|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1993-1994, 23 700
Aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht (Derde
tranche Algemene wet bestuursrecht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Bekendmaking
(aanvulling afdeling 3.6) |
| 3 |
Motivering
(afdeling 3.7) |
| 4 |
Subsidies
(titel 4.2) |
| 5 |
Beleidsregels
(titel 4.4 [4.3]) |
| 6 |
Handhaving
(hoofdstuk 5) |
| 7 |
Mandaat
en delegatie (titel 10.1) |
| 8 |
Toezicht
op bestuursorganen (titel 10.2) |
| 9x |
Overgangs-
en slotbepalingen |
| xBijlage |
rblz.|2|
1. Algemeen
De Algemene wet
bestuursrecht als aanbouwwet
In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het eerste deel van de
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3) is
uiteengezet dat de grondwettelijke opdracht tot het stellen van algemene
regels van bestuursrecht (vgl. artikel
107, tweede lid, Grondwet) niet
in één keer zal worden uitgevoerd. Doordat gekozen is voor een systeem
van aanbouwwetgeving, zullen de onderdelen van de nieuwe wet in
verschillende gedeelten ("tranches") tot stand worden gebracht. De
eerste
en de tweede tranche zijn op 1 januari 1994 in werking getreden (Stb. 1994,
1). Daarnaast is inmiddels bij de Staten-Generaal aanhangig een
wetsvoorstel strekkende tot aanvulling van de
Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over het gebruik van de Nederlandse en de Friese
taal in het bestuurlijk verkeer (Kamerstukken II 1993-1994, 23 543, nrs.
1-3) [zie Wet van 4 mei 1995, Stb. 1995,
302, red.].
Inhoud van de derde tranche
Dit wetsvoorstel bevat de
derde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht. Het omvat een
zestal nieuwe onderwerpen, grotendeels in overeenstemming met de aankondiging in het tweede voortgangsrapport
van de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht. Deze onderwerpen zijn:
- mandaat en delegatie;
- toezicht op
bestuursorganen (goedkeuring, vernietiging en schorsing van besluiten);
- subsidies;
- beleidsregels;
- toezicht op de naleving;
- bestuursdwang en dwangsom.
Met de thans voorgestelde
titel over subsidies wordt tevens uitvoering gegeven aan toezegging van
het kabinet, gedaan bij de Tussenbalans 1991, om een algemene wettelijke regeling voor subsidieverstrekking tot
stand te brengen en op te
nemen in de
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1990-1991, 21
998, nr. 2, bijlage 3, blz. 22, alsmede Kamerstukken II 1990-1991, 22
150, nrs. 1-2, blz. 12-13, en Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5).
Daarmee levert dit wetsvoorstel tevens een bijdrage aan het
geïntegreerd subsidiebeleid van de rijksoverheid.
Naast deze zes nieuwe
onderwerpen worden op twee punten wijzigingen van het eerste
gedeelte van de
Algemene wet bestuursrecht voorgesteld die niet rechtstreeks samenhangen met de nieuwe onderwerpen. Zij houden daar
echter toch verband mee, omdat bij de voorbereiding van de zes genoemde
onderwerpen bleek dat wijzigingen die in bepaalde artikelen van de
eerste tranche voor die onderwerpen gewenst waren beter een algemeen
karakter konden krijgen. Veruit de belangrijkste van deze twee
wijzigingen betreft de bepalingen inzake motivering. Deze bepalingen gelden thans
alleen voor beschikkingen en zijn daarom opgenomen in hoofdstuk
4.
Gebleken is dat zij voor besluiten in het algemeen behoren te gelden
en daarom naar hoofdstuk 3 moeten worden overgebracht.
De tweede wijziging betreft
een tweetal kleinere aanvullingen van afdeling 3.6 (bekendmaking),
waarvan de wenselijkheid bij de voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel is gebleken.
Bij de keuze van de zes
nieuwe onderwerpen hebben soortgelijke overwegingen een rol
gespeeld als bij de keuze van onderwerpen in de voorgaande tranches: de behoefte aan harmonisatie en codificatie
van het rblz.|3|
onderwerp, het praktische
belang van een uniforme regeling en de vraag of de stand van de
wetgeving, jurisprudentie en doctrine een goed uitzicht op een bevredigende regeling
biedt. Met de keuze voor de beide eerstgenoemde onderwerpen
wordt bovendien uitwerking gegeven aan het voornemen - uitgesproken
in de memorie van toelichting bij de eerste tranche (Kamerstukken II
1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 20) - ook bepalingen op te nemen over de
verhouding tussen bestuursorganen onderling.
Voor elk van deze
onderwerpen wordt één en ander kort toegelicht.
Mandaat en delegatie
Mandaat en delegatie zijn
rechtsfiguren die veelvuldig worden gebruikt. Beide onderwerpen hebben tot
een aanzienlijke hoeveelheid jurisprudentie geleid, waarbij met name de
mandaatfiguur aan de orde is
geweest. Zij komt ook zo
veelvuldig voor dat onzekerheid over de rechtsgevolgen ervan in een
modern bestuursrecht niet meer te aanvaarden is.
Weliswaar zijn door de
jurisprudentie en de doctrine een aantal vraagpunten opgelost, maar
bij andere blijft verschil van inzicht overheersen. In deze
omstandigheden is een regeling in de
Algemene wet bestuursrecht aangewezen.
Zowel bij mandaat als bij
delegatie van bevoegdheid is het uitgangspunt dat er reeds
een bevoegdheid bestaat bij degene die tot mandaat of delegatie
besluit. Toedeling (attributie) van bevoegdheid gaat dus aan mandaat of delegatie
vooraf. Deze toedeling pleegt door de bijzondere wetgever te
geschieden. In een later stadium kan worden bezien of algemene aspecten
van attributie voor een regeling in de Awb in aanmerking komen, zoals de
gevolgen van attributie aan een ambtenaar die aan een bestuursorgaan
(minister) ondergeschikt is.
Toezicht op bestuursorganen
Het is vooral de centrale
overheid die op vele andere bestuursorganen toezicht uitoefent doordat
besluiten aan een goedkeuringsrecht onderworpen zijn of vatbaar zijn voor schorsing en vernietiging. Het meest
bekend zijn in dit opzicht
de regeling in de Gemeentewet
en de Provinciewet, maar tal van
andere wetten kennen deze toezichtsinstrumenten ten aanzien van
bijvoorbeeld waterschappen, ziekenfondsen en vele andere organen.
De bepalingen in de
bijzondere wetgeving hebben vaak een beperkt karakter en zijn soms
verouderd. Teneinde de doorzichtigheid van het bestuurssysteem te vergroten,
is het gewenst dat de genoemde toezichtsinstrumenten duidelijk en
uniform worden geregeld.
Subsidies
De behoefte aan een algemene
wettelijke regeling van de subsidie is in de afgelopen jaren gebleken.
Hoewel bestuursorganen subsidies tot grote bedragen verstrekken,
berusten vele daarvan niet op enige grondslag in de wet. Bij verschillende
gelegenheden is de onwenselijkheid van deze situatie uitdrukkelijk geconstateerd, zoals in verband met de parlementaire
enquête bouwsubsidies
(Kamerstukken II 1988-1989, 19 623, nrs. 30 en 42) en bij de behandeling van
het rapport "Orde in de regelgeving" van de Commissie
Wetgevingsvraagstukken (Zie Kamerstukken II 1985-1986, 20 038, nr. 2).
Inmiddels heeft de regering
toegezegd met een algemene regeling van de subsidies in de
Algemene wet bestuursrecht te komen (Kamerstukken II 1990-1991, 21 998, nr. 2,
bijlage 3, blz. 22; Kamerstukken II 1990-1991, 22 150, nrs. 1-2, blz. 12-13,
Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5). Uit het gezichtspunt van
harmonisatie heeft dit grote voordelen boven het rblz.|4|
ontwerpen van wetgeving per
beleidsterrein, omdat de laatste benadering tot nodeloos uiteenlopende
regelingen zou leiden. Bovendien is inmiddels wegens het veelvuldig
ontbreken van een wettelijke regeling bij subsidies een aanzienlijke
jurisprudentie op dit terrein tot stand gekomen. Onder deze omstandigheden is een
algemene regeling van het onderwerp vanuit wetgevingsoogpunt gewenst en
ook te realiseren, gezien de stand van het huidige recht over het onderwerp.
Beleidsregels
Beleidsregels zijn in de
laatste twee decennia in het bestuursrecht van enorme betekenis geworden.
Het is hier de jurisprudentie die de ware betekenis van deze rechtsfiguur tot nu toe bepaalt. In de indeling van de
Algemene wet bestuursrecht,
zoals die in de toelichting bij de eerste tranche werd gepresenteerd,
was echter reeds voorzien in een titel over beleidsregels. De
wenselijkheid daarvan vloeit voort uit het feit dat het onderwerp van te groot
belang is om in de wetgeving geheel ongeregeld te blijven, terwijl er
bovendien een aantal kernpunten is ten aanzien waarvan de wetgever een
positie moet kiezen.
Toezicht op de naleving
In het systeem van de
Algemene wet bestuursrecht is vanaf de aanvang een hoofdstuk gereserveerd
voor de handhaving van het bestuursrecht door bestuursorganen. Dit
onderwerp vormt een belangrijk sluitstuk van bijna alle wetgeving.
Het onderwerp heeft de
afgelopen jaren zeker aan belang gewonnen. Het inzicht dat goede
wetgeving alleen niet voldoende is voor het bereiken van een bepaalde doelstelling, maar dat een goede handhaving
een noodzakelijke voorwaarde
voor succes is, heeft geleid tot een grotere aandacht van wetgever en
bestuur.
In de sfeer van de
handhaving speelt ook het toezicht dat bestuursorganen moeten houden op de
naleving van wetgeving. Tal van wetten kennen met dit doel bevoegdheden tot controle of inspectie toe aan
ambtenaren die met het
toezicht op een bepaald terrein zijn belast. Teneinde nodeloze
verschillen te vermijden, en ook om onduidelijkheid in de rechtspositie van de
burger te voorkomen - deze is zich van de omvang van de bevoegdheden
van de vele toezichthoudende ambtenaren meestal niet bewust -, wordt
al geruime tijd naar een algemene wet op dit terrein gestreefd, mogelijk
te combineren met de regeling van de opsporing.
Het verdient echter de
voorkeur niet naast de Algemene wet bestuursrecht nog nieuwe algemene
wetten op het terrein van het bestuursrecht te ontwerpen. De met de Algemene wet bestuursrecht beoogde doelstelling
van het systematiseren en
daardoor vereenvoudigen van het bestuursrecht - indertijd als tweede
doelstelling genoemd - kan alleen bereikt worden indien de onderwerpen
die zich voor een algemene regeling lenen ook inderdaad in de
Algemene wet bestuursrecht worden opgenomen: alleen dan dwingt
het wettelijke kader tot eenheid van benadering en tot een goede
systematiek.
Bestuursdwang en dwangsom
Bestuursdwang is vanouds een
belangrijk bestuurlijk handhavingsinstrument. De bestuurlijke
dwangsom, als alternatief voor bestuursdwang, is al enige tijd
sterk in opkomst. De sterk toegenomen aandacht voor handhaving heeft hier
mede geleid tot vernieuwingen in de wetgeving met betrekking tot
deze beide instrumenten. Zo is de regeling van de bestuursdwang in de
nieuwe Gemeentewet, Provinciewet
en Waterschapswet herzien en
wordt in vele andere wetten een regeling van rblz.|5|
dit onderwerp opgenomen. Ook
de door het bestuur op te leggen last onder dwangsom heeft in
verschillende wetten zijn intrede gedaan.
Harmonisatie is hier van
belang en ook zonder grote moeite te bereiken omdat de verschillen tussen
de thans bestaande wetten niet van principiële betekenis zijn.
De indeling van de Algemene
wet bestuursrecht
Als gevolg van de keuze voor
een aanbouwwet is bij de eerste tranche reeds een indeling van de
Algemene wet bestuursrecht gemaakt die rekening houdt met het feit dat nieuwe onderwerpen in
de wet zouden
worden ingevoegd. De
onderwerpen die onderdeel uitmaken van dit ontwerp passen in het
algemeen goed in die indeling.
Zo behoren de regeling van
de subsidies en die van de beleidsregels in hoofdstuk
4 te worden
opgenomen aangezien dat hoofdstuk bedoeld is voor regels die betrekking
hebben op een bepaald type besluit. De titel over subsidies, die als een
regeling van een bepaald soort beschikking is opgezet, kan het beste
direct na de titel over beschikkingen worden geplaatst. Weliswaar was
deze titel (titel 4.2) oorspronkelijk gereserveerd voor bestuursovereenkomsten,
maar dat onderwerp kan te zijner tijd zonder enig systematisch
bezwaar elders in hoofdstuk 4 een plaats vinden. Beleidsregels vormen
overeenkomstig de oorspronkelijke opzet titel 4.4 [4.3].
Voor de handhaving was
hoofdstuk 5 gereserveerd. Daarin passen de nu voorgestelde afdelingen
over bestuursdwang, over de dwangsom en over het toezicht van bestuursorganen. Aangezien het toezicht vooraf
pleegt te gaan aan het
toepassen van sancties, wordt die afdeling als eerste in het hoofdstuk
geplaatst, gevolgd door respectievelijk de afdelingen over
bestuursdwang en over dwangsom.
De Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht heeft voorgesteld de bepalingen
over mandaat en delegatie en toezicht op bestuursorganen op te nemen in een nieuw hoofdstuk
1a [-] met het
opschrift "Bepalingen over bestuursorganen". In het wetsvoorstel zoals dit aan de
Raad van State is
voorgelegd, waren deze bepalingen ondergebracht in hoofdstuk
1, om
hoofdstukken met a-nummers te vermijden. Bij nader inzien kan deze
doelstelling beter worden gerealiseerd door de bewuste bepalingen wel in
een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen, maar dit hoofdstuk na de
bestaande hoofdstukken te plaatsen. Aldus worden de bepalingen die
primair de verhoudingen binnen het openbaar bestuur betreffen, geplaatst
na de bepalingen die vooral gaan over de verhouding tussen bestuur en
burger en de bescherming van de burger tegen het bestuur.
Wij hebben ervoor gekozen
het nieuwe hoofdstuk "Bepalingen over bestuursorganen" het nummer
10 te geven - onder vernummering van het bestaande hoofdstuk 9 [-] (slotbepalingen) tot
hoofdstuk 11 -, opdat in
een nieuw hoofdstuk 9 te
zijner tijd een regeling inzake klachtprocedures in het openbaar bestuur kan
worden ondergebracht. Zo een regeling kan uit systematisch oogpunt het
beste onmiddellijk na hoofdstuk 8 worden geplaatst, omdat zij evenals
de hoofdstukken 6 tot en met 8 de bescherming van de burger
tegen het bestuur betreft.
Gevolgen voor bestaande
wetgeving
De aanpassing van de
bestaande wetgeving aan de nu voorgestelde regelingen zal eenvoudiger
kunnen zijn dan bij de eerste en de
tweede tranche het geval was. Hoewel van belang, dragen de onderwerpen in de
wetgeving een wat meer
geïsoleerd karakter. De aanpassingsarbeid is daardoor eenvoudiger en zal
veelal ook tot het eenvoudig schrappen van bestaande artikelen beperkt
kunnen blijven.
Het bovenstaande geldt
vooral voor de onderwerpen bestuursdwang, rblz.|6|
dwangsom, toezicht op de
naleving en goedkeuring, schorsing en vernietiging. Aangezien wettelijke bepalingen over mandaat en delegatie
beperkt in aantal zijn, zal
de aanpassingsoperatie bij dit onderwerp beperkt kunnen zijn. Dit
geldt in nog sterkere mate voor het onderwerp beleidsregels: bepalingen
daarover komen in de wetgeving zo goed als niet voor.
Voor subsidies ligt dit
anders. Voor een deel zijn subsidies reeds in de wetgeving geregeld. Die
wetgeving moet aan de nieuwe titel over dit onderwerp worden aangepast.
Voor een deel berusten subsidies niet op een wettelijke grondslag.
Dit betekent echter niet dat er ten aanzien van die subsidies niets behoeft
te gebeuren. Het in dit ontwerp voorgestelde beginsel dat
subsidieverlening op een wettelijke grondslag moet berusten, zal immers moeten leiden tot
de vraag of de niet wettelijk geregelde subsidies moeten worden
afgeschaft en - zo dit niet gewenst is - tot het ontwerpen van wetgeving
[lees: tot het ontwerpen van wetgeving moet leiden, red.] die
dan wel als grondslag voor subsidieverlening kan dienen. Te
verwachten valt derhalve dat dit onderwerp tot meer inspanningen op het
punt van wetgeving aanleiding zal geven dan de eerder genoemde.
Dereguleringsaspecten
Uit hetgeen hierboven is
gezegd, vloeit voort dat de onderwerpen bestuursdwang, dwangsom,
toezicht op de naleving en goedkeuring, schorsing en vernietiging
zullen leiden tot het schrappen van bepalingen in bijzondere wetten. Dit
leidt tot een uit dereguleringsoogpunt aantrekkelijke vermindering en
vereenvoudiging van regelgeving. De regeling zal voor bestuursorganen ook
gemakkelijker te hanteren zijn, terwijl er overigens op het punt van
bestuurslasten geen specifieke effecten te verwachten zijn. De
Algemene wet bestuursrecht sluit immers nauw aan bij het geldende recht.
De regeling van het mandaat
en de delegatie is in hoofdzaak een codificatie en brengt voor
het overige eerder verduidelijking dan verandering in hetgeen
thans geldt. Effecten op het punt van specifieke bestuurslasten zijn niet te
verwachten.
Voor de beleidsregels geldt
grotendeels hetzelfde. Bestuursorganen stellen thans reeds
veelvuldig beleidsregels vast, zowel terwille van de rechtszekerheid van
burgers
als om kansloze aanvragen van burgers af te schrikken. Artikel 4.4.3 [4:82]
moedigt aan om dat nog vaker te doen, door te bepalen dat een
bestuursorgaan na het vaststellen van een beleidsregel ter motivering van een
besluit naar die regel kan verwijzen, hetgeen een verlichting van de
motiveringsplicht inhoudt. Aangezien de motiveringsplicht bij iedere
beschikking of ander besluit terugkeert en het vaststellen van een beleidsregel een
eenmalige inspanning vergt, kan verwacht worden dat de regeling niet
tot een verzwaring, maar juist tot een verlichting van
bestuurslasten leidt.
Ten aanzien van de subsidies
moet worden opgemerkt dat de regeling van titel 4.2 een
belangrijke vereenvoudiging van bestaande subsidieregelgeving betekent. Voor
een groot aantal aspecten van subsidieverhoudingen, die thans
telkens opnieuw, en vaak op uiteenlopende wijze, geregeld worden, wordt thans
een algemene regeling getroffen. Een groot aantal bepalingen uit
bijzondere subsidieregelingen zal kunnen vervallen. Dit draagt in belangrijke
mate bij aan de eenvoud, duidelijkheid en kenbaarheid van de
subsidieregelgeving.
Anderzijds zal het
voorschrift dat subsidies in beginsel slechts krachtens wettelijk voorschrift kunnen
worden verstrekt gedurende enige tijd een niet onbelangrijke werklast
voor de onderscheiden wetgevers met zich brengen. Voor subsidies die
niet als incidenteel kunnen worden aangemerkt en die thans niet op
een wettelijk voorschrift berusten, zal alsnog een wettelijke regeling
moeten worden getroffen. Het wetsvoorstel biedt daarvoor overigens een ruime
overgangsperiode (artikel
III).
rblz.|7|
De
omvang van de daarmee
gemoeide bestuurslasten zal per subsidie verschillen. In veel
gevallen zal volstaan kunnen worden met het omzetten van bestaande beleidsregels
in wettelijke voorschriften. In een aantal gevallen zullen ook geheel
nieuwe regelingen moeten worden opgesteld. Ook gemeenten en
provincies
zullen hun subsidieverordeningen moeten aanvullen, zij het dat de
daarmee gemoeide bestuurslasten gedeeld zullen kunnen worden doordat
modelverordeningen zullen worden opgesteld.
Het bij wettelijk
voorschrift regelen van de subsidieverlening betekent echter ook een vermindering
van de bestuurslasten. Voor een aantal zaken, die thans bij iedere subsidiebeschikking opnieuw moeten worden
geregeld, zal straks naar
het wettelijk voorschrift kunnen worden verwezen. Ook het toereikend
motiveren van subsidiebeschikkingen zal in een aantal gevallen voor het
bestuur minder werk meebrengen. Voorts is de verwachting gerechtvaardigd dat een duidelijke wettelijke regeling zal leiden tot een vermindering
van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures doordat de burger
beter in staat is de juistheid van een subsidiebeschikking te beoordelen.
Ten slotte is de verwachting gerechtvaardigd dat de noodzaak een wettelijk voorschrift tot
stand te brengen, zal leiden tot een bewuster en meer terughoudend gebruik
van het subsidie-instrument. Dat is één van de redenen waarom het
huidige kabinet zich reeds voorstander heeft getoond van het vereiste van
een wettelijke grondslag voor subsidies, en voor dat standpunt de
vrijwel unanieme steun heeft gekregen van de Vaste Commissie voor de
Rijksuitgaven van de Tweede Kamer (UCV [uitgebreide
commissievergadering, red.] Subsidiebeleid 2 september
1991, Handelingen UCV 1990-1991, nr. 57). Langs deze weg kan het
vereiste van een wettelijke grondslag immers bijdragen aan een betere beheersing van subsidie-uitgaven.
Per saldo zal het
onderhavige voorstel, voor wat betreft het onderdeel subsidies, vermoedelijk in
de overgangsfase, waarin ook het bestendig subsidiebeleid nog niet wettelijk is geregeld, niet meer dan een tijdelijke,
eenmalige toename van
bestuurslasten betekenen. Op iets langere termijn staan daar belangrijke
positieve effecten tegenover, zowel in de sfeer van de bestuurslasten als in de
sfeer van de subsidie-uitgaven.
Derhalve mag verwacht worden
dat de invoering van dit wetsvoorstel voor het grootste deel
budgettair neutraal zal kunnen geschieden en op de middellange termijn zelfs
besparingen zal opleveren. De invoering van het onderdeel subsidies zal
enige incidentele kosten meebrengen, waar echter op wat langere termijn
structurele besparingen tegenover staan. Gelet hierop is ervan afgezien
laatstgenoemde kosten en baten per afzonderlijk bestuursorgaan te
kwantificeren; zulks zou, zo al mogelijk, een onevenredige inspanning vergen.
Maatregelen ter compensatie van deze kosten en baten liggen daarom
evenmin voor de hand. Zoals de vooral op iets langere termijn te
verwachten baten ten goede zullen komen aan de afzonderlijke
bestuursorganen, zullen ook de - naar verwachting beperkte - incidentele kosten
daar
gedragen moeten worden. Eén en ander is overigens in overeenstemming
met de bij de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht gevolgde gedragslijn.
Invoeringsbegeleiding
Bij de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht is, om een goede, tijdige en soepele
invoering van de nieuwe wetgeving in de bestuurspraktijk te verzekeren, een project invoeringsbegeleiding opgezet.
Dat project bestaat uit
verschillende onderdelen. Er is vanuit de ministeries van Justitie en
van Binnenlandse Zaken medewerking verleend aan diverse publikaties over
de
wet en aan een gevarieerd aanbod aan cursussen om alle
betrokkenen in het nieuwe recht te scholen. Daarnaast is een informatiepunt voor
bestuursorganen ingesteld en heeft een voorlichtingscampagne
plaatsgevonden. Zeker niet het minst belangrijk is het zogenaamde "proeftuinproject": bij een zestal (onderdelen) van
rblz.|8|
bestuursorganen is de nieuwe
wet reeds zoveel mogelijk in praktijk gebracht. Zo wordt duidelijk
welke aanpassingen in de organisatie en werkwijze van
bestuursorganen nodig zijn voor een goede invoering van de wet. De aldus opgedane
ervaringen en gevonden oplossingen worden neergelegd in brochures, die
op zeer ruime schaal worden verspreid, zodat andere bestuursorganen
daarvan kunnen profiteren.
De ervaringen met het
project invoeringsbegeleiding zijn tot dusver zonder meer goed te noemen.
De eind 1992 verschenen eerste brochure met ervaringen van de proeftuinen vindt gretig aftrek, van het
informatiepunt wordt druk
gebruik gemaakt en op diverse plaatsen hebben bestuursorganen ook
buiten het project om spontaan proeftuinen gestart. Het ligt dan ook in
ons voornemen om te zijner tijd ook voor de invoering van de derde
tranche een project invoeringsbegeleiding op te zetten; binnen de
begrotingen van Justitie en Binnenlandse Zaken zullen daarvoor middelen worden
vrijgemaakt. Het project invoeringsbegeleiding derde tranche
zal overigens kleinschaliger kunnen zijn dan dat voor de eerste tranche,
omdat de invoering van de derde tranche naar verwachting voor
bestuursorganen aanzienlijk minder ingrijpend zal zijn dan die van de eerste
tranche. Ook in dit verband is het vooral het onderdeel subsidies van het
onderhavige wetsvoorstel dat de aandacht zal vragen.
Voorbereiding van dit
wetsvoorstel
Bij de voorbereiding van
dit
wetsvoorstel is in grote lijnen dezelfde procedure gevolgd als bij de
voorbereiding van de eerste tranche. De Commissie wetgeving algemene
regels van bestuursrecht heeft op 5 december 1991 een
voorontwerp voor de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht aan ons
aangeboden. Dit voorontwerp is voor wat betreft het onderdeel
subsidies opgesteld door een daartoe ingestelde subcommissie.
Het voorontwerp is via de SDU Uitgeverij gepubliceerd en op ruime schaal verspreid. Wij hebben
vervolgens aan een aantal adviesorganen en andere instanties commentaar
gevraagd en voorts in ruimere kring de gelegenheid geboden tot het
maken van opmerkingen. Ten slotte heeft ook dit voorontwerp weer ruime
aandacht gekregen in de rechtswetenschappelijke
literatuur. Een overzicht van de ontvangen commentaren en adviezen, alsmede
van de bijdragen in de literatuur, is aan het slot van dit hoofdstuk
opgenomen.
De teneur van de reacties
was op hoofdlijnen positief. De noodzaak van verdere uitbreiding van de Algemene
wet bestuursrecht, de keuze van de in deze tranche te regelen
onderwerpen en de hoofdlijnen van de voorstellen worden in brede
kring onderschreven. Dit neemt niet weg dat op concrete bepalingen
kritiek is geleverd. Met name, maar niet uitsluitend, ten aanzien van
het meest omvangrijke onderdeel van het voorontwerp - titel 4.2
inzake subsidies - zijn vele nuttige voorstellen tot verbetering gedaan.
Wij zijn, mede op grond van
de ontvangen adviezen en commentaren, van oordeel dat het
voorontwerp een goede grondslag biedt voor de verdere uitvoering van de opdracht van de
grondwetgever om algemene
regels van bestuursrecht
vast te stellen. Dit wetsvoorstel is dan ook op het voorontwerp gebaseerd. Met
de gemaakte opmerkingen is waar mogelijk rekening gehouden. Elders in
deze toelichting wordt op een groot aantal van deze opmerkingen nader
ingegaan.
Indeling van dit
wetsvoorstel
Evenals in het wetsvoorstel
voor de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht het geval
was, is ook in dit wetsvoorstel de artikelnummering aangehouden van
het aan het wetsvoorstel ten grondslag rblz.|9|
liggende voorontwerp.
Hierdoor wordt bewerkstelligd dat de wetsgeschiedenis (van
voorontwerp tot en met parlementaire behandeling) per artikel
gemakkelijker toegankelijk wordt. Men hoeft immers geen rekening te houden met
tussentijdse vernummeringen. Slechts in het laatste stadium, tussen
het tijdstip van bekrachtiging en de plaatsing in het Staatsblad, zal een
vernummering plaatsvinden. In deze definitieve nummering wordt
voorzien door artikel V.
