|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1994-1995,
1995-1996, 23 909.
Handelingen II 1995-1996, blz. 2193-2204, 2275-2285, 2292-2301, 2350-2353;
2363.
Kamerstukken I 1995-1996, 23 909 (114, 114a, 114b, 114c, 114d, 114e,
114f, 114g).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 23 april 1996.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET van 25 april 1996, Stb.1996,
248, tot
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere
vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot
wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten
onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid).
Inwerkingtreding: 1 augustus 1996 (Stb.
1996, 295); artikelen IX, X en
XI 1 juli 1997 (Stb.
1996, 661).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
omwille van de rechtshandhaving in de sociale zekerheid wenselijk is te
komen tot een nadere vaststelling van het stelsel van administratieve
sancties, van terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering en van
de invordering daarvan;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
De Werkloosheidswet
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Na artikel 22 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 22a.
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en
ter zake van weigering van
uitkering, herziet de bedrijfsvereniging een dergelijk besluit of
trekt zij dat in:
a. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
24, 25
of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
25, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog
recht op uitkering
bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
B. [MvT]
Artikel 24 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid wordt
vervangen door:
-2. De werknemer is
verwijtbaar werkloos geworden, indien:
a. hij zich verwijtbaar
zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit
gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen
hebben;
b. de dienstbetrekking
eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn
verbonden dat deze voortzetting
redelijkerwijs niet van
hem zou kunnen worden gevergd.
2. Na het vierde lid
worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-5. De werknemer is
verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het
Algemeen Werkloosheidsfonds, dat deel uitmaakt van het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming, of de bedrijfsvereniging niet benadeelt of zou
kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is
niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel
25.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming is bevoegd regels te stellen
waarbij
bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen, hun
op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º,
opgelegd.
C. [MvT]
Artikel 25 komt te
luiden:
Art. 25.
De werknemer is verplicht
aan de bedrijfsvereniging op haar verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of
de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de
werknemer wordt betaald.
D. [MvT]
Aan artikel 26 wordt
een derde lid toegevoegd, luidende:
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming is bevoegd regels te stellen
waarbij
bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen hun
op grond van het eerste lid, onderdeel d, f of g, opgelegd.
E. [MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 27 wordt
vervangen door:
Art. 27.
-1. Indien de werknemer
een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a,
of onderdeel b, onder 3º, opgelegd, niet is nagekomen, weigert de bedrijfsvereniging de uitkering blijvend geheel,
tenzij het niet nakomen
van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan
worden verweten. In dat geval weigert de bedrijfsvereniging de
uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het
uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.
-2. Indien de werknemer
een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b,
onder 2º, opgelegd, niet is nagekomen, weigert de bedrijfsvereniging de
uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou
zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben
aanvaard of verkregen.
-3. Indien de werknemer
een verplichting, hem op grond van de artikelen
24, eerste lid, onderdeel
b, onder 1º of 4º, vijfde lid, of 26
opgelegd, of de
verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de
verplichting, bedoeld in artikel 25, niet binnen de door de bedrijfsvereniging daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen,
weigert de bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk. [MvT]
-4. Een maatregel als
bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. [MvT]
-5. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien. [MvT]
-6. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in
artikel
27a wordt opgelegd.
-7. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het derde en vierde lid. [MvT]
F.
Na artikel 27 worden
zeven artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 27a. [MvT]
-1. Indien de werknemer de
verplichting, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk is nagekomen,
legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de werknemer de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang
zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 27b. [MvT]
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens de werknemer een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een
bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de werknemer niet
langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen,
voor zover het betreft de boeteoplegging. De werknemer wordt hiervan
in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt
gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is om aan de werknemer een boete op te leggen,
wordt hiervan kennis gegeven aan de werknemer onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een
handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
werknemer die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de werknemer worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de bedrijfsvereniging de werknemer in de gelegenheid om naar
keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de werknemer
zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de bedrijfsvereniging er op verzoek van de werknemer die de
Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de werknemer
kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan
geen behoefte bestaat.
Art. 27c. [MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 27g
zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
werknemer die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit
vermelde informatie aan de werknemer wordt meegedeeld in een voor
hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 27d. [MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de werknemer een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken bedrijfsvereniging.
Art. 27e. [MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging de werknemer overeenkomstig het bepaalde in
artikel
27b, vierde
lid, in de gelegenheid
heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte
is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan de bedrijfsvereniging heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 27f. [MvT]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de werknemer wijzigen.
Art. 27g. [MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Ziektewet, de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond van de
Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels een uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd,
betaalt die andere
bedrijfsvereniging het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging
nodig is, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
betaalt de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de
boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of
vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd
zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
werknemer blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang de werknemer zijn verplichting, bedoeld in
artikel 27a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
G. [MvT]
Artikel 28 wordt
vervangen door:
Art. 28.
-1. De bedrijfsvereniging
die een maatregel als bedoeld in artikel 27 heeft opgelegd, zet, in
geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 21 of
52d, eerste lid, een weigering van de uitkering voort.
-2. In afwijking van het
eerste lid zet de bedrijfsvereniging een weigering van de uitkering over de
uren waarover het recht op uitkering ingevolge artikel 21 herleeft niet
voort indien ter zake van arbeid verricht sinds de eerste dag waarop het
recht op uitkering is ontstaan, is voldaan aan artikel 52b, eerste lid, en op
grond van het derde lid van dat artikel geen recht op uitkering ingevolge
hoofdstuk IIb is ontstaan.
H. [MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 36 komt te
luiden:
Art. 36.
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a
of
27 onverschuldigd is
betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de
bedrijfsvereniging van de betrokken werknemer teruggevorderd. [MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 36a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
[MvT]
I.
Na artikel 36 worden
twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 36a. [MvT]
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 27g is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 36b. [MvT]
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot
terugvordering als
bedoeld in de artikelen 36 en 36a.
J. [MvT]
In artikel 37 vervalt de aanduiding "-1." voor het eerste lid, alsmede het tweede en het derde lid.
K.
In artikel 52e wordt "De artikelen 22 tot en met
27, 28, eerste
lid," vervangen door: De artikelen 22 tot en met
28, eerste lid.
L.
Artikel 63, tweede
lid, wordt vervangen door:
-2. Indien de werknemer
een verplichting hem op grond van het eerste lid opgelegd niet of
niet behoorlijk is nagekomen, weigert de bedrijfsvereniging de uitkering op grond van
dit hoofdstuk tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
M. [MvT]
Artikel 89 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In onderdeel b wordt
de zinsnede "ontvangt door de uitoefening van haar bevoegdheid op grond
van artikel 36" vervangen door: ontvangt door de toepassing van
artikel 36.
2. Aan het slot wordt,
onder vervanging van de punt door een puntkomma, een nieuw onderdeel e toegevoegd, luidende:
e. de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt door de toepassing van artikel 27a.
N.
[MvT]
In artikel 92,
onderdeel c, wordt de zinsnede "ontvangt door de uitoefening van haar bevoegdheid op grond van
artikel
36" vervangen
door: ontvangt door de
toepassing van artikel 36.
O. [MvT]
In artikel 116, eerste
lid, wordt onmiddellijk voorafgaande aan de zinsnede "45, tweede en derde
lid" ingevoegd: 24, vijfde lid, 26, derde lid,
27, zevende lid,.
P.
Artikel 117 wordt
vervangen door:
Art. 117.
Het reglement, bedoeld in
artikel 101, eerste lid, behoeft goedkeuring van het College van
toezicht sociale verzekeringen.
Q. [MvT]
Na artikel 135 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 135a.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan de werknemer ter
zake van
hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Art.
II. [MvT]
De Ziektewet wordt
gewijzigd als volgt:
A.
[MvT]
Na artikel 30 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 30a.
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en
ter zake van weigering van
ziekengeld, herziet de bedrijfsvereniging een dergelijk besluit of
trekt zij dat in:
a. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
30, 31, 38, 45 of
49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het
ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 of
49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld
bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
B.
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 33 komt te
luiden:
Art. 33.
-1. Het ziekengeld dat als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid,
30a, 44
of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd
is betaald, wordt door de bedrijfsvereniging van de betrokken
verzekerde teruggevorderd.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 33a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
[MvT]
C.
[MvT]
Artikel 33a komt te
luiden:
Art. 33a.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 45g is van
overeenkomstige toepassing.
D.
Na artikel 33a wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 33b.
[MvT]
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot
terugvordering als
bedoeld in de artikelen 33 en 33a.
E.
Artikel 34 vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 44 komt te
luiden:
Art. 44.
-1. De bedrijfsvereniging
is bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te
weigeren indien de ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte, anders dan wegens zwangerschap of bevalling:
a. bestond op het
tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
b. binnen een halfjaar
na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de
betrokkene ten tijde van
de aanvang van zijn verzekering het intreden van de ongeschiktheid tot
werken binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten.
