|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 24 484.
Handelingen II 1995-1996, blz. 2406-2421, 2593-2594.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 484 (121, 121a, 121b, 121c).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 6 februari 1996.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 7 februari 1996, Stb.
1996, 93, tot tijdelijke regeling houdende beperking van de
inkomensgevolgen door toepassing van arbeidsongeschiktheidscriteria voor
personen in bepaalde leeftijdscategorieën (Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria). Inwerkingtreding:
1 januari 1996. Vervalt met ingang van 1 december 2016.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is voor personen in bepaalde leeftijdscategorieën die
langdurig recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben gehad en
door wijziging van een aantal wetten als gevolg van de inwerkingtreding
van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen hun
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen dan wel voor een
lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komen en voor
personen die op het moment van inwerkingtreding van die wet 50 jaar of
ouder waren en op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals
dat voor deze personen is gehandhaafd, hun recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen of hebben verloren dan wel
voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komen of
zijn gekomen, de inkomensgevolgen te beperken en in verband hiermee een
tijdelijke regeling te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen,
invaliditeitspensioen, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet, of
pensioen ter zake van ziekte of gebreken, bedoeld in de Algemene
militaire pensioenwet;
b. werkloze persoon: de
persoon, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, en de werknemer, bedoeld
in artikel 2, tweede lid;
c. Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming: het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming, bedoeld in hoofdstuk IV van de Organisatiewet sociale
verzekeringen;
d. bedrijfsvereniging: een
bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk V van de Organisatiewet
sociale verzekeringen.
Art. 2.
-1. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn van toepassing op de persoon die door de
toepassing van artikel 5 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of
artikel 18 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luiden
na wijziging als gevolg van de inwerkingtreding van
de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen,
zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest, dan wel voor een
lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt en die:
a. op 31 december 1986 de
leeftijd van 35 jaar had bereikt en op die dag, alsmede op 31 juli 1993,
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
b. op 1 augustus 1993 de
leeftijd van 45 jaar had bereikt maar niet die van 50 en die op 31 juli
1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
c. op 31 december 1986 de
leeftijd van 35 jaar had bereikt en op die dag, alsmede op 31 juli 1993,
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen;
d. op 1 augustus 1993 de
leeftijd van 45 jaar had bereikt maar niet die van 50 en die op 31 juli
1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
e. op 31 december 1986 de
leeftijd van 35 jaar had bereikt en die op 31 juli 1993 recht had op een
herplaatsingstoelage, herplaatsingswachtgeld of een invaliditeitspensioen
op grond van de Spoorwegpensioenwet; of
f. op 1 augustus 1993 de
leeftijd van 45 jaar had bereikt maar niet die van 50 en die op 31 juli
1993 recht had op een herplaatsingstoelage, herplaatsingswachtgeld of
een invaliditeitspensioen op grond van de Spoorwegpensioenwet.
-2. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de werknemer,
bedoeld in de Werkloosheidswet, die tevens persoon is als bedoeld in
artikel XX, XXI, XXIV of
XXV van de Wet terugdringing
beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen en die op 31 december 1986 de leeftijd
van 35 jaar had bereikt en:
a. wiens pensioen door
toepassing van artikel F 8a van de Algemene burgerlijke pensioenwet op
een lagere mate van algemene invaliditeit of arbeidsongeschiktheid wordt
gebaseerd; of
b. wiens recht op pensioen
door toepassing van artikel E 6 van de Algemene militaire
pensioenwet op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
-3. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon die
op 1 augustus 1993 de leeftijd van 50 jaar had bereikt en die op 31
juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een herplaatsingstoelage, herplaatsingswachtgeld
of invaliditeitspensioen op
grond van de Spoorwegpensioenwet en die vanaf 1 augustus 1993
door de toepassing van artikel 5 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of artikel 18 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor deze persoon na de
inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
zijn blijven luiden, zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
verliest of heeft verloren dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is
gekomen.
HOOFDSTUK
2
De
uitkering
§ 1.
Algemene bepalingen
Art. 3.
