|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1991-1992, 1992-1993, 1993-1994, 1994-1995, 22 545.
Handelingen II 1993-1994, blz. 2966-2998, 3044-3070, 3123; 1994-1995,
blz. 1002-1031, 1066-1067.
Kamerstukken I 1994-1995, 22 545 (75, 75a, 75b, 75c, 75d, 75e, 75f).
Handelingen I 1994-1995, zie vergadering d.d. 11 april 1995.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 12 april 1995, Stb.
1995, 199, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene
bijstandswet). Inwerkingtreding: 1 januari 1996 (Stb.
1995, 201). Vervallen met ingang van 1 januari 2004 (artikel
2, eerste lid, IWwb).
x
x
x
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
x
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter
versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten
voor de verlening van bijstand gewenst is te komen tot een herinrichting
van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) en de daarop
berustende nadere regels en daartoe een nieuwe Algemene bijstandswet
vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan bij deze:
x
x
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. burgemeester en
wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in
artikel 63;
c.
Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de organisatie, bedoeld in artikel 2 van de
Arbeidsvoorzieningswet;
d. inrichting:
1º. een instelling die
zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het
bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende
hulpbehoevenden;
2º. een instelling die
zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het
bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van
hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal
aanwezig is.
Art. 2.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. premies
volksverzekeringen: de premies op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, behoudens de nominale
premie op grond van die wet;
b. premies
werknemersverzekeringen: de premies op grond van de Ziektewet, de
Werkloosheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. ziekenfondspremie: de
premie op grond van de Ziekenfondswet, behoudens de nominale
premie;
d. kinderbijslag:
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Art. 3.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste
graad;
b. als ongehuwd mede
aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met
wie hij gehuwd is.
-2. Van een gezamenlijke
huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door
middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
-3. Een gezamenlijke
huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd
zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn
aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind
is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één
door de ander;
c. zij zich wederzijds
verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een
geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het tweede lid.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende
welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het derde lid, onderdeel
d.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen
wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander,
zoals bedoeld in het tweede lid.
Art. 4.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de
ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander
tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad;
b. alleenstaande ouder: de
ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last
komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander;
c. gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot
hun last komende kinderen;
3º. de alleenstaande ouder
met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland
woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind:
het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de
gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
Art. 5.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. belanghebbende: degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
b. zelfstandige: de
belanghebbende van 18 tot 65 jaar die voor de voorziening in het bestaan
is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te
lande en die:
1º. voldoet aan de
wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
2º. voldoet aan het
urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel
44m,
eerste of vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; en
3º. alleen of samen met
degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig
beroep heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.
-2. Onder een woning wordt
mede verstaan een woonwagen en een woonschip.
Art. 6.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene bijstand: de
bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan;
b. bijzondere bijstand: de
bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het
individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de
algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te
boven gaan;
c. voorliggende
voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of het gezin
aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van
middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
HOOFDSTUK
II
Het recht
op bijstand
§ 1.
De kring van
rechthebbenden
Art. 7.
-1. Iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander,
bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling aan wie het op grond van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet is toegestaan in Nederland te verblijven.
Art. 8.
-1. Aan de zelfstandige die
gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en
wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, wordt gedurende ten hoogste
twaalf maanden algemene bijstand verleend.
Verlenging van deze termijn
met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de
behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van
tijdelijke aard.
-2. Aan de persoon of de
echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering
ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat
levensvatbaar is, wordt na beëindiging van die uitkering gedurende ten hoogste
achttien maanden algemene bijstand verleend.
-3. De zelfstandige wiens
bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is, heeft in zijn hoedanigheid van zelfstandige geen recht op bijstand, tenzij
belanghebbende:
a. 55 jaar of ouder is, het
bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van
tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend
en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; dan wel
b. zich verplicht de
activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen twaalf maanden, te beëindigen. Verlenging van deze termijn
met ten hoogste twaalf maanden is op verzoek van de belanghebbende
mogelijk voor zover de beëindiging naar het oordeel van burgemeester en
wethouders een langere termijn noodzakelijk maakt.
-4. Aan de zelfstandige die
om gezondheidsredenen niet of slechts beperkt in staat is tot het
uitoefenen van zijn bedrijf of zelfstandig beroep en die een uitkering
ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet heeft aangevraagd, wordt
algemene bijstand verleend tot het tijdstip waarop een beslissing
ingevolge genoemde wet is genomen. Daarna kan aan de belanghebbende in
zijn hoedanigheid van zelfstandige slechts bijstand worden verleend
met toepassing van het eerste, derde of vijfde lid.
-5. Bijstand ter voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan
de zelfstandige, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, onderdeel a, alsmede in de tweede volzin van het vierde lid.
-6. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien
van de verlening aan zelfstandigen van algemene bijstand en
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.
Art. 9.
-1. Geen recht op bijstand
heeft degene:
a. aan wie rechtens zijn
vrijheid is ontnomen;
b. die zijn militaire of
vervangende dienstplicht vervult;
c. die wegens werkstaking
of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan
middelen daarvan het gevolg is;
d. die in Nederland zijn
woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur,
verblijf houdt buiten Nederland;
e. die jonger is dan 18
jaar;
f. die 18, 19 of 20 jaar is
en wordt bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet.
-2. Geen recht op algemene
bijstand heeft degene:
a. van 18, 19 of 20 jaar
die in een inrichting verblijft;
b. die onderwijs of een
beroepsopleiding volgt als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering.
-3. Onze Minister kan regels
stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke
vakantieduur, genoemd in het eerste lid, onderdeel d.
Art. 10.
Een persoon van 18, 19 of
20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn
noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke
bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn
ouders, omdat:
a. de middelen van de
ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn
onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
§ 2.
Personen aan wie
bijstand kan worden verleend
Art. 11.
Aan een persoon die geen
recht op bijstand heeft, kunnen burgemeester en wethouders, gelet op
alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand
verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Art. 12.
-1. Aan een hier te lande
verblijvende vreemdeling aan wie het niet op grond van artikel 9 of 10
van de Vreemdelingenwet is toegestaan in Nederland te verblijven,
doch ten aanzien van wie door de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet
aan burgemeester en wethouders een schriftelijke verklaring
als bedoeld in het tweede lid is afgegeven en die in omstandigheden verkeert of
dreigt te geraken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, kan bijstand
worden verleend.
-2. De schriftelijke
verklaring, bedoeld in het eerste lid, houdt in de vaststelling dat de betrokken vreemdeling:
a. zich overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet bij die korpschef heeft
gemeld; en
b. slechts ingevolge een
last tot uitzetting uit Nederland kan worden verwijderd en een zodanige
last ten aanzien van hem niet is gegeven, dan wel de uitvoering van een
ten aanzien van hem gegeven last van rechtswege, dan wel bij
beslissing van de daartoe bevoegde autoriteit of ingevolge rechterlijke
uitspraak, tijdelijk achterwege blijft.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot de bijstandverlening aan
vreemdelingen, bedoeld in het eerste lid, nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld.
§ 3.
Afstemming van de
bijstand
Art. 13.
-1. Burgemeester en
wethouders stemmen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.
-2. Ten aanzien van de
personen die een gezin vormen, stemmen burgemeester en wethouders
de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van
het gezin.
-3. Het recht op bijstand
komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij één van de echtgenoten geen
recht op bijstand heeft.
-4. Van het tweede lid
kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van één of meer van de daar
bedoelde personen afwijken indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is.
Art. 14.
-1. Indien de belanghebbende
blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan, stemmen
burgemeester en wethouders het recht op en de hoogte van de bijstand daarop af.
-2. Burgemeester en
wethouders stellen de bijstand in elk geval in afwijking van hoofdstuk IV
lager vast, indien:
a. de belanghebbende in de
periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft
medegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking;
b. gedragingen van de
belanghebbende in strijd met de op grond van artikel 65,
artikel 70,
vierde lid, en hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichtingen
daartoe aanleiding geven;
c. de door de
belanghebbende op grond van artikel 65 verstrekte gegevens onjuist blijken te
zijn.
-3. De omvang en duur van de
maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden
van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. De omvang en duur kunnen
worden herzien indien een wijziging van de omstandigheden van de
belanghebbende daartoe aanleiding geeft.
-4. Burgemeester en
wethouders kunnen bij herhaalde of zeer ernstige gedragingen als bedoeld in
het eerste en tweede lid bijstand weigeren. Bij een na die weigering ingediende aanvraag kan de bijstand worden
geweigerd of in afwijking
van hoofdstuk IV lager worden vastgesteld.
-5. Indien een
belanghebbende geen dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk V van de
Jeugdwerkgarantiewet omdat hij het aanbod daartoe niet heeft aanvaard
of omdat hem een aanbod daartoe onder toepassing van artikel 11,
derde, vierde of vijfde lid, van die wet niet wordt gedaan, weigeren
burgemeester en wethouders hem bijstand voor de duur van dertien weken. De duur
van de weigering kan worden bekort indien daartoe, gelet op de
omstandigheden van belanghebbende, dringende redenen aanwezig zijn.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met het
vijfde lid nadere regels worden gesteld.
§ 4.
Niet-noodzakelijke
kosten
Art. 15.
-1. Degene die bijstand
vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die
overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte
of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien, wordt niet geacht te verkeren in omstandigheden
als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
-2. In afwijking van het
eerste lid kunnen burgemeester en wethouders:
a. bijzondere bijstand
verlenen in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is
afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is
om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden, door een:
1º.
gemeentelijke
kredietbank als bedoeld in de Wet
op het consumentenkrediet;
2º. kredietinstelling die
is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de
Wet
toezicht kredietwezen 1992, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank, dan wel daarmee
geen relatie onderhoudt;
b. bijzondere bijstand
verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel
a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt;
c. bijstand verlenen aan de
zelfstandige ter gedeeltelijke of volledige betaling van een bedrijfsschuld, mits de bijstand wordt verleend op grond
van artikel 8, vijfde lid.
