|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1994-1995, 24 326
Nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de
wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De inhoud van het
wetsvoorstel |
| 2.1 |
Wijzigingen die
voortvloeien uit de Wet TAV, de Wet TBA en de Wet TZ |
| 2.2 |
Wijziging van de
Werkloosheidswet |
| 2.3 |
Uitbetaling
uitkering aan derden |
| 2.4 |
Melding
arbeidsongevallen en beroepsziekten |
| 2.5 |
Tijdelijke regeling
inkoop arbeidsbemiddeling |
| 2.6 |
Afschaffing
overgangsrecht kinderbijslag voor kinderen van 18 jaar of ouder |
| 2.7 |
Proefplaatsing |
| 3 |
Gevolgen voor de
positie van vrouwen |
| 4 |
Financiële
consequenties van de voorgestelde wijzigingen |
| 4.1 |
Wijzigingen ZW |
| 4.2 |
Wijziging
overgangsregeling Wet TBA |
| 4.3 |
Invoering regresrecht
werkgever |
| 4.4 |
Wijzigingen WW |
| 4.5 |
Tijdelijke regeling
inkoop arbeidsbemiddeling |
| 4.6 |
Afschaffing
overgangsrecht kinderbijslag voor kinderen van 18 jaar of ouder |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv| |
Artikelen
I t/m XLV |
Algemeen
1.
Inleiding
Op
het gebied van de sociale zekerheid hebben de laatste jaren enige grote
wetgevende operaties haar beslag gekregen. In dit verband kunnen worden
genoemd de Wet terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV), de Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet
TBA) en de
Wet
terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ). Daarnaast heeft de
invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per 1 januari 1994
veel wijzigingen in de socialezekerheidswetgeving met zich gebracht,
alsmede - per 1 januari 1995 - de Organisatiewet sociale
verzekeringen (Osv) en de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen (IOsv).
Door een dergelijke
intensiteit van wetgeving zijn knelpunten en misverstanden ontstaan.
In sommige gevallen is het, doordat de verschillende wijzigingen
soms door elkaar heen lopen of elkaar overlappen, niet altijd
even duidelijk hoe de tekst van bepaalde artikelen uiteindelijk is komen te
luiden. Deze knelpunten, die deels door de toenmalige Sociale
Verzekeringsraad (SVr) en Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) onder
de aandacht
van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn
gebracht, dienen, voor zover nodig en voor zover geen oplossing beneden
wetsniveau voorhanden is, door middel van wetswijziging te worden
opgelost. Bij brief van 18 oktober 1994 is advies aan de SVr gevraagd over
een concept-wetsvoorstel. De SVr heeft advies uitgebracht op 15
december 1994. Dit advies is betrokken bij de opstelling van dit
wetsvoorstel.
Opgemerkt wordt dat de
hier voorgestelde wijzigingen los staan van een evaluatie van een
aantal in het kader van de volumebeperking getroffen maatregelen,
die bij de behandeling van de volumebeperkende wetten in de
Staten-Generaal is toegezegd. De hier voorgestelde wijzigingen doorkruisen
die evaluatie niet en kunnen daarom reeds thans worden getroffen. Zij
zijn overwegend van technische aard.
rblz.|2|
Voor
zover de geconstateerde technische tekortkomingen uitsluitend voortvloeien uit de
invoering per 1 januari 1994 van de Awb, is de reparatie van de meeste
tekortkomingen in de Leemtewet Awb neergelegd. Niettemin
zijn in dit wetsvoorstel nog enige met de Awb verband houdende
wijzigingen opgenomen.
Het onderhavige
wetsvoorstel strekt ertoe, naast de hiervoor genoemde wijzigingen in verband
met de Awb, een aantal andere geconstateerde onvolkomenheden weg te
nemen. Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in dit
wetsvoorstel ook enkele andere wijzigingen onder te brengen. In
hoofdstuk 2 wordt hierop nader ingegaan.
De verdere indeling van
de memorie van toelichting is als volgt. In
hoofdstuk 2 wordt in het
kort ingegaan op de inhoud van het wetsvoorstel. In
hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de positie van vrouwen. In
hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingegaan
op de financiële
consequenties van de voorgestelde wijzigingen. Tot slot volgt de artikelsgewijze
toelichting op dit wetsvoorstel.
2. De inhoud van het
wetsvoorstel
Zoals in hoofdstuk 1
reeds is aangegeven, bevat het voorstel van wet een aantal punten die
verband houden met de Wet
TAV, de Wet TBA en de
Wet TZ. Naast deze
wijzigingen bevat het voorstel nog enige andere inhoudelijke wijzigingen
die geen verband houden met de hiervoor genoemde wetten.
2.1. Wijzigingen die
voortvloeien uit de Wet TAV, de Wet TBA en de Wet TZ
Het voorstel van wet
bevat allereerst een aantal punten van min of meer technische aard die
verband houden met de Wet
TAV, de Wet TBA en de
Wet TZ. Daarbij gaat het
voor een deel om een correctie van foute verwijzingen die de
laatste jaren als gevolg van de vele wetswijzigingen in de teksten zijn geslopen.
Daarnaast bevat het voorstel, wat de Wet TAV, de Wet TBA en de wet TZ
betreft, nog enige inhoudelijke wijzigingen die overigens niet van
principiële betekenis zijn. Als zodanig kunnen worden genoemd:
2.1.1. Het begrip "objectief medisch vast te stellen
gevolg"
Blijkens de memorie van
toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de Wet TBA
achtte het kabinet speciale aandacht gewenst voor het verband tussen
aandoening en arbeidsongeschiktheid. In de definitie van het
arbeidsongeschiktheidscriterium in de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is de zinsnede
"als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken" opgenomen. Deze zinsnede is toegevoegd
teneinde te bewerkstelligen dat de interpretatieruimte die in de wet aanwezig is,
wordt verkleind. Een probleem is echter dat deze herformulering
vragen blijkt op te roepen. Zowel van de zijde van verzekeringsgeneeskundigen
als ook in de literatuur is erop gewezen dat de formulering van het
artikel niet geheel in overeenstemming is met de bedoeling daarvan. De
term "als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte
of gebreken" lijkt te suggereren dat het oorzakelijk verband ("het
gevolg")
objectief medisch moet worden vastgesteld. Dit is uiteraard niet het
geval.
De bedoeling van de
herformulering is een signaal af te geven aan de uitvoeringspraktijk en
rechtspraak om meer aandacht te besteden aan het verband tussen de
aandoening en de arbeidsongeschiktheid. Met de opname van de termen
"rechtstreeks" en "objectief medisch" wordt beoogd een
standaardisering van het medisch beoordelingsproces te rblz.|3|
vergemakkelijken en
daarmee het oordeel omtrent het bestaan van ziekte en gebreken toetsbaar te
maken: de vermogens en beperkingen van arbeidsongeschikten
dienen te worden geëxpliciteerd. De herformulering van de relatie tussen
ziekte en gebreken en arbeidsongeschiktheid valt in twee onderdelen uiteen.
Ten eerste wordt door opname van het woord "rechtstreeks"
benadrukt dat er een directe, causale, relatie moet zijn tussen aandoening en
uitval uit het arbeidsproces. Deze causaliteitseis maakt dat ziekten of
gebreken die niet van invloed zijn op de verdiencapaciteit, alsook verdiencapaciteit
die tengevolge van andere oorzaken dan ziekte of gebrek is
verminderd, buiten beschouwing dienen te blijven. Ten tweede is de term
"objectief medisch" opgenomen om te vermijden dat de begrippen
"ziekte
of gebreken" te ruim worden geïnterpreteerd. Goed zal moeten worden
nagegaan of er niet sprake is van een subjectieve beleving van betrokkene,
al dan niet als gevolg van diens sociale omstandigheden (Kamerstukken II 22 824, nr. 3,
blz. 26).
De kern van de
herformulering is derhalve aan te geven dat de arbeidsongeschiktheid het
directe gevolg moet zijn van ziekte of gebreken en dat die ziekte en
gebreken op medische gronden naar objectieve maatstaven bepaalbaar
moeten zijn. De formulering uit de Wet TBA maakt dit onvoldoende
duidelijk. Vandaar dat hier wordt voorgesteld de zinsnede "als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken" te vervangen
door "als rechtstreeks gevolg van objectief medisch vast te stellen ziekte of
gebreken".
Voor de praktische
toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium is deze wijziging
overigens niet van belang. In de praktijk wordt namelijk overeenkomstig
de bedoeling van de wetgever gekeurd.
2.1.2. Begrip "ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte" in de ZW
Noch bij de
Wet TBA, noch
bij de Wet TZ is voorzien in een aanpassing van het begrip "ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte" in de Ziektewet (ZW). Het begrip
"ziekte" is in de ZW niet nader omschreven en heeft in de loop van de jaren door
de jurisprudentie gestalte gekregen. Zo dient onder ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte te worden verstaan het op medische gronden naar
objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de
in aanmerking komende arbeid (CRvB 24
januari 1974, ZW 1973/11, Rsv 1974/365). Het subjectieve oordeel van een verzekerde
dat hij niet in staat is
zijn werk te verrichten, is niet voldoende voor het aannemen van
ongeschiktheid. Er is pas sprake van een naar objectieve maatstaven gemeten
arbeidsongeschiktheid als de mening van de verzekerde bevestigd
wordt door medische bevindingen. Gesteld kan derhalve worden dat het
opnemen in de ZW van de zinsnede "als rechtstreeks gevolg van
objectief medisch vast te stellen ziekte" gezien kan worden als het
vastleggen in de wet van een element van het arbeidsongeschiktheidscriterium
dat in de praktijk op grond van de jurisprudentie bij de beoordeling of een verzekerde ongeschikt is in de zin
van de ZW reeds werd
gehanteerd.
Het begrip ziekte of
gebreken maakt niet alleen deel uit van het arbeidsongeschiktheidsbegrip
in de zin van de AAW
en de WAO, maar ook van het
ongeschiktheidsbegrip in de zin van de ZW. Het kabinet acht het wenselijk dat het element
"ziekte of gebreken", nu dit deel uitmaakt van beide arbeidsongeschiktheidsbegrippen, in de AAW, de WAO en de ZW op
dezelfde wijze wordt
gedefinieerd.
2.1.3. Vrijwillige
verzekering
Bij de
Wet TZ is in het
gedeelte van de ZW dat gaat over de verplichte rblz.|4|
verzekering een
specifieke bepaling (artikel 29, zesde lid, van de ZW) opgenomen voor vrijwillig
verzekerden. Gezien de opbouw van de ZW, waarin een apart
hoofdstuk (hoofdstuk IV) is gewijd aan de vrijwillige verzekering, wordt het
zuiverder geacht deze bepaling alsnog over te brengen naar het
hoofdstuk over de vrijwillige verzekering (artikel
70). Opgemerkt kan nog worden
dat de in artikel 70 van de ZW voorgestelde tekst afwijkt van die
welke thans in artikel 29, zesde lid, is opgenomen. In dat lid is geregeld dat
het ziekengeld van de vrijwillig verzekerde die niet in dienstbetrekking staat
tot een werkgever wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken. Onder dienstbetrekking moet in dat lid, evenals
in de overige leden van artikel 29 van de ZW, worden verstaan de
dienstbetrekking in de zin van de ZW. Een dergelijke dienstbetrekking levert
echter verzekeringsplicht op, zodat er wetstechnisch geen sprake
kan zijn van een persoon in dienstbetrekking die vrijwillig verzekerd
is. Voor iedere vrijwillig verzekerde geldt derhalve in beginsel een
wachtperiode van twee dagen. Dit is echter niet de bedoeling geweest. Het is namelijk
denkbaar dat vrijwillig verzekerden bij ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte aanspraak kunnen maken op betaling van loon. Te
denken valt hierbij onder meer aan directeuren-grootaandeelhouders van
een besloten vennootschap die zich na de uit de gewijzigde jurisprudentie
van de Centrale Raad van Beroep voortvloeiende beëindiging van hun verplichte verzekering vrijwillig verzekerd
hebben. Voor hen zou ook
een wachtperiode van zes onderscheidenlijk twee weken moeten kunnen
gelden. Door in het voorgestelde artikel 70 van de ZW
uitdrukkelijk
te bepalen dat alleen voor de vrijwillig verzekerde die geen aanspraak kan
maken op betaling van loon een wachttijd van twee dagen geldt, wordt
bereikt dat voor vrijwillig verzekerden die wel een dergelijke aanspraak
hebben, een wachtperiode van zes onderscheidenlijk twee weken komt te gelden
zoals ook sinds de inwerkingtreding van de Wet TZ in het
kader van de verplichte verzekering geldt. Dit vloeit voort uit artikel 72 van
de ZW, waarbij de bepalingen van de verplichte verzekering van
overeenkomstige toepassing zijn voor zover daarvan in het bij of
krachtens het hoofdstuk over de vrijwillige verzekering niet is afgeweken.
Door de invoering van dat
eigen risico is de situatie ontstaan dat voor de meeste vrijwillig
verzekerden veelal geen op de verzekeringsvoorwaarden afgestemde premie kan
worden bepaald. De premie voor de vrijwillige verzekering
dient ingevolge artikel 68, derde lid, van de ZW
een percentage van het bij de
aanvang van de vrijwillige verzekering door de betrokkene zelf bepaalde
dagloon te bedragen. De premie mag echter niet meer bedragen dan de
premie die verschuldigd zou zijn indien de betrokkene verplicht
verzekerd was. De op grond van de verplichte verzekering verschuldigde ZW-premie is ingaande 1 januari 1994 afgestemd op de
zes/twee-wekenmaatregel en dientengevolge aanzienlijk verlaagd. Voor de
vrijwillig verzekerde geldt, zoals reeds vermeld, de zes/twee-wekenmaatregel
in het algemeen niet. Zij hebben op grond van het voorgestelde artikel
70 (thans nog 29, zesde lid) van de ZW reeds vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld. Voor hen kan op grond van
artikel 68, derde lid, van de ZW geen bijpassende hogere premie worden
opgelegd dan de verlaagde premie voor de verplichte
ziekengeldverzekering. De wijzigingen bij de Wet TZ
betekenen voor de categorie
vrijwillig verzekerden derhalve gelijkblijvende verzekeringsvoorwaarden
tegen een verlaagde premie. Uit een oogpunt van financiering is het
niet kunnen heffen van een hogere premie een ongewenste situatie.
Hoewel het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica),
evenals voorheen de SVr, op grond van artikel 71 van de ZW
de bevoegdheid
heeft tot het stellen van nadere regels met betrekking tot door de
vrijwillig verzekerden verschuldigde premie, kan dat instituut in de door
hem te stellen regels niet vastleggen dat voor rblz.|5|
vrijwillig verzekerden
een hogere premie kan worden vastgesteld. Met een daartoe strekkende regel
zou immers worden afgeweken van het in het derde lid van artikel 68
van de ZW bepaalde en zou het Tica zijn bevoegdheid te buiten
gaan. In verband hiermee wordt voorgesteld de in het derde lid van artikel
68 van de ZW opgenomen beperkende bepaling dat de premie voor de
vrijwillige verzekering niet hoger mag zijn dan de premie voor de verplichte
verzekering te laten vervallen.
Met het vervallen van
deze beperkende bepaling wordt ook een in het kader van de Wet
TAV opgekomen knelpunt met betrekking tot de premiedifferentiatie ZW
opgeheven. Na de inwerkingtreding per 1 januari 1993 van het
premiedifferentiatiesysteem in de ZW is namelijk de vraag naar voren gekomen of ook
de premie voor de vrijwillige verzekering diende te worden
gedifferentieerd dan wel dat uitgegaan diende te worden van de zogeheten
middenpremie. Dit systeem houdt in dat het premiepercentage
afhankelijk is van het ziekteverzuim bij een individuele werkgever ten opzichte
van het gemiddelde ziekteverzuim voor de groep waartoe deze werkgever
behoort. Per bedrijfsvereniging of risicogroep worden door de
bedrijfsvereniging minimaal drie premiepercentages gehanteerd, te weten de
lage, de midden en de hoge premie. Met de introductie van dit
systeem kon niet meer in alle gevallen eenduidig worden bepaald welke
premie voor de vrijwillig verzekerden dient te gelden. De
premiedifferentiatie is gericht op vergroting van het financiële belang van de individuele
werkgever bij de terugdringing van het ziekteverzuim. Met
betrekking tot de vrijwillige premie ontbreekt echter in het algemeen een
aanknopingspunt voor de toepassing van de premiedifferentiatie, omdat de verzekerde zelf
de verzekering sluit, de premie betaalt en geen enkele invloed heeft op het ziekteverzuim van anderen.
Ten aanzien van de
vrijwillig verzekerden ligt het daarom voor de hand dat de bedrijfsverenigingen
de middenpremie hanteren. Met het laten vervallen van de in artikel
68, derde lid, van de
ZW opgenomen beperking
wordt de mogelijkheid
daartoe geboden.
Voor sommige
categorieën
vrijwillig verzekerden kan het bij een letterlijke interpretatie
van artikel 68, derde lid, van de ZW overigens verdedigbaar zijn om een
gedifferentieerde premie te hanteren. Ook hier valt te denken aan de
directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap die zich
vrijwillig verzekerd heeft. Indien voor de besloten vennootschap personen
werkzaam zijn die verplicht zijn verzekerd en waarbij de werkgever is
ingedeeld in de lage premiedifferentiatieklasse, zou de vrijwillig
verzekerde directeur-grootaandeelhouder met een beroep op artikel
68, derde lid,
van de ZW kunnen stellen dat voor hem ook de lagere premie zou moeten
gelden in plaats van de middenpremie welke de bedrijfsvereniging thans hanteert. Met het laten vervallen van de
beperkende bepaling
neergelegd in artikel 68, derde lid, van de ZW heeft het Tica in ieder geval
de mogelijkheid om in zijn nadere regels te bepalen dat voor vrijwillig verzekerden de middenpremie geldt. Dit laat overigens
onverlet dat het Tica
desgewenst voor de hiervoor genoemde gevallen wel een gedifferentieerde
premie vast kan stellen.
2.1.4. Vervallen van
artikel 60, zesde lid, van de ZW
Op grond van
artikel 60,
vijfde lid, van de ZW bedraagt het aandeel van de werknemer in de
ZW-premie de helft van de totaal verschuldigde premie, met dien
verstande dat dit aandeel niet meer mag bedragen dan 1%. Op grond van het
zesde lid van dat artikel kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
in bijzondere gevallen aan een werkgever toestaan een groter
aandeel in de verschuldigde premie op het loon van de werknemer in te houden
dan op grond van het vijfde lid van dat artikel geoorloofd is. Met de in
het zesde lid gebezigde term "in bijzondere rblz.|6|
gevallen" werd gedoeld
op de gevallen waarin de werkgever op grond van artikel 57 van de ZW,
zoals dat artikel tot 1 januari 1994 luidde, overeengekomen
bovenwettelijke uitkeringsvoorwaarden had "herverzekerd" bij de
bedrijfsvereniging.
Bij de invoering van de
Wet TZ is artikel 57 van de ZW komen te vervallen. De gedachte
hierachter was dat bij handhaving van dat artikel collectieve
herverzekering bij de bedrijfsvereniging van het risico van bovenwettelijke
uitkeringen via de ziekengeldkassen mogelijk zou zijn gebleven. Dit staat op
gespannen voet met de doelstelling van de Wet TZ, te weten vergroting van
de financiële betrokkenheid van ondernemingen bij het ziekteverzuim.
Bij de Wet TZ is echter een overgangsregeling getroffen voor reeds
geldende bovenwettelijke uitkeringsregelingen. Op grond artikel XVII van
die wet blijven deze van kracht tot 1 juli 1994. Artikel XVIII bevat
vervolgens een bepaling omtrent het behouden van aanspraken verkregen op
grond van artikel XVII die voortvloeien uit artikel 57 van de ZW.
Degene die op 30 juni 1994 ongeschikt is tot werken wegens ziekte of degene
wiens ongeschiktheid tot werken wegens ziekte intreedt op 1 juli 1994
en tevens binnen vier weken nadat een vóór die dag gelegen periode van
ongeschiktheid door herstel is geëindigd, behoudt die aanspraken namelijk,
zolang die ongeschiktheid duurt. Gelet op genoemde overgangsbepalingen van de
Wet TZ kan het voorkomen dat werknemers ook na 1 juli
1994 recht behouden op bovenwettelijke uitkeringen. In een
aantal gevallen is daarom op grond van artikel
60, zesde lid, van de ZW
toestemming gegeven om ook na 1 juli 1994 een verhoogd premieaandeel
op het loon van de werknemers te mogen inhouden. Na 31 december
1994 is de bovengenoemde motivering voor toestemming tot hogere
premie-inhouding na 1 juli 1994, namelijk het risico dat een werknemer
loopt om op 30 juni 1994 dan wel op 1 juli 1994 ziek te worden en recht
te behouden op bovenwettelijke uitkering, niet langer relevant. In
verband hiermee wordt voorgesteld artikel 60, zesde lid, van de ZW
te laten
vervallen.
Het louter en alleen
verstrekken van een aanvulling op het ziekengeld door de werkgever is geen
reden om het zesde lid van artikel 60 te laten bestaan. In de praktijk
is dit nimmer beschouwd als een "bijzonder geval" als in genoemd artikellid
bedoeld. Voorwaarde was immers, zoals hiervoor reeds is
vermeld, dat de bovenwettelijke aanvulling op grond van artikel 57 van de
ZW was
verzekerd bij de bedrijfsvereniging. Het effect van een hogere
premie-inhouding in deze gevallen zou zijn dat het op het loon ingehouden bedrag
voor de aanvulling op het ziekengeld als zijnde premie terechtkomt in de
ziekengeldkas van de bedrijfsvereniging. De werkgever is ingevolge
het achtste lid van artikel 60 van de ZW immers gehouden zowel de door de
verzekerde als de door hemzelf verschuldigde premie aan de
bedrijfsvereniging te betalen. Hij kan alsdan het op het loon van zijn werknemers
ingehouden bedrag niet aanwenden voor de financiering van de door
hem - buiten het kader van de ZW
- overeengekomen bovenwettelijke
uitkeringen. Uiteraard laat het vervallen van artikel
60, zesde lid, van de ZW
de mogelijkheid onverlet dat CAO-partijen, in verband met de kosten die
verbonden zijn aan het verstrekken van bovenwettelijke
ziekengelduitkeringen door de werkgever, binnen de grenzen van artikel 7a:1637s van het
Burgerlijk
Wetboek (BW) overeenkomen dat de werknemer een
bijdrage in deze kosten verschuldigd is en dat de werkgever deze
inhoudt op het loon van zijn werknemers.
2.1.5. Wijziging
overgangsregeling Wet TBA
Het doel van de
overgangsmaatregelen in de Wet TBA is het ontzien van bepaalde toenmalige
uitkeringsgerechtigden wat betreft niveau- en duurmaatregelen, ook
indien zij in een later stadium volledig herintreden rblz.|7|
in het arbeidsproces en
vervolgens wederom arbeidsongeschikt worden verklaard. Bedoelde overgangsbepalingen gelden niet
"kruiselings". Een
persoon met een WAO-uitkering die later als ambtenaar gaat werken en vervolgens opnieuw
arbeidsongeschikt wordt, kan zich niet beroepen op de oude bepalingen inzake
niveau en duur die gelden voor gepensioneerden op grond van de Algemene
burgerlijke pensioenwet (Abp-wet). In het kader van de
overgangsbepalingen van de Wet TBA die gelden voor de overheid is de betrokkene dan een
"nieuw geval". Hetzelfde geldt
onder meer voor
arbeidsongeschikte ambtenaren die later in de marktsector gaan werken. In antwoord
op kamervragen van het Tweede Kamerlid Leijnse (PvdA) is op 13 oktober 1993 geantwoord dat de
bereidheid bestaat de wet
zodanig te wijzigen dat ook kruiselingse toepassing van de
overgangsbepalingen mogelijk wordt. Deze toezegging wordt hiermee nagekomen.
Een ander punt waarop
wetswijziging wenselijk is, is aangedragen door de toenmalige FBV. De FBV
was van mening dat de groep personen voor wie artikel XIX van de
Wet TBA geldt te beperkt is. In dit artikel is een overgangsregeling
getroffen met betrekking tot de anticumulatieregeling AAW/WAO die geldt voor
personen op wie artikel 33 van de AAW
of 44 van de
WAO op of na de
datum van inwerkingtreding van de Wet TBA van toepassing wordt. In het
tweede lid van artikel XIX is geregeld dat in bepaalde, met name
genoemde, situaties voor de toepassing van artikel 33 van de AAW
of artikel
44 van de WAO geanticumuleerd wordt op basis van "niet-passende" in
plaats van "niet-gangbare" arbeid, omdat in deze situaties het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium (nog) niet van
toepassing is. Onder het
betreffende overgangsartikel valt niet de situatie waarin de
uitkeringsgerechtigde op 1 augustus 1993 jonger was dan 50 jaar en op wie
vóór die
datum geen toepassing werd gegeven aan de anticumulatiebepalingen.
Indien vervolgens op of na die datum artikel 33 van de AAW
of artikel
44 van de WAO wordt toegepast, dan zou zonder nadere voorziening, ondanks het feit dat tot de op grond van het
Cohortenbesluit
vastgestelde datum van herkeuring het oude arbeidsongeschiktheidscriterium
van toepassing is, tot die datum onder arbeid waarvan de
inkomsten geanticumuleerd worden, dienen te worden verstaan "niet-gangbare" arbeid in plaats van "niet-passende" arbeid. In verband hiermee is de
door de FBV bedoelde persoon ook onder de werking van het tweede
lid van artikel XIX van de Wet TBA
gebracht. Als gevolg hiervan wordt voor
de toepassing van artikel 33 van de AAW
of artikel
44 van de WAO voor deze persoon onder de in artikel 5, vijfde lid, van de
AAW
en
artikel 18,
vijfde lid, van de WAO bedoelde arbeid tot aan de datum van herkeuring
verstaan de arbeid in genoemde artikelen, zoals deze vóór 1
augustus 1993 luidden.
2.1.6. Wijziging
overgangsregeling Wet TZ
Zoals hiervoor bij
paragraaf
2.1.4 reeds is vermeld, is artikel 57 van de ZW, welk artikel betrekking
had op bovenwettelijke uitkeringen, bij de invoering van de Wet TZ
vervallen en is in artikel XVII van die wet
een overgangsregeling getroffen inhoudende dat reeds geldende bovenwettelijke uitkeringsregelingen tot
1 juli 1994 van kracht blijven. Artikel XVIII van
die wet bevat
vervolgens een bepaling omtrent het behouden van aanspraken verkregen
op grond van genoemd artikel XVII.
Zo behoudt, naast degene
die op 30 juni 1994 ongeschikt is tot werken wegens ziekte, ook zijn
aanspraken degene wiens ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
intreedt op 1 juli 1994 en tevens binnen vier weken nadat een vóór die
dag gelegen periode van ongeschiktheid door herstel is geëindigd, voor de
duur van die ongeschiktheid.
In artikel XVI van dit
wetsvoorstel [zie artikel XVII van de
wet, red.] wordt de in artikel XVIII, eerste lid,
rblz.|8|
onderdeel b, van de
Wet TZ voorkomende zinsnede "op 1 juli 1994" vervangen door "na 30
juni 1994". Ter toelichting diene het volgende.