-2. Het bepaalde in het
eerste lid, onderdeel b, blijft buiten toepassing ten aanzien van
degene
die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een
aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel
6, eerste lid,
onder a of b, niet verzekerd was.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming kan met betrekking tot de bij
dit
artikel aan de bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid nadere regels
stellen.
G.
Na artikel 44 worden
acht artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 45.
[MvT
+ bis
+ bis
+ bis
+ bis + bis]
-1. De bedrijfsvereniging
weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
[MvT]
a. indien de verzekerde
niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroept en niet zich
gedurende het gehele verloop van de ziekte onder behandeling blijft
stellen of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet
opvolgt;
b. indien de verzekerde
gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan
gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
c. indien de verzekerde
zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek,
ingevolge deze wet gedaan door de bedrijfsvereniging, om te verschijnen of
indien het geneeskundig onderzoek door een door de
bedrijfsvereniging aangewezen deskundige door toedoen van de verzekerde niet kan
plaatshebben;
d. indien de verzekerde
het voorschrift, gegeven in artikel 38, eerste lid, niet opgevolgd heeft;
e. indien de verzekerde
de hem op grond van artikel 30, vierde lid, opgelegde verplichting
niet nakomt of zich niet houdt aan de in artikel
39, tweede lid, bedoelde
controlevoorschriften;
f. indien met betrekking
tot de ongeschiktheid tot werken bij de uitvoering van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet onderscheidenlijk
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toepassing wordt gegeven aan het
bepaalde in artikel 16 of 19, onderdeel a of b, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, onderscheidenlijk artikel 25 of
28, onderdeel a of
b, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
g. indien de verzekerde
zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
h. indien de verzekerde
de verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
i. indien de verzekerde
de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of
49, niet binnen de door
de bedrijfsvereniging daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden.
[MvT]
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien.
[MvT]
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in
artikel
45a wordt opgelegd.
-5. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
[MvT]
Art. 45a.
[MvT]
-1. Indien de verzekerde
een verplichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of
49 niet of niet
behoorlijk is nagekomen, legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ten
hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de verzekerde de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang
zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 45b.
[MvT]
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens de verzekerde een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een
bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de verzekerde niet
langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen,
voor zover het betreft de boeteoplegging. De verzekerde wordt hiervan
in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt
gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is om aan de verzekerde een boete op te leggen,
wordt hiervan kennis gegeven aan de verzekerde onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een
handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
verzekerde die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de verzekerde worden medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de bedrijfsvereniging de verzekerde in de gelegenheid om naar keuze
schriftelijk of mondeling
zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de verzekerde
zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de bedrijfsvereniging er op verzoek van de verzekerde die de
Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de verzekerde
kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan
geen behoefte bestaat.
Art. 45c.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 45g
zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
verzekerde die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit
vermelde informatie aan de verzekerde wordt meegedeeld in een voor
hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 45d.
[MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de verzekerde een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken bedrijfsvereniging.
Art. 45e.
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging de verzekerde overeenkomstig het bepaalde in
artikel
45b, vierde
lid, in de gelegenheid
heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte
is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan de bedrijfsvereniging heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 45f.
[MvT]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de verzekerde wijzigen.
Art. 45g.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond van de
Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is
opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels een uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd,
betaalt die andere
bedrijfsvereniging het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging
nodig is, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
betaalt de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente,
het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de
boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of
vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd
zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g, behoudens
artikel 479e, tweede lid, aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
verzekerde blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang de verzekerde zijn verplichting, bedoeld in
artikel 45a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
H.
In artikel 49 wordt "uit eigen beweging onverwijld" vervangen door: onverwijld uit eigen beweging.
I.
[MvT]
In artikel 63, eerste
lid, wordt na "zelf dragen" ingevoegd: , alsmede uit de boeten ontvangen
door de toepassing van artikel 45a.
J.
[MvT]
Na artikel 80 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 81.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan de verzekerde ter
zake van
hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Art.
III. [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 19, zesde
lid, wordt de zinsnede "42 of 44 van de Ziektewet" vervangen door:
42, 44 en
45 van de Ziektewet.
B. [MvT]
Artikel 25 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid
wordt de zinsnede "kan de bedrijfsvereniging met betrekking tot uit deze
wet voortvloeiende aanspraken de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het
niet
voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond,
geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking laten indien
voor het niet voldoen aan de oproeping of voor de weigering geen
deugdelijk grond aanwezig was" vervangen door: weigert de bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk.
2. In het tweede lid
wordt de zinsnede "De in het vorige lid bedoelde bevoegdheid strekt zich
mede uit tot" vervangen door: De bedrijfsvereniging handelt overeenkomstig
het bepaalde in het eerste lid bij.
C. [MvT
+ bis]
Artikel 28 wordt
gewijzigd als volgt:
1. De aanduiding "-1." voor het
eerste lid, alsmede het tweede lid, komen te vervallen.
2. De aanhef wordt
vervangen door: De bedrijfsvereniging handelt overeenkomstig het bepaalde in
artikel 25:.
3. Onderdeel d komt te
luiden:
d. indien de
belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel
27, of de verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen
dan wel de verplichting,
bedoeld in artikel 80, niet binnen de door de bedrijfsvereniging
daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
D. [MvT
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 29 komt te
luiden:
Art. 29.
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 25 of 28 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan
worden. [MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien. [MvT]
-3. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in
artikel
29a wordt opgelegd.
-4. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid. [MvT]
E.
Na artikel 29 worden
zeven artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 29a. [MvT]
-1. Indien de
belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel
80, niet of niet behoorlijk
is
nagekomen, legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang
zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 29b. [MvT]
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens de belanghebbende een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat aan hem
wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is om aan de belanghebbende een boete op te leggen,
wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende onder
vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de bedrijfsvereniging de belanghebbende in de gelegenheid om naar
keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de
belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de bedrijfsvereniging er op verzoek van de belanghebbende
die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de
belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 29c. [MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 29g
zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt
de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit
vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een voor
hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 29d. [MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken bedrijfsvereniging.
Art. 29e. [MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging de belanghebbende
overeenkomstig het bepaalde in artikel 29b, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake
aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan de bedrijfsvereniging heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 29f. [MvT]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de belanghebbende wijzigen.
Art. 29g. [MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag
op grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is
opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels een uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd,
betaalt die andere
bedrijfsvereniging het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging
nodig is, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
betaalt de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente,
het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de
boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of
vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke aan tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd
zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in
artikel 29a, vierde lid, niet of niet behoorlijk
nakomt.
F. [MvT]
In de aanhef van
artikel 30, eerste lid, komt het woord "voorts" te vervallen.
G. [MvT]
Na artikel 36 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 36a.
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering
en ter zake van weigering van een zodanige uitkering,
herziet de bedrijfsvereniging een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. ter uitvoering van een
besluit als bedoeld in artikel 30;
b. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
25, 28
of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering;
c. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
25, 28
of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering
bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
H. [MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 57 komt te luiden:
Art. 57.
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld artikel 36a
onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt door de bedrijfsvereniging van de belanghebbende teruggevorderd.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 57a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
[MvT]
I. [MvT]
Artikel 57a komt te
luiden:
Art. 57a.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 29g is van
overeenkomstige toepassing.
J. [MvT]
Na artikel 57a wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 57b.
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot
terugvordering als
bedoeld in de artikelen 57 en 57a.
K.
In artikel 59d vervalt ", 57a".
L. [MvT]
In artikel 76, tweede
lid, wordt na "De premies" ingevoegd: , de boeten ontvangen door de
toepassing van artikel 29a.
M.¹
In artikel 80 wordt "onverwijld eigener beweging" vervangen door: op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging.
N. [MvT]
Na artikel 96 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 97.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan de belanghebbende
ter zake
van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
1. Zie artikel
XXI, onderdeel a, red.
Art.
IV. [MvT]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 6, achtste
lid, wordt de zinsnede "42 of 44 van de Ziektewet" vervangen door:
42, 44 en
45 van de Ziektewet.
B.
[MvT]
Artikel 16 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid
wordt de zinsnede "kan de bedrijfsvereniging met betrekking tot uit deze
wet voortvloeiende aanspraken de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond,
geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking laten indien
voor het niet voldoen aan de oproeping of voor de weigering geen
deugdelijk grond aanwezig was" vervangen door: weigert de bedrijfsvereniging de uitkering of toelage tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk.
2. In het tweede lid
wordt de zinsnede "De in het vorige lid bedoelde bevoegdheid strekt zich
mede uit tot" vervangen door: De bedrijfsvereniging handelt overeenkomstig
het bepaalde in het eerste lid bij.
C.
[MvT
+ bis]
Artikel 19 wordt
gewijzigd als volgt:
1. De aanduiding "-1." voor het
eerste lid, alsmede het tweede lid, komen te vervallen.