-1. Met inachtneming van dit
hoofdstuk heeft de werkloze persoon recht op een uitkering.
-2. De werkloze persoon heeft
geen recht op een uitkering voor zover hij ter zake van de toepassing,
bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, recht heeft op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
-3. Voor zover in deze wet
niet anders wordt bepaald, zijn de Werkloosheidswet en de
daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing op de werkloze
persoon die recht heeft op een uitkering.
-4. Voor de toepassing van
andere wetten en de daarop berustende
bepalingen wordt een
uitkering op grond van deze wet aangemerkt als vervolguitkering op grond
van de verplichte verzekering ingevolge de Werkloosheidswet.
Art. 4.
-1. De uitkering gaat in op
de eerste dag nadat als gevolg van de toepassing, bedoeld in artikel
2, eerste, tweede of derde lid, het einde van de duur van een daarop
betrekking hebbende uitkering op grond van de Werkloosheidswet is bereikt.
-2. Voor de werkloze persoon
die, nadat hij als gevolg van de toepassing, bedoeld in artikel
2, eerste, tweede of derde lid, zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking komt, geen recht op een daarop betrekking hebbende
uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft, gaat de uitkering in
op de eerste dag van werkloosheid.
-3. Indien het recht op de
uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd of niet ingegaan wegens het
verrichten van arbeid als werknemer en ter zake van die arbeid recht op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan, herleeft het
recht op de uitkering geheel of gedeeltelijk respectievelijk gaat het
recht op de uitkering in op de eerste dag nadat het einde van de duur van die
uitkering op grond van de Werkloosheidswet is bereikt.
-4. Indien het recht op de
uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd of niet ingegaan wegens het
verrichten van arbeid als werknemer en ter zake van die arbeid geen recht op
een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is
ontstaan, herleeft het recht op de uitkering geheel of gedeeltelijk respectievelijk
gaat het recht op de uitkering in op de eerste dag van werkloosheid.
-5. In afwijking van het
eerste en derde lid gaat de uitkering niet in indien zich onmiddellijk
aansluitend aan het einde van de duur van een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel
19,
eerste lid, onderdeel f, h of k, van die wet of
indien de werkloze persoon
niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
16, eerste lid,
onderdeel b, van die wet, anders dan wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid, of
indien zich een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden
voordoet en deze omstandigheid of omstandigheden aaneensluitend langer dan
zes maanden hebben geduurd. Indien deze omstandigheid of
omstandigheden niet langer dan zes maanden aaneensluitend
hebben geduurd, gaat de uitkering in op de eerste dag dat deze
omstandigheden zich niet meer voordoen.
-6. In afwijking van het
tweede en vierde lid gaat de uitkering niet in indien tussen het moment
waarop de werkloze persoon zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
verliest dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking komt respectievelijk ophoudt arbeid als werknemer
te verrichten en de eerste dag van werkloosheid, een periode
van meer dan dertien weken ligt. Bij het bepalen van deze periode worden
perioden van ziekte en arbeidsongeschiktheid niet meegeteld.
Art. 5.
-1. Het recht op uitkering
wordt op grond van hoofdstuk IIa van de Werkloosheidswet
vastgesteld.
-2. Bij het vaststellen van
het recht op uitkering zijn de artikelen 17,
17a en 17b
van de
Werkloosheidswet niet van toepassing. Het tijdvak, bedoeld in artikel
8, tweede lid,
van de Werkloosheidswet, wordt verlengd tot drie
jaar.
-3. Aan de werkloze persoon
wordt vakantiebijslag in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden uitbetaald of, indien het recht op uitkering
eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende maand.
-4. De hoogte van de
uitkering wordt op grond van hoofdstuk IIa,
afdeling III, paragraaf 2,
van de Werkloosheidswet vastgesteld.
-5. De hoogte van de
uitkering, bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, wordt niet anders
vastgesteld dan dat deze na de eerste toepassing, bedoeld in artikel
2,
eerste, tweede of derde lid, is vastgesteld of zou zijn vastgesteld indien de
werkloze persoon geen arbeid had verricht, tenzij de werkloze persoon als gevolg
van een volgende toepassing als bedoeld in artikel 2, eerste,
tweede
of derde lid, in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld.