In het kader van de ZW is
het gebruikelijk om perioden van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen samen te tellen en als één ziektegeval te
beschouwen. Zo wordt bijvoorbeeld een ziekmelding per 5 juli 1994 niet als een
nieuw ziektegeval beschouwd indien een vorige periode van
ongeschiktheid per 15 juni 1994 door herstel is beëindigd. In het gegeven voorbeeld zou
een ziekmelding per 5 juli 1994, ondanks dat de nieuwe ziekteperiode
is aangevangen binnen vier weken nadat een vóór
die dag
gelegen periode van ongeschiktheid door herstel is geëindigd, ertoe
leiden dat de betrokkene alsdan geen aanspraak meer kan maken op de bovenwettelijke uitkeringen die hij tijdens zijn
voorlaatste ziekteperiode
ontving. Zijn ongeschiktheid tot werken is immers niet op 1 juli
1994 ingetreden. Het uitdrukkelijk in de wet vermelden dat de
aanspraken op grond van artikel XVII van de Wet TZ
slechts van kracht
blijven indien de ongeschiktheid tot werken intreedt op 1 juli 1994, strookt niet
met de in het kader van de ZW gehanteerde samentellingsregeling en
de tot dusver bij het redigeren van overgangsbepalingen gevolgde gedragslijn. In
dit verband moge worden verwezen naar artikel
XVII, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet TBA, waarin een soortgelijke formulering
is gebruikt als thans in artikel XVIII van de
Wet TZ wordt voorgesteld.
2.1.7. Het regresrecht
van de werkgever
Eind
1993 hebben de
Sociaal-Economische Raad (SER) en de toenmalige SVr advies
uitgebracht over een uitbreiding van het regresrecht tot de
volksverzekeringen. Hoewel het regresrecht van de werkgever niet met zoveel woorden
aan de orde werd gesteld in de adviesaanvragen aan de SER en de
toenmalige SVr, hebben deze organen in hun adviezen aandacht besteed aan de
vraag in hoeverre een werkgever een regresrecht dient te verkrijgen.
Tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel van Wet
TZ is deze
vraag ook door de Kamer aan de orde gesteld. Zowel de SER als de SVr
hebben gepleit voor een zelfstandig regresrecht voor de werkgever. Tegen
de achtergrond van het beginsel dat de kosten daar gelegd moeten worden
waar ze zijn gemaakt, vraagt de SER in zijn advisering aandacht voor
de positie van de werkgever die betalingen doet in verband met ziekte of
arbeidsongeschiktheid van een werknemer voor het veroorzaken waarvan
een derde aansprakelijk is. Anders dan de overheid als werkgever
heeft de particuliere werkgever in die gevallen geen zelfstandig
verhaalsrecht. Het ontbreken hiervan klemt te meer gezien de recente en
toekomstige ontwikkelingen in wetgeving gericht op uitbreiding van de
werkgeversrisico’s. De SER dringt erop aan nu spoedig een eigen verhaalsrecht
voor de werkgever te creëren ter zake van de verplichte
loondoorbetaling in de eerste ziekteweken, de bovenwettelijke aanvullingen door de
werkgever op de ZW- en
WAO-uitkering, alsook ter zake van de malus
ingevolge de AAW. Dit verhaalsrecht zou in elk geval dienen te gelden jegens
aansprakelijke derden, niet zijnde de werknemers van betrokken werkgever.
Ook zou verhaal mogelijk moeten zijn op de collega-werknemer indien
de arbeidsongeschiktheid rechtstreeks is te wijten aan diens opzet of
bewuste roekeloosheid.
Ook de SVr achtte het
wenselijk dat particuliere werkgevers een zelfstandig verhaalsrecht
krijgen voor wat betreft suppletie-uitkeringen en doorbetaald loon.
Daarnaast achtte de SVr het wenselijk dat de werkgever de verschuldigde AAW-malus kan verhalen ingeval de arbeidsongeschiktheid van de werknemer door een
aansprakelijke derde is veroorzaakt. De SVr deelde de
opvatting van de SER dat verhaal in beginsel mogelijk moet zijn op de
collega-werknemer indien de arbeidsongeschiktheid rblz.|9|
rechtstreeks
is te wijten aan diens opzet of bewuste roekeloosheid.
Het toekennen van een
regresrecht aan de werkgever is in het verleden reeds enkele malen aan de
orde geweest. Met name omdat de overheid via de Verhaalswet
ongevallen ambtenaren wel een regresrecht heeft voor het tijdens ziekte en
invaliditeit doorbetaalde loon, werd het onbillijk gevonden dat de
particuliere werkgever dit recht niet had. Aanvankelijk lag het zelfs in de
bedoeling bij de invoering van het nieuw BW
aan de werkgever een regresrecht
toe te kennen. Het verhaalsrecht van de werkgever is toen echter voorlopig niet ingevoerd in verband met de
operatie stofkam, waarbij
een aantal onderwerpen uit de Invoeringswet nieuw BW zijn gelicht
teneinde de invoering van het nieuw BW te vereenvoudigen. Dit standpunt is aan herziening toe. Terecht wezen de
adviesorganen erop dat
mede als uitvloeisel van de recente wijzigingen van de socialezekerheidswetgeving ook de positie van de werkgever in het maatschappelijk
verkeer veranderd is. In het kader van het volumebeleid heeft de werkgever voor
zijn zieke en arbeidsongeschikte werknemers een grotere
verantwoordelijkheid gekregen, ook als de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid buiten zijn invloedssfeer ligt. De
werkgever heeft als het
ware een deel van de sociale verzekeringen overgenomen. Waar de
werkgever bepaalde verplichtingen opgelegd krijgt, is het niet meer dan billijk hem
ter zake ook de corresponderende
rechten toe te kennen.
Thans heeft de werkgever
weinig mogelijkheden de kosten die hij voor zijn werknemers maakt te
verhalen. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat een werknemer de hem
als slachtoffer toekomende vorderingen cedeert aan zijn
werkgever, doch de uitkomst van deze constructie is verre van zeker en doet
gekunsteld aan. De SVr wees er in zijn advies op dat één en ander tot problemen
leidt.
Met de adviesorganen is
het kabinet van mening dat de huidige situatie ongewenst is. Vandaar dat
in dit wetsvoorstel aan werkgevers voor de voor hen belangrijkste
risico’s een recht op schadevergoeding zal worden toegekend, dat wil zeggen
voor de doorbetaling van loon tijdens ziekte en voor de overeengekomen aanvullingen op ziekengeld- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Gelet op het feit dat
bij de Staten-Generaal een wetsvoorstel ligt tot
afschaffing van de malus, heeft het kabinet ervan afgezien een recht op
schadevergoeding te creëren voor de
AAW-malus, zoals door de SVr in zijn
advies was voorgesteld. Het schadevergoedingsrecht is niet afhankelijk van
de vraag of ook de werknemer/het slachtoffer zelf een
schadevergoedingsactie instelt. Waar de werkgever in de eerste twee jaar van
arbeidsongeschiktheid de uitkeringen aanvult tot 100% heeft de werknemer immers vaak
ook geen direct belang. Overigens heeft de aangesproken persoon
dezelfde verweermiddelen als tegen elke vordering tot schadevergoeding als bedoeld in afdeling 6.1.10
BW, zoals
hij die ook tegenover de
werknemer zou hebben gehad.
2.2. Wijziging van de
Werkloosheidswet
2.2.1. Artikel 16
Bij de
Wet van 22
december 1993, Stb. 1993, 744, tot nadere wijziging van de Werkloosheidswet
(wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering) is onder meer
in artikel 16 van de Werkloosheidswet (WW) een nieuw derde en vierde lid
ingevoegd. Het nieuwe derde lid bepaalt dat indien een
dienstbetrekking anders dan door opzegging is geëindigd, of door opzegging is
geëindigd zonder dat de opzegtermijn in acht is genomen, de inkomsten
waarop de werknemer recht heeft in verband met rblz.|10|
eindiging van de
dienstbetrekking worden beschouwd als loon over de niet in acht genomen
opzegtermijn. Hierdoor gaat de WW-uitkering pas in na het verstrijken van
deze - fictieve - opzegtermijn. Het vierde lid van artikel 16 geeft voor een
specifieke situatie aan wanneer het derde lid geen toepassing vindt.
Kort vóór de inwerkingtreding van bovengenoemde wet hebben de
vakcentrales FNV, CNV en MHP, alsmede de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties
(RCO), gewezen op knelpunten
die per 1 maart 1994
zouden ontstaan door voornoemd artikel 16, derde lid, van de
WW. Deze
knelpunten zijn aanleiding geweest dit artikellid, alsmede het vierde lid,
bij Ministeriële Regeling van 24 februari 1994, Stcrt. 1994, 40, buiten toepassing te
stellen. Op 8 maart 1994 zijn door de leden der Eerste Kamer Heijmans en
Heijne Makkreel vragen gesteld inzake de bevoegdheid tot het
buiten toepassing stellen van artikel 16, derde lid, van de
WW. In antwoord op
deze vragen is aangegeven dat artikel III, derde lid, van de Wet van 22
december 1993, Stb. 1993, 744, voldoende basis biedt voor het besluit tot het
buiten toepassing stellen van artikel 16, derde lid, van de
WW. Daarbij is
echter tevens geconstateerd dat over de reikwijdte van voornoemd artikel
III,
derde lid, kennelijk discussie mogelijk is en dat het in verband daarmee
wenselijk is het buiten toepassing stellen van artikel
16, derde en
vierde lid, van de WW in een formele wet neer te leggen. Artikel IV,
onderdeel A, strekt daartoe. Ingevolge artikel XLVI, eerste lid, onderdeel
a [zie artikel XLIX, eerste lid,
onderdeel a, van de
wet, red.],
werkt artikel IV, onderdeel A, terug tot en met 1 maart 1994.
Met betrekking tot de
inhoudelijke problematiek rond artikel 16, derde lid, van de
WW merk ik
nog op dat op 29 april 1994 aan de SVr advies is gevraagd over de
mogelijkheden om de doelstelling van dit artikellid te realiseren zonder
fictieve opzegtermijn, dan wel te adviseren over de wijze waarop de gesignaleerde
knelpunten anderszins kunnen worden weggenomen. De SVr is
daarbij verzocht op zo kort mogelijke termijn te adviseren. Het is de SVr
niet gelukt om vóór 1 januari 1995 advies uit te brengen. De bovenvermelde
adviesaanvraag is thans bij het Tica in behandeling. Het ligt
niet in de lijn der verwachting dat artikel 16, derde lid, van de
WW, zoals dit
thans is geformuleerd, zonder nadere wijziging in werking kan treden.
Voor een eventuele nieuwe regeling is derhalve wetswijziging nodig.
Daarom wordt voorgesteld het huidige artikel 16, derde en vierde lid, te
laten vervallen. Naar aanleiding van het door het Tica uit te brengen
advies zal een eventuele nieuwe wettelijke regeling met spoed worden
voorbereid.
2.2.2. Kleine kortdurende
rechten naast herleefde rechten op loongerelateerde
uitkering en vervolguitkering
Om voor recht op
WW-uitkering in aanmerking te komen, dient men in ieder geval werkloos te
zijn in de zin van de WW. Dit is het geval indien men een
arbeidsurenverlies heeft van ten minste vijf uren per kalenderweek of - indien men minder dan tien uren per kalenderweek werkte
- de helft van
het aantal arbeidsuren per kalenderweek indien men het recht op
loondoorbetaling over die uren heeft verloren en indien men bovendien beschikbaar is
om arbeid te aanvaarden. Het arbeidsurenverlies wordt berekend door het
resterend aantal arbeidsuren na het urenverlies af te trekken
van het "gemiddeld aantal arbeidsuren" (GAA). Dit GAA is het gemiddeld
aantal arbeidsuren per kalenderweek in de 26 kalenderweken
onmiddellijk voorafgaande aan het arbeidsurenverlies.
Naast werkloosheid dient
er, wil recht op WW-uitkering kunnen ontstaan, geen
uitsluitingsgrond van toepassing te zijn (de artikelen 19 en
19a WW). Ten slotte dient
voldoende arbeidsverleden aanwezig te zijn.
rblz.|11|
De
voorwaarde van voldoende arbeidsverleden kwam tot 1 maart 1995 tot uitdrukking in de
zogenaamde "wekeneis". Deze eis hield in dat men in de 52 weken direct
voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in ten minste 26 weken als
werknemer gewerkt moest hebben ("26 uit 52"). Voldeed men aan de
wekeneis, dan had men ten minste recht op een halfjaar uitkering ter hoogte
van 70% van het dagloon. Indien men daarnaast kon aantonen in de vijf
kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag was gelegen in ten minste drie
kalenderjaren gedurende
52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen (3-uit-5-eis),
had men recht op voortzetting van de uitkering na het eerste halfjaar.
In de
Wet van 22 december
1994, Stb. 1994, 955, houdende wijziging van de Werkloosheidswet en
enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW; inwerkingtreding 1
maart 1995), worden voor het recht op WW-uitkering strengere
eisen gesteld. Allereerst wordt de wekeneis aangescherpt van "26 uit
52" tot "26 uit 39". Wil men vanaf 1 maart 1995 recht kunnen krijgen op
een loongerelateerde uitkering (en daarna op een vervolguitkering), dan
dient men echter niet alleen te voldoen aan deze aangescherpte wekeneis,
maar tevens aan de tot 4-uit-5-eis aangescherpte jareneis. Wie slechts aan
de aangescherpte wekeneis voldoet, heeft recht op een kortdurende
uitkering van een halfjaar, ter hoogte van 70% van het minimumloon (of 70%
van het dagloon indien het dagloon lager is dan het minimumloon).
De bepalingen ter zake
van het recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering zijn
neergelegd in hoofdstuk IIa WW, terwijl de bepalingen ter zake van
het recht op kortdurende uitkering zijn op genomen in een hoofdstuk IIb. Door in het in
hoofdstuk IIb opgenomen
artikel 52a WW te
verwijzen naar artikel 16 WW wordt bewerkstelligd dat ook voor het ontstaan van
recht op kortdurende uitkering sprake dient te zijn van een
arbeidsurenverlies van ten minste vijf of ten minste de helft van het aantal
arbeidsuren per kalenderweek.
Tevens is in de
Wet van
22 december 1994, Stb. 1994, 955, bepaald dat geen recht op kortdurende
uitkering ontstaat voor zover een recht op loongerelateerde
uitkering en vervolguitkering herleeft (artikel 52b, derde lid,
WW). De reden
daarvan is dat het voor de betrokken werknemers in vrijwel alle gevallen
gunstiger is een oud recht te laten herleven dan een recht op kortdurende
uitkering te laten ontstaan. Zonder de betreffende bepaling zouden
werknemers die vanuit een WW-situatie werk
hervatten bij verlies van dat werk
slechter uit kunnen zijn dan werknemers die geen of minder werk zouden
hervatten. Dit werd niet aanvaardbaar geacht.
Bij implementatie van de
Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, zijn de uitvoeringsorganen op de
volgende ongewenste situatie gestuit. Indien een werknemer vanuit een
situatie waarin hij recht heeft op een uitkering ingevolge hoofdstuk IIa
WW (derhalve recht op loongerelateerde uitkering en daarna op
vervolguitkering) werk aanvaardt voor gemiddeld iets meer uren per kalenderweek dan
het aantal arbeidsuren waarnaar dit recht was berekend en dat werk
verliest op het moment dat hij wel aan de (aangescherpte) wekeneis voldoet, maar
niet aan de (aangescherpte) jareneis, herleeft niet alleen het
oude recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering, maar
ontstaat bovendien een recht op kortdurende uitkering voor enkele
uren per kalenderweek. Als voorbeeld kan worden gewezen op de werknemer
die een recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering heeft op
basis van een GAA van 36 uur. Hij aanvaardt een baan van 38 uur per week
en verliest deze na een halfjaar weer. Gesteld dat hij ter zake van deze
tweede werkloosheid niet aan de jareneis voldoet, zodat geen nieuw
recht ingevolge hoofdstuk IIa
ontstaat, geldt rblz.|12|
het volgende. De werknemer voldoet wel opnieuw aan de wekeneis. Op
grond van artikel 52b,
derde lid, WW, ontstaat over 36 uur geen recht op kortdurende uitkering,
maar herleeft het recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering. Voor betrokkene ontstaat echter daarnaast
een recht op kortdurende
uitkering voor twee uren per kalenderweek. Dat in artikel 52a
WW is
opgenomen dat artikel 16 WW
- en derhalve de regel "ten minste vijf uren of
ten minste de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek verloren"
- in acht moet worden genomen, staat daaraan niet in de weg. Immers,
bij de tweede werkloosheid heeft betrokkene niet slechts twee, maar 38
arbeidsuren verloren.
Derhalve leidt de
Wet van
22 december 1994, Stb. 1994, 955, ertoe dat naast herleefde rechten op
loongerelateerde uitkering en vervolguitkering nog rechten op kortdurende
uitkering kunnen ontstaan voor minder dan vijf respectievelijk minder
dan de helft van de arbeidsuren per kalenderweek. Dit strookt niet met de
hoofdlijn in de WW dat bij niet-relevante arbeidsurenverliezen geen recht op uitkering
dient te ontstaan. Zoals in het bovenstaande reeds is
gememoreerd, is door in artikel 52a WW
te verwijzen naar artikel 16 WW deze hoofdlijn in de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, ook
nadrukkelijk voor het ontstaan van rechten op kortdurende uitkering van
toepassing verklaard. Daarbij is echter de mogelijkheid dat
bovenbedoelde situatie op kon treden niet onderkend. Bovendien strookt deze
situatie ook niet met het tevens in de Wet van 22 december 1994, Stb.
1994, 955,
opgenomen nieuwe tweede lid van artikel 21 WW. Ingevolge dit lid
kunnen rechten op uitkering van minder dan vijf arbeidsuren per
kalenderweek onder omstandigheden niet herleven.
Ten slotte geldt nog dat
door de in de WW gekozen systematiek voor het berekenen van de
hoogte van rechten, in bovengenoemde situatie voor het kleine aantal
arbeidsuren waarover recht op kortdurende uitkering ontstaat toch
een uitkering kan worden ontvangen van 70% van het minimumloon
(of,
indien dat lager was dan het minimumloon, 70% van het dagloon). Dit is
het geval indien de werknemer zich ter zake van zijn eerste recht nog in
de loongerelateerde fase bevond toen hij weer ging werken. Hij zal dan
bij hernieuwde werkloosheid naast zijn herleefde uitkering ook nog eens
70% van het minimumloon ontvangen (dan wel 70% van zijn dagloon). Al
naargelang de
omstandigheden kan dus ter zake van deze hernieuwde werkloosheid aan uitkeringen tezamen per dag
meer worden ontvangen dan
tijdens de werkperiode per dag werd verdiend.
Het bovenstaande heeft
tot de conclusie geleid dat reparatie noodzakelijk is. Daarom wordt in het
voorliggende wetsontwerp voorgesteld te bepalen dat geen recht
op kortdurende uitkering ontstaat indien tegelijkertijd een recht
ingevolge hoofdstuk IIa WW
herleeft en het recht op kortdurende uitkering
dat zou ontstaan een omvang zou hebben van minder dan vijf en minder
dan de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek. Aangezien
het hier gaat om reparatie van een evident nooit beoogd gevolg van de Wet
van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, wordt voorgesteld deze
wijziging terugwerkende kracht te geven tot en met 1 maart 1995.
2.2.3. Hoogte kortdurende
uitkering indien tevens recht op loongerelateerde
uitkering herleeft of indien tegelijk met het ontstaan van een recht op
loongerelateerde uitkering en vervolguitkering een recht op kortdurende uitkering
herleeft
De in
paragraaf 2.2.2
voorgestelde reparatie zal de situatie dat men ter zake van een tweede of
latere werkloosheid door een combinatie van uitkeringen op grond van hoofdstuk IIa
WW en hoofdstuk IIb
WW meer rblz.|13|
aan uitkering ontvangt
dan men ooit aan loon heeft ontvangen weliswaar minder vaak doen voorkomen, maar toch niet geheel uitbannen. De
voorgestelde wijziging
past immers de berekeningswijze van de hoogte van de uitkering niet
aan. Zonder nadere regelgeving zal men derhalve - indien naast de herleving
een recht op kortdurende uitkering is ontstaan van ten minste vijf uren
per kalenderweek - in de toekomst naast het ingevolge hoofdstuk IIa
herleefde loongerelateerde recht ook nog 70% van het minimumloon
kunnen
ontvangen. Ook dit is ongewenst.
Iets dergelijks kan ook
optreden in het geval waarin een recht op loongerelateerde
uitkering en vervolguitkering ontstaat en gelijktijdig een recht op kortdurende
uitkering herleeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan het volgende geval. Een
werknemer die recht heeft op een kortdurende uitkering voor 40 verloren arbeidsuren vindt na een maand weer werk
voor 40 uur per week. Na
dertien weken te hebben gewerkt, valt hij dertien weken uit om een
ziek familielid te verzorgen. Vervolgens werkt hij weer dertien weken,
waarna hij werkloos wordt. Hij voldoet dan aan de wekeneis. Indien hij ter
zake van deze tweede werkloosheid bovendien aan de jareneis voldoet,
zal een recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering ontstaan
voor 20 uur per week (het GAA is immers 20). Zijn loongerelateerde
uitkering bedraagt 70% van het dagloon. Daarnaast zal de kortdurende
uitkering over 20 uur herleven. De in de WW gekozen systematiek voor het
berekenen van de hoogte van rechten leidt er dan weer toe dat ook voor
deze 20 uur 70% van het minimumloon kan worden ontvangen, hetgeen niet
gewenst is.
Gezien het bovenstaande
wordt voorgesteld in een nieuw vijfde lid van artikel 52i
WW te bepalen
dat de hoogte van de kortdurende uitkering in bovenbedoelde gevallen
gelijk is aan 70% van het geldende minimumloon
(of 70% van het dagloon
indien het dagloon lager was dan het minimumloon), verminderd met de op
hoofdstuk IIa gebaseerde uitkering. Aldus wordt het beste
tegemoet gekomen aan het doel waarmee de kortdurende uitkering bij Wet van 22
december 1994, Stb. 1994, 955, is ingevoerd, te weten: garanderen dat degene die
ter zake van werkloosheid voldoet aan de wekeneis, maar niet aan de
jareneis, recht heeft op een halfjaar WW-uitkering ter hoogte
van 70% van het minimumloon (of van het dagloon indien dat lager
was dan het minimumloon). Indien het loongerelateerde recht
derhalve hoger is dan 70% van het minimumloon, zal er weliswaar recht
bestaan op kortdurende uitkering, maar komt dit recht niet tot
uitbetaling.
Voorgesteld wordt
laatstgenoemde wijziging, hoe ongewenst ook de situatie die zij
repareert, geen terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1995 te geven. Anders dan
in paragraaf 2.2.2 gaat het hier namelijk niet om reparatie van een
evident ongewenst gevolg. In de Wet van 22 december 1994, Stb.
1994, 955,
is er bewust voor gekozen de anticumulatieregeling van artikel 35b
WW slechts betrekking te laten hebben op anticumulatie tussen
minimumloongerelateerde uitkeringen, met als gevolg dat de
mogelijkheid werd opengelaten dat naast een loongerelateerde
uitkering een uitkering van 70% van het minimumloon kon lopen. Deze keuze zag
op de situatie dat iemand uit meerdere, gelijktijdig vervulde
dienstbetrekkingen werkloos wordt. Anders dan in bovenbeschreven
situatie
zal in dergelijke gevallen aan uitkeringen tezamen echter altijd
minder worden ontvangen dan in totaal verdiend is. Dit laat echter onverlet
dat door de gekozen redactie van artikel 35b
WW en de toelichting daarop
wellicht de - onjuiste - indruk kan zijn gewekt dat er bewust voor is gekozen
kortdurende uitkeringen ook in bovenbeschreven situatie ongemoeid te
laten. Met het oog daarop is besloten de betreffende reparatie
in te laten gaan op de dag na uitgifte van het Staatsblad waarin
het
voorliggende wetsvoorstel zal verschijnen.
rblz.|14|
2.2.4. Verlenging
herleefde basisuitkering
Zoals reeds is aangestipt
in paragraaf 2.2.2, is er in de Wet van 22 december 1994,
Stb. 1994, 955,
steeds naar gestreefd te voorkomen dat personen die vanuit een WW-situatie werk aanvaarden bij verlies van dat werk wat betreft
WW-rechten in een ongunstiger positie komen dan personen in een gelijke
situatie die geen werk aanvaarden. Dit heeft ertoe geleid dat in artikel
52b, derde lid, WW is bepaald dat geen recht op kortdurende uitkering
ontstaat voor zover een recht op loongerelateerde uitkering en
vervolguitkering herleeft. Voor het geval betrokkene zich bij de werkaanvaarding in het
laatste halfjaar van zijn vervolguitkering bevond, is daarnaast
bepaald dat de vervolguitkering zodanig wordt verlengd dat bij de latere werkloosheid (ter zake waarvan wel aan de
wekeneis, maar niet aan
de jareneis wordt voldaan) recht bestaat op een halfjaar uitkering op
minimumniveau (artikel 50, derde lid, WW). Samen met de reeds bestaande
herlevingsregeling voor gevallen waarin ter zake van een nieuwe
werkloosheid niet opnieuw aan de wekeneis wordt voldaan, is er voor het
nieuwe systeem een sluitende regeling ontstaan.
Bij het opstellen van de
betreffende regelgeving is echter één merkwaardig
overgangsrechtelijk gevolg over het hoofd gezien. Het gaat hier om het geval waarin
iemand vóór 1 maart 1995, de datum waarop het grootste gedeelte van de
Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, in werking treedt, "slechts" recht
had op een basisuitkering ingevolge de WW zoals deze
vóór die datum
luidde, en na deze datum wederom werkloos wordt. Indien betrokkene ter
zake van de tweede werkloosheid wél aan de wekeneis voldoet, maar
niet aan de jareneis, zal artikel 52b, derde lid,
WW ertoe leiden dat over de
uren waarover de basisuitkering kan herleven geen recht op kortdurende
uitkering ontstaat. Had betrokkene op het moment van
werkaanvaarding nog slechts recht op één week basisuitkering, dan leidt dit ertoe dat
hij na het intreden van de tweede werkloosheid nog slechts
gedurende één week uitkering kan genieten, ter hoogte van 70% van het
(oude) dagloon. Betrokkene was waarschijnlijk beter uit geweest met een
recht op kortdurende uitkering. De langere duur van deze uitkering (een
halfjaar) zal voor betrokkene waarschijnlijk ruimschoots opwegen tegen
het feit dat de uitkering (gewoonlijk) lager is (namelijk 70% van het minimumloon). Aan de andere kant zal een
uitkeringsgerechtigde die
slechts één week van zijn basisuitkering had geconsumeerd toen hij
weer werk vond, bij verlies daarvan waarschijnlijk liever een herleving van
de basisuitkering over 25 weken willen hebben dan een nieuw kortdurend
recht van 26 weken. Om aan alle situaties recht te doen, wordt in het
voorliggende wetsontwerp voorgesteld de regeling ingevolge welke de
basisuitkering herleeft te handhaven, maar daaraan tevens een
verlengingsregeling te koppelen die lijkt op de regeling die is getroffen voor het geval
men in het laatste halfjaar van de vervolguitkering werk hervatte. De
regeling komt erop neer dat de herleefde basisuitkering zodanig
wordt verlengd dat de totale duur waarover men ter zake van de tweede
werkloosheid uitkering kan ontvangen een halfjaar is. De hoogte van de
uitkering gedurende de verlenging is gelijk aan die van de kortdurende uitkering die verkregen zou zijn indien het recht op
basisuitkering niet zou
zijn herleefd. De betreffende bepalingen zijn neergelegd in artikel
XXVI van het voorliggende wetsvoorstel [zie artikel
XXVII van de
wet, red.], dat het overgangsrecht van de Wet
van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, wijzigt.
De voorgestelde wijziging
is een logisch gevolg van de in de Wet van 22 december 1994, Stb.
