|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996,
24 439.
Handelingen II 1995-1996, blz. 2210-2252, 2365-2403, 2468-2523, 2594-2596.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 439 (134, 134a, 134b, 134c, 134d, 134e).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 6 februari 1996.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET
van 8 februari 1996, Stb. 1996, 134, tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek, de Ziektewet en enkele andere
wetten in verband met
loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer (Wet
uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte). Inwerkingtreding: 1
maart 1996 (Stb. 1996, 141).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de loondoorbetalingsverplichting
van de werkgever bij ziekte van de werknemer uit te breiden van
zes naar 52 weken en daartoe het Burgerlijk
Wetboek, de Ziektewet en enkele andere
wetten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Wetten op het terrein van
het burgerlijk recht en de burgerlijke rechtsvordering
Art. I.
[MvT]
Het Burgerlijk
Wetboek wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT
+ bis]
Boek 7a, zevende titel a,
wordt gewijzigd als volgt:
1. Artikel 1638c wordt
vervangen door de volgende artikelen:
Art. 1638c. [MvT
+ bis]
-1. Voor zover het loon niet
meer bedraagt dan het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste
lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, behoudt de arbeider voor een
tijdvak van 52 weken recht op 70% van het naar tijdruimte
vastgestelde loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke
minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht
omdat hij daartoe door ziekte of door zwangerschap of bevalling verhinderd was.
Indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel
38, eerste lid, van de
Ziektewet, later doet dan in dat
artikel is voorgeschreven,
wordt dit tijdvak met de duur van de vertraging verlengd.
-2. Voor de arbeider die ten
behoeve van zijn werkgever in diens huishouding uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten op minder dan drie
dagen per week verricht, geldt het in het eerste lid bedoelde recht
voor een tijdvak van zes weken.
-3. De arbeider heeft het in
het eerste lid bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door
zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in
het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt
en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde
belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd gedurende
welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
c. voor de tijd gedurende
welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond
passende arbeid voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van de bedrijfsvereniging waarbij
deze is aangesloten
aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet
verricht.
-4. Het loon wordt verminderd
met:
a. het bedrag van enige
geldelijke uitkering die de arbeider toekomt krachtens enige wettelijk
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig
fonds waarin de deelneming is bedongen bij of voortvloeit uit de
arbeidsovereenkomst;
b. het bedrag van de inkomsten door de arbeider in of buiten dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden
die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe
niet verhinderd was geweest, de bedongen arbeid had kunnen
verrichten.
-5. De werkgever is bevoegd
de betaling van het in het eerste lid bedoelde loon op te schorten
voor de tijd gedurende welke de arbeider zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke
voorschriften omtrent het
verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het
recht op loon vast te stellen.
-6. De werkgever kan geen
beroep meer doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet
te betalen of de betaling daarvan op te schorten indien hij de
arbeider daarvan geen kennis heeft gegeven binnen een redelijke termijn
nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen
of redelijkerwijs had behoren te rijzen.
-7. Indien het loon in geld
op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing, met dien
verstande dat als loon wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de arbeider, wanneer hij niet
verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.
-8. Van dit artikel kan ten
nadele van de arbeider slechts in zoverre worden afgeweken dat bij
schriftelijke overeenkomst of bij reglement bedongen kan worden dat de
arbeider voor de eerste twee dagen van het in het eerste of tweede lid
bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
-9. Voor de toepassing van
het eerste en achtste lid worden perioden waarin de arbeider tengevolge van ziekte verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten,
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
Art. 1638ca. [MvT
+ bis]
-1. De rechter wijst een
vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 1638c af indien bij
de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige benoemd door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever is aangesloten, omtrent de
verhindering van de arbeider om de bedongen of andere passende arbeid te
verrichten.
-2. Het eerste lid geldt niet
indien de verhindering niet wordt betwist of het overleggen van de
verklaring in redelijkheid niet van de arbeider kan worden gevergd.
-3. De deskundige die zijn
benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en
naar beste weten te volbrengen.
-4. De deskundige die de
hoedanigheid van arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van belang zijnde
inlichtingen over de arbeider inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend artsen. Zij verstrekken de gevraagde
inlichtingen voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van de arbeider niet onevenredig
wordt geschaad.
-5. De rechter kan op verzoek
van één der partijen of ambtshalve bevelen dat de deskundige
zijn verklaring nader schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
-6. De arbeider wordt ter
zake van een vordering als bedoeld in het eerste lid slechts in de
kosten van de werkgever, bedoeld in artikel 56 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik
van procesrecht.
-7. Bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een bevoegd publiekrechtelijk orgaan kan worden bepaald dat de in het
eerste lid bedoelde deskundige door een ander dan de bedrijfsvereniging wordt aangewezen.
Art. 1638cb. [MvT
+ bis]
-1. De arbeider behoudt het
recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor een korte, naar
billijkheid te berekenen tijd wanneer hij, hetzij tengevolge van de
vervulling van een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding,
opgelegde verplichting, welke vervulling niet in zijn vrije tijd kon geschieden,
hetzij tengevolge van zeer bijzondere, buiten zijn schuld ontstane
omstandigheden, verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten.
-2. Onder zeer bijzondere,
buiten zijn schuld ontstane omstandigheden worden voor de toepassing
van dit artikel in ieder geval begrepen: de bevalling van de echtgenote
van de arbeider en het overlijden en de lijkbezorging van één van
zijn huisgenoten of één van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte
lijn en in de tweede graad van de zijlijn. Onder de vervulling van een door
wet of overheid opgelegde verplichting wordt begrepen de uitoefening van
het actief kiesrecht.
-3. Het vierde lid, onderdeel a en b, en het zevende lid van artikel 1638c zijn van overeenkomstige
toepassing.
-4. Van dit artikel kan
slechts bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement worden afgeweken.
2. Aan artikel 1638dd,
vijfde lid, wordt een nieuwe zin toegevoegd, luidende:
De in de eerste volzin
bedoelde aanspraak bestaat evenmin indien de ziekte het gevolg is van een
gebrek waarover de arbeider bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst
de werkgever opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven en voor de
tijd gedurende welke de arbeider door zijn toedoen zijn genezing heeft
belemmerd of vertraagd dan wel hij, hoewel hij daartoe in staat is,
zonder deugdelijke grond passende arbeid voor de werkgever of voor een door
de werkgever met toestemming van de bedrijfsvereniging waarbij
deze is aangesloten aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in
de gelegenheid stelt, niet verricht.