Art. 6.
De uitkering eindigt met
ingang van de eerste dag van de maand waarin de werkloze persoon de
leeftijd van 65 jaar bereikt.
§ 2.
Bijzondere bepalingen
Art. 7.
Deze paragraaf is van
toepassing op de werkloze persoon op wie artikel 4, tweede lid, toepassing
vindt of toepassing zou vinden indien artikel 4, derde, vierde of vijfde lid
niet op hem van toepassing zou zijn.
Art. 8.
-1. De bedrijfsvereniging
stelt zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 16
van de Werkloosheidswet en
de daarop berustende bepalingen het aantal arbeidsuren, alsmede het
aantal verloren arbeidsuren, per kalenderweek vast.
-2. De werkloze persoon wordt
voor het aantal verloren arbeidsuren de hoedanigheid van werknemer
in de zin van de Werkloosheidswet toegekend.
-3. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan regels stellen omtrent het aantal
arbeidsuren en het aantal verloren arbeidsuren, bedoeld in het eerste lid.
Art. 9.
-1. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste of derde lid, een uitkering
op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt uitbetaald of, indien
artikel 16, 19 of 21 van die
wet op hem niet van toepassing was,
zou worden uitbetaald, is gelijk aan de grondslag berekend volgens
de bij en krachtens die wet vastgestelde bepalingen.
-2. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste of derde lid, een
loondervingsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt uitbetaald of, indien artikel
25, 28, 30 of
33 van die wet op
hem niet van toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan
het dagloon berekend volgens de bij of krachtens die wet vastgestelde
bepalingen.
-3. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste of derde lid, een
vervolguitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt uitbetaald of, indien artikel 25, 28,
30 of 33 van die wet
op hem niet van
toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan het vervolgdagloon berekend volgens de bij of krachtens die wet vastgestelde bepalingen.
-4. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste of derde lid, een
loondervingsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen wordt uitbetaald
of, indien artikel 25, 28,
30 of 33 van Wet op
de
arbeidsongeschiktheidsverzekering op hem niet van overeenkomstige
toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan het dagloon berekend
volgens de bij of krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen vastgestelde
bepalingen.
-5. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste of derde lid, een
vervolguitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen wordt uitbetaald
of, indien artikel 25, 28,
30 of 33 van Wet op
de
arbeidsongeschiktheidsverzekering op hem niet van overeenkomstige toepassing
was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan het vervolgdagloon berekend
volgens de bij of krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen vastgestelde
bepalingen.
-6. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, een
invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, is gelijk aan de door 261 gedeelde berekeningsgrondslag
waarnaar dat invaliditeitspensioen was berekend. Indien op het in de eerste
volzin bedoelde pensioen ingevolge artikel F 9a van de Algemene burgerlijke
pensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor de vaststelling
van het dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag
verhoogd met die toeslag. Artikel 15 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is van toepassing op het dagloon, bedoeld in dit lid.
-7. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, pensioen wordt
uitbetaald uit hoofde van ziekte of gebreken op grond van de Algemene
militaire pensioenwet, is gelijk aan de door 261 gedeelde
uitkeringsgrondslag of vervolguitkeringsgrondslag waarnaar dat
invaliditeitspensioen was berekend. Indien op het in de eerste volzin bedoelde
pensioen ingevolge artikel F 7a van de Algemene militaire pensioenwet een
toeslag was verleend, wordt voor de vaststelling van het dagloon
het bedrag van de grondslag verhoogd met die toeslag. Artikel 15
van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is van toepassing op het
dagloon, bedoeld in dit lid.
-8. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan, in afwijking van het eerste tot
en met vijfde lid, regels stellen ter bepaling van het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering vóór de toepassing, bedoeld in artikel
2,
eerste, tweede of derde lid, werd uitbetaald op grond van artikel 36a, tweede of
derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of artikel
46a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art. 10.