1994, 955,
gekozen systematiek, welk gevolg in die wet opgenomen zou zijn indien
dit tijdig zou zijn onderkend. De aanpassing kan bovendien slechts
gunstige gevolgen hebben voor uitkeringsgerechtigden. Met het oog daarop wordt
voorgesteld de wijziging terugwerkende kracht te geven tot en
met 1 maart 1995.
rblz.|15|
2.3. Uitbetaling
uitkering aan derden
In zijn advies d.d. 11
december 1991 "Uniforme wettelijke regeling inzake het zonder
machtiging uitbetalen van uitkering aan derden" heeft de toenmalige Sociale
Verzekeringsraad geadviseerd de artikelen in de WAO,
AAW, WW,
Toeslagenwet (TW), Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) met betrekking tot dit
onderwerp te
harmoniseren. Het betreft een harmonisatie van bepalingen die in deze wetten
voorkomen en die betrekking hebben op het zonder machtiging uitbetalen van
een uitkering aan derden. In bovenstaande wetten staat thans een
bepaling die inhoudt dat het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid heeft de
uitkering zonder machtiging van de uitkeringsgerechtigde aan een derde uit te
betalen indien betrokkene is opgenomen in een inrichting ter
verpleging van geesteszieken of zwakzinnigen, of betrokkene op grond van
geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de
uitbetaling van de uitkering. De redactie van de artikelen verschilt op
onderdelen, maar de bedoeling ervan is gelijk.
Bij gelegenheid van de Wet
TAV is de overeenkomstige bepaling in de ZW gewijzigd in die
zin
dat de SVr (thans het Tica) regels kan stellen op grond waarvan de
bedrijfsvereniging bevoegd is om zonder machtiging van de
uitkeringsgerechtigde de uitkering uit te betalen aan door de bedrijfsvereniging aan te
wijzen natuurlijke personen of rechtspersonen. Door deze wijziging is de
regeling in deze wet globaler geworden. De daarvoor expliciet in de
wet genoemde gevallen zijn inmiddels in regels van het Tica (oorspronkelijk
SVr-regels) opgenomen. Deze wijziging in de ZW was voor de SVr
aanleiding te adviseren de betreffende bepalingen in de andere socialeverzekeringswetten analoog aan die in de ZW aan te passen.
Bij nader inzien heb ik
besloten aan het advies van de SVr geen gevolg te geven. Ik ben tot de
conclusie gekomen dat het bij het zonder machtiging uitbetalen van
de uitkering aan een derde om een wezenlijk bestanddeel van de
regeling gaat, dat zich niet leent voor delegatie. Hiermee wordt immers een
uitzondering gemaakt op een fundamentele rechtspositie: de
rechthebbende ontvangt niet waar hij recht op heeft. Door één en ander over te
laten aan uitvoeringsregels wordt aan een wettelijk geregelde
positie afbreuk gedaan. Verder maken uitvoeringsregels de rechtspositie
ondoorzichtig en daarmee rechtsonzeker.
Weliswaar is deze
delegatiebepaling destijds in de ZW opgenomen in het kader van de
herschikking van bevoegdheden in de ZW, doch handhaving daarvan,
zonder doorwerking naar de overige socialeverzekeringswetten, zou
tot gevolg hebben dat de in het SVr-advies bepleite uniforme
regeling voor de uitbetaling van uitkeringen aan derden niet wordt gerealiseerd.
In verband hiermee zal de bij de Wet TAV opgenomen
delegatiebepaling inzake uitbetaling aan derden in artikel
40, eerste lid, van de
ZW weer dienen te vervallen.
Tevens is bezien of de
huidige in de overige socialeverzekeringswetten
voorkomende regeling nog
aanpassing behoeft. De bepaling dat indien een uitkeringsgerechtigde
een eigen bijdrage op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) verschuldigd is, de uitkering tot het bedrag van die eigen
bijdrage zonder machtiging van de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aan de
Ziekenfondsraad kan worden betaald, blijft uit een oogpunt van
financieel beheer en handhaafbaarheid van de bepaling inzake de verschuldigdheid van een eigen
bijdrage gehandhaafd.
Bij de bepaling inzake
uitbetaling aan derden in geval van opname in een inrichting ter
verpleging van geesteszieken of zwakzinnigen of in geval van een geestelijke
stoornis wordt onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde
inrichtingsgevallen en niet-inrichtingsgevallen. Indien de inrichting of de
gemeente
de opnamekosten betaalt, vormt het opgenomen zijn in een
dergelijke inrichting in het voorstel voldoende
rblz.|16|
grond om op verzoek van
die inrichting of die gemeente de uitkering zonder het stellen van
andere voorwaarden aan die inrichting of gemeente betaalbaar te
stellen. In deze gevallen is het niet relevant of de uitkeringsgerechtigde
wegens een geestelijke stoornis al dan niet in staat is zijn belangen
behoorlijk waar te nemen. Eventuele handelingsonbekwaamheid speelt derhalve in geval
van opname in een inrichting geen rol bij uitbetaling
aan derden. Aan deze bepaling liggen soortgelijke overwegingen ten
grondslag als aan de handhaving van de bepaling over betaling van de
verschuldigde eigen bijdrage AWBZ aan de Ziekenfondsraad.
In gevallen waarin een
uitkeringsgerechtigde niet is opgenomen in een zodanige inrichting en
deze wegens een geestelijke stoornis niet in staat is zijn belangen behoorlijk
waar te nemen, ligt het voor de hand zoveel mogelijk aansluiting te
zoeken bij de algemene regeling van de handelingsonbekwaamheid.
Voor degenen die handelingsonbekwaam zijn, is geen specifieke
bepaling over uitbetaling aan derden nodig. Indien een curator of
provisioneel bewindvoerder is benoemd, kan de uitkering aan die curator of
bewindvoerder worden betaald. In verband hiermee kan de in de socialeverzekeringswetten voorkomende bevoegdheid om de uitkering aan derden uit
te betalen in gevallen waarin de uitkeringsgerechtigde op grond van geestelijke
gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de
uitbetaling daarvan, komen te vervallen.
Van de bestaande
bevoegdheid om bij ministeriële regeling andere - specifieke - gevallen
aan te wijzen waarin de uitkering zonder machtiging aan derden kan worden
betaald, is tot nu toe geen gebruik gemaakt. In verband hiermee wordt
voorgesteld deze bepaling te laten vervallen.
De gewenste uniformering
in de ZW, WAO, AAW, WW,
TW,
AOW en AWW is neergelegd in de
artikelen I, onderdeel J, II, onderdeel G en H [zie artikel
II, onderdeel F en G, red.], III,
onderdeel G en H [zie artikel III, onderdeel F
en G, red.], IV,
onderdeel D en E, VII,
onderdeel B en C, VIII,
onderdeel A en B, en IX, onderdeel C en D
[zie artikel IX, onderdeel A en B, red.], van
deze wet.
2.4. Melding
arbeidsongevallen en beroepsziekten
Ter bevordering van de
veiligheid op het werk en de gezondheid van verzekerde werknemers is
in artikel 58 van de ZW
bepaald dat de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid regels kan stellen over het door een werkgever vastleggen
van gegevens inzake bedrijfsongevallen en beroepsziekten en het
verstrekken van inlichtingen daarover door de werkgever aan de
bedrijfsvereniging en door de bedrijfsvereniging aan een bij die regels aan te
wijzen instelling. Ter uitvoering van deze bepaling is in 1967 het Besluit
melding ongevallen en beroepsziekten tot stand gekomen (Stcrt.
1967, 124), ter
vervanging van de tot dan geldende regeling op grond van de
Ongevallenwet.
Op grond van genoemd
besluit is een werkgever in de particuliere sector verplicht om
arbeidsongevallen te melden aan de bedrijfsvereniging waarbij hij is
aangesloten, door middel van een daartoe vastgesteld meldingsformulier. De
bedrijfsvereniging is verplicht dit formulier binnen veertien dagen door te
sturen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De bedrijfsvereniging is
daarnaast verplicht om gevallen van arbeidsongeschiktheid welke naar haar
oordeel
een ziekte of aandoening betreffen die voorkomt op een bij
dit besluit behorende lijst van beroepsziekten, aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid te melden. Voor deze melding is een apart
meldingsformulier vastgesteld.
Naast de ZW kent ook de
Arbeidsomstandighedenwet een regeling inzake de melding van
ongevallen en beroepsziekten.
Op grond van artikel 9,
vierde lid, van die wet is sinds 24 juni 1994 in verband met de uitvoering
van een EG-richtlijn ook een werkgever die rblz.|17|
níét onder de ZW valt
verplicht om arbeidsongevallen schriftelijk te melden aan de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het daartoe vastgestelde
meldingsformulier komt overeen met dat op grond van de ZW.
Artikel 9, zesde lid, van
de Arbeidsomstandighedenwet regelt de melding van
beroepsziekten. Op grond van dit artikellid dient een werkgever, indien is
aangetoond of het vermoeden bestaat dat een werknemer aan een
beroepsziekte lijdt of zijn gezondheid in verband met de arbeid gevaar loopt,
hiervan zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan het districtshoofd
van de Arbeidsinspectie, thans de betreffende regiodirecteur van de
Inspectiedienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(I-SZW).
Ook voor deze melding geldt een apart meldingsformulier, dat
overigens niet verplicht is gesteld. Anders dan het vierde lid inzake de
ongevalsmelding geldt de verplichting betreffende de melding van
beroepsziekten zowel voor werkgevers in de particuliere sector als voor
overheidswerkgevers.
Daarnaast is in artikel
9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet nog de onverwijlde
(telefonische) meldingsverplichting van ernstige ongevallen geregeld.
Evenals de melding met betrekking tot beroepsziekten geldt ook deze
meldingsverplichting voor zowel particuliere als overheidswerkgevers en dient zij gedaan te worden aan de
I-SZW.
De laatstgenoemde
meldingsverplichtingen op grond van artikel 9, eerste respectievelijk
zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet zijn geïntroduceerd in 1980 bij de totstandkoming van
die wet. De belangrijkste reden daarvoor was dat
sedert het vervallen in 1967 van het onderscheid tussen
arbeidsverzuim wegens een arbeidsongeval dan wel ziekte en als gevolg van
de administratieve procedure op grond van de ZW, vertraging in de
meldingen bij de Arbeidsinspectie (I-SZW) bleek te ontstaan, waarin, ondanks
daartoe ondernomen pogingen, onvoldoende verbetering kon worden
gebracht. Ten behoeve van onder meer de inspectietaak werd daarom
een rechtstreekse melding door werkgevers van ernstige ongevallen
en beroepsziekten noodzakelijk geacht. De krachtens de ZW geregelde
meldingsprocedure bleef niettemin gehandhaafd.
Tijdens de Tweede-Kamerbehandeling van het recentelijk van kracht geworden artikel 9,
vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is door de toenmalige Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd dat bij gelegenheid zal
worden bezien op welke wijze en op grond van welke wet een meer geëigende, dat wil
zeggen, integrale regeling
betreffende
ongevalsmeldingen kan worden vormgegeven (Kamerstukken II 19931994, 23 253, nr.
10). Een dergelijke regeling dient dan uiteraard mede de meldingen met betrekking tot beroepsziekten te omvatten.
Gezien de doelstelling
van de onderhavige meldingsverplichtingen, te weten het ten behoeve van
het inspectiebeleid en een op preventie gericht overheidsbeleid
verkrijgen van inzicht in de mate waarin ongevallen en beroepsziekten voorkomen,
alsmede gelet op de voorgenomen privatisering van de ZW, ligt een
dergelijke integrale regeling in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet
het meest voor de hand.
In het advies van de SVr
van 15 december 1994 wordt deze keuze onderschreven. Naar het
oordeel van de Raad kan de thans voor particuliere werkgevers
verplichte melding van ongevallen aan de bedrijfsvereniging op
grond van artikel 58 van de ZW
komen te vervallen indien deze werkgevers
verplicht worden een dergelijke melding op grond van artikel 9, vierde
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet te doen. Alsdan kan ook de
krachtens artikel 58 van de ZW
verplichte melding door de bedrijfsvereniging
vervallen.
Om dit te bewerkstelligen,
wordt daartoe het bij de wijziging van het vierde lid ingevoegde
vijfde lid van artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet geschrapt. In dit
artikellid is namelijk bepaald dat de werkgever rblz.|18|
die op grond van artikel
58 van de ZW
verplicht is tot het doen van aangifte van een ongeval
bij de bedrijfsvereniging dit niet hoeft te doen op grond van artikel 9,
vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.
Teneinde de
bedrijfsvereniging in staat te stellen te beoordelen of bij ziektegevallen als gevolg
van een ongeval, na de tweede of zesde week ziekteverzuim ziekengeld
moet worden uitgekeerd, zal - overeenkomstig het advies van de SVr - aan het thans bestaande meldingsformulier een vijfde doordrukblad worden
toegevoegd dat door de werkgever dan wel
de arbodienst in het
kader van die beoordeling, aan de bedrijfsvereniging moet worden gezonden.
Het voorstel van de Raad
om bij de melding door middel van het meldingsformulier de
invulling van de vermoedelijke verzuimduur te laten geschieden door de
arbodienst wordt niet overgenomen. De verplichting tot het melden van
arbeidsongevallen berust bij de werkgever en het behoort dan ook tot diens
verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de krachtens het
meldingsformulier vereiste gegevens, zoals de vermoedelijke verzuimduur, worden
verstrekt. Het staat de werkgever overigens vrij daarvoor de arbodienst in
te schakelen, doch dit laat zijn verantwoordelijkheid dienaangaande onverlet.
Ten slotte beveelt de
Raad aan om, indien wordt gekozen voor een integrale regeling voor
zowel de melding van arbeidsongevallen als die van beroepsziekten op
grond van de Arbeidsomstandighedenwet, daarin tevens te regelen dat
deze meldingen op één adres worden gedaan.
Naar aanleiding van deze
aanbeveling wordt het volgende opgemerkt.
Zoals hiervoor reeds werd
opgemerkt, ligt het inderdaad in de bedoeling om voor de thans op grond
van de ZW geregelde meldingsverplichtingen één integrale
regeling op grond van artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet te treffen. Naast het
schrappen van artikel 58 van de ZW
dient daartoe met name de in
artikel 9, vierde en vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet neergelegde regeling
inzake de ongevalsmelding te worden aangepast. Voor de
melding van beroepsziekten geldt immers thans al een integrale,
dat wil zeggen op alle werkgevers van toepassing zijnde, regeling op grond
van artikel 9, zesde lid, van die wet. De overeenkomstige
verplichting voor de bedrijfsvereniging op grond van de ZW vormt in dat verband
een dubbele regeling die uit een oogpunt van wetgeving kan worden
gemist.
Wat betreft de procedure
zullen vooralsnog - in afwachting van de ontwikkelingen met
betrekking tot de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet - de thans in dit
artikel geregelde meldingsrouten worden gehandhaafd. Dit
betekent dat ernstige ongevallen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, en
(vermoede) beroepsziekten als bedoeld in (thans) artikel 9, vijfde lid,
van die wet zo spoedig mogelijk (telefonisch) moeten worden gemeld aan de
betreffende regiodirecteur van de I-SZW. Voor de in artikel 9, derde lid,
van die wet genoemde overige ongevallen dient de melding plaats te vinden
bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ter toelichting op dit
onderscheid zij gewezen op het reeds eerder genoemde belang van deze verplichtingen met het oog op zowel de
inspectietaak als de
normstelling op dit terrein.
2.5. Tijdelijke regeling
inkoop arbeidsbemiddeling
Met artikel XXXV van
dit
wetsvoorstel [zie artikel XXXVI van de
wet, red.] wordt de bevoegdheid geïntroduceerd voor bedrijfsverenigingen
om voor moeilijk plaatsbare werkloze werknemers die uitkering
ontvangen op grond van hoofdstuk II of IIa
van de Werkloosheidswet en
niet op grond van artikel 16 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers
reeds behoren tot degenen voor wie de bedrijfsverenigingen mede
tot taak hebben arbeidsbemiddeling uit te oefenen, diensten te
kopen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Of een werkloze werknemer
moeilijk plaatsbaar is, dient te worden bepaald op rblz.|19|
basis van een
gezamenlijke indicatie door de bedrijfsvereniging en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De bedrijfsverenigingen
krijgen een budget toegekend door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming. Uit de tekst van het eerste lid vloeit voort dat de
bedrijfsvereniging het toegekende budget uitsluitend voor de in dit artikel
geregelde doeleinden mag besteden. Het Tica brengt het totale bedrag, dat
per kalenderjaar als aangegeven in dit artikel een verschillende omvang
heeft, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Uitgangspunt is
dat de bedrijfsverenigingen hun budget ook volledig besteden. Dat is
evenwel geen verplichting; de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal voldoende diensten
moeten aanbieden die voldoen aan de door de
bedrijfsverenigingen gestelde eisen. De kosten van beheer en
administratie die de bedrijfsverenigingen maken in
verband met de
dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie komen evenals de kosten
van beheer en administratie voor de uitvoering van de WW
daarnaast ten
laste van het AWf. Het Tica kan de bedrijfsverenigingen regels stellen omtrent de
uitvoering van de in deze bepaling opgenomen bevoegdheid en
omtrent de verdeling van het totale budget over de
bedrijfsverenigingen. Dat deze regels aan ministeriële goedkeuring zijn
onderworpen, houdt verband met de voorgenomen bepaling in de nieuwe
Arbeidsvoorzieningswet waarin de taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
met betrekking tot de inkoop zal worden geregeld. Deze bepaling
zal voorzien in de mogelijkheid van nadere regelgeving bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur. Door middel van de
voorgestelde goedkeuring kan worden voorkomen dat door het Tica te stellen
regels met de eventuele regels op grond van de Arbeidsvoorzieningswet
niet verenigbaar zijn; in verband daarmee zal die goedkeuring zich dan ook
alleen daarop richten.
Deze regeling dient
bezien te worden tegen de achtergrond van de op 22 december 1994 door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met sociale partners
gesloten partijenovereenkomst inzake de hoofdlijnen voor de
toekomst van Arbeidsvoorziening. Onderdeel van de overeenkomst is een
meerjarig begrotingskader voor de periode van 1995 tot en met 1999, waarin
rekening is gehouden met de vermindering van de rijksbijdrage aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zoals vermeld in het regeerakkoord. In het
begrotingskader is voorzien in een bescheiden vorm van
contractfinanciering. Met betrekking tot de bedrijfsverenigingen is daarbij uitgegaan van
inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor bepaalde bedragen.
2.6. Afschaffing
overgangsrecht kinderbijslag voor kinderen van 18 jaar of ouder
De afschaffing van het kinderbijslagrecht voor 18-plussers is vastgelegd in het regeerakkoord 1995-1998.
De afschaffing was in eerste instantie opgenomen in het
wetsvoorstel tot wijziging van onder meer de Wet
op de studiefinanciering en
de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met
de invoering van de prestatiebeurs, de vorm van de toelage en de
leeftijd waarop aanspraak op studiefinanciering
in het hoger onderwijs
ontstaat (hierna te noemen: Prestatiebeurs) (Kamerstukken II 1994-1995,
24 094). Dat wetsvoorstel werd echter door de Eerste Kamer
verworpen. De inwerkingtreding van een nieuw wetsvoorstel
Prestatiebeurs wordt niet eerder dan per 1 september 1996 voorzien.
Het kabinet acht het
echter mogelijk en vanuit budgettair oogpunt wenselijk de afschaffing
van het overgangsrecht AKW eerder te realiseren. Om deze reden wordt
thans, los van de Prestatiebeurs, een daartoe strekkend voorstel
ingediend.
Het kabinet stelt thans
voor het overgangsrecht af te schaffen per 1 januari 1996. Naar
aanleiding van het advies van de Raad van State
op rblz.|20|
het wetsvoorstel
Prestatiebeurs en de parlementaire behandeling daarvan heeft het kabinet echter
besloten voor die rechthebbenden die op 1 oktober 1995 een
opleiding volgen, voor de duur van die opleiding het overgangsrecht te laten
bestaan (de zogenaamde eerbiedigende werking).
Het overgangsrecht
AKW is
in 1986 bij de invoering van de Wet
op de studiefinanciering (WSF) (Stb.
1991, 112)
getroffen. Bij de Wet van 4 december 1991, Stb. 1991, 669, is dit overgangsrecht overgeheveld naar de AKW zelf.
Op grond van het
overgangsrecht AKW bestaat, onder voorwaarden, recht op kinderbijslag
voor de ouders van:
a. kinderen van 18 tot 25 jaar die studeren of onderwijs volgen, maar niet vallen onder de
werkingssfeer van de WSF;
b. werkloze
schoolverlaters van 18 tot 21 jaar gedurende de wachttijd voor een Rww-uitkering
[Rww: Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, red.] dan wel gedurende de zoektijd in het kader van de
Jeugdwerkgarantiewet (JWG);
c. kinderen van 16 tot 25
jaar die meer dan de helft van de voor werkzaamheden beschikbare
tijd besteden aan het verzorgen van het huishouden van de
verzekerde.
De kinderen moeten
geboren zijn vóór 1 oktober 1986.
In beginsel zou dit
overgangsrecht eerst in het jaar 2011 uitgewerkt zijn.
In dit wetsvoorstel wordt
de werking met ingang van 1 januari 1996 beëindigd (met
uitzondering voor de categorie studerenden voor wie over het vierde kwartaal 1995
reeds recht bestaat op kinderbijslag, waarover hieronder meer).
Overweging voor de
afschaffing is dat het veelal onderwijs betreft ten aanzien waarvan geen
kwaliteitsbewaking door of onder auspiciën van de onderwijsinspectie
plaatsvindt. Voorts wordt onwenselijk geacht dat twee regelingen voor
studerenden van 18 jaar of ouder naast elkaar bestaan (namelijk AKW en
WSF).
Voor de werkloze schoolverlaters en huishoudkinderen wordt het recht op
kinderbijslag definitief beëindigd met ingang van 1 januari 1996 (of
zoveel later als de Algemene bijstandswet (Abw) in werking treedt). Deze
werkloze schoolverlaters en huishoudkinderen vanaf 18 jaar komen per die
datum onder het regime van de Abw te vallen. Voor de werkloze
schoolverlaters (gemiddeld op jaarbasis 5500 jongeren, met pieken in het derde en
vierde kwartaal van respectievelijk 10 000 en 8000 jongeren) geldt nu nog
een wachttijd van een halfjaar in het kader van de Rww. Deze wachttijd komt
te vervallen nu deze jongeren direct recht op bijstand krijgen. De
normbedragen voor jongeren in de nieuwe Abw zijn gebaseerd op de huidige
kinderbijslagbedragen. Hiermee wordt bereikt dat er enerzijds sprake
is van een goede afstemming met de beloningsniveaus in de voorbereidingsfase
van de JWG en anderzijds blijft onverminderd sprake van
de ouderlijke onderhoudsplicht.
Met het laten vervallen
van de wachttijd Rww wordt in enige mate afbreuk gedaan aan het
uitgangspunt dat het slechts in uitzonderingssituaties mag voorkomen dat
jongeren een beroep op de bijstand moeten doen. Vanuit het
perspectief van de arbeidsinschakeling zijn er echter ook voordelen verbonden aan
de onmiddellijke toegang tot de bijstand. Immers gemeente en
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn dan direct in staat in te spelen op de
mogelijke arbeidsproblemen van de betrokkene en kunnen zonder enige
vertraging de eventueel noodzakelijke activiteiten ondernemen om een
mogelijk gebrek aan kwalificaties te verhelpen.
Met betrekking tot de
huishoudkinderen (circa 200 jongeren, waarvan een deel in het
buitenland) kan het volgende worden opgemerkt. De in Nederland woonachtige
jongeren vanaf 18 jaar krijgen in principe recht op bijstand. Uiteraard geldt
ook voor hen de normale verplichting om beschikbaar te zijn voor
de arbeidsmarkt. Het is aan de gemeente om te beoordelen of het
betreffende huishoudkind op grond van sociale omstandigheden ontheffing
kan krijgen van deze verplichting. Op de rblz.|21|
huishoudkinderen van 16
en 17 jaar is de bijstand niet van toepassing. Verder is ervan afgezien
voor deze categorie huishoudkinderen een aparte faciliteit in de AKW
te scheppen vanwege het anti-emancipatoire effect dat hiervan zou
uitgaan. De Sociaal-Economische Raad (SER) heeft in een advies ter zake
van 19 november 1982 hierover al eens als mening uitgesproken dat het
recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen niet in overeenstemming is te
brengen met de doelstelling van de kinderbijslagwetgeving, te weten het bevorderen
van gelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden van kinderen.
Het
aantal studerenden
van 18 jaar of ouder waarvoor recht op kinderbijslag
bestaat,
bedraagt circa 35 000 en vormt hiermee de omvangrijkste groep. Het
gaat om studerenden die studeren aan niet-bekostigde, niet-erkende of niet-aangewezen onderwijsinstellingen en
die derhalve niet in
aanmerking komen voor studiefinanciering. Het betreft onderwijs ten
aanzien waarvan niet is geregeld dat er een kwaliteitsbewaking is
door of onder auspiciën van de onderwijsinspectie. Voorts is er vaak geen
sprake van een voldoende duur van de opleiding (de bodem in de WSF
is
één jaar). Als voorbeelden kunnen worden genoemd de opleidingen in
het kader van het leerlingwezen, preklinische opleidingen voor
verpleging en sommige opleidingen van de Open Universiteit. Voorts
worden tot deze categorie gerekend de studerenden die in het buitenland studeren,
voor zover zij niet studeren aan voor de
WSF erkende
onderwijsinstellingen (circa 13 500 jongeren).
Voor deze categorie
studerenden wordt het kinderbijslagrecht eveneens beëindigd, met dien
verstande dat diegenen voor wie over het vierde kwartaal van 1995 reeds recht
bestond op kinderbijslag dit recht behouden, zolang de studie die zij
toen volgden, duurt en voor zover voldaan blijft worden aan de overige
voorwaarden van de AKW.
Dit voorstel voor
eerbiedigende werking komt in de plaats van het overgangsarrangement,
zoals dat was opgenomen in het wetsvoorstel Prestatiebeurs. Dit
arrangement betrof het laten doorlopen van enkelvoudig recht op kinderbijslag
voor de duur van twee respectievelijk drie jaar voor studerenden in
het leerlingwezen respectievelijk overige studerenden. Dit
arrangement voorkwam inkomensgevolgen voor ouders van kinderen met lage
inkomens met recht op enkelvoudige kinderbijslag. Echter voor anderen
betekende dit arrangement een verslechtering ten opzichte van de
forfaitaire kinderaftrek in de sfeer van de loon- en inkomstenbelasting. Dit
zou met name gelden voor diegenen die aanspraak zouden kunnen
maken op tweevoudige of drievoudige aftrek. Met het thans in
dit
wetsvoorstel opgenomen overgangsarrangement worden dergelijke
effecten voorkomen en behoudt iedere studerende (althans de ouders) waar
hij/zij recht op had.
In het advies van de
Raad van State (d.d. 13 februari 1995, nr. W05.94.0753) op
eerder genoemd wetsvoorstel Prestatiebeurs drong de Raad ook aan op het
opnemen van een overgangsregeling. Gesteld kan dan ook worden dat met de
inhoud van het thans voorliggende wetsvoorstel wordt
tegemoet gekomen aan het advies van de Raad op dit punt.
