|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1994-1995, 1995-1996, 24 169.
Handelingen II 1995-1996, blz. 389-400, 403-439, 500-544, 564-573,
595-598.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 169 (45, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 20 december 1995.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 21 december 1995,
Stb. 1995, 690, tot regeling van een verzekering voor
nabestaanden (Algemene nabestaandenwet). Inwerkingtreding: 1 juli
1996 (Stb. 1996, 305), zie artikel
96.
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene Weduwen- en Wezenwet
te vervangen door een nabestaandenverzekering, waarin rekening wordt
gehouden met maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste
decennia;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepalingen
Art. 1.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. premie voor de
volksverzekeringen: de premie, bedoeld in de Wet financiering
volksverzekeringen;
c. de Bank: de Sociale Verzekeringsbank, bedoeld in hoofdstuk III van de Organisatiewet sociale
verzekeringen;
d. College van toezicht
sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale
verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet
sociale verzekeringen;
e. nabestaande: de
echtgenoot van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op
grond van deze wet;
f. wezenuitkering: uitkering
voor een kind dat ouderloos is geworden door het overlijden van
degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet;
g. lichaam: een
rechtspersoon, een maat- en vennootschap, een samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging
kan worden gelijkgesteld,
een onderneming van publiekrechtelijke rechtspersonen en een
doelvermogen.
Art. 2.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. brutominimumloon: het in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag;
b.¹ nettominimumloon: het in
onderdeel a bedoelde bedrag na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting en premies ingevolge de
socialeverzekeringswetten,
behoudens de nominale premies ingevolge de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De in te houden loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen worden berekend met toepassing van
de groene tabellen voor een in tariefgroep 3 ingedeelde werknemer jonger
dan 65 jaar, over het in onderdeel a bedoelde bedrag, vermeerderd
met het werkgeversaandeel in de procentuele premie ingevolge
de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de
premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. brutominimumvakantiebijslag: het bedrag waarop degene die aanspraak heeft op het
brutominimumloon ingevolge artikel 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag aanspraak heeft;
d.¹ nettominimumvakantiebijslag: het in onderdeel
c bedoelde bedrag na aftrek van de daarvan in
te houden loonbelasting en premies ingevolge de
socialeverzekeringswetten, behoudens de nominale premies ingevolge de Ziekenfondswet
en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De in te houden
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen worden berekend met
toepassing van de groene tabel voor bijzondere beloningen voor
een in tariefgroep 3 ingedeelde werknemer jonger dan 65 jaar, over het
in onderdeel c bedoelde bedrag, vermeerderd met het werkgeversaandeel in
de procentuele premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd
met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de
Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Indien ingevolge één van de socialeverzekeringswetten een premie
wordt ingehouden waarvan het
percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel b en d, bij ministeriële regeling een gemiddeld
percentage vastgesteld.
1. Zie artikel
102, red.
Art. 3.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een
gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Voor de
toepassing van de eerste volzin wordt mede als ongehuwd aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-2. Van een gezamenlijke
huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door
middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
-3. Een gezamenlijke
huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij eerder met elkaar
gehuwd of ongehuwd samenlevend zijn geweest;
b. uit hun relatie een kind
is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds
verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een
geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die
naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het tweede lid.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende
welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het
derde lid, onderdeel d.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen
wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, als
bedoeld in het tweede lid.
Art. 4.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt in afwijking van artikel 3 onder nabestaande
mede verstaan de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde,
indien:
a. het huwelijk anders dan
door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde
onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd
in een notariële akte of
een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te
verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot
overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op nabestaandenuitkering zou hebben
gehad indien het overlijden
plaats zou hebben gehad op
de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood.
Art. 5.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt als kind aangemerkt een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind in de zin van
de Algemene Kinderbijslagwet, dat geboren is vóór of op de dag van overlijden van de
verzekerde.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt een kind van wie een vrouw zwanger is op de dag
van overlijden van haar echtgenoot, op die dag als reeds geboren
aangemerkt.
-3. In afwijking van het
eerste lid wordt niet als kind van de nabestaande aangemerkt het kind over
wie
de nabestaande geen gezag heeft wegens ontzetting daarvan.
-4. In afwijking van het
eerste lid wordt slechts als pleegkind van de nabestaande aangemerkt het
pleegkind voor wie de nabestaande ten tijde van het overlijden van de
echtgenoot zorg droeg als ware hij ouder.
Art. 6.
Ingezetene in de zin van
deze wet is degene die in Nederland woont.
Art. 7.
-1. Waar iemand woont en waar
een lichaam is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de
bemanning als deel van
Nederland beschouwd.
-3. Degene die Nederland
metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert
zonder inmiddels in de Nederlandse Antillen, Aruba of op het
grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook
voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.
Art. 8.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt met overlijden gelijkgesteld vermoedelijk overlijden. Bij
ministeriële regeling wordt
bepaald hoe het
vermoedelijke overlijden en de dag waarop het overlijden geacht wordt te hebben
plaatsgevonden, worden vastgesteld.
Art. 9.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt mede als ouderloos aangemerkt het
kind over wie de overlevende ouder geen gezag heeft wegens
ontzetting daarvan.
Art. 10.
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het inkomen
van de nabestaande uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling
van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode waarop
die vaststelling betrekking heeft.
Art. 11.
-1. Arbeidsongeschikt is
degene die als rechtstreeks gevolg van objectief medisch vast te stellen
ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen
gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter
plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de
omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. In het eerste lid wordt
onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.
Art. 12.
Bij een besluit ingevolge
artikel 49 is mede belanghebbende het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen.
HOOFDSTUK
2
Kring van
verzekerden
Art. 13.
-1. Verzekerd overeenkomstig
de bepalingen van deze wet is degene die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch
ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid,
uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van
verzekerden.
-3. Indien een verzekerde
ophoudt ingezetene te zijn, eindigt zijn verzekering, behoudens voor
de toepassing van de Wet financiering
volksverzekeringen en voor
zover niet reeds op hem van toepassing is een overeenkomstige regeling van
de Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere mogendheid of een
volkenrechtelijke organisatie, niet eerder dan zes weken na de dag met
ingang waarvan hij heeft opgehouden ingezetene te zijn. Op de termijn gesteld in de eerste
volzin is de Algemene
termijnenwet niet
van toepassing.
HOOFDSTUK
3
De
uitkeringen
AFDELING
I
Het recht
op en de hoogte van de uitkering
§ 1.
De
nabestaandenuitkering
Art. 14.
-1. Recht op
nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
a. een ongehuwd kind heeft
dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of
b. arbeidsongeschikt is:
1º. op en sedert de dag van
overlijden van de verzekerde; of
2º. op en sedert de laatste
dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in onderdeel
a, en wiens arbeidsongeschiktheid
na de onderscheidenlijk
onder 1º en 2º bedoelde dag ten minste drie maanden
voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de
arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal
voortduren; of
c. geboren is voor 1 januari
1950.
-2. Het recht op
nabestaandenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand van overlijden van de
verzekerde.
Art. 15.