-1. De hoogte van de
uitkering van de werkloze persoon die op de dag vóór de toepassing, bedoeld
in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, 80% of meer arbeidsongeschikt
was, wordt op grond van artikel 5, vierde lid, vastgesteld.
-2. In afwijking van artikel
5, vierde lid, wordt de hoogte van de uitkering van de werkloze persoon die
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid,
minder dan 80% arbeidsongeschiktheid was, overeenkomstig het derde tot
en met zesde lid vastgesteld.
-3. De uitkering bedraagt per
dag 70% van een percentage van het minimumloon. Indien de
werkloze persoon na de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of
derde lid, zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest, is dit percentage
gelijk aan het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse
waarin de werkloze persoon is ingedeeld vóór die toepassing. Indien
de werkloze persoon na de toepassing, bedoeld in artikel 2,
eerste, tweede of derde lid, voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking blijft komen, is dit percentage gelijk aan het
verschil tussen het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse
waarin de werkloze persoon is ingedeeld op de dag vóór de
toepassing,
bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, en het midden van de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werkloze persoon is
ingedeeld na die toepassing.
-4. Indien de werkloze
persoon op een tijdstip na de toepassing van het derde lid wederom als
gevolg van de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid,
wordt ingedeeld in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse,
is het in de eerste volzin van het derde lid bedoelde percentage gelijk
aan het verschil tussen het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse
waarin de werkloze persoon is ingedeeld op de dag vóór de
toepassing,
bedoeld in het derde lid, en het midden van de nieuwe
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werkloze persoon is
ingedeeld na de hernieuwde
toepassing.
-5. Indien het dagloon,
bedoeld in artikel 9, lager is dan het minimumloon, wordt voor de
toepassing van het derde en vierde lid het dagloon voor het minimumloon
in de plaats gesteld.
-6. In afwijking van het
derde tot en met vijfde lid wordt de uitkering voor de werkloze persoon
die, voorafgaand aan de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of
derde lid, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag van 70% of meer van
het minimumloon had en als gevolg van die toepassing:
a. zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest en recht krijgt op een uitkering per
dag van minder dan 70% van het minimumloon, vastgesteld op
70% van het minimumloon;
b. recht krijgt op een
uitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering die tezamen per dag minder
dan 70% van het minimumloon bedragen, zodanig vastgesteld dat deze
uitkeringen per dag tezamen 70% van het minimumloon bedragen.
Art. 11.
-1. De werkloze persoon die
recht heeft of heeft gehad op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en recht krijgt op een uitkering, is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging die het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft vastgesteld.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet door een bedrijfsvereniging is vastgesteld, is de
werkloze persoon verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn werkgever is
aangesloten.
HOOFDSTUK
3
Slotbepalingen
Art. 12.
-1. De op grond van deze wet
te betalen uitkeringen en de aan de uitvoering van deze wet
verbonden kosten worden ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in
artikel 31 van de Toeslagenwet, gebracht.
-2. Het Rijk voorziet het
Toeslagenfonds van de middelen tot dekking van de uitkeringen en kosten,
bedoeld in het eerste lid.
-3. De regels die op grond
van artikel 26, tweede lid, van de Toeslagenwet door
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van
Financiën zijn gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de
afdracht van gelden door het Rijk aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming ten gunste van het Toeslagenfonds plaatsvindt,
zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt ten laste van het Toeslagenfonds aan
de bedrijfsvereniging gelden ter beschikking voor de financiering van de
uitkeringen en kosten, bedoeld in het eerste lid.
-5. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming beheert en administreert afzonderlijk
de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid,
in de vorm van een onderdeel van het Toeslagenfonds.
-6. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan, onder goedkeuring van het College
van toezicht sociale verzekeringen, regels stellen ter uitvoering van
het eerste en vierde lid.
Art. 13.