3. In artikel 1638ee wordt "artikel 1638c, derde en vierde
lid," vervangen door: artikel
1638cb. [MvT
+ bis]
4. Artikel 1639l wordt
gewijzigd als volgt: [MvT
+ bis]
a. Het derde lid komt te
luiden:
-3. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende
der echtgenoten van wie de arbeider niet duurzaam gescheiden
leefde dan wel degene met wie de arbeider ongehuwd samenleefde, bij
ontstentenis van deze de minderjarige wettige of natuurlijke
kinderen en bij ontstentenis van dezen degene met wie de arbeider in
gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van
ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake indien
twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met
uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien de betrokkenen
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in
de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
verzorging voorzien.
b. In het vijfde lid wordt
na "het tweede lid geldt niet" ingevoegd:
indien de arbeider
onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel
1638c, derde lid, geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel
1638c,
eerste lid, of.
B. [MvT
+ bis]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 7 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot
vaststelling van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken II 1993-1994, 23 438, nrs. 1-2) tot wet is verheven en in
werking is getreden, wordt het Burgerlijk
Wetboek gewijzigd als volgt:
1. Artikel 629 wordt
vervangen door de volgende artikelen:
Art. 629. [MvT
+ bis]
-1. Voor zover het loon niet
meer bedraagt dan het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste
lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, behoudt de werknemer voor
een tijdvak van 52 weken recht op 70% van het naar tijdruimte
vastgestelde loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke
minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht
omdat hij daartoe door ziekte of door zwangerschap of bevalling verhinderd was.
Indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel
38, eerste lid, van de
Ziektewet, later doet dan in dat
artikel is voorgeschreven,
wordt dit tijdvak met de duur van de vertraging verlengd.
-2. Voor de werknemer die ten
behoeve van zijn werkgever uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
huiselijke of persoonlijke diensten op minder dan drie dagen per week verricht, geldt het in
het eerste lid bedoelde recht voor een
tijdvak van zes weken.
-3. De werknemer heeft het in het eerste lid bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door
zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in
het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt
en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde
belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd gedurende
welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
c. voor de tijd gedurende
welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond
passende arbeid voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van de bedrijfsvereniging waarbij
deze is aangesloten
aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet
verricht.
-4. Artikel 628, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing. Het loon wordt voorts verminderd met het
bedrag van de inkomsten door de werknemer in of buiten
dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd
dat hij, zo hij daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen arbeid
had kunnen verrichten.
-5. De werkgever is bevoegd
de betaling van het in het eerste lid bedoelde loon op te schorten voor de
tijd gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever
schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van
de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te
stellen.
-6. De werkgever kan geen
beroep meer doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet
te betalen of de betaling daarvan op te schorten indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven
onverwijld nadat bij hem het
vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs
had behoren te rijzen.
-7. Artikel 628, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-8. Van dit artikel kan ten
nadele van de werknemer slechts in zoverre worden afgeweken dat
bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in
het eerste lid of tweede lid bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
-9. Voor de toepassing van het eerste en achtste lid worden perioden waarin de werknemer
tengevolge van
ziekte verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
Art. 629a. [MvT
+ bis]
-1. De rechter wijst een
vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 629 af indien bij
de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige benoemd door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever is aangesloten, omtrent de
verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende
arbeid te verrichten.
-2. Het eerste lid geldt niet indien
de verhindering niet wordt betwist of het overleggen van de verklaring
in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd.
-3. De deskundige die zijn
benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en
naar beste weten te volbrengen.
-4. De deskundige die de
hoedanigheid van arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van belang zijnde
inlichtingen over de werknemer inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend artsen. Zij verstrekken de
gevraagde inlichtingen voor
zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet
onevenredig wordt geschaad.
-5. De rechter kan op verzoek
van één der partijen of ambtshalve bevelen dat de deskundige
zijn verklaring nader schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
-6. De werknemer wordt ter
zake van een vordering als bedoeld in het eerste lid slechts in de
kosten van de werkgever als bedoeld in artikel 56 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk
gebruik van procesrecht.
-7. Bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een bevoegd publiekrechtelijk orgaan kan worden bepaald dat de in
het eerste lid bedoelde deskundige door een ander dan de bedrijfsvereniging wordt aangewezen.
Art. 629b. [MvT
+ bis]
-1. De werknemer behoudt het
recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor een korte, naar
billijkheid te berekenen tijd wanneer hij, hetzij tengevolge van de
vervulling van een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding,
opgelegde verplichting, welke vervulling niet in zijn vrije tijd kon geschieden,
hetzij tengevolge van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, verhinderd
is geweest zijn arbeid te verrichten.
-2. Onder zeer bijzondere
omstandigheden worden voor de toepassing van dit artikel in ieder
geval begrepen: de bevalling van de echtgenote van de werknemer en het overlijden en de lijkbezorging van
één van zijn
huisgenoten of één van zijn
bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad van de
zijlijn. Onder de vervulling van een door de wet of overheid opgelegde
verplichting wordt begrepen de uitoefening van het actief kiesrecht.
-3. Artikel 628, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. Van dit artikel kan
slechts bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement worden afgeweken.
2. Aan artikel 635, derde lid, wordt een nieuwe zin toegevoegd, luidende:
De werknemer heeft evenmin
aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende welke hij door
zijn toedoen zijn genezing belemmert of vertraagt dan wel hij,
hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid voor
de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van de
bedrijfsvereniging waarbij deze is aangesloten aangewezen derde, waartoe de
werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht.
3. In artikel 636 wordt "artikel 629, tweede en derde lid," vervangen door: artikel 629b.
[MvT
+ bis]
4. Artikel 674 wordt
gewijzigd als volgt: [MvT
+ bis]
a. Het derde lid komt te
luiden:
-3. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende
der echtgenoten van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden
leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij
ontstentenis van deze de minderjarige wettige of natuurlijke
kinderen en bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in
gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels
voorzag. Van ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake
indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de
eerste graad. Van een
gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien de
betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in
de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
verzorging voorzien.
b. In het vijfde lid wordt
na "Het tweede lid geldt niet" ingevoegd: indien de werknemer onmiddellijk
voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel 629, derde
lid, geen
aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629, eerste lid, of.
Art.
II. [MvT]
Het Wetboek van
Koophandel wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
1. In artikel 391 wordt "1638c, derde tot en met
zevende lid," vervangen door: 1638cb.
2. In artikel 415a, eerste
lid, wordt ", anders dan in verband met het bepaalde in artikel
6, eerste lid, onderdeel
a of b, van de
Ziektewet, niet
verzekerd is ingevolge die wet, noch op grond van het bepaalde in
artikel 46, eerste lid, van
die wet aanspraak heeft op ziekengeld alsof hij verzekerd was
gebleven,"
vervangen door: niet is verzekerd ingevolge de Ziektewet
en op wie niet
enige daarmee overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat
van de Europese Unie van toepassing is,.
