|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1986-1987, 19 778.
Handelingen II 1986-1987, blz. 3542-3561, 3686.
Kamerstukken I 1986-1987, 19 778 (189, 189a, 189b, 189c).
Handelingen I 1986-1987, vergadering van 9 juni 1987.
BESCHIKKING van de Minister
van Justitie van 18 april 1995, Stb.
195, 206, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de Wet van 12
april 1995, Stb. 1995, 200
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel
57 van de Wet
van 12 april 1995, Stb. 1995, 200;
Besluit:
De
tekst van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, zoals deze
laatstelijk is gewijzigd bij de Wet van 12
april 1995, Stb. 1995, 200,
in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
’s-Gravenhage, 18 april
1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de twintigste
april 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Tekst van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de Wet van 12
april 1995, Stb. 1995, 200
[WET van 11 juni 1987, Stb. 1987,
281, houdende het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het
inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als
gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd (Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen). Inwerkingtreding: 1 juli 1987.
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening te treffen
voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van
wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum
en die
als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:, red.]
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. belanghebbende: degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
b. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. burgemeester en
wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel
11;
d.
Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de organisatie, bedoeld in artikel 2 van de
Arbeidsvoorzieningswet;
e. nettominimumloon: de som
van het nettominimumloon en de nettoaanspraak op de
minimumvakantiebijslag, bedoeld in
artikel 55, eerste lid,
van de Algemene bijstandswet.
Art. 2.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen zelfstandige:
a. de persoon die voor de
voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen
bedrijf of beroep en die:
1º. de leeftijd van 65 jaar
nog niet heeft bereikt; en
2º. na het bereiken van de
leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd;
b. de persoon die voor de
voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen
bedrijf of beroep en die:
1º. de leeftijd van 65 jaar
nog niet heeft bereikt;
2º. het bedrijf of beroep
in verband met arbeidsongeschiktheid heeft beëindigd; en
3º. recht heeft op
uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
-2. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt met de gewezen zelfstandige
gelijkgesteld de meewerkende echtgenoot in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel
a of b.
-3. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige
aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of
tweede lid, en die met anderen het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in
de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma of een
commanditaire vennootschap, indien:
1º. de volledige
zeggenschap in het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werd uitgeoefend; en
2º. de financiële risico’s
van het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werden gedragen.
-4. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige
aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of
tweede lid en die, anders dan als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een besloten
vennootschap of een naamloze vennootschap.
-5. De gewezen zelfstandige
was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep indien
werd voldaan aan het urencriterium voor toepassing van de
zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 44m, eerste of vierde lid, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964.
Art. 3.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt:
a. als echtgenoot aangemerkt
degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de gewezen
zelfstandige met wie hij gehuwd is;
b. als echtgenoot mede
aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon
met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
-2. Van een gezamenlijke
huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door
middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
-3. Een gezamenlijke
huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd
zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn
gesteld;
b. uit hun relatie een kind
is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds
verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een
geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die
naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het tweede lid.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende
welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het
derde lid, onderdeel d.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen
wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals
bedoeld in het tweede lid.
Art. 4.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande gewezen
zelfstandige: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende
gewezen zelfstandige die niet een gezamenlijke huishouding
voert als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
b. kind: het kind jonger dan
18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het
huishouden van een ander dan de gewezen zelfstandige behoort en voor
wie de gewezen zelfstandige op grond van de Algemene Kinderbijslagwet
kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.
HOOFDSTUK
II
De
uitkering
§ 1.
De voorwaarden voor
het recht op uitkering
Art. 5.
-1. Recht op uitkering
hebben, indien het inkomen per maand na het beëindigen van het
bedrijf of beroep minder bedraagt dan de overeenkomstig het vijfde lid vastgestelde
grondslag en indien aan de in het tweede of derde lid genoemde
voorwaarden wordt voldaan:
a. de gewezen zelfstandige
en de echtgenoot;
b. de alleenstaande gewezen
zelfstandige met één of meer kinderen;
c. de alleenstaande gewezen
zelfstandige zonder kinderen.
-2. De in het eerste lid
bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a:
1º. de gewezen zelfstandige
heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of
beroep in Nederland
uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een
bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in
dienstbetrekking verricht;
2º. het inkomen uit of in
verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen
zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder
dan ƒ36 800,00 per jaar;
3º. het inkomen uit of in
verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen
zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar
verwachting duurzaam minder dan ƒ36 800,00 per jaar bedragen; en
4º. de aanvraag is
ingediend vóór het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging
heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar volgend op
het tijdstip van aanvraag.
-3. De in het eerste lid
bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel b:
1º. de gewezen zelfstandige
heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of
beroep in Nederland
uitgeoefend;
2º. het inkomen uit of in
verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen
zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar
verwachting duurzaam minder dan ƒ36 800,00 per jaar bedragen; en
3º. de aanvraag is
ingediend vóór het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging
heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar volgend op
het tijdstip van aanvraag.