2. De aanhef wordt
vervangen door: De bedrijfsvereniging handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 16:.
3. Onderdeel d komt te
luiden:
d. indien de
belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 18, of de verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen
dan wel de verplichting,
bedoeld in artikel 78, niet binnen de door de bedrijfsvereniging
daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
D.
[MvT
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 20 komt te
luiden:
Art. 20.
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 16 of 19 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan
worden.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien.
[MvT]
-3. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel
20a wordt opgelegd.
-4. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
[MvT]
E.
Na artikel 20 worden
zeven artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 20a.
[MvT]
-1. Indien de
belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 78 niet of niet behoorlijk
is
nagekomen, legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ten hoogste
ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang
zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 20b.
[MvT]
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens de belanghebbende een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat aan hem
wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is om aan de belanghebbende een boete op te leggen,
wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende onder
vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de bedrijfsvereniging de belanghebbende in de gelegenheid om naar
keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de
belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de bedrijfsvereniging er op verzoek van de belanghebbende
die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de
belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 20c.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 20g zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de
bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit
vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een voor
hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 20d.
[MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken bedrijfsvereniging.
Art. 20e.
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging de belanghebbende
overeenkomstig het bepaalde in artikel 20b, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake
aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan de bedrijfsvereniging heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 20f.
[MvT]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de belanghebbende wijzigen.
Art. 20g.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag
op grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete
is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of
toeslag.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels een uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd,
betaalt die andere
bedrijfsvereniging het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging
nodig is, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
betaalt de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente,
het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de
boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of
vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke aan tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd
zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a, vierde lid, niet of niet behoorlijk
nakomt.
F.
[MvT]
In de aanhef van
artikel 21, eerste lid, komt het woord "voorts" te vervallen.
G.
[MvT]
Na artikel 26 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 26a.
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering
of een voorziening, alsook ter zake van weigering van een
zodanige uitkering of voorziening, herziet de bedrijfsvereniging een dergelijk besluit of
trekt zij dat in:
a. ter uitvoering van een
besluit als bedoeld in artikel 21;
b. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 16, 19
of 78 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering of voorziening;
c. indien anderszins de
uitkering of voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend;
d. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 16, 19
of 78 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering
of voorziening bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
H.
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 48 komt te
luiden:
Art. 48.
-1. De uitkering of
voorziening die als gevolg van een besluit als bedoeld artikel 26a onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins
onverschuldigd is
betaald, wordt door de bedrijfsvereniging van de belanghebbende
teruggevorderd.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 48a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
[MvT]
I.
Na artikel 48 worden
twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 48a.
[MvT]
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 20g is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 48b.
[MvT]
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot
terugvordering als
bedoeld in de artikelen 48 en 48a.
J.
[MvT]
Artikel 49 vervalt.
K.
In artikel 55 vervalt ", 49".
L.¹
In artikel 78, eerste
lid, wordt "onverwijld eigener beweging" vervangen door: op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging.
M.
[MvT]
Na artikel 86 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 87.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan de belanghebbende
ter zake
van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd
1. Zie artikel XXI,
onderdeel b, red.
Art. V. [MvT]
De Toeslagenwet wordt
gewijzigd als volgt:
A.
[MvT]
Na artikel 11 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 11a.
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en
ter zake van weigering van
toeslag, herziet de bedrijfsvereniging een dergelijk besluit of
trekt zij dat in:
a. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 of
13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
toeslag;
b. indien anderszins de
toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 of
13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering
bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
B.¹
Artikel 12 komt te
luiden:
Art. 12.
Degene die aanspraak
maakt op toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de
instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn
verplicht aan de bedrijfsvereniging op verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het
recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.
C.²
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 14 komt te
luiden:
Art. 14.
-1. Indien degene die
aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan
wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22 toeslag wordt
betaald, een verplichting, hem op grond van artikel 13 opgelegd, of de
verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid van de Organisatiewet sociale
verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de
verplichting, bedoeld in artikel 12, niet binnen de door de bedrijfsvereniging daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen,
weigert de bedrijfsvereniging de toeslag tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk.
[MvT]
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan
worden.
[MvT]
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien.
[MvT]
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in
artikel
14a wordt opgelegd.
-5. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
[MvT]
D.
Na artikel 14 worden
zeven artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 14a.²
[MvT]
-1. Indien degene die
aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan
wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22 toeslag wordt
betaald, de verplichting, bedoeld in artikel 12, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, legt de bedrijfsvereniging hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede
de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22
toeslag wordt betaald, de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang
zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 14b.² ³
[MvT]
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn
echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van
artikel 22 toeslag wordt betaald, een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een
bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
toeslaggerechtigde
dan wel de betrokken persoon of instelling niet langer verplicht ter
zake
van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De toeslaggerechtigde dan wel de betrokken persoon of
instelling wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is om aan de toeslaggerechtigde dan wel de
betrokken
persoon of instelling een boete op te leggen, wordt hiervan
kennis gegeven aan de toeslaggerechtigde dan wel de betrokken persoon of
instelling onder vermelding van de gronden waarop het voornemen
berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste
lid.
-3. Op verzoek van de toeslaggerechtigde dan wel de betrokken persoon of instelling die
de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de
bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving
vermelde gronden aan de toeslaggerechtigde dan wel de betrokken persoon
of instelling worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de bedrijfsvereniging de
toeslaggerechtigde dan wel de betrokken
persoon of instelling in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze
naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de toeslaggerechtigde dan wel de betrokken persoon of instelling zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de
bedrijfsvereniging er op
verzoek van de toeslaggerechtigde dan wel de betrokken persoon of
instelling die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat
een tolk wordt benoemd die hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 14c.² ³
[MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 14g
zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van degene
die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de
persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22
toeslag wordt betaald, die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens
zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat
besluit vermelde informatie aan de toeslaggerechtigde dan wel de betrokken
persoon of instelling wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 14d.²
[MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede
de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22
toeslag wordt betaald, een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken bedrijfsvereniging.
Art. 14e.²
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging degene die aanspraak
maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan
wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22 toeslag wordt
betaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 14b, vierde lid, in de
gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden,
vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan de bedrijfsvereniging heeft
medegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 14f.
[MvT]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de toeslaggerechtigde wijzigen.
Art. 14g.²
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd toeslag ontvangt op grond van deze wet of een
loondervingsuitkering ontvangt, wordt het besluit waarbij de boete
is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die toeslag of
uitkering.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels een uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd,
betaalt die andere
bedrijfsvereniging het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging
nodig is, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
bijstandswet, de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
betaalt de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken
gemeente, het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering of toeslag als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer ontvangt,
dan wel ten aanzien van
zodanige uitkering of toeslag toepassing van het derde en vierde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op
zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd
zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat
degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de
persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 22
toeslag wordt betaald, blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling
aan welke op grond van
artikel 22 toeslag wordt betaald, zijn verplichting, bedoeld in artikel 14a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
E.²
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 20 komt te
luiden:
Art. 20.
-1. De toeslag die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a
of
14 onverschuldigd is
betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de
bedrijfsvereniging van degene die aanspraak maakt op een toeslag,
alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van
artikel 22 toeslag wordt betaald, teruggevorderd.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 20a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging de
inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
[MvT]
F.
Na artikel 20 worden
twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 20a.
[MvT]
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 14g is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 20b.
[MvT]
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot
terugvordering als
bedoeld in de artikelen 20 en 20a.
G.
[MvT]
Artikel 21 vervalt.
H.
Artikel 26 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Aan het slot van het
eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: alsmede door de met toepassing van
artikel 14a verkregen boeten.
2. In het tweede lid
wordt na "Rijk" ingevoegd: , onderscheidenlijk de afdracht van de boeten,
bedoeld in artikel 14a, door de bedrijfsvereniging.
I.²
[MvT]
Na artikel 43 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 43a.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan degene die aanspraak
maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van
artikel 22 toeslag
wordt betaald, ter zake
van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
1. Zie artikel XXI,
onderdeel c, onder 1º en 2º, red.
2. Zie artikel XXI, onderdeel c, onder 3º, red.
3. Zie artikel XXI, onderdeel c, onder 4º, red.
Art. VI. [MvT]
De Algemene Ouderdomswet wordt gewijzigd als volgt:
A.¹
Artikel 15 komt te
luiden:
Art. 15.
-1. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften behoeven de goedkeuring van het
College van
toezicht sociale verzekeringen en mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een
juiste uitvoering van deze wet.
-2. De
pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie of de instelling
waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn
verplicht de voorschriften op te volgen die de Sociale Verzekeringsbank
ten behoeve van een doelmatige controle stelt.
B.