Opbouw van deze toelichting
De opbouw van deze memorie
van toelichting wijkt iets af van het gebruikelijke patroon. De
normale opzet, één algemeen deel gevolgd door een artikelsgewijze toelichting, zou in dit geval betekenen dat de
algemene beschouwingen over
elk van de acht hiervoor genoemde onderwerpen zouden worden
gescheiden van de toelichting op de bijbehorende artikelen. Dit
zou de overzichtelijkheid niet ten goede komen. In plaats daarvan is
ervoor gekozen per onderwerp een apart hoofdstuk in de toelichting
op te nemen. Dat zijn de hoofdstukken 2 tot en met
8, gerangschikt in de
volgorde waarin de onderwerpen in de Algemene
wet bestuursrecht zullen worden opgenomen. Elk van die hoofdstukken bevat zowel de
algemene beschouwingen als de artikelsgewijze toelichting met
betrekking tot het desbetreffende onderwerp. Om de toegankelijkheid te
vergroten, is deze toelichting tevens voorzien van een register op zowel de
voorgestelde nieuwe artikelen van de Algemene wet bestuursrecht als de
artikelen en onderdelen daarvan van dit
wijzigingsvoorstel.
Naast deze hoofdstukken over
de acht onderwerpen bevat deze toelichting nog twee
hoofdstukken. Het onderhavige eerste hoofdstuk bevat de beschouwingen die
betrekking hebben op het wetsvoorstel als geheel. Hoofdstuk 9
ten slotte bevat de toelichting op de overgangs- en slotbepalingen van het
onderhavige wetsvoorstel.
rblz.|10|
Overzicht adviezen en
commentaren ¹
- Algemene Rekenkamer,
brieven van 11 mei 1992, nr. 551 R, en 14 januari 1993, nr. 48 R.
- Arboraad, brief van 23
april 1992, nr. R-2581/vZ/lm.
- Centraal Orgaan Tarieven
Gezondheidszorg, brief van 15 april 1992, nr. PB/mvd/A/92/039.
- College van Beroep voor
het bedrijfsleven, brief van 12 maart 1992, nr. kab/V/8.
- Coördinerend Politie
Beraad, brief van 31 januari 1992, nr. DIR/0089/PB.
- Nationale Raad voor de
Volksgezondheid, advies van mei 1992, nr. 4197-8, Publikatie 17/'92.
- Nederlands Genootschap van
Bedrijfsjuristen, brief van 2 april 1992, nr. 30 083/SB/Wi.
- Nederlandse Orde van Advocaten, brief van 21 april 1992, nr. 4.13.07.
akt/lb.
- Nederlandse Vereniging van Rechtspraak, advies toegezonden bij brief van 21 mei 1992, nr.
7.19.
- Onderwijsraad, brief van
25 maart 1992, nr. OR 92000023/Alg. vH/CR.
- Raad van advies voor de
ruimtelijke ordening, advies van 10 april 1992, toegezonden bij brief
van 10 april 1992, nr. vB/128.
- Raad voor de
gemeentefinanciën, brief van 30 maart 1992, nr. 112 752 Rgf 178/294.
- Raad voor het binnenlands
bestuur, advies van mei 1992, nr. 92/128.
- Raad voor het Jeugdbeleid,
brief van 28 april 1992, nr. 501-57/1744P.
- Sociaal-Economische Raad
(Organisatiecommissie), advies van 27 mei 1992, toegezonden bij
brief van 27 mei 1992, nr. 92 11416/JvB/203
- Staatstoezicht op de Volksgezondheid, brief van 22 april 1992, nr.
92471/GHI/OBA/J/ao.
- Vereniging van Nederlandse Gemeenten, brief van 18 mei 1992, nr.
AJZ/204598 BESTUUR 92/109.
- Voorlopige Raad voor het
Ouderenbeleid, brief van 26 maart 1992, nr. RO-92 195/30.36.
- Ziekenfondsraad, brief van
31 maart 1992, nr. JA/3804/92.
1. Ter inzage gelegd bij de
afdeling Parlementaire Documentatie.
Overzicht literatuur
- Addink, G.H., en Sluijs, M.J., De Algemene
wet bestuursrecht op scherp: Kanttekeningen bij
het hoofdstuk Handhaving, Nederlands tijdschrift voor
bestuursrecht (1992) 2, blz. 33-45.
- Bakker, R.E.,
Beleidsregels, "even the British do it better", Nederlands Juristenblad (1992) 33, blz.
1065-1067; reactie: Verheij, N., Beleidsregels: een goede zaak, Nederlands
Juristenblad (1992) 42, blz. 1427.
- Ballegooij, G.A.C.M. van,
en Gongrijp-van Mourik, M., De subsidieregeling in de Algemene wet
bestuursrecht, Nederlands tijdschrift voor bestuursrecht (1992) 7, blz. 210-220.
- Brederveld, E., De
Algemene wet bestuursrecht weer een stap verder. Het voorontwerp voor de
derde tranche, de Gemeentestem (1992) 6947, blz. 369-371
- Bruil, D.W., en Schilder, A.E., Toezicht in de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992)
3, blz. 277-287.
- Burg, F.H. van der,
Mandaat en delegatie, Nederlands tijdschrift voor bestuursrecht (1992) 8, blz.
268-275.
- Derks, A(nnemiek), Anne
van Nus, Henk Simon, Het toezicht op burgers in de Algemene wet
bestuursrecht, Nederlands Juristenblad, afl. 43, 2 december 1993, blz. 1544-1553.
- Eijlander, Ph., Wetmatig
subsidiebeleid?, in: T. Hoogenboom. Damen, L.J.A., In de sfeer van administratief recht
(Liber amicorum W.
Konijnenbelt), Utrecht 1994, blz. 83-94.
rblz.|11| -
Goorden, C.P.J.,
Beleidsregels bij mandaat en delegatie, Nederlands tijdschrift voor
bestuursrecht (1992) 5, blz. 163-168.
- Goorden, C.P.J.,
Handhaving onder het regime van de Awb, de Gemeentestem (1993) 6957,
blz. 57-66.
- Groot, G.R.J. de, Rossum, A.A. van, Mandaat en volmacht, Rechtsgeleerd magazijn
Themis, nr.
3, maart 1993, blz. 127-141.
- Hennekens, H.Ph.J.A.M.,
Delegatie en mandaat in het licht van het voorontwerp voor de Algemene
wet bestuursrecht, de Gemeentestem (1992) 6955 en 6956, blz. 609-616 en 641-647.
- Kan, J.M., Toezicht op
bestuursorganen. Titel 1A.2 Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht,
de Gemeentestem (1992) 6947, blz. 371-374.
- Kleijn, G.P.,
Beleidsregels in de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992) 3, blz.
296-303.
- Konijnenbelt, W., Een
koekoeksei in de Awb?, RegelMaat (1992) 3, blz. 65.
- Konijnenbelt, W., (red.),
De derde tranche, commentaar op het voorontwerp voor de derde
tranche van de Algemene wet bestuursrecht, Samsom H.D. Tjeenk Willink,
Alphen aan den Rijn 1992, waarin:
hoofdstuk 1, De derde
tranche onder de loep (W. Konijnenbelt)
hoofdstuk 2, Attributie,
delegatie en mandaat in de Algemene wet bestuursrecht (W.
Konijnenbelt)
hoofdstuk 3, Toezicht op
bestuursorganen (L.J.A. Damen)
hoofdstuk 4, § 1, De
subsidiebeschikking (I.C. van der Vlies)
hoofdstuk 4, § 2, Het
subsidieplafond (L.J.A. Damen)
hoofdstuk 4, § 3,
Intrekking, wijziging en beëindiging (P. Hazewindus)
hoofdstuk 5, Beleidsregels (P.
Nicolaï)
hoofdstuk 6, § 1,
Handhaving in de Awb (N.S.J. Koeman)
hoofdstuk 6, § 2, Toezicht
(S. Pront-van Bommel)
hoofdstuk 6, § 3,
Bestuursdwang (B.K. Olivier, H. Troostwijk)
hoofdstuk 6, § 4, Dwangsom (N.S.J. Koeman).
- Langbroek, P.M., e.a.,
Bouwen aan de Algemene wet bestuursrecht. Het voorontwerp derde
tranche verkend, Nederlands Juristenblad (1992) 15, blz. 473-477.
- Michiels, F.C.M.A.,
Beleidsregels in de Algemene wet bestuursrecht, Gemeentestem 6967, 18
juni 1993, blz. 309-314.
- Oudshoorn, J.C., Delegatie
en mandaat in de derde tranche, Bestuurswetenschappen (1992) 3, blz.
271-276..
- Poel, J.W.E. van de, "Handhaving" in de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992)
3, blz. 304-309
- Schuiling, K.F.,
Handhaving, opsporing en toezicht; Staats- en bestuursrechtelijke kroniek,
Bestuurswetenschappen (1992) 4, blz. 365-368.
- Sectie Bestuursrecht
Rijksuniversiteit Limburg, Beleidsregels: gebruiksaanwijzing van
Bestuursbevoegdheid, Regelmaat, afl. 2, 1993, blz. 54-60.
- Sectie Staats- en
bestuursrecht KUB, Beleidsregels geregeld?, Nederlands tijdschrift voor
bestuursrecht (1992) 8, blz. 253-267.
- Sluijs, M.J., Lastige
bestuurssancties, de Gemeentestem (1994) 6984, blz. 141-149.
- Snijders, W., Wederzijdse
beïnvloeding van privaatrecht en bestuursrecht (NBW en Awb), Weekblad
voor privaatrecht, notariaat en registratie (1992) 6074, blz. 999-1003.
- Stroink, F.A.M., Regeling
delegatie in derde tranche Algemene wet bestuursrecht ondoordacht,
Nederlands Juristenblad (1992) 15, blz. 478-479.
- Viegen, C. van, Subsidies
en de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992) 3, blz.
288-295.
- Vlies, I.C. van der,
Regulering van subsidie, Nederlands Juristenblad (1992) 26, blz. 819-823.
- Vlies, I.C. van der,
Delegatie, mandaat en de rechtsstaat, in: rblz.|12|
T. Hoogenboom, L.J.A. Damen, In
de sfeer van administratief recht (Liber amicorum W. Konijnenbelt), Utrecht 1994, blz. 409-428.
- Vucsan, R.L., Kroniek
bestuursrecht, AAe Katern (1992) 43, blz. 1959-1960.
rblz.|13|
2. Bekendmaking
(aanvulling afdeling 3.6)
Algemeen
Bij het opstellen van het
voorontwerp bleek het wenselijk afdeling 3.6, inzake de bekendmaking van
besluiten, op een tweetal punten aan te vullen. Het betreft hier aanvullingen die weliswaar samenhangen met
respectievelijk afdeling 5.2 [5.3]
[5.3.1], inzake bestuursdwang, en titel
4.4 [4.3], inzake beleidsregels, maar die op
zichzelf een algemenere betekenis hebben. Om die reden worden zij
hieronder afzonderlijk toegelicht.
Artikel 3:41
Bij het ontwerpen van
afdeling 5.2 [5.3]
[5.3.1]
inzake bestuursdwang bleek dat het wenselijk is artikel 3:41
aan te vullen met een tweede lid. Bekendmaking op de voet van artikel 3:41,
eerste lid, van een beschikking inhoudende de beslissing dat bestuursdwang
zal worden toegepast, is niet altijd praktisch mogelijk. Zo moet in die
situaties rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de
overtreder aan het bestuursorgaan onbekend is. Goed voorstelbaar is ook dat de
identiteit van een overtreder of een andere belanghebbende wel bekend
is, maar dat het bestuur niet over een correct adres van betrokkene
beschikt. De bevoegdheid om met bestuursdwang op te treden, mag van zulke
omstandigheden niet afhankelijk worden gesteld.
Het gaat hier in feite om
een algemeen probleem, dat zich ook bij de bekendmaking van andere
besluiten kan voordoen. Daarom is in dit wetsvoorstel een aanvulling in de vorm van een
nieuw tweede lid van artikel 3:41 opgenomen,
volgens welke aanvulling in het geval dat de hoofdregel van artikel 3:41,
eerste lid, niet kan worden gevolgd, de bekendmaking geschiedt op
een andere geschikte wijze. Als andere geschikte wijzen kunnen
afhankelijk van de omstandigheden in het algemeen onder meer worden
beschouwd publicatie in een dag- of nieuwsblad, aanplakking op
het gemeentelijk publicatiebord of aanplakking ter plekke. Soms
zal redelijkerwijze kunnen worden volstaan met het op het kantoor van
het bestuursorgaan ter inzage leggen van de beschikking.
Artikel 3:42
Het
beginsel dat besluiten
van bestuursorganen de burger niet kunnen worden tegengeworpen dan
nadat zij behoorlijk zijn bekendgemaakt, geldt ook voor beleidsregels.
Omdat het vaststellen van
een beleidsregel een besluit is dat niet tot één of meer
belanghebbenden is gericht, dienen beleidsregels te worden bekendgemaakt
overeenkomstig artikel 3:42, eerste lid. Dit voorschrift laat uiteenlopende wijzen
van bekendmaking toe. Als een geschikte wijze van bekendmaking kan in
ieder geval niet worden beschouwd een uitsluitend mondelinge
kennisgeving, een vermelding uitsluitend bij de bekendmaking van de
beschikking waarbij de beleidsregel een rol speelt of een vermelding
uitsluitend in het kader van een bezwaar- of beroepsprocedure.
Anderzijds eist artikel
3:42, eerste lid, niet dat steeds de volledige tekst van een besluit
bekendgemaakt wordt. Volstaan kan worden met kennisgeving van de zakelijke inhoud.
Het belang van een goede
bekendmaking van beleidsregels wordt geaccentueerd door de
recente jurisprudentie van de Hoge Raad, die in een reeks van arresten heeft
beslist dat beleidsregels "recht" in de zin van artikel 99 Wet
op de rechterlijke organisatie kunnen zijn (HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, AB 1990,306, BNB
1990, 194; HR 25 maart 1990, BNB 1990, 199; HR 19 juni 1990, NJ 1991, 119; HR
29 juni 1990, NJ 1991, 120). De Hoge Raad stelt rblz.|14|
daarbij onder meer als voorwaarde dat de beleidsregels door of met medeweten van de overheid
zijn bekendgemaakt op zodanige wijze dat de daarin vervatte regels
voor betrokkenen kenbaar en toegankelijk zijn.
Indien bij beleidsregels
wordt volstaan met de bekendmaking van de zakelijke inhoud, zoals artikel
3:42 als mogelijkheid openlaat, behoort, zoals door de Hoge Raad
is
uitgesproken, de (gehele) inhoud voor betrokkenen toch kenbaar en
toegankelijk te zijn. Teneinde dit zeker te stellen, is het gewenst aan artikel
3:42 een tweede lid toe te voegen dat voorschrijft dat een besluit waarvan slechts de zakelijke inhoud in de kennisgeving is
weergegeven
volledig ter inzage moet worden gelegd. De Bekendmakingswet
kent ook
een dergelijke mogelijkheid, zij het slechts voor bijlagen bij bepaalde
categorieën algemeen verbindende voorschriften (artikel 5,
eerste lid, onderdeel b).
Het nieuwe tweede lid van artikel
3:42 zal niet alleen voor beleidsregels gaan gelden, maar voor alle
besluiten die niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht (behoudens voor algemeen verbindende
voorschriften: de
bekendmaking daarvan wordt in diverse wetten geregeld, zoals de
Bekendmakingswet voor voorschriften van het Rijk, de Provinciewet
en Gemeentewet e.d.). Dit lijkt ook juist: het behoort tot het wezen van de bekendmaking
dat de betrokkenen kennis kunnen nemen van het gehele besluit dat
hen kan raken. Hoewel de Wet
openbaarheid van bestuur die mogelijkheid
in beginsel ook verschaft, verdient het de voorkeur een meer rechtstreekse mogelijkheid tot kennisneming in de
regeling over de
bekendmaking op te nemen.
Opmerking verdient dat bij
beleidsregels in het algemeen bekendmaking door opneming van het
volledige besluit in de kennisgeving de voorkeur verdient. Niettemin zijn er gevallen waarin dat niet goed
mogelijk of niet zinvol is.
Men denke aan zeer omvangrijke regelingen of regelingen waarin, al of
niet in de vorm van bijlagen, uitvoerige en gedetailleerde technische
specificaties zijn opgenomen. In deze gevallen kan worden volstaan met
bekendmaking van de zakelijke inhoud, gepaard aan het ter inzage leggen
van de volledige tekst.
rblz.|15|
3. Motivering
(afdeling 3.7)
Algemeen
In het voorlopig verslag
naar aanleiding van het wetsvoorstel eerste
tranche Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 4) is gewezen op het voorstel
van een aantal wetenschappers (in het zogenaamde "VUGA-advies",
's-Gravenhage 1990) om de bepalingen van afdeling 4.1.4 [-] inzake
motivering te verplaatsen naar hoofdstuk 3, zodat zij voor alle
besluiten en niet
slechts voor beschikkingen zouden gelden (Kamerstukken II 1990-1991, 21
221, nr. 4, vraag 143). Naar aanleiding daarvan is in de memorie van
antwoord (Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5, blz. 80) opgemerkt dat deze problematiek in het kader van de
derde tranche zou worden bezien.
Bij de voorbereiding van
titel 4.4 [4.3] inzake beleidsregels is naar voren gekomen dat de artikelen van afdeling 4.1.4
[-] inderdaad in het algemeen dienen te gelden. Ook bij besluiten van algemene strekking moet van het
bestuur verlangd worden
niet alleen dat het de betrokken belangen inventariseert en afweegt (artikelen 3:2 en
3:4), maar ook dat het inzicht geeft in de aard van de in
aanmerking genomen belangen en de maatstaven die bij de
afweging een rol hebben gespeeld. Alleen dan wordt de besluitvorming voor
buitenstaanders inzichtelijk en controleerbaar.
In de bestaande wetgeving
komen motiveringsplichten met betrekking tot besluiten van algemene
strekking reeds in een aantal gevallen voor. Als zodanig kunnen bijvoorbeeld worden beschouwd de voorschriften van
de artikelen 7, tweede lid,
en 12, tweede lid, Besluit
op de ruimtelijke ordening 1985, welke bepalen dat
respectievelijk een streekplan en een bestemmingsplan dienen te
worden voorzien van een toelichting. Daarnaast wordt ook in de
jurisprudentie veelal reeds een zekere motivering van besluiten van
algemene strekking geëist (vgl. bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 14
september 1978, AB
1978, 26). Uitbreiding van de in de afdeling 4.1.4 [-] neergelegde regels
inzake motivering tot alle besluiten past in deze lijn. Voor een substantiële
verzwaring van bestuurslasten behoeft dan ook niet te worden gevreesd,
te meer daar een deugdelijke motivering van een besluit van algemene
strekking in veel gevallen een verlichting van de motiveringsplicht bij met
dat besluit samenhangende beschikkingen met zich zal brengen. Op dit
laatste wordt in hoofdstuk 5 bij de toelichting op artikel 4.4.3
[4:82] uitvoeriger
ingegaan.
Op grond van het
vorenstaande wordt thans voorgesteld de bepalingen van afdeling 4.1.4
[-] - onder vervanging van "beschikking" door "besluit"
- over te
brengen naar een nieuwe afdeling 3.7.
Anders dan in het
VUGA-advies voorgesteld, zijn de bepalingen inzake motivering niet van
overeenkomstige toepassing verklaard op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten. Aan dat voorstel kleven
namelijk twee bezwaren. In
de eerste plaats is de vraag in hoeverre ook bij privaatrechtelijke rechtshandelingen of feitelijke handelingen van
bestuursorganen een
motivering kan worden geëist tot op heden in de jurisprudentie nog
nauwelijks aan de orde geweest. Reeds daarom verdient het de voorkeur op
dit punt de rechtsontwikkeling af te wachten. In de tweede plaats is ook
afdeling 3.6, inzake bekendmaking, niet van overeenkomstige toepassing
verklaard op andere handelingen dan besluiten. Nu in het stelsel
van de Algemene wet bestuursrecht een nauw verband is gelegd tussen de
regeling van de motivering en de regeling van de bekendmaking, lenen
de bepalingen inzake motivering zich minder goed voor toepassing op
handelingen waarvoor geen bekendmaking is voorgeschreven.
rblz.|16|
Voor besluiten inhoudende
algemeen verbindende voorschriften geldt dat deze uiteraard wel
bekendgemaakt moeten worden, maar dat de voorschriften over de bekendmaking van besluiten van
afdeling 3.6
daarvoor niet gelden. De Bekendmakingswet
regelt deze materie voor regelgeving van het Rijk;
voor regelingen van andere organen zijn in diverse wetten
bekendmakingsvoorschriften te vinden. Nu de motiveringsplicht aansluit
bij de bekendmaking, past het ook hier niet goed in het stelsel van de Algemene
wet bestuursrecht de regels hierover wel voor algemeen
verbindende voorschriften te laten gelden.
De bepalingen van afdeling
3.7 komen, behoudens de uitbreiding van het toepassingsbereik tot
alle besluiten, inhoudelijk in hoofdzaak overeen met de thans nog in afdeling 4.1.4
[-] neergelegde bepalingen. Op één punt bleek de uitbreiding van het
toepassingsbereik een aanvulling noodzakelijk te maken. Het betreft
artikel 3.6.2 [3:47], vierde lid. Verwezen zij naar de
toelichting op die bepaling [3:47].
Afdeling
3.7
Artikel 3.6.1 [3:46]
Behoudens de vervanging van
het woord "beschikking" door "besluit" komt deze bepaling overeen
met het huidige artikel 4:16. De motivering dient aan redelijke eisen te
voldoen, mede rekening houdend met het belang dat de betrokken
burgers bij de motivering hebben. Uit de aard der zaak zal de motivering van
een besluit van algemene strekking doorgaans een globaler karakter hebben
dan de motivering van een individuele beschikking.
Artikel 3.6.2
[3:47]
De eerste drie leden van
deze bepaling komen, behoudens de vervanging van "beschikking" door
"besluit", overeen met het huidige artikel
4:17.
Het vierde lid behelst een
door de uitbreiding van het toepassingsbereik van het artikel noodzakelijk
geworden aanvulling. Indien de motivering niet bij de bekendmaking van
het besluit wordt vermeld, doch later wordt verstrekt, dient aan die
motivering op dezelfde wijze bekendheid te worden gegeven als aan het besluit
zelf. Bij beschikkingen was dit reeds voldoende gewaarborgd,
doordat de bekendmaking daarvan veelal, net als de verstrekking van de
motivering, door toezending of uitreiking geschiedt. Bij besluiten die
niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, ligt dat anders.
Daarom is bovengenoemd uitgangspunt thans uitdrukkelijk neergelegd in
het vierde lid.
Voor besluiten die niet tot
één of meer belanghebbenden zijn gericht, betekent de overeenkomstige
toepassing van artikel 3:42 enerzijds dat volstaan kan worden met kennisgeving van de zakelijke inhoud van de
motivering, anderzijds dat
in dat geval de volledige motivering ter inzage moet worden gelegd.
Artikel 3.6.3
[3:48]
Dit artikel is vrijwel
gelijkluidend aan het huidige artikel 4:18. Overigens zal zich bij besluiten van
algemene strekking niet snel de situatie voordoen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen aan een motivering
geen behoefte bestaat.
Artikel 3.6.4
[3:49]
Dit artikel komt, behoudens
de uitbreiding van het toepassingsbereik, zakelijk overeen met het
huidige artikel 4:19. Het ligt ook bij besluiten die
rblz.|17|
niet tot één of meer
belanghebbenden zijn gericht voor de hand dat de kennisgeving van het advies
geschiedt op overeenkomstige wijze als de bekendmaking van het
besluit.
Artikel 3.6.5
[3:50]
Deze bepaling komt overeen
met artikel 4:20.
Afdeling
4.1.4
In verband met de toevoeging
van afdeling 3.7 kan afdeling 4.1.4
[-] vervallen.
Artikelen 7:14 en
7:27
De verplaatsing van de
regels inzake motivering van afdeling 4.1.4 [-] naar afdeling 3.7
noodzaakt tot
een technische wijziging van de artikelen 7:14 en
7:27 (opgenomen in
artikel I, onderdelen I en J, van het
wetsvoorstel). Deze technische wijziging
houdt in dat in de genoemde artikelen de verwijzing naar afdeling
4.1.4 [-] wordt vervangen door een verwijzing naar afdeling 3.7.
rblz.|18|
4. Subsidies
(titel 4.2)
Inleiding
De overheid verleent
jaarlijks voor enkele tientallen miljarden guldens aan subsidies. Op veel
beleidsterreinen is subsidiëring een belangrijk of zelfs essentieel beleidsinstrument. Als voorbeelden kunnen genoemd
worden het
volkshuisvestingsbeleid, het cultuur- en welzijnsbeleid en het energiebeleid.
De wettelijke normering van
het verschijnsel subsidie is echter achtergebleven bij zijn
maatschappelijke betekenis. Op enkele belangrijke gebieden, zoals de subsidiëring van de woningbouw, bestaan reeds
vanouds wettelijke
regelingen, terwijl op andere terreinen meer recent belangrijke wetgeving tot
stand is gekomen (bijvoorbeeld de Welzijnswet; naar verwachting binnenkort
te vervangen door de Welzijnswet
1994, Kamerstukken II 1992-1993, 23
315, nrs. 1-3), de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en
de Wet op
het specifiek cultuurbeleid. Ook beschikken de meeste gemeenten en
provincies tegenwoordig over een algemene subsidieverordening, die echter, ondanks haar naam,
doorgaans niet voor alle
gemeentelijke en provinciale subsidies geldt.
Veel subsidiestromen zijn
echter nog maar nauwelijks wettelijk gereguleerd, terwijl
bestaande wettelijke regelingen vaak onvolledig zijn en onderling vele onnodige
verschillen vertonen. Zo bleek uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer
dat in 1986 nog aan 56% van de 418 onderzochte rijkssubsidies
met een financieel belang groter dan ƒ1 miljoen geen "formele
regeling" ten grondslag lag (Kamerstukken II 1988-1989, 21 080, nrs. 1-2,
blz. 44, tabel 3).¹ Aangezien de Rekenkamer ook niet op de wet steunende
ministeriële regelingen tot de "formele regelingen" rekende, was
destijds het percentage subsidies zonder afdoende wettelijke grondslag nog hoger. Uit de in 1992 aan de Staten-Generaal aangeboden
rapportage geïntegreerd subsidiebeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 150,
nr. 5) blijkt dat de situatie sindsdien wel verbeterd is, maar dat er
nog steeds vele subsidieregelingen zonder afdoende wettelijke
grondslag bestaan. Ook op gemeentelijk en provinciaal niveau voorzien de
bestaande algemene subsidieverordeningen doorgaans niet in een
grondslag voor of regeling van specifieke subsidies; zij bevatten veelal slechts
algemene bepalingen voor (belangrijke categorieën van) subsidies.
Hierdoor speelt in het
subsidierecht de jurisprudentie, in het bijzonder die van de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State, een relatief belangrijke rol. Deze jurisprudentie is echter voor niet-ingewijden moeilijk
toegankelijk. Daardoor zijn
de in de jurisprudentie ontwikkelde normen bij burgers en bestuur vaak nog
onvoldoende bekend.
1. Het door de Rekenkamer
gehanteerde gewogen percentage lag iets
lager, namelijk 52% (ter aangehaalde plaatse). Dit betekent
dat naarmate het financieel belang van de
subsidie groter was, iets vaker een formele
regeling bestond.
Bij deze stand van zaken
bestaat nog te vaak onduidelijkheid over de wederzijdse rechten en
plichten van subsidiegever en subsidieontvanger. Het rapport van de parlementaire enquêtecommissie inzake
bouwsubsidies (Kamerstukken
II 1987-1988, 19 623, nr. 30) gaf daarvan enige pregnante voorbeelden te
zien. Ook uit de jurisprudentie blijkt dat subsidiëring op alle
niveaus tot vele vragen en daardoor tot gerechtelijke procedures aanleiding geeft.
Deze onduidelijkheid bedreigt zowel de rechtszekerheid van
subsidieontvangers als de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
subsidie-instrument. Zo is thans niet altijd duidelijk waartoe de subsidieverlening de ontvanger precies verplicht of
over welke bevoegdheden
bestuursorganen kunnen beschikken om een rechtmatig en doelmatig
gebruik van subsidiegelden te verzekeren.