Art. 16.
In ieder geval worden niet
tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met
betrekking tot:
a. de voldoening aan
alimentatieverplichtingen;
b. de betaling van een
boete;
c. geleden of toegebrachte
schade;
d. vrijwillige
premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering.
§ 5.
Verhouding tot
voorliggende voorzieningen
Art. 17.
-1. Geen recht op bijstand
bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende
voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
-2. Het recht op bijstand
strekt zich niet uit tot kosten die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van
een voorliggende voorziening zijn gelaten.
-3. Indien bij een beroep op
een voorliggende voorziening in het betrokken geval voor bepaalde kosten in het geheel geen vergoeding
wordt toegekend, wordt
daarvoor geen bijstand verleend.
-4. In afwijking van het
eerste, tweede en derde lid kunnen burgemeester en wethouders voor de
aldaar bedoelde kosten bijstand verlenen indien en zolang, gelet op
alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Geen bijstand wordt
verleend voor kosten van medische behandelingen en verrichtingen die
gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in artikel
18c,
eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, of wanneer zodanige
medische behandelingen en verrichtingen buiten
Nederland plaatsvinden.
Art. 18.
Burgemeester en wethouders
dragen zorg voor voorlichting en bemiddeling ten behoeve van
de belanghebbende die noodzakelijk zijn voor de inschakeling van
een voorliggende voorziening.
HOOFDSTUK
III
De vorm
van de bijstand
Art. 19.
Tenzij in deze wet anders
is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.
Art. 20.
-1. De belanghebbende die
eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met
bijbehorend erf heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere
bezwaring, anders dan
ingevolge dit artikel, van
het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid
niet kan worden verlangd.
-2. Indien voor de
belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op bijstand bestaat, heeft de
algemene bijstand de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek:
a. indien de algemene
bijstand over een periode van één jaar, te rekenen vanaf de eerste dag
waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt
dan het nettominimumloon, bedoeld in artikel
55, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen
gebonden in de woning met bijbehorend erf op grond van het derde
lid niet buiten beschouwing blijft.
-3. Van het vermogen
gebonden in de woning met bijbehorend erf blijft buiten beschouwing:
a. ƒ15 000,00 alsmede de
helft van het meerdere, doch in totaal ten hoogste ƒ60 000,00; en
b. het bedrag waarmee het
bij de aanvraag om bijstand aanwezige overige vermogen minder
bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54.
-4. Indien uitsluitend
bijzondere bijstand wordt verleend, kunnen burgemeester en wethouders,
indien wordt voldaan aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden, deze bijstand verstrekken in de vorm van een
geldlening onder verband
van hypotheek.
-5. Indien de bijstand naar
verwachting minder bedraagt dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, kunnen burgemeester en wethouders deze bijstand
uitsluitend verstrekken in de vorm van een geldlening, borgtocht of
een uitkering om niet.
-6. Het eerste tot en met
vijfde lid zijn niet van toepassing:
a. op de zelfstandige;
b. indien het een woonwagen
betreft.
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de
voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een geldlening onder
verband van hypotheek wordt verleend.
Art. 21.
-1. Bijzondere bijstand voor
de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden
verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de
vorm van een bedrag om niet.
-2. Indien een geldlening
als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemmen burgemeester en
wethouders de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op
de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
belanghebbende. De aflossingsbedragen worden zodanig vastgesteld dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Art. 22.
-1. Bijstand aan een
zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend in de vorm van een rentedragende
geldlening of borgtocht.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt de daar bedoelde bijstand onder toepassing van bij algemene
maatregel van bestuur te stellen nadere voorwaarden:
a. verleend in de vorm van
een bedrag om niet indien het inkomen van de zelfstandige duurzaam
lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk IV,
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de verleende bijzondere bijstand en
diens vermogen een zekere grens niet te boven gaat;
b. ambtshalve geheel of
gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet indien het inkomen van de
zelfstandige gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden
lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de verleende bijzondere bijstand en
diens vermogen een zekere grens niet te boven gaat.
Art. 23.
-1. Indien aan een
zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, heeft deze bijstand
voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen
wordt uitbetaald.
-2. Zodra het inkomen bekend
is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze
bijstand definitief
vastgesteld en vindt, voor zover de zelfstandige geen in aanmerking te nemen
vermogen heeft, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.
-3. In afwijking van het
eerste lid wordt de daar bedoelde bijstand verleend als een bedrag om
niet, indien:
a. de uitkeringsduur ten
hoogste zes maanden is;
b. de inkomensvorming in
het betreffende bedrijf of zelfstandig beroep regelmatig over het jaar
verloopt en het inkomen duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk
IV,
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de
verleende bijzondere bijstand; en
c. het vermogen van de
zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens
niet te boven gaat.
Art. 24.
Bijstand kan eveneens
worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, indien:
a. redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de
betreffende periode in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b. de noodzaak tot
bijstandverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan;
c. de aanvraag een door de
belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; dan wel
d. het bijstand ter
gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
Art. 25.
De bijstand die met
toepassing van artikel 74 bij wijze van voorschot wordt verleend, heeft de
vorm van een renteloze geldlening.
HOOFDSTUK
IV
De hoogte
van de bijstand
AFDELING
1
Algemene
bijstand
§ 1.
Algemeen
Art. 26.
-1. Onverminderd hoofdstuk
II heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand,
indien:
a. het in aanmerking te
nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in
paragraaf 2 en 3; en
b. er geen in aanmerking te
nemen vermogen is.
-2. De hoogte van de
algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in
paragraaf 2 en 3.
-3. In de algemene bijstand
is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5,2 procent van die
bijstand.
-4. De algemene bijstand
wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen
waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de
Wet op de
loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige
is, alsmede met de over die
bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
Art. 27.
-1. De algemene bijstand
wordt per kalendermaand vastgesteld.
-2. De algemene bijstand
wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover
recht op bijstand bestaat, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand
aan of volgend op de bijstandverlening:
a. gedurende een periode
van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand ontvangt; of
b. anderszins geen recht op
algemene bijstand heeft.
-3. Burgemeester en
wethouders kunnen besluiten de algemene bijstand over een langere periode
vast te stellen voor zover het patroon van de inkomensverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft.
Art. 28.
Deze afdeling is niet van
toepassing op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.
§ 2.
De bijstandsnorm
Art. 29.
-1. Voor belanghebbenden
jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de bijstandsnorm
per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande ƒ321,74;
b. gehuwden waarvan beide
echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: ƒ643,48;
c. gehuwden waarvan één
echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of
ouder: ƒ1225,86.
-2. Voor belanghebbenden
jonger dan 21 jaar met één of meer ten laste komende kinderen is de
bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande ouder ƒ683,39;
b. gehuwden waarvan beide
echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: ƒ1005,13;
c. gehuwden waarvan één
echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of
ouder: ƒ1587,51.
Art. 30.
Voor belanghebbenden van 21
jaar of ouder is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het
betreft:
a. een alleenstaande: ƒ904,12;
b. een alleenstaande ouder: ƒ1265,76;
c. gehuwden: ƒ1808,23.
Art. 31.
-1. Bij verblijf in een
inrichting is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een
alleenstaande ouder: ƒ364,81;
b. gehuwden: ƒ611,49.
-2. Indien één van de
gehuwden in een inrichting verblijft, is de bijstandsnorm de som van de
bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of
alleenstaande ouder zouden gelden.
Art. 32.
Indien één van de gehuwden
geen recht op algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende
echtgenoot de bijstandsnorm gelijk aan de bijstandsnorm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
gelden.
§ 3.
Verhoging en
verlaging van de bijstandsnorm
Art. 33.
-1. Burgemeester en
wethouders verhogen voor een alleenstaande, of een alleenstaande ouder,
van 21 jaar of ouder de bijstandsnorm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan
heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet
geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
-2. De toeslag bedraagt ten
hoogste ƒ361,65 per kalendermaand.
Art. 34.
Burgemeester en wethouders
kunnen voor een echtpaar de bijstandsnorm verlagen voor
zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als
gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met
een ander.
Art. 35.
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen de bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in
artikel 33, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of
de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning
waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
-2. De in het eerste lid
bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.
Art. 36.
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen de bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in
artikel 33, lager vaststellen voor de belanghebbende die recent de deelname
heeft beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding op grond waarvan aanspraak
bestond op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van
de Wet op de
studiefinanciering dan wel op kinderbijslag.
-2. Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste
lid is sprake zolang nog geen
periode van een halfjaar
is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze periode met ten hoogste twee
kalenderkwartalen te verlengen voor de belanghebbende voor wie op grond van
artikel 2, tweede lid, van de Jeugdwerkgarantiewet de werkloosheidsduur wordt
verlengd.
-3. De in het eerste lid
bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.
Art. 37.
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar de toeslag,
bedoeld in artikel 33, afwijkend vaststellen voor zover zij van oordeel zijn dat,
gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een
belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het
minimumjeugdloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld
in artikel 8, derde lid,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art. 38.
-1. Het gemeentebestuur
stelt bij verordening vast voor welke categorieën de bijstandsnorm
wordt verhoogd of verlaagd en op grond
van welke criteria de
hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
-2. In de verordening,
bedoeld in het eerste lid, stelt het gemeentebestuur in elk geval vast dat,
onverminderd artikel 35, 36 en 37, de toeslag, bedoeld in
artikel 33, voor
de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens
woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat
artikel genoemde maximumbedrag.
