|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1991-1992,
1992-1993, 1993-1994, 1994-1995, 22 614.
Handelingen II 1994-1995, blz. 1002-1031, 1067-1068.
Kamerstukken I 1994-1995, 22 614 (76, 75b, 75c, 75d, 75e, 75f).
Handelingen I 1994-1995, zie
vergadering d.d. 11 april 1995.
1. Waar de in deze wet
genoemde artikelen van de Ioaw en Ioaz
ingevolge artikel 57 zijn vernummerd, heeft de redactie
achter die artikelen het nieuwe artikelnummer tussen hoekhaken vermeld.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET van 12 april 1995, Stb.
1995, 200, houdende invoering van een nieuwe Algemene bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet). Inwerkingtreding: 1 januari 1996 (Stb.
1995,
201). Vervallen met ingang van 1 januari 2004 (artikel
2, eerste lid, IWwb).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking
tot de intrekking van de Algemene Bijstandswet en de invoering van de
nieuwe Algemene bijstandswet;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Algemene Bijstandswet: de Algemene Bijstandswet en de daarop
berustende besluiten, zoals deze luidden op de peildag;
c. nieuwe Algemene bijstandswet: de Algemene bijstandswet en de daarop
berustende besluiten;
d. peilmaand: de kalendermaand voorafgaand aan de inwerkingtreding van
de nieuwe Algemene bijstandswet;
e. peildag: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe
Algemene bijstandswet.
Art. 2.
Het toezicht op de uitvoering van hoofdstuk II van deze wet berust bij
Onze Minister. Artikel 130 van de nieuwe Algemene
bijstandswet is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
II
Overgangsbepalingen
§ 1. Algemeen
Art. 3.
De Algemene
Bijstandswet wordt ingetrokken.
Art. 4.
-1. De Algemene
Bijstandswet blijft gedurende ten hoogste twaalf maanden na de
inwerkingtreding van de nieuwe Algemene
bijstandswet van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand
recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd.
-2. De in het eerste lid bedoelde toepassing van de Algemene
Bijstandswet eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar
aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een
nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin
optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk
IV, afdeling 1,
paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Algemene bijstandswet tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te
leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw
besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben getroffen; dan
wel
c. zodra in het betreffende geval gedurende ten minste
één kalendermaand
geen recht op algemene bijstand heeft bestaan.
-3. Zolang het eerste lid van toepassing is, blijven de besluiten
inzake de verlening van bijstand die burgemeester en wethouders op grond
van de Algemene
Bijstandswet ten aanzien van de betrokkenen hebben genomen van kracht.
-4. Besluiten van burgemeester en wethouders op grond van de Algemene
Bijstandswet inzake terugvordering of anderszins terugbetaling van
reeds verleende bijstand, inzake verhaal van reeds verleende of nog te
verlenen bijstand en inzake borgstelling, die op de peildag van kracht
zijn, blijven van kracht tot het moment waarop zich in het betrokken geval
een zodanige wijziging van de omstandigheden voordoet of heeft voorgedaan
dat een herziening van het besluit dient plaats te vinden. Indien bijstand
is verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel
7a van de Algemene Bijstandswet, blijven bij herziening van het
besluit de aan de reeds gevestigde hypotheek verbonden verplichtingen en
bedingen van kracht.
-5. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid bijstand is
verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel
7a van de Algemene Bijstandswet en op de peildag de hypotheek
nog niet is gevestigd, wordt deze gevestigd met inachtneming van de
krachtens artikel 20, zevende lid, van de nieuwe
Algemene
bijstandswet gestelde regels.
Art. 5.
-1. Burgemeester en wethouders stellen tijdig ten aanzien van de in
artikel 4, eerste lid, bedoelde persoon een onderzoek in naar de
rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de nieuwe Algemene
bijstandswet zal leiden inzake het recht op bijstand en de daaraan
verbonden verplichtingen.
-2. Op het onderzoek is het bepaalde bij of krachtens de artikelen
65, 66, eerste, tweede en derde lid, 69,
71, 121 en 122 van de nieuwe
Algemene
bijstandswet van overeenkomstige toepassing.
-3. Uiterlijk twaalf maanden na de peildag nemen burgemeester en
wethouders naar aanleiding van het onderzoek een besluit inzake de
verlening van bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen, onder
vermelding in het besluit van de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van
de nieuwe Algemene
bijstandswet in het betreffende geval leidt. Op dit besluit is artikel
70 van de nieuwe Algemene
bijstandswet van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien de in het derde lid bedoelde toepassing leidt tot
wijziging van de hoogte van de algemene bijstand, wordt in het besluit
vermeld dat genoemde wijziging ingaat op het tijdstip gelegen twaalf maanden
na de peildag. Tot dat tijdstip blijft, onverminderd de algemene
periodieke aanpassing van de uitkeringshoogte en artikel 4, tweede lid,
onderdeel b en c, de hoogte van de algemene bijstand
gehandhaafd op het niveau waarop de belanghebbende onmiddellijk
voorafgaande aan het onderzoek recht had.
-5. Indien uit het onderzoek, of bij een eerdere gelegenheid na de
peildag, blijkt dat omtrent de verlening van bijstand, gelet op artikel 63
van de nieuwe Algemene
bijstandswet, dient te worden beslist door burgemeester en wethouders
van een andere gemeente, dragen burgemeester en wethouders zorg voor
onverwijlde overdracht van het betreffende geval en van de daarop
betrekking hebbende stukken aan burgemeester en wethouders van die
gemeente, onder gelijktijdige melding hiervan aan de belanghebbende.
Burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente nemen de verlening
van bijstand onverwijld over en geven daarbij toepassing aan het eerste
tot en met het vierde lid. Artikel 64 van de nieuwe
Algemene
bijstandswet is van overeenkomstige toepassing.
Art. 6.
-1. Ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op
algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd, en voor
wie voor het eerst verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid in
dienstbetrekking aan de uitkering worden verbonden, wordt uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van de nieuwe
Algemene
bijstandswet een onderzoek verricht als bedoeld in artikel
66, vijfde
lid, van die wet.
-2. Ten aanzien van degene aan wiens uitkering op de peildag reeds
voorwaarden tot inschakeling in de arbeid op grond van de Algemene
Bijstandswet zijn verbonden, kan het onderzoek gericht op de
inschakeling in de arbeid achterwege blijven, tenzij burgemeester en
wethouders van oordeel zijn dat een dergelijk onderzoek alsnog dient
plaats te vinden.
Art. 7.
-1.
Onze Minister kan op verzoek van burgemeester en wethouders van
een gemeente de termijn, bedoeld in artikel
4, eerste lid, met ten hoogste
drie maanden verlengen indien zij aannemelijk kunnen maken dat zij door
bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet in staat zijn binnen deze
termijn uitvoering te geven aan deze paragraaf. Het verzoek dient binnen
zes maanden na de peildag te zijn ingediend, vergezeld van een plan waarin
wordt aangegeven op welke wijze burgemeester en wethouders uitvoering
zullen geven aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid.
-2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt in het
betreffende geval bij toepassing van artikel 4, eerste lid, en
artikel 5,
derde en vierde lid, in plaats van "twaalf maanden" telkens gelezen:
twaalf maanden vermeerderd met de verlenging op grond van het eerste lid.
§ 2. Het recht op
en de hoogte van de bijstand
Art. 8.
-1.
Onze Minister kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich
in het buitenland bevindt, voortzetten ten aanzien van:
a. degene die in de peilmaand bijstand ontving op grond van artikel
82 of artikel
95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk
voorafgaand aan de peildag bijstand ontving op grond van artikel
82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd,
indien belanghebbende binnen 26 weken na de peildag opnieuw bijstand
aanvraagt.
-2. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de
omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening
houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter
plaatse.
-3. De hoofdstukken II, III,
VII en VIII, alsmede paragraaf 2 van
hoofdstuk VI en het bepaalde bij of krachtens de artikelen
65, 66, eerste,
tweede en derde lid, 69, 70, eerste en tweede
lid, en 71 van de nieuwe Algemene
bijstandswet, zijn, voor zover de omstandigheden het toelaten, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de
plaats treedt van burgemeester en wethouders.
-4. Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die
werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten
aanzien van het betreffende geval niet langer van toepassing.
Art. 9.
Ten aanzien van degenen voor wie in de peilmaand de verlening van bijstand
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
geschiedde met toepassing van artikel V, tweede of derde lid, van het
Besluit houdende wijziging van het Bijstandsbesluit
landelijke normering met betrekking tot de hoogte van de uitkering
voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar en het stellen van nadere
voorwaarden voor de hoogte van de uitkering op grond van dat besluit voor
personen van 18 tot 21 jaar (Stb. 1992, 240) blijven genoemde
artikelleden van toepassing.
Art. 10.
-1. Artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de nieuwe
Algemene
bijstandswet is niet van toepassing op de belanghebbende die in de
peilmaand algemene bijstand ontving en voor wie voor de vaststelling van
het recht op en de hoogte van de algemene bijstand het inkomen in
beschouwing wordt genomen dat werd ontvangen in de periode voorafgaand aan
de periode waarover het recht op bijstand wordt vastgesteld.
-2. Zodra in een geval als bedoeld in het eerste lid gedurende ten
minste één kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan, is
het eerste lid ten aanzien van dat geval niet langer van toepassing.
Art. 11.
-1. In afwijking van artikel 52 van de nieuwe
Algemene
bijstandswet wordt voor de belanghebbende die in de peilmaand algemene
bijstand ontving en voor wie in die maand toepassing werd gegeven aan artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Bijstandswet,
eveneens niet tot het vermogen gerekend het voor opleiding bestemde
vermogen, mits voldoende waarborgen bestaan dat het vermogen voor deze
bestemming zal worden aangewend en de bestemming zelf, gelet op alle
omstandigheden, verantwoord moet worden geacht.
-2. Zodra in een geval als bedoeld in het eerste lid gedurende ten
minste één kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan, is
het eerste lid ten aanzien van dat geval niet langer van toepassing.
§ 3. Het geldend
maken van het recht op bijstand en de betaling
Art. 12.
-1. Op een aanvraag tot het verlenen van bijstand die is ingediend
vóór of
op de peildag en ten aanzien waarvan op die dag nog geen besluit is
genomen, wordt beslist met toepassing van:
a. de Algemene
Bijstandswet, behoudens artikel 7a, indien het recht op
bijstand ingaat vóór of op de peildag;
b. de nieuwe Algemene bijstandswet indien het recht op bijstand ingaat na de peildag.
-2. Ten aanzien van een geval als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, zijn de artikelen 4 en 5 van toepassing.
-3. Ten aanzien van een geval als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, waarin sprake is van bijstandverlening in de vorm van
geldlening onder verband van hypotheek, is het bepaalde bij en krachtens
artikel 20 van de nieuwe Algemene
bijstandswet van toepassing.
Art. 13.
-1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, in afwijking van
artikel 73, eerste lid, van de nieuwe Algemene
bijstandswet, ten aanzien van de belanghebbende die in de peilmaand
algemene bijstand ontving en aan wie deze bijstand werd uitbetaald over
een kortere periode dan één kalendermaand of op een eerder tijdstip dan
aan het einde van de kalendermaand de genoemde wijze van betalen voort te
zetten.
-2. Zodra in een geval als bedoeld in het eerste lid gedurende ten
minste één kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan, is
het eerste lid ten aanzien van dat geval niet langer van toepassing.
§ 4.
Bezwaar- en
beroepschriften
Art. 14.