-1. Geen recht op
nabestaandenuitkering heeft de nabestaande:
a. wiens echtgenoot is
overleden binnen één jaar nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de
huwelijkssluiting zulks
redelijkerwijs moest doen verwachten; of
b. indien de echtgenoot
binnen één jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang
van de verzekering zulks
redelijkerwijs moest doen verwachten; of
c. indien de echtgenoot door
de nabestaande of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is
beroofd.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de
overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
13, tweede lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake
sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer mogendheden van
kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is
geweest, regels worden gesteld die afwijken van het eerste lid.
-3. Geen recht op
nabestaandenuitkering ontstaat indien de echtgenoot overlijdt in of na de maand
waarin de nabestaande de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-4. De onderdelen a en b van
het eerste lid zijn niet van toepassing indien de nabestaande, zo
hij niet opnieuw zou zijn gehuwd, recht op nabestaandenuitkering zou
hebben gehad.
Art. 16.
-1. Het recht op
nabestaandenuitkering eindigt, indien:
a. niet langer aan de
voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdeel a en b, wordt voldaan,
tenzij de nabestaande is geboren vóór 1 januari 1950; of
b. de nabestaande in het
huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren als bedoeld in
artikel 3; of
c. de nabestaande de
65-jarige leeftijd bereikt.
-2. Het recht op uitkering
eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde
omstandigheden zich voordoen, maar in
geval van onderdeel c met ingang van de eerste dag van de maand
waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
§ 2.
De hoogte van de
nabestaandenuitkering
Art. 17.
-1. De brutonabestaandenuitkering wordt zodanig
vastgesteld dat na aftrek van de in te houden
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen naar tariefgroep 2 en de in
te houden procentuele premie op grond van de Ziekenfondswet, de
nettonabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van het nettominimumloon.
-2. De nettonabestaandenuitkering van de nabestaande, bedoeld in
artikel 4, is niet hoger dan
de door de overleden verzekerde aan de nabestaande verschuldigde
uitkering tot levensonderhoud van de nabestaande.
Art. 18.
-1. Op de
nabestaandenuitkering wordt het inkomen in mindering gebracht.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten:
a. een bedrag gelijk aan 50%
van het brutominimumloon; alsmede
b. voor zover het inkomen
uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel a bedoelde bedrag,
een derde gedeelte van dat meerdere.
Art. 19.
-1. De nabestaandenuitkering
wordt bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening
gaat in op de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet.
-2. Indien wijziging van
andere omstandigheden dan wijziging van het inkomen leidt tot een lagere
uitkering, gaat die herziening in met ingang van de eerste dag van de
maand volgende op die waarin die wijziging zich voordoet en indien dit leidt
tot een hogere uitkering, gaat die herziening in als in het eerste lid.
Art. 20.
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor samenloop van uitkering ingevolge deze wet met uitkering aan nagelaten
betrekkingen ingevolge de
wetgeving van de Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere
mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie.
Art. 21.
-1. Indien in een
pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of
worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze geheel of
gedeeltelijk met een uitkering ingevolge dit hoofdstuk rekening wordt
gehouden, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden
genomen dat een verhoging van de uitkering ingevolge deze wet
als gevolg van de artikelen 17, 25 en
29, welke plaatsvindt na ingang
van een pensioen of na het verkrijgen van een recht op uitgesteld
pensioen, buiten beschouwing blijft.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op pensioenregelingen waarin bepalingen zijn opgenomen volgens welke een uitkering ingevolge deze
wet en de premievrije
aanspraken of het pensioen van die regeling tezamen na beëindiging
van de actieve deelneming jaarlijks ten minste worden verhoogd met het
percentage van de in het eerste lid bedoelde verhoging van de uitkering
of het percentage van de loon- of prijsontwikkeling.
§ 3.
De halfwezenuitkering
Art. 22.
-1. Recht op
halfwezenuitkering heeft de nabestaande die een ongehuwd kind heeft dat
jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort.
-2. Voor de toepassing van
deze paragraaf en paragraaf 4 van deze afdeling wordt, in afwijking
van hoofdstuk 1, onder de nabestaande verstaan: de ouder van een
kind of de persoon die zorg draagt voor een kind als ware hij ouder, dat
tot zijn huishouden behoort, van wie de vader of moeder is overleden en
van wie die vader of moeder op de dag van overlijden verzekerd was op
grond van deze wet.
Art. 23.
-1. Geen recht op
halfwezenuitkering bestaat, indien:
a. de verzekerde binnen één
jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de
verzekering zulks
redelijkerwijs moest doen verwachten; of
b. de verzekerde door de
nabestaande of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de
overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
13, tweede lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake
sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer mogendheden van
kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is
geweest, regels worden gesteld die afwijken van het eerste lid.
Art. 24.
-1. Het recht op
halfwezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op
die waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.
-2. Het recht op
halfwezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt.
-3. Het recht op
halfwezenuitkering eindigt wanneer het kind wordt geadopteerd door de
echtgenoot van de ouder met ingang van de dag waarop de uitspraak in
kracht van gewijsde is gegaan.
§ 4.
De hoogte van de
halfwezenuitkering
Art. 25.
De brutohalfwezenuitkering
wordt zodanig vastgesteld dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
naar tariefgroep 4 en de in
te houden procentuele premie op grond van de Ziekenfondswet, de
nettohalfwezenuitkering gelijk is aan 20% van het nettominimumloon.
§ 5.
De wezenuitkering
Art. 26.
-1. Recht op een
wezenuitkering heeft een kind dat door het overlijden van een verzekerde ouderloos
is geworden, zolang het de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt met een kind dat de leeftijd van 16 jaar nog
niet heeft bereikt, gelijkgesteld:
a. een kind van 16 jaar of
ouder doch jonger dan 21 jaar, dat per kwartaal overdag, in verband
met onderwijs of een beroepsopleiding, niet als extraneus ingeschreven,
lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren;
b. een kind van 16 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar, dat arbeidsongeschikt is; of
c. een ongehuwd kind van 16
jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt
genomen door het verzorgen
van zijn huishouden, waartoe overigens ten minste één kind dat recht
heeft op wezenuitkering behoort.
-3. Het recht op uitkering op
grond van dit artikel gaat in op de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden wordt voldaan.
Art. 27.
-1. Geen recht op
wezenuitkering bestaat, indien:
a. de verzekerde binnen één
jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de
verzekering zulks
redelijkerwijs moest doen verwachten; of
b. de verzekerde door het
ouderloos kind of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is
beroofd.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de
overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
13, tweede lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake
sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer mogendheden van
kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is
geweest, regels worden gesteld die afwijken van het eerste lid.
Art. 28.
-1. Het recht op
wezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die
waarin niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een
wezenuitkering, bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, wordt
voldaan.
-2. Het recht op
wezenuitkering herleeft met ingang van de eerste dag van de maand waarin het
kind weer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een
wezenuitkering voldoet.