3. In artikel 415b, eerste
lid, wordt ", anders dan in verband met het bepaalde in artikel
6, eerste lid, onderdeel
a of b, van de
Ziektewet, niet
verzekerd is ingevolge die wet, noch op grond van het bepaalde in
artikel 46, eerste lid, van die wet
aanspraak heeft op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven,"
vervangen door: niet is verzekerd ingevolge de Ziektewet en op wie niet
enige daarmee overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat
van de Europese Unie van toepassing is,.
4. In artikel 415h, eerste
lid, wordt ", anders dan in verband met het bepaalde in artikel
6, eerste lid, onderdeel
a of b, van de
Ziektewet, niet
verzekerd zijn ingevolge die wet, noch op grond van het bepaalde in
artikel 46, eerste lid, van die wet
aanspraak heeft op ziekengeld alsof zij verzekerd waren gebleven,"
vervangen door: niet zijn verzekerd ingevolge de Ziektewet en op wie niet
enige daarmee overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat
van de Europese Unie van toepassing is,.
5. In artikel 450b wordt "1638c, derde tot en
met zevende lid," vervangen door: 1638cb.
6. In artikel 452p wordt "1638c, derde tot en
met zevende lid," vervangen door: 1638cd.
B. [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 7 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot
vaststelling van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken II 1993-1994, 23 438, nrs. 1-2) tot wet verheven is en in
werking is getreden, wordt het Wetboek
van Koophandel gewijzigd als
volgt:
1. In artikel 391 wordt "629, tweede, derde, vijfde en zesde
lid, en het vierde lid voor zover het betreft de toepassing van
artikel 628, derde en vierde lid" vervangen door: artikel 629,
negende lid, en artikel 629b, eerste, tweede en vierde lid, en
het derde lid voor zover het betreft de toepassing van artikel
628, derde en vierde lid.
2. In artikel 450b van het Wetboek
van Koophandel wordt "629, tweede, derde, vijfde en zesde
lid en het vierde lid voor
zover het betreft de toepassing van artikel 628, derde en vierde lid" vervangen door:
artikel 629, negende lid, en artikel 629b, eerste, tweede en
vierde lid, en het derde lid voor zover het betreft de
toepassing van artikel 628, derde en vierde lid.
3. In artikel 452p wordt "629, tweede, derde, vijfde
en zesde lid, en het vierde lid voor zover het betreft de toepassing van
artikel 628, derde en vierde lid" vervangen door: artikel 629,
negende lid, en artikel 629b, eerste, tweede en vierde lid, en het
derde lid voor zover het betreft de toepassing van artikel
628, derde en vierde lid.
Art.
III. [MvT]
De Wet
tarieven in burgerlijke zaken wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 2 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het tweede lid worden
de onderdelen b tot en met d verletterd tot onderdelen c tot en met
e. Toegevoegd wordt
een nieuw onderdeel b, luidende:
b. ƒ150,00 wanneer de eis
uitsluitend strekt tot betaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. In het derde lid worden
de onderdelen b tot en met d verletterd tot onderdelen c tot en met
e. Toegevoegd wordt
een nieuw onderdeel b, luidende:
b. ƒ150,00 wanneer de eis
uitsluitend strekt tot betaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In het vierde lid wordt "onder b of c" vervangen door: onder c of d.
B. [MvT]
1. In artikel 11 worden de
onderdelen a tot en met d verletterd tot onderdelen b tot en met
e. Toegevoegd wordt een
nieuw onderdeel a, luidende:
a. ƒ50,00 wanneer de eis
uitsluitend strekt tot betaling van loon als bedoeld in artikel 629b van
Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Indien ten tijde van de
inwerkingtreding van deze wet het bij koninklijke boodschap van 7
oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.10
(arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken II
1993-1994, 23 438, nrs. 1-2) niet tot wet verheven is en in werking is
getreden, treedt tot het tijdstip waarop dat wetsvoorstel, nadat het tot
wet verheven is, in werking treedt, in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, en
derde lid, onderdeel b, en artikel 11, onderdeel a, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals die bepalingen luiden ingevolge het eerste
lid van dit artikel, voor "artikel 629 van Boek
7" telkens in de plaats
"artikel 1638c van Boek
7a".
HOOFDSTUK
II
Wetten op het terrein van de
sociale zekerheid
Art.
IV. [MvT]
De Ziektewet wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1, onderdeel e,
vervalt.
B. [MvT]
In artikel 2b wordt "38,
eerste lid" vervangen door: 38a, eerste lid.
C. [MvT]
In artikel 19 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het tweede lid wordt "bevalling" vervangen door:
zwangerschap of bevalling.
2. Het derde lid wordt
vervangen door:
-3. Voor de toepassing van
deze wet worden onder ziekte mede verstaan gebreken.
D. [MvT]
Artikel 29 wordt vervangen
door:
Art. 29.
-1. Behoudens de artikelen 29a en 29b
wordt geen ziekengeld uitgekeerd indien de verzekerde uit
hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in
artikel 1638c van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek. De eerste volzin is eveneens van toepassing
indien het recht op loon door toepassing van het derde, vierde, vijfde of
achtste lid van artikel 1638c van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
-2. Het ziekengeld wordt
uitgekeerd over iedere dag van de ongeschiktheid tot werken, doch niet over de zaterdagen en de zondagen,
aan:
a. de verzekerde van wie de
arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of 5, met uitzondering van
artikel 4, eerste lid, onderdeel e, als dienstbetrekking wordt beschouwd, vanaf de
derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
b. degene wiens aanspraak
berust op artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot
werken;
c. de verzekerde van wie de
dienstbetrekking binnen het in het vijfde lid genoemde tijdvak van 52
weken eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken
nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de
derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
d. de verzekerde die op
grond van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste
dag van de ongeschiktheid tot werken;
e. de verzekerde die wegens
orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid,
vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
f. de vrouwelijke
verzekerde, overeenkomstig artikel 29a;
g. de werknemer, bedoeld in
artikel 29b.
-3. Als eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte
niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het
Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan voor bijzondere gevallen
regels stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.
-4. Geen ziekengeld wordt
uitgekeerd op en na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-5. Geen ziekengeld wordt
uitgekeerd nadat een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot
werken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken. Voor het bepalen van dit tijdvak worden tijdvakken van
ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-6. Het ziekengeld, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a tot en met d, bedraagt 70% van het dagloon
van de verzekerde.
-7. Het ziekengeld, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel e, wordt gesteld op het dagloon.
-8. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid, onderdeel
e.
E. [MvT]
In artikel 29a worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het achtste lid
wordt "Artikel 29, tiende lid" vervangen door:
Artikel 29, vijfde lid.