[MvT]
Na artikel 17 worden
negen artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 17a.
[MvT
+ bis]
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen
en ter zake van weigering
van ouderdomspensioen, herziet de Sociale
Verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
15, tweede lid,
heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag
verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het
ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
15, tweede lid,
ertoe leidt dat niet kan worden
vastgesteld of nog recht
op ouderdomspensioen bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking af te zien.
Art. 17b.²
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis
+ bis]
-1. Het ouderdomspensioen
wordt door de Sociale Verzekeringsbank geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend geweigerd indien de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel
de persoon aan wie of de instelling waaraan ingevolge artikel
20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, een verplichting op grond van
artikel 15, tweede lid, opgelegd of de verplichting, bedoeld in
artikel 91, vierde lid van de Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of
niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in
artikel 49, niet binnen de door de Sociale Verzekeringsbank daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen.
[MvT]
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan
worden.
[MvT]
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten van het opleggen van een maatregel af te
zien.
[MvT]
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in
artikel
17c wordt opgelegd.
-5. De Sociale
Verzekeringsbank stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het
tweede
lid.
[MvT]
Art. 17c.²
[MvT
+ bis]
-1. Indien de
pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie of de instelling
waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, de verplichting, bedoeld in
artikel 49, niet of niet
behoorlijk is nagekomen,
legt de Sociale Verzekeringsbank hem een boete op van ten hoogste
ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie of
de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt
uitbetaald, de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden
waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. De Sociale
Verzekeringsbank stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het
tweede
lid.
Art. 17d.² ³
[MvT
+ bis]
-1. Indien de Sociale Verzekeringsbank jegens de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel
de persoon aan wie of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, een handeling
verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat
aan hem wegens een
bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de pensioengerechtigde
dan wel de betrokken persoon of instelling niet langer verplicht ter
zake
van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De pensioengerechtigde dan wel de betrokken persoon
of instelling wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de Sociale
Verzekeringsbank voornemens is om aan de pensioengerechtigde dan
wel de betrokken persoon of instelling een boete op te leggen, wordt
hiervan kennis gegeven aan de pensioengerechtigde dan wel de betrokken
persoon of instelling onder vermelding van de gronden waarop het
voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in
het eerste lid.
-3. Op verzoek van de pensioengerechtigde dan wel de betrokken persoon of instelling die
de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de
Sociale Verzekeringsbank er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de pensioengerechtigde dan wel de betrokken
persoon of instelling worden medegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de Sociale Verzekeringsbank de
pensioengerechtigde dan wel de
betrokken persoon of
instelling in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling
zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de pensioengerechtigde dan wel de betrokken persoon of instelling zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de Sociale
Verzekeringsbank er op verzoek van de pensioengerechtigde dan wel de betrokken persoon of
instelling die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat
een tolk wordt benoemd die hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 17e.²
[MvT
+ bis]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 17i
zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie of de
instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald,
die het
in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de Sociale
Verzekeringsbank er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit
vermelde informatie aan hem of hun wordt meegedeeld in een voor hem of hun
begrijpelijke taal.
-3. De Sociale
Verzekeringsbank stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
Art. 17f.²
[MvT
+ bis]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan
wie of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt
uitbetaald, een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering
is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de Sociale Verzekeringsbank.
Art. 17g.²
[MvT
+ bis]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de Sociale
Verzekeringsbank de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de
persoon aan wie of de
instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 17d, vierde lid, in de
gelegenheid heeft gesteld zijn of hun zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden,
vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan de Sociale Verzekeringsbank
heeft medegedeeld dat
geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 17h.²
[MvT
+ bis]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan
wie of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt
uitbetaald, wijzigen.
Art. 17i.
[MvT
+ bis]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd ouderdomspensioen op grond van deze wet
ontvangt, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer
gelegd
door verrekening met dat pensioen.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een toeslag op grond
van de Toeslagenwet, betaalt de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk de betrokken bedrijfsvereniging, het bedrag van die boete,
zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale
Verzekeringsbank.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen pensioen of uitkering als bedoeld in
het tweede of derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet mogelijk
is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige
betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het
vierde lid, dan wel van
het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de Sociale Verzekeringsbank op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd,
zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale Verzekeringsbank.
-8. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat
degene aan wie een boete is opgelegd en zijn echtgenoot blijven
beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in
artikel 17c,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
C.²
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 24 komt te
luiden:
Art. 24.
-1. Het ouderdomspensioen
dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins
onverschuldigd is
betaald, wordt door de Sociale
Verzekeringsbank van de pensioengerechtigde, dan
wel de persoon aan wie of de instelling waaraan ingevolge artikel
20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, teruggevorderd.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
[MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 24a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
[MvT]
D.
Na artikel 24 worden
twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 24a.
[MvT]
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 17i is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 24b.
[MvT]
De Sociale
Verzekeringsbank stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de
tenuitvoerlegging
van besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen
24 en 24a.
E.
[MvT]
Artikel 25 vervalt.
F.¹
[MvT]
Artikel 49 komt te
luiden:
Art. 49.
De pensioengerechtigde,
zijn echtgenoot, alsmede de persoon aan wie of de instelling waaraan
ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn
verplicht aan de Sociale
Verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hun
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de
uitkering
dat wordt betaald.
G.²
Na artikel 67 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 68.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de Sociale
Verzekeringsbank aan de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel de persoon aan wie
of de instelling waaraan
ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft
opgelegd.
1. Zie
artikel XXI, onderdeel d, onder 1º, red.
2.
Zie artikel XXI, onderdeel d, onder 2º, red.
3.
Zie artikel XXI, onderdeel d, onder 3º, red.
Art. VII. [MvT]
De Algemene Kinderbijslagwet wordt gewijzigd als volgt:
A.
[MvT]
Na artikel 14 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 14a.
-1. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
kinderbijslag
en ter zake van weigering
van kinderbijslag, herziet de Sociale
Verzekeringsbank een dergelijk besluit of
trekt zij dat in:
a. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 of
16 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
kinderbijslag;
b. indien anderszins de
kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 of
16 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op
kinderbijslag bestaat.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking af te zien.
B.
Artikel 15 komt te
luiden:
Art. 15.
De verzekerde of de
persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, zijn
verplicht aan de Sociale Verzekeringsbank op haar verzoek of
onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem
of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de
kinderbijslag, het geldend maken van het recht op kinderbijslag of op het
bedrag van de kinderbijslag dat wordt betaald.
C.
In artikel 16, tweede
lid, vervalt "of instelling aan welk" en wordt "ingevolge" vervangen
door: op grond van.
D.
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 17 komt te
luiden:
Art. 17.
-1. Indien de verzekerde
of de persoon aan wie ingevolge artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald een verplichting op grond van artikel 16 opgelegd of de
verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid van de Organisatiewet sociale
verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de
verplichting, bedoeld in artikel 15, niet binnen de door de Sociale
Verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, weigert de Sociale Verzekeringsbank de kinderbijslag tijdelijk
of blijvend, geheel of
gedeeltelijk.
[MvT]
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond
van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, de gedraging verweten kan
worden.
[MvT]
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten van het opleggen van een maatregel af te
zien.
[MvT]
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in
artikel
17a wordt opgelegd.
-5. De Sociale
Verzekeringsbank stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het
tweede
lid.
[MvT]
E.
Na artikel 17 worden
zeven artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 17a.
[MvT]
-1. Indien de verzekerde
of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt
betaald de verplichting, bedoeld in artikel 15, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, legt de Sociale Verzekeringsbank hem een boete op van ten hoogste
ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21
kinderbijslag wordt betaald, de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. De Sociale
Verzekeringsbank stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het
tweede
lid.
Art. 17b.
[MvT]
-1. Indien de Sociale Verzekeringsbank jegens de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond
van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, een handeling verricht
waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
verzekerde dan wel de betrokken persoon niet langer verplicht ter zake
van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De verzekerde dan wel de betrokken persoon wordt
hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie
wordt gevraagd.
-2. Indien de Sociale
Verzekeringsbank voornemens is om aan de verzekerde dan wel de betrokken persoon een boete op te leggen, wordt
hiervan kennis gegeven
aan de verzekerde dan wel de betrokken persoon onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een
handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de verzekerde dan wel de betrokken persoon die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis
van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de Sociale Verzekeringsbank er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de
verzekerde dan wel de betrokken persoon worden medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt de Sociale Verzekeringsbank de
verzekerde dan wel de betrokken
persoon in de gelegenheid
om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de verzekerde
dan wel de betrokken persoon zijn zienswijze mondeling naar voren
brengt, draagt de Sociale Verzekeringsbank er op verzoek van de
verzekerde dan wel de betrokken persoon die de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die hem kan
bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte
bestaat.
Art. 17c.