-1. Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de peildag is
ingediend en waarop op die datum nog niet is beslist, alsmede op een
bezwaar- of beroepschrift dat na de peildag is ingediend en dat betrekking
heeft op bijstandverlening waarop ingevolge artikel
4 de Algemene Bijstandswet van toepassing is, wordt beslist met
toepassing van de Algemene
Bijstandswet.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op verzoeken
als bedoeld in artikel
45 van de Algemene Bijstandswet en verzoeken om een voorlopige
voorziening als bedoeld in artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Over de periode waarin
ingevolge artikel 4 op de bijstandverlening de Algemene
Bijstandswet van toepassing is, blijft artikel 74 van de nieuwe
Algemene
bijstandswet ten aanzien van de belanghebbende buiten toepassing.
§ 5.
Financiering
Art. 15.
-1. Ten aanzien van de vergoeding van kosten
van algemene bijstand door het Rijk, alsmede het niet aanvaardbaar
verklaren van kosten van algemene bijstand, over tijdvakken vóór
of op de peildag, blijft het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk
IV, paragraaf 1 en 2, en artikel 81c van de Algemene
Bijstandswet van toepassing.
-2.
Hoofdstuk X van de nieuwe Algemene
bijstandswet is van overeenkomstige toepassing op de kosten van
algemene bijstand verleend op grond van deze wet.
Art. 16.
-1.
Hoofdstuk X van de nieuwe
Algemene
bijstandswet is van overeenkomstige toepassing op de kosten van de
toeslag, bedoeld in artikel 33 van die wet,
voor zover deze is verleend over een tijdvak gelegen binnen drie jaren
na de peildag.
-2. Voor de vaststelling van de
rijksvergoeding, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing:
a. betalingen door en ontvangsten
van de gemeente voor zover deze plaatsvinden
later dan drie maanden na afloop van het in het eerste lid bedoelde
tijdvak;
b. inkomsten ontvangen door de
belanghebbende voor zover burgemeester en wethouders daarvan na het in
onderdeel a bedoelde tijdstip kennis hebben genomen.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing
op de overeenkomstig artikel 73, derde lid, van de
nieuwe Algemene
bijstandswet verrichte betaling van vakantietoeslag
over de in het eerste lid bedoelde kosten van bijstand.
-4. Onze Minister kan een vergoeding geheel
of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel of
gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen indien niet voldaan is aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 38 van de nieuwe
Algemene
bijstandswet.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van het vierde lid.
HOOFDSTUK III
Wijziging van andere wetten
AFDELING 1
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Art. 17.¹
[MvT
+ bis]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Stb. 1987, 92) wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT
+ bis]
Artikel 1 wordt vervangen door:
Art. 1.
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
betrokken;
b. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
c. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in
artikel 11;
d. Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de organisatie, bedoeld in artikel 2
van de Arbeidsvoorzieningswet;
e. nettominimumloon: de som van het nettominimumloon en de
nettoaanspraak op de minimumvakantiebijslag als bedoeld in artikel
55, eerste
lid, van de Algemene bijstandswet;
f. nettominimumjeugdloon: het voor de betreffende leeftijd geldende
minimumloon als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag
waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat
minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in
te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel in de
ziekenfondspremie.
-2. De in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde loonbelasting en premies
volksverzekeringen worden berekend met toepassing van de groene tabellen
loonbelasting en premies volksverzekeringen over het minimumjeugdloon en
de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met het
werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie en verminderd met de premies
werknemersverzekeringen. De toe te passen tabellen zijn die voor een in
tariefgroep 2 ingedeelde werknemer. De loonbelasting en premies
volksverzekeringen, in te houden van de aanspraak op vakantiebijslag
over het minimumloon, worden berekend met toepassing van de tabel
bijzondere beloningen.
-3. Indien ingevolge één van de socialeverzekeringswetten een premie
wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt
met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het tweede
lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
B. [MvT
+ bis]
Artikel 3 wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft
van de werkloze werknemer met wie hij gehuwd is;
b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de werkloze werknemer
gehuwde persoon met wie de werkloze werknemer een gezamenlijke
huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste
graad.
-2. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee
meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk
geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-3. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van
deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het derde lid, onderdeel d.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen
voor een ander, zoals bedoeld in het tweede lid.
C. [MvT
+ bis]
Na artikel 3 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 3a [4].
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. thuisinwonende werkloze werknemer: de niet gehuwde dan wel duurzaam
gescheiden levende werkloze werknemer van 18 tot en met 20 jaar die
behoort tot het huishouden van zijn ouder(s) of pleegouder(s) en die
niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel
3, tweede
lid;
b. alleenstaande werkloze werknemer: de niet gehuwde dan wel duurzaam
gescheiden levende werkloze werknemer die niet een gezamenlijke
huishouding voert als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en die niet is
een thuisinwonende werkloze werknemer;
c. kind: het kind jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd
kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de werkloze
werknemer behoort en voor wie de werkloze werknemer op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.
D. [MvT
+ bis]
Artikel 4 [5] wordt vervangen door:
Art. 4.
-1. Recht op uitkering hebben, indien het inkomen per maand minder
bedraagt dan de overeenkomstig het derde, vierde en vijfde lid
vastgestelde grondslag:
a. de werkloze werknemer en de echtgenoot met of zonder kinderen;
b. de alleenstaande werkloze werknemer en de thuisinwonende werkloze
werknemer met één of meer kinderen;
c. de alleenstaande werkloze werknemer en de thuisinwonende werkloze
werknemer zonder kinderen.
-2. Het recht op uitkering komt de werkloze werknemer en de echtgenoot
gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de werkloze werknemer en de
echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk
verzoek aan één van hen voor het geheel.
-3. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door
Onze Minister zodanig vastgesteld dat:
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot die beiden 21 jaar of
ouder zijn, de helft van de grondslag netto gelijk is aan ƒ904,12;
b. deze voor de werkloze werknemer en de echtgenoot, waarvan één of elk
van beiden jonger dan 21 jaar is, de som bedraagt van de grondslagen die
voor elk van hen als een alleenstaande werknemer of een thuisinwonende
werkloze werknemer zou gelden doch ten hoogste de grondslag als bedoeld
in onderdeel a.
-4. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister
zodanig vastgesteld dat deze:
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar of ouder met
één
of meer kinderen netto gelijk is aan ƒ1627,41;
b. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 23 jaar of ouder zonder
kinderen netto gelijk is aan ƒ1265,77;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 22 jaar zonder kinderen
netto gelijk is aan ƒ1076,76;
d. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar zonder kinderen
netto gelijk is aan ƒ937,40.
-5. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister
zodanig vastgesteld dat deze:
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met
één of meer kinderen netto gelijk is aan ƒ1578,10;
b. voor de thuisinwonende werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met
één of meer kinderen netto gelijk is aan ƒ1189,39;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar zonder
kinderen netto gelijk is aan ƒ876,72;
d. voor de thuisinwonende werkloze werknemer zonder kinderen netto
gelijk is aan ƒ488,01.
-6. De in het derde lid, onderdeel a, vierde lid, onderdeel a en
b, en
vijfde lid, genoemde bedragen worden gewijzigd met ingang van de dag
waarop het nettominimumloon wijzigt met het percentage van deze
wijziging.
-7. De in het vierde lid, onderdeel c en d, genoemde bedragen worden
gewijzigd met ingang van de dag waarop het nettominimumjeugdloon
wijzigt met het percentage van deze wijziging.
E. [MvT
+ bis]
Hoofdstuk II, paragraaf 3, wordt vervangen door:
§ 3. Het geldend maken van het recht op uitkering
Art. 11. [MvT
+ bis]
Het recht op uitkering bestaat jegens burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in titel 3
van Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek.
Art. 12. [MvT
+ bis]
-1. Indien doorzending van de aanvraag naar burgemeester en wethouders
van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en deze van oordeel zijn
dat zij evenmin de aanvraag dienen te behandelen, terwijl er geen
zekerheid kan worden verkregen over de in artikel 11 bedoelde
woonplaats, dragen burgemeester en wethouders die de doorgezonden
aanvraag hebben ontvangen, er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt
gemaakt.
-2. In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing
van het eerste lid bestaat het recht op uitkering jegens burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Het eerste lid van artikel 16 is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de daar genoemde termijn begint te lopen vanaf de
mededeling van die doorzending of beslissing.
-4. Uitkeringskosten verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed
door de gemeente waarvan de taak is waargenomen.
Art. 13. [MvT
+ bis]
-1. De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of
uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is
voor de verlening of de voortzetting van de uitkering, zo mogelijk onder
overlegging van bewijsstukken.
-2. Voor de verstrekking van gegevens maakt de belanghebbende gebruik
van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier.
-3. De belanghebbende is verplicht aan burgemeester en wethouders
desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze wet.
-4. Burgemeester en wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet de
identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht en nemen de
aard en het nummer daarvan op in de administratie.
-5. De belanghebbende is voorts verplicht aan burgemeester en wethouders
desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Art. 14. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders bepalen welke gegevens ten behoeve van de
verlening dan wel voortzetting van de uitkering door de belanghebbende
in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen
te worden overgelegd.
-2. Burgemeester en wethouders bepalen de wijze en het tijdstip waarop
de verstrekking van gegevens dient plaats te vinden.
-3. Burgemeester en wethouders onderzoeken de juistheid en volledigheid
van de verkregen gegevens en stellen zo nodig een onderzoek in naar
andere gegevens die voor de vaststelling van het recht op uitkering
noodzakelijk zijn. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft,
besluiten burgemeester en wethouders tot wijziging van de uitkering.
-4. Burgemeester en wethouders verrichten regelmatig een heronderzoek
naar de voor het recht op uitkering van belang zijnde gegevens. Het
heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de aan de
uitkering verbonden verplichtingen. Burgemeester en wethouders
beoordelen tevens of er aanleiding bestaat de verplichtingen aan te
vullen dan wel te wijzigen.
-5. Het in het derde en vierde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op
grond van artikel 28 [36] ontheffing is verleend van de verplichtingen
gericht op inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking, mede een
onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid
zelfstandig in het bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze
mogelijkheden kunnen worden vergroot.
-6. Bij beëindiging van de uitkering nemen burgemeester en
wethouders, na onderzoek, tijdig een besluit met betrekking tot de
wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende resterende
verplichtingen en de afwikkeling daarvan.
-7. Burgemeester en wethouders onderzoeken regelmatig de financiële
omstandigheden van degene aan wie zij betalingsverplichtingen hebben
opgelegd met betrekking tot de verleende uitkering. Indien het onderzoek
daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en wethouders tot
wijziging van de opgelegde betalingsverplichtingen.
Art. 15. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders stellen het recht op uitkering op
schriftelijke aanvraag vast.
-2. De uitkering wordt door de werkloze werknemer en de echtgenoot
gezamenlijk aangevraagd dan wel door één van hen met schriftelijke
toestemming van de ander.
Art. 16. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders stellen binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag vast of recht op uitkering bestaat.
-2. De termijn voor het nemen van een besluit wordt opgeschort met
ingang van de dag waarop burgemeester en wethouders de aanvrager
uitnodigen de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is
aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Van
de opschorting van de termijn doen burgemeester en wethouders mededeling
aan de belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de
termijn voor het nemen van een besluit zal verstrijken.
-3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn
aanvult, besluiten burgemeester en wethouders de aanvraag niet te
behandelen.