2. In het tiende lid wordt "artikel 29, vierde en tiende
lid" vervangen door: artikel 29, vijfde
lid.
F. [MvT]
Artikel 29b wordt vervangen
door:
Art. 29b.
-1. De werknemer die in de
drie jaren voorafgaand aan zijn dienstbetrekking:
a. recht had op een
uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
of
b. de wachttijd van 52
weken, bedoeld in artikel 6 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
artikel 19 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft doorgemaakt en
aansluitend aan die wachttijd niet
arbeidsongeschikt is als bedoeld in die wetten;
heeft vanaf de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte die gelegen zijn in de drie jaren na aanvang van
de dienstbetrekking.
-2. Het ziekengeld, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
-3. In afwijking van het
tweede lid wordt het ziekengeld op verzoek van de werkgever gesteld op het
dagloon, met dien verstande dat het ziekengeld niet meer kan
bedragen dan de aanspraak van de werknemer op het loon dat de werkgever
verschuldigd zou zijn indien daarop geen ziekengeld in mindering zou
zijn gebracht.
-4. Dit artikel is niet van
toepassing, wanneer:
a. de werknemer jegens de
werkgever bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak
op betaling van loon kan maken;
b. er sprake is van een
dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening.
G. [MvT]
In artikel 30 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De zieke werknemer die in
staat is hem passende arbeid te verrichten, is verplicht te trachten
deze arbeid te verkrijgen en, indien hij daartoe in de gelegenheid wordt
gesteld, deze arbeid te verrichten.
2. Het derde lid vervalt.
3. Het vierde lid wordt
vernummerd tot derde lid.
H. [MvT]
In artikel 35 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het vijfde lid wordt "artikel
29, negende
lid" vervangen door: artikel 29, vierde lid.
2. In het achtste lid
wordt "artikel 29, negende en tiende lid" vervangen door:
artikel 29, vierde en vijfde lid.
I. [MvT]
Artikel 36, eerste lid,
wordt vervangen door:
-1. In de gevallen waarin op
de dag van het overlijden van de verzekerde of van degene die verzekerd
is geweest, nog geen ziekengeld is toegekend omdat aan het
overlijden geen periode van arbeidsongeschiktheid voorafging, dient de
uitbetaling als bedoeld in artikel 35, eerste lid, plaats te vinden alsof
hem met ingang van de dag na het overlijden ziekengeld is toegekend.
J.¹ [MvT]
Artikel 38 wordt vervangen
door:
Art. 38.
-1. De werkgever van de
verzekerde die bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte recht heeft op loon doet, uiterlijk op de eerste dag nadat de
ongeschiktheid van die werknemer dertien weken heeft geduurd,
aangifte van die ongeschiktheid bij de bedrijfsvereniging waarbij hij is aangesloten.
De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken
worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-2. Onverminderd het eerste
lid doet de werkgever van de verzekerde, bedoeld in artikel
29,
tweede lid, onderdeel c, aangifte van de ongeschiktheid tot werken
van die verzekerde aan de bedrijfsvereniging op de laatste werkdag
voordat de dienstbetrekking eindigt.
-3. Indien de verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, weer geschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid, meldt de werkgever aan de bedrijfsvereniging zo spoedig mogelijk, doch in
elk geval niet later dan de tweede dag van die geschiktheid, de
eerste dag waarop de verzekerde weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid.
-4. Indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het derde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen,
legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ƒ1000,00. De artikelen
45a, derde, vierde en zesde lid, 45b,
45c, 45e, eerste lid, eerste volzin,
en tweede lid, en 45g, eerste, vijfde, zevende, negende en tiende lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
-5. Dit artikel is niet van
toepassing op een aangifte van ongeschiktheid tot werken op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel e, 29a
of
29b.
K. [MvT]
Na artikel 38 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 38a.
-1. De verzekerde die
aanspraak maakt op ziekengeld is in geval van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te
melden aan zijn werkgever of, indien de verzekerde geen werkgever
heeft als bedoeld in paragraaf 3 ¹¹ van deze wet, aan de bedrijfsvereniging
die met de uitvoering is belast.
-2. De werkgever meldt, na
ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan de bedrijfsvereniging zo spoedig mogelijk, doch in elk geval
niet later dan op de derde
dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die
verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
-3. Indien de verzekerde, na
een ziekmelding als bedoeld in het eerste of het tweede lid, weer
geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, meldt hij aan de bedrijfsvereniging zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die
geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid.
L. [MvT]
In artikel 39, eerste lid,
wordt na "verzekerden" ingevoegd: van wie op grond van artikel 38 of
38a een aangifte van ziekte of.
M. [MvT]
In artikel 39a worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid
wordt de zinsnede "aan wie in verband met het bepaalde in artikel
29,
tweede en vijfde lid, geen ziekengeld wordt uitgekeerd, niet
verplichten:" vervangen door: aan wie op grond van artikel
29, eerste lid, geen
ziekengeld wordt uitgekeerd, gedurende het in artikel
38, eerste lid,
bedoelde tijdvak van dertien weken, niet verplichten:
2. In het eerste lid
vervalt aan het eind van onderdeel 2º het woord "en".
3. In het eerste lid
wordt, onder vernummering van onderdeel 3º tot onderdeel 4º, een nieuw
onderdeel ingevoegd, luidende:
3º. zich ingevolge artikel
30 te doen inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; en
N. [MvT]
De artikelen 39b, 39c
en
39d vervallen.
O.²
In artikel 44, eerste lid,
vervalt de zinsnede ", anders dan zwangerschap en bevalling".
P.³ [MvT]
In artikel 45 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel d wordt "artikel
38, tweede
lid" vervangen door: artikel 38a, eerste en derde lid.
2. In onderdeel e wordt de
zinsnede "artikel 30, vierde lid, opgelegde verplichting," vervangen
door: artikel 30, eerste en derde lid, opgelegde verplichtingen.
3. Onder vervanging van de
punt aan het einde van onderdeel i door een puntkomma wordt een
nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
j. indien de verzekerde door
zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel
uitmaakt van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
of de bedrijfsvereniging benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder
benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen
van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
31, eerste lid, en 49.
Q. [MvT]
Artikel 60 wordt vervangen
door:
Art. 60.
De uitkeringen op grond van
deze wet komen ten laste van de wachtgeldfondsen en ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds,
bedoeld in de artikelen 102
en 103 van de Werkloosheidswet.
R. [MvT
+
bis]
De artikelen 61, 63,
63a, 64, derde lid,
73 en 78 vervallen.
S. [MvT]
Voor de tekst van artikel 70
wordt de aanduiding "-1." geplaatst, waarna een tweede lid wordt toegevoegd,
luidende:
-2. Het ziekengeld bedraagt
70% van het dagloon van de verzekerde.
