:67].
-4. Een beschikking tot
toekenning van inkomenssuppletie op grond van artikel 29 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de jonggehandicapte die op
de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel
2.10 van de Wet invoering en financiering Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan
wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de
duur waarvoor die inkomenssuppletie was toegekend, aangemerkt als
inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 59g
[3:68].
Art.
76c [8:4].
Overgangsbepaling subsidiëring Rea-scholingsinstituten [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt tot en met het jaar 2008
jaarlijks ten laste van het Reïntegratiefonds, genoemd in artikel
2.8 van de Wet
invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, aan door
Onze Minister aan te wijzen scholingsinstituten die ten doel hebben de arbeidsintegratie van arbeidsgehandicapten te
bevorderen een subsidie
ter hoogte van een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag waarbij
regels kunnen worden gesteld omtrent de wijze van berekening van dat bedrag.
[OR]
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan bij de subsidieverlening,
bedoeld in het eerste lid, aan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen
omtrent vermogensvorming, het hanteren van een registratiesysteem
waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt en de vergoeding van met
subsidie behaald vermogensvoordeel.
Art.
76d [8:5].
Mogelijkheid vervallen loonkostensubsidie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
-1. Artikel
59j
[3:71]
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
-2. Artikel 59k
[3:72]
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art.
76e [8:6].
Overgangsrecht Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
De loonkostensubsidie die vóór de
dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden, is verstrekt aan een werkgever
ten behoeve van een persoon die op de dag vóór aanvang van die
gesubsidieerde dienstbetrekking recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangemerkt als loonkostensubsidie
als bedoeld in artikel 59j
[3:71].
Art. 77
[8:7].
Buitentoepassingverklaring
van Algemene termijnenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 6 [3:3], tweede en derde lid, 12
[3:14], derde lid, 13
[3:15],
14 [3:16], eerste lid, 15
[3:17], 19 [3:21]
en
20 [3:22].
Art. 78
[8:11].
Inwerkingtreding [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art. 79
[8:12].
Citeertitel [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999]
Deze wet wordt
aangehaald als: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
24 april 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van
Justitie,
W. Sorgdrager
|
|