-3. Een kind wordt niet
langer als ouderloos aangemerkt:
a. in geval van erkenning
van het kind; of
b. wanneer het wordt
geadopteerd met ingang van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
-4. Ontkenning van het door
erkenning ontstane vaderschap doet het recht op wezenuitkering, zo
dit nog zou hebben bestaan indien geen erkenning had
plaatsgevonden, herleven met ingang van de dag waarop de beschikking waarbij de
ontkenning is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan.
-5. Herroeping van adoptie
als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet het recht, zo dit nog
zou hebben bestaan indien geen adoptie zou hebben plaatsgevonden,
herleven met ingang van de dag waarop de uitspraak in kracht van
gewijsde is gegaan.
§ 6.
De hoogte van de
wezenuitkering
Art. 29.
-1. De brutowezenuitkering
is gelijk aan een percentage van het brutobedrag behorend bij de nabestaandenuitkering, bedoeld in
artikel 17,
eerste lid.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde percentage bedraagt voor een kind dat op de eerste dag van een kalendermaand:
a. jonger is dan 10 jaar: 32;
b. 10 jaar of ouder doch
jonger dan 16 jaar is: 48; en
c. 16 jaar of ouder doch
jonger dan 21 jaar is: 64.
§ 7.
De vakantie-uitkering
Art. 30.
Recht op vakantie-uitkering
over een maand heeft degene die over die maand recht heeft op een nabestaandenuitkering, op een halfwezenuitkering
of op een wezenuitkering.
§ 8.
De hoogte van de
vakantie-uitkering
Art. 31.
-1. De brutovakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering wordt, behoudens het bepaalde in
het tweede lid, zodanig vastgesteld dat na aftrek van de in te houden
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen naar tariefgroep 2 met
toepassing van de groene tabel voor bijzondere beloningen de
nettovakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van de
nettominimumvakantiebijslag per maand.
-2. De brutovakantie-uitkering over de halfwezenuitkering wordt zodanig vastgesteld dat na
aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen naar tariefgroep 4 met toepassing van de groene tabel voor
bijzondere beloningen de nettovakantie-uitkering over de halfwezenuitkering
gelijk is aan 20% van de nettominimumvakantiebijslag per maand.
-3. De brutovakantie-uitkering over de wezenuitkering bedraagt een bepaald percentage van
brutobedragen vastgesteld op grond van het eerste lid.
-4. Voor de vaststelling van
het in het derde lid bedoelde percentage is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 32.
-1. Indien de
nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 18 wordt verminderd, wordt op de
vakantie-uitkering een evenredige vermindering toegepast.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de berekening van de vakantie-uitkering van
degene wiens uitkering met
toepassing van artikel 20 is
verminderd en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van
een andere mogendheid geen recht heeft op een vakantie-uitkering
ingevolge die wetgeving.
AFDELING
II
Het
geldend maken van het recht op uitkering
Art. 33.
-1. De Bank stelt op aanvraag
vast of recht op nabestaanden-, halfwezen- of wezenuitkering
bestaat.
-2. Het recht op
vakantie-uitkering wordt ambtshalve vastgesteld.
-3. Een aanvraag wordt
ingediend door middel van een door de Bank beschikbaar gesteld
formulier.
-4. Het recht op uitkering
wordt niet vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar
voorafgaand aan de dag waarop de Bank de aanvraag om uitkering heeft ontvangen.
De Bank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor de termijn waarbinnen na ontvangst van de aanvraag wordt beslist. Deze
algemene maatregel van
bestuur vervalt op 1 januari 1999.
-6. Op een besluit als
bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 34.
-1. Onverminderd het elders
in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van
een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van
uitkering, herziet de Bank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
35, 36,
tweede lid, of 37 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
35, 36,
tweede lid, of 37 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op
uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan de Bank besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Art. 35.
De nabestaande, het
ouderloos kind en zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan
welke ingevolge de artikelen 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald,
zijn verplicht aan de Bank op haar verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hun
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht
op uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt
uitbetaald.
Art. 36.
-1. De Bank is bevoegd
controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften behoeven de goedkeuring van het
College van toezicht sociale
verzekeringen en
mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering
van deze wet.
-2. De nabestaande, het
ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan
welke ingevolge de artikelen 49 of 57
de uitkering wordt uitbetaald,
zijn verplicht de voorschriften op te volgen die de Bank ten behoeve van een
doelmatige controle stelt.
-3. De Bank bevordert dat
nabestaanden met recht op een nabestaandenuitkering zich
met behulp van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie oriënteren op de
arbeidsmarkt ter vergroting van de mogelijkheden voor toetreding tot
het arbeidsproces of van participatie op de arbeidsmarkt.
Art. 37.
Voor de toepassing van
artikel 5, tweede lid, artikel 11, artikel
14, eerste lid, onderdeel b, dan wel
artikel 26, tweede lid, onderdeel b, onderwerpt de betrokken persoon zich op
verzoek van de Bank aan een geneeskundig onderzoek.
Art. 38.
-1.¹ Indien de nabestaande,
het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge de
artikelen 49 of 57 de uitkering wordt
uitbetaald, een verplichting op grond van artikel 36, tweede lid, of
37 opgelegd of de verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan
wel de verplichting, bedoeld in artikel 35, niet binnen de door de Bank
daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, weigert de Bank de uitkering
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
-2. Een maatregel als bedoeld
in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de nabestaande, het ouderloos
kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of
57 de uitkering wordt uitbetaald, de gedraging verweten kan
worden.
-3. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan de Bank besluiten van het opleggen
van een maatregel af te zien.
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete
als bedoeld in artikel 39 wordt opgelegd.
-5. De Bank stelt nadere
regels met betrekking tot het eerste en het tweede lid.
1. Zie artikel
96, aanhef en onder b, red.
Art. 39.
-1. Indien de nabestaande,
het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge de
artikelen 49 of 57 de uitkering wordt
uitbetaald, de verplichting, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, legt de Bank hem een boete op van ten hoogste
ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de nabestaande, het ouderloos
kind of zijn
wettelijke vertegenwoordiger,
alsmede de instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of
57 de
uitkering wordt uitbetaald, de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan de Bank besluiten van het opleggen
van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Bank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van
de boete van belang zijn.
-5. Van het opleggen van een
boete geeft de Bank kennis aan het openbaar ministerie.
-6. Voor zover de boete nog
niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-7. De Bank stelt nadere
regels met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Art. 40.
-1. Indien de Bank
jegens de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge
de artikelen 49 of 57 de
uitkering wordt uitbetaald, een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid
de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde
gedraging een boete zal worden opgelegd, is de nabestaande, het
ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de betrokken
instelling niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring
af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de
betrokken instelling wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem
mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de Bank voornemens
is om aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn
wettelijke vertegenwoordiger alsmede de betrokken instelling een
boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de nabestaande,
het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen
berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste
lid.
-3. Op verzoek van de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede
de
betrokken instelling die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens
zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn
wettelijke vertegenwoordiger dan wel de betrokken instelling worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de Bank de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de
betrokken instelling in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de nabestaande,
het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de betrokken instelling zijn zienswijze
mondeling naar voren brengt,
draagt de Bank er op verzoek van de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de betrokken instelling die de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, zorg voor dat een
tolk wordt benoemd die hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 41.