-4. Burgemeester en wethouders besluiten niet tot toekenning van de
uitkering dan nadat de juistheid en volledigheid van de door de
belanghebbende verstrekte gegevens is onderzocht.
-5. Als buiten toedoen van de belanghebbende het onderzoek naar de
juistheid en volledigheid van de door hem verstrekte gegevens niet
binnen de beslistermijn kan worden voltooid, besluiten burgemeester en
wethouders op de aanvraag op voet van de dan bekende gegevens.
Art. 17. [MvT
+ bis]
-1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van
belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig
of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan
het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op
uitkering op:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke
periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Burgemeester en wethouders doen mededeling van de opschorting aan de
belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn
het verzuim te herstellen.
-3. Indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de
daarvoor gestelde periode, wordt de uitkering beëindigd met ingang van
de eerste dag van de periode waarover de uitkering is opgeschort.
Art. 18. [MvT
+ bis]
-1. Bij een besluit tot toekenning of voortzetting van de uitkering
wordt ten minste mededeling gedaan van:
a. de verplichtingen tot het doen van mededelingen en het verlenen van
medewerking, bedoeld in artikel 13;
b. de verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk III die in het betrokken
geval aan de uitkering zijn verbonden.
-2. Bij een besluit tot wijziging van de uitkering wordt ten minste
mededeling gedaan van de wijziging en de op die wijziging betrekking
hebbende gewijzigde verplichtingen. Voorts wordt, indien daarvoor
aanleiding bestaat, in het besluit nogmaals mededeling gedaan van de
eerder aan de uitkering verbonden verplichtingen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a en b.
-3. Indien ten behoeve van de belanghebbende een plan is opgesteld
gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
wordt dit opgenomen in een bijlage bij het besluit tot toekenning of
voortzetting van de uitkering.
-4. De belanghebbende tekent een exemplaar van de bijlage, bedoeld in
het derde lid, voor gezien en verstrekt dit aan burgemeester en
wethouders. De bijlage wordt tevens getekend door burgemeester en
wethouders en, voor zover het betreft de onderdelen van het plan die
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden uitgevoerd, door die
organisatie.
Art. 19. [MvT
+ bis]
-1.
Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot:
a. de periode die de opschorting van de uitkering, bedoeld in artikel
17, eerste lid, ten hoogste mag duren;
b. de termijn waarbinnen burgemeester en wethouders de onderzoeken
verrichten, bedoeld in artikel 14, vierde, zesde en zevende lid.
-2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot:
a. de wijze waarop burgemeester en wethouders toepassing geven aan
artikel 14, eerste en tweede lid;
b. de inhoud van de onderzoeken, bedoeld in artikel
14, derde, vierde,
zesde en zevende lid;
c. de voorwaarden waaronder van de in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde termijnen kan worden afgeweken ten aanzien van de onderzoeken,
bedoeld in artikel 14, vierde en zevende lid;
d. de gevallen waarin kan worden afgezien van het onderzoek, bedoeld in
artikel 14, zevende lid.
Art. 19a [20]. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders besluiten de uitkering tijdelijk
gedeeltelijk te weigeren, indien:
a. de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een
uitkering of nadien onvoldoende heeft medegewerkt aan het verkrijgen of
behouden van arbeid in dienstbetrekking;
b. gedragingen van de belanghebbende in strijd met de op grond van
artikel 13, artikel 18, vierde lid, en
hoofdstuk III aan de uitkering
verbonden verplichtingen daartoe aanleiding geven;
c. de door de belanghebbende in strijd met artikel 13 verstrekte
gegevens onjuist blijken te zijn.
-2. De omvang en duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid,
worden afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden van de
belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. De omvang en duur kunnen
worden herzien indien een wijziging van de omstandigheden van de
belanghebbende daartoe aanleiding geeft.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen bij herhaalde of zeer ernstige
gedragingen als bedoeld in het eerste lid de uitkering tijdelijk of
blijvend geheel weigeren.
-4. Indien een belanghebbende geen dienstbetrekking of
voorbereidingsovereenkomst heeft als bedoeld in hoofdstuk V en Va van de
Jeugdwerkgarantiewet, omdat hij het aanbod daartoe niet heeft aanvaard
of omdat hem een aanbod daartoe niet wordt gedaan onder toepassing van
artikel 11, derde, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 16a, tweede,
derde of vierde lid, van die wet, weigeren burgemeester en wethouders hem
voor de duur van dertien weken geheel de uitkering. De duur van de periode
waarvoor de uitkering wordt geweigerd, wordt verminderd indien daarvoor,
gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, dringende redenen
aanwezig zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste tot en met vierde lid, nadere regels worden gesteld.
F. [MvT
+ bis]
In artikel 20 [21], derde lid, wordt "de maand mei" vervangen door: de
maand juni.
G. [MvT
+ bis]
Artikel 25a [25] wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en derde lid wordt "betrokkene" telkenmale vervangen
door: belanghebbende.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt "artikel 17" vervangen door:
artikel 13.
3. In het tweede lid wordt "over de voorafgaande maand opgegeven
inkomen" ² vervangen door: over de voorafgaande drie maanden ontvangen
inkomen.²
H. [MvT
+ bis]
Artikel 25b [26] wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. Indien de uitkering met inachtneming van artikel 3 is verleend,
worden voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden
aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen.
2. In het tweede lid wordt "artikel
3, eerste of tweede lid" vervangen door "artikel 3" en "betrokkene" vervangen door:
belanghebbende.
I. [MvT
+ bis]
Na artikel 25b [26], wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 25c [27].
-1. Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd
wordt, alsmede de termijnen waarbinnen betaling wordt verlangd.
-2. Een besluit tot terugvordering kan ambtshalve of op schriftelijke
aanvraag van de belanghebbende worden herzien op grond van gewijzigde
omstandigheden.
-3. De persoon van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor
terugvordering ingevolge deze paragraaf van belang zijn.
J. [MvT
+ bis]
Aan artikel 25e [28] wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende:
-3. De termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, staat niet in de
weg aan de latere tenuitvoerlegging van het besluit tot terugvordering.
K. [MvT
+ bis]
Na artikel 25e [28] wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 25f [29].
-1. De vordering tot de nakoming van een besluit tot terugvordering
wordt ingediend bij de kantonrechter.
-2. Op de vordering is het bepaalde in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
-3. De gemeente is geen vast recht en geen vergoeding voor de deurwaarder
verschuldigd, met uitzondering van het uitbrengen van exploiten.
L. [MvT
+ bis]
Hoofdstuk III wordt vervangen door:
HOOFDSTUK III. Verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid en
voorzieningen
Art. 26 [34]. [MvT
+ bis]
-1. De uitkering is erop gericht de belanghebbende in staat te stellen
zelfstandig in het bestaan te voorzien. Burgemeester en wethouders
bevorderen dat de belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die
bijdragen aan diens zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg
voor voorlichting en bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.
-2. Burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
werken samen om de inschakeling van ontvangers van een uitkering op
grond van deze wet in het arbeidsproces te bevorderen.
-3. Indien burgemeester en wethouders premies verstrekken voor het
aanvaarden of behouden van arbeid en voor het voltooien van scholing of
opleiding, vindt de verlening daarvan plaats op grond van regels die
door het gemeentebestuur bij verordening worden vastgesteld.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de samenwerking, bedoeld in het tweede lid.
Art. 27 [35]. [MvT
+ bis]
-1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is verplicht:
a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen dat hij als werkzoekende ingeschreven is bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en ingeschreven blijft;
c. passende arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. te voldoen aan een oproep om in verband met de toepassing van deze
wet op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
f. mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
inschakeling in de arbeid, alsmede aan een onderzoek naar de
geschiktheid voor scholing of opleiding;
g. mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt
geacht voor de inschakeling in de arbeid, dan wel aan andere aangewezen
activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
-2. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de
krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
niet van hem kan worden verlangd. Niet als passende arbeid wordt
aangemerkt arbeid in een dienstbetrekking op grond van de Wet Sociale
Werkvoorziening.
-3. Indien uitkering wordt verleend aan echtgenoten, gelden de
verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent het begrip passende arbeid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
-5.
Onze Minister kan regels stellen aangaande het toepassen dan wel
niet toepassen van één of meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid,
ten aanzien van één of meer categorieën belanghebbenden.
Art. 28 [36]. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten verplichtingen als
bedoeld in artikel 27 [35] niet op te leggen, dan wel van zodanige
verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin
daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of
sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de
uitkering.
-2. Burgemeester en wethouders leggen aan de ouder met een volledige
verzorgende taak voor één of meer kinderen, dan wel pleegkinderen,
jonger dan 5 jaar de verplichtingen, bedoeld in dit hoofdstuk, niet op.
-3. Indien de uitkering is toegekend aan een ouder met een gedeeltelijke
verzorgende taak of aan echtgenoten die de verzorgende taak, bedoeld in
het tweede lid, gezamenlijk uitoefenen, geldt dat de verplichtingen,
bedoeld in dit hoofdstuk, aan die ouder onderscheidenlijk die echtgenoten
worden opgelegd, met dien verstande dat deze onderscheidenlijk ieder van
beiden voor de helft van de gebruikelijke volledige arbeidstijd per week
beschikbaar moet zijn voor inschakeling in de arbeid.
Art. 29 [37]. [MvT
+ bis]
-1. Voor de belanghebbende die een scholing of opleiding gaat volgen die
noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, gelden voor
de duur van die scholing of opleiding niet de verplichtingen, genoemd in
artikel 27 [35], eerste lid, onderdeel a en c.
-2.
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het aanmerken
van scholing of opleidingen als noodzakelijk voor de inschakeling in de
arbeid, die bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in acht worden
genomen.
Art. 30 [38]. [MvT
+ bis]
Indien de belanghebbende werkzaamheden zonder beloning gaat verrichten,
dient de belanghebbende dit zo spoedig mogelijk te melden aan
burgemeester en wethouders.
Art. 31 [39]. Gereserveerd.
[MvT
+ bis]
M.
Hoofdstuk IV wordt vervangen door:
HOOFDSTUK IV. Uitvoering en toezicht
§ 1. Verantwoordelijkheid voor de uitvoering
Art. 32 [40]. [MvT
+ bis]
De uitvoering van deze wet berust bij burgemeester en wethouders.
Art. 33 [41]. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders voeren ten behoeve van een getrouwe
weergave van de uitvoering en een effectief uitvoeringsproces een
zodanige administratie dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging
zijn gewaarborgd van:
a. de beslissingen over aanvragen, onderzoeken, uitkeringen, vorderingen
en verplichtingen en de hieruit voortvloeiende betalingen en
ontvangsten;
b. de hierop betrekking hebbende bescheiden;
c. het onderzoek dat is verricht naar de juistheid en de volledigheid
van de verstrekte gegevens en de overgelegde bescheiden.
-2.
Onze Minister stelt, na overleg met
Onze Minister van Binnenlandse
Zaken, regels aangaande de in het eerste lid bedoelde administratie.
Art. 34 [42]. [MvT
+ bis]
-1. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de totstandkoming van een plan
en een beleidsverslag als bedoeld in artikel 110 van de Gemeentewet,
gericht op:
a. de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de
wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; en
b. de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening door middel
van inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking.
-2. Het in het eerste lid bedoelde plan en beleidsverslag worden elk
kalenderjaar vastgesteld.
-3. Het deel van het plan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat
ten minste een beschrijving van de wijze waarop burgemeester en
wethouders:
a. toepassing geven aan artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, en
artikel 36a [45];
b. zorg dragen voor een toereikende controle op het nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, en voor de
strafrechtelijke of bestuursrechtelijke afdoening in geval van niet-nakoming van deze verplichting.