T. [MvT]
In artikel 80 wordt de
zinsnede "die zich ziek meldt bij meer dan één bedrijfsvereniging,
daaronder begrepen een afdelingskas" vervangen door: die zich ziek meldt
bij meer dan één bedrijfsvereniging.
U.
In artikel 83 wordt de
zinsnede "bedoeld bij artikel 76 en 78" vervangen door: bedoeld bij
artikel 76.
V. [MvT]
Na artikel 87 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 87a.
-1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in afwijking van
artikel 29, eerste lid, ziekengeld wordt uitgekeerd aan verzekerden
die in dienstbetrekking staan tot bij of krachtens die maatregel te
bepalen werkgevers.
-2. Artikel 88 is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Een krachtens het eerste
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder
in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan
aan de beide kamers der Staten-Generaal.
W.
In artikel 89 wordt "29,
vierde en tiende lid" vervangen door: 29, vijfde lid.
X.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 7 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van
het nieuw Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken II 1993-1994, 23 438, nrs. 1-2) tot wet is verheven en in
werking is getreden, wordt in artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet
"artikel 1638c van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek" vervangen door:
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
1. Zie artikel
XXXVII, onderdeel A, red.
2. Zie artikel XXXVII, onderdeel B, red.
3. Zie artikel XXXVII, onderdeel C, red.
11. Volgens de redactie
dient na "paragraaf 3" te worden ingevoegd:
van de eerste afdeling.
Art. V.
[MvT]
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 31 wordt, onder
vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:
-5. In afwijking van het
derde lid betaalt de bedrijfsvereniging geen voorschot over tijdvakken
waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband met een geschil
tussen de werknemer en zijn werkgever over het bestaan van ziekte van de
werknemer.
B. [MvT]
Na hoofdstuk IIb wordt een
nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK IIC. Verhaal op de werkgever
Art. 52j.
-1. Indien degene die de
wachttijd, bedoeld in artikel 6 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft doorgemaakt en
aansluitend aan die wachttijd recht heeft op werkloosheidsuitkering, door zijn werkgever zonder deugdelijke grond niet in de gelegenheid wordt gesteld hem
passende arbeid te
verrichten, is deze werkgever aan de bedrijfsvereniging een bedrag verschuldigd,
gelijk aan het loon dat betrokkene zou hebben ontvangen,
vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies,
indien hij die arbeid wel had verricht.
-2. Het eerste lid blijft
buiten toepassing indien op de werkgever ten aanzien van dezelfde werknemer tevens
artikel 46 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
C. [MvT]
Aan artikel 61, tweede lid,
wordt een nieuwe zin toegevoegd, luidende:
Aan de werknemer die wegens
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid, wordt het in de vorige volzin bedoelde
vereiste van beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden niet gesteld.
D. [MvT]
In artikel 89 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. Onderdeel d wordt
vervangen door:
d. Het door de werkgever
verschuldigde bedrag, bedoeld in artikel 52j, artikel 35 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 46 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;.
2.¹ Onder vervanging van de
punt aan het einde van onderdeel e door een puntkomma wordt een
nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
f. de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt door toepassing van artikel
38, vierde lid, van
de Ziektewet en artikel 71a, tweede en derde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
E. [MvT]
Artikel 90, eerste lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. De onderdelen c tot en
met het tweede onderdeel d worden verletterd tot onderdelen d tot en met
f.
2. Na onderdeel b wordt
een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
c. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet
te betalen uitkeringen.
3. In het nieuwe onderdeel
d wordt "onderdeel a en b" vervangen door: onderdeel
a, b en c.
4. In het nieuwe onderdeel
e wordt "onderdeel a en b" vervangen door: onderdeel
a, b en c.
5. Onder vervanging van de
punt aan het einde van het nieuwe onderdeel f door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd,
luidende:
g. de kosten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 56a van de Organisatiewet sociale verzekeringen.
F.
In artikel 92 wordt, onder
verlettering van de onderdelen c en d tot onderdelen d en e, een nieuw onderdeel
c
ingevoegd, luidende:
c. de premies op grond van
artikel 68 van de Ziektewet;.
G. [MvT]
Artikel 93, eerste lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. De onderdelen b tot en
met d worden verletterd tot onderdelen c tot en met e.
2. Na onderdeel a wordt
een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e, f en g, en
artikel 70 van de Ziektewet
te betalen uitkeringen.
3. In het nieuwe onderdeel
c wordt "onderdeel a" vervangen door: onderdeel a en
b.
4. In het nieuwe onderdeel
d wordt "onderdeel a" vervangen door: onderdeel a en
b.
H. [MvT]
In artikel 94 wordt voor de
laatste volzin een nieuwe volzin ingevoegd, luidende: Voor het
vaststellen van het maximum blijven de bedragen ten laste van een wachtgeldfonds
op grond van artikel 90, eerste lid, onderdeel c, buiten
beschouwing.
1. Zie artikel
XXXVII, onderdeel D, red.
Art.
VI. [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 18 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt
de zinsnede "gevolg van ziekte of gebreken" vervangen door: gevolg van
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling.
2. Het zevende lid
vervalt.
B. [MvT]
In artikel 19, zesde lid,
wordt de zinsnede "indien hem in verband met het bepaalde in de artikelen
29, tweede lid en vijfde tot en met zevende lid," vervangen door:
indien hem in verband met de artikelen 29,.
C. [MvT]
In artikel 40, eerste lid,
wordt de zinsnede "op grond van het bepaalde in artikel
29, tiende
lid"
vervangen door: op grond van artikel 29, vijfde lid.
D. [MvT]
Na artikel 43a wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 43b.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin
recht bestaat op loon ingevolge artikel 1638c, eerste lid, tweede volzin,
van Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek.
E.¹ [MvT]
Artikel 71a wordt vervangen
door:
Art. 71a.
-1. Gelijktijdig met de
aangifte van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel
38, eerste lid, van
de Ziektewet, overlegt de werkgever aan de bedrijfsvereniging een door
hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat reïntegratieplan
ten behoeve van de herintreding van de werknemer in het
arbeidsproces. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming formuleert
minimumeisen waaraan het reïntegratieplan moet voldoen.
-2. Indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, zonder deugdelijke grond niet of
niet behoorlijk is nagekomen, legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van
ƒ1000,00.
-3. Indien de werkgever
zonder deugdelijke gronden weigert mee te werken aan het opstellen of
uitvoeren van het reïntegratieplan, legt de bedrijfsvereniging hem een
boete op van ƒ10 000,00.
-4. Indien de werkgever in
gebreke blijft bij het opstellen van het reïntegratieplan, kan de
bedrijfsvereniging het reïntegratieplan opstellen. De bedrijfsvereniging kan
hiervoor kosten in rekening brengen.