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze
moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 45 zal worden ten
uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede
de
instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of 57
de uitkering wordt
uitbetaald, die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de
Bank er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie
aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger alsmede de betrokken instelling wordt meegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
-3. De Bank stelt nadere
regels met betrekking tot het eerste lid.
Art. 42.
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen
de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
alsmede de instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of
57 de
uitkering wordt uitbetaald, een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek
ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie
doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan de
Bank.
Art. 43.
-1. Een boete wordt opgelegd
binnen één jaar nadat de Bank de nabestaande, het ouderloos
kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan
welke ingevolge de artikelen 49 of 57
de uitkering wordt uitbetaald,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, vierde lid, in de
gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake
aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan
de Bank heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 44.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger
beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele
van de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
alsmede de instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of
57 de
uitkering wordt uitbetaald, wijzigen.
Art. 45.
-1. Het besluit waarbij een
boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie een
boete is opgelegd uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet of
ouderdomspensioen op grond
van de Algemene Ouderdomswet ontvangt, wordt het besluit
waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die
uitkering op grond van deze wet, die kinderbijslag of dat ouderdomspensioen.
-3. Indien degene aan wie de
boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een toeslag op grond van
de Toeslagenwet, betaalt de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk de betrokken bedrijfsvereniging, het bedrag van die boete,
zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Bank.
-4. Indien degene aan wie een
boete is opgelegd geen kinderbijslag, pensioen of uitkering als bedoeld in het tweede of derde lid ontvangt of
meer ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging van
een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede en derde lid, dan wel van het
vierde lid, dan wel van het
tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van tijdige
betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke
rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de Bank op loon, sociale uitkeringen of
andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden
aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot
en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel
479g aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Bank.
-8. De tenuitvoerlegging van
een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de nabestaande of het ouderloos kind blijven
beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en
475d van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel de instelling aan welke
ingevolge de artikelen 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, zijn verplichting in
artikel 39,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
AFDELING
III
De
betaling van de uitkering
Art. 46.
-1. De Bank betaalt met
inachtneming van artikel 50 de uitkering zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen één maand nadat zij het recht op die uitkering heeft
vastgesteld.
-2. De betaling, bedoeld in
het eerste lid, geschiedt in de regel per maand.
-3. De Bank schort de
betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien zij op grond van
duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft
dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat; of
b. recht op een lagere
uitkering bestaat; of
c. de nabestaande, het
ouderloos kind, dan wel de instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of
57 de uitkering wordt uitbetaald, een verplichting, bedoeld in de
artikelen 35, 36, tweede lid, en 37, niet is nagekomen.
-4. De Bank stelt de
betrokken persoon of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing,
bedoeld in het derde lid.
Art. 47.
-1. De Bank is bevoegd een
voorschot te betalen op een nog niet vastgestelde uitkering.
-2. Voor zover bij of
krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot als bedoeld in
het eerste lid beschouwd als een uitkering ingevolge deze wet.
Art. 48.
-1. Ingeval de uitkering in
het buitenland wordt uitbetaald, worden de daaraan verbonden kosten op de uitkering in mindering gebracht.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld inzake de betaalbaarstelling van de
uitkering door organen welke belast zijn met de uitbetaling van pensioen uit
anderen hoofde dan ingevolge deze wet.
-3. De Bank is bevoegd om,
onder door haar te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het tweede lid bedoelde organen, gelijktijdig met de
uitkering ingevolge deze
wet, pensioenen verschuldigd door die organen betaalbaar te stellen.
Art. 49.
-1. De Bank is bevoegd, voor
zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen, de wezenuitkering
betaalbaar te stellen aan
een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind.
-2. Indien de rechthebbende
of diens wettelijke vertegenwoordiger nalaat een aanvraag om wezenuitkering in te dienen, kan deze aanvraag
geschieden door het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de
wezenuitkering betaalbaar kan worden gesteld.
Art. 50.
-1. De Bank betaalt, voor
zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46
jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt,
in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op
uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet
ontstaat.
-2. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels gesteld voor de betaling van de
vakantie-uitkering.
Art. 51.
-1. Na het overlijden van
degene aan wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is
toegekend, wordt met ingang van de dag na overlijden
nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering
uitbetaald:
a. aan de minderjarige
wettige of natuurlijke kinderen;
b. bij ontstentenis van de
in onderdeel a bedoelde kinderen aan degenen ten aanzien van wie
de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
wie hij in gezinsverband leefde.
-2.¹ De overlijdensuitkering
is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering of de halfwezenuitkering dan wel van de
nabestaanden- en halfwezenuitkering, berekend naar de hoogte van die uitkeringen in de maand van
overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is toegekend.
-3. De overlijdensuitkering
wordt ambtshalve of op verzoek van de rechthebbende of
rechthebbenden door de Bank uitbetaald.
-4. De overlijdensuitkering
wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
-5. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering dat, over na het
overlijden gelegen dagen,
reeds is uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering
is niet vatbaar voor beslag.
1. Zie artikel
101, red.
Art. 52.
-1. Een uitkering op grond
van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald.
-2. De Bank is bevoegd in
bijzondere gevallen ten gunste van de nabestaande of het ouderloos
kind af te wijken van de termijn van drie maanden.
Art. 53.
-1. De uitkering op grond van
deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen
anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt door de Bank van de nabestaande of het ouderloos
kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke
ingevolge de artikelen 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd.
-2. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan de Bank besluiten geheel of
gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij
gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de wijze
als omschreven in artikel 54.
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de Bank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van
belang zijn.
Art. 54.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2.¹ Artikel 45 is van
overeenkomstige toepassing.
1. Zie artikel
96, aanhef en onder c, red.
Art. 55.
De Bank stelt regels met
betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van
besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen 53 en
54.
Art. 56.
-1. Voor het in ontvangst
nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering
wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
-2. Indien de wettelijke
vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Bank
verzet tegen betaling aan de minderjarige, wordt de uitkering aan de wettelijke
vertegenwoordiger betaald.
Art. 57.
-1. Indien degene aan wie
uitkering op grond van deze wet is toegekend in een inrichting
ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en
de Bank van de desbetreffende inrichting of van de
gemeente die de
opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de uitkering aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Bank bevoegd dat verzoek
zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-2. Indien degene aan wie
uitkering op grond van deze wet is toegekend, ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten
van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en
11 van die
wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12 van die
wet, is de
Bank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van
aan degene aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit
te betalen aan de Ziekenfondsraad.
-3. Indien het tweede lid
toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan het in het tweede
lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
-4. Op de herziening van een
beschikking op grond van het tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde
bijdrage zijn de
artikelen 3:41 en 3:45 van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 58.
-1. Indien in verband met het
bepaalde bij of krachtens artikel 57, eerste lid, de uitkering aan een inrichting of
gemeente werd uitbetaald, kan de
uitkering in de vorm van een
slotuitkering met ingang van de dag na het overlijden van degene aan
wie de uitkering is toegekend, aan die instelling worden
uitbetaald.