-4. Het recht op uitkering
komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe.
De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de
echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan
één van hen voor het geheel.
-5. De grondslag, bedoeld in
het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat
voor:
a. de gewezen zelfstandige
en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan ƒ904,12;
b. de alleenstaande gewezen
zelfstandige met één of meer kinderen de grondslag netto gelijk is
aan ƒ1627,41;
c. voor de alleenstaande
gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan ƒ1265,77.
-6. Onze Minister herziet de
bedragen, genoemd in het tweede lid, onder 2º en 3º, en in het derde lid, onder 2º, met ingang van een door hem te bepalen dag
zodanig dat deze netto
gelijk zijn aan het nettominimumloon.
-7. De in het vijfde lid
genoemde bedragen worden gewijzigd met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt met het percentage van deze
wijziging.
Art. 6.
-1. Geen recht op uitkering ontstaat zolang het bedrijf of beroep door de zelfstandige en de
echtgenoot niet is beëindigd.
-2. Voor de gewezen
zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
b, ontstaat geen
recht op uitkering ingevolge deze wet zolang betrokkene geen recht op
uitkering heeft op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
-3. Geen recht op uitkering
heeft de gewezen zelfstandige die:
a. zelf dan wel van wie de
echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt;
b. buiten Nederland woont of
aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt;
c. op grond van de
Vreemdelingenwet kan worden uitgezet; of
d. die zijn vrijheid is
ontnomen.
-4. Geen recht op uitkering
heeft de echtgenoot indien ten aanzien van deze, dan wel ten aanzien
van de gewezen zelfstandige, zich een omstandigheid voordoet als omschreven in
het derde lid. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een
omstandigheid voordoet als omschreven in het derde lid, onderdeel b,
c
en d, wordt de gewezen zelfstandige aangemerkt als alleenstaande.
Art. 7.
Indien het recht op
uitkering als gevolg van werkaanvaarding van de gewezen zelfstandige of de
echtgenoot is geëindigd en vervolgens opnieuw werkloosheid
ontstaat, herleeft het recht op uitkering.
Art. 8.
-1. Als inkomen wordt
aangemerkt:
a. voor de gewezen
zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit of in verband
met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en van zijn
echtgenoot;
b. voor de alleenstaande
gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit of in verband met arbeid in het
bedrijfs- en beroepsleven.
-2. Als inkomen wordt voorts
aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen
zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep
beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ202 000,00
buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5%
per jaar van het vermogen.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld
met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel
5,
tweede en derde lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het
eerste lid en in artikel 5, tweede en derde lid, alsmede de periode waarop de
vaststelling betrekking heeft.
-4. Onze Minister
herziet het
bedrag, genoemd in het tweede lid, met ingang van een door hem te
bepalen dag, voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie
daartoe aanleiding geeft.
-5. Onze Minister herziet het
percentage, bedoeld in het tweede lid, zodra de renteontwikkeling
daartoe aanleiding geeft.
-6. Onze Minister stelt
regels met betrekking tot de waardering van het vermogen, bedoeld in het
tweede lid.
§ 2.
De hoogte van de
uitkering
Art. 9.
-1. De uitkering bedraagt het
verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen.
-2. In de in het eerste lid
bedoelde uitkering is begrepen een vakantie-uitkering ter hoogte van 8/108 van die
uitkering.
-3. Indien het percentage van
de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt de in het
tweede lid genoemde verhouding dienovereenkomstig aangepast.
Art. 10.
-1. Op de uitkering wordt een
bedrag ingehouden dat gelijk is aan het bedrag van de premies welke
een werkgever op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op het overeenkomstige loon
van een werknemer die verzekerd is op grond van die wetten
inhoudt.
-2. Indien ingevolge één van
de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt
met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële
regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
-3. Onze Minister
kan nadere
en zo nodig afwijkende regels stellen met betrekking tot de berekening
van de op grond van het eerste lid op de aldaar bedoelde uitkering in
te houden bedragen.
§ 3.
Het geldend maken van
het recht op uitkering
Art. 11.
Het recht op uitkering
bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de
belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 12.
-1. Indien doorzending van de
aanvraag naar burgemeester en wethouders van een andere gemeente
heeft plaatsgevonden en deze van oordeel zijn dat zij evenmin
de aanvraag dienen te behandelen, terwijl er geen zekerheid kan worden
verkregen over de in artikel 11 bedoelde woonplaats, dragen
burgemeester en wethouders die de doorgezonden aanvraag hebben ontvangen
er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een
beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat
het recht op uitkering jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Het eerste en tweede lid
van artikel 16 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de daar genoemde termijnen beginnen te lopen vanaf de
mededeling van die doorzending of beslissing.
-4. Uitkeringskosten verleend
ingevolge het tweede lid worden vergoed door de gemeente waarvan de
taak is waargenomen.