-5. De artikelen 29a, derde,
vierde en zesde lid, 29b, 29c,
29e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid
en 29g, eerste, vijfde, zevende, negende en tiende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
1. Zie artikel
XXXVII, onderdeel E, red.
Art.
VII. [MvT]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 5 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt
de zinsnede "gevolg van ziekte of gebreken" vervangen door: gevolg van
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling.
2. Het achtste lid
vervalt.
B.
In artikel 6, achtste lid,
wordt de zinsnede "indien hem in verband met het bepaalde in de artikelen
29, tweede lid en vijfde tot en met zevende lid," vervangen door:
indien hem in verband met de artikelen 29,.
C. [MvT]
Na artikel 32a wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 32b.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin
recht bestaat op loon ingevolge artikel 1638c, eerste lid, tweede volzin,
van Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek.
D. [MvT]
In artikel 41a, eerste lid,
wordt de zinsnede "premies die een werkgever ingevolge de Ziektewet,"
vervangen door: premies die een werkgever ingevolge.
Art.
VIII. [MvT]
De Organisatiewet sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1, onderdeel j,
vervalt.
B. [MvT]
In artikel 17, derde lid,
wordt de zinsnede "ziekengeldkassen als bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet of
wachtgeldfondsen" vervangen door: wachtgeldfondsen.
C. [MvT]
Na artikel 56 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 56a.
-1. De bedrijfsvereniging
heeft tot taak op verzoek van een bij haar aangesloten werkgever,
onderscheidenlijk een tot die werkgever in dienstbetrekking staande
werknemer, een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven over het
bestaan van ongeschiktheid tot werken indien de werknemer een geschil
heeft met de werkgever over de ongeschiktheid tot werken. De
bedrijfsvereniging wijst daartoe een deskundige aan. De bedrijfsvereniging kan voor
dit onderzoek kosten in rekening brengen bij de werkgever of de werknemer
die om dit onderzoek heeft verzocht.
-2. Indien de werkgever
verzoekt tot het instellen van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid,
geeft de bedrijfsvereniging slechts een oordeel over het bestaan van de
ongeschiktheid tot werken van een bepaalde werknemer indien deze
werknemer bereid is zich hiertoe te laten onderzoeken.
D. [MvT]
De artikelen 40, eerste lid,
onderdeel d, 43, 44, 45 en 46 vervallen.
E. [MvT]
In artikel 58 wordt de
zinsnede "Elke ziekengeldkas, bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet, en elk
wachtgeldfonds" vervangen door: Elk wachtgeldfonds.
F. [MvT]
In artikel 61, eerste lid,
wordt de zinsnede "premiepercentages, bedoeld in de artikelen 60 van de
Ziektewet en 85 van de Werkloosheidswet" vervangen door:
premiepercentages, bedoeld in artikel 85 van de Werkloosheidswet.
G. [MvT]
Artikel 69, elfde lid,
vervalt.
H. [MvT]
In artikel 85, vierde lid,
wordt de zinsnede "alsmede aan de wachtgeldfondsen en
ziekengeldkassen"
vervangen door: alsmede aan de wachtgeldfondsen.
I. [MvT]
In artikel 99, onderdeel c,
vervalt de zinsnede "de Ziektewet,".
Art.
IX. [MvT]
De Toeslagenwet wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 4 vervalt.
B. [MvT]
In artikel 15, tweede lid,
vervalt "de Ziektewet,".
Art.
X. [MvT]
In artikel 9, eerste lid,
eerste volzin, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XI. [MvT]
De Algemene Ouderdomswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 9, derde lid,
vervalt "de Ziektewet (Stb. 1987, 88),".
B. [MvT]
In artikel 29, zevende lid,
vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XII. [MvT]
De Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 19, derde lid,
vervalt "de Ziektewet (Stb. 1987, 88),".
B. [MvT]
In artikel 37b, vierde lid,
vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XIII. [MvT]
In artikel 2, onderdeel b,
van de Algemene bijstandswet vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XIV. [MvT]
In artikel 10, eerste lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XV. [MvT]
In artikel 10, eerste lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XVI. [MvT]
De Wet
Werkloosheidsvoorziening wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 5b, derde lid,
vervalt "de Ziektewet,".
B. [MvT]
In artikel 16b, eerste lid,
vervalt "de Ziektewet en".
Art.
XVII. [MvT]
In artikel 6, eerste lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XVIII. [MvT]
Artikel 34, tweede lid, van
de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies
vervalt, alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid.
HOOFDSTUK
III
Regeling voor het
overheidspersoneel
Art.
XIX. [MvT]
Artikel XV van de Wet
terugdringing ziekteverzuim wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid wordt
vervangen door:
-2. Bij verhindering wegens
ziekte om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen, bestaat
gedurende een tijdvak van 52 weken aanspraak op 70% van de
bezoldiging als bedoeld in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt,
voor zover deze bezoldiging niet meer bedraagt dan hetgeen
overeenkomt met het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De aanspraak bedraagt echter
minimaal het bedrag van het minimumloon dat voor betrokkene zou
gelden indien de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag op
hem van toepassing zou zijn. De eerste twee volzinnen zijn van
overeenkomstige toepassing voor zover in verband met ziekte ook na ontslag
aanspraak bestaat op betaling van bezoldiging of van hetgeen daarmee
overeenkomt.
2. Het derde tot en met elfde lid worden vernummerd tot
vierde tot en met twaalfde lid. Ingevoegd wordt een
nieuw derde lid, luidende:
-3. Is de bezoldiging of
hetgeen daarmee overeenkomt op een andere wijze dan naar tijdruimte
vastgesteld, dan zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing met
dien verstande dat als bezoldiging wordt beschouwd de gemiddelde
bezoldiging die betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest,
gedurende die tijd had kunnen verdienen.
3. Het nieuwe vierde lid
wordt vervangen door:
-4. Van het tweede lid kan
bij algemeen verbindend voorschrift ten nadele van betrokkene
slechts in zoverre worden afgeweken dat betrokkene voor de eerste
twee dagen van het in het tweede lid bedoelde tijdvak van 52 weken geen aanspraak heeft op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt.
4. In het nieuwe vijfde en
twaalfde lid wordt de zinsnede "derde lid" tweemaal vervangen door:
vierde lid.
5. In het nieuwe negende
lid wordt de punt na onderdeel f vervangen door een puntkomma.
Toegevoegd wordt een nieuw onderdeel, luidende:
g. weigert passende arbeid
te verrichten welke door het bevoegd gezag wordt opgedragen en waartoe
hij door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
geneeskundige in staat wordt geacht.