Volledigheidshalve moet
met betrekking tot de studerenden nog worden opgemerkt dat
voor hen die niet onder het overgangsbepaling vallen de fiscale
faciliteit van aftrek wegens buitengewone lasten openstaat. Recht op
bijstand bestaat in principe niet. Alleen als sprake is van als noodzakelijk
aangemerkte scholing voor de inschakeling in de arbeid, kan dit met
behoud van een bijstandsuitkering worden gevolgd.
rblz.|22|
2.7. Proefplaatsing
In het
wetsvoorstel tot
wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten
(Wet afschaffing malus en
bevordering reïntegratie; Kamerstukken 24 221; ook wel afgekort
als Wet Amber) is een aantal reïntegratiemaatregelen voor personen met een
arbeidshandicap opgenomen. Eén van die reïntegratiemaatregelen
betreft het instrument van proefplaatsing, neergelegd in het
voorgestelde artikel 63 WAO. In dit artikel wordt het de werknemer die zowel
WW-
als AAW/WAO-gerechtigd is mogelijk gemaakt om zonder inkomensverlies
gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden
te verrichten bij een werkgever. Aangezien de WW-uitkering eindigt
zodra met de werkzaamheden wordt begonnen, voorziet het artikel in
een bevoegdheid voor de bedrijfsverenigingen een zogenaamde reïntegratie-uitkering
toe te kennen. In het algemeen is de hoogte daarvan gelijk aan
de hoogte van de WW-uitkering die zou zijn verstrekt indien de
onbeloonde werkzaamheden niet zouden zijn verricht, inclusief
vakantiebijslag.
In het
in de Wet Amber
voorgestelde tweede lid van artikel 63 WAO
is bepaald dat de bedrijfsvereniging
een verzoek tot toekenning van een reïntegratie-uitkering niet in behandeling neemt
indien tussen de indiening van het verzoek en de voorgenomen
aanvang van de onbeloonde werkzaamheden een periode van minder
dan vier weken ligt. Voor deze - tamelijk lange - periode is gekozen om te
bewerkstelligen dat de bedrijfsverenigingen redelijkerwijs op de
aanvraag hebben kunnen beslissen vóór de geplande aanvang van het werk.
Immers, komt de beslissing later en besluit de werknemer maar alvast met
het werk te beginnen, dan eindigt zijn WW-uitkering, terwijl hij
het risico loopt dat de reïntegratie-uitkering niet wordt toegekend. Hij kan
dan een aanzienlijk inkomensverlies leiden. Om dit risico voor de
werknemer zoveel mogelijk uit te sluiten, is in bovengenoemd wetsvoorstel een
aanvraagtermijn van ten minste vier weken neergelegd. De
verwachting was dat de bedrijfsverenigingen binnen deze termijn in staat zouden
zijn te beslissen.
In de bijlage bij het op
21 juni 1995 ontvangen technisch commentaar op het wetsvoorstel Wet
Amber wijst het Tica erop dat de aanvraagtermijn van vier weken te belemmerend
werkt voor een adequaat en efficiënt proefplaatsingsbeleid,
aangezien werkgevers veelal snel werknemers nodig hebben. Zij zullen
niet altijd (maximaal) vier weken kunnen wachten. Omdat het
kabinet een ruim toekenningsbeleid voorstaat, hoeft de beoordeling, aldus het
Tica, ook niet zo lang te duren. Het Tica pleit dan ook voor een flexibele
aanvraagprocedure voor de reïntegratie-uitkering, waarbij het in principe
mogelijk moet zijn om uiterlijk drie dagen vóór de geplande aanvang van de
werkzaamheden een reïntegratie-uitkering aan te vragen. Desgevraagd is
later medegedeeld dat de tijd die nodig is voor het nemen van een
beslissing tussen enkele dagen en vier weken zal liggen, waarbij in het
algemeen toch wel rekening zal moeten worden gehouden met een termijn
van twee weken.
Zoals in het bovenstaande
reeds vermeld, is bij het opstellen van artikel 63
WAO onderkend dat een
termijn van vier weken aan de lange kant was, maar koos men daar toch
voor, omdat verwacht werd dat de bedrijfsverenigingen rond de vier weken nodig
zouden hebben om over toekenning van een reïntegratie-uitkering
te beslissen. Nu blijkt dat de bedrijfsverenigingen naar verwachting veelal
binnen een kortere periode kunnen beslissen, zal de
aanvraagtermijn van vier weken vaak onnodig lang zijn. Omdat aan de andere kant
(nog) niet zeker is hoe vaak de bedrijfsverenigingen toch een termijn van
langer dan twee weken nodig blijken te hebben, wordt in het
voorliggende wetsontwerp voorgesteld het tweede lid van artikel 63
WAO zo
aan te passen dat de bedrijfsverenigingen rblz.|23|
bevoegd zijn een aanvraag
niet in behandeling te nemen indien deze binnen vier weken vóór de
geplande aanvang van de werkzaamheden wordt ingediend en de
periode tussen de aanvraag en de geplande aanvangsdatum naar hun
oordeel te kort is om tot een besluit te komen. De verplichting om de
aanvraag niet te behandelen, komt daarmee te vervallen.
De bedrijfsvereniging mag
een aanvraag ingediend bijvoorbeeld twee weken vóór de geplande
aanvang van de werkzaamheden dus weigeren te behandelen indien zij
verwacht dat voor het nemen van het gevraagde besluit meer dan twee
weken nodig is. Met het oog op het risico dat de werknemer anders loopt,
ligt het in dat geval ook in de rede dat een dergelijke weigering
plaatsvindt. Overigens kunnen uiteraard ook andere wegen worden bewandeld,
bijvoorbeeld het (laten) nagaan of het niet mogelijk is de geplande aanvangsdatum met enkele dagen of weken te
verschuiven. Bepaald is
dan ook dat de bedrijfsvereniging het voornemen om een verzoek niet in
behandeling te nemen onverwijld mededeelt aan de indiener van het verzoek en dat deze in de gelegenheid wordt gesteld
het verzoek aan te
passen. Is het ondanks alles niet mogelijk om een beslissing af te geven
vóór de aanvangsdatum en hecht de werknemer groot belang aan de
proefplaatsing, dan zou een alternatief voor het niet in behandeling nemen van
een aanvraag nog kunnen zijn de aanvraag toch te behandelen en de
werknemer te laten starten met de werkzaamheden. In dat geval dient de
werknemer echter uitdrukkelijke medegedeeld te worden dat zijn WW-uitkering eindigt en dat hij het risico loopt dat op zijn aanvraag
negatief wordt beslist, in welk geval hij geen reïntegratievergoeding
ter vervanging van zijn WW-uitkering zal ontvangen.
3. Gevolgen voor de
positie van vrouwen
Het voorstel van wet
bevat geen specifieke negatieve of positieve consequenties ten aanzien
van de inkomenspositie van vrouwen.
4.
Financiële
consequenties van de voorgestelde wijzigingen
4.1. Wijzigingen ZW
De wijzigingen in de
ZW die in de paragrafen 2.1.2 tot en met 2.1.4 zijn toegelicht, betreffen
reparaties van wetten die voor de praktijk geen of nauwelijks
financiële
gevolgen zullen hebben dan wel reparaties waarvan de financiële effecten
reeds in de ramingen van de Wet TZ waren opgenomen. Het opnemen van het begrip
"ongeschiktheid tot werken wegens ziekte"
door middel van het
opnemen van de in paragraaf 2.1.2 genoemde zinsnede heeft geen
gevolg aangezien dit element van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de
praktijk op grond
van jurisprudentie bij de beoordeling of een
verzekerde ongeschiktheid is in de zin van de ZW reeds werd gehanteerd. De
raming van de premie van de vrijwillige verzekering was reeds in
de ramingen opgenomen zoals die nu wordt gerepareerd in paragraaf
2.1.3. Paragraaf 2.1.4 heeft geen financiële gevolgen. Het betreft
hier slechts het schrappen van de mogelijkheid van het verlenen van
toestemming tot hogere premie-inhouding ZW, van welke mogelijkheid thans
geen gebruik meer wordt gemaakt. Deze bepaling hield in dat de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de mogelijkheid had in
verband met het verzekeren van bovenwettelijke aanvullingen op grond van
artikel 57 van de ZW bij de bedrijfsvereniging, aan de werkgever
toestemming te verlenen tot een hogere premie-inhouding dan het werknemersdeel
voor het wettelijk ziekengeld. Bij de Wet TZ is die
mogelijkheid tot verzekering bij de bedrijfsvereniging van bovenwettelijke
uitkeringen komen te vervallen.
rblz.|24|
4.2. Wijziging
overgangsregeling Wet TBA
De financiële gevolgen
van de voorgestelde wijzigingen zijn marginaal. Uitbreiding van de overgangsbepalingen voor toenmalige uitkeringsgerechtigden
zal in de praktijk geen
grote aantallen betreffen; bovendien bestaan de meeruitgaven
uit het verschil tussen de oude uitkeringshoogte en de nieuwe uitkeringshoogte, met andere woorden het
WAO-gat. Ook
dit verschil zal in veel
gevallen niet om grote bedragen gaan. Per saldo zullen de meeruitgaven
als gevolg van deze wijziging zeer gering zijn.
Hetzelfde geldt voor de
verruiming van het overgangsrecht met betrekking tot de
anticumulatieregeling. Naar verwachting zal het hier niet om een grote groep
personen gaan; hier geldt bovendien dat de meeruitgaven ontstaan
door een verschil in oude en nieuwe verrekening van inkomsten en
uitkering en dit gedurende een korte overgangsperiode. Per saldo zullen
nauwelijks meeruitgaven optreden.
Beide uitbreidingen zijn
overigens al eerder toegezegd en in de ramingen verwerkt.
4.3. Invoering regresrecht
werkgever
Invoering van het
regresrecht voor werkgevers heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting
en/of de wettelijke sociale fondsen. Het gaat immers om het toekennen
van regres met betrekking tot uitkeringen/uitgaven die voor
rekening van de werkgever komen. In die zin betekent regresrecht een
herverdeling van lasten binnen het particuliere bestel.
4.4. Wijzigingen WW
De wijzigingen in de
WW die in de paragrafen 2.2.2 en 2.2.3 zijn toegelicht, betreffen
reparaties van ongewenste gevolgen die bij het opstellen van de Wet van
22 december 1994, Stb. 1994, 955, niet waren voorzien. Bijgevolg is er
in de berekening van de financiële effecten van de in de
Wet van 22
december 1994 neergelegde maatregelen geen rekening mee gehouden. De paragrafen 2.2.2 en
2.2.3 neergelegde reparaties zullen ten
opzichte van de eerder gepresenteerde cijfers dan ook geen financieel
effect hebben.
Bij de in
paragraaf 2.2.4
beschreven maatregel ligt dit anders. De daarin vervatte verlenging van
de basisuitkering indien men ter zake van een na 1 maart 1995 opgetreden
werkloosheid wederom werkloos wordt en ingevolge de nieuwe
werkloosheid wel aan de wekeneis, maar niet aan de jareneis voldoet, zal
over de jaren 1995 tot en met 1998 leiden tot een besparingsverlies in de
WW. Ten opzichte van de financiële gevolgen van de
Wet van 22 december
1994 gaat het om een besparingsverlies van circa ƒ14,1 mln in 1995, voor
1996 van circa ƒ8,5 mln, voor 1997 van circa ƒ4,2 mln, dalende tot
circa ƒ1,4 mln in 1998. Aangezien het om een maatregel van
overgangsrecht gaat, zal structureel (vanaf 1999) geen financieel effect
optreden.
Aan de berekening van het
financieel effect liggen de volgende elementen ten grondslag:
1. De verlenging van de
basisuitkering bij herleving heeft vooral consequenties voor
werknemers van tussen de 15 en 30 jaar.
2. Het verschil tussen
gemiddelde daguitkering op grond van het minimumloon en de
gemiddelde loongerelateerde daguitkering is ƒ12,96.
3. Op het moment van
herleving heeft men gemiddeld nog veertien weken recht op basisuitkering.
4. Jaarlijks hervatten
ongeveer 155 000 mensen in de leeftijdscategorie 15 tot 30 jaar het werk
terwijl zij nog in de basisuitkering zitten.
rblz.|25|
Op
grond hiervan en van
de veronderstelling dat van de eerder genoemde groep van 155
000 personen 20% (slechts) recht had op de basisuitkering welke
uitkering later herleeft, is berekend dat over de periode 1995 tot en met
1998 in totaal een besparingsverlies optreedt van circa ƒ28,2 mln.
Uitgaand van het feit dat
het zwaartepunt van deze uitgaven in 1995 ligt en dat de uitgaven in de
jaren tot en met 1998 een dalend verloop kennen, zijn de eerder genoemde
bedragen (circa ƒ14,1 mln in 1995, dalende tot circa ƒ1,4 mln in 1998)
berekend.
4.5. Tijdelijke regeling
inkoop arbeidsbemiddeling
Zoals in paragraaf 2.5 al
is vermeld, heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 22
december 1994 met sociale partners een partijenovereenkomst
gesloten inzake de hoofdlijnen voor de toekomst van Arbeidsvoorziening.
Onderdeel van de
overeenkomst is een meerjarig begrotingskader voor de periode van 1995 tot
en met 1999, waarin rekening is gehouden met de vermindering van de
rijksbijdrage aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zoals vermeld in het
regeerakkoord. In het begrotingskader is voorzien in een bescheiden vorm van
contractfinanciering. Met betrekking tot de bedrijfsverenigingen is
daarbij uitgegaan van inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
voor de volgende bedragen:
voor het kalenderjaar
1995: ƒ15 000 000,-;
voor het kalenderjaar
1996: ƒ35 000 000,-;
voor het kalenderjaar 1997: ƒ45 000 000,-;
voor het kalenderjaar
1998: ƒ50 000 000,-; en
voor het kalenderjaar
1999: ƒ50 000 000,-.
4.6. Afschaffing
overgangsrecht kinderbijslag voor kinderen van 18 jaar of ouder
a. Budgettaire gevolgen
De door
het onderhavige
wetsvoorstel optredende financiële effecten worden weergegeven in onderstaande tabel. In deze tabel duidt een
negatief getal op een
verlaging van de uitgaven voor de rijksbegroting. De financiële effecten
zijn op kasbasis.
Tabel financiële
effecten afschaffing AKW voor 18-jarige of oudere kinderen
(x miljoen gulden):
| xxxxxxxxxxxxx |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
| AKW |
–70 |
–135 |
–160 |
–160 |
–155 |
| ABW |
x23 |
xr23 |
xr23 |
xr23 |
xr23 |
| Totaal |
–47 |
–112 |
–137 |
–137 |
–132 |
In de cijferreeks voor de
AKW is rekening gehouden met de kosten van de eerbiedigende werking.
De met het wetsvoorstel optredende financiële effecten bereiken
daardoor pas in 1999 de maximale omvang. Tevens is rekening gehouden met het
feit dat in het eerste kwartaal van 1996 nog geen besparing optreedt, vanwege de vertraging met
één kwartaal in de
uitbetaling van de AKW
(in het eerste kwartaal van 1996 worden AKW-uitkeringen uitbetaald waarover
gedurende het vierde kwartaal van 1995 recht bestaat). Ten slotte zij opgemerkt dat de structurele opbrengst van
rblz.|26|
dit wetsvoorstel nihil
is. De AKW-18-plus-wetgeving is zelf immers al overgangswetgeving.
De in bovenstaande tabel
weergegeven financiële effecten hebben betrekking op drie
categorieën AKW-gerechtigden van 18 jaar of ouder, te weten studerenden,
schoolverlaters en huishoudkinderen. De groep studerenden is
kwantitatief de grootste; dit betreft naar raming in 1996 circa 35 000 mensen. De
geraamde volumina voor de groepen schoolverlaters en huishoudkinderen zijn
5500 respectievelijk 200.
b. Financiële gevolgen
voor de burger
Het wetsvoorstel heeft
geen inkomenseffecten voor burgers tot gevolg, omdat bestaande
rechthebbenden hun rechten ongewijzigd behouden tot zij niet langer aan de
voorwaarden voor de kinderbijslag voldoen,
bijvoorbeeld vanwege het
beëindigen
van de studie of het bereiken van de maximumleeftijd.
Voor nieuwe
rechthebbenden treden geen directe financiële effecten op. Wel zal hun
financiële
positie een andere zijn dan die van de huidige rechthebbenden. Hierna
worden de huidige kinderbijslagbedragen voor deze categorie
weergegeven. Vervolgens wordt voor de verschillende groepen weergegeven op
welke manier de forfaitaire buitengewonelastenaftrek uitpakt. Het
verschil tussen ongewijzigde kinderbijslag en de forfaitaire buitengewonelastenaftrek is afhankelijk van een drietal factoren, te weten:
- het aantal kinderen
in het gezin waarvoor recht op kinderbijslag bestaat;
- het inkomen van de ouder(s);
- het
kinderbijslagrecht voor het betreffende kind (enkelvoudige of meervoudige
kinderbijslag).
Kinderbijslagbedragen bij
ongewijzigd beleid (bedragen 1995, 100%-niveau):
| Enkelvoudige
kinderbijslag |
| Eén telkind |
ƒ1626,- |
| Twee telkinderen |
ƒ1896,- |
| Drie telkinderen |
ƒ1986,- |
| Tweevoudige kinderbijslag |
| Twee telkinderen |
ƒ3793,- |
| Drie telkinderen |
ƒ3972,- |
| Vier telkinderen |
ƒ4334,- |
| Drievoudige kinderbijslag |
| Drie telkinderen |
ƒ5959,- |
| Vier telkinderen |
ƒ6501,- |
| Vijf telkinderen |
ƒ6825,- |
rblz.|27|
Forfaitaire buitengewonelastenaftrek en bijbehorend
belastingvoordeel
(bedragen 1995):
| Enkelvoudig
(1 x kinderbijslag)
ƒ2700,- |
eerste schijf:
ƒ1017,-xxx
tweede schijf: ƒ1350,-xxx
derde schijf: ƒ1620,-xxx |
| Grotendeels (2 x
kinderbijslag) ƒ5400,- |
eerste schijf:
ƒ2033,-xxx
tweede schijf: ƒ2700,-xxx
derde schijf: ƒ3240,-xxx |
| Nagenoeg geheel (3 x
kinderbijslag) ƒ8100,- |
eerste schijf:
ƒ3050,-xxx
tweede schijf: ƒ4050,-xxx
derde schijf: ƒ4860,-xxx |
Uit bovenstaande cijfers
blijkt dat de financiële effecten voor de burgers, afhankelijk van
de bovengenoemde factoren, kunnen variëren tussen
circa ƒ600,- en ƒ3750,- per kind per jaar.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
(ZW)
Onderdeel A
Zoals in
paragraaf
2.1.2 van
het algemeen deel van de toelichting reeds is gesteld, acht het kabinet
het wenselijk dat het element "ziekte of gebreken" in de ZW
op
dezelfde wijze wordt gedefinieerd als in de AAW
en de WAO. Dit onderdeel
strekt daartoe. Opgemerkt wordt nog dat toevoeging in de ZW van
de zinsnede "als rechtstreeks gevolg van objectief medisch vast te
stellen ziekte of gebreken" niet volledig nodig is. In de voorgestelde
wijziging van artikel 19, eerste lid, van de ZW ontbreekt de toevoeging
"of gebreken". Op grond van artikel 19, derde lid, onderdeel b, worden voor
de toepassing van de ZW onder ziekte immers mede gebreken verstaan.
Onderdeel B,
onderdeel D, onder 1, en artikel XXXI
[zie art. XXXII van de
wet, red.]
Bij artikel 136 van de
Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is onder meer
in artikel 29, achtste lid, van de ZW alsmede in
artikel 30,
eerste en vierde lid, onderdeel c, van die wet "geneeskundige" vervangen door arts.
Bij de Wet TZ is verzuimd
dit artikel aan te passen. De inhoud van artikel
29, achtste lid, is sinds
de Wet TZ opgenomen in artikel 29a, tweede lid. Tevens komt in
artikel 30
van de ZW, zoals dit artikel thans luidt, het woord
"geneeskundige"
niet meer voor. Bij dat artikel zijn ook de onderdelen c en e van
artikel 44 van de ZW gewijzigd. Dit had moeten zijn de onderdelen
c en e van
het eerste lid van
artikel 44. In het voorstel van Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken 23 909) is de inhoud van
het huidige artikel 44, eerste lid, onderdeel c,
ondergebracht in artikel 45, eerste lid, onderdeel a, van de ZW. De wijziging van
artikel 44, eerste lid, onderdeel e, is voorts alsdan niet meer nodig, omdat de
term "geneeskundige" in het nieuwe artikel
45, eerste lid, onderdeel
c,
niet meer voorkomt. Uitsluitend in de artikelen 28 en
29a van de ZW
dient
deze term nog te worden vervangen. Hoewel in de inwerkingtreding van artikel 136 van de
Wet
BIG eerst op een later
tijdstip zou worden
voorzien, ontmoet het geen bezwaar dat het woord "geneeskundige" reeds
thans in de ZW vervangen wordt door "arts". In
rblz.|28|
onderdeel B en in onderdeel
D, onder 1, is deze wijziging in
artikel 28 onderscheidenlijk
artikel
29a, tweede lid, van de ZW aangebracht. In verband hiermee kan
artikel 136 van de Wet
BIG in zijn geheel vervallen. Hierin voorziet artikel
XXXI [zie artikel XXXII van de
wet, red.]. Voorts is artikel 29a, tweede lid, van de ZW
nog op een ander punt
gewijzigd. In artikel 29, tweede lid, van de ZW is
vastgelegd dat het
ziekengeld wordt uitgekeerd over iedere dag van de ongeschiktheid tot
werken, doch niet over de zaterdagen en de zondagen. De toevoeging
"doch niet
over de zaterdagen en de zondagen" ontbreekt in artikel 29a, tweede
lid, waarin het recht op ziekengeld in verband met bevalling is geregeld.
Deze toevoeging is eveneens in onderdeel D, onder 1, in
artikel 29a, tweede
lid, van de ZW opgenomen.
Onderdeel C, onder 1 en
3
[onder 3 is vervallen, red.]
Tussen de loonbegrippen
zoals die zijn opgenomen in artikel 29 en artikel 60 van de ZW
is
een verschil in definiëring geconstateerd. Daarbij gaat het om het door de
werkgever betaalde loon en de gemiddelde loonsom. In artikel 60
van de ZW is aangegeven dat beide begrippen worden berekend met
toepassing van het maximumdagloon op grond van artikel
9, eerste
lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV). In
artikel 29, vijfde
lid, van de ZW is dit slechts aangegeven voor de gemiddelde loonsom.
Gezien het vorenstaande ligt het voor de hand om ook ten aanzien van het
begrip "door de werkgever betaalde loon" in artikel
29, vijfde lid,
van de ZW op te nemen dat dit begrip wordt berekend met toepassing
van het maximumdagloon op grond van artikel 9, eerste lid, van de
CSV. De eerste aan het vijfde lid van artikel
29 van de
ZW toegevoegde volzin
strekt hiertoe.
De tweede volzin, die is
toegevoegd aan genoemd vijfde lid (onderdeel B, onder 1 [onderdeel C, onder 1,
red.]), alsmede
aan het elfde lid (onderdeel B, onder 3 [onderdeel C, onder 3
(vervallen), red.]), strekt ertoe bij het
bepalen van het door de werkgever betaalde loon en de gemiddelde loonsom het
loon van degene wiens arbeidsverhouding op grond van de artikelen 4
of 5, met uitzondering van de dienstbetrekkingen in de zin van de Wet
Sociale Werkvoorziening (WSW), als dienstbetrekking wordt beschouwd, buiten
beschouwing te laten. De reden hiervoor is de volgende. In het zesde
lid van artikel 29 van de ZW is
geregeld dat het ziekengeld van degene
wiens arbeidsverhouding ingevolge de artikelen 4 en
5 van de ZW
als
dienstbetrekking wordt beschouwd, wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken, in plaats van na zes c.q. twee weken.
Zonder nadere voorziening
wordt het loon van deze verzekerden betrokken bij het bepalen
van de loonsom van de werkgevers voor zover zij geacht worden tot die
werkgever in dienstbetrekking te staan. Dit betekent dat het loon van
deze verzekerden mede de bedrijfsgrootte bepaalt en dus ook
medebepalend is voor het feit of werkgevers van deze verzekerden een wachttijd
van twee of zes weken moeten toepassen voor hun werknemers die op
grond van de hoofdregel neergelegd in artikel 3 van de ZW tot hem in
dienstbetrekking staan. Met de hier aan de orde zijnde wijzigingen wordt
de inconsistentie dat de hier bedoelde verzekerden niet onder de twee/zes-wekenmaatregel vallen, maar wel worden meegerekend bij de
bepaling van de grootte van de werkgever en het bedrag van de gemiddelde
loonsom, weggenomen.
Onderdeel C, onder
2, en onderdelen O en P
In
paragraaf 2.1.3 van het
algemeen deel van de toelichting is reeds aangegeven dat het
zuiverder wordt geacht artikel 29, zesde lid, van de ZW,
welk lid als enige
bepaling over de vrijwillige verzekering in het hoofdstuk over de
verplichte verzekering is opgenomen, over te brengen naar het hoofdstuk over
de vrijwillige verzekering (artikel 70). De in onderdeel C, onder
2, en onderdeel P voorgestelde wijzigingen strekken
rblz.|29|
daartoe. Voor een
toelichting op onderdeel O moge eveneens worden verwezen naar paragraaf
2.1.3
van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel
D, onder 2
Het derde lid van
artikel
29a van de ZW bepaalt dat de vrouwelijke verzekerde die
vóór de dag waarop zij aanspraak maakt op ziekengeld rond de bevalling,
ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid het
gevolg is van de zwangerschap, recht heeft op ziekengeld ter hoogte van
100% van haar dagloon. Omdat in dit lid niet is vermeld wanneer dit
ziekengeld een aanvang neemt, is dit alsnog vastgelegd. Bepaald is
dat het ziekengeld een aanvang neemt vanaf de eerste dag waarop de ongeschiktheid tot werken bestaat. Tevens is van de
gelegenheid gebruik
gemaakt ook hier vast te leggen dat geen ziekengeld wordt verleend over de
zaterdagen en de zondagen.
Onderdeel
D, onder 3
Op grond van
artikel
29a,
derde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde recht op
ziekengeld ter hoogte van haar dagloon indien zij voorafgaand aan de dag
waarop zij aanspraak maakt op ziekengeld in verband met bevalling,
ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die
ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap.
De FBV heeft erop gewezen
dat bij ongeschiktheid tengevolge van zwangerschap waarbij geen
bevalling volgt de uitkeringsduur onbeperkt is. Zolang sprake blijft
van medische causaliteit tussen de ziekte en de zwangerschap, zou zonder
nadere voorziening onbeperkt ziekengeld dienen te worden betaald,
ook in de gevallen waarin de ziekte langer duurt dan 52 weken. De
SVr heeft in verband hiermee geadviseerd de maximale duur van het
ziekengeld, bedoeld in artikel 29a, derde lid, te stellen op 52 weken. Bij
voortdurende ongeschiktheid ontstaat dan immers in beginsel
eveneens recht op een WAO-uitkering.
Hieraan is tegemoet gekomen door het ziekengeld op grond van het derde lid van artikel
29a uit te sluiten van de in het achtste lid van artikel 29a
opgenomen bepaling
dat de maximering van het ziekengeld tot 52 weken, bedoeld in artikel
29, tiende lid, van de ZW, niet van toepassing is.
Onderdeel E
Het kan voorkomen dat na
afloop van de periode van zestien weken waarin recht bestaat op
ziekengeld in verband met bevalling, sprake is of nog sprake is van
ongeschiktheid tot werken. Op grond van de wettekst is niet zonder meer
duidelijk of de mededeling van de verzekerde of haar werkgever dat zij na
afloop van de bevallingsuitkering aansluitend nog ongeschikt is tot werken,
kan worden aangemerkt als een ziekmelding ex artikel 38 ZW. De
ongeschiktheid tot werken bestond immers reeds in een eerder stadium en de
desbetreffende melding heeft betrekking op een voortzetting van deze
situatie, ongeacht de daaraan ten grondslag liggende oorzaak.