Art. 13.
-1. De belanghebbende doet
aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen
beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening
of de voortzetting van de uitkering, zo mogelijk onder overlegging
van bewijsstukken. De belanghebbende verleent bovendien
desgevraagd inzage in zijn administratie.
-2. Voor de verstrekking van
gegevens maakt de belanghebbende gebruik van een door
burgemeester en wethouders verstrekt formulier.
-3. De belanghebbende is
verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking
te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-4. Burgemeester en
wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de
belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van
de Wet op de
identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan
op in de administratie.
-5. De belanghebbende is
voorts verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd een
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is
voor de uitvoering van deze wet.
Art. 14.
-1. Burgemeester en
wethouders bepalen welke gegevens ten behoeve van de verlening dan wel
voortzetting van de uitkering door de belanghebbende in ieder geval dienen te
worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.
-2. Burgemeester en
wethouders bepalen de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens
dient plaats te vinden.
-3. Burgemeester en
wethouders onderzoeken de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens en
stellen zo nodig een onderzoek in naar andere gegevens die
voor de vaststelling van het recht op uitkering noodzakelijk zijn. Indien
het onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en wethouders
tot wijziging van de uitkering.
-4. Burgemeester en
wethouders verrichten regelmatig een heronderzoek naar de voor
het recht op uitkering van belang zijnde gegevens. Het heronderzoek
strekt zich mede uit tot de naleving van de aan de uitkering verbonden
verplichtingen. Burgemeester en wethouders beoordelen tevens of er
aanleiding bestaat de verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzigen.
-5. Het in het derde en
vierde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 36
ontheffing is verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid
in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de mogelijkheden van de
belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het bestaan
te voorzien, alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen worden
vergroot.
-6. Bij beëindiging van de
uitkering nemen burgemeester en wethouders, na onderzoek,
tijdig een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente
en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.
-7. Burgemeester en
wethouders onderzoeken regelmatig de financiële omstandigheden van degene
aan wie zij betalingsverplichtingen hebben opgelegd met betrekking tot
de verleende uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft,
besluiten burgemeester en wethouders tot wijziging van de opgelegde betalingsverplichtingen.
Art. 15.
-1. Burgemeester en
wethouders stellen het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast.
-2. De uitkering wordt door
de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk aangevraagd, dan
wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
Art. 16.
-1. Burgemeester en
wethouders stellen binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag
vast of recht op uitkering bestaat.
-2. Indien burgemeester en
wethouders niet in staat zijn binnen de termijn, bedoeld in het
eerste lid, een besluit te nemen, kunnen zij deze met ten hoogste dertien weken
verlengen. Van de verlenging doen zij mededeling aan de
belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor het
nemen van een besluit zal verstrijken.
-3. De termijn voor het nemen
van een besluit wordt opgeschort met ingang van de dag waarop
burgemeester en wethouders de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan
te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Van de opschorting van de
termijn doen burgemeester en wethouders mededeling aan de
belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor het
nemen van een besluit zal verstrijken.
-4. Indien de belanghebbende
de aanvraag niet binnen de gestelde termijn aanvult, besluiten
burgemeester en wethouders de aanvraag niet te behandelen.
-5. Burgemeester en
wethouders besluiten niet tot toekenning van de uitkering dan nadat de
juistheid en volledigheid van de door de belanghebbende verstrekte gegevens zijn
onderzocht.
-6. Als buiten toedoen van de
belanghebbende het onderzoek naar de juistheid en volledigheid
van de door hem verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan
worden voltooid, besluiten burgemeester en wethouders op de aanvraag op
voet van de dan bekende gegevens.
Art. 17.
-1. Indien de belanghebbende
de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt
en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins
onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op uitkering
op:
a. vanaf de eerste dag van
de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim
betrekking heeft.
-2. Burgemeester en
wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en
nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim
te herstellen.
-3. Indien de belanghebbende
het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde periode
wordt de uitkering beëindigd met ingang van de eerste dag van de periode
waarover de uitkering is opgeschort.
Art. 18.
-1. Bij een besluit tot
toekenning of voortzetting van de uitkering wordt ten minste mededeling gedaan
van:
a. de verplichtingen tot het
doen van mededelingen en het verlenen van medewerking, bedoeld in
artikel 13;
b. de verplichtingen als
bedoeld in hoofdstuk III die in het betrokken geval aan de uitkering zijn
verbonden.
-2. Bij een besluit tot
wijziging van de uitkering wordt ten minste mededeling gedaan van de
wijziging en de op die wijziging betrekking hebbende gewijzigde
verplichtingen. Voorts wordt, indien daarvoor aanleiding bestaat, in het
besluit nogmaals mededeling gedaan van de eerder aan de uitkering
verbonden verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en
b.
-3. Indien ten behoeve van de
belanghebbende een plan is opgesteld gericht op het vergroten van
de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, wordt dit opgenomen in een
bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de
uitkering.