-4. Het deel van het plan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat
ten minste een beschrijving van de wijze waarop toepassing wordt gegeven
aan de samenwerking als bedoeld in artikel 26 [34], tweede lid, en de
daarover gemaakte afspraken.
-5.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de voorwaarden
waaraan het plan en het beleidsverslag dienen te voldoen indien daarmee
tevens een gebruik ten behoeve van het toezicht wordt beoogd.
Art. 35 [43]. [MvT
+ bis]
-1. De gemeenteraad kan burgemeester en wethouders machtigen het nemen
van besluiten op te dragen aan gemeenteambtenaren, zulks onder nader
door burgemeester en wethouders te stellen regels en onder behoud van
hun verantwoordelijkheid.
-2. De opdracht kan zich niet uitstrekken tot het beslissen op
bezwaarschriften en het instellen van beroep.
-3. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van organen, ingesteld bij of krachtens de wet,
ter behartiging van belangen waarbij meer dan één gemeente is betrokken.
§ 2. Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 36 [44]. [MvT
+ bis]
-1. Ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan
burgemeester en wethouders kosteloos opgaven en inlichtingen te
verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van deze wet ten opzichte van een persoon te wiens behoeve
een uitkering is gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan
wel te zijnen behoeve werkt of heeft gewerkt. De verplichting strekt
zich mede uit tot de inkomsten van een persoon van wie uitkeringen
ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5, worden of kunnen worden
teruggevorderd.
-2. De opgaven en inlichtingen moeten desgevraagd schriftelijk, of in
een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door
burgemeester en wethouders schriftelijk te stellen termijn worden
verstrekt.
Art. 36a [45]. [MvT
+ bis]
-1. De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders kosteloos opgaven en inlichtingen te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. burgemeester en wethouders van andere gemeenten;
b. de rijksbelastingdienst, de zorgverzekeraars en de
Ziekenfondsraad;
c. het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, de bedrijfspensioenfondsen,
ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering
van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met
het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel
7 [8] van deze wet als inkomen worden aangemerkt;
d. de Kamers van Koophandel en Fabrieken en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
e. de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet;
f. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer betreffende de toepassing van de Wet individuele
huursubsidie;
g. de Informatie Beheer Groep betreffende de toepassing van de
Wet op de
studiefinanciering en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
h. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de personen die
rechtmatig hun vrijheid is ontnomen;
i. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
j. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening
energie en water leveren.
-2. Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast,
zijn verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders kosteloos alle
gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en
andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van deze wet.
-3. De in het eerste en het tweede lid bedoelde verplichtingen strekken
zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd
ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5;
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van
wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve een uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of
wordt verleend;
2º. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd
ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5.
-4. De opgaven en inlichtingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid,
worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-5. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met h, genoemde instanties
treffen desgevraagd met burgemeester en wethouders een regeling met
betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen
gevraagde opgaven en inlichtingen.
-6.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud van de in
het vijfde lid bedoelde regelingen en de wijze waarop deze vorm worden
gegeven.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en
personen dan genoemd in het eerste en het tweede lid worden aangewezen
voor wie de verplichting, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde
lid, eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven
met betrekking tot inkomen van personen.
-8. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het zevende lid, kan
tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt
jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
Art. 36b [46]. [MvT
+ bis]
-1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige
werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van
een ander blijkt of wordt medegedeeld verder bekend te maken dan voor
de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet
is voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft
verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te
hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke
personen.
-3. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen
desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de
persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor niet
onevenredig wordt geschaad.
-4. Degene die op grond van de artikelen 36 tot en met 36d [44-48]
gegevens
verstrekt, dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden
verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te
verkrijgen.
Art. 36c [47]. [MvT
+ bis]
Burgemeester en wethouders zijn verplicht indien zij bij de uitvoering
van deze wet het gegronde vermoeden krijgen van een misdrijf dat is
gepleegd ten nadele van een uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van een overheidsorgaan,
voor zover dit is belast
met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel
het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te
stellen.
Art. 36d [48]. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en
verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 48 van de Vreemdelingenwet,
uit de administratie ter zake van de uitvoering van deze wet aan de
hieronder vermelde organen en personen kosteloos de gegevens te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hierbij
vermelde wetten of wettelijke regelingen:
a. de instellingen en personen, genoemd in artikel 50a, eerste lid, van
de Organisatiewet Sociale Verzekering, voor de uitvoering van die wet of
de wettelijke regelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet;
b. de rijksbelastingdienst voor de heffing of invordering van enige
rijksbelasting of premies volksverzekeringen;
c. burgemeester en wethouders van andere gemeenten voor de uitvoering
van deze wet, de Algemene bijstandswet, de
Wet
Werkloosheidsvoorziening,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. de Sociale Verzekeringsbank voor de uitvoering van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de
Algemene Kinderbijslagwet;
e. de Ziekenfondsraad en de ziekenfondsen voor de uitvoering van de
Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
-2. De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats
indien de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor
onevenredig wordt geschaad.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens
dienen te worden verstrekt.
Art. 36e [49]. [MvT
+ bis]
-1. In de administratie van de gemeente ter
zake van de uitvoering van
deze wet wordt het sociaal-fiscaal nummer opgenomen waaronder een
natuurlijk persoon is geregistreerd bij de rijksbelastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van gegevens door burgemeester en wethouders en
de in artikel 36 [44] en 36d [48]
genoemde organen en personen wordt, indien
daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit sociaal-fiscaal nummer.
Art. 36f [50]. [MvT
+ bis]
Ten behoeve van het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer in de in
artikel 33 [41] bedoelde administratie kent Onze Minister van
Financiën, in
overeenstemming met
Onze Minister, aan de uitkeringsgerechtigden die
niet reeds ten behoeve van de belastingheffing bij de rijksbelastingdienst
zijn geregistreerd, een sociaal-fiscaal nummer toe.
Art. 36g [51]. [MvT
+ bis]
Indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat een
omstandigheid als bedoeld in artikel 19a [20], eerste lid, aanwezig is, geeft
zij van dit oordeel of vermoeden onverwijld schriftelijk kennis aan
burgemeester en wethouders, onder vermelding van de gronden waarop het
oordeel of vermoeden steunt.
§ 3. Toezicht
Art. 36h [52]. [MvT
+ bis]
-1.
Onze Minister is belast met het toezicht op de uitvoering van deze
wet.
-2. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister
kosteloos alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht
nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie, bedoeld in
artikel 33 [41].
Art. 36i [53]. [MvT
+ bis]
Onze Minister kan aan burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende
acht weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te
brengen, aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van
deze wet. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake
individuele gevallen.
§ 4. Beleidsinformatie
Art. 36j [54]. [MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan
Onze Minister alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en de
beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste
lid bedoelde inlichtingen.
Art. 36k [55]. [MvT
+ bis]
Burgemeester en wethouders zijn verplicht ten behoeve van de statistiek
gegevens inzake de uitvoering van deze wet te verzamelen en kosteloos te
verstrekken volgens door
Onze Minister, de Centrale Commissie voor de
Statistiek gehoord, te stellen regels.
N. [MvT
+ bis]
De artikelen 38 [57] en 39 [58]
worden vervangen door:
Art. 38 [57]. [MvT
+ bis]
-1. Het Rijk vergoedt 90 procent van de ten laste van de gemeente
gebleven uitkeringen, waaronder begrepen de ten laste van de gemeente
komende premies ingevolge de socialeverzekeringswetten.
-2. Burgemeester en wethouders declareren de in een kalenderjaar
gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, door middel van een
kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is voorzien van een verklaring
van de deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
-3.
Onze Minister stelt regels inzake:
a. de wijze en het tijdstip van declareren, alsmede de daarbij door
burgemeester en wethouders nader te verstrekken gegevens;
b. de in het tweede lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat
resulteert in deze verklaring.
Art. 39 [58]. [MvT
+ bis]
-1. Het Rijk verleent op verzoek van de gemeente voorschotten op de in
artikel 38 [57], eerste lid, bedoelde vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering van deze wet door burgemeester en
wethouders, dan wel de administratie, bedoeld in artikel
33 [41], ernstige
tekortkomingen vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten
lager vast te stellen dan uit de krachtens het derde lid gestelde regels
zou voortvloeien.
-3. Onze Minister stelt regels aangaande het verlenen van voorschotten.
Art. 40 [59]. [MvT
+ bis]
-1.
Onze Minister stelt de vergoeding, bedoeld in
artikel 38 [57], eerste
lid, vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave als bedoeld
in
artikel 38 [57], tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van
de verklaring, bedoeld in
artikel 38 [57], tweede lid, kan Onze Minister de
vergoeding over dat jaar ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en
een reeds betaalde vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of
verrekenen, indien:
a. het een uitkering betreft die is verleend in strijd met het bij en
krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 13 tot
en met 19 en de artikelen 26 [34], 33 [41]
en 34 [42];
c. het een uitkering betreft die niet of niet volledig overeenkomstig
hoofdstuk II, paragraaf 5, is of wordt teruggevorderd.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.
O. [MvT
+ bis]
Artikel 41 [60]
wordt
vervangen door:
Art. 41.
Voor de toepassing van
artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt met
een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening van
de uitkering of het
verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.
P. [MvT
+ bis]
Artikel 42 vervalt.
Q. [MvT
+ bis]
Na artikel 47 [61]
wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 48 [62].
-1. Degene die de
verplichting, bedoeld in artikel 13, of de verplichting, bedoeld in artikel
25c [27],
derde lid, niet of niet behoorlijk nakomt, waardoor ten onrechte een
uitkering of een te hoge uitkering is verleend, wordt gestraft met een
hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
R. [MvT
+ bis]
Artikel 49 [63], eerste lid,
wordt vervangen door:
-1. Natuurlijke personen
en niet-publiekrechtelijke organen die niet voldoen aan de verplichting omschreven in de artikelen 36 [44]
en
36a [45]
of die
ter zake onjuiste
inlichtingen verstrekken, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand
of een geldboete van de tweede categorie.
S. [MvT
+ bis]
De artikelen 50 en 51
vervallen.
T. [MvT
+ bis]
Voorts worden in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers
de volgende wijzigingen aangebracht:
a. In artikel 2 vervalt
in het eerste lid, onderdeel a, ten derde, de aanduiding "(Stb. 1987,
93)" en in het eerste lid, onderdeel c, ten vierde,
komen de aanduidingen "(Stb. 1987, 90)", "(Stb. 1987,
89)", "(Stb. 1967, 99)" en "(Stb. 1972,
313)" te vervallen.
b. In artikel 5 [6], eerste
lid, onderdeel b, vervalt de aanduiding "(Stb. 1965,
40)".
c. In artikel 9, vierde
lid, vervalt de aanduiding "(Stb. 1987, 91)".
d. In artikel 10, eerste
lid, vervalt de aanduiding "(Stb. 1987, 88)".
1. Ingevolge artikel
57 is de nummering van de artikelen van de Ioaw
opnieuw vastgesteld. De redactie heeft, voor zover van toepassing, de
gewijzigde artikelnummers telkens tussen hoekhaken achter de genoemde
artikelen van de Ioaw vermeld.
2. Volgens de redactie dient "inkomen" te worden
vervangen door: inkomsten.
Art. 18.
Ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op uitkering op grond
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en wiens recht op de peildag niet is geëindigd, zijn
de artikelen 4 en 5 van deze wet van overeenkomstige toepassing.
Art. 19.¹
[MvT
+ bis]
De Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT
+ bis]
Artikel 1 wordt vervangen
door:
Art. 1.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. belanghebbende: degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
b. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. burgemeester en
wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in
artikel 11;
d.
Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de organisatie, bedoeld in artikel 2 van de
Arbeidsvoorzieningswet;
e. nettominimumloon: de
som van het nettominimumloon en de nettoaanspraak op de minimumvakantiebijslag als bedoeld in
artikel 55, eerste
lid, van de Algemene bijstandswet.
B.
[MvT
+ bis]
Artikel 3 wordt vervangen
door:
Art. 3.
-1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt:
a. als echtgenoot
aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de gewezen
zelfstandige met wie hij gehuwd is;
b. als echtgenoot mede
aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
-2. Van een gezamenlijke
huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
-3. Een gezamenlijke
huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd
zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk
zijn gesteld;
b. uit hun relatie een
kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de
één
door de ander;
c. zij zich wederzijds
verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een
geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding
die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van
het derde lid, onderdeel d.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen
wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander,
zoals bedoeld in het tweede lid.
C.
[MvT
+ bis]
Na artikel 3 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 3a [4].
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande gewezen
zelfstandige: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende gewezen
zelfstandige die niet een
gezamenlijke huishouding
voert als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
b. kind: het kind jonger
dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het
huishouden van een ander dan de gewezen zelfstandige behoort en
voor wie de gewezen zelfstandige op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.
D.
[MvT
+ bis]
Artikel 4 [5] wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt
vervangen door:
-1. Recht op uitkering
hebben, indien het inkomen per maand na het beëindigen van het
bedrijf of beroep minder bedraagt dan de overeenkomstig het vijfde lid
vastgestelde grondslag en indien aan de in het tweede of derde lid
genoemde voorwaarden wordt voldaan:
a. de gewezen
zelfstandige en de echtgenoot;
b. de alleenstaande
gewezen zelfstandige met één of meer kinderen;
c. de alleenstaande
gewezen zelfstandige zonder kinderen.
2. Het vierde lid wordt
vervangen door:
-4. Het recht op uitkering
komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen
zelfstandige en de
echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek
aan één van hen voor het geheel.
3. Het vijfde lid wordt
vervangen door:
-5. De grondslag, bedoeld
in het eerste lid, wordt door
Onze Minister zodanig vastgesteld dat
voor:
a. de gewezen
zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan
ƒ904,12;
b. de alleenstaande
gewezen zelfstandige met één of meer kinderen de grondslag netto gelijk is
aan ƒ1627,41;
c. voor de alleenstaande
gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan ƒ1265,77.
4. Na het zesde lid wordt
een zevende lid toegevoegd luidende:
-7. De in het vijfde lid
genoemde bedragen worden gewijzigd met ingang van de dag waarop
het nettominimumloon wijzigt met het percentage van deze
wijziging.
E.
[MvT
+ bis]
Hoofdstuk II, paragraaf 3, wordt vervangen door:
§ 3. Het geldend maken
van het recht op uitkering
Art. 11.
[MvT
+ bis]
Het recht op uitkering
bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 12.
[MvT
+ bis]
-1. Indien doorzending van
de aanvraag naar burgemeester en wethouders van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en deze van oordeel zijn dat zij
evenmin de aanvraag dienen te behandelen, terwijl er geen zekerheid kan worden
verkregen over de in artikel 11 bedoelde woonplaats, dragen
burgemeester en wethouders die de doorgezonden aanvraag hebben
ontvangen, er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een
beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid
bestaat het recht op uitkering jegens burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Het eerste en tweede
lid van artikel 16 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de daar genoemde termijnen beginnen te lopen vanaf
de mededeling van die doorzending of beslissing.
-4. Uitkeringskosten
verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed door de gemeente waarvan
de taak is waargenomen.
Art. 13.
[MvT
+ bis]
-1. De belanghebbende doet
aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van
belang is voor de
verlening of de voortzetting van de uitkering, zo mogelijk onder
overlegging van bewijsstukken. De belanghebbende verleent bovendien
desgevraagd inzage in zijn administratie.
-2. Voor de verstrekking
van gegevens maakt de belanghebbende gebruik van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier.
-3. De belanghebbende is
verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze
wet.
-4. Burgemeester en
wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de
belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1
van de Wet
op de identificatieplicht en nemen de aard en het nummer
daarvan op in de administratie.
-5. De belanghebbende is
voorts verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd
een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig
is voor de uitvoering van deze wet.
Art. 14.
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders bepalen welke gegevens ten behoeve van de verlening dan wel
voortzetting van de uitkering door de belanghebbende in ieder geval dienen te
worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden
overgelegd.
-2. Burgemeester en
wethouders bepalen de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van
gegevens dient plaats te vinden.
-3. Burgemeester en
wethouders onderzoeken de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens
en stellen zo nodig een onderzoek in naar andere gegevens die voor de vaststelling van het recht op uitkering
noodzakelijk zijn. Indien
het onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en
wethouders tot wijziging van de uitkering.
-4. Burgemeester en
wethouders verrichten regelmatig een heronderzoek naar de voor het recht op uitkering van belang zijnde
gegevens. Het
heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de aan de uitkering
verbonden verplichtingen. Burgemeester en wethouders beoordelen tevens of er
aanleiding bestaat de verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzigen.
-5. Het in het derde en
vierde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 28 [36]
ontheffing is verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de
arbeid in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de mogelijkheden van
de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het
bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen
worden vergroot.
-6. Bij beëindiging van
de uitkering nemen burgemeester en wethouders, na onderzoek,
tijdig een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende resterende verplichtingen en de
afwikkeling daarvan.
-7. Burgemeester en
wethouders onderzoeken regelmatig de financiële omstandigheden van degene
aan wie zij betalingsverplichtingen hebben opgelegd met betrekking
tot de verleende uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft,
besluiten burgemeester en wethouders tot wijziging van de
opgelegde betalingsverplichtingen.
Art. 15.
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders stellen het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast.
-2. De uitkering wordt
door de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk aangevraagd
dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
Art. 16.
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders stellen binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag
vast of recht op uitkering bestaat.
-2. Indien burgemeester en
wethouders niet in staat zijn binnen de termijn, bedoeld in het
eerste lid, een besluit te nemen, kunnen zij deze met ten hoogste dertien weken
verlengen. Van de verlenging doen zij mededeling aan de
belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor
het nemen van een besluit zal verstrijken.
-3. De termijn voor het
nemen van een besluit wordt opgeschort met ingang van de dag waarop
burgemeester en wethouders de aanvrager uitnodigen de aanvraag
aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Van de opschorting van de
termijn doen burgemeester en wethouders mededeling aan de
belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor
het nemen van een besluit zal verstrijken.
-4. Indien de
belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn aanvult, besluiten burgemeester en wethouders de aanvraag niet
te behandelen.
-5. Burgemeester en
wethouders besluiten niet tot toekenning van de uitkering dan nadat de
juistheid en volledigheid van de door de belanghebbende verstrekte gegevens
is
onderzocht.
-6. Als buiten toedoen van
de belanghebbende het onderzoek naar de juistheid en volledigheid
van de door hem verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn
kan worden voltooid, besluiten burgemeester en wethouders op de aanvraag
op voet van de dan bekende gegevens.
Art. 17.
[MvT
+ bis]
-1. Indien de
belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of
de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft
verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins
onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten
burgemeester en wethouders het recht op uitkering op:
a. vanaf de eerste dag
van de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim
betrekking heeft.
-2. Burgemeester en
wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en
nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het
verzuim te herstellen.
-3. Indien de
belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde periode,
wordt de uitkering beëindigd met ingang van de eerste dag van de
periode waarover de uitkering is opgeschort.
Art. 18.
[MvT
+ bis]
-1. Bij een besluit tot
toekenning of voortzetting van de uitkering wordt ten minste mededeling
gedaan van:
a. de verplichtingen tot
het doen van mededelingen en het verlenen van medewerking, bedoeld
in artikel 13;
b. de verplichtingen als
bedoeld in hoofdstuk III die in het betrokken geval aan de uitkering
zijn verbonden.
-2. Bij een besluit tot
wijziging van de uitkering wordt ten minste mededeling gedaan van de
wijziging en de op die wijziging betrekking hebbende gewijzigde
verplichtingen. Voorts wordt, indien daarvoor aanleiding bestaat, in
het besluit nogmaals mededeling gedaan van de eerder aan de uitkering
verbonden verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a
en b.
-3. Indien ten behoeve van
de belanghebbende een plan is opgesteld gericht op het vergroten
van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, wordt dit opgenomen in
een bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de
uitkering.
-4. De belanghebbende
tekent een exemplaar van de bijlage, bedoeld in het derde lid, voor
gezien en verstrekt dit aan burgemeester en wethouders. De bijlage
wordt tevens getekend door burgemeester en wethouders en, voor zover
het betreft de onderdelen van het plan die door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden uitgevoerd, door die organisatie.
Art. 19.
[MvT
+ bis]
-1.
Onze Minister stelt
nadere regels met betrekking tot:
a. de periode die de
opschorting van de uitkering, bedoeld in artikel
17, eerste lid, ten hoogste
mag duren;
b. de termijn waarbinnen
burgemeester en wethouders de onderzoeken verrichten, bedoeld in
artikel 14, vierde, zesde en zevende lid.
-2. Onze Minister kan
nadere regels stellen met betrekking tot:
a. de wijze waarop
burgemeester en wethouders toepassing geven aan artikel
14, eerste en
tweede lid;
b. de inhoud van de
onderzoeken, bedoeld in artikel 14, derde, vierde, zesde en zevende lid;
c. de voorwaarden
waaronder van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijnen kan
worden afgeweken ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in artikel
14,
vierde en zevende lid;
d. de gevallen waarin kan
worden afgezien van het onderzoek, bedoeld in artikel
14, zevende
lid.
Art. 19a [20].
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders besluiten de uitkering tijdelijk gedeeltelijk te weigeren, indien:
a. de belanghebbende in
de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien
zich onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het
bestaan;
b. gedragingen van de
belanghebbende in strijd met de op grond van artikel
13, artikel 18,
vierde lid, en hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichtingen daartoe
aanleiding geven;
c. de door de
belanghebbende op grond van artikel 13 verstrekte gegevens onjuist blijken
te zijn.
-2. De omvang en de duur
van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden afgestemd op de
ernst van het feit, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate
van verwijtbaarheid. De omvang en duur kunnen worden herzien
indien een wijziging van de omstandigheden van de belanghebbenden
daartoe aanleiding geeft.
-3. Burgemeester en
wethouders kunnen bij herhaalde of zeer ernstige gedragingen als bedoeld
in het eerste lid de uitkering tijdelijk of blijvend geheel weigeren.
-4. Indien een
belanghebbende geen dienstbetrekking of voorbereidingsovereenkomst heeft als bedoeld in hoofdstuk V en
Va van
de Jeugdwerkgarantiewet,
omdat hij het aanbod daartoe niet heeft aanvaard of omdat hem een
aanbod daartoe niet wordt gedaan onder toepassing van artikel
11, derde, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 16a, tweede, derde of vierde
lid, van die wet, weigeren burgemeester en wethouders hem voor de
duur van dertien weken geheel de uitkering. De duur van de periode waarvoor
de uitkering wordt geweigerd, wordt verminderd indien daarvoor, gelet op
de omstandigheden van persoon en gezin, dringende redenen
aanwezig zijn.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met het
vierde lid nadere regels worden gesteld.