Teneinde iedere twijfel hieromtrent uit te sluiten, is in het nieuw voorgestelde
zevende lid van artikel 38 van de ZW geregeld dat een mededeling aan de
bedrijfsvereniging dat er sprake is van ziekte na afloop van de
bevallingsuitkering wordt aangemerkt als een ziekmelding als bedoeld in artikel 38
ZW. Hiermee wordt bereikt dat de bedrijfsvereniging in deze gevallen de in
artikel 39, eerste lid, bedoelde controle op het bestaan van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte kan uitoefenen.
Een dergelijke controle is in deze gevallen overigens noodzakelijk,
al is het alleen maar om te bepalen wat de oorzaak van de
ongeschiktheid is. De oorzaak is immers bepalend voor de hoogte van de uitkering
en de nog resterende uitkeringsduur.
Voorts wordt door het
bepaalde in het zevende lid van artikel 38 van de
rblz.|30|
ZW
buiten twijfel gesteld
dat in deze gevallen de in artikel 39, tweede lid, van
die wet bedoelde
controlevoorschriften van toepassing zijn.
Onderdeel F
In zijn op 16 juni 1994
vastgestelde advies inzake de toepassing van artikel
39 van de ZW
ten
aanzien van eigenrisicodragers en bij ziekte na afloop van de
bevallingsuitkering heeft de SVr onder meer geadviseerd de ZW
ten aanzien van eigenrisicodragers zodanig te wijzigen dat de controle op de
ongeschiktheid tot werken en de toepasselijkheid van de controlevoorschriften ook
voor deze categorie wordt geregeld.
Het huidige artikel 39
van de ZW geeft de bedrijfsverenigingen geen taak in de controle van
werknemers in dienst van een eigenrisicodrager. De oorzaak daarvan is
dat in artikel 39 een relatie wordt gelegd met
artikel 38 van de ZW, in
die zin dat de bedrijfsvereniging uitsluitend controle kan uitoefenen
op en controlevoorschriften dient vast te stellen voor verzekerden van wie
op grond van artikel 38 een aangifte van een ziekte of een ziekmelding
is ontvangen. In artikel 38, tweede lid, van de ZW
is echter met zoveel woorden bepaald dat werkgevers/eigenrisicodragers
de door hen ontvangen
ziekmeldingen niet hoeven door te geven aan de
bedrijfsverenigingen. Als gevolg hiervan kan de bedrijfsvereniging geen controle uitoefenen
op de ongeschiktheid tot werken van werknemers in dienst van
eigenrisicodragers. Door de in het eerste lid van artikel
39 opgenomen
zinsnede "op grond van artikel 38" te schrappen, wordt bereikt
dat de bedrijfsvereniging ook controle kan uitoefenen op werknemers
in dienst van eigenrisicodragers van wie de bedrijfsvereniging een
ziekmelding heeft ontvangen. Daarbij is het niet langer relevant of dit
een ziekmelding betreft op grond van artikel 38
van de ZW, dan wel een
ziekmelding uit anderen hoofde. Met name kan de bedrijfsvereniging als
gevolg hiervan controle uitoefenen op werknemers in dienst van
eigenrisicodragers die de controle hebben opgedragen aan de bedrijfsvereniging en in
verband hiermee bij ziekte van werknemers deze ziek melden bij de
bedrijfsvereniging.
Door vervolgens de
zinsnede in artikel 39, tweede lid, "ter uitvoering van het eerste
lid" te
schrappen, hebben de op grond van het tweede lid door de bedrijfsvereniging
vastgestelde controlevoorschriften ook betrekking op eigenrisicodragers.
Daarvoor is het niet relevant of die eigenrisicodragers de controle hebben
opgedragen aan de bedrijfsvereniging. Zij gelden ook voor de
eigenrisicodragers die de controle niet hebben opgedragen aan de
bedrijfsvereniging. Blijkens het hiervoor aangehaalde SVr-advies is zulks
noodzakelijk om de volgende reden:
De eigenrisicodrager die
de controle zelf uitvoert, kan in beginsel eigen controlevoorschriften
hanteren. Dergelijke privaatrechtelijke controlevoorschriften zijn afgestemd op de
specifieke omstandigheden van de onderneming en in de
regel tot stand gekomen in overleg met de werknemers. In gevallen
waarin de werknemer zich niet aan deze controlevoorschriften
houdt, zou de eigenrisicodrager de betaling van ziekengeld kunnen
stopzetten.
Hoewel de eigenrisicodrager op grond van artikel 46 van de Osv zelf het risico draagt van de
wettelijke ziekengeldverzekering, blijft de uiteindelijke
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de ZW bij de bedrijfsvereniging
liggen. Aangezien de eigenrisicodrager de ZW derhalve uitvoert namens
de bedrijfsvereniging, is bij een stopzetting van het ziekengeld in feite
sprake van een beslissing van de bedrijfsvereniging. Deze kan evenwel geen
beslissing op grond van de ZW nemen ter zake van overtreding van
privaatrechtelijk vastgestelde "eigen" controlevoorschriften van de
werkgever/eigenrisicodrager. Immers, sanctietoepassing is op grond van artikel
44, eerste lid, onderdeel g, van de ZW slechts
mogelijk indien
de verzekerde zich niet houdt aan de in artikel
39, rblz.|31|
tweede lid, bedoelde
controlevoorschriften, te weten de door de bedrijfsvereniging vastgestelde
controlevoorschriften.
Dit betekent dat op
overtreding van de controlevoorschriften door een eigenrisicodrager geen
sanctie staat. Doordat de controlevoorschriften als gevolg van de hier
aan de orde zijnde wijziging ook betrekking hebben op
eigenrisicodragers,
kan de sanctiemogelijkheid bij overtreding van de controlevoorschriften van
de bedrijfsvereniging voortaan ook betrekking hebben op werknemers in
dienst van eigenrisicodragers. Door de controlevoorschriften van
de eigenrisicodrager zelf en die van de bedrijfsvereniging zoveel
mogelijk op elkaar af te stemmen, kunnen fricties ter zake worden
voorkomen. In verband hiermee is met de toevoeging "die voor één
of meer bepaalde groepen van bij haar verzekerde werknemers
kunnen verschillen" buiten twijfel gesteld dat de bedrijfsvereniging, al
dan niet op verzoek van eigenrisicodragers, afzonderlijke controlevoorschriften voor werknemers in dienst van
eigenrisicodragers kan
vaststellen.
Daarbij dient de
bedrijfsvereniging zoveel mogelijk rekening te houden met de wensen van de
eigenrisicodrager, zodat de controlevoorschriften zijn afgestemd op de
specifieke omstandigheden van de onderneming. Het is derhalve niet de
bedoeling dat de bedrijfsvereniging haar eigen, algemeen geldende controlevoorschriften dwingend aan de eigenrisicodrager
oplegt. Op grond van de
tweede volzin van artikel 39, tweede lid, van de ZW
dienen
deze voorschriften, evenals de algemeen geldende controlevoorschriften, door het
College van toezicht sociale verzekeringen
(Ctsv) te worden
goedgekeurd. Het Ctsv kan er aldus op toezien dat de bedrijfsvereniging de
belangen van de eigenrisicodrager en van diens werknemers voldoende in
acht neemt.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om nog enige andere wijzigingen in artikel
39 van de ZW
aan te brengen.
In het tweede lid van artikel
39 is thans bepaald dat de bedrijfsvereniging ter uitvoering van het
eerste lid controlevoorschriften vaststelt. Bij de Wet TZ
is per 1
januari 1994 in het eerste lid van genoemd artikel
39 bepaald dat de
bedrijfsvereniging, naast de controle op het bestaan van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid van verzekerden wegens ziekte, tevens tot taak
heeft bij gebleken ongeschiktheid te beoordelen of de werkgever zijn taak
met betrekking tot de verzuimbegeleiding op adequate wijze uitvoert.
Het is echter niet de bedoeling dat de controlevoorschriften mede betrekking hebben op
de beoordeling van de verzuimbegeleidingstaak.
Dit moge onder meer blijken uit artikel 39b
van de ZW. Voor gevallen
waarin de bedrijfsvereniging constateert dat de verzuimbegeleiding niet
op adequate wijze wordt uitgevoerd, hebben de bedrijfsverenigingen op
grond van laatstgenoemd artikel de bevoegdheid om de ziekengelduitkering
waarop recht ontstaat na afloop van de in artikel
29, tweede of
vijfde lid, van de ZW bedoelde wachtperiode, over ten hoogste zes weken op
de werkgever te verhalen. In onderdeel F, onder 2, is daarom tot
uitdrukking gebracht dat de controlevoorschriften uitsluitend betrekking
kunnen hebben op de controle op het bestaan van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid.
Voorts was tot de datum
van inwerkingtreding van de Wet TZ per 1 januari 1994 in artikel 38
van de ZW sprake van aangifte van ziekte of ziekmelding. Vanaf die
datum wordt in genoemd artikel uitsluitend nog de term "ziekmelding"
gehanteerd. In verband hiermee kan in artikel 39, eerste lid, van de ZW de
verwijzing naar "een aangifte van een ziekte" vervallen. Dit is onder
meer geregeld in onderdeel F, onder 1.
Onderdeel G,
onder 2
In het kader van de
Awb is per 1 januari 1994 het tweede tot en met
vierde lid van
artikel
39a van de ZW vernummerd tot het vierde tot en met
rblz.|32|
zesde lid, onder
toevoeging van een nieuw tweede en derde lid. In het tot zesde lid vernummerde
vierde lid is een in dat lid voorkomende verwijzing naar het
tweede en derde lid van dat artikel ten onrechte blijven staan. Verwezen
had dienen te worden naar het vierde en vijfde lid. Het gestelde
subonderdeel 2 van
dit onderdeel strekt ertoe deze omissie te herstellen.
Onderdeel H
Bij brief van 28 december
1994 heeft de FBV een overzicht gegeven van een aantal knelpunten die
bij de uitvoering van de Wet TZ en de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet
naar voren zijn gekomen. Uit die knelpunten blijkt onder
meer dat de handhaafbaarheid van de wet- en regelgeving van TZ onder
druk staat. Eén daarvan betreft het probleem van de onafdwingbaarheid
van de rapportages van werkgevers en arbodiensten. Het komt voor dat werkgevers en arbodiensten bij het aflopen van de
eigenrisicoperiode van twee/zes weken de bedrijfsvereniging niet, niet tijdig of in
onvoldoende mate de gegevens en inlichtingen verstrekken die de
bedrijfsvereniging voor het vaststellen van het recht op ziekengeld nodig heeft.
Op de werkgever rust op
grond van artikel 91 van de Osv de verplichting tot het
verstrekken van die gegevens en inlichtingen indien de bedrijfsvereniging
daarom vraagt. Deze verplichting rust ook op de werkgever die gebruik
maakt van een arbodienst welke op zijn beurt aan de bedrijfsvereniging
rapporteert. Deze arbodienst doet dit immers als uitvloeisel van een
overeenkomst met de werkgever in opdracht van die werkgever.
Een expliciet verzoek van
de bedrijfsvereniging aan de werkgever is niet in alle gevallen nodig.
In gevallen waarin een overeengekomen werkmodel wordt
gehanteerd dat onder meer voorziet in rapportages aan de bedrijfsvereniging bij
het aflopen van de eigenrisicoperiode van twee/zes weken wordt de bedrijfsvereniging geacht daarmee de
benodigde gegevens en
inlichtingen aan de werkgever te hebben gevraagd.
De bedrijfsvereniging
heeft, afgezien van de in artikel 108 van de Osv neergelegde strafbepaling
in geval van overtreding van artikel 91 van die wet, geen instrumenten om
op te treden tegen werkgevers indien zij of voor hen werkende
arbodiensten niet, niet op tijd of in onvoldoende mate aan hun verplichting
voldoen. Bij de in gebreke blijvende werkgevers en arbodiensten zou de
bedrijfsvereniging dus zelf de betrokken werknemer moeten oproepen en/of een
eigen (aanvullend) onderzoek moeten instellen, hetgeen extra kosten met zich brengt.
De wet biedt op dit
moment geen mogelijkheid om dit onderzoek bij het aflopen van de
eigenrisicoperiode in rekening te brengen bij de werkgever. Ik ben van
mening dat een dergelijke mogelijkheid wel zou moeten bestaan. In het
voorgestelde tweede lid van artikel 39b
van de ZW
is daarom bepaald dat de
bedrijfsvereniging de bevoegdheid heeft om in de gevallen waarin een
werkgever niet, niet tijdig of onvolledige informatie verstrekt en de
bedrijfsvereniging daardoor niet over de voor het vaststellen van het recht
op ziekengeld noodzakelijke gegevens en inlichtingen beschikt, de
door haar ter zake gemaakte kosten bij de werkgever in rekening te
brengen.
Wel zullen de
bedrijfsverenigingen met het zelf oproepen van verzekerden en/of het instellen van
een (nader) onderzoek mijns inziens zo terughoudend mogelijk
moeten zijn. Vanuit het oogpunt van efficiency ligt het in de rede dat door
middel van heldere afspraken wordt geregeld dat de bedrijfsvereniging zo
weinig mogelijk verzekerden zelf op moeten roepen. Toch zal de
bedrijfsvereniging in sommige gevallen aan een nieuw of aanvullend
onderzoek niet kunnen ontkomen. De bedrijfsvereniging rblz.|33|
is tenslotte als
verzekeraar verantwoordelijk voor het verstrekken van een rechtmatige
uitkering. Als blijkt dat ondanks deze maatregelen de informatie onvoldoende
is, moet de bedrijfsvereniging de kosten die zij maakt om het recht op
uitkering te kunnen vaststellen bij de werkgever in rekening kunnen brengen.
Onderdeel I
De
TW geeft onder meer
recht op een toeslag op een uitkering ingevolge de ZW
tot het
relevante sociaal minimum. Vanaf 1 januari 1994 kan als gevolg van de
invoering in de ZW van een eigen risico van zes weken geen toeslag
ingevolge de TW worden verleend, omdat er geen sprake is van ziekengeld.
Aan een toeslag op grond van de TW is tijdens de wachtperiode van zes
weken overigens ook geen behoefte, omdat de bescherming tot het
relevante sociaal minimum over de eerste zes weken van ziekte geregeld is in
het BW. Op grond van artikel 7a:1638c van het
BW is de werkgever
namelijk gehouden om gedurende de eerste zes weken van ziekte 70% van
het loon van de werknemer te betalen, maar ten minste het voor hem
geldende wettelijk minimumloon. In verband hiermee is in artikel 4
van de TW bepaald dat werknemers voor wie, omdat zij bij een "kleine" werkgever werken, op grond van
artikel 29, vijfde lid, van de
ZW reeds na twee weken recht op ziekengeld bestaat, geen recht kunnen doen
gelden op een toeslag op de ziekengelduitkering.
Indien zich een geschil
voordoet tussen de werkgever en de werknemer over de vraag of er al
dan niet sprake is van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, kan de
werknemer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 39c
van de ZW, de
bedrijfsvereniging om een second opinion vragen. Indien de werknemer door
de bedrijfsvereniging ongeschikt wordt bevonden voor zijn werk
wegens ziekte en de werkgever desondanks weigert aan zijn
loondoorbetalingsverplichting te voldoen, kan de werknemer de
bedrijfsvereniging vragen tot uitkering van ziekengeld over te gaan. Op dit
secondopinionziekengeld kan gedurende de eerste zes (grote werkgever)
onderscheidenlijk de eerste twee (kleine werkgever) weken van de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte wel een toeslag ingevolge de TW
worden
verstrekt.
Ingevolge
artikel
39c,
vierde lid, van de ZW kan de bedrijfsvereniging het
secondopinionziekengeld op de werkgever verhalen. Er bestaat evenwel geen basis om ook
de verleende toeslag op grond van de TW op de werkgever te verhalen.
In dit onderdeel wordt voorgesteld in voorkomende gevallen, naast de ziekengelduitkering, ook deze toeslag door de
bedrijfsvereniging op de
werkgever te laten verhalen.
Onderdeel J en de artikelen II, onderdeel G en H, III, onderdeel G en
H, IV, onderdeel D en E,
VII, onderdeel B en C, VIII, onderdeel A en
B, en IX, onderdeel C en D
[zie onderdeel J en artt.
II, onderdeel F en G, III,
onderdeel F en G, IV,
onderdeel D en
E, VII, onderdeel B en
C, VIII, onderdeel A en
B, en IX, onderdeel
A en B, van de wet, red.]
Voor een toelichting op
het voorgestelde artikel 40 van de ZW en de overeenkomstige artikelen
in een aantal andere socialezekerheidswetten inzake uitbetaling aan
derden moge worden verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemeen deel van
de toelichting.
Op grond van artikel 40,
eerste lid, van de ZW is de bedrijfsvereniging onder meer bevoegd om,
ingeval de uitkeringsgerechtigde een eigen bijdrage verschuldigd is
ingevolge de AWBZ, het ziekengeld, tot het bedrag van die eigen
bijdrage, zonder machtiging van de uitkeringsgerechtigde uit te betalen aan de
Ziekenfondsraad.
In het vierde lid van
artikel 40 van de ZW is bepaald dat de artikelen 3:41 en
3:45 van de Awb
niet van toepassing zijn op een beschikking als gevolg van de herziening
van het aan de Ziekenfondsraad uit te betalen rblz.|34|
bedrag welke een gevolg
is van een wijziging in het bedrag van de verschuldigde eigen
bijdrage AWBZ. In artikel 3:41 van de Awb
is geregeld dat de bekendmaking van
besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt
door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Artikel 3:45 van die wet bepaalt dat bij de bekendmaking en bij de
mededeling van het besluit melding wordt gemaakt of tegen het
besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld en door
wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan.
Deze artikelen van de Awb
dienen derhalve bij de herziening van de uitkering als gevolg van
de wijziging van het bedrag van de verschuldigde eigen bijdrage AWBZ
buiten beschouwing te blijven. In deze gevallen geschiedt de bekendmaking
op een andere wijze dan door toezending of uitreiking van het
besluit aan de belanghebbende en wel door bijschrijving van het
(gewijzigde) bedrag op de bank- of girorekening van de betrokkene. In de op
de uitbetaling aan de Ziekenfondsraad betrekking hebbende artikelen in
andere socialeverzekeringswetten is reeds een gelijkluidende bepaling
opgenomen. Een dergelijke bepaling ontbreekt echter in de ZW. Het
vierde lid van dit onderdeel strekt ertoe ook in de ZW een dergelijke bepaling
op te nemen.
Onderdeel K en
artikel
XLI [zie art. XLII
van de wet, red.]
Ingevolge
artikel 44,
eerste lid, onderdeel f, van de ZW is de bedrijfsvereniging bevoegd ziekengeld te
weigeren indien de verzekerde het voorschrift, bedoeld in
artikel 38, tweede lid, van de ZW, niet heeft opgevolgd. Bij de
Wet TZ is in dit onderdeel abusievelijk verwezen naar het tweede lid van
artikel 38 ZW. Dit had het eerste lid van artikel 38 moeten zijn. In dit
eerste lid is de verplichting van de werknemer neergelegd om zijn
ongeschiktheid tot werken zo spoedig mogelijk aan de werkgever te melden of,
als hij geen werkgever heeft, aan de bedrijfsvereniging.
In het
voorstel van Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken 23 909) is de inhoud van het huidige artikel
44, eerste lid,
onderdeel f, ondergebracht in artikel 45, eerste lid, onderdeel d, van de
ZW.
Daarin is reeds een verwijzing opgenomen naar het eerste lid van
artikel 38 ZW.
Indien dat wetsvoorstel
tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan de wijziging
neergelegd in het onderhavige onderdeel, dient artikel I, onderdeel
K,
te vervallen. Artikel XLI [zie artikel XLII
van de
wet, red.] voorziet daarin.
Onderdeel L
Als gevolg van de
wijziging van artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet met het oog op een
integrale regeling betreffende de melding van ongevallen en
beroepsziekten kan artikel 58 van de ZW (alsmede het ter uitvoering van dit
artikel vastgestelde Besluit melding ongevallen en beroepsziekten)
vervallen.
Onderdeel
M, onder
1, 2
en 4
Voor een toelichting op
het vervallen van artikel 60 van de ZW moge worden verwezen naar
paragraaf 2.1.4 van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel
M, onder 3
In
artikel 60, negende
lid, van de ZW is bepaald dat bij de berekening van het
ziekteverzuimcijfer als bedoeld in het eerste en derde lid van dat artikel ziekteverzuim als
gevolg van zwangerschap en bevalling buiten rblz.|35|
beschouwing moeten
blijven. Bij de Wet TZ is de uitkering rond bevalling niet langer in
artikel 29
van de ZW geregeld, maar in artikel 29a
van die wet. Daarbij is verzuimd
de in artikel 60, negende lid, van de ZW voorkomende verwijzing naar het
artikel dat de uitkering rond de bevalling regelt aan te passen. Dit onderdeel strekt ertoe dit verzuim te herstellen.
Onderdeel N
Bij artikel
X, onderdeel
W, van de IOsv is de tekst van artikel 63a
van de ZW
vervangen. Op grond
van het gewijzigde artikel 63a van de ZW is het Tica bevoegd regels te
stellen met betrekking tot het in geval van liquidatie van de door
een bedrijfsvereniging beheerde afdelingskas omslaan van de schulden
van die bedrijfsvereniging ter zake van de wettelijke
ziekengeldverzekering, na aftrek van de voor die verzekering nog aanwezige baten, over
de overige bedrijfsverenigingen.
Deze tekst is niet juist.
Een afdelingskas maakt onderdeel uit van de bedrijfsvereniging en
wordt niet beheerd door de bedrijfsvereniging, maar door het bestuur van de
afdelingskas. Gelet op de artikelen 43 en 44 van de Osv dienen met
betrekking tot opheffing van een afdelingskas en de afwikkeling daarvan
regels te worden gesteld in de statuten van de bedrijfsvereniging.
Omslaan van schulden bij liquidatie van een afdelingskas over de
overige bedrijfsverenigingen is in een dergelijke situatie niet aan de
orde. Kennelijk ziet artikel 63a ZW op de
situatie waarin niet alleen sprake
is van liquidatie van de door een bedrijfsvereniging beheerde afdelingskas,
maar tevens van alle andere door de bedrijfsvereniging
beheerde fondsen.
In die gevallen zal er
aanleiding zijn de erkenning van de bedrijfsvereniging in te trekken.
In artikel 50 van de Osv
is geregeld dat de minister in een besluit tot intrekking van de
erkenning van een bedrijfsvereniging de gevolgen van die intrekking regelt.
Daartoe hoort ook het regelen wat er met het (positieve of negatieve)
vermogen van de door de bedrijfsvereniging beheerde fondsen gebeurt.
Gelet hierop kan artikel 63a van de ZW komen te vervallen.
Onderdeel N voorziet hierin.
Artikel II
(WAO)
Onderdeel A
In
artikel 7, onderdeel
e,
van de WAO komt een verwijzing voor naar onderdeel e.
Bij de Wet van 30 mei
1990, Stb. 1990, 316, is het toenmalige onderdeel b van artikel 7 vervallen,
onder gelijktijdige verlettering van onder meer onderdeel f tot onderdeel
e. Verzuimd is echter de in dat onderdeel voorkomende verwijzing
naar onderdeel e hieraan aan te passen. Dit onderdeel strekt ertoe
dit verzuim te herstellen.
Onderdeel B [vervallen,
red.]
Voor een toelichting op
de wijziging van artikel 18 van de WAO
moge worden verwezen naar paragraaf
2.1.1 van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel C en artikel III, onderdeel C
[zie onderdeel B
en art. III, onderdeel
B, van de
wet, red.]
Vóór de inwerkingtreding van de Osv konden de voorschriften in het belang van een
behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsongeschiktheid behalve door de bedrijfsvereniging rblz.|36|
zelf, ook, met
machtiging van de bedrijfsvereniging, gegeven worden door de Gemeenschappelijke Medische Dienst
(GMD) of door een door de GMD daartoe
aangewezen deskundige. Nu tengevolge van de inwerkingtreding van de
Osv de bevoegdheden van de GMD in dit kader zijn overgegaan naar de
bedrijfsverenigingen, dient ook de bevoegdheid om deskundigen aan te
wijzen, die op grond van het desbetreffende wijzigingsartikelen in de IOsv ten onrechte was komen te vervallen, aan de bedrijfsvereniging toe te
komen.
Onderdelen D en E [zie
onderdelen C en
D, red.]
In
artikel 19 van de WAO
is, overeenkomstig de samentellingsmethodiek in de ZW,
bepaald dat
perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar binnen vier weken
opvolgen, worden samengeteld. In de artikelen 38 en
39 van de WAO is deze
periode nog gesteld op één maand. Aangezien het gewenst is dat in alle
gevallen dezelfde periode wordt gehanteerd, wordt voorgesteld de in deze
artikelen nog voorkomende termijn van één maand te wijzigen in een
termijn van vier weken.
Onderdeel F [zie
onderdeel E, red.]
In
artikel 47 van de WAO
zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het recht op heropening
van een ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het zesde lid van dat
artikel is onder meer artikel 34, eerste lid, van de
WAO van
overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van dit laatste artikel
wordt een WAO-uitkering op aanvraag toegekend. Vóór de
inwerkingtreding van de Wet TBA kon een WAO-uitkering zowel op aanvraag als
ambtshalve worden toegekend. Zonder nadere voorziening zou dit betekenen dat vanaf 1 augustus 1993 heropening van een WAO-uitkering niet
langer meer ambtshalve kan geschieden, maar alleen op aanvraag.
Teneinde de mogelijkheid van ambtshalve heropening van een ingetrokken WAO-uitkering open te houden, is
artikel 47 van de WAO
in die zin aangepast.
Onderdeel F [zie onderdeel E, red.]
strekt hiertoe.
Onderdeel I [zie
onderdeel H, red.]
Op grond van
artikel
71a,
tweede lid, van de WAO verplicht de bedrijfsvereniging in gevallen waarin de
arbeidsongeschiktheid voortduurt de werkgever tot het
opstellen van een reïntegratieplan zodra een termijn van dertien weken is
verstreken, tenzij de bedrijfsvereniging daartoe geen noodzaak aanwezig acht.
Uit de tekst van dit artikel zou kunnen worden afgeleid dat de werkgever
eerst verplicht is tot het opstellen van een reïntegratieplan,
nadat hij in het individuele geval daartoe verplicht is bij beslissing van de
bedrijfsvereniging. De bedoeling van dit artikel is dat de werkgever na dertien
weken van rechtswege tot het opstellen van een dergelijk plan verplicht
is, tenzij de bedrijfsvereniging dit niet noodzakelijk acht en de werkgever van
die verplichting vrijstelt. Teneinde iedere twijfel op dit punt weg te nemen,
is bij dit onderdeel de tekst van artikel 71a, tweede lid, in
vorenbedoelde zin aangepast.
Onderdeel J [zie
onderdeel I, red.]
In
artikel 76, eerste
lid, van de WAO is bepaald dat de middelen tot dekking van de uitgaven
ten laste van het door het Tica beheerde en afzonderlijk
geadministreerde Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) onder meer worden gevonden door
de afdrachten ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf) op grond van artikel 73a van de
AAW. Laatstgenoemd artikel is
bij de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) per 1 januari 1990 komen
te vervallen. De bepalingen van dat artikel die betrekking hadden op de afdracht van ingevolge artikel
36a van de AAW
rblz.|37|
niet tot uitbetaling
komende AAW-uitkeringen aan het Aof zijn bij die gelegenheid overgebracht
naar artikel 36a, achtste lid, van de AAW. Verzuimd is toen echter
de in artikel 76, eerste lid, van de WAO
voorkomende verwijzing naar artikel
73a van de AAW
daaraan aan te passen. Dit onderdeel strekt ertoe
dit verzuim te herstellen.
Onderdeel K [zie
onderdeel J, red.]