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 17g
zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, die het in het eerste lid
bedoelde besluit wegens
zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt de Sociale Verzekeringsbank er zoveel mogelijk zorg voor dat de
in dat besluit vermelde informatie aan de verzekerde dan wel de
betrokken persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. De Sociale
Verzekeringsbank stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
Art. 17d.
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, een strafvervolging is
ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de Sociale Verzekeringsbank.
Art. 17e.
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de Sociale
Verzekeringsbank de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond
van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, overeenkomstig het bepaalde in artikel 17b, vierde lid,
in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden,
vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar
ministerie aan de Sociale Verzekeringsbank heeft medegedeeld dat
geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 17f.
[MvT]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel
21 kinderbijslag
wordt betaald, wijzigen.
Art. 17g.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden
vormt, kinderbijslag
op grond van deze wet, ouderdomspensioen op
grond van de Algemene Ouderdomswet of pensioen of uitkering op
grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet ontvangt, wordt het
besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die
bijslag, dat pensioen of die uitkering.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden
vormt, een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of een toeslag op grond
van de Toeslagenwet, betaalt de betrokken gemeente, onderscheidenlijk de betrokken bedrijfsvereniging,
het bedrag van die boete,
zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale
Verzekeringsbank.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden
vormt, geen bijslag, pensioen of uitkering als bedoeld in het tweede of
derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het derde lid niet mogelijk is, wordt het besluit
waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend
en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het
vierde lid, dan wel van
het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door de Sociale Verzekeringsbank op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd,
zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale Verzekeringsbank.
-8. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, blijven
beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, dan
wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt
betaald, zijn verplichting, bedoeld in artikel 17a, vierde lid, niet of niet
behoorlijk nakomt.
F.
[MvT
+ bis + bis
+ bis + bis]
Artikel 24 komt te
luiden:
Art. 24.
-1. De kinderbijslag die
als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14a
onverschuldigd is
betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de
Sociale
Verzekeringsbank van de verzekerde, dan wel
degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond
van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, teruggevorderd.
[MvT]
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale Verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
[MvT]
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 24a.
[MvT]
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
[MvT]
G.
Na artikel 24 worden
twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 24a.
[MvT]
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 17g is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 24b.
[MvT]
De Sociale
Verzekeringsbank stelt regels met betrekking tot de terugvordering en de
tenuitvoerlegging
van besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen
24 en 24a.
H.
Artikel 29a wordt
gewijzigd als volgt:
1. Aan het slot van het
eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: alsmede door de met toepassing van
artikel
17a verkregen boeten.
2. In het tweede lid
wordt na "Rijk" ingevoegd:, onderscheidenlijk de afdracht van de boeten,
bedoeld in artikel 17a, door de Sociale
Verzekeringsbank.
I.
[MvT]
Na artikel 38 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 39.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de Sociale
Verzekeringsbank aan de belanghebbende ter
zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Art. VIII. [MvT]
De Wet financiering volksverzekeringen wordt gewijzigd als volgt:
A.
[MvT]
Aan artikel 29, eerste
lid, wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma, een nieuw
onderdeel c toegevoegd, luidende:
c. de boeten, bedoeld in
artikel 17a van de Algemene Ouderdomswet.
B.
[MvT]
In artikel 35, eerste
lid, wordt onder wijziging van de aanduidingen b tot en met e in
c tot en
met f een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:
b. de boeten, bedoeld in
artikel 20a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
Art. IX. [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 12 maart 1992 ingediende voorstel van wet houdende
herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene
bijstandswet; Kamerstukken 22 545) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd.
A.
[MvT
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 14 komt te
luiden:
Art. 14.
-1. Indien de
belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan, dan wel in de
periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft
meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in
dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld in artikel
65, eerste lid, niet binnen de door
burgemeester en wethouders daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan
wel een verplichting als bedoeld in artikel 65, derde lid, of vijfde lid,
artikel 70, vierde lid, of een op grond van
hoofdstuk VIII aan de
bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen,
weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel
of gedeeltelijk.
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
[MvT]
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
af te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in
het eerste lid.
[MvT]
-4. Indien een
belanghebbende geen dienstbetrekking of voorbereidingsovereenkomst heeft als bedoeld in
hoofdstuk V en
Va van
de Jeugdwerkgarantiewet,
omdat hij het aanbod daartoe niet heeft aanvaard of omdat hem een
aanbod daartoe onder toepassing van artikel 11, derde, vierde of
vijfde lid, dan wel artikel 16a, tweede, derde of vierde lid, van die wet niet
wordt gedaan, weigeren burgemeester en wethouders hem bijstand voor de duur van
dertien weken. De duur van de
weigering kan worden
bekort indien daartoe, gelet op de omstandigheden van belanghebbende,
dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid
nadere regels worden gesteld.
[MvT]
B.
Na artikel 14 wordt
een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 3A. Administratieve
boeten
Art. 14a.
[MvT]
-1. Indien de
belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel
65, eerste lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen
te doen, leggen burgemeester en wethouders hem een boete op van ten
hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
af te zien van het opleggen van een boete.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid
nadere regels gesteld.
Art. 14b.
[MvT]
-1. Indien burgemeester en
wethouders jegens de belanghebbende een handeling verrichten
waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en
wethouders voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete
op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende
onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de
in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stellen burgemeester en
wethouders de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de
belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de
belanghebbende die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt
benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 14c.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel
14f zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk
zorg voor dat de in dat
besluit vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste
lid nadere regels worden gesteld.
Art. 14d.
[MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid
mededeling aan burgemeester en wethouders.
Art. 14e.
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat burgemeester en wethouders de belanghebbende overeenkomstig
artikel 14b, vierde lid, in
de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake aangifte
is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan burgemeester en wethouders heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 14f.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd algemene bijstand of een uitkering op grond
van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ontvangt,
wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door
verrekening met die bijstand of uitkering.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere gemeente
dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere
gemeente het bedrag van
die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de
Algemene
Ouderdomswet of de Algemene Weduwen- en Wezenwet, betaalt de
betrokken bedrijfsvereniging, onderscheidenlijk de Sociale
Verzekeringsbank, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer
ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. De betekening en
tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder, bedoeld in artikel 231, tweede lid,
onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van
die wet is van overeenkomstige
toepassing.
-9. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door burgemeester en wethouders op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd,
zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen
475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt
niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel
14a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
C.
Artikel 65, eerste
lid, wordt vervangen door:
-1. De belanghebbende doet
aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan
hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de
hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand
dat aan hem wordt betaald.
D.
In hoofdstuk V wordt
het opschrift van paragraaf 4 vervangen door: § 4. Opschorting en
herziening van de bijstand
E.
[MvT
+ bis]
In artikel 69 wordt
het derde lid vervangen door:
-3. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en
ter zake van weigering van
bijstand, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of
trekken zij dat in:
a. indien een gedraging
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in
artikel 65,
eerste lid, heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de
bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende
in het geval, bedoeld in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekken
burgemeester en
wethouders na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning
van bijstand in met ingang van de eerste dag waarover het recht op
bijstand is opgeschort.
-5. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
F.
[MvT
+ bis]
Artikel 78 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te
luiden:
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
2. Het vierde lid
vervalt.
G.
Na artikel 78 wordt
een nieuw artikel 78a ingevoegd, luidende:
Art. 78a.
-1. In afwijking van
artikel 78 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van belanghebbende, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of
gedeeltelijk van verdere terugvordering van bijstand af te zien, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen,
behoudens de in het tweede lid bedoelde, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
en
c. de vordering van de gemeente
wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan
naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van:
a. de terugvordering van
bijstand als gevolg van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende;
b. vorderingen welke door
pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens
voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
-3. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een
schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.
-4. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de
belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling is tot
stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling
voldoet; of
c. onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
H.
[MvT
+ bis]
Artikel 81 komt te
luiden:
Art. 81.
-1. Bijstand die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of
69, derde of vierde lid, ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de
belanghebbende teruggevorderd.
[MvT]
-2. Hetgeen anderszins
onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als
bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats indien de betreffende kosten
zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het
besluit tot terugvordering.
I.
[MvT
+ bis
+ bis]
Artikel 86 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede
dat het besluit, bij
gebreke van tijdige betaling, op de wijze als omschreven in artikel 87
zal worden ten uitvoer gelegd.
2. Het tweede lid
vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
J.
[MvT
+ bis]
Artikel 87 komt te
luiden:
Art. 87.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 14f is van
overeenkomstige toepassing.
K.
[MvT]
Artikel 88 vervalt.
L.
[MvT]
Artikel 91 vervalt.
M.
Na artikel 93 wordt
een nieuw artikel 93a ingevoegd, luidende:
Art. 93a.
-1. In afwijking van artikel 93 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van degene op wie
verhaald wordt, besluiten gedeeltelijk af te zien van verhaal van
kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op
het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met
het betalen van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de
overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
en
c. de vordering van de gemeente
wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan
naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang.