6. Het nieuwe elfde lid
wordt vervangen door:
-11. De aanspraak, bedoeld in
het tweede lid, wordt verminderd met:
a. het bedrag van de
vergoeding of uitkering welke betrokkene geniet krachtens een wettelijk
voorgeschreven verzekering;
b. het bedrag van de
bezoldiging of het loon door betrokkene in of buiten dienstbetrekking
genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd
dat hij zijn dienst had kunnen verrichten of zijn ambt had kunnen vervullen,
zo hij daartoe wegens ziekte niet verhinderd was geweest.
7. Er wordt een dertiende
lid toegevoegd, luidende:
-13. Indien betrokkene vóór
de aanvang van zijn dienstbetrekking of ambtsvervulling een
overeenkomst had gesloten tot verzekering van de geldelijke gevolgen van
verhindering tot werken wegens ziekte, mag hij die overeenkomst, voor zover
hij daaraan rechten kan ontlenen die gelijkwaardig zijn aan die
welke voor hem uit dit artikel voortvloeien, voor het vervolg, echter niet
eerder dan met ingang van de aanvang van de dienstbetrekking of
ambtsvervulling, opzeggen. De door betrokkene vooruitbetaalde premie wordt
door de verzekeraar naargelang van het opgezegde gedeelte van de
overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25% van het
terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
HOOFDSTUK
IV
Overige wetten
Art.
XX. [MvT]
A. [MvT]
Van artikel 14, eerste lid,
en artikel 16d, eerste lid, van de Jeugdwerkgarantiewet komt de tweede zin telkens
te luiden: In geval van ziekte zijn de artikelen 1638c, derde
tot en met negende lid, 1638ca en 1638cb van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
B. [MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 7 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot
vaststelling van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken II 1993-1994, 23 438, nrs. 1-2) tot wet is verheven en in
werking is getreden, komt van artikel 14, eerste lid, en artikel 16d, eerste
lid, van de Jeugdwerkgarantiewet de tweede zin telkens te luiden: In geval
van ziekte zijn de artikelen 629, derde tot en met negende lid, 629a en
629b
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
Art.
XXI. [MvT]
De Wet
arbeid mijnbouw Noordzee wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 3 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "op wie ter
zake van arbeidsongeschiktheid niet van toepassing is de
Ziektewet of enige daarmee overeenkomende wettelijke regeling van een
lidstaat van de Europese Gemeenschappen," vervangen door: die niet
verzekerd zijn ingevolge de Ziektewet en op wie niet enige daarmee
overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat van de Europese Unie van
toepassing is.
2. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. De werknemer die tengevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, heeft
het in artikel 1638c, eerste lid, van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek bedoelde recht op loon gedurende een tijdvak van 52 weken,
ongeacht of zijn dienstbetrekking gedurende dat tijdvak eindigt.
3. Het derde lid vervalt.
4. Het vierde lid wordt
vernummerd tot het derde lid.
B. [MvT]
In artikel 5 wordt "de
artikelen 3 en 4" vervangen door: artikel 4.
C. [MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 7 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot
vaststelling van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken II 1993-1994, 23 438, nrs. 1-2) tot wet is verheven en in
werking is getreden, wordt in artikel 3, tweede lid, van de Wet arbeid
mijnbouw Noordzee "1638c, eerste lid, van Boek
7a" vervangen door: 629,
eerste lid, van Boek
7.
Art.
XXII. [MvT]
In artikel 46a, tweede lid,
van de Wet op
de ondernemingsraden wordt "de Ziektewet"
vervangen door: de Werkloosheidswet.
Art.
XXIII. [MvT]
In artikel 11, eerste lid,
onderdeel i, onder 2º, van de Wet
op de loonbelasting 1964 vervalt
"de Ziektewet,".
Art.
XXIV. [MvT]
In artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, onder b, 1e, van de Wet individuele
huursubsidie vervalt "en
de premie die ten minste wordt ingehouden ingevolge de Ziektewet
(Stb.
1987, 88)".
Art.
XXV. [MvT]
In artikel 19a, eerste lid,
van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 vervalt
"de
Ziektewet,".
Art.
XXVI. [MvT]
In artikel 26, eerste lid,
van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 vervalt
"de
Ziektewet,".
Art.
XXVII. [MvT]
In artikel 36, eerste en
tweede lid, van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XXVIII. [MvT]
In artikel 32, eerste en
tweede lid, van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers vervalt "de Ziektewet,".
Art.
XXIX. [MvT]
In artikel 43 van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid
vervalt "de Ziektewet (Stb. 1987, 88),".
2. In het tweede lid
vervalt "de Ziektewet".
Art.
XXX. [MvT]
Artikel 32 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP vervalt.
Art.
XXXI. MvT[]
In artikel 16 van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds vervalt "de Ziektewet,".
HOOFDSTUK
V
Overgangs- en slotbepalingen
Art.
XXXII. [MvT]
De middelen van de
afdelingskassen, bedoeld in artikel 43 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen, alsmede de reserves, bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet,
zoals laatstgenoemde wet luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet, komen ten gunste van de wachtgeldfondsen,
bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet.
Art.
XXXIII. [MvT]
-1. Artikel 1638c van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek zoals dit artikel luidde op de dag vóór de
inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op de
arbeidsverhouding van de persoon:
a. die op de dag vóór de
inwerkingtreding van deze wet ongeschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte, zolang die ongeschiktheid duurt; of
b. wiens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte intreedt op of na de datum
van inwerkingtreding van deze wet en tevens binnen vier weken nadat een
vóór die inwerkingtreding gelegen periode van ongeschiktheid door
herstel is geëindigd, zolang die ongeschiktheid duurt.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid geldt de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte als niet onderbroken wanneer perioden van ongeschiktheid
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art.
XXXIV. [MvT]
-1. De Ziektewet en de daarop
berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag vóór de
inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op het recht op ziekengeld
van de verzekerde:
a. die op de dag vóór de
inwerkingtreding van deze wet ongeschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte, zolang die ongeschiktheid duurt; of
b. wiens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte intreedt op of na de datum
van inwerkingtreding van deze wet en tevens binnen vier weken nadat een
vóór die inwerkingtreding gelegen periode van ongeschiktheid door
herstel is geëindigd, zolang die ongeschiktheid duurt.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid geldt de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte als niet onderbroken wanneer perioden van ongeschiktheid
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art.
XXXV. [MvT]
-1. Het ziekengeld van de
verzekerde op wie artikel XXXIV van deze wet van toepassing is, komt ten
laste van het wachtgeldfonds.
-2. In afwijking van het
eerste lid blijft de werkgever die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze
wet het risico van de wettelijke ziekengeldverzekering zelf droeg, dit risico
dragen ten aanzien van de verzekerde op wie artikel XXXIV van deze
wet van toepassing is.
Art.