Artikel 79 van de
WAO geeft het Tica de bevoegdheid om regels te stellen onder meer
omtrent de verrekening tussen het Aof en de bedrijfsverenigingen van ontvangen premies en
"verhaalsbedragen" enerzijds en van verstrekte
uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds.
Ook de artikelen 97 van
de WW en 37 van de Wfv
bevatten bepalingen omtrent de verrekening
tussen de fondsen en de bedrijfsverenigingen. Bij deze artikelen strekt de
bevoegdheid zich uit tot het stellen van regels omtrent de verrekening
van ontvangen premies en "overige ontvangsten" in plaats van tot
"verhaalsbedragen", zoals in artikel 79 van de
WAO. In
dit onderdeel wordt
artikel 79 van de WAO in overeenstemming gebracht met de artikelen 97 van
de WW en 37 van de Wfv.
Voor een toelichting op
het vervallen van de zinsnede in artikel 79 van de
WAO "alsmede van de
ten laste van het Aof te brengen administratiekosten" moge worden verwezen
naar de toelichting op artikel IV, onderdelen J en L.
Onderdeel L [zie
onderdeel K, red.]
Ingevolge
artikel 86 van
de WAO zijn de bepalingen van de verplichte WAO-verzekering van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige
verzekering voor zover
daarvan in het bepaalde bij of krachtens het hoofdstuk vrijwillige
verzekering niet is afgeweken. In artikel 84, vierde lid, van de
WAO is bepaald
dat de uitkering op grond van de vrijwillige verzekering berekend
wordt naar het dagloon dat degene die de verzekering aangaat, bij de aanvang
van de verzekering heeft vastgesteld. Blijkens zijn op 21
oktober 1993 vastgestelde advies was de SVr van mening dat het vierde lid
van artikel 84 van de WAO
een bepaling is die afwijkt van artikel 21
van de WAO waarin de berekening van de
loondervings- en de
vervolguitkering is opgenomen en dat dientengevolge dat artikel niet van
toepassing is op de vrijwillige verzekering.
In het algemeen geldt dat
vrijwillig verzekerden op dezelfde wijze worden behandeld als
verplicht verzekerden. Het is dan ook niet de bedoeling geweest het WAO-gat, het verschil tussen een uitkering op basis van het dagloon en
een uitkering berekend naar het vervolgdagloon, alleen bij verplicht
verzekerden te laten ontstaan. In verband hiermee heeft de Raad aanbevolen
één en ander met zoveel woorden in artikel 84, vierde lid, van de
WAO vast te leggen. Onderdeel L [zie
onderdeel K, red.]
strekt daartoe.
Artikel III
(AAW)
Onderdeel A [vervallen, red.]
Voor een toelichting op
de wijziging van artikel 5 van de AAW
moge worden verwezen naar paragraaf
2.1.1 van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel B [vervallen, red.]
In artikel 6,
twaalfde
lid, tweede volzin, van de AAW
is het woord "Ons" geschrapt. Daarmee wordt
aangesloten bij de Aanwijzingen voor de rblz.|38|
regelgeving, waarin in
het onder aanwijzing 37 opgenomen model b voor gecontroleerde delegatie
het woord "Ons" niet voorkomt.
Onderdelen D en E [zie
onderdelen C en D, red.]
In artikel 6 van de
AAW
is, overeenkomstig de samentellingsmethodiek in de ZW,
bepaald dat
perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar binnen vier weken
opvolgen, worden samengeteld. In de artikelen 28 en 29 van de AAW
is deze
periode nog gesteld op één maand. Aangezien het gewenst is dat in alle
gevallen dezelfde periode wordt gehanteerd, wordt voorgesteld de in deze
artikelen nog voorkomende termijn van één maand te wijzigen in een
termijn van vier weken.
Onderdeel F [zie onderdeel
E, red.]
In artikel 37 van de
AAW
zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het recht op heropening
van een ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het zesde lid van dat
artikel is onder meer artikel 24, eerste lid, van de AAW
van
overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van dit laatste artikel wordt
een AAW-uitkering op aanvraag toegekend. Vóór de inwerkingtreding van
de Wet TBA kon een AAW-uitkering zowel op aanvraag als ambtshalve
worden toegekend. Zonder nadere voorziening zou dit betekenen dat vanaf 1 augustus 1993 heropening van een
AAW-uitkering niet langer
meer ambtshalve kan geschieden, maar alleen op aanvraag. Teneinde de
mogelijkheid van ambtshalve heropening van een ingetrokken AAW-uitkering open te houden, is artikel 37 van de
AAW
in die zin aangepast.
Onderdeel F [zie onderdeel
E, red.] strekt hiertoe.
Onderdeel I en artikel XLIV, eerste lid [zie
onderdeel H en
art. XLV, eerste lid, red.]
Artikel
59j van de AAW
is
per 1 januari 1994 zowel gewijzigd bij de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds (WPS) (artikel 28, onderdeel F) als bij de Wet TZ
(artikel III, onderdeel E). Doordat beide wijzigingen door elkaar heen lopen, is niet
duidelijk hoe de tekst van dit artikel uiteindelijk is komen te luiden.
Voorts is bij de Wet van 21 december 1994, Stb. 1994, 958, tot intrekking van de Wet
arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector
artikel 59j, zesde lid, van de AAW
opnieuw gewijzigd. In verband hiermee wordt de tekst van het gehele artikel
59j
opnieuw vastgesteld.
Overigens komt op grond
van artikel I, onderdeel F, van het bij koninklijke boodschap van
15 juni 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)
(Kamerstukken 24 221), ook wel aangeduid als de Wet
Amber, artikel 59j van de AAW, als onderdeel van hoofdstuk IIIb van
die wet, te vervallen. Artikel XLIV, eerste lid [zie artikel
XLV, eerste lid, van de
wet, red.], bevat daarom de bepaling dat
als de Wet Amber op een eerder tijdstip tot wet wordt verheven en in
werking treedt, artikel III, onderdeel I [zie artikel
III, onderdeel H, van de
wet, red.], vervalt.
Artikel IV
(WW)
Onderdeel A
Voor een toelichting op
het vervallen van artikel 16, derde en vierde lid, van de
WW moge worden
verwezen naar paragraaf 2.2.1 van het algemeen deel van de
toelichting.
Onderdeel B
De wijziging van
artikel 33, eerste lid, WW strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat de
bedrijfsvereniging de uitkering ook in de regel per vier rblz.|39|
kalenderweken mag
betalen. Aldus wordt het best aangesloten bij de kalenderweeksystematiek
van de WW. Heeft een werknemer niet alleen recht op een WW-uitkering,
maar ook op een AAW/WAO-uitkering, dan is betaling tezamen met deze
laatste uitkering, dat wil zeggen in de regel per maand, echter de meest
voor de hand liggende betalingswijze. Daarom wordt in voorgestelde
eerste lid bepaald dat de WW-uitkering in de regel per periode van vier
kalenderweken of per maand achteraf moet worden betaald.
Onderdeel C
Bij
Wet van 22 december
1995, houdende wijziging van de Werkloosheidswet en
enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW) is een artikel 35b
in
de WW opgenomen. Dit artikel voorkomt dat een WW-gerechtigde die
tegelijkertijd meerdere rechten op vervolguitkering, op kortdurende uitkering
of op een combinatie daarvan heeft, ter zake van die uitkeringen tezamen
meer dan 70% van het minimumloon kan ontvangen. Met het oog op
een duidelijke verdeling van de lasten van deze uitkeringen over de
diverse fondsen is dit aldus verwoord dat in het bovenstaande geval van
iedere uitkering 70% van het minimum wordt betaald, vermenigvuldigd
met het aantal arbeidsuren ter zake waarvan het betrokken recht bestaat gedeeld door het totaal aantal arbeidsuren ter
zake waarvan het recht
bestaat. De omschrijving van de noemer in deze breuk is echter niet
geheel correct. Deze leidt namelijk in het naar verwachting overigens
weinig voorkomende geval dat iemand uit drie naast elkaar vervulde
dienstbetrekkingen werkloos wordt en ter zake van één van die
dienstbetrekkingen recht heeft op loongerelateerde uitkering en ter zake van de
andere
twee recht op kortdurende uitkering of vervolguitkering, tot een ongewenst gevolg.
Hetzelfde geldt indien iemand ter zake van één dienstbetrekking recht heeft op loongerelateerde
uitkering en ter zake
van een andere wegens opvolgend urenverlies recht heeft op twee of meer
kortdurende uitkeringen of vervolguitkeringen. De noemer van bovenbedoelde
breuk zal dan het totaal aantal arbeidsuren ter zake waarvan recht op
uitkering bestaat, bevatten. Dat wil zeggen: ook het aantal uren ter
zake
waarvan het recht op loongerelateerde uitkering bestaat, wordt in de breuk
meegenomen. Dit heeft een verlagend effect op de hoogte van de
vervolguitkeringen of kortdurende uitkeringen, welk effect ongewenst is
indien men zich realiseert dat dit effect in gevallen die zeer op de
bovenbeschreven gevallen lijken niet optreedt. Zo zal het effect optreden indien
een werknemer naast een reeds bestaande dienstbetrekking voor 20
uur een nieuwe dienstbetrekking voor 20 uur aangaat, de uren uit deze
nieuwe dienstbetrekking op het moment dat hij wel aan de wekeneis, maar
nog niet aan de jareneis voldoet in twee stappen (met bijvoorbeeld een
tussenliggende periode van één maand) van 10 uur verliest en vervolgens,
op het moment dat hij inmiddels tevens aan de jareneis voldoet, zijn
eerste baan ook verliest. Zou de eerste baan niet in twee, maar in één
stap worden verloren, dan zou het effect echter niet optreden (artikel
35b is dan
immers niet van toepassing).
Gezien het bovenstaande
is het wenselijk om artikel 35b WW
zodanig ten voordele voor
betrokkenen te wijzigen dat in de berekening van de noemer geen rekening
wordt gehouden met het aantal uren ter zake waarvan een eventueel
recht op loongerelateerde uitkering bestaat. Dit is in het voorliggende
onderdeel neergelegd. Voorgesteld wordt om de wijziging te laten
terugwerken tot en met 1 maart 1995.
Onderdelen F en
G
In
paragraaf 2.2.2 is
uiteengezet dat de in artikel 52b, derde lid,
WW neergelegde regel onder
omstandigheden tot het ongewenste gevolg kan rblz.|40|
leiden dat naast een
herleefd recht op uitkering ingevolge hoofdstuk IIa
WW, een recht op
kortdurende uitkering ontstaat voor minder dan vijf of minder dan de helft van
het aantal arbeidsuren per kalenderweek. In artikel
IV, onderdeel E,
van het voorliggende wetsontwerp wordt voorgesteld een extra zin
aan het betreffend artikellid toe te voegen die ertoe zal leiden dat in
het hier bedoelde geval geen recht op kortdurende uitkering zal ontstaan.
Onderdeel F betreft een
louter redactionele wijziging die met de in onderdeel
G geregelde
materie samenhangt.
Onderdeel H
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 2.2.3 van het algemeen
deel van de toelichting.
Onderdeel I, onder 1
In artikel I, onderdeel
X,
onder 1, van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, wordt onder
meer artikel 90, eerste lid, onderdeel a, van de
WW zo gewijzigd dat de
wachtgeldperiode wordt uitgebreid van acht naar dertien weken. In het
daartoe voorgestelde nieuwe eerste lid, onderdeel a, van artikel 90
WW wordt
daarbij ten onrechte verwezen naar de in artikel
17, eerste lid, WW
bedoelde periode. Bedoeld is de referteperiode voor de zogenaamde wekeneis, die
per 1 maart 1995 39 weken zal duren. Deze is echter sinds de Wet van
22 december 1994, Stb. 1994, 955, opgenomen in artikel
17, onderdeel a, in
plaats van in artikel 17, eerste lid, WW. In
onderdeel I, onder 1, van
de
voorliggende wet wordt dit verbeterd. Opgemerkt wordt dat artikel I,
onderdeel X, onder 1, van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994,
955, pas op 1
januari 1996 in werking zal treden. De voorliggende reparatie van het in die
wet neergelegde artikel 90, eerste lid, onderdeel a, van de WW
zal dan ook direct na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X,
onder 1, van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, in werking treden.
Dit is geregeld in het voorgestelde artikel XLVI, tweede lid [zie artikel
XLIX, tweede lid, van de
wet, red.].
Onderdeel I, onder 2 tot
en met 4
Bij artikel
IX, onderdeel L, van de IOsv is artikel 90 van de WW
gewijzigd. Daarbij is een
onderdeel d toegevoegd aan het eerste lid van artikel 90. Bij de
Wet
van 22 december 1993, Stb. 1993, 744, tot nadere wijziging van de
Werkloosheidswet
(wijziging bepalingen inzake het recht op uitkering) is onderdeel c
van dat lid verletterd tot onderdeel d, zodat er thans twee onderdelen
d
bestaan. In verband hiermee worden in dit onderdeel, onder 2 tot en met 4, de nodige wijzigingen aangebracht in
artikel 90
van de WW.
Onderdelen J en
L en artikel
X, onderdeel A, onder 2
Met
artikel IX, onderdeel Q, van de IOsv is in de WW een nieuw
artikel 97 ingevoegd. Dit artikel
geeft het Tica de bevoegdheid om, onder goedkeuring van het Ctsv,
regels te stellen omtrent de verrekening tussen het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf) en de bedrijfsverenigingen van ontvangen premies en
"verhaalsbedragen" enerzijds en van verstrekte uitkeringen en gemaakte
kosten anderzijds, alsmede van de ten laste van het AWf te brengen
administratiekosten.
In de WW zijn de
procedurele bepalingen, waaronder begrepen de goedkeuringsprocedure, in
een afzonderlijk hoofdstuk van de WW (hoofdstuk IX) opgenomen.
In strijd met deze systematiek is de bepaling inzake goedkeuring door
het Ctsv van de door het Tica te stellen regels in rblz.|41|
artikel 97 van de WW
(hoofdstuk VII Financiering) opgenomen. Deze bepaling wordt hierbij
overgebracht naar hoofdstuk IX (artikel
117) van de
WW.
Op grond van artikel 85,
vijfde lid, van de Osv stelt het Ctsv regels omtrent de toerekening
van de uitvoeringskosten. Op grond van de artikelen 79
WAO, 97 WW
en 37 Wfv heeft het Tica onder meer de bevoegdheid regels te
stellen omtrent de verrekening tussen de fondsen en de
bedrijfsverenigingen van de ten laste van het Aof, AWf onderscheidenlijk
AAf te brengen
administratiekosten. Administratiekosten vormen een onderdeel van de
uitvoeringskosten. In de op grond van artikel 85, vijfde lid, door het Ctsv
te stellen regels inzake de toerekening van uitvoeringskosten zullen
de verdeelsleutels voor de toerekening worden opgenomen. Op grond van
die verdeelsleutels dienen de uitvoeringskosten te worden berekend.
Gezien het feit dat de zinsnede in de artikelen 79 van de
WAO, 97 van de
WW en 37 van de Wfv
"alsmede van de ten laste van het Aof, AWf c.q.
AAf te brengen administratiekosten", gelet op artikel 85, vijfde lid,
van de Osv, geen toegevoegde waarde heeft, wordt voorgesteld deze zinsnede
in genoemde artikelen te schrappen.
Onderdeel K
Bij artikel
IX, onderdeel J, van de IOsv is onder meer het vijfde lid van artikel 86 van de
WW vernummerd tot derde lid. Bij artikel IX, onderdeel IJ, van de
IOsv heeft
artikel 116 van de WW een nieuwe redactie gekregen. In dat artikel komt een
verwijzing voor naar artikel 86, vijfde lid, van de WW. Abusievelijk is
daarbij geen rekening gehouden met de vernummering in onderdeel
J van genoemd artikel IX. Dit verzuim wordt in dit onderdeel
hersteld.
Artikelen V en
XIX
[zie art.
XX, red.]
(WWV
en WSW)
Deze wijzigingen strekken
tot herstel van een omissie in de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) en de WSW. In artikel 213 van de Gemeentewet
wordt de term "accountant" gebruikt in plaats van
"registeraccountant",
welke term thans abusievelijk nog voorkomt in artikel 41, eerste lid,
van de WWV
en de artikelen 43, onderdeel a, en 44, onderdeel d, van de
WSW.
Artikel VI
(IWS)
Bij de
Wet voltooiing
eerste fase herziening rechterlijke organisatie is artikel
37, zesde lid,
van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
(IWS)
vervallen. Bij die wijziging is er ten onrechte geen rekening mee
gehouden
dat bij de Wet van 23 december 1992, Stb. 1992, 732, het zesde lid van
artikel 37 van de IWS is vernummerd tot zevende lid. Het zevende lid had derhalve
dienen te vervallen, terwijl de tekst van het zesde lid in stand had
moeten blijven. De in dit artikel voorgestelde wijziging van artikel
37 van de IWS strekt daartoe.
Artikel VII
(TW)
Onderdeel D
Op grond van artikel 74
van de Osv kan de minister, in overeenstemming met de
Minister van Financiën, regels stellen over de wijze waarop en de voorwaarden
waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen die geheel
of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd. In artikel
26, tweede
lid, van de TW is een soortgelijke bepaling opgenomen. Aangezien hier
sprake is van een overlapping van de rblz.|42|
regelgevende bevoegdheid
in de Osv met die in de TW en de desbetreffende bevoegdheid in de Osv een
ruimere werking heeft, wordt voorgesteld de bevoegdheid
neergelegd in het tweede lid van artikel 26 van de
TW te schrappen.
Artikelen
VIII, onderdeel
C, IX, onderdeel E [zie
art. IX, onderdeel C, van de
wet, red.], en
XI, onderdeel D
[zie art.
XI, onderdeel E, van de
wet, red.]
(AOW, AWW en AKW)
In artikel 113 van de Osv
wordt de toegangsbevoegdheid in het kader van het
opsporingsonderzoek voor alle socialeverzekeringswetten geregeld. De noodzaak
voor aparte bepalingen hieromtrent in de AOW, de AWW en de
Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) is daarmee komen te vervallen.
Artikelen
IX, onderdeel
A [vervallen, red.],
en
XI, onderdeel A (AWW en AKW)
Voor een toelichting op
de wijziging van artikel 12 van de AWW en 7 van de
AKW moge worden
verwezen naar paragraaf 2.1.1 van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel
IX, onderdeel B [vervallen, red.]
(AWW)
Bij de
Wet TBA is het
nieuwe element in het arbeidsongeschiktheidscriterium "als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken"
opgenomen in artikel 12 van de AWW. Daarbij is verzuimd artikel 17
van de AWW, waarin eveneens is aangegeven wanneer sprake is van
arbeidsongeschiktheid, aan te passen. Artikel IX, onderdeel B
[vervallen, red.], strekt ertoe
dit verzuim te herstellen, waarbij tevens rekening is gehouden met de in
artikel IX, onderdeel A [vervallen, red.], aangebrachte wijziging in artikel 12 van de AWW.
Artikel X
(Wfv)
Onderdeel A, onder 1 en
3
Bij de
IOsv is de tekst
van artikel 37 van de Wfv
met ingang van 1 januari 1995 vervangen.
Op grond van de thans geldende tekst kan het Tica geen regels stellen,
zoals de SVr tot die datum wel kon, met betrekking tot het door
het AAf aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) ter beschikking
stellen van de gelden die zij nodig hebben voor de uitvoering van de
algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering en tot de berekening van
de door het ABP ten laste van het AAf te brengen administratiekosten. Dit
artikel strekt ertoe deze mogelijkheid weer in de Wfv
op te nemen.
Artikel
XI, onderdeel
C,
en artikel XXXIV [zie
art. XI, onderdeel D, en art.
XXXV van de
wet, red.]
Dit onderdeel voorziet
(door het laten vervallen van de artikelen 26 tot en met
29) in het
intrekken van het zogenaamde overgangsrecht in het kader van de AKW.
Door het laten vervallen
van de artikelen 26 tot en met 29 van de AKW
vervalt het recht op kinderbijslag
voor kinderen ouder dan 18 jaar. Voor een verdere toelichting
zij verwezen naar paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze toelichting.
Voor de volledigheid zij
op deze plaats nog verwezen naar artikel XII, waarin een
overgangsregeling is opgenomen voor verzekerden die over het vierde kwartaal van
1995 recht hebben op kinderbijslag.
rblz.|43|
Het
afschaffen van het
overgangsrecht in de AKW heeft consequenties voor de
Jeugdwerkgarantiewet (JWG), aangezien in de bepaling van het begrip
"jongere" in die wet wordt aangesloten bij het hebben gevolgd van onderwijs of een
beroepsopleiding op grond waarvan aanspraak bestond op kinderbijslag
ingevolge de AKW. Een verwijzing naar de AKW in deze zogenaamde "schoolverlatersdefinitie"
is derhalve niet langer hanteerbaar. In de in
artikel XXXIV [zie artikel XXXV van de
wet, red.] neergelegde wijziging wordt nu volstaan met de bepaling
dat ter zake van het voorafgaand aan de werkloosheid gevolgde
onderwijs of de beroepsopleiding sprake was van een tijdsbeslag van ten
minste 19 uur per week. Zowel de verwijzing naar aanspraken, op grond
daarvan, op kinderbijslag ingevolge de AKW als ook op studiefinanciering
ingevolge de WSF
is vervallen.
Rekening houdend met het
feit dat in het onderwijs gedurende een aantal weken geen
onderwijs wordt gevolgd in verband met vakanties, komt de nu gekozen norm
van een tijdsbeslag van ten minste 19 uur per week overeen met de
criteria die voor aanspraken op kinderbijslag en studiefinanciering
gelden. Voor de toepassing van deze bepaling in de JWG kan er derhalve
van uit worden gegaan dat onderwijs of een beroepsopleiding op grond
waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II
van de WSF
is gelijk te stellen met onderwijs of een
beroepsopleiding met een tijdsbeslag van ten minste 19 uur per week.
Dit urencriterium sluit
aan bij de urensystematiek van de JWG en bedraagt exact de helft
van de volledige werkweek in het kader van die wet (32 uur JWG
vermeerderd met maximaal zes uren nevenarbeid).
Zolang een persoon
onderwijs of een beroepsopleiding volgt waarvan het tijdsbeslag een
dergelijke omvang heeft, behoort betrokkene niet tot de doelgroep. Deze
uitsluiting is geregeld in de nu gewijzigde bepalingen betreffende deze
categorie (onderdeel B). Naar verwachting treden geen kwantificeerbare
volume-effecten op.
Zoals in paragraaf 2.6 van het
algemeen deel van deze toelichting al is aangegeven, dient de
overgangsbepaling per 1 januari 1996 in werking te treden.
Artikel XII
(Overgangsrecht AKW)
In
artikel XII is een
overgangsregeling opgenomen voor verzekerden die over het vierde kwartaal
van 1995 recht hebben op kinderbijslag.
Anders dan in het
Prestatiebeursvoorstel het geval was (voor een toelichting zij verwezen
naar paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze toelichting), is in dit
artikel wel in een eerbiedigende werking voorzien voor een tweetal groepen
kinderen ouder dan 18 jaar [van 18 jaar of ouder, red.] waarvoor het recht op kinderbijslag
op grond
van artikel XI, onderdeel C [zie artikel XI, onderdeel
D, van de
wet, red.], met ingang van 1 januari 1996 vervalt.
Voor kinderen die op 30
september 1995 17 jaar oud zijn of voor kinderen, bedoeld in
artikel 26, eerste lid, onderdeel a, die in het vierde kwartaal van 1995 recht
op kinderbijslag hadden, blijven de artikelen 26 tot en met 29 van de
AKW van toepassing zolang ze de opleiding blijven
volgen die zij op de
eerste dag van het laatste kwartaal van 1995 volgden. Zij behouden, zolang zij
aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag blijven voldoen, hun
recht op kinderbijslag.
Met de zinsnede "zolang
zij de opleiding blijven volgen die zij op de eerste dag van het
laatste kwartaal van 1995 volgden" wordt beoogd aan te geven dat zolang deze
kinderen dezelfde schoolsoort blijven volgen recht op kinderbijslag
blijft bestaan. Een verhuizing waardoor het kind van school moet veranderen,
heeft derhalve, zolang de studie maar aan eenzelfde schoolsoort
wordt voorgezet, geen invloed op het recht op kinderbijslag.
rblz.|44|
Indien de
Abw na 1
januari 1996 in werking treedt, kunnen ook werkloze schoolverlaters en
huishoudkinderen, tot het moment van inwerkingtreding van deze
wet, aanspraak
blijven maken op kinderbijslag op basis van de
artikelen 26 tot
en met 29 AKW.
Artikel XIII
(Osv) [zie
art. XIV van de
wet, red.]
Onderdeel C
Op grond van de bestaande
tekst van artikel 41, eerste lid, van de Osv wordt voor de erkenning
van een vereniging als bedrijfsvereniging, bestemd voor één of
meer onderdelen van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe rijksdiensten
behoren, het Rijk beschouwd als representatieve organisatie van
werkgevers. Er kan twijfel over bestaan of het Rijk door de gelijkstelling met een
representatieve werkgeversorganisatie ook gerechtigd is deel te
nemen aan de oprichting van een bedrijfsvereniging wier werkterrein zich
uitstrekt tot rijksdiensten. Gelet op artikel 29 van de
Comptabiliteitswet heeft
het Rijk een machtiging bij wet nodig voor (mede)oprichting door het
Rijk van privaatrechtelijke rechtspersonen zoals een vereniging. Een
dergelijke machtiging is van belang in verband met de voorbereiding van de
oprichting van de Nieuwe Bedrijfsvereniging voor de Overheid, aan de
oprichting waarvan ook het Rijk deelneemt. In de oude Organisatiewet
Sociale Verzekering (OSV) was een dergelijke machtiging opgenomen in
artikel 4, derde lid.
Teneinde iedere twijfel
op dit punt uit te sluiten, wordt in de voorgestelde nieuwe tekst van artikel
41, eerste lid, van de Osv, eveneens een dergelijke machtiging
opgenomen.
Onderdeel D
In artikel 46, onderdeel
b, is geregeld dat de in de statuten gestelde regels betreffende het
toestaan van het dragen van eigen risico door een werkgever voor de
ziekengeldverzekering in elk geval de bepaling bevatten dat hem niet
wordt toegestaan op het loon van de bij hem in dienst zijnde werknemers
een deel in te houden dat meer bedraagt dan de premie die de verzekerde
ingevolge artikel 60, tweede lid, van de ZW verschuldigd zou zijn
indien zijn werkgever het risico van deze ziekengeldverzekering niet zelf zou dragen.
Artikel 60, tweede lid,
van de ZW ziet echter op de totale ZW-premie en niet specifiek op het in
het vijfde lid van dat artikel bedoelde aandeel van de verzekerde werknemer
in die premie. Dit onderdeel strekt ertoe de foutieve verwijzing naar
het tweede lid te corrigeren.
Onderdeel E
Bij artikel
XLIV,
onderdeel F, van de IOsv is het tweede lid van artikel 60 van de Osv geschrapt.
Daarbij is verzuimd de aanduiding van het eerste lid eveneens te
schrappen. Dit onderdeel strekt daartoe.
Onderdeel F
In het kader van de
Wet
voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie is aan
artikel 9 van de OSV een tweede lid toegevoegd, waarin werd bepaald dat het doen
van een aangifte door de werkgever bij de bedrijfsvereniging als
bedoeld in het eerste lid van dat artikel geen aanvraag was in de zin
van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Deze bepaling is ten onrechte
niet overgenomen in artikel 64 van de Osv. Dit onderdeel strekt ertoe
deze omissie te herstellen.
rblz.|45|
Onderdeel G
Bij artikel
XLIV,
onderdeel H, van de IOsv is het achtste tot en met elfde lid van artikel 69 van de
Osv vernummerd tot negende tot en met twaalfde lid. Daarbij is verzuimd
de in het twaalfde lid voorkomende verwijzing naar het negende en
tiende lid daaraan aan te passen. Dit onderdeel strekt daartoe.