-3. In de verordening worden
uitsluitend verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in
de artikelen 33 tot en met 37.
-4. Verhoging of verlaging
van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats onverminderd
artikel 13, eerste lid.
AFDELING
2
Bijzondere
bijstand
Art. 39.
-1. Onverminderd hoofdstuk
II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor
zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm,
bedoeld in
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
-2. Voor zover de gemeente
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is,
wordt de bijstand verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen, alsmede met de over die bijstand
verschuldigde
ziekenfondspremie.
Art. 40.
-1. Voor de vaststelling van
de draagkracht nemen burgemeester en wethouders geheel of
gedeeltelijk in beschouwing:
a. het in aanmerking te
nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover
dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in
afdeling 1, paragraaf 2 en 3.
-2. Burgemeester en
wethouders bepalen de duur van de periode waarover de draagkracht in
aanmerking wordt genomen alsmede het tijdstip waarop deze
periode begint.
Art. 41.
Burgemeester en wethouders
zijn bij de toepassing van artikel 39, eerste lid, bevoegd om voor
de daar bedoelde kosten geheel of gedeeltelijk geen bijstand te verlenen
voor zover deze kosten over een periode van twaalf maanden een
bedrag van ƒ183,00 niet te boven gaan.
AFDELING
3
De
middelen
§ 1.
Algemeen
Art. 42.
Tot de middelen worden alle
vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de
alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Art. 43.
-1. Tot de middelen van de
belanghebbende worden mede de middelen gerekend die ten behoeve
van zijn levensonderhoud door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen van
de belanghebbende worden gerekend:
a. de middelen die deze
ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand
begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen
ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. huursubsidie ontvangen
op grond van de Wet individuele huursubsidie;
d. vergoedingen en
tegemoetkomingen voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies
volksverzekeringen op grond
van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend dan wel deze
kosten in mindering zijn gebracht op het inkomen;
e. vergoedingen en
tegemoetkomingen voor verwervingskosten, alsmede de vermindering of
teruggave van loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen voor verwervingskosten die de
in artikel 37 van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964 genoemde bedragen te boven gaan,
tenzij voor deze verwervingskosten bijstand wordt verleend dan wel deze
verwervingskosten in mindering zijn gebracht op het inkomen;
f. inkomsten uit arbeid van
de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen
werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, tenzij het de verlening
van
bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke
kosten van het bestaan van die kinderen;
g. rente ontvangen over op
grond van artikel 52, eerste lid, onderdeel b en c, niet in aanmerking
genomen vermogen en spaargelden;
h. een eenmalige premie
voor het voltooien van een scholing of opleiding als bedoeld in artikel
114, voor zover een bedrag van ƒ2100,00 niet
wordt overschreden;
i. premies die al dan niet
eenmalig boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het
aanvaarden of behouden van arbeid, voor zover deze premies binnen een tijdvak van
één jaar tezamen minder bedragen
dan ƒ3100,00;
j. een uitkering in verband
met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de
hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van bijstandverlening
verantwoord is;
k. de eenmalige uitkering
toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose.
-3. Een uitkering tot
levensonderhoud op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die de
belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt,
wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend voor zover deze
uitkering op grond van artikel 10 reeds in aanmerking is genomen bij
de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand.
-4. Onze Minister
kan regels
stellen omtrent de gevallen waarin het tweede lid, onderdeel i,
niet van toepassing is.
Art. 44.
Bij de vaststelling van de
middelen worden giften van instellingen en personen niet in aanmerking
genomen voor zover dit, gezien de bestemming en de hoogte van
de giften, uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.
Art. 45.
-1. De middelen worden in
aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van:
a. de daarover door de
belanghebbende verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting;
b. de daarover door de
belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en ziekenfondspremie dan wel een inhouding die
met één of meer van deze premies overeenkomt;
c. ten laste van de
belanghebbende komende verplichte bijdragen ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen; en
d. andere ten laste van de
belanghebbende komende verplichte inhoudingen.
-2. Ten aanzien van een
inkomen uit een bedrijf of zelfstandig beroep worden de daarover verschuldigde inkomstenbelasting en premies
volksverzekeringen gesteld
op 28 procent van dat inkomen.
Art. 46.
Onze Minister stelt regels
voor het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen.
§ 2.
Het inkomen
Art. 47.
-1. Onder inkomen wordt
verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit
of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie voor
het voltooien van een scholing of opleiding of voor het aanvaarden of
behouden van arbeid, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of uit het
hebben van één of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot
levensonderhoud op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, teruggave van loonbelasting en premies volksverzekeringen,
dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een
periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
-2. Middelen die het
karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de
periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter
hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in
aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden
gemaakt.
-3. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel b, wordt bij de bijstandverlening aan een zelfstandige
rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar, zoals dat aan
de hand van zijn administratie wordt vastgesteld. Een teruggave van
inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige
niet als inkomen aangemerkt.
Art. 48.
-1. Indien inkomen in natura
in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan vastgesteld
op de daaruit voortvloeiende lagere bestaanskosten.
-2. Het inkomen uit
studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering wordt, onder vermindering van het bedrag
waarmee de studiefinanciering lager is gesteld op grond van de draagkracht
van de studerende als bedoeld in artikel 25 van die
wet, in aanmerking genomen naar het
normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend,
met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud als bedoeld
in artikel 12 van die
wet wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende
studerende: ƒ458,43 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende
studerende: ƒ823,58 per kalendermaand.
-3. Indien de belanghebbende
de woning bewoont met één of meer huurders, onderhuurders of
kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als
inkomen in aanmerking
genomen voor zover burgemeester en wethouders daarmee nog geen
rekening hebben gehouden bij de vaststelling van de
verhoging of verlaging van de bijstandsnorm als bedoeld in
afdeling 1,
paragraaf 3.
Art. 49.
Indien de alleenstaande, de
alleenstaande ouder of één van de echtgenoten 65 jaar of ouder is, wordt voor de vaststelling van de hoogte
van de bijstand een in de
vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere
oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:
a. voor een alleenstaande
en een alleenstaande ouder: ƒ28,35 per kalendermaand;
b. voor de gehuwden
tezamen: ƒ56,70 per kalendermaand.
Art. 50.
-1. Indien één van de
gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts
in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou
worden verleend indien zijn
inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de op
grond van afdeling 1 vast te stellen bijstandsnorm
voor
gehuwden.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam
gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende
echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm,
bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, te boven gaat.
-3. Indien de
niet-rechthebbende echtgenoot onderwijs of een beroepsopleiding volgt op grond waarvan
aanspraak bestaat op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van
de Wet op de
studiefinanciering dan wel op kinderbijslag, is
artikel
36 van overeenkomstige toepassing voor de vaststelling van de
bijstandsnorm, bedoeld in het eerste lid.
-4. Voor de vaststelling van
het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze afdeling
van overeenkomstige toepassing.
§ 3.
Het vermogen
Art. 51.
-1. Onder vermogen wordt
verstaan:
a. de waarde van de
bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de
bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd
met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van
paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens
de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze
geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.
-2. Bij de verlening van
bijstand aan een zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met
één of meer anderen uitoefent, wordt
onder vermogen mede
verstaan het vermogen van die anderen.
Art. 52.
-1. Niet als vermogen
wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura
die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan
wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvraag om
bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
c. vermogen ontvangen
tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het
bedrag dat het bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder
bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54;
d. spaargelden opgebouwd
tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
e. een uitkering in
verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en
de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.
-2. Voor de zelfstandige
wordt niet als vermogen in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura
die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan
wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het voor de
uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen,
waaronder mede begrepen het vermogen gebonden in de door de
zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend
erf.
Art. 53.
-1. De waarde van de
bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld voor de vaststelling van
het vermogen gebonden in de door de belanghebbende of zijn gezin in eigendom
bewoonde woning met bijbehorend erf.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld voor de vaststelling van
het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep
noodzakelijke vermogen van de zelfstandige.
Art. 54.
-1. De in artikel 52,
eerste lid, onderdeel b en c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een
alleenstaande: ƒ8600,00;
b. voor een alleenstaande
ouder: ƒ17 200,00;
c. voor de gehuwden tezamen: ƒ17 200,00.
-2. Indien de
alleenstaande, de alleenstaande ouder of één van de gehuwden 65 jaar of
ouder
is en voor hem toepassing is gegeven aan artikel 49, is de in
artikel 52, eerste lid, onderdeel b en c, bedoelde vermogensgrens:
a. voor een
alleenstaande: ƒ5200,00;
b. voor een alleenstaande
ouder: ƒ10 400,00;
c. voor de gehuwden tezamen: ƒ10 400,00.
AFDELING
4
Aanpassing
van bedragen
Art. 55.
-1. In deze afdeling wordt
onder nettominimumloon verstaan het minimumloon per maand,
genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op
vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat
minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan
in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie.
-2. De in het eerste lid
bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend met
toepassing van de groene tabellen loonbelasting en premies volksverzekeringen over het minimumloon en de
aanspraak op
vakantiebijslag daarover, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie
en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
De toe te passen tabellen zijn die voor een in tariefgroep 3 ingedeelde
werknemer. De loonbelasting en premies volksverzekeringen, in te
houden van de aanspraak op vakantiebijslag over het minimumloon, worden
berekend met toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen.
-3. Indien ingevolge één
van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan
het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage
vastgesteld.
-4. Onder prijsindexcijfer
van de gezinsconsumptie wordt in deze afdeling verstaan hetgeen
daaronder in artikel 13, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet
wordt verstaan.
Art. 56.
