|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1994-1995, 24 096
Wijziging
van artikel 40 van de
Wet
financiering volksverzekeringen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
In
1968 is in artikel 54 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
bepaald dat de regelen met betrekking tot de uitkeringen uit het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten gelijk zullen zijn voor ziekenfondsen,
(particuliere)
ziektekostenverzekeraars en (publiekrechtelijke) uitvoerende organen. In
1990 is dit beginsel overgenomen in artikel 40,
vijfde lid, van de Wet
financiering volksverzekeringen (Wfv). De regeling met betrekking tot de
uitkeringen is uitgewerkt in het Besluit
financiering uitvoeringsorganisatie Bijzondere Ziektekostenverzekering.
Uitgangspunt in deze
regelgeving was dat de AWBZ-uitvoeringsorganen (ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen) alle
gemaakte kosten van
verstrekkingen en vergoedingen - mits die kosten door de beheerder van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, de Ziekenfondsraad,
verantwoord zijn geacht - volledig uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten vergoed
kregen.
Met ingang van 1992 is
dit uitgangspunt verlaten. Er is derhalve geen sprake meer van een
100%-vergoeding op declaratiebasis. Per 1 januari 1992 is in het kader van
de Wet stelselwijziging ziektekostenverzekering tweede fase een nominale
premie in de AWBZ ingevoerd en werd overgegaan op
budgettering van de kosten van de verstrekkingen en uitkeringen in het kader
van de AWBZ. Het Besluit financiering
uitvoeringsorganisatie Bijzondere Ziektekostenverzekering is in verband
met de invoering van
budgettering in de AWBZ gewijzigd (Stb. 1991, 729).
In de jaarlijkse
aanwijzing macrobesteedbare middelen verstrekkingen en uitkeringen AWBZ (op
grond van artikel 2, eerste lid, van het
Besluit financiering uitvoeringsorganisatie
Bijzondere Ziektekostenverzekering) en de naar aanleiding
daarvan door de Ziekenfondsraad opgestelde verdeelrichtlijnen (op
grond van artikel 3, eerste lid, van hetzelfde
besluit) is voor het jaar 1992
vastgelegd dat de vaststelling van de verstrekkingenbudgetten gedeeltelijk geschiedt op
basis van historische kosten en gedeeltelijk op basis van normatieve verdeelcriteria. Met ingang van het
jaar 1993 is sprake van
volledige vaststelling van de verdeling op basis van normatieve criteria.
Uitgangspunt van de verdeling van middelen aan de hand van normatieve criteria is te komen tot een zodanige verdeling
dat recht wordt gedaan
aan lastenverschillen die de uitvoeringsorganen zullen ondervinden als
gevolg van stelselmatige verschillen in de gemiddelde gezondheidstoestand van hun verzekerden. Naast de criteria
rblz.|2|
leeftijd en geslacht van
de verzekerden zijn er andere factoren die ten grondslag liggen aan de
verschillen in consumptie van gezondheidszorgvoorzieningen. Deze verschillen in
consumptie, die ook reeds werden gesignaleerd in het rapport "Middelen op
maat" van het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven (reeks IOO nr. 28, Den Haag 1990), hangen onder meer samen
met de sociaal-economische positie van verzekerden. In het bijzonder geldt dat er bepaalde groepen verzekerden
zijn die chronisch
zorgbehoevend zijn en inkomen genieten op grond van socialezekerheidsregelingen in verband met inkomensderving bij
arbeidsongeschiktheid.
Deze verzekerden zijn juist op die inkomensgrond verplicht
ziekenfondsverzekerd. Een toepasbaar normatief criterium, dat rekening houdt met
bedoelde sociaal-economische achtergronden van verzekerden, is echter
nog niet voorhanden. Toch ligt het bovenstaande mede ten grondslag aan
het feit dat ziekenfondsverzekerden ten aanzien van de
AWBZ-verstrekkingen en -uitkeringen gemiddeld meer kosten genereren dan verzekerden
bij particuliere en publiekrechtelijke ziektekostenverzekeraars.
Ziekenfondsen zullen bij het toepassen van alleen de criteria
leeftijd en geslacht derhalve systematisch een te laag normatief budget
ontvangen ten opzichte van andere verzekeraars.
Teneinde met deze
historisch-institutioneel bepaalde verschillen rekening te houden, is met
ingang van 1 januari 1992 in overleg met de Ziekenfondsraad er
noodgedwongen toe overgegaan de verzekeringsvorm (al dan
niet ziekenfondsverzekerd) voorlopig als verdeelcriterium te
hanteren.
Dit laatste verdraagt
zich niet wel met de letter van artikel 40, vijfde lid,
van de Wfv, dat immers
voorschrijft dat de regelen ten aanzien van het doen van uitkeringen door
de Ziekenfondsraad uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
gelijk moeten zijn voor ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars
en uitvoerende organen. Handhaving van de letter van artikel
40,
vijfde lid, van de Wfv dwingt om ongelijke gevallen
gelijk te behandelen. De
bedoeling van deze bepaling en haar voorloper (artikel 54
AWBZ) was om
ongelijke behandeling van uitvoeringsorganen tegen te gaan. Het ware
daarom beter geweest om in het kader van de Wet stelselwijziging
ziektekostenverzekering tweede fase meergenoemd artikellid te doen
vervallen. Dit laatste is echter verzuimd.
De onderhavige
wetswijziging beoogt dat verzuim te herstellen met terugwerkende kracht tot
en met 1 januari 1992. Daarmee heeft die wijziging mede betrekking
op de ultimo 1991 gegeven aanwijzing macrobesteedbare
middelen verstrekkingen en uitkeringen AWBZ en op de daarop gebaseerde verdeelrichtlijnen van de Ziekenfondsraad, daar die
hun werking vinden in het
jaar 1992. De onderhavige wijziging is conform het advies van de
Ziekenfondsraad d.d. 24 maart 1994 (SEA/8841/94).
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|
|