-4. De belanghebbende tekent
een exemplaar van de bijlage, bedoeld in het derde lid, voor gezien
en verstrekt dit aan burgemeester en wethouders. De bijlage wordt
tevens getekend door burgemeester en wethouders en, voor zover
het betreft de onderdelen van het plan die door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
worden uitgevoerd, door die organisatie.
Art. 19.
-1. Onze Minister
stelt
nadere regels met betrekking tot:
a. de periode die de
opschorting van de uitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten hoogste mag
duren;
b. de termijn waarbinnen
burgemeester en wethouders de onderzoeken verrichten, bedoeld in
artikel 14, vierde, zesde en zevende lid.
-2. Onze Minister kan nadere
regels stellen met betrekking tot:
a. de wijze waarop
burgemeester en wethouders toepassing geven aan artikel
14, eerste en tweede
lid;
b. de inhoud van de
onderzoeken, bedoeld in artikel 14, derde, vierde, zesde en zevende lid;
c. de voorwaarden waaronder
van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijnen kan
worden afgeweken ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in artikel
14,
vierde en zevende lid;
d. de gevallen waarin kan
worden afgezien van het onderzoek, bedoeld in artikel 14, zevende lid.
Art. 20.
-1. Burgemeester en
wethouders besluiten de uitkering tijdelijk gedeeltelijk te weigeren,
indien:
a. de belanghebbende in de
periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien zich onvoldoende heeft ingezet voor de
voorziening in het bestaan;
b. gedragingen van de
belanghebbende in strijd met de op grond van artikel 13,
artikel 18,
vierde lid, en hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichtingen daartoe
aanleiding geven;
c. de door de belanghebbende
op grond van artikel 13 verstrekte gegevens onjuist blijken te
zijn.
-2. De omvang en de duur van
de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden afgestemd op de ernst
van het feit, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate
van verwijtbaarheid. De omvang en duur kunnen worden herzien
indien een wijziging van de omstandigheden van de belanghebbende daartoe
aanleiding geeft.
-3. Burgemeester en
wethouders kunnen bij herhaalde of zeer ernstige gedragingen als bedoeld in
het eerste lid de uitkering tijdelijk of blijvend geheel weigeren.
-4. Indien een belanghebbende
geen dienstbetrekking of voorbereidingsovereenkomst
heeft als bedoeld in hoofdstuk V en Va van de
Jeugdwerkgarantiewet,
omdat hij het aanbod daartoe niet heeft aanvaard of omdat hem een
aanbod daartoe niet wordt gedaan onder toepassing van artikel 11,
derde, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 16a, tweede, derde of vierde lid,
van die wet, weigeren burgemeester en wethouders hem voor de duur van
dertien weken geheel de uitkering. De duur
van de periode waarvoor de
uitkering wordt geweigerd, wordt verminderd indien daarvoor gelet op de
omstandigheden van persoon en gezin dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met het vierde
lid nadere regels worden gesteld.
§ 4.
De betaling van de
uitkering
Art. 21.
-1. Burgemeester en
wethouders betalen de uitkering in het algemeen per maand.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt de vakantie-uitkering, voor zover niet reeds eerder betaald,
jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande
twaalf maanden, dan wel in de maand waarin de uitkering eindigt.
Art. 22.
De uitkering wordt betaald
tot de eerste dag van de maand waarin de gewezen zelfstandige de
leeftijd van 65 jaar bereikt.
Art. 23.
-1. In geval van overlijden
van de echtgenoot van de gewezen zelfstandige wordt tot en
met de laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin het
overlijden plaatsvond, betaald naar de voordien vastgestelde grondslag.
-2. In geval van overlijden
van de gewezen zelfstandige wordt de uitkering tot en met de
laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin het overlijden
plaatsvond, betaald naar de voordien vastgestelde grondslag aan:
a. de echtgenoot van de
gewezen zelfstandige;
b. bij ontstentenis van de
onder a bedoelde persoon, het kind of de kinderen in de zin van deze
wet.
Art. 24.
-1. De uitkering is
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Een machtiging tot in het
ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke benaming
ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met
het eerste of tweede lid is nietig.
§ 5.
Terugvordering en
verrekening van de uitkering
Art. 25.
-1. De uitkering wordt door
burgemeester en wethouders van de belanghebbende
teruggevorderd:
a. indien de uitkering is
verleend op grond van zijnerzijds verstrekte onjuiste of onvolledige
inlichtingen;
b. indien gedurende de
uitkeringstermijn de verplichting, bedoeld in artikel 13, niet of niet
behoorlijk is nagekomen;
c. indien de uitkering tot
een te hoog bedrag of geheel ten onrechte is verleend en de
belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen;
d. indien blijkt dat de
belanghebbende over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van
deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling
van de uitkering rekening zou zijn gehouden.
-2. Het in aanmerking nemen
van over de voorafgaande drie maanden ontvangen inkomen ¹ wordt
niet als terugvordering beschouwd.