-2. De slotuitkering is
gelijk aan het bedrag van de uitkering over de maand van overlijden en
wordt alleen uitbetaald indien over die maand geen overlijdensuitkering
als bedoeld in artikel 51 is uitbetaald.
-3. De slotuitkering wordt op
verzoek van de instelling, bedoeld in het eerste lid, door de Bank
uitbetaald.
-4. Het bedrag van de
slotuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat, over na
het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
-5. De slotuitkering is niet
vatbaar voor beslag.
Art. 59.
-1. De uitkering is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met
enige bepaling van dit artikel is nietig.
HOOFDSTUK
4
De invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 60.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen
van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter
zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening
met de aanspraken op uitkeringen die de nabestaande en het ouderloos
kind op grond van deze wet hebben.
Art. 61.
-1. De Bank heeft voor de
krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene die in verband
met het veroorzaken van het overlijden van de verzekerde jegens diens
nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor
deze bij het ontbreken van de aanspraken op grond van deze wet naar
burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag
gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de
aansprakelijk persoon jegens de nabestaande en ouderloos geworden kinderen
naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. De Bank kan in plaats van
het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te
stellen afkoopsom die aan de
Bank wordt vergoed voor de totale schadelast tengevolge van
het veroorzaken van overlijden.
Art. 62.
-1. Indien de verzekerde bij
zijn overlijden in dienstbetrekking werkzaam was, geldt artikel 61 ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplichte werkgever van de
verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar
burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte persoon die in
dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wiens
nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht
verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien het overlijden van de
verzekerde is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk persoon.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt mede als werkgever beschouwd degene die
krachtens het eerste lid van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij
het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.
HOOFDSTUK
5
De
vrijwillige verzekering
Art. 63.
-1. Gewezen verzekerden
kunnen zich, onder de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen voorwaarden, vrijwillig verzekeren over tijdvakken
gelegen na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar, doch vóór het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar, waarover zij niet verzekerd zijn. Voor de
toepassing van de eerste volzin worden met gewezen verzekerden
gelijkgesteld degenen die vóór 1 oktober 1959 en na het bereiken van de
leeftijd van 15 jaar in Nederland hebben gewoond, doch op genoemde datum niet
meer in Nederland woonden.
-2. Onder de voorwaarden,
bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de voorwaarde dat tegelijkertijd wordt gebruik gemaakt van de
bevoegdheid zich vrijwillig
te verzekeren, bedoeld in artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet.
HOOFDSTUK
6
Vrijstelling
wegens gemoedsbezwaren
Art. 64.
Degene die gemoedsbezwaren
heeft tegen de in deze wet geregelde verzekering, alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen zijn
betrokken die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kunnen van verplichtingen welke hun bij of krachtens
hoofdstuk II van de Wet financiering
volksverzekeringen zijn
opgelegd, overeenkomstig het bij of krachtens paragraaf 8 van dat
hoofdstuk bepaalde worden vrijgesteld.
HOOFDSTUK
7
Bezwaar en
beroep in cassatie
Art. 65.
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist de Bank
binnen
dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 66.
-1. Tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen
ter zake van schending of verkeerde
toepassing van het bepaalde
bij of krachtens één der artikelen 6, 7 en
13.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de
gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
HOOFDSTUK
8
Overgangsbepalingen
Art. 67.
-1. Degene die vóór de
inwerkingtreding van deze wet recht had op een uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet heeft
overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een nabestaandenuitkering en
halfwezenuitkering, met dien verstande dat:
a. het recht op
nabestaandenuitkering niet eindigt wanneer de nabestaande niet meer
voldoet aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdeel a en
b,
zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, indien hij:
1º. 40 jaar of ouder is op
de laatste dag van de maand waarin de dag gelegen is met ingang waarvan hij niet aan de bedoelde voorwaarden
voldoet; of
2º. 35 jaar of ouder doch
jonger dan 40 jaar is op de laatste dag van de maand waarin de dag gelegen
is met ingang waarvan hij anders dan in verband met artikel
5, derde
lid, niet meer voldoet aan de voorwaarde voor het recht op uitkering
overeenkomstig artikel 14, eerste lid, onderdeel a; en
b. indien hij geboren is na
31 december 1940, met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het inkomen in mindering wordt
gebracht overeenkomstig
artikel 18; en
c. indien hij geboren is vóór 1 januari 1941, met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het inkomen in mindering wordt
gebracht overeenkomstig
artikel 18, waarbij van de nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30%
van het nettominimumloon buiten aanmerking blijft.
-2. Van de persoon, bedoeld
in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze
wet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3
eindigt de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998, met dien
verstande dat, indien hij geboren is vóór 1 januari 1941, het recht op
nabestaandenuitkering niet eindigt, maar de nabestaandenuitkering met
ingang van die datum wordt verminderd tot een bedrag van 30% van het
nettominimumloon.
-3. Voor de toepassing van de
Wet beperking samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met uitkeringen en
renten op grond van de
Ongevallenwet 1921 wordt een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet als een uitkering op grond van deze wet in aanmerking
genomen, met dien verstande dat voor het bepalen van de rente op
grond van de Ongevallenwet 1921 die tot uitbetaling komt, artikel 18
buiten aanmerking blijft.
-4. Tot op het moment dat
toepassing kan worden gegeven aan het eerste lid, onderdeel b,
blijft voor de vaststelling van de uitkering van degene die op grond van het
eerste lid recht op nabestaandenuitkering heeft het besluit op grond
van artikel 30a van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, zoals dat artikel
luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze
wet, van toepassing.
Art. 68.
-1. Voor de nabestaande,
bedoeld in artikel 67, die een kind heeft jonger dan 18 jaar wordt de
brutonabestaandenuitkering vanaf de eerste dag
van de inwerkingtreding van
deze wet zodanig vastgesteld dat na aftrek van de in te houden
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen naar tariefgroep 4 en de in
te houden procentuele premie op grond van de Ziekenfondswet, de
nettonabestaandenuitkering gelijk is aan 80% van het nettominimumloon, zoals dat
geldt op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet.
-2. Het eerste lid vervalt
met ingang van de dag waarop de toepassing van dat lid leidt tot een
lager bedrag dan dat voortvloeit uit de toepassing van artikel
17, eerste lid.
Art. 69.
De nabestaande die op grond
van artikel 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet op de
dag vóór inwerkingtreding van deze wet recht had op een tijdelijke
uitkering behoudt deze uitkering voor de nog resterende periode die is
vastgesteld op grond van dit artikel van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Art. 70.
De nabestaande die op de
dag vóór de inwerkingtreding van deze wet een tijdelijke weduwenuitkering of een weduwen- en wezenpensioen
ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet ontving en ingevolge artikel 16, tweede lid,
onderdeel b of c, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen,
zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan de dag met ingang waarvan deze wet in werking is
getreden, niet verplicht
verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet, blijft, zolang met toepassing van
artikel 69 een uitkering wordt ontvangen en de omstandigheden, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, onderdeel b of c, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen, zoals die artikelen
luidden op de dag
voorafgaande aan de dag met ingang waarvan deze wet in werking is getreden,
op hem van toepassing zijn, uitgezonderd van de verplichte verzekering
ingevolge de Ziekenfondswet.