-2. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot
stand is gekomen.
-3. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de
belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling is tot
stand gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling
voldoet; of
c. onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
N.
[MvT]
Artikel 105 komt te
luiden:
Art. 105.
De artikelen 14f, achtste
en negende lid, 89 en 90 zijn met betrekking tot het verhaal van kosten
van bijstand van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.
O.
In artikel 128 wordt "artikel
14, tweede
lid" vervangen door: artikel
14, eerste lid.
P.
[MvT]
Artikel 134 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid,
onderdeel a, wordt na "waaronder begrepen" toegevoegd: de bedragen
die de gemeente
in verband hiermee ontvangt door de toepassing van artikel
14a, alsmede.
2. In het eerste lid
wordt onderdeel b vervangen door:
b. bijstand ter
voorziening in de kosten van bedrijfskapitaal, waaronder begrepen de bedragen die
de gemeente in verband hiermee ontvangt door de toepassing van artikel
14a.
3. Het derde lid komt te
luiden:
-3. Voor de vaststelling
van de in het eerste en tweede lid bedoelde ten laste van de gemeente
gebleven kosten van algemene bijstand worden de in aanmerking genomen inkomsten van de belanghebbende en de
weigering van de bijstand
op grond van artikel 14 en alle ontvangsten van de gemeente in verband
met de verlening van algemene bijstand, waaronder begrepen de
bedragen die de gemeente ontvangt door toepassing van artikel
14a, voor dat deel in mindering gebracht op de in hoofdstuk
IV, afdeling 1,
paragraaf 2 en 3, bedoelde bijstandsnorm dat overeenkomt met de
verhouding tussen die bijstandsnorm en de som van die bijstandsnorm en de
toeslag op grond van artikel 33.
Q.
[MvT]
In artikel 136, derde
lid, wordt onderdeel b als volgt gewijzigd:
b. niet is voldaan aan
het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14 en
14a, paragraaf
2, 3, 4,
5
en 6 van hoofdstuk V en de artikelen 111, 117 en
118;.
R.
[MvT]
Na artikel 140 wordt
in hoofdstuk XI een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 140a.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de belanghebbende wijzigen.
S.
[MvT]
Na artikel 142 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 142a.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter
zake van hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.
T.
[MvT]
In artikel 143, eerste
lid, wordt de zinsnede "in de artikelen 121 en
122" vervangen door: in
de artikelen 14a, vierde lid, 65, vijfde lid,
86, tweede lid, 121 en
122.
Art. X. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers,
zoals die komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 25 mei
1992
ingediende voorstel van wet houdende invoering van een nieuwe Algemene
bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene
bijstandswet; Kamerstukken 22 614) tot wet wordt verheven en in werking is getreden,
wordt gewijzigd als volgt.
A.
[MvT]
Artikel 2 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid,
onderdeel a, onder 3º, en in het eerste lid, onderdeel b, onder
3º, wordt na de zinsnede "heeft bereikt" ingevoegd: ,
tenzij op dat tijdstip
een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond van
artikel 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet
van
toepassing is.
2. In het eerste lid,
onderdeel c, onder 3º, wordt achter de zinsnede "heeft
bereikt" ingevoegd: tenzij op dat tijdstip een maatregel van
blijvend gehele weigering
van de uitkering op grond van
artikel 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet
van toepassing is,.
3. Het tweede lid
vervalt, waarna het derde tot en met vijfde lid worden vernummerd tot tweede
tot en met vierde lid.
4. In het nieuwe derde
lid wordt "derde lid" vervangen door: tweede lid.
5. In het nieuwe vierde
lid wordt "vierde lid" vervangen door: derde lid.
B.
Artikel 13, eerste
lid, wordt vervangen door:
-1. De belanghebbende doet
aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan
hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering,
de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering
dat aan hem wordt betaald.
C.
[MvT
+ bis]
In artikel 17 wordt
het derde lid vervangen door:
-3. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en
ter zake van weigering van
uitkering, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of
trekken zij dat in:
a. indien een gedraging
als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in
artikel 13,
eerste lid, heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende
in het geval, bedoeld in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekken
burgemeester en
wethouders na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning
van uitkering in met ingang van de eerste dag waarover het recht op
uitkering is opgeschort.
-5. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
D.
[MvT
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 20 komt te
luiden:
Art. 20.
-1. Indien de
belanghebbende zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs
heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking
tot gevolg zou kunnen hebben, dan wel indien de
dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan
zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van
hem zou kunnen worden gevergd, weigeren burgemeester en
wethouders de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende uit of
in verband met deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven
als bedoeld bij of krachtens artikel 8, tenzij het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende
mate kan worden verweten.
In dat geval weigeren burgemeester en wethouders de uitkering
over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de
uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste
volzin.
-2. Indien de
belanghebbende nalaat passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen
passende arbeid verkrijgt, weigeren burgemeester en wethouders de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende met het
verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als
bedoeld bij of krachtens artikel 8.
-3. Indien de
belanghebbende geen dienstbetrekking of voorbereidingsovereenkomst heeft als bedoeld in
hoofdstuk V en Va van de Jeugdwerkgarantiewet, omdat hij het aanbod
daartoe niet heeft aanvaard of omdat hem een aanbod daartoe
onder toepassing van artikel 11, derde, vierde of vijfde lid, dan wel
artikel 16a, tweede, derde of vierde lid, van die wet niet wordt gedaan, weigeren
burgemeester en wethouders de uitkering blijvend geheel.
-4. Indien de
belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen
op arbeid in dienstbetrekking de verplichting, bedoeld in artikel
13,
eerste lid, niet binnen de door burgemeester en wethouders daarvoor
vastgestelde termijn is nagekomen, een verplichting als bedoeld in artikel
13, derde of vijfde lid, artikel 18, vierde lid, of een op grond van
hoofdstuk III
aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting,
bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel c, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, weigeren burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk.
-5. Een maatregel als
bedoeld in het vierde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
[MvT]
-6. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
af te zien van het opleggen van een maatregel.
[MvT]
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het vierde en het vijfde lid
nadere regels worden gesteld.
[MvT]
E.
Na artikel 20 wordt
een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 3A. Administratieve
boeten
Art. 20a.
[MvT]
-1. Indien de
belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel
13, eerste lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen
te doen, leggen burgemeester en wethouders hem een boete op van ten
hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
af te zien van het opleggen van een boete.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid
nadere regels gesteld.
Art. 20b.
[MvT]
-1. Indien burgemeester en
wethouders jegens de belanghebbende een handeling verrichten
waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en
wethouders voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete
op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende
onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de
in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stellen burgemeester en
wethouders de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de
belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de
belanghebbende die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt
benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 20c.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 20f zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk
zorg voor dat de in dat
besluit vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste
lid nadere regels worden gesteld.
Art. 20d.
[MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid
mededeling aan burgemeester en wethouders.
Art. 20e.
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat burgemeester en wethouders de belanghebbende overeenkomstig
artikel
20b, vierde lid, in
de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake aangifte
is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan burgemeester en wethouders heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 20f.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of algemene bijstand op grond van de
Algemene bijstandswet, wordt het besluit waarbij de boete is
opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of bijstand.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels uitkering of bijstand als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere gemeente
dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere
gemeente het bedrag van
die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de
Algemene
Ouderdomswet of de Algemene Weduwen- en Wezenwet, betaalt de
betrokken bedrijfsvereniging, onderscheidenlijk de Sociale
Verzekeringsbank, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor een machtiging
nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente
die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering of bijstand als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer
ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. De betekening en
tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder, bedoeld in artikel 231, tweede lid,
onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van
die wet is van overeenkomstige
toepassing.
-9. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door burgemeester en wethouders op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd,
zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen
475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt
niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
F.
Het opschrift van paragraaf 5
van hoofdstuk II komt te luiden: Terugvordering.
G.
[MvT
+ bis + bis]
Artikel 25 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel
17, derde of vierde lid, of
artikel 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen
anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van de belanghebbende
teruggevorderd.
2. Het derde lid wordt
vervangen door:
-3. De uitkering wordt van
de belanghebbende teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van
deze wet is verleend,
later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de
uitkering rekening zou zijn gehouden.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
H.
Na artikel 25, wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 25a.
-1. In afwijking van
artikel 25 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van belanghebbende, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of
gedeeltelijk van verdere terugvordering van de uitkering af te zien, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen,
behoudens de in het tweede lid bedoelde, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
en
c. de vordering van de gemeente
wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan
naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van de terugvordering van uitkering als gevolg
van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende.
-3. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een
schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.
-4. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de
belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling is tot
stand gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling
voldoet; of
c. onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
I.