-3. Indien gelet op de
omstandigheden van de belanghebbende daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden
afgezien.
1.
Volgens de redactie dient "inkomen" te worden vervangen
door: inkomsten.
Art. 26.
-1. Indien de uitkering met
inachtneming van artikel 3 is verleend, worden voor de toepassing
van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel
bedoelde personen.
-2. Indien de uitkering met
inachtneming van artikel 3 had moeten worden verleend, maar zulks
achterwege is gebleven omdat de belanghebbende onjuiste of onvolledige
inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de verplichting, bedoeld in
artikel 17, niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt de gedurende het
betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede
teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering
rekening had moeten worden gehouden.
-3. De in het eerste en
tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de
terugbetaling van de ten onrechte verleende uitkering.
Art. 27.
-1. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, alsmede de termijnen
waarbinnen betaling wordt verlangd.
-2. Een besluit tot
terugvordering kan ambtshalve of op schriftelijke aanvraag van de
belanghebbende worden herzien op grond van gewijzigde omstandigheden.
-3. De persoon van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en
wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering ingevolge
deze paragraaf van belang zijn.
Art. 28.
-1. Behoudens in het geval,
bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel d, worden uitkeringen op grond
van deze wet die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van de
beschikking tot terugvordering zijn verstrekt, niet
teruggevorderd.
-2. Voor de toepassing van
artikel 25, eerste lid, onderdeel c, bedraagt de in het eerste lid
bedoelde termijn twee jaar.
-3. De termijn, bedoeld in
het eerste en tweede lid, staat niet in de weg aan de latere
tenuitvoerlegging van het besluit tot terugvordering.
Art. 29.
-1. De vordering tot de
nakoming van een besluit tot terugvordering wordt ingediend bij de kantonrechter.
-2. Op de vordering is het
bepaalde in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van
toepassing.
-3. De gemeente is geen vast
recht en geen vergoeding voor de deurwaarder
verschuldigd,
met uitzondering van het uitbrengen van exploiten.
Art. 30.
-1. De vorderingen ingevolge
deze paragraaf zijn bevoorrecht en volgen onmiddellijk na die in
artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
-2. Indien de uitkeringen op
verschillende tijdvakken betrekking hebben, heeft de terugvordering over
het vroegste tijdvak voorrang.
Art. 31.
Onder uitkering in de zin
van deze paragraaf wordt verstaan de uitkering, bedoeld in
artikel 9, verminderd met de inhouding op grond van artikel 10 en vermeerderd
met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
Art. 32.
-1. Indien recht op uitkering
op grond van deze wet bestaat over een tijdvak waarover krachtens
de Algemene Bijstandswet reeds bijstand in de algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan is verleend, is de gemeente
bevoegd deze
uitkering over dat tijdvak te verrekenen met het bedrag van de verleende
bijstand, dan wel de uitkering tot het bedrag van deze bijstand zonder
machtiging van de betrokkene te betalen aan de gemeente die de bijstand
verleende.
-2. Indien de gemeente
gebruik maakt van haar bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, stelt zij de
betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
Art. 33.
Op het executoriaal beslag
tot terugvordering ingevolge deze paragraaf door de gemeente
op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene van wie wordt teruggevorderd, zijn
de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de
raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan de gemeente.
HOOFDSTUK
III
Verplichtingen
gericht op inschakeling in de arbeid en voorzieningen
Art. 34.
-1. De uitkering is erop
gericht de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan
te voorzien. Burgemeester en wethouders bevorderen dat de
belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die bijdragen aan diens
zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg voor voorlichting en
bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.
-2. Burgemeester en
wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de
inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in het
arbeidsproces te bevorderen.
-3. Indien burgemeester en
wethouders premies verstrekken voor het aanvaarden of behouden van
arbeid en voor het voltooien van scholing of opleiding, vindt de
verlening daarvan plaats op grond van regels die door het
gemeentebestuur bij
verordening worden vastgesteld.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
samenwerking, bedoeld in het tweede lid.
Art. 35.
-1. De belanghebbende die
voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op
arbeid in dienstbetrekking is verplicht:
a. naar vermogen te trachten
arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen dat
hij als werkzoekende ingeschreven is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en ingeschreven blijft;
c. passende arbeid te
aanvaarden;
d. na te laten hetgeen
inschakeling in de arbeid belemmert;
e. te voldoen aan een oproep
om in verband met de toepassing van deze wet op een aangegeven
plaats en tijd te verschijnen;
f. mee te werken aan een
onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid,
alsmede aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing
of opleiding;
g. mee te werken aan een
scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling
in de arbeid, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de
zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
-2. Onder passende arbeid
wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van
de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden verlangd.
Niet als passende arbeid wordt aangemerkt arbeid in een
dienstbetrekking op grond van de Wet Sociale
Werkvoorziening.