Art. 71.
-1. Degene die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet recht had op een wezenpensioen op
grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet heeft
overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op een wezenuitkering.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt ten aanzien van het kind dat op de dag van de inwerkingtreding van deze wet 16 jaar of ouder is en recht
had op uitkering op grond
van artikel 17 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet bij de toepassing
van artikel 26, tweede lid, onderdeel a en c, en
artikel 29, tweede lid,
onderdeel c, in plaats van 21 jaar gelezen: 27 jaar.
Art. 72.
Artikel 68 is van
overeenkomstige toepassing op de vakantie-uitkering die op grond van artikel
31,
eerste lid, wordt vastgesteld, waarbij de brutovakantie-uitkering
vanaf de eerste dag van inwerkingtreding van deze wet zodanig wordt
vastgesteld dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor
de volksverzekeringen naar tariefgroep 4 met toepassing van de groene
tabel voor bijzondere beloningen de nettovakantie-uitkering
gelijk is aan 80% van de nettominimumvakantiebijslag per
maand, zoals deze geldt op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 73.
Voor de toepassing van deze
wet en de daarop berustende bepalingen wordt een tijdvak van verzekering op grond van de Algemene
Weduwen- en
Wezenwet mede aangemerkt als
een tijdvak van verzekering op grond van deze wet.
Art. 74.
De rechten en verplichtingen
ten laste van het Weduwen- en Wezenfonds worden ten laste van het Nabestaandenfonds, bedoeld in
artikel 28,
tweede lid van de Wet financiering
volksverzekeringen, gebracht.
HOOFDSTUK
9
Strafbepalingen
Art. 75.
-1. Overtreding van artikel
35 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
-2. Hij die op grond van bij
of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is
inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te
doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave
doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets
verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren
of geldboete van de vierde categorie.
Art. 76.
Hij die op andere wijze dan
door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd
is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave in
strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een
uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van
de vierde categorie.
Art. 77.
Overtreding van bepalingen
van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit
in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd als een
overtreding.
Art. 78.
De in de artikelen 75,
tweede lid, en 76 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven beschouwd,
die in artikel 75, eerste lid, als overtreding.
Art. 79.
Het recht op strafvordering
vervalt indien de Bank aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, dan wel de
instelling aan welke
ingevolge de artikelen 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, ter zake van
hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
HOOFDSTUK
10
Wijziging
van andere wetten
Art. 80.
[MvT]
De Organisatiewet sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In de artikelen 1, onderdeel h, ten zesde, en 85, tweede lid, wordt
"Weduwen- en Wezenfonds"
vervangen door: Nabestaandenfonds.
B. [MvT]
In artikel 1, onderdeel o,
wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb. 1965, 429)" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
C. [MvT]
In de artikelen 28, eerste
lid, onderdeel a, en 89, tweede en derde lid, wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
D. [MvT]
Na artikel 30 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 30a.
-1. De Bank en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden met een nabestaandenuitkering
in het arbeidsproces te
bevorderen.
-2. De Bank zendt jaarlijks vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip aan Onze Minister
een rapportage van de wijze waarop zij met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
heeft samengewerkt. Onze Minister kan regels stellen omtrent de
aard en de inrichting van deze rapportage.
-3. De Bank brengt de
afspraken over samenwerking met de Arbeidsvoorzieningorganisatie
ter kennis van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
bedoeld in dit artikel.
Art. 81.
[MvT]
De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1, onderdeel c,
wordt vervangen door:
c. nabestaandenverzekering:
de verzekering, bedoeld in artikel 13 van de Algemene nabestaandenwet;
B. [MvT]
Artikel 2, onderdeel c,
wordt vervangen door:
c. vrijwillige
nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 63 van de Algemene
nabestaandenwet;
C. [MvT]
In de artikelen 11, eerste
lid, en 18, vierde lid, onderdeel c, wordt "algemene weduwen- en
wezenverzekering" vervangen door:
nabestaandenverzekering.
D. [MvT]
In de artikelen 25, 26,
eerste lid, onderdeel a, en 27, derde lid, wordt "vrijwillige algemene
weduwen- en wezenverzekering" vervangen door: vrijwillige
nabestaandenverzekering.
E. [MvT]
In artikel 28, tweede lid,
wordt "Weduwen- en Wezenfonds" vervangen door: Nabestaandenfonds.
F. [MvT]
Artikel 30 komt te luiden:
Art. 30.
-1. Ten gunste van het
Nabestaandenfonds komen:
a. de premies voor de
nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de boeten, bedoeld in
artikel 39 van de Algemene nabestaandenwet.
-2. Uit het Nabestaandenfonds
worden betaald:
a. de lasten van de
nabestaandenverzekering en van de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de lasten voortvloeiend
uit hoofdstuk 8 van de Algemene nabestaandenwet.
Art. 82.
[MvT]
De Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 wordt de punt
aan het slot van onderdeel q door een puntkomma vervangen en wordt
een nieuw onderdeel r toegevoegd, luidende:
r. de Anw: de Algemene
nabestaandenwet.
B. [MvT]
In artikel 3, eerste lid,
wordt de zinsnede "artikel 19, derde lid, en artikel 37b, vierde lid, van de
AWW" vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel b en
d, en artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de Anw.
C. [MvT]
Artikel 81 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het derde lid vervalt "en een AWW-uitkering".
2. Onder vernummering van
het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen
deel van de Anw-uitkering als overhevelingstoeslag beschouwd. Het in de eerste
volzin bedoelde deel is gelijk aan het bedrag waarmee de
Anw-uitkering op 1 januari zou zijn verhoogd indien de Anw vóór 1 januari
1990 in werking zou zijn getreden.
Art. 83.
De Wet overhevelingstoeslag opslagpremies wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb. 1965,
429)" vervangen door: Algemene Weduwen- en
Wezenwet, de Algemene
nabestaandenwet.
Art. 84.
[MvT]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 9 vervalt.
B. [MvT]
In artikel 32 vervallen in
het eerste lid en in het tweede lid de dubbele punt, de letter a en het onderdeel
b en wordt in die leden de puntkomma
vervangen door een punt.
C. [MvT]
Artikel 36 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "wezenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: wezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet.
2. In het tweede lid wordt "wezenpensioen" telkens vervangen door: wezenuitkering.
D. [MvT]
Het zevende lid van artikel
37 vervalt.
E. [MvT]
Artikel 38 komt te luiden:
Art. 38.
-1. Degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het recht op een uitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet is ingetrokken, heeft, indien
hij sedert de dag waarop de intrekking plaatsvond onafgebroken
arbeidsongeschikt is geweest, met ingang van 1 januari 1998 aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, tenzij vóór laatstgenoemde datum het recht op
nabestaandenuitkering is geëindigd. In dat geval heeft de persoon,
bedoeld in het eerste lid, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de dag waarop de
nabestaandenuitkering is geëindigd.