[MvT]
-1. Indien het bij
koninklijke boodschap van 6 juni 1995 ingediende voorstel van wet
privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Wet
privatisering ABP;
Kamerstukken II 1994-1995, 24 205) tot wet wordt verheven en met ingang van 1
januari 1996 in werking treedt:
a. wordt in artikel
1,
onderdeel a, de zinsnede "invaliditeitspensioen, bedoeld in de Algemene
burgerlijke pensioenwet" vervangen door: WAO-conforme uitkering,
bedoeld in de Wet
privatisering ABP;
b. komt artikel 2, tweede
lid, onderdeel a, te luiden:
a. die door de conforme
toepassing van artikel 18 van de Wet op
de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn recht op een WAO-conforme uitkering verliest, dan wel
voor een lagere WAO-conforme uitkering in aanmerking komt; of;
c. komt artikel
9, zesde
lid, te luiden:
-6. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, een
WAO-conforme
uitkering overeenkomstig de loondervingsuitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
uitbetaald of, indien artikel 25, 28,
30 of 33 van die
wet niet op hem van
overeenkomstige toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan
het dagloon berekend volgens de bij of krachtens de Wet
privatisering ABP vastgestelde bepalingen.;
d. wordt, onder vernummering
van het zevende en achtste lid
tot achtste en negende lid,¹ een zevende lid ingevoegd,
luidende:
-7. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, een WAO-conforme
uitkering overeenkomstig de vervolguitkering op grond van de Wet op
de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt uitbetaald of, indien
artikel 25, 28, 30 of
33 van die wet niet op hem
van overeenkomstige
toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan het dagloon berekend volgens
de bij of krachtens de Wet
privatisering ABP vastgestelde bepalingen.
-2. Indien het bij
koninklijke boodschap van 6 juni 1995 ingediende voorstel van wet
privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Wet
privatisering ABP; Kamerstukken II 1994-1995, 24 205) tot wet wordt verheven en na 1 januari
1996 in werking treedt:
a. wordt in artikel
1,
onderdeel a, na de zinsnede "Algemene burgerlijke
pensioenwet" toegevoegd: , WAO-conforme uitkering, bedoeld in de
Wet privatisering
ABP;
b. wordt aan artikel 2,
tweede lid, onderdeel a, na de zinsnede "wordt gebaseerd" toegevoegd: of
die door de conforme toepassing van artikel 18 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn recht op een WAO-conforme uitkering
verliest, dan wel voor een lagere WAO-conforme uitkering in aanmerking
komt;
c. worden, onder vernummering
van het zevende en achtste lid
tot negende en tiende lid, na artikel
9, zesde lid, een
zevende en achtste lid ingevoegd, luidende:
-7. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, een WAO-conforme
uitkering overeenkomstig de loondervingsuitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt uitbetaald of, indien
artikel 25, 28, 30
of 33 van die wet niet op hem van
overeenkomstige toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan
het dagloon berekend volgens de bij of krachtens de Wet
privatisering ABP vastgestelde bepalingen.
-8. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag
vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, een WAO-conforme
uitkering overeenkomstig de vervolguitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt uitbetaald of, indien
artikel 25, 28, 30 of
33 van die wet niet op hem
van overeenkomstige
toepassing was, zou worden uitbetaald, is gelijk aan het dagloon berekend volgens
de bij of krachtens de Wet privatisering ABP vastgestelde bepalingen.
-3. Indien het bij
koninklijke boodschap van 4 september 1995 ingediende voorstel van wet nadere wijziging van een aantal
socialezekerheidswetten (technische
verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ
alsmede enige
andere wijzigingen; Kamerstukken II 1994-1995, 24 326) tot
wet wordt verheven en in werking treedt, wordt op hetzelfde tijdstip in
artikel 12, derde lid, de zinsnede "artikel
26, tweede lid, van de Toeslagenwet"
vervangen door: artikel 74 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen.
1. Volgens de redactie
dient na "negende lid," te worden ingevoegd: na artikel
9, zesde lid,.
Art. 14.
Deze wet treedt in werking
met ingang van 1 januari 1996. Indien het Staatsblad waarin
deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na 1 januari 1996, treedt
zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1
januari 1996. Deze wet vervalt met ingang van 1 december 2016.
Art. 15.
Deze wet wordt aangehaald
als: Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
7 februari 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de twintigste
februari 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|