-1. Onze Minister
herziet,
met ingang van de dag waarop het nettominimumloon
wijzigt:
a. met het percentage van
deze wijziging, de bijstandsnormen, genoemd in
artikel 30, en het bedrag, genoemd in artikel
33, tweede lid;
b. het percentage,
genoemd in artikel 26, derde lid, zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele verhouding tussen de
nettoaanspraak op
minimumvakantietoeslag
over het minimumloon en de som van het nettominimumloon en de nettoaanspraak op minimumvakantietoeslag daarover.
-2. Onze Minister
herziet,
met ingang van de dag waarop het nettominimumloon zonder de
daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag wijzigt, met het
percentage van deze wijziging, de bedragen, genoemd in artikel
43, tweede lid,
onderdeel h en i.
Art. 57.
-1. Onze Minister
herziet,
met ingang van de dag waarop de kinderbijslag voor een kind van 18 tot
21 jaar of het nettominimumloon wijzigt, de bijstandsnormen
genoemd in artikel 29, eerste lid, zodanig dat het bedrag, genoemd in:
a. onderdeel a gelijk is
aan deze kinderbijslag;
b. onderdeel b gelijk is
aan tweemaal deze kinderbijslag;
c. onderdeel c gelijk is
aan de som van deze kinderbijslag en de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 30, onderdeel a.
-2. Onze Minister herziet,
met ingang van de dag waarop de kinderbijslag voor een kind van 18 tot
21 jaar of het nettominimumloon wijzigt, de bijstandsnormen,
genoemd in artikel 29, tweede lid, zodanig dat het bedrag, genoemd in:
a. onderdeel a gelijk is
aan de som van het bedrag, genoemd in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, en het bedrag, genoemd in
artikel 33, tweede lid;
b. onderdeel b gelijk is
aan de som van het bedrag, genoemd in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, en het bedrag, genoemd in
artikel 33, tweede lid;
c. onderdeel c gelijk is
aan de som van het bedrag, genoemd in artikel 29, eerste lid, onderdeel c, en het bedrag, genoemd in
artikel 33, tweede lid.
-3. Onder de kinderbijslag
voor een kind van 18 tot 21 jaar als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt verstaan het kinderbijslagbedrag, bedoeld in de artikelen 12 en
13a
van de Algemene Kinderbijslagwet, dat, mede onder toepassing van
artikel 27, eerste lid, van die wet, wordt ontvangen voor een eerste kind als
bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van die
wet.
Art. 58.
-1. Onze Minister
herziet,
met ingang van de dag waarop het brutominimumloon wijzigt, met
het percentage van deze wijziging, het in artikel 41 genoemde bedrag.
-2. Onder brutominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het in artikel 8,
eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemde bedrag.
Art. 59.
-1. Onze Minister
herziet,
met ingang van de dag waarop het nettominimumloon
en de daarop
aan te brengen correctie, bedoeld in het derde lid, of de
gemiddelde nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wijzigen, met het percentage van
deze wijziging, de bijstandsnormen, genoemd in
artikel 31, eerste lid,
nadat daarop de gemiddelde nominale premie in mindering is gebracht die de alleenstaande of de gehuwden op grond van
de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten verschuldigd zijn. Het aldus gewijzigde bedrag wordt
vervolgens verhoogd met de gemiddelde nominale premie die de
alleenstaande of de gehuwden op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten verschuldigd zijn.
-2. Onder het nettominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het
nettominimumloon, bedoeld in artikel 55, eerste lid, met
dien verstande dat daarop
in mindering worden gebracht de gemiddelde nominale premies die
gehuwden op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten verschuldigd zijn.
-3. De in het eerste lid
bedoelde correctie is het procentuele verschil van de wijziging van het
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie en het prijsindexcijfer van het
onderdeel energie daarvan.
Art. 60.
Onze Minister herziet met
ingang van de dag waarop de som van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd in artikel 12, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
op de studiefinanciering, en het bedrag dat op grond van artikel 32a,
vijfde lid, van die
wet wordt verstrekt aan een studerende die ten
onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt,
de in artikel 48, tweede lid, genoemde bedragen zodanig dat deze gelijk
zijn aan deze som.
Art. 61.
Onze Minister herziet,
met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar, met de procentuele stijging van het prijsindexcijfer
van de gezinsconsumptie,
de in artikel 49 en
artikel 54, eerste en tweede lid, genoemde bedragen.
Art. 62.
Onze Minister stelt het
in artikel 45, tweede lid, genoemde percentage zodanig vast dat dit
gelijk is aan het bedrag dat voor personen jonger dan 65 jaar over de algemene
bijstand verschuldigd is aan loonbelasting en premies
volksverzekeringen, uitgedrukt als een percentage van de algemene bijstand
verhoogd met deze loonbelasting en premies.
HOOFDSTUK
V
Het
geldend maken van het recht op bijstand
§ 1.
De gemeente jegens
welke recht op bijstand bestaat
Art. 63.
-1. Het recht op bijstand
bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de
belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat aan ondernemers in de binnenvaart die in een daarbij aangegeven gebied
verblijven, bijstand
wordt verleend door burgemeester en wethouders van een bij die maatregel aan
te wijzen gemeente.
Art. 64.
-1. Indien doorzending van
de aanvraag naar burgemeester en wethouders van een andere gemeente
heeft plaatsgevonden en deze van oordeel zijn dat zij
evenmin de aanvraag dienen te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden
verkregen over de in artikel 63 bedoelde woonplaats, dragen
burgemeester en wethouders die de doorgezonden aanvraag hebben ontvangen
er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een
beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat het recht op bijstand jegens burgemeester en
wethouders van de
gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Het eerste en het
tweede lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de daar genoemde termijnen beginnen te lopen vanaf
de mededeling van die doorzending of beslissing.
-4. Kosten van bijstand
verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed door de gemeente
waarvan de taak is waargenomen.
§ 2.
Inlichtingenverplichting en onderzoek
Art. 65.
-1. De belanghebbende doet
aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van
belang is voor de
verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder
overlegging van bewijsstukken. De zelfstandige verleent bovendien desgevraagd
inzage in zijn administratie.
-2. Voor de verstrekking
van gegevens maakt de belanghebbende gebruik van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier.
-3. De belanghebbende is
verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze
wet.
-4. Burgemeester en
wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de
belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1
van de Wet
op de identificatieplicht en nemen de aard en het nummer
daarvan op in de administratie.
-5. De belanghebbende is
voorts verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig
is voor de uitvoering van deze wet.
Art. 66.
-1. Burgemeester en
wethouders bepalen welke gegevens ten behoeve van de verlening van
bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder
geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te
worden overgelegd.
-2. Burgemeester en
wethouders bepalen de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van
gegevens dient plaats te vinden.
-3. Burgemeester en
wethouders onderzoeken de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens
en stellen zo nodig een onderzoek in naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de
voortzetting van
bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en
wethouders tot wijziging van de bijstand.
-4. Burgemeester en
wethouders verrichten regelmatig een heronderzoek naar de voor het recht op bijstand van belang zijnde
gegevens. Het
heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de aan de bijstand verbonden
verplichtingen. Burgemeester en wethouders beoordelen tevens of er
aanleiding bestaat de verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzigen.
-5. Het in het derde en
vierde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 107
ontheffing is verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de
arbeid in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de mogelijkheden van
de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het
bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen
worden vergroot.
-6. Bij beëindiging van
de bijstand nemen burgemeester en wethouders, na onderzoek, tijdig een
besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente
en de belanghebbende resterende verplichtingen en de
afwikkeling daarvan.
-7. Burgemeester en
wethouders onderzoeken regelmatig de financiële omstandigheden van degene
aan wie zij betalings- en aflossingsverplichtingen hebben opgelegd met betrekking tot de verleende bijstand
als bedoeld in artikel 134, eerste lid, onderdeel a. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft,
besluiten burgemeester en wethouders tot wijziging van de
opgelegde betalings- en aflossingsverplichtingen.
§ 3.
De aanvraag
Art. 67.
-1. Burgemeester en
wethouders stellen het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is,
ambtshalve vast.
-2. De bijstand wordt door
de echtgenoten gezamenlijk aangevraagd dan wel door één van hen
met schriftelijke toestemming van de ander.
-3. Burgemeester en
wethouders stellen het recht op bijstand ambtshalve vast indien één van de
echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandverlening,
gezien de belangen van de overige gezinsleden, niettemin geboden is.
Art. 68.
-1. Burgemeester en
wethouders stellen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag
vast of recht op bijstand bestaat. Indien het een aanvraag betreft om
als zelfstandige bijstand te ontvangen, bedraagt deze termijn dertien
weken.
-2. Indien het een
aanvraag betreft om als zelfstandige bijstand te ontvangen, kunnen burgemeester en wethouders de termijn, bedoeld in
de tweede volzin van het
eerste lid, met ten hoogste dertien weken verlengen indien zij
niet in staat zijn tijdig een besluit te nemen. Van de verlenging doen zij
mededeling aan de belanghebbende, onder vermelding van het
tijdstip waarop de termijn voor het nemen van een besluit zal verstrijken.
-3. De termijn voor het
nemen van een besluit wordt opgeschort met ingang van de dag waarop
burgemeester en wethouders de aanvrager uitnodigen de aanvraag
aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Van de opschorting van de
termijn doen burgemeester en wethouders mededeling aan de
belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor
het nemen van een besluit zal verstrijken.
-4. Indien de
belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn aanvult, besluiten burgemeester en wethouders de aanvraag niet
te behandelen.
-5. Burgemeester en
wethouders besluiten niet tot toekenning van bijstand dan nadat de juistheid en volledigheid van de door de belanghebbende
verstrekte gegevens is onderzocht.
-6. Als buiten toedoen van
de belanghebbende het onderzoek naar de juistheid en de volledigheid van de door hem verstrekte gegevens niet
binnen de beslistermijn
kan worden voltooid, besluiten burgemeester en wethouders op de aanvraag
op voet van de dan bekende gegevens.