Om de met de
subsidieverlening beoogde doelen te kunnen bereiken en enerzijds misbruik en
oneigenlijk gebruik van subsidies te kunnen tegengaan, anderzijds
subsidieontvangers voldoende rechtszekerheid te
verschaffen, dienen rechten,
plichten en bevoegdheden van subsidiegevers rblz.|19|
en subsidieontvangers op heldere wijze te worden afgebakend, een evenwichtig geheel te
vormen en goed kenbaar te zijn. Daarvoor is een wettelijke regeling nodig.
Een algemene wettelijke
regeling van subsidies is ook uit een oogpunt van beheersing van
overheidsuitgaven gewenst. In het beleid van het huidige kabinet neemt het
streven naar een betere beheersing van subsidiestromen een
belangrijke plaats in. Sinds enige jaren richt het beleid tot tegengaan van
misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeenschapsgelden zich niet meer
uitsluitend op de fiscale en sociale sfeer, maar krijgen ook subsidies
daarin steeds meer aandacht. Als uitvloeisel daarvan heeft het kabinet
bij de "Tussenbalans" in februari 1991 (Kamerstukken II 1990-1991, 21
998, nr. 2, in het bijzonder bijlage 3) besloten tot de ontwikkeling van een
geïntegreerd subsidiebeleid, waarin naast de bestrijding van misbruik en
oneigenlijk gebruik in engere zin ook de doelmatigheid en de
juridische en rechtsstatelijke kwaliteit van subsidieregelingen als zodanig
aandacht krijgen.
Daarbij is tevens uitgesproken dat het kabinet het wenselijk acht een algemene wettelijke regeling
van enkele aspecten van subsidieverhoudingen tot stand te brengen (Kamerstukken II
1990-1991, 21 998, nr. 2,
bijlage 3, blz. 22). In het
op 10 juni 1991 aan de Staten-Generaal aangeboden "Plan van aanpak
eerste spoor geïntegreerd subsidiebeleid" (Kamerstukken II 1990-1991, 22
150, nrs. 1-2, blz. 12), alsmede in de rapportage geïntegreerd
subsidiebeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5), werd dit standpunt
herhaald, waarbij tevens het voornemen werd uitgesproken deze algemene
regeling op te nemen in de Algemene wet
bestuursrecht. Dit voornemen
werd in de UCV's inzake subsidiebeleid op 2 september 1991 (Handelingen
UCV 1990-1991, nr. 57) en 7 september 1992 (Handelingen UCV 1991-1992,
nr. 49) door vrijwel alle fracties gesteund.
Het onderhavige wetsvoorstel
sluit, voor zover het door het Rijk verstrekte subsidies
betreft, derhalve goed aan bij het geïntegreerd subsidiebeleid van de
rijksoverheid. Dat beleid heeft niet rechtstreeks betrekking op de autonome
subsidieverstrekking door gemeenten, provincies en andere
publiekrechtelijke lichamen, doch de aan het rijksbeleid ten grondslag
liggende overwegingen van rechtszekerheid en noodzaak van beheersing van
subsidie-uitgaven gelden evenzeer voor andere overheden. De
praktijk leert dat ook bij subsidieverstrekking door gemeenten en provincies
misbruik en oneigenlijk gebruik vóórkomen, alsook de nodige
onduidelijkheden bestaan over wederzijdse rechten en plichten van
subsidieontvangers en subsidiegevers (vgl. bijvoorbeeld Vz. Afd. rechtspraak
24 september 1992, AB
1993, 266, Afd. rechtspraak 15 februari 1992, AB 1993, 249, Afd. rechtspraak
17 november 1992, AB 1993, 214). Daarnaast is het uit een oogpunt van rechtseenheid
uiteraard gewenst dat de algemene regels van subsidierecht voor de
decentrale overheden niet anders zijn dan voor het Rijk. Dit klemt te
meer
nu in de praktijk vaak een nauwe verwevenheid bestaat tussen subsidiëring
door het Rijk en subsidiëring door decentrale overheden, hetzij doordat
van rijkswege voorwaarden worden gesteld aan de (mede)financiering van door decentrale overheden verstrekte
subsidies, hetzij doordat
verschillende overheden verwante, samenhangende of zelfs dezelfde
activiteiten subsidiëren. In die situaties hebben subsidieontvangers minstens
zozeer behoefte aan een goede afstemming tussen de verschillende
bestuurslagen als aan harmonisatie binnen één bestuurslaag.
In het onderhavige voorstel
is met de noodzaak van beheersing van subsidie-uitgaven op een
groot aantal plaatsen rekening gehouden. Het voorschrift dat subsidies,
behoudens uitzonderingen, slechts krachtens wettelijk voorschrift kunnen
worden verleend (artikel 4.2.1.3 [4:23]), bevat een belangrijke stimulans tot
het meer bewust hanteren van het subsidie-instrument. Voorts kan
gewezen worden op de in afdeling 4.2.2 neergelegde
rblz.|20|
regeling, welke
voorziet in een algemene regeling van de bevoegdheid tot weigering
van een subsidie indien het voor subsidieverstrekking beschikbare
bedrag is uitgeput.
Voorts kan de algemene
regeling voor de intrekking van subsidiebeschikkingen (artikelen
4.2.6.1 [4:48]
en 4.2.6.2 [4:49]) genoemd worden, welke bestuursorganen duidelijke bevoegdheden geeft om tegen misbruik op te
treden. Ten slotte mag niet
onvermeld blijven dat de bij het onderhavige wetsvoorstel voorziene
harmonisatie van bevoegdheden van toezichthouders (afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2]), in
combinatie met het vereiste van een wettelijke grondslag, het mogelijk
maakt langs eenvoudige weg te voorzien in adequaat toezicht op de
naleving van aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen.
Karakter van de regeling in
de Algemene wet bestuursrecht
Om de zojuist genoemde
redenen is het gewenst voor enkele algemene aspecten van subsidieverhoudingen een wettelijke regeling te treffen.
Zowel door de toegenomen
aandacht voor subsidiëring in de rechtswetenschappelijke literatuur
(gewezen zij bijvoorbeeld op E.M.H. Hirsch Ballin en J.H. van Kreveld, Rechtsstatelijke subsidieverhoudingen,
preadviezen VAR [Vereniging voor Administratie Recht, thans Vereniging
voor Bestuursrecht, red.] 1988,
VAR-geschrift XCIX, Alphen aan den Rijn 1988, en L.J.A. Damen, Ongeregeld en
ondoorzichtig bestuur, diss. RU Groningen 1987, Deventer 1987) als door de
al eerder gememoreerde jurisprudentie van met name de Afdeling
rechtspraak is het subsidierecht thans ook voldoende
uitgekristalliseerd om een algemene wettelijke regeling mogelijk te maken.
De nu voorgestelde
titel 4.2
bouwt voort op de regeling van de beschikking, zoals die in de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht is opgenomen. Subsidies worden immers als regel bij
beschikking verstrekt. De
nieuwe titel regelt onder meer drie soorten subsidiebeschikkingen - de
subsidieverlening, de subsidievaststelling en de voorschotverlening - die
in beginsel op aanvraag worden gegeven en waarop naast titel
4.2 dan
ook de bepalingen van titel 4.1, met inbegrip van
afdeling
4.1.1, van
toepassing zijn.
De nieuwe titel geeft een
wettelijk kader voor alle subsidies. Zij geeft regels voor die
onderwerpen
die bij iedere subsidieverhouding aan de orde zijn, zoals de vraag welke verplichtingen aan een subsidie verbonden
kunnen worden, wanneer een
subsidie beëindigd kan worden en hoe gehandeld moet worden indien
de begrotingsgelden ontoereikend zijn.
Het voorstel bevat voorts de
eis dat een subsidie in beginsel slechts op grond van een wettelijk
voorschrift kan worden verleend. Naast rechtsstatelijke overwegingen speelt daarbij ook de wens een weloverwogen
gebruik van het
subsidie-instrument te bevorderen een rol.
Het stellen van deze eis
heeft bovendien het voordeel dat naast de regels van deze titel nog
een aantal aanvullende wettelijke bepalingen, toegespitst op het doel van
iedere subsidie afzonderlijk, wordt vastgesteld. De verschillende
soorten van subsidies tonen immers zodanige verschillen dat een aantal
onderwerpen niet uitputtend in een algemene wet kan worden geregeld. Men
denke aan de voorschriften die aan een subsidieverlening verbonden
moeten worden, of aan het tijdstip van uitbetaling van
subsidiegelden. Voor die onderwerpen geeft de voorgestelde titel wel het kader,
alsmede enige standaardbepalingen die in veel gevallen bruikbaar zullen
zijn, maar die desgewenst bij wettelijk voorschrift aangevuld of
vervangen kunnen worden door meer op de specifieke subsidie
toegesneden regels. Om te zorgen dat aldus een samenstel van voldoende
duidelijke regels over iedere subsidie tot stand komt, worden aan wettelijke
voorschriften die de basis voor een bepaalde subsidieverlening vormen
enige nadere eisen gesteld. Zo zal de bijzondere subsidieregeling
moeten aangeven voor welke activiteiten rblz.|21|
subsidie kan worden verstrekt, een onderwerp dat uit de aard der zaak
niet in een algemene wet kan
worden geregeld.
In een aantal gevallen -
incidentele subsidies en subsidies met slechts één of enkele ontvangers -
zou de eis van een wettelijk voorschrift onevenredig zwaar zijn. Daarom is een aantal uitzonderingen op deze eis
opgenomen. Voor de gevallen
waarin als gevolg van deze uitzonderingen subsidiëring zonder
wettelijke grondslag mogelijk blijft, biedt de titel een voldoende wettelijke
basisregeling.
Het proces van subsidiëring
Het voorontwerp ziet, in
navolging van de literatuur (zie in het bijzonder J.H. van Kreveld, Juridische
ontwikkeling van subsidieverhoudingen, preadvies VAR 1988, VAR-geschrift
XCIX, Alphen aan den Rijn 1988) en vele
bestaande regelingen,
subsidiëring als een proces waarin ten minste drie belangrijke momenten
onderscheiden worden: de verlening van de subsidie, de vaststelling
van de subsidie en de uitbetaling van de subsidie. Deze
onderscheiding knoopt aan bij het proces van subsidiëring, zoals dat - enigszins
modelmatig geschetst - in de tijd verloopt.
In de meeste gevallen wordt
een subsidie aangevraagd voordat de activiteiten waarvoor de
subsidie is bestemd, worden ondernomen. In veel gevallen is zelfs voorgeschreven dat men tevoren een aanvraag indient.
Nadat de subsidie is
verleend, vindt doorgaans nog niet aanstonds de uitbetaling plaats: deze
geschiedt eerst nadat is vastgesteld dat de activiteit waarvoor de
subsidie is bestemd daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
In overeenstemming hiermee
worden in het voorstel deze drie rechtsmomenten van elkaar
onderscheiden. De term subsidieverlening wordt gereserveerd voor de beschikking waarbij een subsidie wordt
toegekend voor een bepaalde
- in het algemeen toekomstige - activiteit. De betekenis daarvan is dat
de aanvrager een aanspraak op financiële middelen verkrijgt, mits hij
daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht en zich aan de
eventueel aan hem opgelegde verplichtingen houdt. De omvang van deze
aanspraak is in deze fase vaak nog onzeker, omdat zij mede kan afhangen
van de omvang van de verrichte activiteiten of van de daaraan verbonden
uitgaven en inkomsten. De subsidieverlening is echter niet
voorlopig of vrijblijvend. Indien de gesubsidieerde de activiteiten verricht en
zijn verplichtingen nakomt, kan het bestuursorgaan in beginsel niet meer
op de subsidieverlening terugkomen. Het bestuursorgaan gaat dus
reeds door een subsidieverlening, en niet pas door de vaststelling, een
financiële verplichting aan.
De term subsidievaststelling
duidt op de beschikking waarbij definitief wordt beslist dat de
geadresseerde een subsidie ontvangt ter hoogte van een bepaald, in guldens (of
in enkel geval in ECU's of andere valuta) uitgedrukt bedrag. Daarvoor
zal het veelal nodig zijn vast te stellen dat de gesubsidieerde activiteit is
verricht en dat de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd. Op grond van
die beschikking zal de uitbetaling van de subsidie geschieden, al is
het mogelijk dat al eerder bij wijze van voorschot betalingen zijn
verricht.
Bij deze opzet - die
overigens aansluit bij de praktijk bij veel subsidies - bestaat er een nauw verband
tussen de subsidieverlening en de subsidievaststelling. Eerstgenoemde
beschikking geeft de zekerheid dat de subsidie zal worden
uitbetaald indien men doet wat op grond van die beschikking nodig is om de
subsidie te verkrijgen. Daarmee staat vast dat de subsidie niet naderhand
op andere gronden kan worden geweigerd, bijvoorbeeld omdat het
subsidiebeleid inmiddels is gewijzigd.
In overeenstemming daarmee
wordt dan ook ten aanzien van de subsidievaststelling bepaald
dat bij die beschikking moet worden uitgegaan van de
subsidieverlening (artikel 4.2.5.5 [4:46]). Dat betekent dat nagegaan moet worden of de
betrokken activiteit heeft plaatsgehad en of rblz.|22|
de belanghebbende de
verplichtingen heeft nageleefd. Is dat het geval en hebben zich geen
onregelmatigheden voorgedaan, dan moet de subsidie worden vastgesteld op het
bedrag dat bij de verlening in het vooruitzicht is gesteld.
De subsidievaststelling
geeft de ontvanger een definitief recht op financiële middelen en
verplicht het bestuursorgaan dan ook tot betaling (artikel 4.2.7.1 [4:52]). In
zoverre betekent de subsidievaststelling een afsluiting van de subsidieverhouding.
Men kan ook zeggen dat de subsidieverlening na de vaststelling is
uitgewerkt en daardoor haar betekenis verliest. Dit komt onder meer tot
uitdrukking bij de regeling van de intrekking: na de vaststelling is intrekking
van de subsidieverlening niet meer mogelijk (artikelen
4.2.6.1 [4:48], eerste
lid, en 4.2.6.3 [4:50], eerste lid).
Het derde moment in het subsidieproces is de uitbetaling. De Afdeling rechtspraak beschouwt de
uitbetaling overigens niet als een beschikking, maar als het voldoen aan een
verbintenis en dus als een rechtshandeling naar burgerlijk recht (vgl.
Afd. rechtspraak 19 februari 1980, tB/S V, nr. 165). Het bestuursrecht moet bepalen
wanneer die verbintenis tot betaling ontstaat. Afdeling 4.2.7 voorziet
daarin.
In de praktijk zullen vaak
voorafgaand aan de subsidievaststelling voorschotten worden
verstrekt. De ontvanger kan deze nodig hebben om de te subsidiëren
activiteit daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. In feite spelen deze voorschotten een
zo belangrijke rol dat het gewenst is ook daarover enige regels op te
nemen. Dat is geschied in de artikelen 4.2.7.3 en volgende [4:54
e.v.].
De hierboven onderscheiden
momenten van verlening, vaststelling en betaling van subsidie zijn
in de praktijk niet altijd afzonderlijk aan te treffen. Zo zal niet in alle
gevallen een subsidieverlening voorafgaan aan een subsidievaststelling.
Het komt voor dat men een subsidie eerst kan aanvragen nadat men een
bepaalde activiteit heeft verricht en het te subsidiëren bedrag volledig
vaststaat. Er bestaat dan geen aanleiding voor een afzonderlijke
subsidieverlening: volstaan kan worden met de subsidievaststelling.
De Algemene wet
bestuursrecht kiest zelf dan ook niet voor het systeem mét of het systeem
zónder
afzonderlijke subsidieverlening. Met beide systemen is rekening gehouden. Als gevolg daarvan kan een aantal
bepalingen zowel betrekking
hebben op het verlenen als op het vaststellen van een
subsidie. In die bepalingen is als algemene term een vorm van het werkwoord
"verstrekken" gehanteerd.
Er bestaat ook een enkele
subsidieregeling waarvan de systematiek minder goed aansluit op het
schema van verlening en vaststelling. Een voorbeeld is de Basisremigratiesubsidieregeling 1985. Bij de aanpassingswetgeving zal worden
nagegaan of zulks tot afwijkingen van de Awb dan wel tot herziening van de
systematiek van de desbetreffende regeling moet leiden.
Voor subsidiëring gedurende
een langere, meerjarige periode biedt de Algemene
wet bestuursrecht verschillende varianten.
In de eerste plaats kan
vanzelfsprekend eenmalig subsidie worden verleend voor een aantal
jaren, waarna, na ommekomst van het subsidietijdvak, vaststelling plaatsvindt. Daarnaast kan, al dan niet
me toepassing
van afdeling 4.2.8,
jaarlijks subsidieverlening en -vaststelling plaatsvinden.
Met het oog op de
continuïteit van de te subsidiëren activiteiten wordt soms ook gekozen voor een
langlopende subsidieverlening, waarbij de subsidie steeds tussentijds
in gedeelten wordt vastgesteld. Periodieke vaststelling kan dan
plaatsvinden op grond van een daartoe periodiek in te dienen aanvraag of
ambtshalve. In het laatste geval vindt de vaststelling plaats op grond
van door de subsidieontvanger periodiek te verschaffen gegevens. Dit
stelsel, dat wel wordt aangeduid met de term rblz.|23|
mutatiesysteem, is in het
bijzonder geschikt wanneer de subsidieregeling zelf al met een grote mate
van precisie heeft aangegeven in welke gevallen aanspraak op
subsidie bestaat. De subsidieverlening valt in dit systeem te beschouwen als de
constatering dat aan de vereisten voor subsidiëring is voldaan,
waarna voor een langere, in de beschikking aan te geven periode subsidiëring
volgt. De artikelen 4.2.5.3 [4:44], eerste lid,
juncto 4.2.5.6 [4:47], onderdeel a, openen de
mogelijkheid voor deze periodieke ambtshalve vaststelling.
Het mutatiesysteem kan ook
worden gehanteerd indien afdeling 4.2.8 van toepassing is verklaard
op de subsidieverstrekking. Hierin voorziet artikel 4.2.8.3.2 [4:67], dat in het eerste lid bepaalt dat een subsidie op de voet
van die afdeling ook voor
meerdere boekjaren kan worden verleend. In dat geval wordt aan de
beschikking de verplichting verbonden tot tussentijdse
gegevensverstrekking (artikel 4.2.8.3.2 [4:67], tweede lid) op basis waarvan vervolgens ingevolge
de artikelen 4.2.8.5.1 [4:73] en 4.2.8.5.2
[4:74] jaarlijks ambtshalve vaststelling
plaatsvindt.
Driehoeksverhoudingen
In het eenvoudigste geval
zijn bij de subsidiëring slechts twee partijen betrokken: het
bestuursorgaan dat de subsidie verleent of vaststelt en de ontvanger. Soms is
de
situatie gecompliceerder, doordat drie of meer partijen betrokken zijn.
Daarbij moeten verschillende situaties worden onderscheiden.
Soms geeft een
bestuursorgaan er de voorkeur aan de uitvoering van een subsidieregeling aan
privaatrechtelijke instellingen op te dragen. De subsidieregelgeving van het
ministerie van Economische Zaken biedt daarvan enkele voorbeelden.
Zo is de uitvoering van diverse subsidieregelingen op het gebied van
het energiebeleid opgedragen aan de Nederlandse Maatschappij
voor Energie en Milieu BV (NOVEM; zie bijvoorbeeld het Besluit
subsidies windenergie (Stb. 1993, 187).
In deze gevallen is
eigenlijk geen sprake van een driehoeksverhouding. De regeling welke het
bestuur van de privaatrechtelijke rechtspersoon opdraagt op de
subsidieaanvraag te beslissen, attribueert een
beschikkingsbevoegdheid aan
dat bestuur, daarmee tegelijkertijd een nieuw bestuursorgaan in het
leven roepend. Het is reeds lang vaste jurisprudentie dat ook het
bestuur van een privaatrechtelijke rechtspersoon een administratief
orgaan in de zin van artikel 1 Wet Arob kan zijn (zie o.m. Afd. rechtspraak
13 juni 1978, tB/S I, blz. 26; Vz. Afd. rechtspraak 19 maart 1981, AB 1982, 411;
Afd. rechtspraak 27 januari 1983, tB/S V, blz. 1199). Voor het begrip bestuursorgaan in de zin van
artikel 1:1
Algemene wet bestuursrecht ligt dit niet
anders.
Aldus ontstaat een als
subsidieverhouding te kwalificeren rechtsverhouding tussen het
bestuursorgaan dat op de aanvraag beslist - bijvoorbeeld het bestuur van de
NOVEM - en de aanvrager. Dat de subsidie uiteindelijk ten laste komt
van de begroting van een ander bestuursorgaan - in casu de Minister van
Economische Zaken - is voor de aanvrager zonder betekenis. Tussen de
aanvrager en de minister ontstaat geen subsidieverhouding.
Wel is het mogelijk dat de
rechtsverhouding tussen de met de uitvoering van de
subsidieregeling belaste instantie en de minister óók als een
subsidieverhouding
moet
worden beschouwd. De attributie van beschikkingsbevoegdheid
maakt immers van het bestuur van de privaatrechtelijke
instelling wel een bestuursorgaan, maar daarmee van de instelling zelf nog niet
automatisch een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon,
zodat artikel 4.2.1.1 [4:21], derde lid, niet zonder meer van toepassing is. Deze
eventuele tweede subsidieverhouding betreft echter een andere subsidie
dan, en kan los gezien worden van, de eerste subsidieverhouding. Het is ook
mogelijk dat de verhouding tussen de rblz.|24|
minister en de
uitvoeringsinstantie moet worden gezien als een verhouding van opdrachtgever
tot opdrachtnemer.
De situatie is in beginsel
niet anders indien de uitvoering van een subsidieregeling niet aan
een ander orgaan wordt geattribueerd maar gedelegeerd, of wanneer een orgaan van een ander publiekrechtelijk
lichaam met de uitvoering
wordt belast. Indien een subsidieregeling bijvoorbeeld burgemeester en
wethouders belast met de verlening en de vaststelling van de
subsidie, terwijl het gemeentebestuur de kosten van de subsidie geheel of
gedeeltelijk bij het Rijk kan declareren, ontstaat een subsidieverhouding tussen
aanvrager en burgemeester en wethouders, maar niet tussen de
aanvrager en de verantwoordelijke minister (en in dit geval ook niet tussen
gemeente en minister). Beslissend is steeds welk bestuursorgaan op de
aanvraag beslist. Indien derhalve de behandeling van subsidieaanvragen aan
een ander bestuursorgaan wordt gemandateerd, ontstaat een
subsidieverhouding tussen de aanvrager en de mandaatgever. De beslissing
van de gemandateerde op de aanvraag geldt immers als een beslissing
van de mandaatgever (artikel 1A.1.1.1a [10:2]).
Specifieke uitkeringen
Iets gecompliceerder ligt de
juridische situatie bij zogenaamde specifieke uitkeringen (ook
wel als bijdrageregelingen aangeduid). Dit zijn regelingen die niet rechtstreeks voorzien in de verlening van subsidies
aan burgers. In plaats
daarvan bepalen zij bijvoorbeeld dat een gemeente
recht heeft op een rijksbijdrage indien zij aan een burger een bepaalde subsidie verleent (zie
bijvoorbeeld hoofdstuk III van het Besluit woninggebonden subsidies).
De bijdrageregeling bevat
doorgaans ook voorschriften met betrekking tot de te subsidiëren
activiteit. Veelal neemt de gemeente bij de subsidieverlening deze voorschriften
over, om zeker te zijn van een rijksbijdrage. Of en in hoeverre dat
gebeurt, behoort echter tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente. De
bijdrageregeling geldt immers, zoals ook in de jurisprudentie van de
Afdeling rechtspraak steeds is benadrukt (Afd. rechtspraak 7 december
1979, AB
1980, 264; Afd. rechtspraak 3 januari 1985, AB 1985, 537; Afd. rechtspraak
10 november 1992, AB 1993, 153), op zichzelf niet voor de verlening van subsidies aan
burgers, doch uitsluitend voor de verlening van rijksbijdragen.
Dit brengt mee dat met het
bestaan van een dergelijke rijksbijdrageregelingen op zichzelf nog
niet voldaan is aan het in artikel 4.2.1.3 [4:23], eerste lid, neergelegde vereiste
dat de subsidie op een wettelijk voorschrift moet berusten. De subsidie berust
immers niet rechtstreeks op de bijdrageregeling en deze geeft
daarover ook niet rechtstreeks voorschriften. Artikel 4.2.1.3 [4:23]
brengt
derhalve mede dat voortaan de gemeenteraad ter uitvoering van zo'n
bijdrageregeling een eigen subsidieverordening tot stand zal moeten brengen.
Het staat de gemeenteraad vrij daarin zo nauw mogelijk aan te sluiten bij
de bijdrageregeling, maar voor de subsidieverhouding tussen burger en
gemeente is dan uitsluitend de subsidieverordening van belang.
Uiteraard zou het Rijk er
ook voor kunnen kiezen de rijksbijdrageregeling te vervangen door een
regeling die rechtstreeks het gemeentebestuur de bevoegdheid geeft onder bepaalde voorwaarden subsidies aan
burgers te verlenen en
daarnaast regelt in hoeverre het Rijk zal bijdragen in de financiering van deze
subsidieverlening. Waar het om gaat, is dat de subsidierelatie tussen
gemeentebestuur en burger enerzijds en de financieringsrelatie tussen Rijk en gemeente
anderzijds onderscheiden behoren te worden.
rblz.|25|
Garanties
Bij de verstrekking van een
subsidie in de vorm van een overheidsgarantie zijn steeds ten
minste drie partijen betrokken: het bestuursorgaan dat de garantie verleent,
de
kredietgever en de kredietnemer. Er ontstaat dan veelal een
subsidieverhouding tussen het bestuursorgaan en de kredietgever. Op één en
ander wordt in de toelichting op artikel 4.2.1.1
[4:21] nader ingegaan.
De rechtsvorm van de
subsidie
Over de rechtsvorm van de
subsidie is in de literatuur veel gediscussieerd. Men zie reeds het
preadvies van J.G. Steenbeek van 1961 (J.G. Steenbeek, De overheidssubsidie: de rechtsvorm,
preadvies Vereniging
voor Administratief Recht
1961, VAR-geschrift XLIV, Haarlem 1961), waarin werd geconstateerd dat nu
eens een publiekrechtelijke, dan weer een privaatrechtelijke
rechtsvorm werd gekozen. Steenbeek sprak toen reeds een voorkeur uit voor de
publiekrechtelijke rechtsvorm. De ontwikkeling is inderdaad in die richting
gegaan.
Het gaat bij subsidiëring
om het ten laste van de openbare middelen bijdragen in de kosten van
door de overheid om redenen van algemeen belang wenselijk geachte activiteiten. Naar huidig inzicht betreft dit de
uitvoering van een publieke
taak, waarop publiekrecht van toepassing behoort te zijn. In veruit
de meeste gevallen krijgt de subsidieverlening dan ook de vorm van een
publiekrechtelijke rechtshandeling, te weten een beschikking. Ook de
jurisprudentie merkt de verlening van een subsidie vrijwel steeds als een
beschikking aan, ook wanneer zij niet op een geschreven
publiekrechtelijke titel, maar slechts op een begrotingspost berust. Het
onderhavige
voorstel sluit daarbij aan door in de eerste plaats regels te geven voor
subsidiebeschikkingen.
Niettemin komen in de
praktijk ook overeenkomsten omtrent subsidiering voor. In
verband daarmee was in het voorontwerp een artikel 4.2.3.8 [4:36]
opgenomen dat de
titels 4.1 en 4.2 van overeenkomstige toepassing verklaarde indien
in plaats van een beschikking omtrent subsidieverlening een
overeenkomst omtrent subsidieverlening werd gesloten. Zowel door de Raad
van State als in de literatuur (W. Konijnenbelt, Een koekoeksei
in de Awb, RegelMaat (1992) 3, blz. 65; M. Scheltema, Een bijzondere
positie voor de overheid in het overeenkomstenrecht, WPNR
6074 (1992) blz. 958) is erop gewezen dat deze bepaling een aantal
vragen opriep. Haar rechtsgevolgen zouden onvoldoende duidelijk zijn
en de noodzaak van de bepaling werd in twijfel getrokken. Naar aanleiding
hiervan hebben wij gekozen voor een andere regeling van de
subsidieovereenkomst.