-2. De heropening vindt
plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum van ingang van
de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien een uitkering is
verstrekt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Algemene Weduwen-
en
Wezenwet vóór de datum van inwerkingtreding van de Algemene
nabestaandenwet, wordt deze voor de toepassing van het eerste
lid geacht verleend te zijn voor één jaar en wordt de uitkering ineens
als bedoeld in het tweede en derde lid van dat artikel geacht te zijn
verleend over de periode waarover zij is berekend. Met inachtneming van de
datum van ingang van het eerste lid gaat de heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dat geval in na afloop van de in de vorige
volzin bedoelde periode.
-4. De artikelen 6, zesde
lid, 24, eerste lid, en 25, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 85.
De Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 12 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt
de zinsnede "de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(Stb. 1959,
139)" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
2. In het derde en vijfde lid wordt "de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" telkens vervangen
door: de Algemene nabestaandenwet.
B.
Artikel 20 wordt als volgt
gewijzigd:
1. De aanhef van het vijfde
lid komt te luiden:
Indien een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering
niet gerekend tot de met het buitengewoon pensioen verrekenbare
inkomsten als in de voorgaande leden bedoeld. In dat geval worden echter,
nadat de voorgaande leden zijn toegepast, van het bedrag van de uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering
gebracht.
2. In de slotalinea van het
vijfde lid, en in het zesde lid, wordt "pensioen of tijdelijke uitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet" telkens vervangen door:
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Art. 86.
De Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 15 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt
de zinsnede "het pensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van
die wet" vervangen door: de
uitkering, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Algemene
nabestaandenwet.
2. In het vijfde lid wordt
de zinsnede "het pensioen krachtens de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet" vervangen door: de
uitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet.
Art. 87.
De Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers wordt als volgt
gewijzigd:
A.
Artikel 11 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt
de zinsnede "de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(Stb. 1959,
139)" vervangen door: de Algemene
nabestaandenwet.
2. In het derde en vijfde
lid wordt "de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" telkens vervangen
door: de Algemene nabestaandenwet.
B.
Artikel 20 wordt als volgt
gewijzigd:
1. De aanhef van het vijfde
lid komt te luiden:
Indien een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering
niet gerekend tot de met het buitengewoon pensioen verrekenbare
inkomsten als in de voorgaande leden bedoeld. In dat geval worden echter,
nadat de voorgaande leden zijn toegepast, van het bedrag van de uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering
gebracht.
2. In de slotalinea van het
vijfde lid en in het zesde lid wordt "pensioen of tijdelijke uitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet" telkens vervangen door:
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Art. 88.
De Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 16, tweede lid,
wordt de zinsnede "het genoten pensioen of de genoten tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwenen
Wezenwet (Stb. 1965, 429)"
vervangen door: de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
B.
In artikel 16, derde lid,
wordt "de Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: de Algemene nabestaandenwet.
C.
Artikel 23 wordt als volgt
gewijzigd:
1. De aanhef van het vijfde
lid komt te luiden:
Indien een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering
niet gerekend tot de met het buitengewoon pensioen verrekenbare
inkomsten als in de voorgaande leden bedoeld. In dat geval worden echter,
nadat de voorgaande leden zijn toegepast, van het bedrag van de uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering
gebracht:
2. In de slotalinea van het
vijfde lid en in het zesde lid wordt "pensioen of tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" telkens vervangen
door: uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Art. 89.
[MvT]
De Ziekenfondswet wordt
als volgt gewijzigd:
In artikel 3, eerste lid,
onderdeel d, wordt "een tijdelijke weduwenuitkering of een weduwen- of wezenpensioen ingevolge de Algemene Weduwenen
Wezenwet (Stb. 1965, 429)"
vervangen door: een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Art. 90.
[MvT]
Artikel 16, tweede lid, van
de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te
luiden:
b. degene die een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt wegens het overlijden van degene die op de dag van diens
overlijden deelnam aan een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren, bedoeld in
artikel 4, zestiende lid, onderdeel b, van de Ziekenfondswet, voor zolang
die uitkering met ingang van de eerste dag van de maand van dat overlijden wordt ontvangen;
2. Onderdeel c komt te
luiden:
c. degene die een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt indien hij
deelneemt dan wel op de dag voorafgaande aan de eerste dag van de maand met
ingang waarvan de uitkering wordt ontvangen, deelnam aan een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren, bedoeld in
artikel 4, zestiende lid, onderdeel b, van de Ziekenfondswet.
Art. 91.
[MvT]
In artikel 415e van het Wetboek
van Koophandel wordt "artikel 4 van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: artikel 8 van de
Algemene nabestaandenwet.
Art. 92.
[MvT]
In artikel 30a, eerste lid,
van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt "artikel 47 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(Stb. 1990, 130)" vervangen door:
artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet.
Art. 93.
[MvT]
Artikel 32 van de Successiewet
1956 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt "- andere dan die ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet
-" vervangen door: - andere dan die ingevolge
de Algemene nabestaandenwet -.
2. In het derde lid wordt "-
andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet
-" vervangen
door: - andere dan die
ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet
-.
Art. 94.
[MvT]
In onderdeel a van artikel
197, eerste lid, van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek wordt na "Ziektewet," toegevoegd:
61 van de Algemene
nabestaandenwet.
Art. 95.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling
van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken 23 909) op of na de datum van
inwerkingtreding van deze wet tot wet is of wordt verheven, worden deze wetten als volgt
gewijzigd:
A.
In het vierde lid van
artikel 27g van de Werkloosheidswet wordt
"Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene
nabestaandenwet.
B.
In het vierde lid van
artikel 45g van de Ziektewet wordt "Algemene Weduwenen
Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
C.
In het vierde lid van
artikel 29g van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: Algemene
nabestaandenwet.
D.
In het vierde lid van
artikel 20g van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene
nabestaandenwet.
E.
In het vierde lid van
artikel 14g van de Toeslagenwet wordt
"Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
F.
In het tweede lid van
artikel 17g van de Algemene Kinderbijslagwet wordt
"pensioen of
uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen
door "uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet" en vervalt
de zinsnede ", dat pensioen".
G.
In het vierde lid van
artikel 14f van de Algemene bijstandswet wordt
"Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene
nabestaandenwet.
H.
In artikel 20f, vierde lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet"
vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
I.
In artikel 20f, vierde lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
Art. 96.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling
van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken 23 909) niet tot wet is verheven en in
werking is getreden op de datum van inwerkingtreding van deze wet:
a. treden tot het tijdstip
van inwerkingtreding van het in de aanhef genoemde voorstel van wet de artikelen
38, vierde lid, 39 tot en met 45 en
79 van deze wet en artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet financiering
volksverzekeringen niet in werking;
b. wordt tot het in
onderdeel a genoemde tijdstip in artikel 38, eerste lid, na
"artikel 91, vierde
lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen" ingevoegd: of in artikel
35;
c. wordt tot dat tijdstip
artikel 54, tweede lid, vervangen door zes leden, luidende:
-2. Indien de nabestaande of
het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de
instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of 57
de uitkering wordt
uitbetaald, uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van
de Algemene Kinderbijslagwet of ouderdomspensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet ontvangt, kan het besluit tot terugvordering
ten uitvoer worden gelegd door verrekening met die uitkering op grond
van deze wet, die kinderbijslag of dat ouderdomspensioen.
