|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1994-1995, 24 093
Wijziging
van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in verband met
uitbreiding van de personele werkingssfeer van
de Ziekenfondswet met een bepaalde categorie
van AOW-gerechtigden alsmede de
samenstelling van de Ziekenfondsraad
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Met
de inwerkingtreding met ingang van 1 juli 1994 van de Wet van 9 juni
1994 tot wijziging van de Ziekenfondswet en enige andere
wetten in
verband met uitbreiding van de personele werkingssfeer van de Ziekenfondswet met een
bepaalde categorie van AOW-gerechtigden (verplichte
ziekenfondsverzekering AOW-gerechtigden) en aanpassing van AOW-rechten in verband
met te betalen premies ziektekostenverzekering (Stb. 1994, 465), de zogenoemde
Wet-Van Otterloo, is een AOW-gerechtigde wiens AOW-uitkering,
vermeerderd met zijn inkomsten uit of in verband met het verrichten van
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, de inkomensgrens (voor 1994
vastgesteld op ƒ30
500,-) niet overschrijdt in beginsel verzekerd
ingevolge de Ziekenfondswet. Voor een AOW-gerechtigde met een
eveneens AOW-gerechtigde partner geldt bovendien de voorwaarde
dat beide partners individueel aan de voorwaarde dienen te
voldoen dat de AOW-uitkering, vermeerderd met diens inkomsten uit of in
verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven,
de gestelde inkomensgrens niet te boven gaat. Dit is in de formulering
van het initiatief-wetsvoorstel verwoord als: "mits de echtgenoot van
betrokkene eveneens voldoet aan de voorwaarde van deze bepaling".
Voormelde voorwaarde was in het op 7 april 1993 ingediende initiatief-wetsvoorstel van het lid Van Otterloo alleen van
toepassing op personen
die ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
AOW pensioen ontvingen.
Immers, onder dit artikelonderdeel vielen in de wettekst van de AOW,
zoals die luidde ten tijde van indiening van het initiatief-wetsvoorstel,
alleen díe AOW-gerechtigden met een eveneens AOW-gerechtigde partner.
Personen met een niet-AOW-gerechtigde partner vielen onder de
bepaling van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de
AOW.
Tijdens de parlementaire
behandeling in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van
vorenbedoeld wetsvoorstel is bij de Wet van 23 oktober 1993 (Stb.
1993, 592)
tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet (wijziging in de
verhouding van ouderdomspensioen en toeslag) een aantal bepalingen van de
AOW gewijzigd. Daarbij is de categorie AOW-gerechtigden van wie
de partner jonger is dan 65 jaar overgeheveld rblz.|2|
van onderdeel a naar
onderdeel b, zodat dit artikelonderdeel alle gehuwden omvat en niet
alleen gehuwden die beiden AOW-gerechtigd zijn.
Door de verwijzing naar
artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de AOW
in de formulering van genoemd wetsvoorstel is de additionele voorwaarde voor
ziekenfondsverzekering
onbedoeld eveneens van toepassing geworden op personen met een
niet-AOW-gerechtigde partner. Aangezien de jongere partners nog geen AOW-uitkering ontvangen, kunnen betrokkenen per
definitie niet voldoen
aan de voorwaarde "mits de echtgenoot ...", zodat zij onbedoeld niet in
aanmerking komen voor een ziekenfondsverzekering. Zonder nadere regelgeving
zou dit ertoe leiden dat een AOW-gerechtigde met een
niet-AOW-gerechtigde partner, ook al wordt voldaan aan het voormelde
inkomensvereiste, uitgesloten is van de ziekenfondsverzekering.
Het vorige kabinet was
voornemens vooruitlopend op een wijziging van de Ziekenfondswet deze
omissie tijdelijk door een wijziging van het Aanwijzingsbesluit
verplicht-verzekerden Ziekenfondswet (Aanwijzingsbesluit) te herstellen. Met
betrekking tot die wijziging is evenwel door de Raad van State in zijn advies van 22 juni 1994,
nr. W13.94.0293
(opgenomen in het
bijvoegsel van de
Nederlandse Staatscourant van 12 juli 1994, nr. 130),
geadviseerd deze lacune niet bij algemene maatregel van bestuur te herstellen,
maar door een wijziging van de Ziekenfondswet met terugwerkende kracht
tot en met 1 juli 1994. Gevolg gevend aan dit advies is besloten om
vorenbedoelde maatregel achterwege te laten en op korte termijn een wetswijziging op dit punt te bevorderen. In verband
hiermee is de
Ziekenfondsraad verzocht de bij de invoering van de Wet-Van Otterloo betrokken
organen hiervan op de hoogte te stellen en deze organen op te dragen bij
de uitvoering van de ziekenfondsverzekering op de totstandkoming van
vorenbedoelde wet te anticiperen. De in artikel I,
onderdeel A, opgenomen
wijziging strekt ertoe de rechtsgrond voor verplichte verzekering
ingevolge de Ziekenfondswet van AOW-gerechtigden met een
niet-AOW-gerechtigde partner in die wet te verankeren.