Onderdeel H
Artikel 73 van de Osv en
de daarop gebaseerde Regeling financiële rapportage
fondsbeheerders geven aan welke informatie door het Tica en de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) dient te worden verstrekt aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, zodanig dat deze inzicht kan verkrijgen in de
ontwikkeling van de verschillende door de SVB en het Tica beheerde fondsen.
Deze regeling beoogt een continuering en structurering van de
informatie die vóór 1 januari 1995 reeds werd verstrekt door de
verschillende fondsen.
In de huidige redactie is
de werking van artikel 73 OSV, en daarmee ook die van de Regeling financiële rapportage
fondsbeheerders,
beperkt tot de door het Tica en de SVB beheerde fondsen. De lasten van de
wachtgeldfondsen en de ziekengeldkassen maken echter eveneens
deel uit van het totale lastenbeeld van de sociale zekerheid. Mede vanuit
het oogpunt van collectieve lastendruk en koopkrachtontwikkeling is
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verantwoordelijk voor dit
totaal. De minister wenst zich dan ook tevens te informeren over
de ontwikkeling van de wachtgeldfondsen en de ziekengeldkassen. Het
gaat hier meer specifiek ook om de ontwikkeling per bedrijfsvereniging.
In de onderhavige wijziging (onderdeel H, onder 1) wordt, met ingang van 1
januari 1996, de werkingssfeer van artikel 73 dan ook uitgebreid tot de
wachtgeldfondsen en de ziekengeldkassen. Voor het jaar 1995 wordt in de
hier bedoelde informatiebehoefte nog voorzien door een afzonderlijke vraag
aan het Tica te richten.
Onderdeel I
In artikel 84, eerste
lid, van de Osv is bepaald dat het Ctsv, de
Bank [Sociale Verzekeringsbank, red.], het Tica en de
bedrijfsverenigingen met betrekking tot het personeel en materieel geen
verplichtingen mogen aangaan of uitgaven mogen doen die het voor hen
vastgestelde budget overschrijden. Aangezien er sprake is van kostenbudgetten
kan de formulering "uitgaven doen die het vastgestelde budget
overschrijden" tot problemen leiden in situaties waarin de uitgaven de
kosten overschrijden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
investeringen die niet rechtstreeks ten laste van de exploitatierekening
worden gebracht, maar die (gedeeltelijk) worden geactiveerd. In verband
hiermee wordt voorgesteld de desbetreffende zinsnede te wijzigen in
"uitgaven doen die leiden tot overschrijding van het voor hen vastgestelde
budget".
Onderdeel J
Het vorige kabinet heeft
eind 1993 besloten dat de kosten van de uitbreiding van de
competentie van de Nationale ombudsman tot "zelfstandige
bestuursorganen" (ZBO’s) wat de grootste "vervuilers" betreft volgens het
principe "de vervuiler betaalt" zouden worden doorberekend aan de
desbetreffende ZBO’s in de vorm van een vaste jaarlijkse bijdrage. In
afwachting van de hiertoe noodzakelijke wetswijzigingen is besloten de benodigde
bedragen ten laste van de begrotingen van de betrokken
departementen te brengen. Op basis van ervaringsgegevens en vooronderstellingen
ten aanzien van het aantal klachten dat betrekking heeft op de
desbetreffende ZBO’s is een verdeling van de
rblz.|46|
kosten over de
departementen opgesteld. Op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden de volgende rechtspersonen als ZBO’s
in bovenbedoelde zin aangemerkt: het Ctsv, de
SVB, het Tica, de
bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Voor deze rechtspersonen
gezamenlijk is de bijdrage vastgesteld op ƒ0,6
mln per jaar. Iedere vijf
jaar zal worden bezien in hoeverre deze verdeling bijgesteld moet worden.
De thans voorliggende wetswijziging maakt het mogelijk met ingang van
1996 de doorberekening ten laste van genoemde rechtspersonen op het
gebied van de sociale verzekering te laten plaatsvinden. In het
voorgestelde artikel 85, zesde lid, van de Osv wordt de jaarlijkse bijdrage in
de kosten van de Nationale ombudsman aangemerkt als uitvoeringskosten van
het Ctsv. Daarmee wordt bereikt, op grond van artikel 85,
eerste lid, van de Osv, dat de bijdrage wordt toegerekend aan de SVB en
de bedrijfsverenigingen.
Onderdeel L, onder 1
De in dit onderdeel,
onder 1, voorgestelde wijziging wordt noodzakelijk geacht omdat
de Ziekenfondsraad, anders dan het Ctsv, ook is belast met het beheer
van het fonds, in casu de Algemene Kas, bedoeld in artikel 71 van de
Ziekenfondswet. De wijze waarop de Ziekenfondsraad als fondsbeheerder aan
de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verantwoording
aflegt, is geregeld in artikel 72 van de Ziekenfondswet.
Onderdeel
L, onder
2, en artikel XXIX [zie art. XXX van de
wet, red.]
De in dit onderdeel,
onder 2, en in artikel XXIX [zie artikel XXX
van de
wet, red.] voorgestelde wijzigingen staan met elkaar in
relatie en betreffen het volgende. Het huidige artikel 89, derde lid, van de Osv
bepaalt onder meer dat de verklaring omtrent de rechtmatigheid van
ontvangsten betreffende de premies AWBZ door de
rijksbelastingdienst wordt aangeboden aan het
Ctsv. Die bepaling is niet
juist, aangezien die
verklaring dient te worden aangeboden aan de Ziekenfondsraad, als
beheerder van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in
artikel 38 van de Wfv. Dit maakt wijziging van de redactie van de tweede
volzin van artikel 89, derde lid, van de Osv noodzakelijk. Tevens is
echter geconstateerd dat deze bepaling beter op haar plaats zal zijn in
artikel 51 van de AWBZ, aangezien de bedoelde verklaring van
rechtmatigheid in relatie moet worden gezien met de in dat artikel geregelde
verantwoording door de Ziekenfondsraad over het gevoerde beheer over het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Onderdeel M
Bij
de Wet van 21 december 1994, Stb. 1995, 32,
tot partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in
verband met de opheffing van het cumulatieverbod inzake de oplegging van
hoofdstraffen is artikel 9, tweede lid,
van het Wetboek van
Strafrecht ingaande 27 januari 1995 in die zin
gewijzigd dat de rechter in alle gevallen de bevoegdheid krijgt om
naast gevangenisstraf of hechtenis tevens een geldboete op te leggen.
In verband hiermee kan de in een aantal wetten afzonderlijk opgenomen
mogelijkheid van cumulatie van hoofdstraffen komen te vervallen. In
genoemde wet is een aantal wetten gewijzigd waarin een dergelijke
cumulatiemogelijkheid voorkwam. In dat kader is in artikel XI van die wet
een wijziging opgenomen van artikel 52b van de OSV, welke wet inmiddels
per 1 januari 1995 is vervangen door de Osv. In verband hiermee wordt in
het onderhavige onderdeel artikel 109, tweede lid, van de Osv, in welk
artikel deze cumulatiemogelijkheid nog voorkomt, aan de nieuwe situatie
aangepast.
rblz.|47|
Onderdeel N
In artikel 7 van
hoofdstuk IX (Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid) van de Wet van 22 juni
1994, Stb. 1994, 573, tot wijziging van de binnentredingsbepalingen
is een wijziging opgenomen van artikel 57 van de OSV. Deze wijziging is
ten onrechte niet overgenomen in artikel 113 van de Osv, waarin
dezelfde materie geregeld is als in artikel 57 van de OSV. Dit onderdeel strekt
ertoe deze omissie te herstellen.
Onderdeel O
In artikel
60a van de OSV
was een overgangsbepaling opgenomen met betrekking tot personeelsvoorzieningen in verband met de invoering van
de WAO. Dit artikel is
anders dan aanvankelijk werd gedacht nog niet geheel uitgewerkt. Om die
reden is de inhoud van dit artikel thans alsnog als artikel 116b
opgenomen in de Osv.
Artikel XIV
(IOsv) [zie
art. XV van de
wet, red.]
Onderdelen A en
B
Bij artikel
X, onderdeel L, van de IOsv is bepaald dat in artikel 39a, vierde lid, van de
ZW de
term SVr wordt vervangen door Tica. Deze wijziging dient echter,
in plaats van in het vierde lid, plaats te vinden in het zesde lid van artikel
39a van de ZW. In verband hiermee wordt artikel
X, onderdeel L, van de IOsv in onderdeel A gewijzigd.
In artikel XLVII van de
IOsv is bepaald dat een aantal door de SVr op grond van de oude OSV
gestelde regels geldt als door het Tica gestelde regels. Daarin zijn
enkele onvolkomenheden geslopen. Zo dient in het tweede onderdeel b
"artikel 86, zesde lid," van de WW te worden gewijzigd in
"artikel 86,
vierde lid". Genoemd zesde lid is namelijk bij artikel IX, onderdeel
J, onder 2
(WW), [van de IOsv, red.] vernummerd
tot vierde lid.
Voorts dient, gelet op de
wijziging in onderdeel B (zie hiervoor), in het tweede onderdeel c
"39a,
vierde lid" van de ZW te worden gewijzigd in
"39a, zesde lid".
Artikel XV
(Wet TBA) [zie
art. XVI van de
wet, red.]
Onderdelen B,
D,
E en
F
Voor een toelichting op
de in deze onderdelen van artikel XIV [zie artikel
XV van de
wet, red.] opgenomen wijzigingen
moge worden verwezen naar paragraaf 2.1.5 van het algemeen deel van de
toelichting.
Onderdeel C
Op grond van het
overgangsrecht zijn personen die op de dag vóór de inwerkingtreding van de
Wet TBA een herplaatsingswachtgeld en een herplaatsingstoelage
ontvangen, uitgesloten van het periodieke beoordelingstraject. Zij
behoorden in navolging van hetgeen is geregeld ten aanzien van invaliditeitsgepensioneerden tevens uitgesloten te
worden van de
herbeoordeling binnen één jaar.
Artikel XVI
(Wet TZ) [zie
art. XVII van de
wet, red.]
Voor een toelichting op
de in dit artikel opgenomen wijzigingen moge worden verwezen naar paragraaf
2.1.6 van het algemeen deel van de toelichting.
rblz.|48|
Artikel XVII
(Arbeidsomstandighedenwet) [zie
art. XVIII van de
wet, red.]
De in het
vierde lid van
artikel 9 voorgestelde wijziging betreft een redactionele verbetering.
Nu artikel 58 van de ZW
en daarmee het op basis van dit artikel vastgestelde Besluit
melding ongevallen en beroepsziekten komt te vervallen, dient ook het
vijfde lid van artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet te vervallen. In dit
artikellid is namelijk bepaald dat het vierde lid inzake de
verplichting van een werkgever om met betrekking tot ongevallen een daartoe
bij ministeriële regeling vastgesteld ongevalsrapport op te stellen ten behoeve
van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, niet van
toepassing is indien een dergelijke melding reeds gedaan is op grond
van het krachtens artikel 58 van de ZW vastgestelde Besluit
melding ongevallen en beroepsziekten.
Door middel van deze
wijziging ontstaat een integrale, dat wil zeggen op alle werkgevers
toepasselijke regeling inzake de schriftelijke melding van arbeidsongevallen.
Met het oog daarop zal het thans op grond van artikel 9, vierde lid,
van de Arbeidsomstandighedenwet vastgestelde modelrapport worden
aangepast.
Voor de duidelijkheid zij
hier vermeld dat de onderhavige verplichting om arbeidsongevallen
schriftelijk te melden, geldt naast die betreffende de melding van ernstige
ongevallen, dat wil zeggen ongevallen die ernstig lichamelijk of
geestelijk letsel dan wel de dood ten gevolge hebben, op grond van
artikel 9, eerste lid. In tegenstelling tot de melding op grond van het vierde
lid kan in deze gevallen worden volstaan met een telefonische melding, zo
nodig gevolgd door een korte schriftelijke bevestiging daarvan.
Met betrekking tot de
definities van de in artikel 9 onder meer gehanteerde begrippen ongeval,
ernstig lichamelijk letsel en beroepsziekte wordt verwezen naar de
Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 22 september 1987 (Stcrt. 1987, 197).
Artikel XVIII
(Wet
voorzieningen gehandicapten) [zie
art. XIX van de
wet, red.]
Bij de
WPS
is
abusievelijk de Wet voorzieningen gehandicapten niet aangepast. In
artikel 10
van laatstgenoemde wet komt nog een verwijzing naar het
Spoorwegpensioenfonds voor. Deze verwijzing wordt in het onderhavige onderdeel
geschrapt.
Artikel XX
(BW) [zie
art. XXI van de
wet, red.]
Onderdeel A
In het
BW wordt een
bepaling opgenomen analoog aan de regresbepalingen in de huidige Ziektewet
(de artikelen 52, 52a
en 52b). Hierin wordt vastgelegd dat de
werkgever recht heeft op regres. Voorts wordt bepaald dat de rechter bij de
vaststelling van de schadevergoeding die het slachtoffer kan vragen er
rekening mee moet houden dat het loon van het slachtoffer wordt
doorbetaald. Het bedrag waarop de werkgever aanspraak kan maken, kan
niet hoger zijn dan het bedrag aan schadevergoeding dat het slachtoffer van
de dader had kunnen vorderen indien de werkgever geen
loondoorbetalingsverplichting had gehad. De Hoge Raad gaat er in zijn
jurisprudentie van uit dat die hypothetische schadevergoeding zou worden gegeven in
de
vorm van een bedrag ineens. Aangezien een dergelijke
schadevergoeding ineens niet onderworpen zou zijn aan de heffing van loonbelasting en sociale verzekeringspremies, zou
het slachtoffer dus recht
hebben gehad op het netto gederfde loon. Ook de werkgever zal bij de
uitoefening van zijn regresrecht jegens de dader dus slechts aanspraak
kunnen maken op het netto door hem doorbetaalde loon.
rblz.|49|
Onderdeel B
In het eerste lid,
onderdeel a, van artikel 197 van Boek
6 van het BW is bepaald dat een aantal
risicoaansprakelijkheden buiten toepassing blijven bij de vaststelling van
het door de sociale verzekeraars te verhalen bedrag. Aan deze
opsomming wordt nu ook toegevoegd het verhaalsrecht van de werkgever als
bedoeld in het bij onderdeel A
voorgestelde artikel 107a van Boek
6 van het BW.
Onderdeel C
Krachtens artikel
7a:1639l, vierde lid, van het BW
mag een werkgever op de door hem
verschuldigde overlijdensuitkering als bedoeld in het tweede lid van dat
artikel de krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan een nagelaten betrekking van de
werknemer toegekende overlijdensuitkering in mindering brengen.
Hieronder valt echter niet een uitkering op grond van de TW, omdat de TW niet
wordt beschouwd als een "wettelijk voorgeschreven ziekte- of
arbeidsongeschiktheidsverzekering". Op grond van de
TW kan een toeslag worden
toegekend in aanvulling op een uitkering krachtens de ZW
of de WAO. Deze toeslag wordt krachtens artikel 23 van de
TW ook aan bepaalde
nabestaanden verleend. Het ligt daarom voor de hand een door hen
ontvangen toeslag op grond van de TW eveneens in mindering te brengen op
de overlijdensuitkering krachtens het BW.
Artikel XXI
(Algemene
burgerlijke pensioenwet) [zie
art. XXII van de
wet, red.]
Onderdeel A [vervallen, red.]
De
herformulering van de
term "rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg" dient
uiteraard ook in de ambtelijke regelingen zijn neerslag te krijgen.
Vandaar dat de desbetreffende artikelleden hier worden aangepast aan de
nieuwe formulering in de AAW/WAO.
Onderdeel B [zie
art. XXII, onderdeel A, van de
wet, red.]
Op basis van de huidige
redactie van artikel F 9b van de Abp-wet kan de indruk ontstaan dat ter
vaststelling van de aanspraken op de verhoging van het
invaliditeitspensioen tot het niveau van het minimumloon het
invaliditeitspensioen
berekend naar diensttijd buiten beschouwing kan blijven. De voorgestelde
wijziging sluit elke onduidelijkheid daarover uit.
Onderdeel C [zie
art. XXII, onderdeel B, van de
wet, red.]
In tegenstelling tot de
datum van ingang van een AAW-uitkering is de datum van een eerste
toekenning van een invaliditeitspensioen niet te fixeren op bijvoorbeeld
twaalf maanden na de eerste ziektedag. In de praktijk heeft dit tot gevolg dat
de overheidspensioenorganen een betrokkene ter uitvoering van artikel
26, tweede lid, van de AAW
binnen één jaar nadat het (fictieve) recht op
een AAW-uitkering ontstaat, herkeuren en deze activiteit enkele maanden
daarna in het kader van artikel F 10a van de Abp-wet moeten herhalen.
Met de voorgestelde wijziging wordt deze doublure voorkomen en
daarmee een onevenredige belasting van zowel de uitvoeringsorganen als
de betrokken algemeen invaliden.
Onderdelen D en H
[zie
art. XXII, onderdeel C en G, van de
wet, red.]
De redactie is aangepast
aan de sedert de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP) doorgevoerde systeemwijziging als
rblz.|50|
gevolg waarvan er geen
aanvulling ter zake van algemene invaliditeit meer bestaat.
Onderdelen E, F en
G [zie
art. XXII, onderdeel D, E
en F, van de
wet, red.]
Op grond van de zevende
volzin van artikel J 20 kan de minister ten aanzien van het in dat
artikel bepaalde nadere en zo nodig afwijkende regels stellen. Deze bevoegdheid
is evenwel reeds aanwezig op grond van artikel J 21. De zevende volzin
is daarmee overbodig, zodat deze kan komen te vervallen.
Er bleek sedert 1
augustus 1993 een cirkelredenatie mogelijk in het geval er uitvoering moet
worden gegeven aan zowel artikel F 9b als artikel J 19 of J 20. Enerzijds
diende ter vaststelling van de vermindering ingevolge de artikelen J
19 en J 20 het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel A 2, dus na
toepassing van artikel F 9b in beschouwing te worden genomen. Anderzijds kon
eerst nadat de vermindering ingevolge de artikelen J 19 en J 20
bekend was uitvoering worden gegeven aan artikel F 9b. Door de toevoeging
van het zevende lid wordt onderstreept dat artikel F 9b, als
ambtelijke tegenhanger van de TW, het sluitstuk vormt in de
pensioenberekening.
Onderdeel I [zie art. XXII, onderdeel
H, van de
wet, red.]
De veranderende
uitvoeringsstructuur in de marktsector heeft onder meer tot gevolg dat
artikel 22a van de OSV in de Osv is vervallen. In dat artikel werd een aantal
werkzaamheden genoemd die tot de taak van de Gemeenschappelijke
Medische Dienst behoorden. In navolging daarvan is deze bevoegdheid voor het
ABP in artikel P 9 van de Abp-wet geregeld. De voorgestelde wijziging
van artikel P 9 strekt ertoe de onderhavige bevoegdheid voor het ABP
ongewijzigd te handhaven.
Artikel XXII
(Wet FVP/ABP) [zie
art. XXIII van de
wet, red.]
Onderdeel A
De wijziging betreft een
aanpassing aan de nieuwe Osv die in de plaats is gekomen van de oude OSV.
Thans wordt inzake de schorsing en vernietiging van
besluiten verwezen naar de desbetreffende artikelen in de Osv.
Onderdeel B
In artikel 79 van de
Wet
FVP/ABP is een aantal redactionele verbeteringen aangebracht. Zo wordt
onder andere door het vervangen van de omschrijving "voor ten
minste 15% algemeen invalide" door "geheel of gedeeltelijk algemeen
invalide" een betere aansluiting bereikt bij de redactie van artikel F
8a, tweede lid, van de Apb-wet. Hetzelfde geldt voor de in artikel E 6 van de
Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) gegeven omschrijving van
de term arbeidsongeschiktheid.
Artikel XXIII
(WPS) [zie
art. XXIV van de
wet, red.]
Onderdeel A
Met de
WPS
is
de
privatisering van het Spoorwegpensioenfonds met ingang van 1 januari 1994
gerealiseerd. Dit houdt in dat de directe overheidsbemoeienis met
de pensioenregeling voor het personeel van de NV Nederlandse Spoorwegen
(NS) met ingang van die datum is beëindigd. De sociale
partners bij de NS dragen zelfstandig de volledige verantwoordelijkheid voor
de pensioenregeling, waarop de rblz.|51|
Pensioen- en
spaarfondsenwet van
toepassing is. Voorts is het door de Spoorwegpensioenwet geregelde invaliditeitspensioen voor NS-medewerkers
vervallen en zijn de
algemeen geldende werknemersverzekeringen van toepassing geworden.
De privatisering kon
worden gerealiseerd met inachtneming van onder meer het volgende
uitgangspunt. Het niveau van de netto-uitkeringen (inclusief
bovenwettelijke aanvullingen) dient op het moment van privatisering gelijk te
zijn aan het niveau van de uitkeringen zoals deze golden op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WPS.
In artikel 14 van de
WPS
wordt bepaald dat het dagloon WW gelijk is aan de
uitkeringsgrondslag waarnaar de werkloosheidsuitkering van de NS werd berekend. Deze
formulering geeft een probleem in geval van samenloop van een
WW-uitkering op grond van de WPS
met een WAO-uitkering. Wanneer
sprake is van een dergelijke samenloop, maakt de
arbeidsongeschiktheidscomponent deel uit van voornoemde uitkeringsgrondslag. Dit
leidt ertoe dat de uitkering onbedoeld hoger wordt en zelfs boven het
oude loon kan uitstijgen. Dit is in strijd met het eerder genoemde
uitgangspunt.
De wijziging van artikel
14 van de WPS
strekt ertoe dat er een evenredige vermindering
van het dagloon wordt bereikt, zodat de WW-uitkering niet tot een
te hoog dagloon wordt berekend en wel volgens het reeds bekende
systeem van artikel 14 van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Van laatstgenoemd
artikel moet echter het vierde lid buiten beschouwing blijven. De
reden hiervoor is dat ook in het geval dat een herplaatste werknemer op
wachtgeld is gesteld de arbeidsongeschiktheidscomponent deel uitmaakt van de
uitkeringsgrondslag.
Vooruitlopend op de
onderhavige wijziging van artikel 14 van de WPS
wordt door de uitvoering
vanaf 1 januari 1994 reeds bedoelde evenredige vermindering toegepast.
Door de wijziging terugwerkende kracht te geven tot en met die datum
wordt die uitvoeringspraktijk geformaliseerd.
Onderdeel B
In artikel 8 van de
WPS
is de overgang geregeld naar de WAO van personen met onder meer
een invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld
op grond van de Spoorwegpensioenwet. In aansluiting daarop is
voor de toepassing van de Wet TBA in artikel 15 van de
WPS
de datum van
ingang van een toegekend invaliditeitspensioen aangemerkt als
ingangsdatum van de WAO-uitkering. Voorts is in laatstgenoemd artikel
geregeld dat het in het kader van de Wet TBA getroffen overgangsrecht
ook van toepassing is op personen wier reeds ingegane
invaliditeitsuitkering op grond van invaliditeit van het
Spoorwegpensioenfonds is
omgezet in een WAO-uitkering. Verzuimd is daarbij om naast de datum
van ingang van een toegekend invaliditeitspensioen ook de datum van ingang
van een herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld op
grond van de Spoorwegpensioenwet aan te merken als ingangsdatum
van de WAO-uitkering. In dit artikel wordt deze omissie hersteld.
Een bepaling die
bewerkstelligt dat het in het kader van de Wet TBA getroffen overgangsrecht
ook van toepassing is op personen wier herplaatsingstoelage of
herplaatsingswachtgeld van het Spoorwegpensioenfonds is omgezet in een
WAO-uitkering, is niet nodig. Dit volgt reeds uit de zinsnede in artikel 15 van de
WPS
dat
hoofdstuk III van de Wet TBA
van overeenkomstige
toepassing is op de belanghebbende aan wie op grond van de WPS
recht
op uitkering op grond van de AAW/WAO wordt verleend.
rblz.|52|
Artikel XXIV
(Amp-wet) [zie
art. XXV van de
wet, red.]
Onderdelen A tot en met
C, I en J [zie art. XXV,
onderdeel A, B, H
en I, van de wet, red.]
Voor
respectievelijk de
onderdelen A, B, C en J [zie artikel XXV,
onderdeel A, B en I,
van de wet, red.] kan worden verwezen naar de toelichting
op artikel XX, onderdeel A, B, C en I [toelichting op
artikel XXI, onderdeel A, B, C
en I, red.]. Voor onderdeel I [zie artikel
XXV, onderdeel H, van de wet, red.] kan worden
verwezen naar die toelichting, de onderdelen E, F en G [toelichting
op artikel XXI, onderdeel E, F en G, red.].
Onderdeel D [zie art.
XXV, onderdeel C, van de
wet, red.]
Het betreft het herstel
van een omissie, waardoor het vervallen van de in artikel F 7a van de
Amp-wet genoemde toeslagen voor pensioenen van militairen ingaat op
dezelfde datum als voor de pensioenen van burgerambtenaren, te weten 1 mei 1994.
Onderdelen E, G en
K [zie
art. XXV, onderdeel D, F
en J, van de wet, red.]
Met de bij de
Wet
FVP/ABP vernummerde leden van artikel H 1 en vervallen artikelen J 1a
en J 2a bleef de aanpassing van enige verwijzingsbepalingen ten onrechte achterwege.
Dit is alsnog rechtgezet.
Onderdeel F [zie art.
XXV, onderdeel E, van de
wet, red.]
De wijziging betreft het
herstel van een bij de vernummering in artikel H 1 ontstane onjuiste
verwijzing.
Onderdeel H [zie art.
XXV, onderdeel G, van de
wet, red.]
De huidige tekst van
artikel L 1 van de Amp-wet zou de indruk kunnen wekken dat bij eenmalige
uitkeringen aan beroepsmilitairen de sectorale loonontwikkeling en niet
het gewogen gemiddelde in de te onderscheiden sectoren maatgevend zou
zijn. Om die onduidelijkheid weg te nemen, is de tekst aangepast.
Artikel XXV
(Ambtenarenwet) [zie
art. XXVI van de
wet, red.]
In de
IOsv is de Ambtenarenwet voor zowel het bestuur van het Ctsv
als het bestuur van de SVB gewijzigd. Er ontbreekt een bepaling die zich richt op de door de Kroon
benoemde onafhankelijke voorzitter van het Tica, bedoeld in hoofdstuk IV
van de Osv. Aan onderdeel n van artikel 2 van de Ambtenarenwet
is daartoe
een zinsnede toegevoegd voor de voorzitter van het Tica.
Artikel XXVI
(Wet van 22
december 1994, Stb. 1994, 955) [zie
art. XXVII van de
wet, red.]
Onderdeel A
De betreffende wijziging
betreft een verbetering van een kennelijke onjuistheid in artikel
VII van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955. Zonder deze verbetering
is een gedeelte van dat artikel zinledig.
Onderdeel B, onder 1
Het voorgestelde nieuwe
derde lid van artikel XII van de Wet van 22 december 1994, Stb.
1994, 955,
bevat twee kleine wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke derde
lid van dat artikel. Ten eerste is de werkingssfeer beperkt tot rechten op
uitkering ingevolge hoofdstuk II van de WW
zoals deze luidde vóór inwerkingtreding van de
Wet van 22 december
1994, Stb. 1994, 955. Aldus
wordt buiten twijfel gesteld dat het artikel niet van rblz.|53|
toepassing is op
uitkeringen uit hoofde van de hoofdstukken IV en
V van de WW. Ten tweede wordt
het lid ook van toepassing verklaard voor de uitvoering van artikel 24
van de IWS. De in dat artikel neergelegde "kopjes" dienen
uiteraard ook na inwerkingtreding van de Wet van 22 december 1994, Stb.