§ 4.
Opschorting van de
bijstand
Art. 69.
-1. Indien de
belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of
de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft
verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins
onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten
burgemeester en wethouders het recht op bijstand op:
a. vanaf de eerste dag
van de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim
betrekking heeft.
-2. Burgemeester en
wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en
nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het
verzuim te herstellen.
-3. Indien de
belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn,
wordt de bijstand beëindigd met ingang van de eerste dag van de periode
waarover de bijstand is opgeschort.
§ 5.
Het besluit tot
toekenning of wijziging van bijstand
Art. 70.
-1. Bij een besluit tot
toekenning of voortzetting van bijstand wordt ten minste mededeling gedaan
van:
a. de verplichtingen tot
het doen van mededelingen en het verlenen van medewerking, bedoeld
in artikel 65;
b. de verplichtingen als
bedoeld in hoofdstuk VIII die in het betrokken geval aan de bijstand
zijn verbonden.
-2. Bij een besluit tot
wijziging van bijstand wordt ten minste mededeling gedaan van de wijziging en de op die wijziging betrekking
hebbende gewijzigde
verplichtingen. Voorts wordt, indien daarvoor aanleiding bestaat, in
het besluit nogmaals mededeling gedaan van de eerder aan de bijstand
verbonden verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en
b.
-3. Indien ten behoeve van
de belanghebbende een plan is opgesteld gericht op het vergroten
van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, wordt dit opgenomen in
een bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van
bijstand.
-4. De belanghebbende
tekent een exemplaar van de bijlage, bedoeld in het derde lid, voor
gezien en verstrekt dit aan burgemeester en wethouders. De bijlage
wordt tevens getekend door burgemeester en wethouders en, voor zover
het betreft de onderdelen van het plan die door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
worden uitgevoerd, door die organisatie.
§ 6.
Overige bepalingen
Art. 71.
-1. Onze Minister
stelt
nadere regels met betrekking tot:
a. de periode die de
opschorting van de bijstand, bedoeld in artikel 69, eerste lid, ten hoogste
mag duren;
b. de termijn waarbinnen
burgemeester en wethouders de onderzoeken verrichten, bedoeld in
artikel 66, vierde, zesde en zevende lid.
-2. Onze Minister kan
nadere regels stellen met betrekking tot:
a. de wijze waarop
burgemeester en wethouders toepassing geven aan
artikel 66, eerste en
tweede lid;
b. de inhoud van de
onderzoeken, bedoeld in
artikel 66, derde, vierde, zesde en zevende lid;
c. de voorwaarden
waaronder van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijnen kan
worden afgeweken ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in
artikel 66,
vierde en zevende lid;
d. de gevallen waarin kan
worden afgezien van het onderzoek, bedoeld in
artikel 66, zevende
lid.
HOOFDSTUK
VI
De
betaling van de bijstand
§ 1.
Algemeen
Art. 72.
De algemene bijstand
wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft
dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan één van hen voor het geheel.
Art. 73.
-1. Burgemeester en
wethouders betalen de algemene bijstand maandelijks achteraf.
-2. Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd de algemene bijstand over een kortere of langere periode te
betalen indien dit gelet op de
omstandigheden van de belanghebbende wenselijk is.
-3. In afwijking van het
eerste lid wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan
die maand voorafgaande twaalf maanden, dan wel in de maand waarin de algemene bijstand
eindigt.
Art. 74.
-1. Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd om, indien de noodzaak daartoe aannemelijk is,
zonder voorafgaand onderzoek als bedoeld in
artikel 66, bij wijze van voorschot bijstand te verlenen met inachtneming
van artikel 25.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde voorschot kan worden verleend zolang de termijn, bedoeld in
artikel 68, niet is verstreken en burgemeester en wethouders nog geen
besluit inzake de verlening van bijstand hebben bekendgemaakt.
-3. Het in het eerste lid
bedoelde voorschot kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.
Art. 75.
-1. Indien algemene
bijstand wordt verleend over een periode waarover een voorschot is ontvangen met toepassing van
artikel 31, tweede lid, van
de Werkloosheidswet, al
dan niet met gelijktijdige toepassing van artikel
17, eerste lid, van de
Toeslagenwet, en dit voorschot door de bedrijfsvereniging wordt teruggevorderd, kan
deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende tot het
bedrag van dit voorschot aan de bedrijfsvereniging worden betaald.
-2. In het geval, bedoeld
in het eerste lid, vergoedt de gemeente aan de bedrijfsvereniging tevens
de over de te verlenen bijstand verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de ziekenfondspremie.
-3. Indien bijstand wordt
verleend over een periode waarover met toepassing van artikel 74
een voorschot is verleend, kan deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende worden verrekend met dit
voorschot.
Art. 76.
In geval van overlijden
van één van de echtgenoten, van de alleenstaande ouder of van het laatste
ten laste komende kind van de alleenstaande ouder wordt de algemene bijstand tot en met de laatste dag van
de tweede maand volgend
op die waarin het overlijden plaatsvond, betaald naar de op het
moment van overlijden van toepassing zijnde bijstandsnorm
aan de
andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, onderscheidenlijk de
gewezen alleenstaande ouder.
Art. 77.
-1. De bijstand is niet
vatbaar voor vervreemding of verpanding.
-2. Bijzondere bijstand is
niet vatbaar voor beslag.
-3. Beslag op algemene
bijstand is slechts geldig voor zover de betrokkene blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-4. Een machtiging tot het
in ontvangst nemen van de bijstand, onder welke vorm of welke
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-5. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
§ 2.
Terugvordering
Art. 78.
-1. Kosten van bijstand
worden door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de
regels aangegeven in deze paragraaf.
-2. Het in aanmerking
nemen van over de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen wordt
niet als terugvordering beschouwd.
-3. Indien, gelet op de
omstandigheden van persoon en gezin, daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden
afgezien.
-4. Buiten de gevallen
aangegeven in deze paragraaf vindt geen terugvordering plaats.
Art. 79.
Indien ten aanzien van
een tot het gezin behorende persoon toepassing is gegeven aan artikel
13, vierde lid, wordt het verschil tussen de verleende bijstand en de
bijstand welke, zonder die toepassing, als gezinsbijstand zou zijn
verleend, teruggevorderd van de in artikel 13, tweede lid, bedoelde
personen naar de mate waarin met hun middelen bij de verlening van
gezinsbijstand rekening zou zijn gehouden.
Art. 80.
Burgemeester en
wethouders vorderen een ingevolge artikel 74 verleend voorschot terug
van de belanghebbende voor zover zij na onderzoek vaststellen dat
over de betrokken periode geen recht op bijstand bestaat.
Art. 81.
-1. Indien de verplichting,
bedoeld in artikel 65, of een andere aan de bijstand verbonden verplichting door belanghebbende niet of niet
behoorlijk is nagekomen
dan wel indien de bijstand is verleend op grond van omstandigheden te
wijten aan het feit dat hij blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de
bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand.
-2. Terugvordering als in
het eerste lid bedoeld vindt eveneens plaats voor zover anderszins de
bijstand tot een te hoog bedrag of geheel ten onrechte is verleend en
de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
Art. 82.
Kosten van bijstand
worden van de belanghebbende teruggevorderd voor zover:
a. hij naderhand met
betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in
hoofdstuk
IV, afdeling 3, beschikt
of kan beschikken;
b. bijstand is verleend
met een bepaalde bestemming en naderhand door hem vergoedingen of
tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die
bestemming.
Art. 83.
-1. Kosten van bijstand
verleend in de vorm van geldlening worden ingevolge deze paragraaf
van de belanghebbende teruggevorderd indien hij de hieruit
voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
-2. Kosten van bijstand
voortvloeiende uit gestelde borgtocht worden van de hoofdschuldenaar
teruggevorderd.
Art. 84.
-1. Indien de bijstand op
grond van artikel 13, tweede lid, is verleend, worden voor de toepassing
van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat
artikel bedoelde personen.
-2. Indien de bijstand op
grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand had moeten worden
verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende
de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede
teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten
worden gehouden.
-3. De in het eerste en
tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten
van bijstand.
Art. 85.
-1. Terugvordering
geschiedt door burgemeester en wethouders van de gemeente
die de bijstand
heeft verleend.
-2. Indien een gemeente
ingevolge artikel 64, vierde lid, gehouden is kosten van bijstand over
een bepaalde periode aan een andere gemeente te vergoeden, geschiedt
de terugvordering over die periode, voor zover zij nog niet heeft
plaatsgehad, door burgemeester en wethouders van eerstgenoemde gemeente.
Art. 86.
-1. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, alsmede de termijnen waarbinnen betaling wordt verlangd.
-2. Een besluit tot
terugvordering kan ambtshalve of op schriftelijke aanvraag van de belanghebbende worden herzien op grond van gewijzigde
omstandigheden.
-3. De persoon van wie
kosten van bijstand worden teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering ingevolge deze paragraaf van belang
zijn.
Art. 87.
-1. Behoudens in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 82 en 83, worden kosten van bijstand die
meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot
terugvordering zijn gemaakt niet teruggevorderd.
-2. Voor de toepassing van
artikel 81, tweede lid, bedraagt de in het eerste lid bedoelde termijn twee jaar.
-3. De termijnen, genoemd
in het eerste en het tweede lid, staan niet in de weg aan latere tenuitvoerlegging van het besluit tot terugvordering.
Art. 88.
-1. De vordering tot de
nakoming van een besluit tot terugvordering wordt ingediend bij de kantonrechter.