XXXVI. [MvT]
Artikel 64, derde lid, van
de Ziektewet blijft van toepassing op de persoon die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet op grond van dat artikellid
vrijwillig verzekerd was.
Art.
XXXVII.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling
van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken II 1994-1995, 23 909) op een
later tijdstip tot wet wordt verheven en in werking treedt dan deze wet, wordt
deze wet als volgt gewijzigd:
A.
Het in artikel IV, onderdeel J, voorgestelde vierde lid van artikel 38 van de Ziektewet
vervalt, waarna
het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.
B.
Artikel IV, onderdeel O,
komt te luiden:
O.
In artikel 44, eerste lid,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel a vervalt
de zinsnede ", anders dan zwangerschap en bevalling".
2. In onderdeel f wordt "artikel 38, tweede
lid" vervangen door: artikel 38a, eerste en derde lid.
3. In onderdeel g wordt de
zinsnede "artikel 30, vierde lid, opgelegde verplichting," vervangen
door: artikel 30, eerste en derde lid, opgelegde verplichtingen.
4. Onder vervanging van de
punt aan het einde van onderdeel i door een puntkomma wordt een
nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
j. indien de verzekerde door
zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel
uitmaakt van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
of de bedrijfsvereniging benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder
benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen
van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31 en
49.
C.
Artikel IV, onderdeel P,
vervalt.
D.
Artikel V, onderdeel D,
onder 2, vervalt.
E.
Het in artikel VI, onderdeel
E, voorgestelde tweede, derde en vijfde lid van artikel 71a
van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vervallen, waarna het vierde
lid wordt vernummerd tot tweede lid.
Art.
XXXVIII.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling
van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken II 1994-1995, 23 909) op een
later tijdstip tot wet wordt verheven en in werking treedt dan deze wet, wordt
eerstgenoemde wet als volgt gewijzigd:
A.
Artikel I, onderdeel M,
onder 2, komt te luiden:
2. Aan het slot worden,
onder vervanging van de punt door een puntkomma, twee nieuwe
onderdelen toegevoegd, luidende:
e. de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt door toepassing van artikel 27a;
f. de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt door toepassing van artikel
38, vierde lid, van
de Ziektewet en artikel 71a, tweede en derde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
B.
In artikel II wordt na
onderdeel E een nieuw onderdeel Ee ingevoegd, luidende:
Ee.
In artikel 38 wordt, onder
vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een nieuw vierde lid
ingevoegd, luidende:
-4. Indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het derde lid niet of niet behoorlijk is nagekomen,
legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ƒ1000,00. De artikelen
45a, derde, vierde en zesde lid, 45b,
45c, 45e, eerste lid, eerste volzin,
en tweede lid, en 45g, eerste, vijfde, zevende, negende en tiende lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
C.
In het in artikel II,
onderdeel G, voorgestelde artikel 45, eerste lid, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel d wordt "artikel
38, eerste
lid" vervangen door: artikel 38a, eerste en derde lid.
2. In onderdeel e wordt de
zinsnede "artikel 30, vierde lid, opgelegde verplichting," vervangen
door: artikel 30, eerste en derde lid, opgelegde verplichtingen.
3. Aan het einde van
onderdeel i wordt de punt vervangen door een puntkomma en wordt een nieuw
onderdeel toegevoegd, luidende:
j. indien de verzekerde door
zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel
uitmaakt van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
of de bedrijfsvereniging benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder
benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen
van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
31, eerste lid, en 49.
D.
In artikel III wordt een
onderdeel ingevoegd, luidende:
Kk.
In artikel 71a worden, onder
vernummering van het tweede lid tot vierde lid, een nieuw tweede en
derde lid ingevoegd, alsmede een vijfde lid toegevoegd, luidende:
-2. Indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, zonder deugdelijke grond niet of
niet behoorlijk is nagekomen, legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van
ƒ1000,00.
-3. Indien de werkgever
zonder deugdelijke gronden weigert mee te werken aan het opstellen of
uitvoeren van het reïntegratieplan, legt de bedrijfsvereniging hem een
boete op van ƒ10 000,00.
-5. De artikelen 29a, derde,
vierde en zesde lid, 29b, 29c,
29e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid
en 29g, eerste, vijfde, zevende, negende en tiende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art.
XXXIX.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 24 mei 1995 ingediende voorstel van wet tot
regeling van een verzekering voor nabestaanden (Algemene
nabestaandenwet; Kamerstukken II 1994-1995, 24 169) tot wet wordt verheven en in werking
treedt, vervalt in artikel 2, eerste lid, onderdeel b en d, van
die wet de zinsnede "de Ziektewet,".
Art. XL.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 4 september 1995 ingediende voorstel van wet tot nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in
verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen; Kamerstukken II 1994-1995, 24 326) op een later tijdstip tot
wet wordt verheven en in werking treedt dan deze wet, wordt deze wet als
volgt gewijzigd:
A.
Het in artikel IV, onderdeel
D, voorgestelde artikel 29, tweede lid, onderdeel d, wordt vervangen
door:
d. de verzekerde die op
grond van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste
dag van de ongeschiktheid tot werken, alsmede aan de vrijwillig
verzekerde die bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak
kan maken op betaling van loon als bedoeld in artikel 1638c van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek, vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken;.
B.
Artikel IV, onderdeel E,
onder 2, komt te luiden:
2. In het negende lid
wordt "artikel 29, vierde en tiende lid" vervangen door:
artikel 29, vijfde
lid.
Art.
XLI.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 4 september 1995 ingediende voorstel van wet tot nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in
verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen; Kamerstukken II 1994-1995, 24 326) op een later tijdstip tot
wet wordt verheven en in werking treedt dan deze wet, wordt eerstgenoemde wet
als volgt gewijzigd:
A.
Artikel I, onderdeel C, komt
te luiden:
C.
Artikel 29, tweede lid,
onderdeel d, wordt vervangen door:
d. de verzekerde die op
grond van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste
dag van de ongeschiktheid tot werken;.
B.
De onderdelen E, F, onder 1,
H, I, M en
N van artikel I vervallen.
C.
Het in artikel I, onderdeel P, voorgestelde
artikel 70 wordt gewijzigd als volgt:
1. De zinsnede "geen
aanspraak op betaling van loon kan maken" wordt vervangen door: geen
aanspraak kan maken op betaling van loon als bedoeld in artikel 1638c
van Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek.
2. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1." geplaatst, waarna een nieuw lid wordt toegevoegd, luidende:
-2. Het ziekengeld bedraagt
70% van het dagloon van de verzekerde.
Art.
XLII.
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.¹
1. Bij Besluit
van 19 februari 1996, Stb. 1996, 141, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 maart 1996, red.
Art.
XLIII.
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
8 februari 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de zevenentwintigste
februari 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|