[MvT
+ bis
+ bis]
Artikel 27 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede
dat het besluit, bij
gebreke van tijdige betaling, op de wijze als omschreven in artikel 28
zal worden ten uitvoer gelegd.
2. Het tweede lid
vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
J.
[MvT]
Artikel 28 komt te
luiden:
Art. 28.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 20f is van
overeenkomstige toepassing.
K.
[MvT]
Artikel 29 vervalt.
L.
Artikel 25i vervalt.
M.
Artikel 32 vervalt.
N.
Artikel 33 vervalt.
O.
In artikel 51 wordt "artikel
20, eerste lid," vervangen door: artikel
20, eerste, tweede, derde of
vierde lid,.
P.
[MvT]
In het eerste lid van
artikel 57 wordt na "waaronder begrepen" toegevoegd: de bedragen
die de gemeente
in verband hiermee ontvangt door de toepassing van
artikel 20a, alsmede.
Q.
[MvT]
In artikel 59, derde
lid, wordt onderdeel b vervangen door:
b. niet is voldaan aan
het bepaalde bij en krachtens de artikelen 13 tot en met 20 en de artikelen
20a, 34, 41 en
42;.
R.
Het opschrift van
hoofdstuk VI komt te luiden: Rechtsbescherming.
S.
[MvT]
Na artikel 60 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 60a.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de belanghebbende wijzigen.
T.
In artikel 62, eerste
lid, wordt "artikel 13 of de verplichting, bedoeld in
artikel 27, derde
lid"
vervangen door: artikel 13, eerste lid.
U.
[MvT]
Na artikel 62 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 62a.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter
zake van hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.
Art. XI. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
zoals die komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 25 mei
1992
ingediende voorstel van wet houdende invoering van een nieuwe Algemene
bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene
bijstandswet; Kamerstukken 22 614) tot wet wordt verheven en in werking is getreden,
wordt gewijzigd als volgt.
A.
Artikel 13, eerste
lid, wordt vervangen door:
-1. De belanghebbende doet
aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan
hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering,
de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering
dat aan hem wordt betaald.
B.
[MvT
+ bis]
In artikel 17 wordt
het derde lid vervangen door:
-3. Onverminderd het
elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en
ter zake van weigering van
uitkering, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of
trekken zij dat in:
a. indien een gedraging
als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 13,
eerste lid, heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende
in het geval, bedoeld in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekken
burgemeester en
wethouders na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning
van uitkering in met ingang van de eerste dag waarover het recht op
uitkering is opgeschort.
-5. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
C.
[MvT
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 20 komt te
luiden:
Art. 20.
-1. Indien de
belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering
of nadien zich onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het
bestaan, de verplichting bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet binnen de door
burgemeester en wethouders daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan
wel een verplichting als bedoeld in artikel 13, derde of
vijfde lid, artikel 18, vierde lid, of een op grond van
hoofdstuk III aan de
uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, onderdeel c, niet of niet behoorlijk is nagekomen,
weigeren burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk.
-2. Indien de
belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard zich verwijtbaar
zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen
dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen
hebben, dan wel indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen
worden gevergd, weigeren burgemeester en wethouders de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende
uit of in verband met
deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld bij
of krachtens artikel 8, tenzij het eindigen van de dienstbetrekking
belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval
weigeren burgemeester en wethouders de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van
de uitkering te verlagen
met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste volzin.
-3. Indien de
belanghebbende nalaat passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen
passende arbeid verkrijgt, weigeren burgemeester en wethouders de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende met het
verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als
bedoeld bij of krachtens artikel 8.
-4. Indien de
belanghebbende geen dienstbetrekking of voorbereidingsovereenkomst heeft als bedoeld in
hoofdstuk V en Va van de Jeugdwerkgarantiewet, omdat hij het aanbod
daartoe niet heeft aanvaard of omdat hem een aanbod daartoe
onder toepassing van artikel 11, derde, vierde of vijfde lid, dan wel
artikel 16a, tweede, derde of vierde lid, van die wet niet wordt gedaan, weigeren
burgemeester en wethouders de uitkering blijvend geheel.
-5. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
[MvT]
-6. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
af te zien van het opleggen van een maatregel.
[MvT]
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het vijfde lid
nadere regels worden gesteld.
[MvT]
D.
Na artikel 20 wordt
een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 3A. Administratieve
boeten
Art. 20a.
[MvT]
-1. Indien de
belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel
13, eerste lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen
te doen, leggen burgemeester en wethouders hem een boete op van ten
hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
af te zien van het opleggen van een boete.
-4. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid
nadere regels gesteld.
Art. 20b.
[MvT]
-1. Indien burgemeester en
wethouders jegens de belanghebbende een handeling verrichten
waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en
wethouders voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete
op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende
onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de
in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stellen burgemeester en
wethouders de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de
belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de
belanghebbende die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt
benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 20c.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 20f zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk
zorg voor dat de in dat
besluit vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste
lid nadere regels worden gesteld.
Art. 20d.
[MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid
mededeling aan burgemeester en wethouders.
Art. 20e.
[MvT]
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat burgemeester en wethouders de belanghebbende overeenkomstig
artikel
20b, vierde lid, in
de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien
ter zake aangifte
is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de
termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan burgemeester en wethouders heeft medegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 20f.
[MvT]
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of algemene bijstand op grond van de
Algemene bijstandswet, wordt het besluit waarbij de boete is
opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of bijstand.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd inmiddels uitkering of bijstand als bedoeld in
het tweede lid ontvangt van een andere gemeente
dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere
gemeente het bedrag van
die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de
belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de
Algemene
Ouderdomswet of de Algemene Weduwen- en Wezenwet, betaalt de
betrokken bedrijfsvereniging, onderscheidenlijk de Sociale
Verzekeringsbank, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor een machtiging
nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente
die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering of bijstand als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer
ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. De betekening en
tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder, bedoeld in artikel 231, tweede lid,
onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van
die wet is van overeenkomstige
toepassing.
-9. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door burgemeester en wethouders op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden
verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd,
zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen
475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt
niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
E.
Het opschrift van paragraaf 5
van hoofdstuk II komt te luiden: Terugvordering.
F.
[MvT
+ bis + bis]
Artikel 25 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in de artikelen
17, derde of vierde lid,
of 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen
anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van de betrokkene
teruggevorderd.
2. Het derde lid wordt
vervangen door:
-3. De uitkering wordt van
de belanghebbende teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van
deze wet is verleend,
later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de
uitkering rekening zou zijn gehouden.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
G.
Na artikel 25 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 25a.
-1. In afwijking van
artikel 25 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van belanghebbende, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of
gedeeltelijk van verdere terugvordering van de uitkering af te zien, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen,
behoudens de in het tweede lid bedoelde, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
en
c. de vordering van de gemeente
wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan
naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van:
a. de terugvordering van
uitkering als gevolg van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende; of
b. vorderingen welke door
pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens
voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
-3. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een
schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.
-4. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van
verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de
belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling is tot
stand gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling
voldoet; of
c. onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
H.
[MvT
+ bis
+ bis]
Artikel 27 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede
dat het besluit, bij
gebreke van tijdige betaling, op de wijze als omschreven in artikel 28
zal worden ten uitvoer gelegd.
2. Het tweede lid
vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
I.
[MvT]
Artikel 28 komt te
luiden:
Art. 28.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 20f is van
overeenkomstige toepassing.
J.
[MvT]
Artikel 29 vervalt.
K.
Artikel 25i vervalt.
L.
Artikel 32 vervalt.
M.
Artikel 33 vervalt.
N.
In artikel 51 wordt "artikel
20, eerste lid," vervangen door: artikel
20, eerste, tweede, derde of
vierde lid,.
O.
[MvT]
In het eerste lid van
artikel 57 wordt na "waaronder begrepen" toegevoegd: de bedragen
die de gemeente
in verband hiermee ontvangt door de toepassing van
artikel 20a, alsmede.
P.
[MvT]
In artikel 59, derde
lid, wordt onderdeel b vervangen door:
b. niet is voldaan aan
het bepaalde bij en krachtens de artikelen 13 tot en met 20 en de artikelen
20a, 34, 41 en
42;.
Q.
Het opschrift van
hoofdstuk VI komt te luiden: Rechtsbescherming.
R.
[MvT]
Na artikel 60 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 60a.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de belanghebbende wijzigen.
S.
In artikel 62, eerste
lid, wordt "artikel 13 of de verplichting, bedoeld in
artikel 27, derde
lid" vervangen door: artikel 13, eerste lid.
T.
[MvT]
Na artikel 62 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 62a.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter
zake van hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.
Art. XII. [MvT]
De Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies wordt gewijzigd als
volgt:
A.
[MvT]
Artikel 22 vervalt.
B.
[MvT]
In artikel 34, eerste
lid, wordt "de artikelen 33 en 34" vervangen door: artikel 33.