-2. Op de vordering is het
bepaalde in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
-3. De gemeente is geen
vast recht en geen vergoeding voor de deurwaarder verschuldigd,
met uitzondering van het uitbrengen van exploiten.
Art. 89.
-1. De vorderingen
ingevolge deze paragraaf zijn bevoorrecht en volgen onmiddellijk na die in
artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
-2. Indien de kosten op
verschillende tijdstippen zijn gemaakt, heeft de terugvordering van de
eerstgemaakte kosten voorrang.
Art. 90.
Onder kosten van bijstand
in de zin van deze paragraaf wordt verstaan de door de gemeente
betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand
verstrekt krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de
ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet verrekend
kunnen worden met de belastingdienst en de bedrijfsvereniging.
Art. 91.
Op het executoriaal
beslag tot terugvordering ingevolge deze paragraaf door de gemeente
op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene van wie
wordt teruggevorderd,
zijn de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de
raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid
komt gelijkelijk toe aan de gemeente.
HOOFDSTUK
VII
Verhaal
Art. 92.
-1. Kosten van bijstand
worden door de gemeente verhaald in de gevallen en naar de regels aangegeven in dit hoofdstuk.
-2. De gemeente kan van
verhaal geheel of gedeeltelijk afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt
gezocht of degene die de
bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.
-3. Buiten de gevallen
aangegeven in dit hoofdstuk vindt geen verhaal plaats.
Art. 93.
Kosten van bijstand
worden tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald:
a. op degene die bij het
ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot
of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op
het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet
of niet behoorlijk nakomt;
b. op degene die zijn
onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;
c. op degene die zijn
onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind
aan wie bijzondere bijstand is verleend.
Art. 94.
Een overeenkomst waarbij
echtgenoten of gewezen echtgenoten hebben bepaald dat na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of
ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed de één tegenover de ander in het
geheel niet dan wel slechts tot een bepaald bedrag tot een uitkering
tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden, al dan niet met het beding,
bedoeld in artikel 159 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, staat niet in de weg aan verhaal op
één der partijen en
laat de vaststelling van
het te verhalen bedrag onverlet.
Art. 95.
Bij de beoordeling van
het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in de artikelen 93 en
94 en
de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden
die van belang zijn in
het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot
welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding
van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en
bed zou moeten worden toegekend.
Art. 96.
-1. Indien een
rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen,
wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak.
-2. Het besluit tot
verhaal overeenkomstig het eerste lid wordt bij brief medegedeeld aan degene op
wie wordt verhaald, met de aanmaning het verschuldigde binnen
dertig dagen na verzending van de brief te voldoen.
-3. Degene op wie wordt
verhaald, kan binnen de termijn van het tweede lid tegen het besluit in
verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank. Het verzet kan
niet gegrond zijn op de bewering dat de uitkering tot onderhoud
ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Indien tijdig verzet is
gedaan, wordt de invordering eerst voortgezet zodra het verzet is ingetrokken
of ongegrond verklaard.
-4. Indien aan de
aanmaning geen gevolg wordt gegeven, is de gemeente, met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt, bevoegd
tot invordering van het
verschuldigde over te gaan.
-5. Het besluit tot
verhaal levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt
betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.
-6. De betekening en
tenuitvoerlegging van het besluit kan geschieden door de deurwaarder,
bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel
256 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
Art. 97.
-1. Het door de rechter
vastgestelde verhaalsbedrag verschuldigd ingevolge artikel 93 of
94 wordt jaarlijks met ingang van 1 januari van
rechtswege gewijzigd met
het ingevolge artikel 402a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek vast
te stellen percentage.
-2. De toepassing van het
eerste lid blijft achterwege indien de wijziging van rechtswege bij
rechterlijke uitspraak is uitgesloten.
Art. 98.
-1. Het door de rechter
vastgestelde verhaalsbedrag kan op verzoek van de gemeente
of van degene
op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd
op grond van gewijzigde omstandigheden.
-2. De gemeente kan aan de
rechter verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud
verschuldigd krachtens Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de rechter:
a. deze uitspraak zou
kunnen wijzigen op de gronden, genoemd in de artikelen 157 en 401 van
dat boek;
b. geen rekening heeft
kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking
komende gegevens en omstandigheden betreffende beide
partijen.
Art. 99.
-1. Kosten van bijstand
worden verhaald op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of
heeft ontvangen een schenking heeft gedaan, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten
tijde van de schenking de
noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen
voorzien.
-2. Het verhaal geschiedt
voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken
middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden.
Art. 100.
-1. Kosten van bijstand
worden verhaald op de nalatenschap van de persoon indien sprake is
van een situatie als bedoeld in de artikelen 79, 81 en
82 en voor zover
vóór
het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden.
-2. Kosten van bijstand
verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht worden op
de nalatenschap van de persoon verhaald.
Art. 101.
Indien een vreemdeling
hier te lande is toegelaten en een ander zich garant heeft gesteld voor
de kosten die voor de staat en andere openbare lichamen uit de toelating
voortvloeien, worden de ten behoeve van die vreemdeling gemaakte
kosten van bijstand op de garant verhaald.
Art. 102.
-1. Het besluit tot
verhaal ingevolge dit hoofdstuk, anders dan met toepassing van artikel
96, wordt door de gemeente aan degene op wie
verhaal wordt gezocht,
medegedeeld. Daarbij wordt het bedrag of worden de bedragen genoemd
waarvan, alsmede de termijn of termijnen waarbinnen, betaling
wordt verlangd. Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden
gericht tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht kan
worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.
-2. Indien de
belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan
de
gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan
overgaat, besluiten burgemeester en wethouders tot verhaal in rechte.
-3. Artikel 120 is met
betrekking tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders van
overeenkomstige toepassing.
Art.
103.
-1. Verzoekschriften met
betrekking tot verhaal in rechte ingevolge dit hoofdstuk, alsmede
verzoeken tot wijziging van een rechterlijke verhaalsuitspraak, worden ingediend bij de
rechtbank.
-2. De gemeente kan op
grond van deze afdeling in rechte optreden zonder procureur.
-3. De gemeente is geen
vast recht en geen vergoeding voor de deurwaarder verschuldigd,
met uitzondering van het uitbrengen van exploiten.
Art. 104.
-1. Behoudens in de
gevallen, bedoeld in artikel 100, tweede lid, worden kosten van bijstand die
meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot
verhaal zijn gemaakt, niet verhaald.
-2. De termijn, bedoeld in
het eerste lid, staat niet in de weg aan latere tenuitvoerlegging van een
rechterlijke uitspraak.
Art. 105.
De artikelen 89 tot en
met 91 zijn met betrekking tot het verhaal van kosten van bijstand van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
VIII
Aan de
bijstand verbonden verplichtingen
§ 1.
Algemeen
Art. 106.
Naast de verplichtingen die
ingevolge dit hoofdstuk in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan
wel daaraan door burgemeester en wethouders verbonden dienen te worden, kunnen burgemeester en
wethouders aan de bijstand
verplichtingen verbinden die strekken tot inschakeling in de arbeid in
dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, dan wel
die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand
of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het
zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
Art. 107.
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen besluiten verplichtingen als bedoeld in dit hoofdstuk
niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk
ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding
bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen
gelegen in de aard en het doel van de bijstand.
-2. Aan de ouder met een
volledige verzorgende taak voor één of meer ten laste komende kinderen,
dan wel pleegkinderen, jonger dan vijf jaar worden de verplichtingen,
bedoeld in dit hoofdstuk, niet opgelegd.
-3. Ten aanzien van een ouder
met een gedeeltelijk verzorgende taak of gehuwden die de verzorgende
taak, bedoeld in het tweede lid, gezamenlijk uitoefenen, geldt dat de verplichtingen, bedoeld in dit hoofdstuk, aan die
ouder onderscheidenlijk die
ouders worden opgelegd met dien verstande dat deze onderscheidenlijk
ieder van beiden voor de helft van de geldende volledige arbeidstijd per
week beschikbaar moet zijn voor inschakeling in de arbeid.
Art. 108.
De verplichting tot het
instellen van een vordering tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud kan slechts aan de bijstand worden
verbonden indien het
betreft een uitkering ten laste van de echtgenoot, de gewezen echtgenoot of de
ouder en die vordering kan worden ingesteld samen met een
verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed.
Art. 109.
Indien en zolang er, vanwege
het bestaan of dreigen van schulden, gegronde redenen zijn om aan
te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot
een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kunnen burgemeester en
wethouders aan de bijstand de verplichting verbinden dat
de belanghebbende eraan meewerkt dat zij in diens naam noodzakelijke
betalingen uit de toegekende bijstand verrichten.
Art. 110.
-1. Burgemeester en
wethouders verbinden aan de verlening van bijstand onder verband van
hypotheek als bedoeld in artikel 20 de verplichting dat de
belanghebbende aan de vestiging van de hypotheek meewerkt. Indien de
belanghebbende deze verplichting niet nakomt, is de verleende bijstand terstond
opeisbaar.
-2. Burgemeester en
wethouders kunnen aan het verlenen van bijstand in de vorm van een
geldlening, anders dan door vestiging van een hypotheek als bedoeld in het
eerste lid, verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere
zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en
aflossingsverplichtingen.
§ 2.
Bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening
Art. 111.
-1. De bijstand is erop
gericht de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan
te voorzien. Burgemeester en wethouders bevorderen dat de
belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die bijdragen aan diens
zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg voor voorlichting en
bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.
-2. Burgemeester en
wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de
inschakeling van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.
-3. Indien burgemeester en
wethouders premies verstrekken voor het aanvaarden of behouden van
arbeid en voor het voltooien van scholing of opleiding, vindt de
verlening daarvan plaats op grond van regels die door het gemeentebestuur bij
verordening worden vastgesteld.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
samenwerking, bedoeld in het tweede lid.