In het voorontwerp zag
artikel 4.2.3.8 [4:36] op de situatie waarin de overeenkomst in de plaats kwam van
de beschikking. Die figuur komt in de praktijk echter vrij weinig voor. Veel gebruikelijker is een overeenkomst
tussen subsidiegever en subsidieontvanger die de beschikking tot subsidieverlening niet
vervangt, maar strekt tot uitvoering daarvan. Bij nader inzien kan met
zo'n
uitvoeringsovereenkomst in beginsel hetzelfde resultaat kan worden bereikt
als met een beschikkingvervangende overeenkomst.
In de praktijk bestaat
vooral om twee redenen behoefte aan de figuur van de
subsidieovereenkomst.
Vooral bij subsidies in de vorm van kredieten of garanties bevat de subsidieverlening naar zijn inhoud
elementen (bijvoorbeeld de
verplichting tot betaling van rente en aflossing) die men gewend is
bij overeenkomst te regelen. Geldlening en borgtocht zijn immers
rechtsfiguren die in het privaatrechtelijk rechtsverkeer zeer veel voorkomen.
Hoewel het, mits daartoe een toereikende wettelijk grondslag bestaat,
op zichzelf zeer wel mogelijk is krediet- en garantieverhoudingen geheel
bij beschikking te regelen, kiest er vaak voor rblz.|26|
een overeenkomst om te kunnen profiteren van de regeling in het BW
en
de daarover gevormde
jurisprudentie. Zo'n overeenkomst behoeft echter niet in de plaats te treden
van de beschikking omtrent subsidieverlening. Hetzelfde doel kan worden
bereikt door in de beschikking een voorschrift of voorwaarde op te nemen
inhoudende dat de ontvanger moet medewerken aan de
totstandkoming van een overeenkomst van geldlening of borgtocht.
Deze constructie wordt bijvoorbeeld bij de subsidiëring van
ondernemingen door de Minister van Economische Zaken nogal eens gehanteerd.
De tweede reden houdt
verband met het feit dat, zoals hierna zal worden uiteengezet, de
beschikking tot subsidieverlening, behoudens andersluidend wettelijk voorschrift, niet verplicht tot het verrichten van de
gesubsidieerde activiteit.
Soms bestaat aan een dergelijke verplichting echter wel behoefte, met
name wanneer de activiteit bestaat in het verschaffen van door de
overheid essentieel geachte voorzieningen. Men denke bijvoorbeeld aan de
subsidiëring van justitiële particuliere inrichtingen voor de
verpleging van terbeschikkinggestelden door de Minister van
Justitie. In
zo'n geval kan het nuttig zijn dat een overeenkomst wordt gesloten waarbij
de ontvanger zich verplicht de activiteit te verrichten, zodat de
overheid zo nodig in rechte nakoming van die verplichting kan vorderen.
Ook hier geldt echter dat dit doel even goed met een overeenkomst ter
uitvoering van een beschikking als met een beschikkingvervangende
overeenkomst kan worden bereikt.
Onder deze omstandigheden
heeft de figuur van de uitvoeringsovereenkomst belangrijke
voordelen boven die van de beschikkingvervangende overeenkomst.
Doordat tevens een beschikking aanwezig is, zijn de toepasselijkheid van
de Algemene
wet bestuursrecht en de bevoegdheid van de
administratieve rechter gegeven. Daarmee zijn de eenheid van het
subsidierecht en de rechtspositie van de ontvanger voldoende gewaarborgd. Het
is dan niet langer nodig de titels 4.1 en
4.2 van overeenkomstige
toepassing te verklaren op de subsidieovereenkomst zelf.
De Hoge Raad heeft een
kredietovereenkomst met een subsidiekarakter gekenschetst als een
publiekrechtelijke overeenkomst (HR 12 januari 1990, AB 1991, 430 (Staat/Appels).
Niettemin kunnen, waar publiekrechtelijke regels ontbreken, op een
subsidieovereenkomst de privaatrechtelijke regels van de Boeken
3 en 6 BW
worden
toegepast, behoudens voor zover de aard van de overeenkomst zich
daartegen verzet. Genoemde uitspraak biedt een voorbeeld van dit
laatste: volgens de Hoge Raad verzette de aard van de overeenkomst - waarin
onder meer vergaande zeggenschap van de Staat over de onderneming van de
ontvanger was bedongen - zich er in dat geval tegen dat de Staat zijn
vorderingen uit de subsidieovereenkomst zou cederen aan een particulier.
Buiten twijfel is voorts dat het bestuursorgaan zowel bij het sluiten
van de uitvoeringsovereenkomst als bij het uitoefenen van daaruit
voortvloeiende bevoegdheden de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur in acht zal moeten nemen (artikel 3:1, tweede lid, en HR
27 maart 1987,
AB 1987, 273 (Amsterdam/lkon).
Gelet op het bovenstaande
zal aan de figuur van de beschikkingvervangende subsidieovereenkomst niet of nauwelijks meer behoefte bestaan,
te meer daar naar
hedendaagse bestuursrecht ook de beschikkingsfiguur voldoende
ruimte biedt om recht te doen aan het feitelijk soms sterk
tweezijdige en wederkerige karakter van subsidieverhoudingen (vgl. bijvoorbeeld
Afd. rechtspraak 12 januari 1993, AB 1993, 237), zoals ook uit de thans
voorgestelde regeling moge blijken. Het onderhavige wetsvoorstel bevat dan ook
slechts een regeling van de uitvoeringsovereenkomst, en niet van de
beschikkingvervangende overeenkomst.
rblz.|27|
Handhaving
Bij subsidiëring doen zich
twee te onderscheiden handhavingsvraagstukken voor. Ten
eerste dient gewaakt te worden tegen misbruik van subsidiegelden. Daarvan
is sprake indien de subsidie door toedoen van de aanvrager ten
onrechte of tot een te hoog bedrag wordt verstrekt. Ten tweede dient de naleving
van de aan de subsidie verbonden (bijkomende) verplichtingen te
worden verzekerd. In het laatste geval gaat het dan in de eerste plaats om
verplichtingen die betrekking hebben op de inhoud van de activiteit of
de wijze waarop zij wordt verricht.
In beide gevallen is naar
huidig recht gehele of gedeeltelijke intrekking van de subsidie, dan wel
definitieve vaststelling op een lager bedrag dan aanvankelijk voorzien, de
voornaamste sanctie. De Algemene wet
bestuursrecht brengt hierin
geen materiële verandering, doch de systematiek van de wet
behoeft enige nadere toelichting.
In veel gevallen is de
subsidievaststelling het eerste, vaak het enige en veelal het meest geschikte
moment waarop het bestuursorgaan toetst of de gesubsidieerde activiteit
op de juiste wijze is verricht en de aan de subsidie verbonden
verplichtingen zijn nagekomen. Indien die toetsing voor de burger geheel of
gedeeltelijk negatief uitvalt, kan de subsidie worden geweigerd of, indien
een subsidieverlening is voorafgegaan, lager dan overeenkomstig de
subsidieverlening worden vastgesteld. Omdat de
subsidievaststelling in de praktijk het belangrijkste toetsingsmoment is, is daarop in de
onderhavige regeling het accent gelegd. Indien een subsidieverlening heeft
plaatsgevonden, vervult het lager vaststellen van de subsidie derhalve in
belangrijke mate de functie die thans in een aantal gevallen door de (gedeeltelijke) intrekking wordt vervuld.
Naast de bevoegdheid om de
subsidie lager vast te stellen, kan een bevoegdheid om de
subsidieverlening in te trekken echter niet worden gemist. De vaststelling
geschiedt immers doorgaans op aanvraag na afloop van de activiteit (artikel 4.2.5.3 [4:44]). Soms zal het bestuursorgaan reeds eerder op de hoogte komen
van een verwijtbare gedraging van de ontvanger. In dat geval moet
het bestuursorgaan daarop kunnen reageren door intrekking van de
subsidieverlening. Dat is echter slechts mogelijk zolang de subsidie niet is
vastgesteld (artikel 4.2.6.1 [4:48]).
Ten slotte is ook een
bevoegdheid tot intrekking van de subsidievaststelling nodig (artikel
4.2.6.2 [4:49]). Het kan immers voorkomen dat pas na de vaststelling blijkt dat
de ontvanger bijvoorbeeld onjuiste gegevens heeft verstrekt. Intrekking
van de verlening, zo die er is geweest, heeft dan geen zin, omdat dan de
vaststelling en daarmee de aanspraak op financiële middelen in
stand zou blijven. Het karakter van de vaststelling brengt echter wel
mee dat
zij in beperktere mate voor intrekking vatbaar is dan de verlening.
Het intrekken of lager
vaststellen van de subsidie is voor de praktijk veruit de belangrijkste
sanctie. Daarnaast bestaat de mogelijkheid van strafrechtelijk optreden
indien de subsidie zich in het kader van de subsidieverhouding schuldig
maakt aan valsheid in geschrift, bijvoorbeeld door bij de aanvraag
onjuiste gegevens te verstrekken. In dit verband zij gewezen op de recente
wijziging van artikel 225 Wetboek
van Strafrecht, waardoor ook reeds tegen het
voorhanden hebben van valse geschriften kan worden opgetreden (Stb.
1992, 287).
In een aantal gevallen kan
ook behoefte bestaan aan de mogelijkheid van een bestuurlijke reactie
die verder gaat dan het door het intrekken of lager vaststellen van de subsidie ontnemen van het ten onrechte genoten
voordeel. Daarom wordt thans
in samenspraak met de Commissie wetgeving algemene regels
van bestuursrecht nagegaan in hoeverre voor die gevallen een regeling
kan worden getroffen die voorziet in het opleggen van een
administratieve boete.
rblz.|28|
Een onderwerp, waarin
het
wetsvoorstel niet voorziet, is het tegengaan van ongewenste cumulatie van
subsidies. Indien voorschriften daarover nodig zijn, zal de bijzondere subsidieregeling daarin moeten voorzien. Het
is niet goed mogelijk
daarvoor een algemene regeling te treffen. Immers, lang niet iedere samenloop
van subsidies bij één ontvanger is ongewenst. Zo is er geen bezwaar
tegen dat een gesubsidieerde instelling die werkzaam is op het gebied
van welzijn of cultuur tevens subsidie ontvangt voor de isolatie of
restauratie van het pand waarin zij is gehuisvest. Ook
subsidiëring van dezelfde activiteit door verschillende bestuursorganen is
niet in
alle gevallen ongewenst; indien verschillende bestuursorganen belang
hebben bij een activiteit, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat
zij de kosten van subsidiëring gezamenlijk dragen. Wanneer cumulatie
moet worden uitgesloten, kan derhalve niet in algemene zin worden
aangegeven. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag welke subsidie in
geval van ongewenste cumulatie "voorrang" heeft. Wel is het
gewenst dat het bestuursorgaan op de hoogte is van door andere bestuursorganen
voor dezelfde activiteiten verleende subsidies. Daarom is in de
afdeling 4.2.8 inzake periodieke subsidies aan rechtspersonen - vooral
daarbij speelt de cumulatieproblematiek - een bepaling (artikel
4.2.8.2.6 [4:65])
opgenomen die de aanvrager verplicht deze informatie te verstrekken.
In de literatuur is ten slotte de vraag opgeworpen of de naleving van aan de subsidie verbonden
verplichtingen ook door middel van bestuursdwang kan worden afgedwongen
(R. de Haan, Th.G. Drupsteen, R. Fernhout, Bestuursrecht in
de sociale rechtsstaat, Deventer 1986, blz. 271; J. van Viegen,
Bestuursrechtelijke handhaving van subsidievoorwaarden, in: Recht op scherp,
opstellen aangeboden aan prof. mr. W. Duk, Zwolle 1984).
De kwestie is van weinig
praktisch belang, omdat in de meeste gevallen bestuursdwang reeds om
praktische redenen niet goed denkbaar is. Het is niet duidelijk hoe bijvoorbeeld de verplichting van een welzijnsinstelling
zich op een bepaalde
doelgroep te richten door bestuursdwang zou kunnen worden afgedwongen.
Ook voor zover bestuursdwang wel praktisch mogelijk zou zijn,
is het bestuursorgaan daartoe echter in beginsel niet bevoegd, ook
al beschikt het over een algemene bestuursdwangbevoegdheid. Door
middel van bestuursdwang kan immers alleen de nakoming van een
onvoorwaardelijke rechtsplicht worden afgedwongen. Zoals in de
toelichting op afdeling 4.2.4 zal worden uiteengezet, schept de
subsidieverlening in beginsel nu juist geen onvoorwaardelijke
rechtsplicht tot het verrichten van de gesubsidieerde activiteit en het naleven
van de daarbij behorende verplichtingen, omdat de ontvanger in beginsel het
alternatief heeft om van de subsidie af te zien.
Verhouding tot het
gemeenschapsrecht
De onderhavige regeling
heeft verschillende raakvlakken met het recht van de Europese Unie.
Daarbij valt vooreerst te denken aan de invloed die van de communautaire
discriminatieverboden en meer in het algemeen van de voorschriften inzake
het vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal kan
uitgaan op subsidiëring door nationale organen. Ten aanzien van
steunverleningen aan ondernemingen, waarvoor in het bijzonder de artikelen 92 en
volgende van het EEG-verdrag van belang zijn, valt op te merken dat
het communautaire begrip steunmaatregelen en het subsidiebegrip van
artikel 4.2.1.1 [4:21] elkaar slechts ten dele dekken. De werkingssfeer van
titel 4.2
omvat enerzijds veel meer dan steun aan ondernemingen, maar
bestrijkt anderzijds niet alle vormen van steun die onder artikel 92 EEG-verdrag
vallen.
In artikel 8 Kaderwet
financiële verstrekkingen EZ is een uitdrukkelijke intrekkingsgrond opgenomen
voor het geval dat een verstrekte subsidie rblz.|29|
aan een onderneming een
ingevolge artikel 92 EEG-verdrag verboden steunverlening oplevert. In
een wet die uitsluitend betrekking heeft op subsidiëring van
ondernemingen ligt dat eerder voor de hand dan in het kader van de Algemene
wet bestuursrecht. Voor elk subsidievoornemen zal afzonderlijk moeten
worden bezien of het met het gemeenschapsrecht - het gaat daarbij immers
niet alleen om de artikelen 92 en volgende EEG-verdrag - verenigbaar
is. Het is niet goed mogelijk ter zake algemene voorschriften in de Algemene
wet bestuursrecht op te nemen. Dat is ook niet nodig, nu de
communautaire beperkingen op de uitoefening van nationale subsidiebevoegdheden rechtstreeks uit het gemeenschapsrecht
voortvloeien.
De vraag doet zich voor in
hoeverre titel 4.2 van toepassing kan zijn op subsidies die hun grondslag
vinden in het communautaire recht. Wanneer subsidies rechtstreeks
worden verleend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of
een andere communautaire instelling, kan de Algemene
wet bestuursrecht uit de aard der zaak niet van toepassing zijn. De Nederlandse wet kan
immers de organen der Europese Gemeenschappen niet binden.
In veel gevallen, vooral
maar niet uitsluitend op het terrein van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid, worden subsidies die uiteindelijk ten laste komen van de eigen
middelen van de Europese Gemeenschappen verleend door tussenkomst van
nationale bestuursorganen. Zo worden in Nederland talrijke
landbouwsubsidies verleend door organen van de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie, daartoe aangewezen bij "overdrachtsbeschikkingen"
steunend op de Landbouwwet of de
In- en uitvoerwet. Deze organen
blijven ook als zij EG-beleid uitvoeren Nederlandse bestuursorganen, op
besluiten waarvan de Algemene wet bestuursrecht, met inbegrip
van titel 4.2, in beginsel van toepassing is. Hun taken ter uitvoering van
het gemeenschapsrecht vloeien in essentie voort uit de
loyaliteitsverplichtingen van de lidstaten, neergelegd in artikel 5 EEG-verdrag.
Zolang en voor zover het gemeenschapsrecht ter zake geen eigen
voorzieningen bevat, strekken de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht,
inclusief de onderhavige titel, onder omstandigheden derhalve mede ter uitvoering van het gemeenschapsrecht. Deze bepalingen
kunnen toepassing vinden mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de
rechten die burgers aan het gemeenschapsrecht ontlenen (vgl. HJEG [Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen, red.] zaak 33/76, Jur. 1976, 1989
[Rewe]; HJEG zaak 45/76, Jur. 1976, 2043 [Comet]).
Zodra en voor zover het gemeenschapsrecht zelf in een regeling
voorziet - zoals bijvoorbeeld in de dikwijls gedetailleerde voorschriften
ter uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid het geval kan
zijn -, wijkt het nationale recht, en dus ook de Algemene wet bestuursrecht, op grond van het beginsel van de
voorrang van het gemeenschapsrecht (vgl. HJEG zaak 6/64, Jur. 1964, 1199
[Costa/ENEL]). Eén en
ander geldt mutatis mutandis evenzeer voor zover het gemeenschapsrecht
voorziet in een regeling voor subsidies uit de communautaire
structuurfondsen en andere EG-subsidies die door tussenkomst van nationale
bestuursorganen worden verstrekt.
Het gemeenschapsrecht laat
derhalve ruimte voor toepassing van de Algemene wet bestuursrecht
voor zover het zelf niet in een regeling voorziet en geen afbreuk wordt gedaan aan rechten die burgers aan het
gemeenschapsrecht ontlenen.
Tegen deze achtergrond is er - behoudens een enkel punt - geen reden
subsidies die ter uitvoering van een communautaire regeling
worden verstrekt geheel of gedeeltelijk van de werking van titel 4.2
uit te
zonderen.
Afdeling
4.2.1. Inleidende bepalingen
Deze afdeling bevat een
tweetal definitiebepalingen, een bepaling waarin het vereiste van een
wettelijke grondslag voor subsidiëring is rblz.|30|
neergelegd, alsmede een verplichting tot periodieke evaluatie van
subsidieregelingen [lees: alsmede een bepaling waarin een verplichting tot periodieke evaluatie van
subsidieregelingen is neergelegd, red.].
Artikel 4.2.1.1
[4:21]
Subsidies komen in vele,
uiteenlopende vormen en onder vele benamingen voor. Er zijn dan
ook vele definities in omloop (zie J.H. van Kreveld, Juridische
ontwikkeling van subsidieverhoudingen, preadvies VAR 1988, VAR-Geschrift
XCIX,
blz. 103 e.v.). Deze definities vertonen onderling een aantal
verschillen, die veelal mede bepaald zijn door het doel waarvoor de definitie
is opgesteld. Zo bevat de in het kader van het geïntegreerd subsidiebeleid
van de rijksoverheid gehanteerde definitie, evenals de door de Algemene
Rekenkamer gebruikte omschrijving, om voor de hand liggende reden
de beperking dat het moet gaan om de verstrekking van financiële
middelen door het Rijk. Zo'n beperking past uiteraard niet in de Algemene
wet bestuursrecht. Voorts moet een definitie die de reikwijdte
van een wettelijke regeling bepaalt aan andere eisen voldoen dan een
omschrijving in een beleidsdocument.
De omstandigheid dat een
bepaalde verstrekking als een subsidie in de zin van artikel 4.2.1.1 [4:21]
moet
worden beschouwd, impliceert dan ook geen uitspraak over de vraag of
zij in ander verband eveneens als een subsidie moet worden aangemerkt. Het
spreekt vanzelf dat het enkele feit dat een verstrekking, bijvoorbeeld
de bekostiging van het onderwijs en onderzoek, onder de reikwijdte van titel 4.2
is gebracht, niet bepalend kan zijn voor bijvoorbeeld het antwoord op
de vraag of ook het beleid van de rijksoverheid om te bezuinigen op
subsidies zich mede tot die verstrekking moet uitstrekken. Omgekeerd
betekent de omstandigheid dat een bepaalde vorm van
bekostiging niet onder de werking van titel 4.2
valt uiteraard evenmin dat de
bekostiging op die grond van bezuinigingen gevrijwaard zal blijven. Bij
de bepaling van het budgettaire beleid spelen immers geheel andere
overwegingen een rol dan de overwegingen van wetgevingsbeleid die
bepalend zijn voor de reikwijdte van titel 4.2.
Derhalve kon in het
onderhavige wetsvoorstel niet zonder meer een bestaande definitie worden
overgenomen, maar is een eigen, op de doelstellingen van de Algemene wet bestuursrecht toegesneden,
omschrijving ontwikkeld -
hetgeen uiteraard geenszins uitsluit dat in een andere, niet-wettelijke,
context een iets andere definitie geschikter kan zijn.
Vanzelfsprekend is bij het
opstellen van het thans voorgestelde artikel 4.2.1.1 [4:21]
wel gebruik gemaakt
van bestaande definities, met name ook van de omschrijving van het
begrip "verstrekking van financiële middelen" in artikel 1 Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ.
Hieronder worden de
elementen van de omschrijving toegelicht, waarbij tevens de afgrenzing
tussen subsidie en verwante rechtsfiguren aan de orde komt. Voor alle duidelijkheid zij nog
opgemerkt dat dit
wetsvoorstel een materieel
subsidiebegrip hanteert. Subsidies worden in de praktijk ook wel
aangeduid als bijdrage, uitkering of financiering. Voor de toepasselijkheid van de
onderhavige titel is de gekozen benaming niet van belang; beslissend is of
aan de elementen van de gegeven begripsomschrijving is voldaan.
De aanspraak op financiële
middelen
In artikel 4.2.1.1
[4:21] wordt
alleen het verstrekken van financiële middelen als subsidie aangemerkt. Het
komt voor dat de overheid maatschappelijk gewenste activiteiten stimuleert door goederen of - meestal - diensten
om niet of onder de markt-
of kostprijs te leveren. Zo dekt de toegangsprijs voor een rijks- of
stedelijk museum zelden de kosten. Economisch gezien kan men dan spreken
van "subsidies in natura" aan de museumbezoeker. Er worden in zo'n
geval echter geen financiële middelen verstrekt, rblz.|31|
noch een aanspraak daarop,
zodat van een subsidie in de zin van artikel 4.2.1.1 [4:21]
geen sprake is. Dat
is ook gewenst, want de voorgestelde regels inzake subsidiebeschikkingen
zouden zich vanzelfsprekend slecht lenen voor toepassing op de
rechtsverhouding die ontstaat wanneer een burger bijvoorbeeld een museumkaartje koopt of gebruik maakt van een
gemeentelijke
sportaccommodatie.
In de praktijk komt het ook
wel voor dat bijvoorbeeld een gemeente in plaats van de
huisvestingkosten van een vereniging of stichting te subsidiëren, zelf om niet
een pand ter beschikking stelt. Ook dan kan men vanuit een economische
invalshoek van een "subsidie in natura" spreken. Anders dan de
Vereniging van
Nederlandse Gemeenten menen wij echter dat het geen aanbeveling
verdient het subsidiebegrip van de Algemene wet
bestuursrecht uit te
breiden tot alle "op geld waardeerbare" verstrekkingen. Voorschriften inzake
de verstrekking van financiële middelen kunnen niet zonder meer
worden toegepast op verstrekkingen in natura. Dat geldt bijvoorbeeld voor
de regels inzake het subsidieplafond en de subsidievaststelling. Indien
daarbij telkens rekening zou moeten worden gehouden met verstrekkingen
in natura, zou dat de regeling in verhouding tot het belang van
dergelijke verstrekkingen onevenredig compliceren.
Eén en ander betekent niet dat pas van een subsidie kan worden gesproken indien
daadwerkelijk financiële middelen worden verstrekt. Voldoende is dat een
aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt. Dit is allereerst van
belang omdat bij subsidies het tijdstip waarop de aanspraak op financiële
middelen wordt gevestigd en het tijdstip waarop die middelen daadwerkelijk
worden verstrekt ver uit elkaar kunnen liggen. Het komt voor dat
voorafgaand aan een voorgenomen activiteit toegezegde financiële middelen
pas na afloop van die activiteit daadwerkelijk worden verstrekt. Het
cruciale moment in het proces van subsidiëring is in zo'n geval niet de
daadwerkelijke verstrekking, maar de beslissing dat de voorgenomen activiteit
gesubsidieerd zal worden indien zij inderdaad plaatsvindt. Vanaf dat moment moeten de thans voorgestelde regels voor
subsidieverhoudingen hun
werking hebben, en niet pas als er daadwerkelijk geld wordt
uitgekeerd.
Daarbij komt dat niet bij
alle subsidies daadwerkelijk geld wordt uitgekeerd. Indien de
overheid rente en aflossing van een door een bank aan een derde verstrekt
krediet garandeert, ontstaat een subsidieverhouding die, als de derde
zijn verplichtingen nakomt, eindigt zonder dat de overheid ook maar één
gulden daadwerkelijk heeft uitgekeerd.
Met het woord "aanspraak"
wordt voorts benadrukt dat de beslissing om subsidie te verstrekken
niet vrijblijvend is. Ook de verlening van een subsidie voorafgaand aan de
gesubsidieerde activiteit vestigt een rechtens afdwingbare, zij
het voorwaardelijke, aanspraak op financiële middelen. In de bestaande
regelgeving worden voor de rechtsfiguur die in dit wetsvoorstel als
subsidieverlening wordt aangeduid vaak termen als "subsidietoezegging" of
"voorlopige (subsidie)toekenning" gebruikt. Dergelijke termen suggereren
een zekere mate van vrijblijvendheid; zij wekken de indruk dat het
bestuur gemakkelijk op de subsidieverlening kan terugkomen.
Van deze opvatting wordt in
dit wetsvoorstel afstand genomen. De subsidieverlening is voor
het bestuursorgaan bindend. Indien de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteiten verricht en zijn overige
verplichtingen nakomt, is
het bestuursorgaan gehouden tot nakoming van de subsidieverlening, dat
wil zeggen tot het overeenkomstig de verlening vaststellen van de subsidie
en het uitbetalen van het subsidiebedrag. In die zin vestigt de verlening
een aanspraak voor de ontvanger, met als spiegelbeeld een
verplichting - ook in begrotingstechnische zin - voor het bestuursorgaan. Dat het
bestuur bij de verlening van deze aanspraak een voorbehoud kan maken (artikel 4.2.3.5 [4:33]), doet hieraan niet af.
rblz.|32|
Kredieten
"Het verlenen van een
aanspraak op financiële middelen" omvat niet alleen de subsidieverlening
"a fonds perdu", maar ook het verschaffen van kredieten. Overwogen is
om kredietverlening tegen commerciële voorwaarden buiten het
subsidiebegrip te houden, doch daarvan is afgezien omdat de overheid
slechts bij uitzondering zuiver commerciële kredieten verleent.
De overheid pleegt kredieten
te verschaffen omdat de markt daarin in onvoldoende mate voorziet.
Dit impliceert dat het krediet vrijwel steeds wordt verschaft met het oog
op wenselijk geachte activiteiten van de ontvanger en onder voorwaarden die gunstiger zijn dan de ontvanger op de vrije markt zou kunnen
bedingen, zodat tevens een financieel voordeel wordt toegekend. Derhalve is
kredietverlening door de overheid op essentiële punten
vergelijkbaar met subsidiëring "a fonds perdu", zodat voor beide vormen dezelfde
regels behoren te gelden.
De kredietverschaffing door
gemeentelijke kredietbanken als bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 3, van
de Wet op
het consumentenkrediet geschiedt soms wel op commerciële
basis. In dat geval wordt het krediet echter niet met het oog op een bepaalde
activiteit verstrekt, zodat het om die reden niet onder het begrip
subsidie valt.
Garanties
Een andere voor de praktijk
belangrijke vorm van subsidieverlening is de overheidsgarantie. De
overheid verleent dan niet zelf een krediet, maar stelt zich garant voor
rente
en aflossing van een door een derde - doorgaans een bank - aan de
aanvrager te verlenen krediet. Een bekend voorbeeld is de "gemeentegarantie" voor de hypothecaire lening voor de aanschaf van een eigen
woning (vgl. de Regeling deelneming in garanties woninggebonden
subsidies (Stcrt. 1992, 213)).
Een overheidsgarantie is in
een bepaald opzicht vergelijkbaar met de subsidie voor een
exploitatietekort. De garantieverlening houdt in dat de overheid de bank
financiële
middelen zal verstrekken indien zij op het krediet verlies lijdt
doordat de kredietnemer zijn verplichtingen tot aflossing en rentebetaling
niet nakomt.