C.
[MvT]
De artikelen 35, 44,
53 en 62 vervallen.
Art.
XIII. [MvT]
In artikel 9 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen wordt "Artikel 34" vervangen door:
Artikel
33a.
Art.
XIV. [MvT]
In artikel 108 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen wordt na "99" een zinsnede toegevoegd, luidende: van deze wet alsmede van de
artikelen 27a, vierde
lid, en 36, vierde lid, van de Werkloosheidswet,
33, vierde lid, en
45a,
vierde lid, van de Ziektewet, 29a, vierde lid, en
57, vierde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
20a, vierde lid, en 48, vierde
lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 14a, vierde lid, en
20,
vierde lid, van de Toeslagenwet,
17b, vierde lid, en 24, vierde lid, van de Algemene
Ouderdomswet en 17a, vierde lid, en
24, vierde lid, van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
XV. [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 23 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Jeugdwerkgarantiewet (Kamerstukken 23 453) tot wet wordt verheven,
vervalt artikel V van die wet.
Art.
XVI.
-1. In de bevoegdheid van
de bedrijfsvereniging, de Sociale Verzekeringsbank
en de gemeenten tot
weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding
van deze wet, alsmede in
de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die
datum onverschuldigd is betaald, wordt geen wijziging gebracht.
-2. Ten aanzien van
besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening die vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, blijft het
recht zoals dat vóór die datum gold van toepassing.
Art.
XVII.
-1. Zo nodig in afwijking
van artikel XVI zijn de artikelen
24, tweede lid, 27, en 28 van de Werkloosheidswet, zoals deze luiden na de inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel B, onder 1º, E en
G van deze wet, niet van toepassing op
gedragingen, feiten en omstandigheden die zich voordoen vóór de
inwerkingtredingsdatum van deze onderdelen.
-2. In afwijking van het
eerste lid zet de bedrijfsvereniging een weigering van de uitkering over de
uren waarover het recht op uitkering ingevolge artikel 21
van de Werkloosheidswet
herleeft niet voort indien de gedragingen, feiten of omstandigheden
die aanleiding zijn geweest voor het opleggen van de maatregel zich
hebben voorgedaan vóór de inwerkingtredingsdatum van dit artikel en
bovendien ter zake van arbeid verricht sinds de eerste dag waarop het
recht op uitkering is ontstaan, is voldaan aan artikel 52b, eerste lid, van de
Werkloosheidswet en op grond van het derde lid van dat artikel geen recht op uitkering ingevolge
hoofdstuk
IIb van die wet
is ontstaan.
Art.
XVIII. [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 24 december 1992 ingediende voorstel van wet tot
nadere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (wijziging van de kring van gerechtigden en van de
grondslagvaststelling) (Kamerstukken II, 22 968) tot wet is verheven en in werking is
getreden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt
artikel IV van deze wet gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In onderdeel A wordt "artikel 6, achtste lid" vervangen door: artikel 6, zesde lid.
B. [MvT]
In onderdeel L, onder
punt 2, wordt "onderdeel e" vervangen door: onderdeel d.¹
1. In onderdeel L van
artikel IV (Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet) van deze wet is geen
sprake van een subonderdeel 2, red.
Art.
XIX.
Indien het bij
koninklijke boodschap van 15 juni 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van een aantal
socialeverzekeringswetten
(Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie; Kamerstukken 24
221) op een eerder
tijdstip tot wet wordt verheven en in werking treedt dan deze wet, wordt
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
als volgt gewijzigd:
1. In artikel 62
worden het vijfde en zesde lid, onder vernummering van het zevende en achtste lid tot achtste en negende lid, vervangen door
drie nieuwe artikelleden,
luidende:
-5. De in het eerste lid,
onderdeel a, en het derde lid bedoelde subsidie wordt geheel of gedeeltelijk teruggevorderd indien de dienstbetrekking
eindigt binnen de periode waarvoor de subsidie is toegekend, behoudens in bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en overigens in de
gevallen waarin de subsidie onverschuldigd is betaald.
-6. De in het eerste lid,
onderdeel b, en het derde lid bedoelde subsidie wordt geheel of gedeeltelijk teruggevorderd indien de dienstbetrekking
eindigt binnen de periode waarvoor de subsidie is toegekend en indien de
arbeid in een aangepaste
dan wel een andere functie niet langer wordt verricht, behoudens in
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en
overigens in de gevallen waarin de subsidie onverschuldigd is
betaald.
-7. De artikelen 57,
eerste, derde en vierde lid, 57a en
57b zijn, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing.
2. Het negende lid van
artikel 63 wordt vervangen door:
-9. Indien de verplichting,
bedoeld in het achtste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, zijn de
artikelen 29a tot en met 29g van toepassing.
Art.
XX.
Indien het bij
koninklijke boodschap van 24 mei 1995 ingediende voorstel van wet tot regeling van een verzekering voor nabestaanden
(Algemene nabestaandenwet; Kamerstukken 24 169) tot wet is verheven en in werking is getreden:
a. vervalt artikel 39,
vijfde lid, van die wet, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot
vijfde en zesde lid;
b. vervalt in de
artikelen 38, eerste en tweede lid, 39, eerste lid en tweede lid,
40, eerste
lid, 41, tweede lid, 42, tweede lid,
43, eerste lid, 44,
45, negende lid, en
79 telkens
"alsmede de instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of
47 de uitkering wordt uitbetaald,";
c. vervalt in de
artikelen 40, eerste tot en met vijfde lid, en 41, tweede lid, telkens
"de
betrokken instelling" of "de instelling" en "alsmede" of
"dan wel";
d. wordt in artikel
46,
derde lid, onderdeel c, na "het ouderloos kind," ingevoegd: of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Art.
XXI.
Indien het bij
koninklijke boodschap van 4 september 1995 ingediende voorstel van wet
tot nadere
wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten
(technische verbeteringen
in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere
wijzigingen; Kamerstukken 24 326) tot wet is verheven en in werking is getreden:
a. komt onderdeel M van
artikel III te luiden:
M.
Artikel 80 komt te
luiden:
Art. 80.
Degene die de wachttijd
van 52 weken, bedoeld in artikel 19, doormaakt, dan wel aanspraak maakt
op of in het genot is van arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke
vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge
artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn
verplicht aan de bedrijfsvereniging die bevoegd is tot toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, op haar verzoek of onverwijld uit eigen
beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan
het hun redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald;
b. komt onderdeel L van
artikel IV te luiden:
L.
Artikel 78, eerste
lid, komt te luiden:
-1. Degene die de
wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 6, doormaakt, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan
welke ingevolge artikel 45 de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de bedrijfsvereniging die
bevoegd is tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te
doen van alle feiten of omstandigheden waarvan het hun
redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de
hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan
wordt uitbetaald;
c. wordt artikel V als
volgt gewijzigd:
1º. in onderdeel B, in
artikel 12, wordt "alsmede de persoon aan wie of" vervangen door: of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, alsmede;
2º. na
onderdeel B een
nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
Bb.
In artikel 13 wordt "alsmede de persoon aan wie of" vervangen door: of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, alsmede;
3º. in
onderdeel C, in
artikel 14, eerste lid, in onderdeel D, in de
artikelen 14a, eerste en tweede
lid, 14b, eerste lid, 14c, tweede lid,
14d, tweede lid,
14e, eerste lid, 14g,
negende en tiende lid, in onderdeel E, in artikel
20, eerste lid, en in
onderdeel I, in artikel 43a, wordt "alsmede de persoon aan wie of de instelling aan
welke op grond van artikel 22 toeslag wordt betaald" telkens
vervangen door: of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
4º. in onderdeel D,
artikelen 14b, eerste tot en met vijfde lid, en 14c, tweede lid, vervalt
telkens "of instelling";
d. wordt artikel VI als
volgt gewijzigd:
1º. in
onderdeel A, in
artikel 15, tweede lid, en in onderdeel F, artikel
49, wordt "de persoon aan
wie" telkens vervangen door: zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2º. in
onderdeel B, in de
artikelen 17b, eerste lid, 17c, eerste en tweede lid,
17d, eerste lid,
17e, tweede lid, 17f, tweede lid,
17g, eerste lid,
17h, in onderdeel C, in artikel
24, eerste lid, en onderdeel G, artikel
68, wordt "dan wel de persoon aan
wie of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt
betaald" telkens vervangen door: of zijn wettelijke
vertegenwoordiger;
3º. in
onderdeel B,
artikel 17d, eerste tot en met vijfde lid, vervalt telkens
"of instelling".
Art.
XXII.
Deze wet treedt in
werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.¹
1. Bij Besluit
van 4 juni 1996, Stb. 1996, 295, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1996, met uitzondering van de
artikelen IX, X en XI, die in werking treden op 1
juli 1997 (Stb. 1996, 661), red.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
25 april 1996
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de zevende
mei
1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|