-3. Indien uitkering wordt
verleend aan echtgenoten, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid,
voor ieder van hen.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende
arbeid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
-5. Onze Minister
kan regels
stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van één of
meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één of meer
categorieën belanghebbenden.
Art. 36.
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen besluiten verplichtingen als bedoeld in artikel 35 niet
op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te
verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat
om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de
aard en het doel van de uitkering.
-2. Burgemeester en
wethouders leggen aan de ouder met een volledige verzorgende taak voor
één of meer kinderen, dan wel pleegkinderen, jonger dan 5 jaar de
verplichtingen, bedoeld in dit hoofdstuk, niet op.
-3. Indien de uitkering is
toegekend aan een ouder met een gedeeltelijke verzorgende taak of aan
echtgenoten die de verzorgende taak, bedoeld in het tweede lid, gezamenlijk
uitoefenen, geldt dat de verplichtingen, bedoeld in dit hoofdstuk, aan
die ouder onderscheidenlijk die echtgenoten worden opgelegd met dien
verstande dat deze onderscheidenlijk ieder
van beiden voor de helft van
de gebruikelijke volledige arbeidstijd per week beschikbaar moet zijn
voor inschakeling in de arbeid.
Art. 37.
-1. Voor de belanghebbende
die een scholing of opleiding gaat volgen die noodzakelijk wordt
geacht voor de inschakeling in de arbeid gelden voor de duur van die
scholing of opleiding niet de verplichtingen, genoemd in artikel
35,
eerste lid, onderdeel a en c.
-2. Onze Minister
kan regels
stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing of opleidingen
als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid, die bij de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in acht worden genomen.
Art. 38.
Indien de belanghebbende
werkzaamheden zonder beloning gaat verrichten, dient de
belanghebbende dit zo spoedig mogelijk te melden aan burgemeester en
wethouders.
Art. 39.
Gereserveerd.
HOOFDSTUK
IV
Uitvoering
en toezicht
§ 1.
Verantwoordelijkheid
voor de uitvoering
Art. 40.
De uitvoering van deze wet
berust bij burgemeester en wethouders.
Art. 41.
-1. Burgemeester en
wethouders voeren ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering
en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat
de juiste, volledige en tijdige vastlegging zijn gewaarborgd van:
a. de beslissingen over
aanvragen, onderzoeken, uitkeringen, vorderingen en verplichtingen en de
hieruit voortvloeiende betalingen en ontvangsten;
b. de hierop betrekking
hebbende bescheiden;
c. het onderzoek dat is
verricht naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en de
overgelegde bescheiden.
-2. Onze Minister
stelt, na
overleg met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken, regels aangaande de
in het eerste lid bedoelde administratie.
Art. 42.
-1. Het gemeentebestuur
draagt zorg voor de totstandkoming van een plan en een beleidsverslag
als bedoeld in artikel 110 van de Gemeentewet, gericht op:
a. de bevordering van een
rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de
bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van
misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; en
b. de bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening door middel van inschakeling in de
arbeid in dienstbetrekking.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde plan en beleidsverslag worden elk kalenderjaar vastgesteld.
-3. Het deel van het plan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste een beschrijving
van de wijze waarop burgemeester en wethouders:
a. toepassing geven aan
artikel 14, eerste tot en met vijfde lid, en artikel
45;
b. zorg dragen voor een
toereikende controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, en voor de strafrechtelijke of bestuursrechtelijke
afdoening in geval van niet-nakoming van deze verplichting.
-4. Het deel van het plan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat ten minste een beschrijving
van de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan de samenwerking
als bedoeld in artikel 34, tweede lid, en de daarover gemaakte afspraken.
-5. Onze Minister
kan nadere
regels stellen omtrent de voorwaarden waaraan het plan en het
beleidsverslag dienen te voldoen indien daarmee tevens een gebruik
ten behoeve van het toezicht wordt beoogd.
Art. 43.
-1. De gemeenteraad kan
burgemeester en wethouders machtigen het nemen van besluiten op te
dragen aan gemeenteambtenaren, zulks onder nader door burgemeester en
wethouders te stellen regels en onder behoud van hun
verantwoordelijkheid.
-2. De opdracht kan zich niet
uitstrekken tot het beslissen op bezwaarschriften en het instellen van beroep.
-3. De bepalingen van het
eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
organen, ingesteld bij of krachtens de wet, ter behartiging van belangen
waarbij meer dan één gemeente is betrokken.
§ 2.
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 44.
-1. Ieder is verplicht
desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan burgemeester en wethouders
kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten
en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet
ten opzichte van een persoon te wiens behoeve een uitkering is
gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve
werkt of heeft gewerkt. De verplichting strekt zich mede uit tot de
inkomsten van een persoon van wie uitkeringen ingevolge hoofdstuk II,
paragraaf 5, worden of kunnen worden teruggevorderd.