In de praktijk wordt aan
overheidsgaranties op verschillende wijze juridisch vormgegeven. In
het eenvoudigste geval wordt de garantie aangevraagd door en verleend aan de kredietgever (de bank). Er ontstaat
dan een subsidieverhouding
tussen het bestuursorgaan en de bank; de kredietverlening zelf is
dan de gesubsidieerde activiteit. Tussen de bank en de kredietnemer wordt een
gewone privaatrechtelijke overeenkomst van geldlening gesloten.
Daarnaast kunnen
gecompliceerdere verhoudingen ontstaan doordat ook een juridische relatie
ontstaat tussen de kredietnemer en het bestuursorgaan. Dit doet
zich met name voor als de kredietnemer - zoals bij de genoemde "gemeentegarantie" - voor het aangaan van een gegarandeerde lening eerst
een beschikking van het bestuursorgaan moet verkrijgen. Die beschikking
schept echter nog geen subsidieverhouding tussen het bestuursorgaan en
de kredietnemer.
Deelnemingen
Voorts kan de overheid ook
door deelneming in het aandelenkapitaal van een vennootschap een
aanspraak op financiële middelen verstrekken. Het is niet uitgesloten dat
dit geschiedt in verband met activiteiten van de ontvanger. Aandelenkapitaal
wordt echter per definitie niet met het oog op bepaalde activiteiten
verstrekt, maar met het oog op alle huidige en toekomstige activiteiten van
de vennootschap. Daarom moet aandelenkapitaal geacht worden te zijn
verstrekt met het oog op alle huidige en rblz.|33|
toekomstige activiteiten van
de vennootschap. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat de
aanspraak wordt verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
ontvanger.
Anders dan als betaling voor
aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten
De clausule
"anders dan als
betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten" houdt commerciële transacties waarbij de overheid partij is buiten
het subsidiebegrip. Het spreekt vanzelf dat geen sprake is van een
subsidie wanneer de overheid de marktprijs betaalt voor aangeschafte
goederen of aan haar geleverde diensten. De beperking tot aan het
bestuursorgaan geleverde goederen en diensten is aangebracht omdat er
subsidies zijn die kunnen worden opgevat als een betaling voor door de
subsidieontvanger aan derden geleverde diensten. Men denke aan de
gefinancierde rechtsbijstand.
Onder betaling dient te
worden verstaan het leveren van een tegenprestatie die is afgestemd op de
waarde van de verkregen goederen of diensten in het economisch verkeer. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen
dat iedere betaling die,
gelet op de geldende marktprijs, wellicht aan de hoge kant is nu ineens als
een subsidie moet worden aangemerkt. De waarde in het economisch
verkeer is immers lang niet altijd exact vast te stellen, zodat ook de
overheid een zekere vrijheid bij het bepalen van de prijs die zij wil betalen
niet kan worden ontzegd. Slechts wanneer die prijs onmiskenbaar zozeer boven de
marktprijs ligt dat redelijkerwijs niet meer van betaling kan worden
gesproken, is, indien aan de overige elementen van de definitie is voldaan,
sprake van een subsidie.
Subsidieverlening en
betaling voor goederen of diensten kunnen in de praktijk soms dicht tegen
elkaar liggen. Wanneer een bestuursorgaan aan een universiteit gelden
verstrekt ten behoeve van het verrichten van een bepaald onderzoek, zal soms
sprake zijn van subsidiëring, soms van een commerciële transactie
waarbij de overheid eenvoudig een noodzakelijk geacht onderzoek "uitbesteedt". De aard van de rechtsverhouding moet dan aan de hand van de
omstandigheden van het concrete geval worden vastgesteld.
Daarbij kunnen verschillende
factoren van belang zijn. Bij subsidiering kunnen veelal één of meer
markttransacties tussen de ontvanger en derden worden aangewezen
die (mede) uit de subsidie worden bekostigd. De activiteit
waarvoor subsidie wordt verstrekt, bestaat immers vrijwel steeds uit het door
de ontvanger aan een derde leveren of juist van een derde verkrijgen van een
voorziening, produkt of dienst. Bij levering van goederen en diensten aan
het bestuursorgaan daarentegen is de verstrekking van financiële
middelen niet gericht op het bekostigen van een transactie tussen het
bestuursorgaan en een derde, maar maakt zij deel uit van een transactie
tussen het bestuursorgaan en de leverancier. Indien geen transactie
tussen de ontvanger en een derde valt aan te wijzen met het oog waarop
de financiële middelen worden verstrekt, is dat derhalve een belangrijke
aanwijzing dat geen sprake is van een subsidie.
Ook de hoogte van het door
de overheid verstrekte bedrag, in relatie tot de kosten van de
gesubsidieerde activiteit, kan een belangrijke aanwijzing zijn. Bij een commerciële
transactie zal dat bedrag veelal de kosten van de activiteit (bijvoorbeeld een
onderzoek) plus een zekere winstmarge dekken, bij een subsidie ten hoogste de kosten. Ook kan van belang zijn
van welke partij het
initiatief voor het verrichten van het onderzoek is uitgegaan: bij een subsidie
zal dat veelal degene zijn die het onderzoek verricht, bij een opdracht
de opdrachtgever. Ten slotte zullen bijkomende omstandigheden zoals de
afspraken over de publicatie van het onderzoek soms aanwijzingen kunnen bieden.
rblz.|34|
Indien een bestuursorgaan
aan een ambtenaar door deze in het kader van zijn functie gemaakte
kosten vergoedt (declaraties voor dienstreizen e.d.), is geen sprake van een
subsidie, maar van voldoening van een schuld die is ontstaan
doordat de ambtenaar ten behoeve van het bestuursorgaan diensten
heeft gekocht en de kosten daarvan uit eigen zak heeft voorgeschoten.
Door een bestuursorgaan
verstrekt
Niet alleen de overheid,
maar ook vele particuliere instellingen en fondsen stimuleren
activiteiten die zij wenselijk achten door daarvoor financiële middelen ter
beschikking te stellen. Hoewel deze vormen van particulier initiatief in
het spraakgebruik ook wel als subsidiëring worden aangeduid, spreekt het
vanzelf dat de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing behoort te
zijn op rechtsverhoudingen tussen particulieren onderling. Dit wordt bereikt
door in de definitie het element "door een bestuursorgaan verstrekt"
op te nemen.
Een andere situatie doet
zich voor indien - zoals in de praktijk regelmatig voorkomt - een
privaatrechtelijke instelling bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt belast
met
de verlening van subsidies ten laste van de openbare middelen. In de
jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak wordt (het bestuur van) de
privaatrechtelijke instelling in zo'n geval aangemerkt als
administratief orgaan in de zin van artikel 1 Wet Arob (vgl. o.m. Afd. rechtspraak
13 juni 1978, tB/S I, blz. 26; Vz. Afd. rechtspraak 19 maart 1981, AB 1982, 411;
Afd. rechtspraak 27 januari 1983, tB/S V, blz. 1199). De definitie van het begrip
bestuursorgaan in artikel 1:1 Algemene wet
bestuursrecht sluit nauw aan
bij artikel 1 Wet Arob (vgl. de toelichting
op artikel 1:1, Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 27). Voor zover het bestuur van een privaatrechtelijke instelling is belast met het verlenen van
subsidies ten laste van de
openbare middelen, moet het derhalve ook worden beschouwd als bestuursorgaan in de zin van
artikel 1:1, zodat de Algemene wet bestuursrecht,
met inbegrip van deze titel, onverkort van toepassing is.
Met het oog op bepaalde
activiteiten van de aanvrager
Ook als de overheid om niet
financiële middelen verstrekt, is niet steeds sprake van een subsidie.
Soms geschiedt de verstrekking van financiële middelen niet met het oog op
een bepaalde activiteit, maar om te voorzien in de kosten van
het bestaan. Daarbij kan het gaan om een algehele of een aanvullende
inkomensvoorziening. Men denke aan de uitkeringen op het gebied
van de sociale zekerheid. De regels inzake subsidies behoren daarop
niet van toepassing te zijn. De studiefinanciering heeft tot op
zekere hoogte een gemengd karakter, waarbij echter het element van een
(aanvullende) inkomensvoorziening overheerst. Gelet op het
eigen karakter van deze voorziening behoren de regels inzake subsidies ook
hierop niet van toepassing te zijn. Hetzelfde geldt, om praktische
redenen, voor de individuele huursubsidie. Ter vermijding van misverstand
zal zulks bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving uitdrukkelijk in
de desbetreffende wetten worden bepaald.
In de begripsomschrijving is
het gebonden karakter van de subsidie uitgedrukt door de woorden "met het oog op bepaalde activiteiten van de
aanvrager". Van een subsidie is pas sprake indien een aanspraak op
financiële middelen worden
verstrekt met het oog op bepaalde, min of meer welomschreven
activiteiten van de ontvanger. Anders gezegd, het moet gaan om een gebonden
inkomens- of vermogensoverdracht, in die zin dat, bij verstrekking
voorafgaand aan de te verrichten activiteiten, de bestedingsrichting van de verstrekte
middelen is vastgelegd.
rblz.|35|
De aard van deze
activiteiten kan sterk uiteenlopen. Er zijn subsidies op het terrein van welzijn, sport
en cultuur, maar ook ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek
of ter stimulering van energiebesparing of woningbouw. Soms gaat het om
een eenmalige activiteit als een tentoonstelling of een
concert, soms om een voortdurende activiteit, zoals de instandhouding van een
bibliotheek, een onderwijsinstelling of een vorm van hulpverlening.
Onder omstandigheden kan ook een nalaten een activiteit in de zin van
artikel 4.2.1.1 [4:21] zijn. Men denke aan het braak laten liggen van landbouwgrond.
Door het element "met het
oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager" vallen als
gezegd de algemene sociale uitkeringen buiten het subsidiebegrip van de
Algemene wet bestuursrecht. Indien echter een uitvoeringsorgaan van de
sociale zekerheid naast de uitkering gelden verschaft met het oog op een
bepaalde activiteit - bijvoorbeeld het volgen van een scholing -, is wel
sprake van een subsidie. Evenmin betekent het enkele feit dat bij een
uitkering rekening wordt gehouden met de draagkracht van de ontvanger
dat die uitkering geen subsidie is.
Daaraan doet niet af dat titel 4.2
in een enkel geval op praktische gronden niet van toepassing
kan zijn. Zo zou de verlening van bijzondere bijstand krachtens de Algemene
Bijstandswet als een subsidie kunnen
worden aangemerkt. Anders
dan de "gewone" bijstand wordt de bijzondere bijstand immers
met het oog op een bepaalde activiteit verleend. In de praktijk is
de verlening van bijzondere bijstand echter zo nauw verweven met de
"gewone" bijstandverlening dat het ongewenst is dat daarvoor
afzonderlijke regels zouden gelden. Derhalve zal bij de aanpassingswetgeving worden
bepaald dat titel 4.2 niet van toepassing is op de verlening van bijzondere bijstand.
Prijzen, bijvoorbeeld op het
terrein van kunst of wetenschap, zullen veelal geen subsidies zijn,
met name niet indien zij worden gegeven als eerbetoon aan een persoon,
voor zijn gehele oeuvre of voor een bepaalde prestatie. Niet uitgesloten
is echter dat iets dat als "prijs" wordt aangeduid toch als subsidie
in de zin van titel 4.2 moet worden aangemerkt. Te denken valt aan
gevallen waarin aan het verlenen van de prijs een inschrijving is
voorafgegaan waarbij de te verrichten activiteiten zijn omschreven.
Door een bestuursorgaan
betaalde schadevergoedingen of schadeloosstellingen vallen, ongeacht
hun rechtsgrond, eveneens buiten het subsidiebegrip, omdat zij
niet verleend worden met het oog op activiteiten van de
ontvanger; eerder met het oog op de schade toebrengende activiteiten
van het bestuursorgaan. Het zou vanzelfsprekend ook ongewenst zijn
als de bepalingen inzake subsidies op schadevergoedingen van
toepassing zouden zijn.
Het betalen van een
contributie is geen subsidie, maar het voldoen aan een uit het lidmaatschap van
een organisatie voortvloeiende civielrechtelijke verplichting. De contributie wordt ook niet verstrekt met het oog op
een bepaalde activiteit.
Bijdragen aan andere staten
en volkenrechtelijke organisaties
Het komt voor dat een
bestuursorgaan een aanspraak op financiële middelen verstrekt aan een
volkenrechtelijke organisatie of een andere staat. Bij het laatste denke
men bijvoorbeeld aan gelden die in het kader van de
ontwikkelingssamenwerking wordt verstrekt. In deze gevallen wordt de verhouding tussen
de verstrekker en de ontvanger van de gelden door het volkenrecht
beheerst, zodat de Algemene wet bestuursrecht
daarop niet van
toepassing is. De grondslag voor de subsidieverstrekking ligt in deze
gevallen ook niet in een nationaal wettelijk voorschrift, doch in een internationale
overeenkomst.
rblz.|36|
Tweede lid
Het tweede lid stelt buiten
twijfel dat titel 4.2 niet van toepassing is indien ingevolge een
wettelijk voorschrift het verrichten van bepaalde activiteiten leidt tot
vermindering van een belasting- of premieschuld. Daardoor kan in het midden
blijven in hoeverre faciliteiten in de fiscale of premiesfeer als subsidies
moeten worden beschouwd. Toepassing van titel 4.2
is in ieder geval ongewenst nu deze moeilijk te verenigen zou zijn met de systematiek van
belasting- en premieheffing.
De formulering van het
tweede lid komt overeen met artikel 8:4, onderdeel
g. Zij is, wat de
belastingen betreft, ontleend aan artikel 5, onderdeel o, van de Wet
Arob. Zij ziet
niet
alleen op rijksbelastingen, maar ook op door decentrale overheden geheven
belastingen (Afd. rechtspraak 18 januari 1979, tB/S VIII, nr. 27).
Een enigszins hybride figuur
doet zich voor bij het voorstel van Wet bevordering speur- en
ontwikkelingswerk (Kamerstukken II 1993-1994, 23 477, nrs. 1-3). Op grond van dat wetsvoorstel kan de
Minister van
Economische Zaken aan een
onderneming een verklaring afgeven inhoudende dat bepaalde
werkzaamheden worden beschouwd als speur- en ontwikkelingswerk. De
verklaring vermeldt tevens het bedrag van de vermoedelijk met die
werkzaamheden gemoeide loonsom. Vervolgens kan 12,5% van die loonsom in
mindering worden gebracht op de af te dragen loonbelasting. Deze
aanspraak op vermindering zal echter niet voortvloeien uit de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk, maar uit de
Wet op de
loonbelasting 1964.
Derhalve is sprake van een aanspraak op grond van een wettelijk voorschrift
inzake belastingen, zodat titel 4.2
niet van toepassing is. Anderzijds
zou titel 4.2
wel van toepassing zijn indien een subsidie op grond van een
niet-fiscale wet slechts met een belastingschuld zou worden verrekend.
Derde lid
Uitkeringen aan
publiekrechtelijke rechtspersonen
Het derde lid bepaalt dat
titel 4.2 niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die
krachtens wettelijk voorschrift uitsluitend wordt verleend aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld. Met deze
formulering, die ook in artikel 1:1 Algemene
wet bestuursrecht is gehanteerd,
wordt gedoeld op de uitkeringen die het Rijk doet aan gemeenten,
provincies en andere publiekrechtelijke rechtspersonen. Hoewel deze
uitkeringen, wanneer ze worden gedaan ter bestrijding van de kosten
van bepaalde taken, in een aantal opzichten aan subsidies verwant zijn,
heeft de financiële verhouding tussen de verschillende overheden ook een
zodanig eigen karakter dat de voorschriften inzake subsidies daarop niet
zonder meer kunnen worden toegepast.
Deze uitzondering is slechts
van toepassing indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten
eerste moet de uitkering op een wettelijk voorschrift berusten. In
veel gevallen is aan dit vereiste thans reeds voldaan. De artikelen 187 Provinciewet
en 184 Gemeentewet eisen dat uitkeringen aan provincies
of gemeenten waarvan de bestedingsrichting vooraf is aangegeven of die
worden verleend voor de bestrijding van van de kosten van bepaalde taken
of activiteiten, bij of krachtens wet worden geregeld. Bij de
totstandkoming van zo'n wettelijke regeling kan worden nagegaan welke voorschriften
nodig zijn ter regeling van de verhouding tussen verstrekker en ontvanger van gelden.
Indien echter geen
wettelijke regels bestaan, behoort titel 4.2
te gelden om in de leemte te voorzien.
Een extra argument daarvoor is dat alleen als een uitkering op een
wettelijk voorschrift berust, goed kan worden vastgesteld of deze
inderdaad slechts aan krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen kan worden
verleend.
rblz.|37|
De tweede voorwaarde - de
uitkering moet uitsluitend beschikbaar zijn voor publiekrechtelijke
rechtspersonen - voorkomt dat ook een subsidie waarvoor zowel overheidsorganen als burgers in aanmerking komen -
bijvoorbeeld een
isolatiesubsidie - buiten het toepassingsbereik van titel 4.2
valt. Het is ongewenst dat het vaak min of meer toevallige feit dat op een subsidieregeling zowel
door overheden als door burgers een beroep kan worden gedaan tot een
verschil in rechtsregime zou leiden.
Omdat de voorschriften van
de nieuwe artikelen 187 Provinciewet
en 184 Gemeentewet ook van
toepassing zijn op sommige uitkeringen aan anderen dan gemeenten en
provincies (artikel 187, zevende lid, respectievelijk artikel 184, zevende lid), kan het
vóórkomen dat genoemde artikelen en titel 4.2
beide van toepassing zijn op een
bepaalde vorm van subsidiëring. Voor zover de organieke wetten criteria
geven voor de toekenning van deze uitkeringen, dan wel aanvullende eisen
stellen aan de inhoud en totstandkoming daarvan, is dat niet
bezwaarlijk. Op het punt van de wettelijke grondslag is echter een nadere
harmonisatie gewenst. Daarin zal bij de aanpassingswetgeving worden voorzien.
Geldstromen binnen één
publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen niet als subsidiëring worden
beschouwd. Titel 4.2 is niet bedoeld voor en ook niet toegesneden op de
financiële verhoudingen binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon.
Daarvoor gelden specifieke voorschriften, zoals de Comptabiliteitswet en de
financiële voorschriften van de organieke wetten.
De definitie van subsidie
sluit financiële relaties binnen één rechtspersoon dan ook uit. Van
"verstrekking van een aanspraak op financiële middelen" kan slechts sprake zijn indien de verstrekker en de ontvanger
van de aanspraak twee te
onderscheiden rechtssubjecten met twee te onderscheiden vermogens
zijn. Indien de verstrekker en de ontvanger van de gelden tot dezelfde
rechtspersoon behoren, is dat nu juist niet het geval.
Derhalve is geen sprake van
een subsidie indien bijvoorbeeld een minister gelden verstrekt
aan een tot de centrale overheid te rekenen zelfstandig bestuursorgaan
dat geen rechtspersoonlijkheid bezit. Immers, een dergelijk orgaan moet,
hoe zelfstandig het publiekrechtelijk gezien ook is, geacht worden deel
uit te maken van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden, dus van
dezelfde rechtspersoon als de minister.
Vierde lid
De bekostiging van het
onderwijs en onderzoek vertoont veel verwantschap met subsidiëring,
maar heeft ook enige specifieke karaktertrekken. Bij de onderwijsbekostiging
gaat het om een kerntaak van de overheid, gebaseerd op artikel 23 van
de Grondwet. De Grondwet
geeft opdracht tot regeling bij de wet van het openbaar onderwijs en tot bekostiging naar
dezelfde maatstaf van het
bijzonder onderwijs. De grondwettelijke beginselen van vrijheid van
onderwijs en financiële gelijkstelling tussen het openbaar en het
bijzonder onderwijs brengen mee dat het bijzonder onderwijs dat aan de
wettelijke voorwaarden voldoet evenveel ontvangt als het openbaar onderwijs
de overheid kost. De bekostiging van bijzonder onderwijs
geschiedt van rechtswege: als de bijzondere school eenmaal voor bekostiging is
aanmerking is gebracht, loopt de bekostiging van rechtswege door voor
onbepaalde tijd.
In verband met de eigen aard
van de onderwijswetgeving, die samenhangt met de regeling van
artikel 23 van de Grondwet, bepaalt het vierde lid dat deze titel op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek niet
rechtstreeks van toepassing,
maar van overeenkomstige toepassing is. Zo wordt enerzijds recht gedaan
aan de bijzondere constitutionele positie van het onderwijs, anderzijds
aan de doelstelling van de Algemene wet
bestuursrecht om de
bestuursrechtelijke wetgeving zoveel mogelijk te harmoniseren. Bij de aanpassingswetgeving
zal overigens waar nodig van rblz.|38|
de Algemene wet
bestuursrecht kunnen worden afgeweken in verband met het systeem van de
onderwijswetgeving.
Het begrip bekostiging omvat
de reguliere geldstromen voor de instandhouding van de
onderscheiden onderwijssoorten. Daaronder valt dus ook de voor onderzoek
bestemde component van de geldstromen naar de instellingen voor
hoger onderwijs (de zogenaamde eerste geldstroom). Daarnaast worden aan scholen
ook wel incidentele subsidies verstrekt. Op laatstgenoemde subsidies is
deze titel rechtstreeks van toepassing. Hetzelfde geldt voor aan
instellingen van hoger onderwijs verstrekte subsidies voor concrete
onderzoeksprojecten.
Artikel 4.2.1.2
[4:22]
Deze bepaling bevat de
definitie van het begrip subsidieplafond. Voor betekenis en functie van het
subsidieplafond zij verwezen naar de toelichting
op afdeling
4.2.2.
Het spreekt vanzelf dat de
categorie subsidies waarvoor een concreet subsidieplafond geldt niet te
ruim mag zijn. De vaststelling en bekendmaking van een subsidieplafond maken het mogelijk een uit een wettelijk
voorschrift voortvloeiende
aanspraak op subsidie te doorbreken indien de beschikbare middelen zijn
uitgeput. Dat is een voor de burger ingrijpende bevoegdheid, waarvan de
uitoefening in het belang van de rechtszekerheid aan objectieve
criteria gebonden behoort te worden. Daarvan zou geen sprake zijn als het
bestuursorgaan binnen een soort "all-insubsidieplafond" vrijwel
onbeperkt middelen van de ene naar de andere categorie subsidies zou
kunnen verschuiven. Een zo ruim bemeten plafond zou de (potentiële)
aanvrager ook onvoldoende informatie verschaffen over het bedrag
dat beschikbaar is voor juist die activiteit die hij overweegt te ondernemen.
Daarom is bepaald dat een
subsidieplafond betrekking moet hebben op de verstrekking van
subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Aldus wordt de noodzakelijke
koppeling gelegd tussen de bron van het vertrouwen van de burger dat
voor een bepaalde activiteit subsidie kan worden verkregen en het
instrument waarmee de burger wordt duidelijk gemaakt dat aan dat
vertrouwen financiële grenzen zijn gesteld.
Artikel 4.2.1.3
[4:23]
Eerste lid
Artikel 4.1.2.3
[lees: Artikel 4.2.1.3 [4:23], red.]
eist dat
subsidieverlening op een wettelijke grondslag berust. Het belang daarvan
is reeds in de inleiding van dit hoofdstuk aangestipt. Bij wettelijk voorschrift kan duidelijkheid worden geschapen
over rechten en plichten van
de subsidieverlener en subsidieontvanger. Dit bevordert niet alleen de
rechtszekerheid, maar, mede daardoor, ook de doelmatige afwikkeling van
de subsidieverhouding. De noodzaak een wettelijk voorschrift tot
stand te brengen, dwingt het bestuursorgaan zich terdege af te vragen welke
doeleinden met de subsidieverstrekking worden nagestreefd en welke
voorschriften en bevoegdheden noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
Voorts is er in de
literatuur bij herhaling op gewezen dat het ook op rechtsstatelijke gronden
wenselijk is dat de subsidieverlening op een wettelijke voorschrift
berust. Er is op gewezen dat, nu de burgers voor zovele belangrijke
activiteiten in hoge mate afhankelijk zijn van overheidssubsidie, de overheid door
haar subsidiebeleid soms even diep in de vrijheidssfeer van de burger
ingrijpt als door klassieke gebods- en verbodsbepalingen (vgl. onder
andere L.J.A. Damen, Ongeregeld en ondoorzichtig bestuur, diss. Groningen 1987, Deventer
1987; E.M. H. Hirsch Ballin, rblz.|39|
Rechtsstaat, grondrechten en
subsidieverhoudingen, preadvies VAR 1988, VAR-geschrift XCIX, Alphen aan
den Rijn 1988, blz. 63 e.v.).
Ook vanuit regering en
parlement is bij herhaling gepleit voor een betere regeling van
subsidies. De standpunten laten in deze een duidelijke ontwikkeling zien. Reeds
in
het interim-rapport (Kamerstukken II 1979-1980, 15 306, nrs. 2-3) en het
rapport (Kamerstukken II 1982-1983, 15 306, nr. 25) van de subcommissie-Van Dijk
van de Vaste Commissie voor de Rijksuitgaven van de Tweede Kamer
werd voor het bijzondere terrein van de steunverlening aan
individuele bedrijven gepleit voor een "juridische
stroomlijning" van de
subsidiëring op dit terrein. Dit pleidooi keerde terug in het rapport van de
parlementaire enquêtecommissie inzake RSV (Kamerstukken II 1984-1985, 17
817, nrs. 16-21) en het kabinetsstandpunt daarover (idem, nr. 45).
In deze fase werd veelal nog
genoegen genomen met regeling bij beleidsregel. De Commissie
Wetgevingsvraagstukken (rapport "Orde in de
regelgeving", 's-Gravenhage
1985) beval reeds aan bestendig gebleken subsidiebeleid op den duur
zoveel mogelijk een wettelijke grondslag te geven, terwijl in het
rapport van de parlementaire enquêtecommissie bouwsubsidies en het
regeringsstandpunt daarover (Kamerstukken II 1988-1989, 19 623, nrs. 30 en
42) duidelijk werd gekozen voor een wettelijke regeling van de betrokken
subsidies, waarbij onder meer werd verwezen naar het voornemen een
algemene regeling inzake subsidies op te nemen in de Algemene
wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1988-1989, 19 623, nr. 42, blz. 3).
Ten slotte sprak
het huidige kabinet in het kader van de zogenaamde Tussenbalans 1991 uit dat een wettelijke grondslag voor
(rijks)subsidies in het algemeen gewenst is (Kamerstukken II
1990-1991, 21 998, nr. 2, bijlage 3,
blz. 22). Dit standpunt werd herhaald in het "Plan van aanpak eerste spoor
geïntegreerd subsidiebeleid" (Kamerstukken II 1990-1991, 22 150,
nrs. 1-2,
blz. 12-13) alsmede in de rapportage geïntegreerd subsidiebeleid
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5) en werd in de UCV's inzake
subsidiebeleid op 2 september 1991 (Handelingen UCV 1990-1991, nr. 57) en 7
september 1992 (Handelingen UCV 1991-1992, nr. 49) door vertegenwoordigers van
vrijwel alle fracties ondersteund.
De eis dat een subsidie op
een wettelijke voorschrift gebaseerd moet zijn, zal voor het Rijk met
zich brengen dat er, behoudens bij toepassing van het tweede lid, een grondslag in de formele wet moet worden gelegd.
Denkbaar is daarbij wel dat
de wetgever de nadere regeling voor een deel delegeert aan een lager
wettelijk voorschrift. De mate waarin dit geschiedt, hangt af van de aard van de
desbetreffende subsidie. In beginsel zullen, overeenkomstige de
aanbevelingen van het rapport "Orde in de regelgeving", in ieder geval de
hoofdlijnen van het bestendige subsidiebeleid in de formele wet moeten worden
geregeld. In een aantal gevallen kan het echter wenselijk zijn een
subsidiefaciliteit grotendeels bij algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling te regelen, bijvoorbeeld omdat het gaat om een qua
budgettair belang kleine regeling of om een faciliteit die uitdrukkelijk
als tijdelijk is bedoeld of snel moet kunnen worden gewijzigd om in te
spelen op veranderende (markt)omstandigheden.