1994, 955,
op WW-uitkeringen gegeven te kunnen worden.
Onderdeel B, onder 2
Voor een toelichting op
het voorgestelde vierde lid van artikel XII van de Wet van 22 december
1994, Stb. 1994, 955, wordt verwezen naar paragraaf
2.2.4. Het nieuwe vijfde
lid leidt ertoe dat men slechts voor herhaalde verlenging in aanmerking
komt indien men sinds de herleving van de loongerelateerde
uitkering opnieuw aan de wekeneis voldoet. Aldus wordt oneigenlijk
gebruik van
de in het vierde lid voorgestelde verlengingsregeling voorkomen. Voor een
nadere toelichting wordt verwezen naar memorie van toelichting op het aan de
Wet van 22 december 1994 ten
grondslag liggende
wetsvoorstel aanscherping referte-eisen WW (Kamerstukken II 1994-1995, 23 985, nr. 3,
toelichting op artikel 50, derde en
vierde lid, WW).
Onderdeel B, onder 3
In artikel
II, onderdeel
A, van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, is artikel
2, eerste lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw) gewijzigd.
Met het tot zevende lid
vernummerde vijfde lid van artikel XII van die wet is onder meer beoogd
te regelen dat de tekst van het eerste lid van artikel 2 van de
Ioaw,
zoals dat lid luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van
artikel II, onderdeel A, van die wet, van toepassing blijft ten aanzien van de
persoon wiens eerste dag van werkloosheid ligt vóór de datum van
inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A.
In de tekst van het tot
zevende lid vernummerde vijfde lid van artikel XII is echter abusievelijk
verwezen naar het tweede lid van artikel 2 van de
Ioaw, in plaats van naar
het eerste lid. Deze onjuiste verwijzing wordt hierbij gecorrigeerd.
Artikel XXVII
[zie art.
XXVIII van de
wet, red.]
In artikel I, onderdeel
X,
onder 1, van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, wordt
voorgesteld de wachtgeldperiode uit te breiden van acht naar dertien weken.
Daarnaast wordt voorgesteld ook de eerste dertien uitkeringsweken van
personen die door de werking van het Besluit
verlaagde wekeneis Werkloosheidswet recht hebben op
WW-uitkering ten
laste te brengen van de
wachtgeldfondsen. Het grootste gedeelte van de Wet van 22 december 1994,
Stb. 1994, 955, zal op 1 maart 1995 in werking treden. Artikel I,
onderdeel X, onder 1, zal echter pas op 1 januari 1996 in werking treden. Ten
onrechte is verzuimd voor de periode tussen beide data een regeling te
treffen voor de financiering van de kortdurende uitkering. Uiteraard is
het de bedoeling dat in die periode de eerste acht weken uitkering ten laste
komen van de wachtgeldfondsen. Dit wordt in het voorliggende
onderdeel, door aanpassing van artikel 90, eerste lid, onderdeel a, van de
WW,
alsnog geregeld. Het aangepaste artikel 90, eerste lid, onderdeel a,
zal vervallen op het moment waarop artikel I, onderdeel X, onder 1,
van de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, in werking treedt.
Artikel XXVIII
(Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993) [zie
art. XXIX van de
wet, red.]
Het
betreft hier een
aanpassing aan de nieuwe Osv, die nog niet was meegenomen in de IOsv.
rblz.|54|
Artikel XXX
(WED) [zie
art. XXXI van de
wet, red.]
Deze wijziging van de
Wet op de
economische delicten hangt samen met het vervallen van het
oude vijfde lid van artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet (zie artikel
XVI [zie artikel XVIII van de
wet, red.]).
Artikel XXXII
(Beroepswet) [zie
art. XXXIII van de
wet, red.]
Onder 1
Teneinde buiten mogelijke
twijfel te stellen dat bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep kan
worden ingesteld tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank
betreffende een besluit genomen op grond van de nieuwe Algemene
bijstandswet (Abw) (artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de
Beroepswet), is de
nieuwe Abw op de bijlage bij de Beroepswet geplaatst.
Omdat de Algemene
Bijstandswet (ABW) op grond van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet (HABW) nog enige tijd van toepassing
blijft op degene die in de kalendermaand voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de nieuwe Abw recht had op bijstand, is de ABW voorlopig gehandhaafd
op de bijlage bij de Beroepswet en is de Invoeringswet HABW
daaraan toegevoegd.
Onder 2
Bij artikel LIII van de
IOsv is onder meer de Wet op de Sociale Verzekeringsbank ingetrokken. Deze wet
komt nog voor in onderdeel C van de bijlage bij de
Beroepswet, onder 27. In verband hiermee kan de vermelding van deze wet
onder 27 van onderdeel C van de bijlage
komen te vervallen.
Artikel XXXIII
[zie art.
XXXIV van de
wet, red.]
Bij de
Wet van 26 april
1995, Stb. 1995, 220, is onder meer in artikel
14, vierde lid, van de AKW een
wijziging aangebracht. Daarbij is abusievelijk over het hoofd gezien dat bij
de Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 650 (Wet
voltooiing eerste fase
herziening rechterlijke organisatie) het vierde lid van artikel 14 ingaande 1
januari 1994 is vernummerd tot derde lid. Bij dit artikel wordt deze fout
hersteld.
Artikel XXXV
[zie art.
XXXVI van de
wet, red.]
Voor een toelichting op
dit artikel moge worden verwezen naar paragraaf 2.5 van het
algemeen deel van deze toelichting.
Op grond van artikel 6
van het Besluit gegevensverstrekking sociale verzekeringen zijn de bedrijfsverenigingen bevoegd gegevens te
verstrekken aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de uitvoering van de
Arbeidsvoorzieningswet. Dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de in het eerste lid
genoemde
diensten tegen vergoeding verrichten, vloeit niet zonder meer voort uit die
wet. Daarom wordt via de bepaling in het vijfde lid wettelijk toegestaan,
zonder toestemming van de werknemer, gegevens te verstrekken
aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het kader van de inkoop.
Artikel XXXVI
(Abw) [zie
art. XXXVII van de
wet, red.]
Onderdeel A
Met deze wijziging wordt,
conform de definitie van alleenstaanden, alsnog voorzien in de
situatie dat de betrokkene een gezamenlijke rblz.|55|
huishouding met een
bloedverwant in de eerste graad voert. In zo’n geval dient deze immers ook als
een alleenstaande ouder te worden aangemerkt.
Onderdeel B
In verband met het
afschaffen van het recht op kinderbijslag op basis van de
AKW voor kinderen
ouder dan 18 jaar [van 18 jaar of ouder, red.] dient er een aantal wijzigingen in de Abw
te worden
aangebracht. In verband hiermee zij verwezen naar paragraaf 2.6
van het algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel B regelt dat
van recht op bijstand worden uitgesloten personen van wie de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten
minste 19 uur per week in
beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs
of van een beroepsopleiding. Onder het volgen van onderwijs wordt verstaan het volgen van lessen alsmede het
verrichten van een stage.
Onderdeel C
Artikel
20, vierde lid,
heeft tot doel aan te geven dat het, ingeval de betrokkene een eigen
woning heeft, ter beoordeling van de gemeente is om bijzondere bijstand in
de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek te
verstrekken. Door daarbij te spreken van "uitsluitend" wordt de gemeente de
mogelijkheid ontnomen om de bijstand in een andere vorm te verlenen,
bijvoorbeeld als een bedrag om niet of als een gewone geldlening, indien
de bijzondere bijstand samenloopt met de verlening van algemene
bijstand.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om enkele redactionele verbeteringen in artikel
20, tweede lid, aan te brengen. Door het schrappen van het woord "algemene" in onderdeel
a kan er geen misverstand meer over
bestaan dat de aldaar bedoelde ondergrens voor de vestiging van
krediethypotheek geldt voor zowel de algemene bijstand als de bijzondere
bijstand of voor een combinatie van deze beide vormen.
Onderdeel D
Met deze wijziging wordt
verduidelijkt dat bij het in aanmerking nemen van het vermogen van een
zelfstandige de vermogensgrenzen zoals die
zijn neergelegd in het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen in acht moeten worden genomen.
Onderdeel E
Met de wijziging van
artikel 29, eerste lid, onderdeel a, wordt aangesloten bij de tekst van
artikel 9, eerste lid, onderdeel e, waarin is bepaald dat degene die jonger is
dan 18 jaar geen recht op bijstand heeft. Slechts in individuele
noodsituaties kan op basis van artikel 11 Abw
aan personen jonger dan 18 jaar
bijstand worden gegeven. Deze bijstand volgt dan niet zonder meer het regime
van de 18- tot 21-jarigen.
Onderdelen F en
H
Deze wijzigingen zijn
zuiver technisch en wel door de gebruikte begrippen in
overeenstemming te brengen met de begripsbepalingen.
Onderdelen G en
K
In
artikel 36 wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om de landelijke norm of
toeslag lager vast te stellen als de betrokkene recent zijn scholing of
beroepsopleiding heeft beëindigd. Het betreft deelname rblz.|56|
aan onderwijs of
beroepsopleiding op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering,
dan wel op kinderbijslag. In dit wetsvoorstel komt
hoofdstuk IV van de
Algemene Kinderbijslagwet te vervallen, waardoor het recht op
kinderbijslag voor het kind van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar, van wie de
voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen
door of in verband met het volgen van onderwijs of van een
beroepsopleiding (artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van de
AKW) vervalt.
Voor
diegenen die op de peildatum reeds een dergelijke opleiding
volgden, blijft tot de leeftijd van 25 jaar de aanspraak op kinderbijslag
gedurende de duur van de opleiding bestaan.
Met de wijziging van
artikel 36, eerste lid, wordt bereikt dat in materieel opzicht de groep van
personen die op grond van dit artikellid als schoolverlater kunnen
worden geconfronteerd met een lagere vaststelling van de bijstandsnorm of
de toeslag gelijk blijft. Omdat de verwijzing naar de aanspraak op
kinderbijslag met het afschaffen daarvan niet langer opportuun is, wordt in
plaats van bij de "aanspraak op kinderbijslag" aangesloten bij het
criterium dat bepalend was voor die aanspraak.
Artikel 50, derde lid, is
op dezelfde manier gewijzigd.
Onderdeel I
Met de decentralisatie
van de vrijlatingsbepalingen bij de Wet van 16 december 1993, Stb.
1993, 682,
(Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing) is onder meer in de Abw
een verandering aangebracht in de wijze waarop rekening wordt gehouden
met de verwervingskosten (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18,
blz. 98 en 99). Deze worden niet meer op het inkomen in mindering
gebracht, maar komen zo nodig voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking.
In de tekst van artikel 43, tweede lid, onderdeel d en e, wordt nu
nog verwezen naar een vervallen regeling.
Ten slotte wordt een
onvolledige verwijzing in artikel 43, tweede lid, onderdeel g, aangevuld.
Onderdelen J en
O
Bij de
Wet van 29
september 1994, Stb. 1994, 742 (Student op eigen benen) zijn de mogelijkheden van
de studerende om, zonder dat deze van invloed zijn op zijn WSF-toelage,
eigen inkomsten te verwerven, verruimd. In verband hiermee is
artikel 25 van de WSF
geschrapt. De met dat artikel verband houdende zinsnede
in artikel 48 van de Abw
kan daarom vervallen.
Tevens is bij de Wet van
29 september 1994, Stb. 1994, 743, tot wijziging van de Wet
op de studiefinanciering in verband met aanpassing van de OV-studentenkaart artikel
32a van de WSF
vervangen door een geheel nieuw artikel met een
andere inhoud. De regeling van de vergoeding wanneer ten onrechte geen
OV-kaart wordt ontvangen, is thans te vinden in artikel 32h van die
wet. De verwijzing in artikel 60 van de Algemene bijstandswet wordt thans
hiermee in overeenstemming gebracht.
Onderdeel L
Bij de vaststelling van
het bescheiden vrij te laten vermogen moet worden uitgegaan van het
tijdstip van aanvang van de periode waarover bijstand wordt verstrekt
en niet, zoals in artikel 52, eerste lid, onderdeel b, abusievelijk is vermeld,
het tijdstip van de aanvraag. In een enkel geval kan de vermogenspositie
van de belanghebbende tussen deze momenten wijziging ondergaan. Een
aanvraag om bijstand kan immers worden ingediend gedurende een
periode voorafgaande aan de feitelijke bijstandsbehoevendheid
van de belanghebbende.
rblz.|57|
Onderdelen M en
N
De
onderdelen M en N
wijzigen de indexering van de jongerennorm. De indexering van de
jongerennorm is in de Abw gekoppeld aan de wijziging van het
kinderbijslagbedrag voor een kind van 18 tot 21 jaar. Omdat dit kinderbijslagbedrag met
het afschaffen van het overgangsrecht komt te vervallen, moest worden
gezocht naar een andere indexeringssystematiek. Daarbij diende een keuze
te worden gemaakt tussen aansluiting bij het
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie zoals dat wordt gehanteerd in de AKW of
voor aansluiting bij het nettominimumloon conform de overige normen
in de bijstand. Uit oogpunt van eenvoud is ervoor gekozen om alle
bijstandsnormen op dezelfde wijze te indexeren. Dit betekent dat de
jongerennorm in de Abw op basis van het nettominimumloon wordt geïndexeerd.
Onderdeel P
Door deze technische
wijziging wordt beter de bedoeling van dit artikel zoals verwoord bij
artikel 78, tweede lid, tot uitdrukking gebracht.
Onderdeel Q
Op 1 april 1995 is het
procesrecht in zaken van personen- en familierecht herzien (Stb. 1994, 94).
Met ingang van die datum zijn de artikelen 828a tot en met 828k van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komen te vervallen.
De nieuwe artikelen 798 tot en met 813 Rv, betreffende rechtspleging
in andere zaken dan scheidingszaken, zijn niet van toepassing op
bijstandsverhaalszaken.
Het procesrecht in bijstandsverhaalszaken wordt thans nog uitsluitend beheerst door de algemene
regeling van de verzoekschriftprocedure, zoals die in de artikelen 429a tot en met
429r Rv
is opgenomen. Dit betekent dat - anders
dan voorheen - bij deze verzoekschriftprocedure en de procedure in hoger
beroep geen volledige aansluiting meer bestaat met het procesrecht voor
alimentatieprocedures. De voorgestelde wijziging van artikel 103
Abw beoogt deze aansluiting te herstellen.
Onderdeel S
Deze bepalingen hebben
tot doel ouders met de verzorgende taak voor kinderen jonger dan 5
jaar te ontheffen van de arbeidsvoorwaarden. Door daarbij te spreken van
"de verplichtingen in dit hoofdstuk" zouden voor hen ook de andere
verplichtingen niet gelden, zoals bijvoorbeeld de medewerking aan de vestiging van een krediethypotheek. Met deze
wijziging wordt de
reikwijdte van de ontheffing in overeenstemming met de bedoeling gebracht,
namelijk vrijstelling van de arbeidsverplichtingen.
Onderdeel T en
artikel
XXXIX [zie art. XL van de
wet, red.]
Bij de
IOsv worden in de
artikelen XXXIV, XXXVII en XXXVIII de bepalingen in de ABW, de Ioaw
en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) over de verstrekking van gegevens
door de gemeenten aan de instellingen en personen belast met de
uitvoering van de sociale verzekeringen aangepast aan de nieuwe Osv.
Voorts voorziet artikel
XXXV van de IOsv in dezelfde wijziging in artikel 131 van de
Abw. Bij
gelegenheid van de behandeling door de Eerste Kamer van het
wetsvoorstel herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene
bijstandswet) (Kamerstukken I 1994-1995, 22 545, nr. 75) zijn de bepalingen van
dat
wetsvoorstel echter vernummerd en is artikel 131
rblz.|58|
veranderd in artikel 125.
In onderdeel S [onderdeel T, red.] wordt
artikel 125 alsnog aan de Osv aangepast.
In het eerste lid van
artikel XXXIX [zie artikel XL van de
wet, red.] wordt de situatie geregeld dat de Veegwet [de
onderhavige wet, red.] in werking treedt
eerder dan of gelijk met de nieuwe Abw. Door het laten vervallen van
artikel XXXV van de IOsv (aanpassing van artikel 125
Abw
in plaats van
artikel 131) wordt bereikt dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe
Abw
artikel
131 niet wordt gewijzigd.
Het tweede lid heeft
betrekking op de situatie dat de nieuwe Abw al in werking is getreden op
het moment dat de Veegwet
in werking treedt. In die situatie heeft
artikel XXXV van de IOsv zijn werking al gekregen, waaruit voortvloeit dat
in plaats van artikel 125 Abw
artikel 131
gewijzigd moet worden, echter
zonder dat die wijziging aansluit bij de tekst van artikel 131.
Om deze onduidelijkheid
bij de inwerkingtreding van de Veegwet direct te beëindigen, wordt
in het tweede lid van dit artikel de tekst van artikel 131
Abw opnieuw vastgesteld en wel overeenkomstig de tekst van het artikel zoals dat luidde
voorafgaand aan de - zo niet bedoelde - werking van artikel XXXV van de
IOsv.
Artikelen XXXVII en
XXXVIII (Ioaw en Ioaz) [zie
artt. XXXVIII en XXXIX
van de
wet, red.]
Onderdeel A
Deze wijzigingen sluiten
aan bij de wijziging die in artikel 4, onderdeel b, van de
Abw wordt
aangebracht.
Onderdeel B
Deze wijziging wordt
toegelicht bij onderdeel P van artikel XXXVI.
Onderdelen C en
D
Deze wijzigingen zijn
puur technisch. De verwijzingen in artikel 26, tweede lid, van de
Ioaw en in artikel
26, tweede lid van de Ioaz worden in overeenstemming gebracht
met inmiddels vernummerde artikelen. Verder worden de in artikel
32,
eerste lid, van de Ioaw en in artikel
32, eerste lid, van de Ioaz gebruikte
begrippen aangepast aan de Abw-terminologie.
Onderdeel E
Deze wijzigingen sluiten
aan bij de wijziging die in artikel 107, tweede lid, van de
Algemene
bijstandswet wordt aangebracht.
Onderdeel F
Bij de
IOsv zijn in de Ioaw en de Ioaz, zoals die komen te luiden na de inwerkingtreding van de
Invoeringswet HABW, de bepalingen over de verstrekking van gegevens
door de gemeenten aan de instellingen en personen belast met de
uitvoering van de sociale verzekeringen nog niet aangepast aan de nieuwe
Osv.
Om die reden wordt in
deze onderdelen voorgesteld om de juiste verwijzingen naar de
nieuwe Osv alsnog in de nieuwe Ioaw en Ioaz aan te brengen.
Onderdeel
G
Deze wijziging is puur
technisch en verbetert de verwijzing.
rblz.|59|
Onderdelen H en
I
Door deze verbetering is
voor de verrekening niet van belang of de bijstand is verleend op
grond van de ABW, de nieuwe Abw of de
Invoeringswet HABW.
Artikel XL
(Invoeringswet HABW) [zie
art. XLI van de
wet, red.]
In artikel XLII van de
IOsv
is bepaald dat in de bijlage bij de Awb, onderdeel
F, subonderdeel 1 vervalt
en dat subonderdelen 2 en 3 worden vernummerd tot subonderdelen 1 en 2.
Deze bijlage (zie artikel
8:5 van de Awb) wordt veelal aangeduid als de negatieve lijst, omdat op
die lijst te vinden zijn de besluiten waartegen geen beroep bij de
bestuursrechter kan worden ingesteld.
Tegelijkertijd met het
wetgevingstraject van de IOsv werd bij de tweede nota van wijziging op het
voorstel van wet Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
(Invoeringswet HABW)
(Kamerstukken II 1994-1995, 22 614, nr. 11) subonderdeel 3 van de negatieve lijst vervangen door een gewijzigd
subonderdeel 3
en een nieuw subonderdeel 4.
Deze wijziging had tot
doel om verhaalsbesluiten ingevolge hoofdstuk VII van de nieuwe
Abw op
de negatieve lijst te plaatsen en voorts om terugvorderingsbesluiten
ingevolge Abw, Ioaw en
Ioaz pas te onderwerpen aan de rechtsmacht van de
bestuursrechter op het tijdstip dat het voorstel van Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken II 1994-1995, 23 909) in werking treedt.
Als gevolg hiervan
sluiten de artikelen 53 en 59 van de
Invoeringswet HABW (Kamerstukken
I
1994-1995, 22 614, nr. 76) niet meer aan bij de - als gevolg van de
inwerkingtreding van de IOsv - met ingang van 1 januari 1995 gewijzigde
negatieve lijst.
Artikel XL
[zie artikel XLI van de
wet, red.] heeft tot doel
dit te herstellen, waarbij de leden van het artikel een oplossing beogen te
bieden voor elk van de vier volgende situaties die zich kunnen voordoen:
1. de Veegwet treedt
eerder dan of tegelijk met de nieuwe Abw (en dus ook eerder dan of
tegelijk met de
Invoeringswet HABW) in werking;
2. de Veegwet treedt in
werking na de nieuwe Abw, maar vóór de Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid;
3. idem als 2, met dien
verstande dat na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw en de Veegwet vervolgens de
Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering
sociale zekerheid in werking treedt;
4. de Veegwet treedt in
werking na de nieuwe Abw en tegelijk met of na de inwerkingtreding
van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid.
Ad 1
Indien de
Veegwet eerder
dan of tegelijk met de nieuwe Abw in werking treedt, kunnen
artikel 53
en artikel 59 van de
Invoeringswet HABW worden gewijzigd, voordat
die bepalingen hun werking hebben gehad. Het eerste lid voorziet
hierin.
Ad 2
Indien de
Veegwet in
werking treedt na de nieuwe Abw, maar
vóór de Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid, regelt het tweede lid de
situatie vanaf de inwerkingtreding van de Veegwet tot het tijdstip waarop de
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in werking treedt. Dit betekent dat in de periode tussen
de inwerkingtreding van
de nieuwe Abw en de inwerkingtreding van de Veegwet de negatieve
lijst tijdelijk een enigszins onvolkomen aanzien zal hebben, hetgeen wordt
hersteld bij de inwerkingtreding van de Veegwet.
rblz.|60|
Ad 3
De derde situatie kan
zich alleen voordoen na de situatie die in het tweede lid is omschreven.
Op het tijdstip dat - na de eerdere inwerkingtreding van de nieuwe Abw
en de Veegwet - de Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid in werking treedt, worden de terugvorderingsbesluiten
ingevolge de Abw, Ioaw en Ioaz
van de negatieve lijst
geschrapt, zodat tegen die besluiten administratieve rechtsbescherming komt
open te staan. Deze in het derde lid neergelegde wijziging is geheel
overeenkomstig de bedoeling van de wijziging ex artikel
59, onderdeel a,
van de
Invoeringswet HABW.
Ad 4
Indien de
Veegwet in
werking treedt na de nieuwe Abw en tegelijk met of
na de
inwerkingtreding van de Wet
boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid, bepaalt het vierde lid dat de terugvorderingsbesluiten ingevolge de Abw,
Ioaw en Ioaz van de negatieve lijst worden geschrapt.
Ten slotte zijn besluiten
ex artikel 45, eerste lid, van de ABW op de negatieve lijst
geplaatst, omdat de ABW bij de inwerkingtreding van de nieuwe Abw
nog enige tijd
van toepassing blijft op lopende uitkeringen. Om die reden wordt
artikel 45, eerste lid, van de ABW alsnog - overeenkomstig de huidige regeling
- op de negatieve lijst geplaatst.
Artikelen XLII
en XLIII [zie
artt. XLIII en XLIV
van de
wet, red.]
Met de wijziging van
artikel 88 van de Abw en de artikelen 29 van de
Ioaw en de Ioaz wordt
buiten twijfel gesteld dat de rechtsvordering tot nakoming van een besluit
tot terugvordering, evenals dat onder de oude Algemene Bijstandswet het
geval was, wordt ingeleid met een verzoekschrift.
Artikel XLIV (Wet
Amber) [zie
art. XLV van de
wet, red.]
Eerste lid
Bij koninklijke boodschap
van 15 juni 1995 is een voorstel van wet tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)
(Kamerstukken 24 221) ingediend, de zogenaamde Wet Amber.
Indien de Wet Amber eerder tot wet wordt verheven en in werking treedt dan de
Veegwet,
dient artikel III, onderdeel I [zie artikel
III, onderdeel H, van de
wet, red.], waarin artikel 59j van de AAW
wordt vervangen,
te vervallen. Bij de Wet Amber komt hoofdstuk IIIb van de AAW, van welk
hoofdstuk artikel 59j AAW
deel uitmaakt, namelijk te vervallen. Eén en ander is geregeld in het eerste lid van dit artikel.
Tweede lid, onderdeel A [zie
art. XLV, vierde lid, onderdeel C, van de
wet, red.]
Voorts komt in het bij de
Wet Amber voorgestelde artikel 60
WAO een verwijzing voor naar
artikel 5. Echter had naar artikel 18 (WAO) dienen te worden verwezen. In het
tweede lid, onderdeel A [zie artikel XLV, vierde
lid, onderdeel C, van de
wet, red.], wordt deze foute verwijzing gecorrigeerd.
Tweede lid, onderdeel B [zie
art. XLV, vierde lid, onderdeel E, van de
wet, red.]
Voor de toelichting op de
voorgestelde wijziging in onderdeel B van het tweede lid van dit
artikel [zie artikel XLV, vierde lid, onderdeel
E, van de
wet, red.] wordt verwezen naar paragraaf 2.5 van het algemeen deel van de
toelichting.
Het derde lid van het in Wet
Amber voorgestelde artikel 63 WAO
bevat een rblz.|61|
opsomming van gevallen
waarin de reïntegratie-uitkering moet worden geweigerd. Dit is onder
andere het geval indien vaststaat dat de onbeloonde werkzaamheden
geen algemeen geaccepteerde werkzaamheden zijn waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in
staat is. Doel hiervan
was onder meer te voorkomen dat reïntegratie-uitkeringen verstrekt zouden kunnen
worden voor arbeid die in het maatschappelijk verkeer
als in strijd met de openbare orde of goede zeden wordt beschouwd. Het
begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" behelst in het kader van de
schattingssystematiek echter meer dan dat. Zo is arbeid niet algemeen geaccepteerd indien deze in Nederland slechts
enkele arbeidsplaatsen
vertegenwoordigt. Er is echter geen reden te verbieden dergelijke
arbeid, indien aangeboden, op een proefplaats te verrichten. Met het oog
hierop wordt in het voorliggende wetsontwerp voorgesteld de voorwaarde
dat het moet gaan om algemeen geaccepteerde werkzaamheden te
schrappen.
Derde lid [zie art.
XLV, vijfde lid, van de
wet, red.]
In het derde lid is een
voorziening opgenomen voor het geval dat de Wet
Amber op een later
tijdstip in werking treedt dan de Veegwet. In dat geval worden de in het
tweede lid, onderdeel A en B [zie artikel XLV,
vierde lid, onderdeel C en E, van de
wet, red.], voorgestelde wijzigingen opgenomen in
de Wet Amber.
Artikel XLV
(Algemene
nabestaandenwet) [zie
art. XLVI van de
wet, red.]
Bij koninklijke boodschap
van 24 mei 1995 is een voorstel van wet tot regeling van een
verzekering voor nabestaanden (Algemene
nabestaandenwet) (Kamerstukken 24 169) ingediend. Indien de Algemene nabestaandenwet eerder
tot wet wordt verheven en in werking treedt dan de Veegwet, dient artikel
IX, waarin een wijziging is opgenomen van de AWW, te vervallen. In
artikel 97 van de Algemene
nabestaandenwet wordt de AWW namelijk
ingetrokken.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
|
|