Van deze gelegenheid is
tevens gebruik gemaakt om overeenkomstig het advies van de
Ziekenfondsraad van 22 september 1994, VERZ/30994/94, in de tekst
van onderdeel c een redactionele verbetering aan te brengen.
Met de inwerkingtreding
van de Wet-Van Otterloo is het aantal personen van 65 jaar of ouder dat
verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet aanzienlijk toegenomen.
Onderzoeken met betrekking tot de demografische ontwikkeling in ons land
laten ook zien dat ouderen een steeds grotere groep van de
Nederlandse samenleving uitmaken. Tegen deze achtergrond acht de
regering het van groot belang dat deze categorie van verzekerden meer wordt
betrokken bij de ontwikkelingen op het terrein van de volksgezondheid in
het algemeen en bij de verschillende aspecten betreffende de
verzekeringsplicht voor ouderen in het bijzonder. Het wordt gewenst geacht de
toenemende omvang van de categorie van ouderen in zowel de samenleving als
in de ziekenfondsverzekering tot uitdrukking te brengen in de
samenstelling van de
Ziekenfondsraad. De regering wijkt hiermee overigens af van
het advies van de Ziekenfondsraad van 25 augustus 1994, JA/25570/94. Daarin stelt de Raad zich op het standpunt
dat de vertegenwoordiging
in de Ziekenfondsraad van oudere zorgconsumenten voldoende
is gewaarborgd binnen de Nederlandse Patiënten/Consumenten Federatie (NP/CF).
Realisatie van het
voornemen de toenemende omvang van de categorie van ouderen in de ziekenfondsverzekering tot uitdrukking te brengen in de
samenstelling van de
Ziekenfondsraad kan gestalte krijgen door de vertegenwoordiging van
verzekerden in de Raad uit te breiden. Daartoe wordt het thans bestaande
aantal zetels voor de behartiging van de rblz.|3|
belangen van de
verzekerden van twee zetels en een gelijk aantal plaatsvervangende zetels
uitgebreid naar drie zetels en drie plaatsvervangende zetels. Het voornemen
bestaat om deze extra zetel te laten invullen door een
vertegenwoordiger van oudere zorgconsumenten, waarmee het toenemend belang van
ouderen in de samenleving tot uitdrukking wordt gebracht.
Deze uitbreiding van de
Ziekenfondsraad tot 38 leden betekent niet dat de
regering de uitgangspunten betreffende de vereenvoudiging van het stelsel van
adviesorganen op het terrein van de gezondheidszorg loslaat.
Gelet evenwel op de zich voorgedaan hebbende demografische
ontwikkeling in de Nederlandse samenleving en de toename van het aantal
ouderen in de ziekenfondsverzekering acht de regering het niet
wenselijk om met het bieden van de mogelijkheid aan ouderen om te
participeren in de Ziekenfondsraad te wachten tot de besluitvorming rond de
herstructurering van de adviesorganen is afgerond.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
De in
artikel I,
onderdeel A, onder 1 en 2, opgenomen wijzigingen betreffen
door de
Ziekenfondsraad geadviseerde redactionele verbeteringen. De onder 3 opgenomen wijziging strekt ertoe de rechtsgrond voor
verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet
van AOW-gerechtigden met een
niet-AOW-gerechtigde partner in die wet op te nemen.
Artikel I, onderdeel B
De voorgestelde wijziging
betreft uitbreiding van de
Ziekenfondsraad met één lid en één plaatsvervangend lid ten behoeve van de behartiging van de belangen van de
verzekerden.
Artikel II
Door uitbreiding van het
aantal zetels van de groepering, bedoeld in artikel
51, derde lid,
tweede volzin, van de Ziekenfondswet, van twee zetels
en een gelijk aantal
plaatsvervangende zetels naar drie zetels en een gelijk aantal plaatsvervangende
zetels dient de stemverhouding van de desbetreffende
groeperingen die vertegenwoordigers voor de
Ziekenfondsraad mogen aanwijzen te
worden aangepast.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
|
|