Bij provincies en gemeenten
zal subsidiëring in het algemeen geregeld moeten worden bij
verordening van provinciale staten of van de gemeenteraad. Dergelijke verordeningen vormen bij provincies en gemeenten dan
de basis voor de
subsidiëring zoals de formele wet dat bij het Rijk is. Omdat de titel een algemeen
karakter heeft en dus zowel voor het Rijk als voor andere
overheidslichamen geldt, wordt de term "wettelijk voorschrift" gebruikt. Voor
het Rijk impliceert dit dus geen algemene uitspraak over de mate
waarin op dit punt delegatie door de formele wetgever mogelijk en wenselijk is.
rblz.|40|
Het wettelijk voorschrift
moet aan een tweetal minimumeisen voldoen om de beoogde doelmatigheid
en rechtszekerheid te bereiken. Allereerst wordt een omschrijving
verlangd van de activiteiten waarvoor de subsidie kan worden verleend. Dit is
essentieel om de reikwijdte van de wettelijke basis voor de subsidiëring
te kunnen bepalen. Ook hierbij is delegatie overigens niet uitgesloten.
Denkbaar is dat de wet een globale omschrijving of aanduiding
van de activiteiten geeft, die bij lagere regeling wordt gepreciseerd.
In de tweede plaats moet de
wettelijke regeling een grondslag bieden voor de verplichtingen die
het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden, voor zover die grondslag niet reeds in de
Algemene wet bestuursrecht zelf is
neergelegd. Verwezen zij naar de toelichting op afdeling
4.2.4.
Artikel
4.2.1.3 [4:23], eerste lid,
geeft geen antwoord op de vraag wat rechtens is indien een bestuursorgaan
in weerwil van dit artikel zonder grondslag in een wettelijk voorschrift
subsidie verleent en de uitzonderingen van het derde lid niet van
toepassing zijn. Het gevolg zal in ieder geval zijn dat het bestuursorgaan voor
overtreding van het voorschrift ter verantwoording kan worden geroepen en dat
de uitgaven niet als rechtmatig gedane uitgaven op de rekening
kunnen worden gebracht. In hoeverre de mogelijkheid zal bestaan een
eenmaal verleende of vastgestelde subsidie in te trekken, zal van de
omstandigheden afhangen. Indien de subsidieontvanger wist of behoorde
te weten dat subsidieverstrekking niet was toegestaan, is intrekking op
grond van artikel 4.2.6.1 [4:48], eerste lid, onderdeel
d, of artikel 4.2.6.2 [4:49], eerste lid,
onderdeel b, onder omstandigheden denkbaar. Hierbij moet echter worden
bedacht dat het, gezien ook het feit dat subsidieverstrekking soms
zonder wettelijke grondslag is toegestaan, primair tot de
verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan behoort na te gaan of een
voldoende wettelijke basis voor subsidieverlening bestaat.
Tweede lid
In de reacties op het
voorontwerp is erop gewezen dat in de praktijk nogal eens
subsidieregelingen voorkomen met een tijdelijk of experimenteel karakter. Soms wil
de overheid een bepaalde activiteit slechts een tijdelijke impuls geven, in
de verwachting dat de gesubsidieerde activiteit na een aanloopfase in
voldoende mate door betrokkenen zelf zal kunnen worden bekostigd, dan wel
dat andere overheden de subsidiëring zullen overnemen. In andere
gevallen is bij het introduceren van een nieuwe subsidiefaciliteit nog niet
bekend of die faciliteit structureel nodig zal zijn. In beide situaties kan het
voorkomen dat het tot stand brengen van een formeel-wettelijke regeling
van de nieuwe faciliteit in verhouding tot de daarmee te dienen belangen
als een onevenredige belasting voor de wetgever moet worden beschouwd. Daarom is, in afwijking van het
voorontwerp, uitdrukkelijk
voorzien in de mogelijkheid om gedurende een beperkte periode subsidie te
verlenen op grond van een zelfstandige algemene maatregel van
bestuur. Aldus worden enerzijds de voordelen van een wettelijke regeling
van subsidiëring in belangrijke mate behouden, terwijl anderzijds
de met de totstandkoming van zo'n regeling gemoeide tijd aanzienlijk
wordt bekort.
Indien echter na verloop van
tijd blijkt dat het toch wenselijk is de betrokken activiteit
structureel te subsidiëren, dan moet alsnog voorzien worden in een formeel-wettelijke grondslag voor de subsidie. Dat is in
overeenstemming met het
vaste beleid neergelegd in aanwijzing 21 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving dat een zelfstandige algemene maatregel van bestuur
slechts gebruikt kan worden in bijzondere gevallen, bij wijze van tijdelijke
voorziening. Daarom is bepaald dat een zelfstandige maatregel van bestuur als
hier bedoeld vier jaren na haar rblz.|41|
inwerkingtreding vervalt,
tenzij voor het einde van die periode een wetsvoorstel is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld.
De onderhavige bepaling laat
vanzelfsprekend de beperkingen die de Grondwet
aan het gebruik van
de zelfstandige algemene maatregel van bestuur stelt onverlet.
Het voorgaande heeft
uitsluitend betrekking op subsidieregelingen van de rijksoverheid. Op
gemeentelijk en provinciaal niveau zal, indien een wettelijk grondslag is
vereist, steeds een verordening moeten worden tot stand gebracht. Omdat Provincie-
en Gemeentewet
(hetzelfde geldt overigens voor de Wet
op de bedrijfsorganisatie en de Waterschapswet) naast de verordening geen
ander, sneller tot stand te brengen, type zelfstandig algemeen
verbindend voorschrift kennen, heeft het voor de decentrale overheden geen
zin in dit opzicht te differentiëren tussen tijdelijke en structurele
subsidieregelingen.
Derde lid
Indien op een nieuw terrein
de behoefte aan subsidieverlening ontstaat, kan niet altijd de
totstandkoming van een wettelijk voorschrift worden afgewacht. De met het
subsidiebeleid nagestreefde doelen kunnen onverwijld optreden vergen;
men denke aan de subsidiëring van activiteiten gericht op de
bestrijding van de verspreiding van de ziekte AIDS. Ook het tot stand
komen
van een algemene maatregel van bestuur kan dan niet altijd worden
afgewacht.
Derhalve is in het tweede
lid, aanhef en onder a, bepaald dat indien de voorbereiding van een
wettelijk voorschrift ter hand is genomen, met de subsidiëring kan worden
begonnen, ook al heeft deze nog geen grondslag in een wettelijk
voorschrift. Deze mogelijkheid bestaat gedurende ten hoogste één jaar.
Eén jaar
is in het algemeen voldoende om een wettelijk voorschrift tot stand te
brengen, tenzij het een wet in formele zin betreft. Daarom is voor het geval een
wet in formele zin tot stand moet worden gebracht, volstaan met de eis dat binnen
één jaar een wetsvoorstel bij de Staten-Generaal is
ingediend. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de parlementaire behandeling
van een wetsvoorstel overhaast moet plaatsvinden omdat anders
geen subsidies meer verleend kunnen worden.
Op rijksniveau betekent dit
dat er, nadat spoedshalve met de subsidiëring is begonnen,
twee mogelijkheden bestaan: binnen één jaar zal hetzij een wetsvoorstel ingediend, hetzij een zelfstandige algemene
maatregel van bestuur tot
stand moeten zijn gebracht.
Nederlandse bestuursorganen
verstrekken ook subsidies die uiteindelijk ten laste komen van de
begroting van de Europese Gemeenschappen. In een aantal gevallen gebeurt
dat op grond van nationale wettelijke voorschriften, in een enkel
geval rechtstreeks op grond van een verordening van de Raad of de
Commissie van de Europese Gemeenschappen. Ook in het laatste geval is
voldaan aan het vereiste van een grondslag in een wettelijk voorschrift,
nu aan een verordening evenzeer rechtstreeks bindende werking binnen de
nationale rechtsorde toekomt als aan een nationaal wettelijk
voorschrift. Ook wanneer de verstrekking van subsidies op grond van de verordening
aan een Nederlands bestuursorgaan is opgedragen, behoeft dus niet
eerst een nationaal wettelijk voorschrift tot stand gebracht te worden. Voor zover dat zou neerkomen op het omzetten
van bepalingen van een
verordening in bepalingen van nationaal recht, zou zulks zelfs in strijd
met het gemeenschapsrecht komen (aldus de jurisprudentie van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen; men zie o.m. zaak
39/72, Commissie versus Italië, Jur. 1973, blz. 101; zaak 50/76 (Amsterdam Bulb
BV versus Produktschap voor Siergewassen), Jur. 1977, blz. 137; zaak 94/77
(Zerbone),
Jur. 1978, 99.
rblz.|42|
Het komt echter ook voor dat op Europees niveau subsidieprogramma's tot stand
komen waarvan de
uitvoering aan nationale instanties wordt overgelaten, maar die niet
het karakter van een verbindende regeling hebben. Nu in dergelijke
programma's de voorwaarden waaronder de subsidies kunnen worden
verstrekt veelal wel zijn uitgewerkt, zou een nationale wettelijke
regeling daarvan slechts een doublure kunnen zijn. Bovendien zou de
verplichting om in zo'n geval eerst een nationale wettelijke regeling tot
stand te brengen ertoe kunnen leiden dat Nederlandse ingezetenen niet of
slechts met vertraging van de Europese subsidiefaciliteit kunnen profiteren. Daarom is voor deze gevallen een
uitzondering op het vereiste
van een wettelijke grondslag opgenomen.
Het komt voor dat de
ontvanger en het bedrag van een subsidie uitdrukkelijk in de
begroting worden genoemd. Dat gebeurt met name bij subsidies die slechts aan
één of enkele ontvangers worden verstrekt. Men denke bijvoorbeeld aan
subsidies die ministers verstrekken aan bepaalde onderzoeksinstituten op hun
terrein.
Bij een dergelijk gering
aantal ontvangers zou het tot stand brengen van een wettelijk voorschrift
dat als grondslag voor de subsidie kan dienen een relatief zware last voor
de bevoegde wetgever betekenen, terwijl anderzijds de noodzaak
daartoe in mindere mate aanwezig is indien de begroting de ontvanger
vermeldt. De vermelding in de begroting maakt immers publieke controle op
de subsidieverstrekking mogelijk; in de meerderheid van de gevallen
waarin de begroting door een vertegenwoordigend orgaan wordt
vastgesteld, stelt de vermelding in de begroting dat orgaan in
staat zich rechtstreeks uit te spreken over de wenselijkheid en de hoogte
van de subsidie, zodat de democratische controle afdoende is
gewaarborgd. Om deze reden is voor dergelijke gevallen in artikel 5,
eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet financiële verstrekkingen EZ een
uitzondering op het vereiste van een wettelijke grondslag opgenomen. In
afwijking van het voorontwerp stellen wij voor om een vergelijkbare
uitzondering op te nemen in de Algemene wet
bestuursrecht.
Het nadeel dat bij een
slechts op een begrotingsartikel gebaseerde subsidie wettelijke
voorschriften die de verhoudingen tussen subsidieverstrekker en
subsidieontvanger regelen, ontbreken, dient te worden
gecompenseerd doordat ook in
deze gevallen wel de voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing zijn. In een aantal gevallen is de regeling van de
afdelingen 4.2.2 tot en met 4.2.7 daarvoor voldoende. Met name bij grotere
exploitatiesubsidies voor instellingen - en juist daarbij zal zich vaak de
situatie voordoen dat zij in de begroting afzonderlijk worden genoemd -
zijn echter aanvullende voorschriften nodig. Mede daarom is in dit
wetsvoorstel de aan het voorontwerp ontleende regeling aangevuld met een
nieuwe afdeling 4.2.8, die juist op dit type subsidies toegesneden voorschriften bevat. Verwezen zij verder naar de
toelichting op die afdeling.
Bepaald is dat geen
wettelijke grondslag is vereist indien zowel het maximale bedrag als de
ontvanger van de subsidie in de begroting zijn vermeld. Dit behoeft niet
per se in de begroting zelf - dus op rijksniveau in de begrotingswet -
te
gebeuren. De beoogde kenbaarheid en mogelijkheid tot
democratische controle zijn evenzeer verzekerd indien de vermelding in de
toelichting bij de begroting wordt opgenomen, hetgeen praktisch gezien
vaak aantrekkelijker is. Weliswaar kan de toelichting niet door het
vertegenwoordigend orgaan geamendeerd worden, maar dat behoeft in
de praktijk geen probleem te zijn. Indien het vertegenwoordigend orgaan
niet instemt met de verstrekking van de subsidie, kan het dit bij
motie kenbaar maken. Formeel blijft de bevoegdheid tot
subsidiëring dan in stand, maar het is wel een duidelijk signaal aan het bestuur.
Bovendien zal de subsidie in dit geval niet altijd met onmiddellijke ingang
beëindigd kunnen worden. Indien het vertegenwoordigend orgaan het bedrag wil wijzigen
of een ontvanger wil rblz.|43|
toevoegen, kan dat door de
(gewijzigde) grondslag bij amendement alsnog in de begroting zelf
op te nemen.
Het komt, vooral bij de
decentrale overheden, ook voor dat gesubsidieerd wordt op basis van
begrotingsposten die het maximaal voor de subsidiëring van een bepaalde activiteit beschikbare bedrag aangeven, in
combinatie met
subsidieprogramma's die voorzien in toewijzing van concrete bedragen aan met
name genoemde subsidieontvangers. Naar aanleiding van het advies
van de Raad
van State is overwogen of ook voor dit geval een
uitzondering moest worden gemaakt op het vereiste van een wettelijke
grondslag. Daarvan is echter afgezien omdat daardoor, als gevolg van de
onbepaaldheid van het begrip "programma", de grenzen van de de uitzondering van het derde lid, onderdeel
c, te ruim en
te onduidelijk zouden worden.
Wat de decentrale overheden betreft, is het maken van een uitzondering
voor deze gevallen ook niet nodig omdat de totstandkomingsprocedure van
een verordening niet zeer zwaar is.
Dit betekent overigens niet dat niet meer met programma's gewerkt zou kunnen worden. Aan het
vereiste van een wettelijke grondslag kan onder omstandigheden worden
voldaan door bij wettelijke voorschrift te regelen aan welke eisen inhoud en
totstandkoming van een dergelijk programma moet voldoen, alsmede welke rechtsgevolgen daaraan zijn verbonden.
Bij min of meer incidentele
subsidies is het niet altijd reëel een wettelijk voorschrift te eisen, omdat
de met de voorbereiding daarvan gemoeide lasten in die gevallen onevenredig hoog kunnen worden in verhouding tot
de met strikte handhaving
van het vereiste van een wettelijke grondslag gediende belangen. Daarom is
in het derde lid, aanhef en onder d, bepaald dat in incidentele
gevallen zonder grondslag in een wettelijk voorschrift subsidie kan
worden verleend, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt
verstrekt. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat deze uitzondering
slechts van toepassing is indien de voorgenomen subsidie in twee opzichten
van beperkte betekenis is: zowel het aantal ontvangers als het tijdvak
waarvoor de subsidie wordt verstrekt, dienen beperkt te zijn. Een
eenmalige "startsubsidie" voor ten hoogste vier jaar kan derhalve zonder
grondslag in een wettelijk voorschrift worden verstrekt, tenzij zij deel
uitmaakt van een algemener "startersbeleid" gericht op een in algemene
termen omschreven doelgroep. In het laatste geval kan de subsidie immers
niet meer incidenteel genoemd worden.
De termijn van vier jaar is
gekozen in aansluiting op de artikelen 187 Provinciewet
en 184 Gemeentewet, waar voor specifieke uitkeringen met een looptijd van meer dan
vier jaar een bijzondere motivering wordt geëist. Hoewel een
dergelijke termijn altijd tot op zekere hoogte arbitrair is, zal van een subsidie
voor meer dan vier jaren in het algemeen niet gezegd kunnen worden dat zij
een incidenteel karakter heeft.
Vierde lid
Het vierde lid van
artikel
4.2.1.3 [4:23] verplicht bestuursorganen in het openbaar verslag te doen van
de verstrekking van subsidies zonder grondslag in een wettelijk voorschrift. Hiermee wordt een gestructureerde
verantwoordingsplicht in het
leven geroepen met betrekking tot de wijze waarop van de in het derde
lid, onderdeel a en d, vervatte uitzonderingen op de hoofdregel gebruik wordt
gemaakt. Bij subsidies die ten laste van de begroting van de Europese
Gemeenschappen komen, is dat niet nodig, terwijl bij subsidies die
met toepassing van het derde lid, onderdeel c, worden verstrekt de openbaarheid
reeds gewaarborgd is. Daarom geldt de verslagverplichting alleen
voor incidentele subsidies en subsidies die in afwachting van de
totstandkoming van een wettelijk voorschrift worden verstrekt.
De formulering "publiceert ... een verslag
van" beoogt tot uitdrukking te brengen dat niet vereist wordt dat van
elke concrete subsidieverstrekking rblz.|44|
mededeling wordt gedaan. Een
globale omschrijving van de activiteiten waarvoor op grond van het
derde lid subsidies worden verleend, volstaat. De enkele mededeling dat de
uitzonderingsbevoegdheid van het derde lid wordt gebruikt, is echter
niet voldoende; de aard van de buitenwettelijke subsidiestromen moet uit de
mededeling blijken.
Om aan zijn doel te kunnen
beantwoorden, zal het verslag openbaar moeten zijn en regelmatig
gedaan moeten worden. Daarom is bepaald dat jaarlijks een verslag moet worden gepubliceerd. Van nadere
voorschriften over de
vormgeving van het verslag is afgezien. Een voor de hand liggende mogelijkheid
is het verslag op te nemen in de toelichting op de jaarlijkse begroting.
Voor de rijksoverheid zou dit aansluiten bij de recent in het kader van het
geïntegreerd subsidiebeleid gemaakte afspraken inzake een
uitvoeriger informatieverstrekking over de subsidiecomponenten van de
rijksbegroting. Ook een afzonderlijk verslag is echter toegestaan, indien
het
bestuursorgaan daaraan de voorkeur geeft.
De controle op de naleving
van het voorschrift van het vierde lid berust primair bij de
vertegenwoordigende organen en, voor wat de rijksoverheid betreft, bij de
Algemene Rekenkamer.
Artikel 4.2.1.4
[4:24]
De afgelopen jaren is van
verschillende zijden aandacht gevraagd voor het belang van periodieke
evaluatie van beleid en wetgeving, in het bijzonder ook op het terrein van de subsidies. De Algemene Rekenkamer
deed dit zowel in haar
verslag over 1988 (Centraal Thema Subsidies (Kamerstukken II 1988-1989, 21
080, nrs. 1-2)) als in haar verslag over 1990 (Centraal Thema
Beleidsevaluatie (Kamerstukken II 1990-1991, 22 302, nrs. 1-2). Het college sprak
daarbij uit dat periodieke evaluatie een vast onderdeel van ieder
beleidsproces zou moeten zijn, teneinde het inzicht in de uitvoering en de
(neven)effecten van het gevoerde beleid te vergroten. Het kabinet heeft
deze visie
in algemene zin onderschreven (Kamerstukken II 1991-1992, 22 302,
nr. 27). De Bijzondere Commissie Vraagpunten uit de Tweede Kamer
onderstreepte het belang van evaluatie van wetgeving (Kamerstukken II
1990-1991, 21 427, nr. 3, blz. 17), terwijl de eerste ondergetekende zich
in de nota "Zicht op wetgeving" in gelijke zin uitliet (Kamerstukken II
1990-1991, 22 008, nrs. 1-2, blz. 39); daarbij werd een nota Wetsevaluatiebeleid
aangekondigd. Inmiddels is deze nota op 18 juni 1993 voor advies aan de Raad
van State gezonden. Ten slotte pleitte de Algemene Rekenkamer in haar
reactie op het voorontwerp concreet voor het opnemen van een evaluatiebepaling in de subsidietitel van de
Algemene wet bestuursrecht.
Wij menen dat zulks
inderdaad gewenst is. Nog te vaak bestaat te weinig inzicht in de
doeltreffendheid en de effecten van subsidieregelingen in de praktijk,
ook bij de decentrale overheden. Daarom bepaalt het voorgestelde
artikel 4.1.2.4 [lees: 4.2.1.4 [4:24], red.] dat een subsidieregeling periodiek geëvalueerd dient te
worden, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze laatste
clausule maakt het zowel mogelijk om in bijzondere gevallen van het publiceren
van een evaluatieverslag af te zien, bijvoorbeeld omdat de kosten van
evaluatie onevenredig zouden zijn in verhouding tot het
budgettaire belang van de regeling.
De termijn waarbinnen
geëvalueerd moet worden, is niet geregeld. Overwogen is om een algemene
termijn van vier jaar te stellen, maar daarvan is afgezien. De aard van de subsidieregeling of de beoogde
effecten meebrengen dat een
termijn van vier jaar te kort of juist te lang is om verantwoorde conclusies
omtrent die effecten te kunnen trekken.
Omtrent de vorm van het
evaluatieverslag zijn geen voorschriften gesteld. Het kan doelmatig
zijn om een apart verslag te publiceren, maar evenzeer om de rapportage op
te nemen in de toelichting bij de begroting, een meer omvattende
beleidsnota of de toelichting bij een wijziging van de regeling.
rblz.|45|
Evenmin zijn eisen gesteld
aan de inhoud van de evaluatie. Vanzelfsprekend dient een evaluatie
een adequaat inzicht te geven in de doeltreffendheid en de
effecten van de subsidie in de praktijk, maar wat dit in concreto betekent,
hangt zozeer samen met de aard van de subsidie dat daarover geen algemene
voorschriften gesteld kunnen worden. Met nadruk wijzen wij er echter op dat bij evaluatie niet in de eerste plaats gedacht moet worden aan
uitvoerig en kostbaar wetenschappelijk onderzoek. Het is vaak zeer
wel mogelijk, en verdient dan ook de voorkeur, om op basis van periodiek
door uitvoeringsorganen aangeleverde gegevens, jaarverslagen van
inspecties e.d. voldoende zicht te krijgen op de werkelijkheid
achter de wet.
Vanuit de gedachte dat het
belangrijk is periodiek na te gaan of een subsidieregeling nog aan
haar doel beantwoordt, is wel gepleit voor een verplichting om in alle subsidieregelingen een zogenaamde horizonbepaling op te
nemen, dat
wil zeggen een bepaling inhoudende dat de regeling op een bepaald
ogenblik vervalt. Wij menen dat zo'n verplichting geen aanbeveling verdient.
Weliswaar moet ook in onze visie steeds worden overwogen of niet met
een tijdelijke subsidiefaciliteit kan worden volstaan, maar vaststaat
dat zulks in veel gevallen niet mogelijk is. Soms worden door middel van
subsidieregelingen uit maatschappelijk oogpunt essentiële voorzieningen in
stand gehouden waarvan bij voorbaat vaststaat dat zij voor
onbepaalde tijd moeten worden gehandhaafd. Bij bijvoorbeeld de
jeugdhulpverlening is het niet denkbaar, bij het onderwijs bovendien grondwettelijk
onmogelijk, om de subsidiëring als zodanig te beëindigen. In deze
gevallen zou een horizonbepaling in de desbetreffende wetten een veel te
grof middel zijn om periodieke evaluatie af te dwingen. Bovendien zou het
dan noodzakelijk worden veelvuldig verlengingswetten tot stand
te brengen, ook in situaties waarin de noodzaak van voortzetting
van de subsidiëring niet ter discussie staat. Dat zou een bepaald ondoelmatige
inzet van de beperkte wetgevingscapaciteit zijn.
Afdeling
4.2.2. Het subsidieplafond
Bij de uitvoering van
subsidieregelingen doet zich soms het probleem voor dat enerzijds de
begroting waaraan het betrokken bestuursorgaan gebonden is geen ruimte biedt om een subsidie te verstrekken of voort te
zetten, terwijl anderzijds
de wet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur weigering of
intrekking van de subsidie niet zonder meer toelaten. In de praktijk doet dit
probleem zich in twee te onderscheiden vormen voor.
Vooral bij projectsubsidies
kan zich het probleem voordoen dat het aantal aanvragen niet vooraf
bekend is. Bij een onverwacht hoog aantal voor toewijzing vatbare aanvragen kan dan blijken dat het op basis van
ramingen beschikbaar
gestelde bedrag niet toereikend is. Er kan zich dan een spanning voordoen tussen
enerzijds de noodzaak de aanvragers van de subsidie zoveel mogelijk
rechtszekerheid te bieden en anderzijds de evenzeer noodzakelijke
begrotingsdiscipline.
Uit oogpunt van
rechtszekerheid is het aantrekkelijk de voorwaarden waaronder een aanvraag
gehonoreerd kan worden zoveel mogelijk neer te leggen in wettelijke voorschriften of beleidsregels. Zonder nadere
voorziening kunnen aanvragen
die aan de gestelde voorwaarden voldoen dan al gauw niet meer worden
geweigerd, ook al zijn de beschikbare middelen uitgeput. Naar
Nederlands recht ontslaat het enkele ontbreken van een toereikende
begrotingspost de overheid immers nog niet van haar plicht haar financiële
verplichtingen jegens burgers na te komen (vgl. reeds HR
4 november 1849, W. 1058
(De Bourbon/Naundorff)). Er ontstaat dan een zogenaamde "openeinderegeling"
die tot onaanvaardbare overschrijdingen van de begroting kan leiden.
rblz.|46|
In veel bestaande
subsidieregelingen is getracht de vereisten van rechtszekerheid en
begrotingsdiscipline met elkaar te verzoenen door het opnemen van zogenaamde
"uitputtingsclausules". Daarin wordt bepaald dat een subsidie kan worden
geweigerd of de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten
indien de in de begroting voor de subsidie bestemde middelen zijn
uitgeput. Tegen dergelijke clausules bestaat in veel gevallen juridisch geen
bezwaar, terwijl zij als gezegd voor de beheersing van de
overheidsuitgaven vaak noodzakelijk zijn.
Thans komen dergelijke
clausules in vele uiteenlopende vormen voor, terwijl zij anderzijds nog
in veel regelingen ontbreken. Daarmee wordt zowel aan de rechtszekerheid
van de burger als aan de noodzakelijke begrotingsdiscipline onnodig
afbreuk gedaan. Derhalve is het gewenst ter zake een algemene
voorziening te treffen in de Algemene wet
bestuursrecht. Daartoe wordt
in het onderhavige voorstel het begrip "subsidieplafond"
geïntroduceerd.
Uitgangspunt van de
voorgestelde regeling is dat de bevoegdheid om een subsidie wegens het
ontbreken van voldoende gelden te weigeren in de eerste plaats afhankelijk
is van de mate van beleidsvrijheid waarover het bestuursorgaan in het
concrete geval beschikt. Indien het bestuursorgaan over de
beleidsvrijheid beschikt om de subsidie op beleidsmatige gronden te weigeren, zal het
dat ook kunnen doen op de grond dat onvoldoende gelden
beschikbaar zijn. Anders dan het voorontwerp beoogt dit wetsvoorstel dus
niet de gevallen waarin op laatstgenoemde grond geweigerd kan worden
uitputtend te regelen. Beoogd is slechts een facultatieve regeling,
die een instrument - het subsidieplafond - biedt waarmee de uitgaven beheerst
kunnen worden.
Of voor een bepaalde
subsidie een subsidieplafond moet (kunnen) worden vastgesteld, moet
door de bijzondere subsidieregelgever worden beslist.
Naast onzekerheid over de
omvang van het beroep dat op een regeling zal worden gedaan, kan zich
ten aanzien van de beschikbaarheid van gelden nog een tweede probleem voordoen, namelijk dat pas gedurende
het begrotingsjaar komt vast
te staan welk bedrag voor de verstrekking van een subsidie beschikbaar
is. Dit probleem doet zich met name bij de rijksoverheid voor. De
diverse hoofdstukken van de Rijksbegroting worden immers vaak pas in de loop
van het begrotingsjaar vastgesteld. Dat is op zichzelf een ongelukkige
gang van zaken; het zou voor alle betrokkenen verre de voorkeur verdienen
als alle begrotingswetten vóór de aanvang van het begrotingsjaar tot
stand zouden komen.