F.
[MvT
+ bis]
In artikel 20 [21], tweede
lid, wordt "de maand mei" vervangen door: de maand juni.
G.
[MvT
+ bis]
Artikel 25a [25] wordt als
volgt gewijzigd:
-1. In het eerste en derde
lid wordt "betrokkene" telkenmale vervangen door: belanghebbende.
-2. In het eerste lid,
onderdeel b, wordt "artikel 17" vervangen door:
artikel 13.
-3. In het tweede lid
wordt "over de voorafgaande maand opgegeven inkomen" ² vervangen door:
over de voorafgaande drie maanden ontvangen inkomen.²
H.
[MvT
+ bis]
Artikel 25b [26] wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt
vervangen door:
-1. Indien de uitkering
met inachtneming van artikel 3 is verleend, worden voor de toepassing
van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat
artikel bedoelde personen.
2. In het tweede lid
wordt "artikel 3, eerste of tweede lid" vervangen door:
artikel 3 en "betrokkene" vervangen door: belanghebbende.
I.
[MvT
+ bis]
Na artikel 25b [26], wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 25c [27].
-1. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, alsmede de termijnen waarbinnen betaling wordt verlangd.
-2. Een besluit tot
terugvordering kan ambtshalve of op schriftelijke aanvraag van de belanghebbende worden herzien op grond van gewijzigde
omstandigheden.
-3. De persoon van wie
wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en
wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering ingevolge
deze paragraaf van belang zijn.
J.
[MvT
+ bis]
Aan artikel 25e [28] wordt een
nieuw derde lid toegevoegd, luidende:
-3. De termijn, bedoeld in
het eerste en tweede lid, staat niet in de weg aan de latere tenuitvoerlegging van het besluit tot terugvordering.
K.
[MvT
+ bis]
Na artikel 25e [28] wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 25f [29].
-1. De vordering tot de
nakoming van een besluit tot terugvordering wordt ingediend bij de kantonrechter.
-2. Op de vordering is het
bepaalde in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
-3. De gemeente is geen
vast recht en geen vergoeding voor de deurwaarder verschuldigd,
met uitzondering van het uitbrengen van exploiten.
L.
[MvT
+ bis]
Hoofdstuk III wordt
vervangen door:
HOOFDSTUK III. Verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid en
voorzieningen
Art. 26 [34].
[MvT
+ bis]
-1. De uitkering is erop
gericht de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan te voorzien. Burgemeester en wethouders
bevorderen dat de
belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die bijdragen aan diens
zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg voor voorlichting en
bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.
-2. Burgemeester en
wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de
inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in het
arbeidsproces te bevorderen.
-3. Indien burgemeester en
wethouders premies verstrekken voor het aanvaarden of behouden
van arbeid en voor het voltooien van scholing of opleiding, vindt de
verlening daarvan plaats op grond van regels die door het gemeentebestuur bij
verordening worden vastgesteld.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
samenwerking, bedoeld in het tweede lid.
Art. 27 [35].
[MvT
+ bis]
-1. De belanghebbende die
voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op
arbeid in dienstbetrekking is verplicht:
a. naar vermogen te
trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen
dat hij als werkzoekende ingeschreven is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en ingeschreven blijft;
c. passende arbeid te
aanvaarden;
d. na te laten hetgeen
inschakeling in de arbeid belemmert;
e. te voldoen aan een
oproep om in verband met de toepassing van deze wet op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
f. mee te werken aan een
onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, alsmede aan een onderzoek naar de
geschiktheid voor
scholing of opleiding;
g. mee te werken aan een
scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, dan wel aan andere aangewezen
activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
-2. Onder passende arbeid
wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden
van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
verlangd. Niet als passende arbeid wordt aangemerkt arbeid in een
dienstbetrekking op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening.
-3. Indien uitkering wordt
verleend aan echtgenoten, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid,
voor ieder van hen.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip
passende arbeid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
-5.
Onze Minister kan
regels stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van één of
meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één of
meer categorieën belanghebbenden.
Art. 28 [36].
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen besluiten verplichtingen als bedoeld in artikel 27 [35]
niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te
verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding
bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in
de aard en het doel van de uitkering.
-2. Burgemeester en
wethouders leggen aan de ouder met een volledige verzorgende taak voor
één of meer kinderen, dan wel pleegkinderen, jonger dan 5 jaar de verplichtingen, bedoeld in dit hoofdstuk, niet op.
-3. Indien de uitkering is
toegekend aan een ouder met een gedeeltelijke verzorgende taak of aan
echtgenoten die de verzorgende taak, bedoeld in het tweede lid,
gezamenlijk uitoefenen, geldt dat de verplichtingen, bedoeld in dit hoofdstuk,
aan die ouder onderscheidenlijk die echtgenoten worden opgelegd, met dien
verstande dat deze onderscheidenlijk ieder van beiden voor de helft
van de gebruikelijke volledige arbeidstijd per week beschikbaar moet
zijn voor inschakeling in de arbeid.
Art. 29 [37].
[MvT
+ bis]
-1. Voor de belanghebbende
die een scholing of opleiding gaat volgen die noodzakelijk wordt
geacht voor de inschakeling in de arbeid, gelden voor de duur van die
scholing of opleiding niet de verplichtingen, genoemd in artikel
27 [35],
eerste lid, onderdeel a en c.
-2.
Onze Minister kan
regels stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing of opleidingen als noodzakelijk voor de inschakeling in de
arbeid, die bij de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in acht worden genomen.
Art. 30 [38].
[MvT
+ bis]
Indien de belanghebbende
werkzaamheden zonder beloning gaat verrichten, dient de belanghebbende dit zo spoedig mogelijk te melden
aan burgemeester en
wethouders.
Art. 31 [39]. Gereserveerd.
[MvT
+ bis]
M.
[MvT
+ bis]
Hoofdstuk IV wordt
vervangen door:
HOOFDSTUK IV. Uitvoering en toezicht
§ 1.
Verantwoordelijkheid voor de uitvoering
Art. 32 [40].
[MvT
+ bis]
De uitvoering van deze
wet berust bij burgemeester en wethouders.
Art. 33 [41].
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders voeren ten behoeve van een getrouwe weergave van de
uitvoering en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie
dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging zijn gewaarborgd van:
a. de beslissingen over
aanvragen, onderzoeken, uitkeringen, vorderingen en verplichtingen en de
hieruit voortvloeiende betalingen en ontvangsten;
b. de hierop betrekking
hebbende bescheiden;
c. het onderzoek dat is
verricht naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en
de overgelegde bescheiden.
-2.
Onze Minister stelt,
na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, regels aangaande
de in het eerste lid bedoelde administratie.
Art. 34 [42].
[MvT
+ bis]
-1. Het gemeentebestuur
draagt zorg voor de totstandkoming van een plan en een beleidsverslag als bedoeld in artikel 110 van de
Gemeentewet,
gericht op:
a. de bevordering van een
rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de
bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van
misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; en
b. de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening door middel van inschakeling in de
arbeid in dienstbetrekking.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde plan en beleidsverslag worden elk kalenderjaar vastgesteld.
-3. Het deel van het plan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste een beschrijving van de wijze waarop burgemeester en
wethouders:
a. toepassing geven aan
artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 36a [45];
b. zorg dragen voor een
toereikende controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, en voor de strafrechtelijke of bestuursrechtelijke
afdoening in geval van niet-nakoming van deze verplichting.
-4. Het deel van het plan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat ten minste een beschrijving van de wijze waarop toepassing wordt
gegeven aan de
samenwerking als bedoeld in artikel 26 [34], tweede lid, en de daarover gemaakte
afspraken.
-5.
Onze Minister kan
nadere regels stellen omtrent de voorwaarden waaraan het plan en het
beleidsverslag dienen te voldoen indien daarmee tevens een
gebruik ten behoeve van het toezicht wordt beoogd.
Art. 35 [43].
[MvT
+ bis]
-1. De gemeenteraad kan
burgemeester en wethouders machtigen het nemen van besluiten op te
dragen aan gemeenteambtenaren, zulks onder nader door burgemeester
en wethouders te stellen regels en onder behoud van hun verantwoordelijkheid.
-2. De opdracht kan zich
niet uitstrekken tot het beslissen op bezwaarschriften en het instellen van
beroep.
-3. De bepalingen van het
eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van organen, ingesteld bij of krachtens de wet, ter behartiging van belangen
waarbij meer dan één gemeente is betrokken.
§ 2.
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 36 [44].
[MvT
+ bis]
-1. Ieder is verplicht
desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan burgemeester en wethouders kosteloos opgaven en inlichtingen te
verstrekken omtrent
feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze
wet ten opzichte van een persoon te wiens behoeve een uitkering is
gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve
werkt of heeft gewerkt. De verplichting strekt zich mede uit tot de
inkomsten van een persoon van wie uitkeringen ingevolge hoofdstuk II, paragraaf
5, worden of kunnen worden teruggevorderd.
-2. De opgaven en
inlichtingen moeten desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door burgemeester en
wethouders schriftelijk te stellen termijn worden verstrekt.
Art. 36a [45].
[MvT
+ bis]
-1. De hieronder vermelde
instanties zijn verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders kosteloos opgaven en inlichtingen te
verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten;
b. de rijksbelastingdienst, de zorgverzekeraars en de
Ziekenfondsraad;
c. het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, de bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake
vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel
7 [8] van deze wet als
inkomen worden aangemerkt;
d. de Kamers van
Koophandel en Fabrieken en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
e. de korpschef in de zin
van de Vreemdelingenwet;
f. Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betreffende de toepassing van de Wet individuele huursubsidie;
g. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
op de studiefinanciering en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
h. Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreffende de omvang van de
productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de
agrarische sector;
i. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de personen die rechtmatig hun vrijheid
is ontnomen;
j. de instanties en
personen die woonruimte verhuren;
k. de instanties die in
het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren.
-2. Griffiers van
colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere
stukken te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-3. De in het eerste en
het tweede lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van
uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II,
paragraaf 5;
b. die hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs
kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve een
uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van
uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II,
paragraaf 5.
-4. De opgaven en
inlichtingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden desgevraagd
schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd,
en
zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst
van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-5. De in het eerste lid,
onderdeel a tot en met i, genoemde instanties treffen desgevraagd met
burgemeester en wethouders een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen
gevraagde opgaven en
inlichtingen.
-6.
Onze Minister kan
nadere regels stellen omtrent de inhoud van de in het vijfde lid bedoelde
regelingen en de wijze waarop deze vorm worden gegeven.
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in
het eerste en het tweede lid worden aangewezen voor wie de verplichting,
bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, eveneens gelden,
voor zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven met betrekking tot
inkomen van personen.
-8. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het zevende lid, kan tevens worden bepaald
dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
Art. 36b [46].
[MvT
+ bis]
-1. Het is een ieder
verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt medegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van
deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is
voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid
vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk
voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de
gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te
hebben;
c. de gegevens niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan
derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer
van de belanghebbenden daardoor niet onevenredig wordt
geschaad.
-4. Degene die op grond
van de artikelen 36 tot en met 36d [44-48]
gegevens verstrekt, dient na te
gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs
bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Art. 36c [47].