-2. De opgaven en
inlichtingen moeten desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door burgemeester en wethouders
schriftelijk te stellen termijn worden verstrekt.
Art. 45.
-1. De hieronder vermelde
instanties zijn verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders
kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten;
b. de rijksbelastingdienst,
de zorgverzekeraars en de Ziekenfondsraad;
c. het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, de bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake
vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen
of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van deze wet als inkomen
worden aangemerkt;
d. de Kamers van Koophandel
en Fabrieken en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
e. de korpschef in de zin
van de Vreemdelingenwet;
f. Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betreffende de
toepassing van de Wet individuele huursubsidie;
g. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
op de studiefinanciering en
de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
h. Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreffende de omvang van de productiebeperkende
maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de
agrarische sector;
i. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de personen die rechtmatig hun vrijheid is
ontnomen;
j. de instanties en personen
die woonruimte verhuren;
k. de instanties die in het
kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren.
-2. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders kosteloos alle gegevens en uittreksels of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-3. De in het eerste en het
tweede lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van
uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II,
paragraaf 5;
b. die hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan
worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve een
uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van
uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II,
paragraaf 5.
-4. De opgaven en
inlichtingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden desgevraagd
schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van
het verzoek hiertoe, verstrekt.
-5. De in het eerste lid,
onderdeel a tot en met i, genoemde instanties treffen desgevraagd met
burgemeester en wethouders een regeling met betrekking tot de mededeling
van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en
inlichtingen.
-6. Onze Minister
kan nadere
regels stellen omtrent de inhoud van de in het vijfde lid bedoelde
regelingen en de wijze waarop deze vorm worden gegeven.
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het
eerste en het tweede lid worden aangewezen voor wie de verplichting,
bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, eveneens gelden, voor
zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven met betrekking tot inkomen
van personen.
-8. Bij de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in het zevende lid, kan tevens worden bepaald
dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met
opsporingsbevoegdheid.
Art. 46.
-1. Het is een ieder verboden
hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt medegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze
wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven
of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid
vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk
voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens
betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de
verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan
derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van
de belanghebbenden daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
-4. Degene die op grond van
de artikelen 44 tot en met 48 gegevens verstrekt, dient na te gaan
of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs
bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Art. 47.
Burgemeester en wethouders
zijn verplicht, indien zij bij de uitvoering van deze wet het gegronde
vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een
uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van een overheidsorgaan,
voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen,
het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het
betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
Art. 48.
-1. Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd,
onverminderd artikel 48 van de Vreemdelingenwet, uit de administratie
ter zake
van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde
organen en personen kosteloos de gegevens te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de hierbij vermelde wetten of
wettelijke regelingen:
a. de instellingen en
personen, genoemd in artikel 50a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering, voor de uitvoering van die wet of de wettelijke regelingen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet;
b. de rijksbelastingdienst
voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting of premies
volksverzekeringen;
c. burgemeester en
wethouders van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de
Algemene bijstandswet, de Wet
Werkloosheidsvoorziening, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ¹;
d. de Sociale
Verzekeringsbank voor de uitvoering van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet en de Algemene
Kinderbijslagwet;
e. de Ziekenfondsraad en de
ziekenfondsen voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor
onevenredig wordt geschaad.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin
en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen" te vervallen.
Art. 49.
-1. In de administratie van
de gemeente ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het sociaal-fiscaal nummer opgenomen waaronder een
natuurlijk persoon is
geregistreerd bij de rijksbelastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van
gegevens door burgemeester en wethouders en de in artikel 44 en
48
genoemde organen en personen wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik
gemaakt van dit sociaal-fiscaal nummer.
Art. 50.
Ten behoeve van het gebruik
van het sociaal-fiscaal nummer in de in artikel 41 bedoelde
administratie kent Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met
Onze Minister, aan de uitkeringsgerechtigden die niet reeds ten behoeve van
de belastingheffing bij de rijksbelastingdienst
zijn geregistreerd een
sociaal-fiscaal nummer toe.
Art. 51.
Indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is
of het gegronde vermoeden heeft dat een omstandigheid als bedoeld in
artikel 20, eerste lid, aanwezig is, geeft zij van dit oordeel of vermoeden
onverwijld schriftelijk kennis aan burgemeester en wethouders, onder
vermelding van de gronden waarop het oordeel of vermoeden steunt.
§ 3.
Toezicht
Art. 52.
-1. Onze Minister
is belast
met het toezicht op de uitvoering van deze wet.
-2. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle
inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft en
verlenen hem inzage in de administratie, bedoeld in artikel
41.
Art. 53.
Onze Minister kan aan
burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de
gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen,
aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet. Hij
treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.
§ 4.
Beleidsinformatie
Art. 54.
-1. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister
alle inlichtingen
die hij voor de informatievoorziening en de beleidsvorming met
betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde
inlichtingen.
Art. 55.
