|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1994-1995, 1995-1996, 24 259.
Handelingen II 1995-1996, blz. 1623.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 259 (92, 92a).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 4 december 1995.
WET van 6 december 1995, Stb.
1995, 592, tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet
houdende nadere regeling van het gezag over
en van de omgang met minderjarige kinderen. Inwerkingtreding: 15
december 1995.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het nodig is een aantal wetten aan te passen aan de
Wet houdende nadere regeling van het gezag over en van de omgang met
minderjarige kinderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
[Voor de Algemene wet
bestuursrecht relevante artikelen, red.]
Art. XVII.
In de bijlage bij de
Algemene wet bestuursrecht komt onderdeel
A.3 te luiden:
3. Artikel 7, eerste en
tweede lid, en afdeling 4 van titel 14 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek,
alsmede de artikelen 64, derde lid, 68, tweede lid, 125, tweede lid, 156,
175, derde lid, 179, tweede lid, 235, tweede lid, en 266 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de aanvraag is toegewezen.
Art. XVIII.
Slotbepaling
Deze wet treedt in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
6 december 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Justitie,
E.M.A. Schmitz
Uitgegeven de veertiende
december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|