[MvT
+ bis]
Burgemeester en
wethouders zijn verplicht indien zij bij de uitvoering van deze wet het
gegronde
vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van
een uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van een
overheidsorgaan, voor zover dit is belast met het verrichten van
uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van
bijdragen, het
betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
Art. 36d [48].
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd,
onverminderd artikel 48 van de Vreemdelingenwet, uit de administratie
ter zake van de uitvoering van deze wet aan
de hieronder vermelde
organen en personen kosteloos de gegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hierbij vermelde wetten of
wettelijke regelingen:
a. de instellingen en
personen, genoemd in artikel 50a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering, voor de uitvoering van die wet of de wettelijke regelingen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet;
b. de rijksbelastingdienst
voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting of
premies
volksverzekeringen;
c. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten
voor de uitvoering van deze wet,
de Algemene
bijstandswet, de Wet
Werkloosheidsvoorziening,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. de Sociale
Verzekeringsbank voor de uitvoering van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet en de Algemene
Kinderbijslagwet;
e. de Ziekenfondsraad en
de ziekenfondsen voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke
levenssfeer van de belanghebbenden daardoor onevenredig wordt geschaad.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen
waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden
verstrekt.
Art. 36e [49].
[MvT
+ bis]
-1. In de administratie
van de gemeente ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het
sociaal-fiscaal nummer opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de rijksbelastingdienst.
-2. Bij de verstrekking
van gegevens door burgemeester en wethouders en de in artikel 36 [44]
en 36d [48] genoemde organen en personen wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit sociaal-fiscaal nummer.
Art. 36f [50].
[MvT
+ bis]
Ten behoeve van het
gebruik van het sociaal-fiscaal nummer in de in artikel 33 [41]
bedoelde administratie kent
Onze Minister van Financiën, in
overeenstemming met
Onze Minister, aan de uitkeringsgerechtigden die niet reeds ten behoeve
van de belastingheffing bij de rijksbelastingdienst
zijn geregistreerd, een
sociaal-fiscaal nummer toe.
Art. 36g [51].
[MvT
+ bis]
Indien de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel
is of het gegronde vermoeden heeft dat een omstandigheid als bedoeld
in artikel 19a [20], eerste lid, aanwezig is, geeft zij van dit oordeel of
vermoeden onverwijld schriftelijk kennis aan burgemeester en wethouders, onder
vermelding van de gronden waarop het oordeel of vermoeden
steunt.
§ 3. Toezicht
Art. 36h [52].
[MvT
+ bis]
-1.
Onze Minister is
belast met het toezicht op de uitvoering van deze wet.
-2. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle
inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft en
verlenen hem inzage in de administratie, bedoeld in artikel
33 [41].
Art. 36i [53].
[MvT
+ bis]
Onze Minister kan aan
burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar
voren te brengen,
aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet.
Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.
§ 4. Beleidsinformatie
Art. 36j [54].
[MvT
+ bis]
-1. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan
Onze Minister alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en de
beleidsvorming met
betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.
Art. 36k [55].
[MvT
+ bis]
Burgemeester en
wethouders zijn verplicht ten behoeve van de statistiek gegevens inzake de uitvoering van deze wet te verzamelen en
kosteloos te verstrekken
volgens door
Onze Minister, de Centrale Commissie voor de
Statistiek gehoord, te stellen regels.
N.
[MvT
+ bis]
De artikelen 38 [57] en 39 [58]
worden vervangen door:
Art. 38 [57].
[MvT
+ bis]
-1. Het Rijk vergoedt 90 procent van de ten laste van de gemeente gebleven uitkeringen,
waaronder begrepen de ten laste van de gemeente komende premies ingevolge
de socialeverzekeringswetten.
-2.
Onze Minister kan ten
laste van ’s Rijks kas volgens bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels aan gemeenten een vergoeding toekennen voor kosten van bij de toepassing van
artikel 14,
derde lid, aan derden
opgedragen onderzoek.
-3. Burgemeester en
wethouders declareren de in een kalenderjaar gemaakte kosten, bedoeld
in het eerste en tweede lid, door middel van een kostenopgave over dat
jaar. Deze opgave is voorzien van een verklaring van de deskundige belast met de in artikel 213 van de
Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
-4. Onze Minister stelt
regels inzake:
a. de wijze en het
tijdstip van declareren, alsmede de daarbij door burgemeester en wethouders nader te verstrekken gegevens;
b. de in het derde lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
Art. 39 [58].
[MvT
+ bis]
-1. Het Rijk verleent op
verzoek van de gemeente voorschotten op de in artikel
38 [57], eerste en
tweede lid, bedoelde vergoeding.
-2. Voor zover de
uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders, dan wel de
administratie, bedoeld in artikel 33 [41], ernstige tekortkomingen vertoont,
kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan
uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister stelt
regels aangaande het verlenen van voorschotten.
Art. 40 [59].
[MvT
+ bis]
-1.
Onze Minister stelt de
vergoeding, bedoeld in artikel 38 [57], eerste en tweede lid, vast binnen
één jaar na ontvangst van de kostenopgave als bedoeld in artikel
38 [57],
derde lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel
38 [57], derde lid, kan Onze Minister de
vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een
vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde
vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen, indien:
a. het een uitkering
betreft die is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan
het bepaalde bij en krachtens de artikelen 13 tot en met 19 en de
artikelen 26 [34], 33 [41]
en 34 [42];
c. het een uitkering
betreft die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf
5, is of wordt teruggevorderd.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van het derde lid.
O.
[MvT
+ bis]
Artikel 41 [60] wordt
vervangen door:
Art. 41.
Voor de toepassing van
artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt met
een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening van
de uitkering of het
verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.
P.
[MvT
+ bis]
Artikel 42 vervalt.
Q.
[MvT
+ bis]
Na artikel 47 [61] wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 48 [62].
-1. Degene die de
verplichting, bedoeld in artikel 13, of de verplichting, bedoeld in artikel
25c [27],
derde lid, niet of niet behoorlijk nakomt, waardoor ten onrechte een
uitkering of een te hoge uitkering is verleend, wordt gestraft met een
hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
R.
[MvT
+ bis]
Artikel 49 [63], eerste lid,
wordt vervangen door:
-1. Natuurlijke personen
en niet-publiekrechtelijke organen die niet voldoen aan de verplichting omschreven in de artikelen 36
[44] en
36a [45] of die
ter zake onjuiste
inlichtingen verstrekken, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand
of een geldboete van de tweede categorie.
S.
[MvT
+ bis]
De artikelen 52, 53 en 54
vervallen.
T.
[MvT
+ bis]
Voorts worden in de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In artikel 2 vervalt
in het eerste lid, onderdeel b, ten derde, de aanduiding "(Stb. 1987,
90)", komt in het tweede lid de aanduiding "(Stb.
1964, 519)" te vervallen
en vervalt in het vierde lid de aanduiding "(Stb. 1987, 93)".
2. In artikel 5 [6], derde
lid, onderdeel c, vervalt de aanduiding "(Stb. 1965,
40)".
3. In artikel 9, derde
lid, vervalt de aanduiding "(Stb. 1968, 657)".
4. In artikel 10, eerste
lid, komen de aanduidingen "(Stb. 1987, 88)" en "(Stb. 1987,
89)" te
vervallen.
5. De artikelen
50, 51 en
56 vervallen.
6. In artikel 57 [65]
vervalt
de aanduiding "(Stb. 521)".
7. In artikel 59 [67]
komen de
aanduidingen "(Stb. 1964, 485)", "(Stb. 1987,
91)", "(Stb. 1986, 252)" en "(Stb. 1987,
92)" te vervallen.
1. Ingevolge artikel
57 is de nummering van de artikelen van de Ioaz
opnieuw vastgesteld. De redactie heeft, voor zover van toepassing, de
gewijzigde artikelnummers telkens tussen hoekhaken achter de genoemde
artikelen van de Ioaz vermeld.
2. Volgens de redactie dient
"inkomen" te worden vervangen door: inkomsten.
Art. 20.
Ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op uitkering op grond
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen en wiens recht op de peildag niet is geëindigd, zijn
de artikelen 4 en 5 van deze wet van overeenkomstige toepassing.
AFDELING 2
Overige wetten
Art. 21.
De Wet Sociale Werkvoorziening wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1 vervalt
onderdeel b en wordt de aanduiding van de onderdelen c en
d vervangen door b onderscheidenlijk c.
2. Artikel 35 wordt
vervangen door:
Art. 35.
Het toezicht op de
uitvoering van deze wet berust bij
Onze Minister.
Art. 22.
De Wet
Werkloosheidsvoorziening wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 1, onderdeel c, komt te luiden:
c. rijksconsulent: de Rijksconsulent Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 37;.
2. In artikel 16a, derde
lid, wordt de zinsnede "het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983,
132)" vervangen door: hoofdstuk IV van
de Algemene bijstandswet.
3. In artikel 28a wordt
de zinsnede "bijstand in de algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284)" vervangen
door: algemene bijstand krachtens de Algemene
bijstandswet.
Art. 23.
In de Werkloosheidswet
wordt in artikel 37, tweede lid, de zinsnede "bijstand in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet
(Stb. 1963, 284)" vervangen door: algemene
bijstand krachtens de Algemene
bijstandswet.
Art. 24.
In de Ziektewet wordt in
artikel 33a, eerste lid, de zinsnede "bijstand in de algemeen noodzakelijke
kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963,
284)" vervangen door: algemene bijstand krachtens de Algemene
bijstandswet.
Art. 25.
In de Organisatiewet
Sociale Verzekering wordt in artikel 50j, tweede lid, de zinsnede
"de
Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) en de op de Algemene Bijstandswet
gebaseerde Rijksgroepsregelingen" vervangen door: de Algemene
bijstandswet.
Art. 26.
In de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt in
artikel
57a, eerste lid, de zinsnede "bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten
van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284)" vervangen door: algemene
bijstand krachtens de Algemene
bijstandswet.
Art. 27.
In de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt in artikel 49, eerste lid, de zinsnede
"bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van
bestaan krachtens de
Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284)" vervangen door: algemene bijstand
krachtens de Algemene
bijstandswet.
Art. 28.
De Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 25, eerste
lid, worden de woorden "Algemene Bijstandswet (Stb. 1963,
284)" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
2. In artikel 26 wordt
onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-4. De in het derde lid
bedoelde termijn wordt verlengd met ten hoogste twee kalenderkwartalen
indien ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Jeugdwerkgarantiewet de
werkloosheidsduur wordt verlengd.
3. Het vijfde lid wordt
vervangen door:
-5. Artikel 7, eerste,
tweede, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende en tiende lid, en artikel 10
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 29.
In de Algemene Ouderdomswet worden in artikel 25 de woorden
"Algemene Bijstandswet"
vervangen door: Algemene
bijstandswet.
Art. 30.
[MvT]
In de Algemene Weduwen-
en Wezenwet wordt in artikel 35a de zinsnede "Algemene
Bijstandswet" vervangen door:
Algemene bijstandswet.
Art. 31.
De Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 24, derde lid,
wordt de zinsnede "het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983,
132)" vervangen door: hoofdstuk IV van
de Algemene bijstandswet.
B.
In artikel 48, vijfde
lid, wordt de zinsnede "het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb.
1983, 132)" vervangen door: hoofdstuk IV van de
Algemene bijstandswet.
Art. 32.
In de Toeslagenwet
wordt in artikel 21, eerste lid, de zinsnede "bijstand in de algemeen
noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963,
284)" vervangen door: algemene bijstand krachtens de Algemene
bijstandswet.