Burgemeester en wethouders
zijn verplicht ten behoeve van de statistiek gegevens inzake
de uitvoering van deze wet te verzamelen en kosteloos te verstrekken
volgens door Onze Minister, de Centrale Commissie voor de Statistiek
gehoord, te stellen regels.
HOOFDSTUK
V
De
financiering
Art. 56.
Uitkeringen door
burgemeester en wethouders van een gemeente toegekend, komen ten laste
van die gemeente.
Art. 57.
-1. Het Rijk vergoedt 90 procent van de ten laste van de
gemeente gebleven uitkeringen,
waaronder begrepen de ten laste van de gemeente komende premies ingevolge de
socialeverzekeringswetten.
-2. Onze Minister
kan ten
laste van ’s Rijks kas volgens bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels aan gemeenten een vergoeding toekennen voor
kosten van bij de toepassing van artikel 14, derde lid, aan derden
opgedragen onderzoek.
-3. Burgemeester en
wethouders declareren de in een kalenderjaar gemaakte kosten, bedoeld in
het eerste en tweede lid, door middel van een kostenopgave over dat
jaar. Deze opgave is voorzien van een verklaring van de deskundige belast met de in artikel 213 van de
Gemeentewet voorgeschreven
controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
-4. Onze Minister stelt
regels inzake:
a. de wijze en het tijdstip
van declareren, alsmede de daarbij door burgemeester en wethouders
nader te verstrekken gegevens;
b. de in het derde lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze
verklaring.
Art. 58.
-1. Het Rijk verleent op
verzoek van de gemeente voorschotten op de in artikel 57, eerste en tweede
lid, bedoelde vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering
van deze wet door burgemeester en wethouders, dan wel de
administratie, bedoeld in artikel 41, ernstige tekortkomingen vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan
uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister stelt
regels aangaande het verlenen van voorschotten.
Art. 59.
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding, bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid, vast binnen
één
jaar na ontvangst van de kostenopgave als bedoeld in artikel
57, derde
lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 57, derde lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een
vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde
vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen, indien:
a. het een uitkering betreft
die is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het
bepaalde bij en krachtens de artikelen 13 tot en met 19 en de
artikelen 34, 41 en 42;
c. het een uitkering betreft
die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf
5,
is of wordt teruggevorderd.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van het derde lid.
HOOFDSTUK
VI
Bezwaar en
beroep
Art. 60.
Voor de toepassing van
artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt met een
besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot
uitvoering van het besluit inzake de verlening van de uitkering of het
verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.
HOOFDSTUK
VII
Strafbepalingen
Art. 61.
-1. Degene die in strijd met
de waarheid een opgave doet of enig gegeven verzwijgt, met het
oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degene voor wie hij optreedt
een uitkering of een hogere uitkering op grond van deze wet te
verkrijgen dan wel te behouden, wordt gestraft met een gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een misdrijf.
Art. 62.
-1. Degene die de
verplichting, bedoeld in artikel 13, of de verplichting, bedoeld in
artikel 27, derde
lid, niet of niet behoorlijk nakomt, waardoor ten onrechte een uitkering
of een te hoge uitkering is verleend, wordt gestraft met een hechtenis
van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
Art. 63.
-1. Natuurlijke personen en
niet-publiekrechtelijke organen die niet voldoen aan de verplichting
omschreven in de artikelen 44 en 45 of die ter zake onjuiste inlichtingen
verstrekken, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of een
geldboete van de tweede categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
HOOFDSTUK
VIII
Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK
IX
Slotbepalingen
Art. 64.
-1. In het belang van een
goede uitvoering van het bij en krachtens deze wet bepaalde kunnen bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
-2. Onze Minister
kan,
wanneer hij overweegt een voordracht tot vaststelling, wijziging of
intrekking van een in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een
onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde
maatregel regels stellen.
-3. De regeling, bedoeld in
het tweede lid, blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht
totdat de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur in
werking treedt, doch uiterlijk tot twaalf maanden na de dag van inwerkingtreding.
Art. 65.
De Wet op
de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 11, eerste lid,
onderdeel f, onder 2º, wordt voor "artikel 19a van de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945" ingevoegd: artikel 10 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Art. 66.
De Wet op de
inkomstenbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 8, eerste lid,
onderdeel g, wordt voor "een bedrijfsbeëindigingsvergoeding"
ingevoegd: een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of op.
Art. 67.
In de artikelen 28a, eerste
lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, 37, tweede lid, van de
Werkloosheidswet, 21, eerste lid, van de
Toeslagenwet, 49, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 57a, eerste lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33a, eerste lid, van de
Ziektewet en 26, derde
lid, onderdeel a, van de Wet
op de studiefinanciering wordt na
"Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers" ingevoegd: of de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Art. 68.
Deze wet treedt in werking
met ingang van 1 juli 1987.
Art. 69.
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
[Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ‘s-Gravenhage, 11 juni
1987
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de achttiende juni
1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes, red.]
|
|