Art. 112.
-1. Burgemeester en
wethouders leggen aan de zelfstandige aan wie zij algemene bijstand of
bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal verlenen met toepassing van
artikel 8
de verplichtingen op die zij nodig achten voor een doelmatige bedrijfs- of
beroepsuitoefening.
-2. De zelfstandige aan wie
bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, is verplicht naar
behoren een administratie te voeren.
-3. Ten aanzien van de
zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep gedurende ten minste een
halfjaar niet of nagenoeg niet uitoefent, is artikel 113 van toepassing.
Art. 113.
-1. De belanghebbende die
voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op
arbeid in dienstbetrekking is verplicht:
a. naar vermogen te trachten
arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen dat
hij als werkzoekende ingeschreven is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en ingeschreven blijft;
c. passende arbeid te
aanvaarden;
d. na te laten hetgeen
inschakeling in de arbeid belemmert;
e. te voldoen aan een oproep
om in verband met de inschakeling in de arbeid op een aangegeven
plaats en tijd te verschijnen;
f. mee te werken aan een
onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid,
alsmede aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing
of opleiding;
g. mee te werken aan een
scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling
in de arbeid, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
-2. Onder passende arbeid
wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van
de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet
van hem kan worden gevergd.
Niet als passende arbeid wordt aangemerkt arbeid in een
dienstbetrekking op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening.
-3. Indien bijstand wordt
verleend aan gehuwden, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid,
voor ieder van hen.
-4. Onze Minister
kan regels
stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van één of
meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van een of meer
categorieën belanghebbenden.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het begrip
passende arbeid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Art. 114.
-1. Voor de belanghebbende
die een scholing of opleiding gaat volgen die noodzakelijk wordt
geacht voor de inschakeling in de arbeid, gelden voor de duur van die
scholing of opleiding niet de verplichtingen, genoemd in artikel
113,
eerste lid, onderdeel a en c.
-2. Onze Minister
kan regels
stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing of opleidingen
als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid, die bij de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in acht worden genomen.
Art. 115.
Indien de belanghebbende
werkzaamheden zonder beloning gaat verrichten, dient hij dit zo
spoedig mogelijk te melden aan burgemeester en wethouders.
HOOFDSTUK
IX
Uitvoering,
advisering en toezicht
§ 1.
Verantwoordelijkheid
voor de uitvoering
Art. 116.
De uitvoering van deze wet
berust bij burgemeester en wethouders.
Art. 117.
-1. Burgemeester en
wethouders voeren ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering
en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat
de juiste, volledige en tijdige vastlegging zijn gewaarborgd van:
a. de beslissingen over
aanvragen, onderzoeken, uitkeringen, vorderingen en verplichtingen en de
hieruit voortvloeiende betalingen en ontvangsten;
b. de hierop betrekking
hebbende bescheiden;
c. het onderzoek dat is
verricht naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en de
overgelegde bescheiden.
-2. Onze Minister
stelt, na
overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, regels aangaande de
in het eerste lid bedoelde administratie.
Art. 118.
-1. Het gemeentebestuur
draagt zorg voor de totstandkoming van een plan en een beleidsverslag
als bedoeld in artikel 110 van de Gemeentewet
gericht op:
a. de bevordering van een
rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de
bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van
misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; en
b. de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening door middel van inschakeling van arbeid
in dienstbetrekking.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde plan en beleidsverslag worden elk kalenderjaar vastgesteld.
-3. Het deel van het plan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste een beschrijving
van de wijze waarop burgemeester en wethouders:
a. toepassing geven aan
artikel 66, eerste tot en met vijfde lid, en artikel
122;
b. zorg dragen voor een
toereikende controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 65, eerste lid, en voor de strafrechtelijke of bestuursrechtelijke
afdoening ingeval van niet-nakoming van deze verplichting.
-4. Het deel van het plan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat ten minste een beschrijving
van de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan de samenwerking
als bedoeld in artikel 111, tweede lid, en de daarover gemaakte
afspraken.
-5. Onze Minister
kan nadere
regels stellen omtrent de voorwaarden waaraan het plan en het
beleidsverslag dienen te voldoen indien daarmee tevens een gebruik
ten behoeve van het toezicht wordt beoogd.
Art. 119.
Burgemeester en wethouders
dragen zorg voor een doeltreffende voorlichting in de gemeente
aangaande de verlening van bijstand.
Art. 120.
-1. De gemeenteraad kan
burgemeester en wethouders machtigen het nemen van besluiten inzake
de verlening van bijstand op te dragen aan gemeenteambtenaren, zulks onder nader door burgemeester en
wethouders te stellen regels
en onder behoud van hun verantwoordelijkheid.
-2. De in het eerste lid
bedoelde opdracht kan zich niet uitstrekken tot het beschikken op bezwaarschriften en tot het instellen van beroep.
-3. Het eerste en het tweede
lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van organen,
ingesteld bij of krachtens de wet, ter behartiging van belangen waarbij meer
dan één gemeente is betrokken.
§ 2.
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 121.
-1. Ieder is verplicht
desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan burgemeester en wethouders
kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten
en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet
ten opzichte van een persoon te wiens behoeve bijstand is gevraagd
of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve werkt
of heeft gewerkt. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten
van een persoon van wie kosten van bijstand ingevolge hoofdstuk VI
worden of kunnen worden teruggevorderd of op wie kosten van bijstand ingevolge
hoofdstuk VII worden of kunnen
worden verhaald.
-2. De opgaven en
inlichtingen moeten desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door burgemeester en wethouders
schriftelijk te stellen termijn worden verstrekt.
Art. 122.
-1. De hieronder vermelde
instanties zijn verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders
kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten;
b. de rijksbelastingdienst,
de zorgverzekeraars en de Ziekenfondsraad;
c. het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, de bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake
vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen
of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 7 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers als
inkomen worden aangemerkt;
d. de Kamers van Koophandel
en Fabrieken en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
e. de korpschef in de zin
van de Vreemdelingenwet;
f. Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betreffende de
toepassing van de Wet individuele huursubsidie;
g. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
op de studiefinanciering en
de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
h. Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreffende de omvang van de
productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de
agrarische sector;
i. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de personen die rechtmatig hun vrijheid is
ontnomen;
j. de instanties en personen
die woonruimte verhuren;
k. de instanties die in het
kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren.
-2. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders kosteloos alle gegevens en uittreksels of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-3. De in het eerste en het
tweede lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van
bijstand worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk VI of op
wie deze worden of kunnen worden verhaald ingevolge hoofdstuk VII;
b. die hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan
worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve
bijstand is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van
bijstand worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk VI
of op
wie deze worden of kunnen worden verhaald ingevolge hoofdstuk VII.
-4. De in het eerste en
tweede lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs
kan worden verlangd, en zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van
het verzoek hiertoe, verstrekt.
-5. De in het eerste lid,
onderdeel a tot en met i, genoemde instanties treffen desgevraagd met
burgemeester en wethouders een regeling met betrekking tot de mededeling
van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en
inlichtingen.
-6. Onze Minister
kan nadere
regels stellen omtrent de inhoud van de in het vijfde lid bedoelde
regelingen en de wijze waarop deze vorm worden gegeven.
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het
eerste en het tweede lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen,
bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, eveneens gelden, voor
zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven met betrekking tot inkomen
en vermogen.
-8. Bij de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in het zevende lid, kan tevens worden bepaald
dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
Art. 123.
-1. Het is een ieder verboden
hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze
wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven
of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid
vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk
voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens
betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te
hebben;
c. de gegevens niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan
derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van
de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
-4. Degene die op grond van
de artikelen 121 tot en met 125 gegevens verstrekt, dient na te gaan
of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs
bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Art. 124.
Burgemeester en wethouders
zijn verplicht indien zij bij de uitvoering van deze wet het gegronde
vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een uitvoeringsorgaan van de
socialeverzekeringswetten
of van een overheidsorgaan, voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen,
het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het
betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
Art. 125.
-1. Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd,
onverminderd artikel 48 van de Vreemdelingenwet, uit de administratie
ter zake
van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde
organen en personen kosteloos de gegevens te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de hierbij vermelde wetten of
wettelijke regelingen:
a. de instellingen en
personen, genoemd in artikel 50a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering, voor de uitvoering van die wet of de wettelijke regelingen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet;
b. de rijksbelastingdienst
voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting of premies
volksverzekeringen;
c. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de
Wet
Werkloosheidsvoorziening, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
d. de Sociale
Verzekeringsbank voor de uitvoering van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet en de Algemene
Kinderbijslagwet;
e. de Ziekenfondsraad en de
ziekenfondsen voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke
levenssfeer van de betrokkenen daardoor onevenredig wordt geschaad.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin
en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt.
Art. 126.
-1. In de administratie van
de gemeente ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het
sociaal-fiscaal nummer opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de
rijksbelastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van
gegevens door burgemeester en wethouders en de in artikel 122 en
125
genoemde organen en personen wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit
sociaal-fiscaal nummer.
Art. 127.
Ten behoeve van het gebruik
van het sociaal-fiscaal nummer in de in artikel 117 bedoelde
administratie kent Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met
Onze Minister, aan de uitkeringsgerechtigden die niet reeds ten behoeve van
de belastingheffing bij de rijksbelastingdienst zijn
geregistreerd een
sociaal-fiscaal nummer toe.
Art. 128.
Indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is
of het gegronde vermoeden heeft dat een omstandigheid als bedoeld in
artikel 14, tweede lid, zich voordoet, geeft zij van dit oordeel of vermoeden
onverwijld schriftelijk kennis aan burgemeester en wethouders, onder
vermelding van de gronden waarop het oordeel of vermoeden steunt.