Art. 33.
In de Wet terugdringing
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt in artikel XII de
zinsnede "Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395)" vervangen door:
Algemene
bijstandswet.
Art. 34.
In de Jeugdwerkgarantiewet wordt in artikel 8, tweede lid, de zinsnede
"Algemene
Bijstandswet (Stb. 1963, 284)" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
Art. 35.
[MvT]
In de Wet
arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector wordt in artikel
2, tweede lid, onderdeel b, de zinsnede "of de Algemene Bijstandswet
(Stb. 1963, 284)" geschrapt.
Art. 36.
In de Wet
overhevelingstoeslag opslagpremies wordt in artikel 1, eerste lid, onderdeel
a,
de zinsnede "Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395)" vervangen door:
Algemene
bijstandswet.
Art. 37.
De Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, onderdeel o, wordt "de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973,
395)" vervangen door: de Algemene
bijstandswet.
B.
In artikel 3, eerste lid,
wordt "artikel 1, vierde lid, van de ABW" vervangen door: artikel
55, eerste lid, van de
Abw.
Art. 38.
Artikel XX van de Wet van
23 december 1992 (Stb. 1992, 732), houdende nadere wijziging van een
aantal socialezekerheidswetten en enige andere wetten (Wijziging
vaststelling gemiddeld premiepercentage en verdeling van de premie voor de
Werkloosheidswet die ten gunste komt van het Algemeen
Werkloosheidsfonds), vervalt.
Art. 39.
De Wet op de
Inkomstenbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 30b, onderdeel c, wordt de zinsnede "Algemene Bijstandswet
(Stb. 1973, 395)" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
B.
In artikel 45, eerste
lid, onderdeel e, wordt de zinsnede "krachtens hoofdstuk IVa, paragraaf
2, van de Algemene Bijstandswet" vervangen door: krachtens hoofdstuk
VII van de Algemene bijstandswet.
Art. 40.
De Wet op de
studiefinanciering wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 26, derde lid,
onderdeel a, wordt de zinsnede "Algemene Bijstandswet (Stb. 1963,
284)" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
B.
Artikel 64, derde lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "op grond
van de Algemene Bijstandswet" wordt vervangen door: op grond
van de Algemene
bijstandswet.
2. De zinsnede "op grond
van de Wet wijziging van bepalingen in de Algemene Bijstandswet die
betrekking hebben op het verhaal van kosten van bijstand" wordt vervangen door: op grond van
hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet.
Art. 41.
In Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek wordt in artikel 159a de zinsnede "artikel 63 van de
Algemene Bijstandswet" vervangen door: artikel 93 van de
Algemene bijstandswet.
Art. 42.
Het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:
A.
Onder vernummering van
het derde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met achtste lid worden
het eerste en tweede lid van artikel 475d vervangen door:
-1. De beslagvrije voet
bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten als
bedoeld in artikel 3 van de Algemene bijstandswet die beiden 21 jaar of
ouder zijn: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 30,
onderdeel c, van die wet;
b. een alleenstaande en
een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a en b, van
de Algemene bijstandswet die 21 jaar of ouder zijn:
1º. indien het
periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van dat inkomen
inclusief de vakantieaanspraak, doch ten minste 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 30, onderdeel a en b,
van de Algemene bijstandswet, en ten hoogste 90 procent van die bijstandsnorm nadat deze
eerst is verhoogd met het bedrag, genoemd in artikel
33, tweede lid,
van die wet;
2º. indien het
periodieke inkomen niet bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van de
bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, onderdeel a en
b, van de Algemene bijstandswet.
-2. De beslagvrije voet
bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten zonder ten
laste komende kinderen die beiden jonger zijn dan 21 jaar: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 29,
eerste lid, onderdeel b,
van de Algemene bijstandswet;
b. echtgenoten zonder ten
laste komende kinderen waarvan een van hen jonger is dan 21
jaar: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
29, eerste lid,
onderdeel c, van de Algemene bijstandswet;
c. een alleenstaande
jonger dan 21 jaar: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
29, eerste lid, onderdeel
a, van de Algemene bijstandswet;
d. een alleenstaande
ouder jonger dan 21 jaar: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
29, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene bijstandswet;
e. echtgenoten die beiden
jonger zijn dan 21 jaar met één of meer ten laste komende kinderen:
90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
29, tweede lid,
onderdeel b, van de Algemene bijstandswet;
f. echtgenoten waarvan één van hen jonger is dan 21 jaar met
één of meer ten laste komende
kinderen: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
29,
tweede lid, onderdeel c, van de Algemene bijstandswet.
-3. Voor zover het
echtgenoten betreft, wordt de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft
verminderd met het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen
inclusief vakantieaanspraak van degene aan wie de bijstand samen met de
schuldenaar zou kunnen toekomen.
-4. Indien de schuldenaar
ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is
opgenomen, bedraagt de beslagvrije voet de prijs die is verschuldigd voor
verzorging dan wel verpleging. De beslagvrije voet wordt verhoogd met
twee derden van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 31 van de
Algemene bijstandswet.
B.
In artikel 598a, eerste
lid, wordt de zinsnede "beschikkingen gegeven op grond van hoofdstuk IVa,
paragraaf 2, van de Algemene Bijstandswet," vervangen door: besluiten op grond van
hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet.
Art. 43.
In artikel 63, derde lid, van de Arbeidsvoorzieningswet wordt de
zinsnede "de krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973,
395) aan de bijstand verbonden voorwaarden welke strekken tot
inschakeling in de arbeid, alsmede de gegevens die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
aan burgemeester en wethouders verstrekt wanneer zij wordt gehoord
ingevolge artikel 31 van de Algemene Bijstandswet" vervangen door:
de ingevolge de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemers dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen aan de bijstand onderscheidenlijk de uitkering
verbonden verplichtingen welke strekken tot inschakeling in de arbeid.
Art. 44.
In artikel 9, eerste lid,
van de Wet individuele huursubsidie wordt de zinsnede "Algemene
Bijstandswet (Stb. 1973, 395)" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
Art. 45.
Artikel 5, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet
op het consumentenkrediet wordt vervangen door:
a. waaraan als
kredietnemer deelneemt:
1º. echtgenoten als
bedoeld in artikel 3 van de Algemene bijstandswet van wie het gezamenlijk
netto maandinkomen niet hoger is dan de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 30, onderdeel c, van die wet;
2º. een alleenstaande
ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de
Algemene bijstandswet
van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan 90 procent van de bijstandsnorm, bedoeld onder
1º; of
3º. een alleenstaande
als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de
Algemene bijstandswet
van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan 70 procent van de bijstandsnorm, bedoeld onder
1º; dan wel.
Art. 46.
In de Wet op de bejaardenoorden wordt in artikel 16h de zinsnede "het bedrag vastgesteld
krachtens artikel 11 van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963,
284)" vervangen door: het bedrag, genoemd in artikel 31 van de
Algemene bijstandswet.
Art. 47.
In de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 worden in artikel 60a de woorden
"Algemene Bijstandswet" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
Art. 48.
In de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 worden in artikel 64 de woorden
"Algemene Bijstandswet" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
Art. 49.
[MvT]
In de Rompwet instellingen van weldadigheid komen in artikel 2 de onderdelen
a en d te
vervallen. De aanduiding van de onderdelen b en c wordt vervangen door:
a
en b.
Art. 50.
In de Wet
Rietkerk-uitkering wordt in artikel 9 de zinsnede "Algemene Bijstandswet
(Stb. 1963, 284)" vervangen door: Algemene
bijstandswet.
Art. 51.
In de Wet op de
lijkbezorging wordt in artikel 22 de laatste volzin vervangen door:
Hoofdstuk
VII van de Algemene bijstandswet is voor zover mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
Art. 52.
In de Wet
algemene regels herindeling wordt in artikel 72 de zinsnede
"als bedoeld in de
artikelen 16, 17 en 18 van de Algemene Bijstandswet" vervangen door: als
bedoeld in de artikelen 63 en 64 van de
Algemene bijstandswet.
Art. 53.
[MvT]
Van de bijlage bij de
Algemene wet bestuursrecht wordt in onderdeel F (Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid) onderdeel 3 vervangen door:
3. De artikelen 74 en 140
en hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet.
4. De artikelen 86,
eerste en tweede lid, van de Algemene bijstandswet,
25c, eerste en tweede
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en
25c, eerste en tweede lid, van
de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Art. 54.
In de Wet van 15 april
1992 (Stb. 1992, 193), houdende een nieuwe regeling voor terugvordering en
verhaal van kosten van bijstand, vervallen in artikel III de artikelen 25c,
25d, 25e, derde lid, 25f, 25i, 41 en 48 en vervalt tevens artikel
X.
Art. 55.
De Wet op de
rechtsbijstand wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 35, vijfde
lid, aanhef, wordt de aanhef "Telkens wanneer het normbedrag, bedoeld in
artikel 1, vierde lid, van de Algemene Bijstandswet wordt
gewijzigd, worden door Onze Minister:" vervangen door: Telkens wanneer het
normbedrag, bedoeld in artikel 30, onderdeel c, van de
Algemene bijstandswet, wordt gewijzigd, worden door Onze Minister:.
Hoofdstuk
IV
Slotbepalingen
Art. 56.
-1.
Onze Minister herziet met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe Algemene
bijstandswet de in hoofdstuk IV van die wet genoemde bedragen en
percentages op de in afdeling 4 van dat hoofdstuk voorgeschreven
wijze voor zover de ontwikkeling van het nettominimumloon, de
nettoaanspraak op minimumvakantiebijslag, het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie, het prijsindexcijfer van het onderdeel energie
daarvan, gerekend vanaf 1 januari 1992, daartoe aanleiding geeft.
-2. Onze Minister herziet met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe Algemene
bijstandswet de in artikel
4 ¹ van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen genoemde bedragen op de in die wetten
voorgeschreven wijze, voor zover de ontwikkeling van het nettominimumloon en het
nettominimumjeugdloon, gerekend vanaf 1 januari
1992, daartoe aanleiding geeft.
1. Volgens de redactie
dient "artikel
4" te worden vervangen door: artikel
5.
Art. 57.
De tekst van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de tekst van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen worden in het Staatsblad geplaatst. Vóór de
plaatsing van deze wetten stelt
Onze Minister de nummering van de
artikelen opnieuw vast en brengt hij de in deze wetten voorkomende
aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in
overeenstemming.
Art. 58.
In het belang van een goede uitvoering van het in deze wet bepaalde
kan
Onze Minister regels stellen.
Art. 59.
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 1994 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de
socialezekerheidswetten in verband met
de nadere vaststelling
van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken II 1994-1995, 23 909), tot
wet wordt verheven en in werking treedt:
a. vervalt op hetzelfde
tijdstip van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht in
onderdeel F
(Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid),
onderdeel 4;
b. wordt op hetzelfde
tijdstip in artikel 138 van de Algemene bijstandswet, artikel 41
[60] van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en in artikel 41 [60]
van de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
telkens na "de verlening" ingevoegd: of terugvordering.
Art. 60.
In artikel 138 van de
nieuwe Algemene bijstandswet vervalt de zinsnede "of
terugvordering".
Art. 61.
Deze wet treedt gelijktijdig met de nieuwe Algemene bijstandswet in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
1. Bij Besluit
van 12 april 1995, Stb. 1995, 201, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1996, red.
Art. 62.
Deze wet kan worden aangehaald als: Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 april 1995
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de dertiende april 1995
De Minister van Justitie a.i.,
H.F. Dijkstal
|
|