Vooralsnog dient de wetgever
echter rekening te houden met de mogelijkheid dat een voor
de verstrekking van subsidies bestemde begrotingspost bij
amendement wordt verlaagd of geschrapt, dan wel dat daaraan goedkeuring wordt
onthouden. Voor die gevallen dient een regeling te worden getroffen
die enerzijds de rechtszekerheid van (potentiële) subsidieontvangers in redelijke mate waarborgt, doch anderzijds voorkomt dat de
bevoegdheden van de met vaststelling of goedkeuring van de begroting
belaste organen illusoir worden. Het onderhavige voorstel biedt
daarvoor twee voorzieningen.
In de eerste plaats
codificeert artikel 4.2.3.6 [4:34] de thans reeds bestaande en in de praktijk veelvuldig
gehanteerde bevoegdheid een subsidie te verlenen onder de voorwaarde
dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Verlening
van subsidies ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde
begroting is soms onvermijdelijk. Zo kan een lopende
exploitatiesubsidie voor een instelling niet gedurende de eerste maanden van het jaar
worden stopgezet indien zij niet vóór de aanvang van het jaar is
verleend. Voorts kan het voorkomen dat ingevolge de geldende
beslistermijn op een aanvraag moet worden beslist voordat de begroting is
vastgesteld of goedgekeurd. Het bestuursorgaan rblz.|47|
is dan niet zonder
meer bevoegd de beslissing te verdagen tot het moment waarop de begroting
is vastgesteld of goedgekeurd; in veel gevallen zou dat trouwens
ook beleidsmatig ongewenst zijn. Verlening zonder meer zou echter
betekenen dat het bestuursorgaan verplicht is de subsidie overeenkomstig de
verlening vast te stellen indien de ontvanger zijnerzijds zijn
verplichtingen nakomt (artikel 4.2.5.5 [4:46], eerste lid). Door verlening onder de
voorwaarde dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld, verschaft
het bestuursorgaan zich de bevoegdheid om op de verlening terug te komen,
voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is om een overschrijding van de
begroting te voorkomen of te beperken.
De mogelijkheid een
voorwaarde te stellen, volstaat indien vaststaat dat voor het betreffende
begrotingsjaar geen verdere aanvragen meer kunnen worden ingediend. Indien dat
laatste wel het geval is, zal - tenzij de wetgever bewust een "openeinderegeling" heeft willen creëren - veelal een subsidieplafond zijn
bekendgemaakt. Dat plafond zal echter gerelateerd zijn aan het bedrag
dat aanvankelijk was uitgetrokken. Aangezien in dit geval een nieuwe
aanvraag slechts mag worden geweigerd voor zover door de verstrekking het
plafond zou worden overschreden, dient het bestuursorgaan bevoegd te
zijn bij verlaging of schrapping van een begrotingspost het plafond
aan te passen aan de nieuwe situatie.
Het is in deze gevallen
echter niet altijd redelijk de nadelige gevolgen van de uitoefening van het
budgetrecht uitsluitend ten laste te brengen van degenen die, vaak als
gevolg van min of meer toevallige omstandigheden, hun aanvraag pas na
de bekendmaking van het nieuwe, verlaagde plafond hebben ingediend.
Daarom is in artikel 4.2.2.5 [4:28] de mogelijkheid
opengehouden dat in deze
gevallen de verlaging ook gevolgen heeft voor eerder ingediende aanvragen.
Artikel 4.2.2.1
[4:25]
Eerste lid
De beweegredenen voor de
introductie van de figuur van het subsidieplafond zijn hiervoor reeds
uiteengezet. Uit het eerste lid van artikel 4.2.2.1 [4:25]
volgt allereerst dat slechts voor subsidies die op een wettelijk voorschrift berusten een
subsidieplafond in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht kan worden
vastgesteld. Bij niet-wettelijke subsidies bestaat daaraan geen behoefte, omdat
daarbij doorgaans voldoende beleidsvrijheid bestaat om de
subsidie te weigeren indien onvoldoende geld beschikbaar is. Mocht bij
een niet-wettelijke subsidie de beleidsvrijheid toch in vérgaande mate
beperkt zijn door een beleidregel - dat zou zich tijdelijk kunnen voordoen in
het geval, bedoeld in artikel 4.2.1.3 [4:23], derde lid, onderdeel
a -, dan verzet artikel
4.2.2.1 [4:25] zich er niet tegen dat in de beleidsregel een subsidieplafond wordt
opgenomen. Gewezen zij ook op de overgangsrechtelijke
voorziening van artikel III, derde lid, van
dit wetsvoorstel.
Het subsidieplafond moet
hetzij in een wettelijk voorschrift zelf zijn opgenomen, hetzij zijn
vastgesteld door een bestuursorgaan dat de bevoegdheid daartoe aan een wettelijk voorschrift ontleent. Het eerste zal
overigens slechts bij
uitzondering kunnen geschieden, omdat het beschikbare bedrag veelal
van jaar tot jaar zal variëren. Doorgaans zal in de regeling een
bestuursorgaan worden aangewezen dat het subsidieplafond kan of moet
vaststellen. Vaak zal dat het bestuursorgaan zijn dat de subsidies verstrekt, maar
denkbaar is ook dat bijvoorbeeld de gemeenteraad het plafond
vaststelt voor door burgemeester en wethouders te verstrekken
subsidies.
De bijzondere wetgever zal
dus per subsidie moeten afwegen of een subsidieplafond wenselijk
is. Het kan zijn dat daaraan geen behoefte bestaat omdat de regeling voldoende beleidsvrijheid biedt om de
uitgaven ook zonder plafond te kunnen
beheersen. Daarnaast moet de rblz.|48|
mogelijkheid blijven bestaan
dat de wetgever bewust een "openeinderegeling" in het leven
roept en daarmee de mogelijkheid van overschrijding van de
begroting bewust accepteert. Dit zal zich slechts voordoen indien de wetgever
het uit oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid ongewenst
acht dat uitputting van de beschikbare middelen rechtstreeks
gevolgen heeft voor (potentiële) subsidieontvangers. In dat geval zal
om herhaling van overschrijdingen te voorkomen hetzij de
regeling, hetzij het budget moeten worden aangepast. Deze situatie
doet zich overigens ook thans voor in gevallen waarin de aanspraak op
subsidiegelden rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift dat
niet in een uitputtingsclausule voorziet.
Het eerste lid geeft
vervolgens de hoofdregel van het gekozen stelsel: indien bij of krachtens
wettelijk voorschrift een subsidieplafond is vastgesteld (hetgeen impliceert dat het subsidieplafond ook is bekendgemaakt), moet de subsidie bij
overschrijding van dat plafond worden geweigerd. Gekozen is voor
een verplichting tot weigering, omdat dit beter dan een enkele
bevoegdheid daartoe aansluit bij de comptabele voorschriften, volgens welke
uitgaven die boven de begroting uitgaan immers in beginsel niet zijn
toegestaan. Voorts ontslaat een wettelijke verplichting tot weigering
bestuursorganen van de verplichting telkens in concreto te motiveren waarom
het belang van begrotingsdiscipline zwaarder moet wegen dan de
belangen van de aanvrager.
Tweede lid
Het bedrag dat voor de
verstrekking van een bepaalde subsidie beschikbaar is, is
beschikbaar voor een bepaald tijdvak. Wanneer het bestuursorgaan niet
tijdig op
de aanvraag beslist, of het aanvankelijke besluit in bezwaar of beroep
gecorrigeerd wordt, kan het voorkomen dat het definitieve besluit pas
in een later tijdvak wordt genomen. Het tweede lid stelt buiten twijfel dat de aanvrager dan niet de dupe kan worden van het
feit dat de definitieve
beslissing door toedoen van het bestuur verschoven is naar een later
tijdvak, waarin wellicht minder geld beschikbaar is.
Artikel 4.2.2.2
[4:26]
Indien de omvang van het
voor verstrekking van subsidies beschikbare bedrag wordt beperkt, zal
geregeld moeten worden hoe de beschikbare gelden over de in beginsel
voor honorering in aanmerking komende aanvragen worden verdeeld.
Daarvoor zijn verschillende systemen denkbaar. Het meest
eenvoudig is "wie het eerst komt, het eerst maalt". Nu het tijdstip van
indiening van de aanvraag vaak min of meer toevallig is, is dat niet het meest
aantrekkelijke systeem. In sommige gevallen zal het echter, gelet op het
grote aantal aanvragen en de noodzakelijkerwijs in de tijd gespreide indiening
daarvan, het enige praktisch hanteerbare systeem zijn.
Vaak ligt het meer voor de
hand te bepalen dat de aanvragen voor een bepaald tijdvak vóór een
bepaalde datum moeten worden ingediend, zodat vervolgens op grond van kwalitatieve criteria een selectie kan
worden gemaakt. De criteria
voor die selectie kunnen in worden neergelegd in het wettelijk
voorschrift zelf, maar ook in een op grond daarvan vastgesteld plan dat
de beleidsprioriteiten aangeeft (wel te onderscheiden van een soms
ook als plan of programma aangeduid besluit waarin de na toetsing aan de criteria genomen beslissingen op de
aanvragen zijn neergelegd;
zo'n besluit is in wezen een bundel beschikkingen).
rblz.|49|
Tweede lid
Potentiële
subsidieaanvragers zullen bij de inrichting van hun aanvraag rekening moeten kunnen
houden met de ingevolge het eerste lid vastgestelde verdelingsmaatstaven. Daarom is
bepaald dat bij de
bekendmaking van het
subsidieplafond moet worden vermeld waar die maatstaven zijn neergelegd.
Indien de verdelingsregels in het wettelijk voorschrift zelf zijn
neergelegd, kan met een verwijzing naar dat voorschrift worden volstaan.
In andere gevallen zal (tevens) moeten worden verwezen naar een
plan of ander besluit van het bestuursorgaan. Dit impliceert dat een
dergelijk plan of ander besluit uiterlijk gelijk met het subsidieplafond
moet worden
bekendgemaakt.
Artikel 4.2.2.4
[4:27]
De rechtszekerheid
eist dat
het subsidieplafond wordt bekendgemaakt vóór de aanvang van het
tijdvak waarop het betrekking heeft. De aanvrager behoort te kunnen
weten dat zijn aanvraag wegens het
ontbreken van gelden kan
worden afgewezen, ook al voldoet zij aan alle bij wettelijk voorschrift of
bij beleidsregel gestelde eisen.
In het tweede lid is aangegeven wat de gevolgen zijn indien het plafond niet tijdig is
bekendgemaakt of na de aanvang van het begrotingsjaar of het tijdvak waarop het
betrekking heeft, wordt verlaagd. Het zou te ver gaan als na de aanvang van
het tijdvak in het geheel geen plafond meer zou kunnen worden
bekendgemaakt. In plaats daarvan is bepaald dat een latere bekendmaking geen
gevolgen heeft voor voordien ingediende aanvragen. Voor deze
aanvragen geldt dan niet meer de plicht tot weigering van artikel
4.2.2.1 [4:25], eerste lid. Zij kunnen dan nog slechts wegens het ontbreken van
gelden worden afgewezen, voor zover het wettelijk voorschrift waarop
de subsidie berust daartoe voldoende beleidsvrijheid biedt. Dit
laat een eventuele bevoegdheid tot afwijzing op andere gronden uiteraard
geheel onverlet.
De regel van het tweede lid
geldt uitsluitend indien het plafond na de aanvang van het relevante
tijdvak is bekendgemaakt. Indien het plafond tijdig is bekendgemaakt, kan
het wel gevolgen hebben voor nog eerder ingediende aanvragen met
betrekking tot het relevante tijdvak; de aanvrager kan niet aan de
werking van het plafond ontkomen door de aanvraag ver van te voren in
te dienen.
Artikel 4.2.2.5
[4:28]
Hierboven is reeds ingegaan
op de problematiek van niet tijdig vastgestelde of goedgekeurde
begrotingen. Indien een begroting niet tijdig is vastgesteld of goedgekeurd, dient het subsidieplafond - dat dan
immers is gebaseerd op de ontwerpbegroting - verlaagd te kunnen worden om recht te doen aan
het budgetrecht van het orgaan dat de begroting vaststelt. Na de
verlaging ingediende aanvragen kunnen - en moeten - dan worden
afgewezen bij overschrijding van het verlaagde plafond. Indien de
begrotingspost op het tijdstip van goedkeuring of vaststelling reeds is
overschreden, kan het (nieuwe) bedrag op nul worden gesteld
Deze mogelijkheid biedt
echter geen soelaas als - zoals bijvoorbeeld bij zogenaamde "tenderregelingen"
- op het tijdstip van vaststelling van de begroting ingevolge wettelijk voorschrift alle aanvragen reeds moeten zijn
ingediend. In die gevallen
dient, in afwijking van de hoofdregel van artikel 4.2.2.4 [4:27], tweede lid, een
verlaging van het beschikbare bedrag na de aanvang van het
begrotingsjaar of het tijdvak waarvoor het beschikbaar is ook gevolgen te kunnen
hebben voor reeds ingediende aanvragen, omdat anders het budgetrecht
van het orgaan dat de begroting vaststelt in deze gevallen illusoir zou worden. Om
dat te voorkomen, dient een rblz.|50|
zekere inbreuk op de bij de
aanvragers door de bekendmaking van het oorspronkelijke bedrag
gewekte verwachtingen te worden aanvaard.
Deze inbreuk dient echter
niet verder te gaan dan noodzakelijk. Daarom geldt deze uitzondering op
de hoofdregel alleen indien het tijdstip waarop de begroting wordt vastgesteld of goedgekeurd, ligt na het tijdstip waarop
ingevolge wettelijk
voorschrift alle aanvragen moeten zijn ingediend. Voorts geldt de uitzondering
alleen indien de verlaging uit de vaststelling of goedkeuring van de
begroting voortvloeit. De verlaging kan bovendien niet verder gaan dan uit de
begroting voortvloeit. Ten slotte dient bij de bekendmaking van het
subsidieplafond op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan te
worden gewezen.
Welke gevolgen de verlaging
heeft voor reeds ingediende aanvragen moet aan de hand van de in
artikel 4.2.2.2 [4:26] bedoelde "verdelingsregels" worden bepaald. Voor reeds
verleende subsidies heeft de verlaging slechts gevolgen voor zover
deze zijn verleend onder het voorbehoud dat voldoende gelden beschikbaar
worden gesteld. Dit voorbehoud kan dan immers blijken niet vervuld
te zijn.
De onderhavige bepaling
verplicht niet tot verlaging van het bedrag in geval van een verlaging of
schrapping van de begrotingspost. Het is immers denkbaar dat meer subsidieregelingen op één
begrotingspost zijn samengebracht en de
begroting nog de ruimte biedt om te volstaan met verlaging van het bedrag dat
voor één van die regelingen beschikbaar is. Het is wel gewenst dat
belanghebbenden spoedig zekerheid krijgen over de vraag of het beschikbare
bedrag verlaagd zal worden. Met de verlaging behoeft ook niet per se te
worden gewacht tot de begroting definitief is vastgesteld of goedgekeurd.
Voldoende is dat vaststaat dat de verlaging noodzakelijk is. Dit
betekent dat op rijksniveau de verlaging in voorkomende gevallen reeds na de
behandeling van de begroting in de Tweede Kamer zal kunnen
plaatsvinden.
Afdeling
4.2.3. De subsidieverlening
Artikel 4.2.3.1 [4:29]
In dit artikel is
aangegeven dat aan de subsidievaststelling een subsidieverlening vooraf kan
gaan, maar dat ook voor het systeem kan worden gekozen waarin met alleen een subsidievaststelling wordt
volstaan. Zoals in het
algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting is uiteengezet,
zal het soms doelmatiger zijn uitsluitend met een subsidievaststelling te
werken, terwijl het in andere gevallen gewenst is met een voorafgaande
subsidieverlening te werken. Het verdient de voorkeur dat de keuze voor
één van beide stelsels op het niveau van de bijzondere subsidieregeling
wordt gemaakt. Dan is zowel voor het bestuursorgaan als voor belanghebbenden duidelijk hoe het proces van
subsidiëring zal verlopen.
De clausule "tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald" geeft
aan dat de bijzondere subsidieregeling een voorafgaande
subsidieverlening kan uitsluiten, dan wel daar juist toe kan verplichten.
Indien de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift berust, zal in het concrete geval moeten worden
beslist of al dan niet met een subsidievaststelling kan worden volstaan.
Artikel 4.2.3.1
[4:29] laat daartoe de ruimte. De
enige beperking is dat in
dat geval na afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor subsidie
wordt gevraagd geen beschikking omtrent subsidieverlening meer kan
worden gegeven. Deze beperking spreekt voor zich. Na afloop van de
activiteit of het tijdvak zijn in beginsel de gegevens beschikbaar aan de
hand waarvan de subsidie kan worden vastgesteld.
rblz.|51|
Artikel 4.2.3.2
[4:30]
Eerste lid
Het is gewenst dat reeds bij
de subsidieverlening zoveel mogelijk duidelijkheid wordt geboden
over de wederzijdse rechten en plichten van subsidieverlener en
subsidieontvanger. Daartoe moet de beschikking tot subsidieverlening aan een
aantal eisen voldoen. In ieder geval dient zij een omschrijving te bevatten
van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.
Het begrip "activiteiten"
dient ruim te worden opgevat: het omvat in beginsel iedere vorm van
menselijk handelen, voor zover de overheid die wil stimuleren. Onder omstandigheden kan ook een nalaten een activiteit
in de zin van dit artikel
zijn (bijvoorbeeld het braak laten liggen van landbouwgrond).
De omschrijving van de
activiteiten kan worden opgevat als een concretisering van het met
de subsidieverlening beoogde doel. Er is van afgezien voor te schrijven
dat ook het doel van de subsidie zelf in de beschikking moet worden
vermeld. In veel gevallen zou dat immers slechts in algemene termen
kunnen geschieden en daardoor onvoldoende duidelijkheid
verschaffen. Het is dan beter zo concreet mogelijk aan te geven welke
activiteiten de overheid wil ondersteunen.
Dit is niet alleen voor de
rechtszekerheid van de subsidieontvanger van belang. Ook voor het
subsidieverlenend orgaan is de noodzaak om de gesubsidieerde activiteiten
duidelijk te omschrijven een nuttig hulpmiddel bij het voeren van een zo
gericht en daarmee zo doelmatig mogelijk subsidiebeleid.
Uiteraard hoeft de
omschrijving niet alle onderdelen van de gesubsidieerde activiteiten en
détail op te sommen. Het gaat erom dat duidelijk is voor welke activiteiten
de
subsidiegelden bedoeld zijn en dus mogen worden aangewend. Soms zal
dat op eenvoudige wijze kunnen door in de beschikking te verwijzen
naar de omschrijving van de activiteiten in de aanvraag.
Voor het overige zijn aard
en omvang van de omschrijving sterk afhankelijk van de aard van
de subsidie. Bij een eenmalige subsidie voor bijvoorbeeld een energiebesparend toestel zal kunnen worden volstaan
met een aanduiding van het
soort toestel dat met behulp van de subsidie kan worden aangeschaft, of,
indien de subsidie achteraf wordt verleend, met een korte aanduiding van
het reeds aangeschafte toestel.
Bij een exploitatiesubsidie
voor een instelling zal de omschrijving over het algemeen gecompliceerder
zijn, met name indien de instelling ook niet-gesubsidieerde activiteiten ontplooit.
Eén en ander is overigens
ook afhankelijk van de vraag welke mate van vrijheid de overheid de
gesubsidieerde instelling bij de invulling van haar activiteiten wil laten.
Dat
is een keuze die primair bij het tot stand brengen van de subsidieregeling zal
moeten worden gemaakt. Het is denkbaar dat de overheid er bewust voor
kiest bepaalde activiteiten slechts globaal te sturen of te stimuleren en
daarom de subsidieontvanger bewust veel ruimte geeft bij het nader
concretiseren van die activiteiten. Zo zou een gemeentelijke overheid er
bijvoorbeeld op het gebied van de beeldende kunst voor kunnen kiezen
geen concrete projecten of tentoonstellingen te subsidiëren, maar slechts
middelen ter beschikking te stellen aan een stichting die in algemene
zin is belast met de stimulering van de beeldende kunst.
Een meer globale
omschrijving heeft echter wel de consequentie dat het bestuursorgaan ook
minder snel achteraf zal kunnen oordelen dat de gesubsidieerde activiteiten
niet of niet op de juiste wijze zijn verricht. Dat oordeel is slechts mogelijk als de
activiteit zoals zij in de beschikking tot rblz.|52|
subsidieverlening is
omschreven niet is verricht. Concreet betekent dat dat intrekking wegens het
niet verrichten van de activiteiten niet mogelijk is als de door de
subsidieontvanger aan die activiteiten gegeven invulling redelijkerwijs
binnen de bij de subsidieverlening gegeven omschrijving past.
Tweede lid
In een beperkt aantal
gevallen zal het op het moment van de subsidieverlening nog niet mogelijk
zijn de activiteiten voldoende concreet te omschrijven. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij projecten - of die nu
op het terrein van de
kunsten of van de technologie liggen - die een sterk experimenteel karakter
hebben of zich in een vroeg stadium van ontwikkeling bevinden.
Indien de overheid, juist om
verdere ontwikkeling mogelijk te maken, al in dat stadium subsidie
verleent, kan het wenselijk zijn in dat stadium te volstaan met een globale
omschrijving, die later wordt uitgewerkt. Het tweede lid biedt daartoe de
mogelijkheid, mits de mogelijkheid van nadere uitwerking
uitdrukkelijk in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld. Aldus wordt
bereikt dat ook bij de subsidieontvanger geen misverstand kan bestaan over
het karakter van de eerste, globale omschrijving.
Het woord "uitwerken" is
gekozen om aan te geven dat het tweede lid slechts een nadere
concretisering van de in de subsidieverlening gegeven omschrijving mogelijk wil
maken, en niet een wijziging van die omschrijving. Het tweede lid
geeft niet de bevoegdheid geheel nieuwe activiteiten aan de
omschrijving toe te voegen, dan wel essentiële onderdelen van de
oorspronkelijke omschrijving te schrappen. Indien daaraan behoefte mocht
bestaan, is een wijziging van de beschikking tot subsidieverlening zelf
nodig.
De bepaling geeft niet
aan
welk orgaan met de uitwerking is belast. Doorgaans zal dat het
bestuursorgaan zijn dat de subsidie heeft verleend. Denkbaar is echter
ook dat
bijvoorbeeld de gemeenteraad een subsidie verleent en daarbij
uitwerking van de omschrijving aan burgemeester en wethouders opdraagt.
Artikel 4.2.3.3
[4:31]
Eerste lid
Om betrokkenen duidelijkheid
te verschaffen over de inhoud van de rechtsbetrekking dient de
beschikking tot subsidieverlening de hoogte van de subsidie aan te geven.
Dit kan op twee manieren: door in de beschikking een bedrag in
guldens (in een enkel geval in ECU's of een andere valuta) te noemen,
dan wel door aan te geven hoe dit bedrag bij de subsidievaststelling zal
worden berekend.
Bij de subsidievaststelling
moet - gezien het karakter van deze beschikking - steeds een
nominaal bedrag worden genoemd. Deze methode kan ook bij een subsidieverlening worden gehanteerd, bijvoorbeeld indien uit de
subsidieregeling voortvloeit dat het bedrag niet afhankelijk is van de kosten
van de gesubsidieerde activiteiten of van de door de subsidieontvanger
geleverde prestaties. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de subsidie
niet de strekking heeft kostendekkend te zijn, maar het karakter heeft van
een - forfaitaire - aanmoedigingspremie.
Indien uit de systematiek
van de subsidieregeling volgt dat de subsidie op een bedrag per tijdvak
wordt bepaald, kan worden volstaan met het noemen van dat bedrag in
plaats van het totaalbedrag van de subsidie. Ook dan weet de ontvanger
immers voldoende waar hij aan toe is, mits ook duidelijk is voor welke periode de
subsidie wordt verleend.
rblz.|53|
In veel gevallen zal het
subsidiebedrag wel afhankelijk zijn van de kosten van de activiteiten
of van de geleverde prestaties en daarom bij de subsidieverlening nog niet
genoemd kunnen worden. Het bedrag in guldens van de subsidie zal
dan pas bij de subsidievaststelling kunnen worden bepaald.
Ook in dit geval moet de
beschikking tot subsidieverlening de ontvanger duidelijkheid verschaffen
over de subsidie die hij mag verwachten. Daartoe moet worden aangegeven welke factoren de hoogte van de
subsidie bepalen en op
welke wijze.
De in de praktijk
belangrijkste twee factoren die een rol spelen bij de bepaling van de hoogte van
de subsidie zijn de kosten van de gesubsidieerde activiteiten en de prestaties van de ontvanger. Indien de kosten
bepalend zijn, dient bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening te worden aangegeven of de
werkelijke kosten bepalend zijn dan wel een systeem van genormeerde
kosten wordt gehanteerd welke kostensoorten subsidiabel zijn en welk
percentage van de kosten wordt vergoed.
Indien de prestaties van de
ontvanger bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, moet bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden aangegeven welke
de
bepalende prestaties zijn (bijvoorbeeld het aantal verzorgde cursussen).
Daarnaast moet een bedrag per eenheid "produkt" worden genoemd.
Veelal zal het ook noodzakelijk zijn aan te geven hoe de prestaties
zullen worden gemeten (bijvoorbeeld door peildata vast te leggen),
tenzij daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan.
Zowel bij kosten- als bij
prestatiesubsidies geldt voorts dat indien de uit de gesubsidieerde
activiteiten voortvloeiende inkomsten van invloed zijn op het subsidiebedrag,
bij de subsidieverlening moet worden aangegeven dat en op welke
wijze dit het geval is.
Over al deze aspecten dient
bij de subsidieverlening duidelijkheid te bestaan. Dat kan door één en
ander in de beschikking uiteen te zetten, maar het verdient de voorkeur deze aspecten waar mogelijk te regelen in
het wettelijk voorschrift
waarop de subsidie berust; in de beschikking tot subsidieverlening kan dan
worden volstaan met een korte aanduiding en een verwijzing naar die
voorschriften. Zo wordt voorkomen dat in iedere beschikking de gehele
systematiek van de regeling uiteengezet moet worden. Voor zover de
regeling het bestuursorgaan echter keuzevrijheid laat ten aanzien van - een
onderdeel van - de te hanteren systematiek, dient de gemaakte keuze uit
de beschikking tot subsidieverlening te blijken.
Tweede lid
Hoewel
artikel 4.2.3.3
[4:31] niet
een bepaalde manier van subsidiëren voorschrijft, is het, mede
uit een oogpunt van beheersing van overheidsuitgaven, van groot belang
dat zorgvuldig wordt nagegaan welke systematiek het meest
geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken. Een belangrijke overweging
daarbij is in hoeverre van de gekozen systematiek voor de
ontvanger een prikkel uitgaat om zijn activiteiten zo doelmatig mogelijk te
verrichten.
Vanuit deze invalshoek zal
in veel gevallen subsidiëring op basis van geleverde prestaties
aantrekkelijker zijn dan subsidiëring op basis van kosten. Het is echter niet
steeds mogelijk om voldoende objectieve prestatie-indicatoren te
formuleren. Ook de aard van de subsidie - men denke wederom aan de
subsidie voor de energiezuinige verwarmingsketel - kan meebrengen dat
subsidie op basis van kosten het meest aangewezen is. Een subsidie op
basis van feitelijk bereikte energiebesparingen zou vermoedelijk nogal
fraudegevoelig zijn en onevenredig hoge handhavingskosten
meebrengen.
Het is derhalve niet mogelijk en niet
gewenst een bepaalde vorm van rblz.|54|
subsidiëring voor te
schrijven of uit te sluiten. Daarop bestaat echter één uitzondering. Een
systeem
waarbij ongelimiteerd feitelijke kosten kunnen worden gedeclareerd, is
ongewenst, omdat daarvan geen enkele prikkel tot doelmatigheid uitgaat.
Mede daarom is in het tweede lid bepaald dat in de beschikking tot
subsidieverlening de subsidie steeds aan een maximum moet worden
gebonden.