§ 3.
Adviesorgaan
Art. 129.
Een commissie als bedoeld in
artikel 43 van de Wet
op de bedrijfsorganisatie dient Onze Minister
desgevraagd of uit eigen beweging van advies omtrent onderwerpen betreffende deze wet.
§ 4.
Toezicht
Art. 130.
-1. Onze Minister
is belast
met het toezicht op de uitvoering van deze wet.
-2. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle
inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft en
verlenen hem inzage in de administratie, bedoeld in artikel
117.
Art. 131.
Onze Minister kan aan
burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de
gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen,
aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet. Hij
treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.
§ 5.
Beleidsinformatie
Art. 132.
-1. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister
de inlichtingen die
hij voor de informatievoorziening en de beleidsvorming met
betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.
Art. 133.
Burgemeester en wethouders
zijn verplicht ten behoeve van de statistiek gegevens inzake
de uitvoering van deze wet te verzamelen en kosteloos te verstrekken
volgens door Onze Minister, de Centrale Commissie voor de Statistiek
gehoord, te stellen regels.
HOOFDSTUK
X
Financiering
Art. 134.
-1. Het Rijk vergoedt 90 procent van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten van:
a. algemene bijstand,
waaronder begrepen de in artikel 26, vierde lid, bedoelde loonbelasting,
premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn, voor zover de algemene bijstand niet is verleend
als een toeslag op grond van artikel 33 of bij wijze van voorschot op grond van
artikel 74; en
b. bijstand ter voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal.
-2. In afwijking van het
eerste lid is de vergoeding 100 procent voor zover het bijstand betreft
die is verleend met toepassing van artikel 63, tweede lid.
-3. Voor de vaststelling van
de in het eerste en tweede lid bedoelde ten laste van de gemeente
gebleven kosten van algemene bijstand worden de in aanmerking genomen inkomsten van de belanghebbende en de
verlaging van de uitkering
op grond van artikel 14 en alle ontvangsten van de gemeente in verband met
de verlening van algemene bijstand voor dat deel in mindering gebracht
op de in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en
3, bedoelde bijstandsnorm
dat overeenkomt met de verhouding tussen die bijstandsnorm en de som
van die bijstandsnorm en de toeslag op grond van artikel
33.
-4. Burgemeester en
wethouders declareren de in een kalenderjaar gemaakte kosten, bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid, door middel van een kostenopgave over
dat jaar. Deze opgave is voorzien van een verklaring van de deskundige belast met de in artikel 213 van de
Gemeentewet voorgeschreven
controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister
stelt
regels inzake:
a. de wijze en het tijdstip
van declareren, alsmede de daarbij door burgemeester en wethouders
nader te verstrekken gegevens;
b. de in het vierde lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
Art. 135.
-1. Het Rijk verleent op
verzoek van de gemeente voorschotten op de in artikel
134, eerste en
tweede lid, bedoelde vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering
van deze wet door burgemeester en wethouders, dan wel de
administratie, bedoeld in artikel 117, ernstige tekortkomingen vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan
uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister stelt
regels aangaande het verlenen van voorschotten.
Art. 136.
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding, bedoeld in artikel 134, eerste en tweede lid, vast binnen
één
jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel
134,
vierde lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel
134, vierde lid, kan Onze Minister de
vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een
vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde
vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen, indien:
a. het bijstand betreft die
is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het
bepaalde bij en krachtens paragraaf 2, 3,
4, 5 en 6 van hoofdstuk V en de
artikelen 111, 117 en 118;
c. het bijstand betreft die
niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk VI en VII is of wordt teruggevorderd of verhaald.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van het derde lid.
Art. 137.
-1. Onze Minister
kan ten
laste van ’s Rijks kas aan gemeenten
een uitkering verstrekken ter
vergoeding van uitvoeringskosten in verband met:
a. aan derden opgedragen
onderzoek en rapportage inzake de verlening van bijstand aan
zelfstandigen;
b. de verlening van bijstand
met toepassing van artikel 63, tweede lid.
-2. Met betrekking tot het
eerste lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere
regels gesteld.
HOOFDSTUK
XI
Rechtsbescherming
Art. 138.
Voor de toepassing van
artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt met een
besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of
terugvordering van bijstand
of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.
Art. 139.
-1. Een vreemdeling die niet
is een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of
artikel 12,
eerste lid, kan tegen een besluit beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep. Artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.
-2. Artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Art. 140.
-1. Ingeval burgemeester en
wethouders geen of ontoereikend toepassing hebben gegeven
aan artikel 74 kan de voorzitter van gedeputeerde
staten, indien naar zijn
oordeel de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is, op
verzoek van de belanghebbende besluiten dat burgemeester en wethouders
algemene bijstand verlenen.
-2. De beslissing van de
voorzitter van gedeputeerde staten vervalt zodra de beslissing van
burgemeester en wethouders inzake de verlening van algemene bijstand onherroepelijk is geworden dan wel de
rechtbank
op het beroep heeft beslist.
De beslissing vervalt eveneens met ingang van de datum waarop een door
de president van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening in
werking treedt.
-3. De in het eerste lid
bedoelde bijstand wordt bij wijze van voorschot verleend met inachtneming
van artikel 25.
HOOFDSTUK
XII
Strafbepalingen
Art. 141.
-1. Degene die in strijd met
de waarheid een opgave doet of enig gegeven verzwijgt, met het
oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degene voor wie hij optreedt
bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden, wordt
gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete
van de vierde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een misdrijf.
Art. 142.
-1. Degene die de
verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet of niet behoorlijk
nakomt,
waardoor bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van
de derde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
Art. 143.
-1. Natuurlijke personen en
niet-publiekrechtelijke organen die niet voldoen aan de verplichting
omschreven in de artikelen 121 en 122 of die ter zake onjuiste
inlichtingen verstrekken, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand of
een geldboete van de tweede categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
HOOFDSTUK
XIII
Slotbepalingen
Art. 144.
-1. Onze Minister
kan op hun
verzoek gemeenten aanwijzen waarvan burgemeester en wethouders
bevoegd zijn om bij wijze van experiment, in verband met het
onderzoeken van een meer doelmatige bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening en van sociale activering van bijstandsgerechtigden, bij
de uitvoering van deze wet af te wijken van het
bepaalde bij of krachtens de
artikelen 8, tweede, vijfde en zesde lid, 43, tweede lid, onderdeel h en
i, en vierde lid, 72, 73, 106,
111, 113 en 115.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de criteria
aan de hand waarvan Onze Minister beslist op verzoeken om aanwijzing als
bedoeld in het eerste lid.
-3. Aan een aanwijzing kunnen
voorschriften worden verbonden met het oog op een goede uitoefening
van de daarbij betrokken bevoegdheden en de beoordeling van de doeltreffendheid en de effecten daarvan in de
praktijk.
-4. Bij een aanwijzing
bepaalt Onze Minister:
a. van welke van de in het
eerste lid genoemde bepalingen mag worden afgeweken;
b. op welke wijze en in
hoeverre afwijkingen zijn toegestaan;
c. de periode gedurende
welke de bevoegdheid tot afwijking bestaat.
-5. Een aanwijzing kan vóór
het einde van de periode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, worden
ingetrokken:
a. op verzoek van
burgemeester en wethouders;
b. indien in strijd met het
bepaalde bij en krachtens dit artikel wordt gehandeld;
c. indien de toepassing
ervan niet, niet langer of in onvoldoende mate aan de beoogde doelstellingen blijkt te beantwoorden.
-6. Aan de intrekking van een
aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op een
goede regeling van de gevolgen daarvan.
-7. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de termijn waarbinnen een
verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden gedaan;
b. de inhoud van een
verzoek, alsmede de gegevens en bescheiden die daarbij moeten worden
overgelegd;
c. het aantal verzoeken dat
ten hoogste kan worden ingewilligd.
-8. Indien de belanghebbende
een verplichting die met toepassing van dit artikel aan de bijstand
is verbonden niet of niet behoorlijk is nagekomen, is artikel 14 van overeenkomstige toepassing.
-9. Indien met toepassing van
dit artikel bijstand aan een zelfstandige wordt verleend, is artikel
112 van overeenkomstige toepassing.
-10. Onze Minister kan
gedurende de periode waarbinnen toepassing kan worden gegeven aan dit
artikel opnieuw een termijn bepalen voor het indienen van verzoeken als
bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal van de verzoeken dat alsdan
ten hoogste kan worden ingewilligd.
-11. Bij ministeriële
regeling kunnen voorzieningen worden getroffen voor onvoorziene gevallen.
-12. Zolang toepassing wordt
gegeven aan dit artikel zendt Onze Minister telkens na twee
jaar een verslag dienaangaande aan de Staten-Generaal.
Art. 145.
-1. In het belang van een
goede uitvoering van het bij deze wet bepaalde kunnen bij algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld.
-2. Onze Minister
kan,
wanneer hij overweegt een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van
bestuur te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een
onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde
maatregel regels stellen.
-3. De regeling, bedoeld in
het tweede lid, blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur in
werking treedt, doch uiterlijk tot twaalf maanden na de dag van inwerkingtreding.
Art. 146.
Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding
van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet of
onderdelen daarvan in de praktijk.
Art. 147.
-1. Artikel 144 vervalt vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan de in het eerste lid genoemde periode eenmaal
worden verlengd met ten hoogste twee jaar.
Art. 148.
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden
gesteld.¹
1. Bij Besluit
van 12 april 1995, Stb. 1995, 201, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1996, red.
Art. 149.
Deze wet kan worden
aangehaald als: Algemene bijstandswet.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
12 april 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de dertiende
april
1995
De Minister van Justitie
a.i.,
H.F. Dijkstal
|
|