-3. Indien de nabestaande of
het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de
instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of 57
de uitkering wordt
uitbetaald, een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een toeslag op grond van
de Toeslagenwet, betaalt de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk de betrokken bedrijfsvereniging, het bedrag dat wordt
teruggevorderd, zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar
verzoek aan de Bank.
-4. Indien degene van wie
wordt teruggevorderd geen kinderbijslag, pensioen of uitkering als bedoeld in het tweede of derde lid ontvangt of
meer ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit tot terugvordering bij gebreke van tijdige betaling
met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging van
een besluit tot terugvordering vindt plaats met toepassing van het
tweede en derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het tweede of
derde in combinatie met het vierde lid.
-6. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de Bank op loon, sociale uitkeringen of
andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden
aan degene van wie wordt teruggevorderd, zijn de artikelen 479b tot
en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel
479g aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Bank.
-7. De tenuitvoerlegging van
een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de nabestaande of het ouderloos kind blijven
beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en
475d van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Art. 97.
[MvT]
A. [MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 17 november 1994 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en andere wetten met het oog op de
opneming in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen
inzake het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen
aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen; Kamerstukken 23 993) op de datum van
inwerkingtreding van deze wet tot wet is verheven en in werking is
getreden, vervallen de artikelen 75, 76 en
78.
B. [MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 17 november 1994 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en andere wetten met het oog op de
opneming in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen
inzake het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen
aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen; Kamerstukken 23 993) op de datum van
inwerkingtreding van deze wet nog niet tot wet is verheven en in werking is
getreden, wordt die wet als volgt gewijzigd:
Artikel VII komt te luiden:
Art. VII.
De Algemene nabestaandenwet
wordt als volgt gewijzigd:
De artikelen 75, 76 en 78 vervallen.
Art. 98.
[MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 12 maart 1992 ingediende voorstel van wet houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene
bijstandswet; Kamerstukken 22 545) op
de datum van inwerkingtreding van deze wet tot wet is verheven en in
werking is getreden, wordt de Algemene bijstandswet als volgt gewijzigd:
In artikel 125, eerste lid,
onderdeel d, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
Art. 99.
[MvT]
A. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, zoals die komt te luiden indien het bij koninklijke
boodschap van 25 mei 1992
ingediende voorstel van wet houdende invoering van een nieuwe Algemene
bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene
bijstandswet; Kamerstukken 22 614) tot wet is verheven en in
werking is getreden, wordt
als volgt gewijzigd:
In artikel 48, eerste lid,
onderdeel d, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
B. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, zoals
die komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 25 mei 1992
ingediende voorstel van wet houdende invoering van een nieuwe
Algemene bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene
bijstandswet; Kamerstukken 22 614) tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt
als volgt gewijzigd:
In artikel 48 eerste lid,
onderdeel d, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door:
Algemene nabestaandenwet.
Art. 100.
[MvT]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel
C, wordt na onderdeel
7a een onderdeel 7b ingevoegd,
luidende:
7b. Algemene
nabestaandenwet.
Art. 101.
Tot het tijdstip waarop
artikel I, onderdeel C, van het bij koninklijke boodschap van 18 juli 1995
ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet
en
enkele andere wetten (Kamerstukken 24 258) in werking treedt, wordt in
artikel 51,
tweede lid, "over twee maanden, berekend naar de hoogte van die uitkering
in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is
toegekend" vervangen door: tot en met de
laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin het overlijden van degene aan wie
nabestaande uitkering is toegekend, plaatsvond.
Art. 102.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 2 oktober 1995 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enige andere wetten
in
verband met afschaffing van verzekeraarsbudgettering ten
aanzien van de kosten van AWBZ-verstrekkingen (Kamerstukken 24 429)
tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt in artikel
2, eerste lid, onderdeel b en d, "de nominale premies ingevolge de Ziekenfondswet
en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten" telkens vervangen door: de nominale premie ingevolge de
Ziekenfondswet.
HOOFDSTUK
11
Paraplubepaling
voor de aanvullende pensioenen
Art. 103.
-1. De inwerkingtreding van
deze wet leidt tot 1 januari 2000 niet tot wijziging van de in guldens uitgedrukte aanspraken, rechten en verplichtingen
zoals die voor degenen die
betrokken zijn bij een pensioenregeling van een pensioenfonds of van
een werkgever luidden op de dag vóór de datum van die
inwerkingtreding.
-2. Indien vóór 1 januari
2000 een herziening van de pensioenregeling in verband met deze wet wordt
overeengekomen of overeenstemming wordt bereikt over de handhaving
van de vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende
regeling van het nabestaandenpensioen, kan de inwerkingtreding van deze
wet vanaf dat tijdstip wel tot wijziging leiden van de in het eerste lid
genoemde aanspraken, rechten en verplichtingen.
-3. Het bepaalde in het
eerste lid is niet van toepassing op de pensioenaanspraken van de nabestaanden van de
militair, gewezen militair of gepensioneerde militair die
is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken, als
bedoeld in artikel E 11 van de Algemene militaire pensioenwet. Onze Minister
van Defensie stelt in verband daarmee voor de in het eerste lid bedoelde periode en met inachtneming van het tweede
lid bij ministeriële
regeling nadere regels overeenkomstig de inbouw- en franchisebepalingen van die
wet.
-4. Artikel 82 van de Wet
aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies is van toepassing op de uitkering op grond van deze wet.
Onze Minister kan voor de
eerste volzin bij ministeriële regeling nadere regels stellen.
HOOFDSTUK
12
Slotbepalingen
Art. 104.
Onze Minister zendt binnen
vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de
praktijk.
Art. 105.
-1. De Algemene Weduwen- en
Wezenwet wordt ingetrokken.
-2. De Algemene Weduwen- en
Wezenwet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing op de rechten, verplichtingen en
bevoegdheden over de
tijdvakken gelegen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, voor
zover in deze wet niet anders is bepaald.
Art. 106.
-1. Na de inwerkingtreding
van deze wet berusten de algemene maatregelen van bestuur
mede op grond van de artikelen 7 en 47 van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet getroffen, mede op de artikelen 13 en 63 van deze wet.
-2. Artikel 13 van het
Besluit beslistermijnen sociale verzekeringen ¹ geldt voor beschikkingen ingevolge
deze wet.
-3. Na de inwerkingtreding
van deze wet berusten de ministeriële regelingen op grond van de artikelen 4, 28 en
34f van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet op de
artikelen 8, 48 en 50 van deze wet.
1. Zie artikel II van de Wet
beslistermijnen sociale verzekringen, red.
Art. 107.
Deze wet treedt in werking
op een bij of krachtens koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 10 juni 1996, Stb. 1996, 305, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 juli 1996, red.
Art. 108.
Deze wet wordt aangehaald
als: Algemene nabestaandenwet.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
21 december 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de achtentwintigste
december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|