|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1993-1994, 1994-1995, 23 795.
Handelingen II 1994-1995, blz. 3289-3300, 3343.
Kamerstukken I 1994-1995, 23 795 (245).
Handelingen I 1994-1995, zie vergadering d.d. 25 april 1995.
WET van 26 april 1995, Stb.
1995, 220, tot wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet en
de Wet op de
studiefinanciering. Inwerkingtreding: 1 oktober 1995, zie artikel
III.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de
Algemene Kinderbijslagwet te vereenvoudigen door de onderhoudsvoorwaarden
aan te passen, alsmede enige
wijzigingen van technische aard aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
De
Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 7 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het eerste lid komt als
volgt te luiden:
-1. De verzekerde heeft
overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag
voor
een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat:
a. jonger is dan 16 jaar en
tot zijn huishouden behoort; of
b. jonger is dan 18 jaar en
door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.
2. In het derde lid wordt "eerste lid, onderdeel
c" vervangen door: tweede
lid, onderdeel a.
3. In het vierde tot en met
zevende lid wordt "eerste lid, onderdeel e" vervangen door: tweede lid,
onderdeel c.
4. Het tiende lid vervalt.
5. Onder vernummering van
het tweede tot en met negende lid tot vijfde tot en met twaalfde
lid worden de volgende leden toegevoegd:
-2. De verzekerde heeft voor
een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag, indien het
kind:
a. zijn voor werkzaamheden
beschikbare tijd grotendeels besteedt aan of in verband met het volgen
van onderwijs of van een beroepsopleiding; of
b. als rechtstreeks en
medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken buiten staat is om
55 percent te verdienen van hetgeen een lichamelijk en geestelijk
gezond kind, dat overigens in gelijke omstandigheden verkeert, kan verdienen, en
daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar buiten staat is geweest,
hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar buiten staat zal zijn; of
c. werkloos is.
-3. Een kind, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, wordt voor het vaststellen van het aantal
kinderen voor wie recht op kinderbijslag bestaat voor twee kinderen
geteld
indien het door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden en:
a. jonger is dan 16 jaar en:
iº. door of in verband met
het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van
de verzekerde behoort; of
iiº. in verband met ziekte
of gebreken vermoedelijk het eerstkomende jaar niet tot het huishouden
van de verzekerde zal behoren; of
b. 16 of 17 jaar is en niet
tot het huishouden van de verzekerde behoort en ook niet tot het
huishouden van een ander.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld naar welke
wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate of grotendeels door de
verzekerde wordt onderhouden.
B.
In artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, wordt "artikel 7, negende lid" vervangen door:
artikel 7,
twaalfde lid.
C.
Artikel 9 vervalt.
D.
Onder vernummering van
artikel 10 tot artikel 9 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het derde lid wordt in
de tweede volzin "tweede lid" gewijzigd in: eerste lid.
2. Het eerste en vierde lid
vervallen.
3. Het tweede en derde lid
worden vernummerd tot eerste en tweede lid.
E.
Onder vernummering van
artikel 10a tot artikel 10 wordt in de eerste volzin "7,
8, 9 en 10"
gewijzigd in: 7, 8 en
9.
F.
Artikel 11 wordt als volgt
gewijzigd:
In het tweede en derde lid
wordt "juncto de artikelen 8 en 9" gewijzigd in: juncto
artikel 8.
G.
In artikel 14, vierde lid,
wordt "drie jaren" vervangen door: één jaar.
H.
Artikel 25 komt als volgt te
luiden:
Art. 25.
-1. Indien over een tijdvak
waarover krachtens hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering aan
een kind studiefinanciering is verleend, naderhand ten behoeve van
dat kind recht op kinderbijslag wordt vastgesteld, is de
Sociale
Verzekeringsbank bevoegd die kinderbijslag over dat tijdvak en over
latere tijdvakken, in plaats van aan degene aan wie de kinderbijslag zou
dienen te worden betaald, zonder diens machtiging tot het bedrag
van de betaalde studiefinanciering over dat tijdvak te betalen aan de
Informatie Beheer Groep.
-2. Van de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid kan de Sociale Verzekeringsbank gebruik
maken tot en met twee kalenderjaren na de vaststelling van het recht
op kinderbijslag.
I.
In artikel 26, vierde lid,
wordt "10" gewijzigd in: 9.
J.
Artikel 27 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het derde lid wordt "10" gewijzigd in:
9.
2. Een vierde lid wordt
toegevoegd, dat luidt als volgt:
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld naar welke
wordt beoordeeld of een kind dat niet tot het huishouden van de verzekerde
behoort en ook niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind
tot het huishouden van een ander, geheel of nagenoeg geheel op kosten
van de verzekerde wordt onderhouden.
Art. II.
Artikel 150 van de Wet
op de studiefinanciering wordt vervangen door:
Art. 150. Verrekening
kinderbijslag
-1. Indien over een tijdvak
waarover krachtens de
Algemene Kinderbijslagwet ten behoeve
van een studerende kinderbijslag is verleend, naderhand voor die
studerende recht op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van
deze wet wordt vastgesteld, is de Informatie Beheer Groep bevoegd die
studiefinanciering over dat tijdvak en over latere tijdvakken, in plaats
van aan degene aan wie de studiefinanciering zou dienen te worden
betaald, zonder diens machtiging tot het bedrag van de betaalde kinderbijslag
over dat tijdvak te betalen aan de Sociale
Verzekeringsbank.
-2. Van de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid kan de Informatie Beheer Groep gebruik maken
tot en met twee kalenderjaren na de vaststelling van het recht
op studiefinanciering.
Art. III.
Deze wet treedt in werking
met ingang van 1 oktober 1995, met uitzondering van artikel I,
onderdeel G, en artikel II, en is slechts van toepassing op het recht op
kinderbijslag over na 30 september 1995 gelegen tijdvakken. De
artikelen I, onderdeel G, en artikel II treden in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet
wordt geplaatst en zijn slechts van toepassing op na die datum gelegen tijdvakken.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
26 april 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de zevenentwintigste
april 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|