St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  WIJZIGING  ONDER  MEER  WSF,  WHW  EN  AKW  INZAKE  STUDIEFINANCIERING

Versie 28 maart 1996

 

  
 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1994-1995, 1995-1996, 24 325.
Handelingen II 1995-1996, blz. 2983-3028, 3147-3148.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 325 (161, 161a, 161b, 161c, 161d, 161e).
Handelingen I 1995-1996, blz. 1305-1322, 1327-1334.

 

 

WET van 28 maart 1996, Stb. 1996, 227, houdende wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van de prestatiebeurs, de vorm van de toelage en de leeftijd waarop aanspraak op studiefinanciering in het hoger onderwijs ontstaat. Inwerkingtreding: 1 augustus 1996, zie artikel X en XIV, tweede lid.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van het regeerakkoord het stelsel van studievoortgangscontrole in het hoger onderwijs te vervangen door een stelsel van prestatiebeurs; dat het tevens wenselijk is de leeftijdsgrens van 18 jaar voor aanspraken op studiefinanciering in het hoger onderwijs te laten vervallen; dat in verband daarmee wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek nodig is;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

[Voor de socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]

 

 

Art. VIII.
De Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
Na artikel 7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 7a.
-1. De verzekerde heeft geen recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van deze wet voor een eigen kind, een aangehuwd kind of een pleegkind indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering.
-2. Ook bestaat geen recht op kinderbijslag zolang op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door degene die studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering heeft aangevraagd, geen uitspraak is gedaan.

 

Art. X.
Indien het bij koninklijke boodschap van 28 april 1994 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe bepalingen voor een tegemoetkoming in de studiekosten (Wet tegemoetkoming studiekosten) (Kamerstukken 23 699) tot wet wordt verheven, wordt artikel XIV, eerste lid, vervangen door:
-1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996, met dien verstande dat de bepalingen, genoemd in lid 1a tot en met het zevende lid, in werking treden op de in die leden aangeduide tijdstippen.
-1a. Artikel I, met uitzondering van de onderdelen Q, R en S, en artikel II treden in werking met ingang van 1 september 1996.

 

Art. XIV.
-1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 1996, met dien verstande dat de bepalingen, genoemd in het tweede tot en met zevende lid, in werking treden op de in die leden aangeduide tijdstippen.
-2. Artikel VIII treedt in werking met ingang van 1 oktober 1996.
-3. Artikel I, de onderdelen Q, R en S, treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
-4. Artikel III treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-5. Artikel V treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Een zodanig koninklijk besluit wordt slechts tot stand gebracht nadat uit een overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gebleken dat deze Kamer van oordeel is dat de verhoging van de kwaliteit en studeerbaarheid voldoende voortgang heeft gehad. Bij dit overleg zal mede de nadere evaluatie van de gevolgen van de temponorm worden betrokken.
-6. Artikel VI treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-7. Artikel VII treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 28 maart 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen

 

Uitgegeven de drieëntwintigste april 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x