Het opnemen van een maximum
is ook bij prestatiesubsidies gewenst. Een prestatiesubsidie
prikkelt de ontvanger tot het produceren van zoveel mogelijk eenheden subsidiabel
"produkt". Zonder maximum zou slechts de vraag naar dat produkt
een grens stellen aan de omvang van de te subsidiëren activiteiten.
Soms doet zich echter het verschijnsel voor dat het aanbod medebepalend is
voor de vraag. Bij bepaalde vormen van hulpverlening bijvoorbeeld
kan het voorkomen dat een uitbreiding van het aanbod niet leidt tot
verzadiging van de "markt", maar slechts tot het eerder aanmerken van
problemen als problemen waar professionele hulpverlening aan te pas
moet komen. De overheid moet dan een grens stellen aan het niveau
waarop zij een dergelijke voorziening wil subsidiëren. Dat kan door de
subsidie aan een maximum te binden.
In een beperkt aantal
gevallen is het niet mogelijk of niet zinvol individuele subsidies aan
een maximum te binden. Dit kan zich voordoen indien bepaalde activiteiten
zozeer onder het door de overheid gewenste niveau liggen dat de
overheid er bewust voor kiest die activiteiten in beginsel onbeperkt te
stimuleren. Voor die gevallen is de mogelijkheid geboden om bij wettelijk
voorschrift te bepalen dat van het stellen van een maximum kan worden
afgezien.
Artikel 4.2.3.4
[4:32]
Dit artikel heeft betrekking
op subsidies waarbij niet een eenmalig bedrag wordt toegekend, maar
een bedrag per maand of per jaar dat de ontvanger aan bepaalde voorwaarden voldoet. Dergelijke voortdurende
subsidies worden doorgaans
verleend voor voortdurende of periodieke activiteiten. Deze
activiteiten kunnen van onbepaalde duur zijn: men denke aan het exploiteren
van een instelling. Ook in dat geval is het echter ongewenst dat de subsidie
voor onbepaalde tijd verleend wordt. De ervaring heeft geleerd dat
eenmaal bestaande situaties te gemakkelijk automatisch worden
voortgezet. Uit een oogpunt van een doelmatige besteding van overheidsgelden is het daarom
gewenst dat bij iedere
subsidie periodiek wordt
onderzocht of zij kan en moet worden voortgezet.
Indien het bestuursorgaan
een zekere beleidsvrijheid heeft bij het al of niet verlenen van de
subsidie, zal dit periodiek onderzoek mede betrekking hebben op nut en noodzaak
van de subsidie. Wanneer een wettelijke regeling de ontvanger een
recht op subsidiëring geeft zolang aan bepaalde voorwaarden wordt
voldaan, zal het periodieke onderzoek daarentegen uitsluitend
betrekking kunnen hebben op de vraag of deze voorwaarden nog steeds
vervuld zijn. Dat laat overigens de wenselijkheid om ook in deze gevallen de
subsidieregeling zelf periodiek te evalueren onverlet; verwezen zij naar
de toelichting op artikel 4.2.1.4 [4:24].
Teneinde bestuursorganen tot
een periodiek onderzoek van de wenselijkheid van
voortzetting van een subsidie te stimuleren, is in artikel 4.2.3.4 [4:32]
bepaald dat de hier
bedoelde subsidies slechts voor bepaalde tijd mogen worden verleend.
Erkend zij dat aldus niet gegarandeerd wordt dat de subsidie na afloop
van het tijdvak waarvoor zij is verleend ook werkelijk integraal wordt
heroverwogen, doch verwacht mag worden dat van de noodzaak periodiek
opnieuw te beslissen in ieder geval een stimulans in die richting uitgaat.
rblz.|55|
Opgemerkt zij dat ingevolge artikel 4.2.6.4
[4:51]
de subsidie na afloop van de periode waarvoor zij is
verleend niet zonder meer kan worden beëindigd. Verwezen zij
naar de toelichting op dat artikel
[4:51].
Er is van afgezien in de Algemene
wet bestuursrecht een grens te stellen aan de duur van het
tijdvak waarvoor een subsidie in de vorm van periodieke bijdragen kan worden verleend. Meer in het bijzonder is niet
beoogd de verlening van een
subsidie voor meer jaren uit te sluiten. In de praktijk blijkt in een
aantal gevallen behoefte te bestaan aan de mogelijkheid van meerjarige
subsidies, teneinde de ontvanger een grotere mate van rechtszekerheid te
bieden. Dat kan bijvoorbeeld gewenst zijn wanneer de subsidie wordt
verleend voor een meerjarig project waarvoor de ontvanger ook uit eigen
middelen investeringen moet doen.
Artikel 4.2.3.5
[4:33]
Ingevolge artikel 38, eerste
lid, van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek kan een rechtshandeling
onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht, tenzij uit de wet of de aard van de rechtshandeling
anders voortvloeit. De
schakelbepaling van artikel 59 van Boek
3 BW brengt mee dat artikel 38
van Boek
3 BW in beginsel van overeenkomstige toepassing is op de
subsidieverlening. Voor wat betreft de tijdsbepaling (waarbij de werking
van de rechtshandeling afhankelijk wordt gesteld van een zekere
gebeurtenis in de toekomst) levert dit geen bijzondere problemen op. Het
wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust of de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur kunnen zich er onder omstandigheden tegen
verzetten dat een subsidie onder tijdsbepaling wordt verleend, maar
er is geen aanleiding om subsidieverlening onder tijdsbepaling in
algemene zin te beperken of uit te sluiten.
Wel is het gewenst
subsidieverlening onder een voorwaarde (waarbij de verlening afhankelijk wordt
gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis; vgl. artikel 21 Boek
6 BW) in zoverre te
beperken dat de
verlening, behoudens
uitzonderingen, niet afhankelijk mag worden gesteld van een gebeurtenis
die bestaat in een handeling van het bestuursorgaan of de
subsidieontvanger. De onderhavige bepaling voorziet daarin.
Aan de mogelijkheid tot
subsidieverlening onder voorwaarde bestaat behoefte omdat de aanvrager
van een subsidie in bepaalde gevallen te lang in onzekerheid zou verkeren indien de subsidieverlener met het
verlenen van subsidie zou
moeten wachten tot de betreffende voorwaarden zijn vervuld. Zo
is denkbaar dat subsidie wordt verleend voor een internationaal
sportevenement, onder de voorwaarde dat dat evenement daadwerkelijk aan
Nederland wordt toegewezen. Juist om die toewijzing te kunnen
krijgen, zal de organisator soms moeten kunnen aantonen dat hij in geval
van toewijzing subsidie zal krijgen.
De voorwaarde mag de
subsidie echter niet afhankelijk maken van de subsidieverlener of de
subsidieontvanger. Zou de subsidie afhankelijk zijn van een nadere handeling
(bijvoorbeeld een nader besluit) van de subsidieverlener, dan zou de
beschikking tot subsidieverlening niet de gewenste zekerheid
verschaffen. Indien de subsidiegever nog niet weet of hij de subsidie wil
verlenen, bijvoorbeeld omdat hij overweegt het beleid te wijzigen, dan dient hij
de besluitvorming daaromtrent af te wachten. Indien de geldende
beslistermijn dat niet toelaat, kan eventueel voor een korte overbruggingsperiode
subsidie worden verleend.
Een voorwaarde betreffende
een handeling van de subsidieontvanger is niet toelaatbaar omdat het
gedrag van de ontvanger kan worden beïnvloed door het aan de subsidie verbinden van verplichtingen. De
rechtsgevolgen van het niet
naleven daarvan zijn afzonderlijk geregeld. Het bestuursorgaan behoort
niet door het opnemen van een voorwaarde te kunnen bereiken hetgeen
langs de weg van de verplichtingen niet kan worden bereikt. Men bedenke dat bepaalde
verplichtingen niet zijn rblz.|56|
toegestaan of de
rechtsgevolgen bij niet-naleving kunnen verschillen van die van het opnemen van een
voorwaarde. Dit bezwaar geldt niet indien het gaat om een handeling
van de ontvanger en een derde gezamenlijk, bijvoorbeeld een
overeenkomst omtrent de organisatie van een sportevenement. Het woord "uitsluitend" geeft aan dat een dergelijke voorwaarde wel toelaatbaar kan zijn.
Op het uitgangspunt dat de
voorwaarde niet mag bestaan in een handeling van de subsidieontvanger dienen een tweetal uitzonderingen te worden aanvaard. In de
eerste plaats kan het nodig zijn van de ontvanger te verlangen dat
hij aantoont dat een voorwaarde die niet bestaat in een handeling van
de ontvanger zelf, is vervuld. Zo kan bij een subsidie voor een project
dat mede door derden wordt gefinancierd de voorwaarde worden gesteld
dat die financiering ook daadwerkelijk rondkomt. Het is dan doelmatig
dit te formuleren als de voorwaarde dat de ontvanger de nodige
bewijsstukken overlegt.
In de tweede plaats komt het
voor dat ter uitvoering van de subsidiebeschikking een overeenkomst
moet worden gesloten tussen de subsidiegever en de ontvanger. Verwezen zij naar de
toelichting op artikel
4.2.3.8 [4:36].
Voorwaarden dienen expliciet
in de beschikking tot subsidieverlening te worden opgenomen (Vz. Afd.
rechtspraak 30 januari 1986, tB/S 1986, 20), omdat zij anders niet tegen de
ontvanger kunnen worden ingeroepen. Dat is een vanzelfsprekende eis van
rechtszekerheid.
Artikel 4.2.3.6
[4:34]
In de
toelichting op afdeling 4.2.2 is reeds ingegaan op het belang van de voorwaarde dat de
begroting wordt vastgesteld of goedgekeurd. Zonder deze voorwaarde kan het ontbreken van gelden niet worden
tegengeworpen aan degene aan
wie reeds een subsidie is verleend. Het praktisch belang van deze
voorwaarde rechtvaardigt een afzonderlijke regeling, naast de algemene
mogelijkheid van een voorwaarde die in artikel 4.2.3.5 [4:33]
is
neergelegd.
Opgemerkt zij dat artikel
4.2.3.6 [4:34] ervan uitgaat dat de voorwaarde in de subsidiebeschikking zelf
wordt opgenomen; dit is een eis van rechtszekerheid. Men kan dus niet
volstaan met het in het wettelijk voorschrift opnemen van clausules als
"de subsidie wordt slechts verleend voor zover de wetgever voldoende
middelen ter beschikking stelt". Een dergelijke clausule kan betekenis
hebben om aan te geven dat het niet om een "openeinderegeling"
gaat, maar daarnaast moet bij de individuele beschikking tot
subsidieverlening nagegaan worden of het nodig is deze onder voorbehoud te geven.
In het eerste lid is de zo
belangrijke bevoegdheid om deze voorwaarde op te nemen nog eens
nadrukkelijk vastgelegd. Het tweede lid bevat vervolgens een beperking van
deze bevoegdheid. De voorwaarde kan niet worden opgenomen voor zover
zulks voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust. Ook hier (vgl. de toelichting op
artikel 4.2.2.1 [4:25]) moet immers
rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de wetgever
bewust een "openeinderegeling" heeft willen creëren en dus de
mogelijkheid van begrotingsoverschrijding op de koop toe heeft willen nemen.
Indien de subsidie niet wegens het ontbreken van middelen kan
worden geweigerd als de begroting wel is vastgesteld of goedgekeurd,
behoort zij evenmin onder de onderhavige voorwaarde te kunnen worden
verleend indien dit niet het geval is.
Of de voorwaarde kan worden
opgenomen, is derhalve een kwestie van uitleg van het wettelijk
voorschrift waarop de subsidie berust. Bewust is niet de eis gesteld dat
dit
wettelijk voorschrift met zoveel woorden moet bepalen dat de voorwaarde
niet kan worden opgenomen. Eén en ander kan ook op andere wijze uit
het voorschrift blijken, bijvoorbeeld doordat is bepaald dat de subsidie moet worden
verleend indien aan bepaalde rblz.|57|
voorwaarden is voldaan. De
voorwaarde behoort dan niet te worden opgenomen, ook niet als de
wetgever verzuimd heeft dit met zoveel woorden uit te sluiten.
De voorwaarde geeft het
bestuursorgaan een (voorwaardelijke) bevoegdheid om op een
subsidieverlening terug te komen. Dat is een ingrijpende bevoegdheid.
Zolang de voorwaarde bestaat, hangt er een financieel zwaard van
Damocles boven het hoofd van de subsidieontvanger. Het is daarom een
eis van rechtszekerheid dat het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk
duidelijk maakt of het op de voorwaarde een beroep zal doen. Daarom is
in het derde lid bepaald dat de voorwaarde vervalt indien daarop niet
binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting
- voor het Rijk betekent dit: na inwerkingtreding van de begrotingswet
- een beroep is gedaan. In dat geval geldt de oorspronkelijke
subsidieverlening, maar dan zonder voorwaarde.
In de
praktijk kan het zowel
om een opschortende als om een ontbindende voorwaarde gaan. In
het eerste geval krijgt de subsidieverlening eerst haar werking als de begroting is vastgesteld of goedgekeurd. Deze
methode ligt voor de hand
als niet de noodzaak bestaat om reeds vóór de goedkeuring of vaststelling
van de begroting voorschotten uit te betalen. In dat geval kan de
voorwaarde zo nodig met onmiddellijke werking worden ingeroepen; het
gevolg is dan dat definitief vaststaat dat geen geld zal worden uitgekeerd.
Vooral bij
exploitatiesubsidies voor instellingen kan het echter noodzakelijk zijn om reeds
vóór de
vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten te verlenen.
Indien de beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven vóór de
aanvang van het jaar waarop zij betrekking heeft, doen zich op rijksniveau
geen problemen voor, omdat de subsidie dan ingevolge artikel 4, vijfde
lid, Comptabiliteitswet ten laste komt van de verplichtingenbegroting voor
het jaar waarin de beschikking wordt gegeven. Rekening moet
echter worden gehouden met gevallen waarin de beschikking tot
subsidieverlening pas in het begin van het jaar waarop zij betrekking heeft,
wordt
gegeven. Het is dan niet goed denkbaar dat de instelling de eerste maanden
van het jaar zonder geld zou zitten, in afwachting van de
totstandkoming van de begrotingswet. In beginsel bestaat ook de bevoegdheid
deze voorschotten uit te betalen. Artikel 18, eerste lid,
Comptabiliteitswet voorziet onder meer voor dergelijke gevallen ook in de
bevoegdheid tot het uitgeven van ten hoogste 4/12 van het op de vorige begroting
toegestane bedrag.
Indien voorschotten worden
verleend, dienen ook de verplichtingen van de subsidieontvanger
onverkort te gelden. Daartoe is nodig dat de beschikking tot subsidieverlening reeds door haar bekendmaking haar
werking krijgt, en dat
betekent dat in deze gevallen een ontbindende voorwaarde moet worden
opgenomen.
Een beroep op de voorwaarde
is vooral ingrijpend indien het gaat om een activiteit die door de
subsidieontvanger ook reeds in de voorafgaande periode werd verricht en toen eveneens werd gesubsidieerd. Men denke aan
exploitatiesubsidies voor instellingen die over een langere periode door de overheid
worden gesteund. Van de ontvanger kan in dit geval niet worden verwacht
dat hij de activiteit stopzet in afwachting van de vaststelling van de
begroting om haar weer te hervatten nadat die definitief is geworden. Dat
zal ook niet in het belang van het bestuursorgaan zijn, dat immers
streeft naar een voortzetting van de gesubsidieerde activiteiten en in
een aantal gevallen tevens de extra kosten van het afbouwen en vervolgens weer
opstarten van de activiteiten voor zijn rekening zal moeten nemen.
In deze gevallen zullen de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur dan ook meebrengen dat de voorwaarde slechts met
inachtneming van een redelijke termijn en met werking voor de toekomst kan worden
ingeroepen. Teneinde bestuur en rblz.|58|
gesubsidieerde duidelijk te
maken op welke wijze dit vorm moet krijgen, is in het derde lid bepaald dat
het beroep op de voorwaarde moet geschieden in de vorm van
een intrekking van de subsidieverlening overeenkomstig artikel 4.2.6.3 [4:50], zoals die ook mogelijk is in geval van gewijzigde inzichten.
Bij een eerste
subsidieverlening heeft de voorwaarde in het algemeen andere consequenties. Er
loopt dan niet een activiteit die reeds door de overheid werd bekostigd. De
ontvanger heeft dan de keuze daaraan niet te beginnen voordat zekerheid
omtrent de begrotingsvaststelling is verkregen, dan wel aanstonds
te beginnen en het risico van een eventueel beroep op de voorwaarde te
nemen. In beide gevallen is er geen aanleiding de werking van de
voorwaarde te beperken: wat eventueel reeds is gedaan, behoort voor
risico van de ontvanger te komen. Dienovereenkomstig bepaalt het
vijfde lid dat in dit geval de voorwaarde wordt ingeroepen door intrekking
van de subsidie met in beginsel terugwerkende kracht, zoals geregeld
in artikel 4.2.6.1 [4:48].
Opmerking verdient nog dat
het ook bij een eerste subsidie kan voorkomen dat de subsidieontvanger behoefte heeft aan een verlening zonder voorwaarde omdat hij
aanstonds met een activiteit wil beginnen en niet het risico wil lopen
dat de subsidie achteraf wordt ingetrokken. Het is denkbaar dat het
bestuursorgaan ook zelf aan een direct begin van de activiteiten een zodanig
belang hecht dat het afziet van het opnemen van een voorwaarde. Is het
daartoe niet bereid, dan geldt de regel van het vijfde lid en is het risico
van tekortschietende begrotingsgelden voor de ontvanger.
Toegegeven moet worden dat
de hiervoor weergegeven regeling de bezwaren die uit een oogpunt
van rechtszekerheid aan het begrotingsvoorbehoud zijn verbonden niet volledig wegneemt. Wij zijn dan ook
voornemens de toepassing van
deze regeling in de praktijk te zijner tijd te evalueren, teneinde te
kunnen nagaan of de behoefte aan het maken van een begrotingsvoorbehoud
verder kan worden teruggedrongen.
Artikel 4.2.3.7
[4:35]
Eerste lid
In welke gevallen een
subsidie geweigerd kan worden, wordt in het algemeen bepaald door de
concrete subsidieregeling. De weigeringsgronden hangen immers nauw samen met aard en doel van de betreffende subsidie. Aan een
beperkt aantal weigeringsgronden bestaat echter bij vrijwel iedere subsidie
behoefte. Uit oogpunt van harmonisatie van wetgeving is het gewenst
deze gronden in de Algemene wet bestuursrecht
neer te leggen.
Artikel 4.2.3.7 [4:35] voorziet daarin.
De in deze bepaling
neergelegde weigeringsgronden zijn aanvullend: zij gelden naast de eventueel in
de concrete subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden. Dit is in
de aanhef van zowel het eerste als het tweede lid tot uitdrukking
gebracht door de woorden "in ieder geval".
De in het eerste lid
neergelegde weigeringsgronden komen in de bestaande subsidieregelingen
maar in beperkte mate voor. Het gaat om situaties die in thans geldende regelingen vaak wel aanleiding kunnen
zijn tot het intrekken van
de subsidieverlening (vgl. ook artikel 4.2.6.1 [4:48]) of het lager vaststellen van de
subsidie (vgl. artikel 4.2.5.5 [4:46]).
Het intrekken of lager
vaststellen van de subsidie is uit de aard der zaak pas na de subsidieverlening
mogelijk. In een aantal gevallen is het dan al te laat: de subsidiegelden
zijn reeds uitgegeven en terugvordering is niet altijd praktisch mogelijk
omdat de ontvanger niet altijd verhaal biedt. Om een doelmatig subsidiebeleid
mogelijk te maken en misbruik van subsidiegelden tegen te gaan, is het
daarom gewenst dat het bestuursorgaan rblz.|59|
beschikt over de
bevoegdheid om preventief op te treden, in dier voege dat de gevraagde
subsidie kan worden geweigerd indien met een grote mate van
waarschijnlijkheid vaststaat dat zich later een intrekkingsgrond zal voordoen. Daarin
voorziet het eerste lid van artikel 4.2.3.7 [4:35]. Daarbij zij
opgemerkt dat
artikel 4:7, in verbinding met het voorgestelde artikel
4:12, tweede lid,
veelal zal meebrengen dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de subsidie op
grond van artikel 4.2.3.7 [4:35] kan worden geweigerd.
De bevoegdheid tot
"preventieve weigering" van de subsidie bestaat niet reeds indien een zeker
risico bestaat dat zich één van de in het eerste lid genoemde situaties zal
voordoen. Een dergelijk risico bestaat altijd wel in meer of mindere mate. Het
eerste lid stelt de eis dat een gegronde reden bestaat om aan te
nemen dat de daar bedoelde situaties zich zullen voordoen. Om op grond van
het eerste lid een subsidie te kunnen weigeren, zal het
bestuursorgaan derhalve moeten beschikken over concrete, op de individuele
subsidieontvanger betrekking hebbende aanwijzingen die het
oordeel kunnen dragen dat zich waarschijnlijk ("misschien" is niet
voldoende) een intrekkingsgrond zal voordoen.
Het in artikel 3.6.1
[3:46]
neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering brengt mee dat in de
beschikking tot weigering van de subsidie uiteengezet zal moeten worden
waarop het bestuur dat waarschijnlijkheidsoordeel baseert. Het feit
dat de subsidie voor het voorgaande jaar op dezelfde grond lager moest
worden vastgesteld, kan een concrete aanwijzing zijn, maar is
niet zonder meer voldoende. Het kan immers zijn dat de situatie van de
ontvanger inmiddels zodanig is gewijzigd dat voor "vrees voor
herhaling"
geen grond bestaat.
In het eerste lid, onderdeel
a,
gaat het om het geval dat het bestuur concrete aanwijzingen heeft dat de
subsidieontvanger de activiteit waarvoor subsidie is gevraagd niet of
niet geheel zal verrichten of zal kunnen verrichten. Dat kan zich
bijvoorbeeld voordoen indien subsidie wordt gevraagd voor een activiteit
die in financiële of organisatorische zin of uit oogpunt van benodigde
deskundigheid de mogelijkheden van de aanvrager kennelijk te boven
gaat. In sommige gevallen zal de aanvrager in dergelijke situaties niet
voldoen aan een bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarde om voor
de subsidie in aanmerking te komen; dat is echter niet steeds het
geval, en voor die gevallen is een algemene weigeringsgrond
noodzakelijk.
Het onder b bedoelde geval
ligt in het verlengde van het onder a genoemde. Hier gaat het om
de aan de subsidie verbonden verplichtingen, die immers ook
zekere capaciteiten of bekwaamheden van of voorzieningen bij de
subsidieontvanger kunnen veronderstellen. Ook dan kan het voorkomen dat de
aanvrager kennelijk onvoldoende waarborgen biedt voor de nakoming van
deze verplichtingen. Datzelfde geldt voor de onder c genoemde, meer
specifieke verplichting. Laatstgenoemde weigeringsgrond kan
uiteraard alleen gehanteerd worden indien de aanvrager, indien de
subsidie zou worden verleend, ook daadwerkelijk verplicht zou zijn om rekening en verantwoording af te leggen.
De vraag kan zich
voordoen
of ook het gedrag van de aanvrager in het verleden een rol kan spelen
bij het oordeel dat hij waarschijnlijk zijn verplichtingen niet zal nakomen. Dat kan in ieder
geval indien uit dat
gedrag blijkt van het
ontbreken van kwaliteiten die onmisbaar zijn om de verplichtingen na te
komen
en voorts vaststaat dat in deze kwaliteiten geen wijziging is gekomen.
Het enkele feit dat de
aanvrager zich in het verleden aan misbruik van een subsidie heeft schuldig
gemaakt, is onvoldoende grond om de subsidie op grond van
artikel 4.2.3.7 [4:35], eerste lid, te weigeren. Dat feit kan echter wel van belang
zijn indien uit
bijkomende omstandigheden blijkt rblz.|60|
dat herhaling te vrezen
valt, bijvoorbeeld wanneer het gaat om recent, grootschalig of herhaald
misbruik.
Tweede lid
De in het tweede lid van
artikel 4.2.3.7 [4:35] genoemde weigeringsgronden hebben, anders dan die van
het eerste lid, geen "preventief" karakter. Het gaat om
gebeurtenissen die
zich reeds hebben voorgedaan en nog voor de beslissing op de aanvraag
bekend worden.
In het tweede lid, onderdeel a,
gaat het om het verstrekken van onjuiste inlichtingen die van
materieel belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. Dit kan leiden tot
het geheel of gedeeltelijk weigeren van de subsidie. Ook wanneer de
aanvrager, indien hij de juiste gegevens zou hebben verstrekt, wel een -
zij het lagere - subsidie zou hebben gekregen, kan het verstrekken van
onjuiste inlichtingen leiden tot het geheel weigeren van de subsidie. De
aanvraag kan immers niet worden geacht mede het verzoek in te houden de subsidie te bepalen op zoveel als op grond van de juiste gegevens
verantwoord zou zijn.
Geformuleerd als
weigeringsgrond komt de onder a bedoelde grond in bestaande subsidieregelingen
niet veel voor; de overeenkomstige intrekkingsgrond is echter heel gebruikelijk.
Bij de onder
b genoemde
weigeringsgrond is uitsluitend beslissend het daadwerkelijk bestaan van de
staat van faillissement of surséance, dan wel het ingediend zijn van
een verzoek daartoe. Dan is er in het algemeen reden om aan te nemen dat de
subsidie haar doel niet zal kunnen bereiken, omdat het risico
bestaat dat de subsidiegelden uiteindelijk bij de schuldeisers van de
ontvanger terecht zouden komen.
Dit bezwaar geldt bij
surséance in mindere mate dan bij faillissement. Daarom is overwogen om in
geval van surséance te volstaan met het opschorten van de termijn
voor de beslissing op de aanvraag. Dit zou echter tot een aanzienlijk
gecompliceerdere regeling leiden, maar geen duidelijke voordelen hebben.
Ook bij de thans gekozen regeling kan het bestuursorgaan in concreto
besluiten dat er geen aanleiding is de subsidie te weigeren, terwijl
anderzijds de aanvrager in geval van weigering na een eventuele opheffing van de
surséance een nieuwe aanvraag kan indienen. Deze opheffing kan immers
gelden als een nieuw feit, naar aanleiding waarvan het bestuursorgaan
zijn beslissing ook inhoudelijk zal moeten heroverwegen (vgl. artikel
4:6).
Artikel 4.2.3.8
[4:36]
In het
algemeen gedeelte van
dit hoofdstuk van de toelichting is reeds ingegaan op de figuur van de
subsidieovereenkomst. Daarbij is uiteengezet dat aan de mogelijkheid om in plaats van een beschikking tot
subsidieverlening een
overeenkomst te sluiten geen behoefte bestaat. Artikel 4.2.3.8 [4:36], eerste lid,
maakt dan ook slechts het sluiten van een overeenkomst ter uitvoering
van een beschikking tot subsidieverlening mogelijk. Daarbij kan in de
eerste plaats gedacht worden aan overeenkomsten van geldlening of
van borgtocht ingeval de subsidie de vorm heeft van een krediet,
respectievelijk een garantie. Overeenkomstig een nu veel voorkomende praktijk
kan de subsidie dan worden verleend bij beschikking, onder de
opschortende voorwaarde dat de overeenkomst tot stand komt. Dat heeft het
voordeel dat aldus tegen de beslissing tot het verlenen of weigeren van de
subsidie bezwaar en beroep op de administratieve rechter openstaat.
Het is in deze constructie
uiteraard niet de bedoeling dat de overeenkomst een doublure van de
beschikking wordt of omgekeerd. De beschikking zal in ieder geval een aantal
essentiële elementen moeten rblz.|61|
bevatten, zoals een
aanduiding van de activiteiten en - voor zover niet neergelegd in een wettelijk
voorschrift - de verplichtingen, alsmede het subsidiebedrag of de wijze
waarop dit wordt berekend. Denkbaar is echter dat één en ander in de
beschikking in meer algemene zin wordt aangeduid en in de overeenkomst verder
wordt uitgewerkt. Voor het overige zal de verdeling van bepalingen
over beschikking en overeenkomst afhangen van de aard van de materie
en het doel van de overeenkomst. Wordt bij een technologiesubsidie
primair een uitvoeringsovereenkomst gesloten omdat deze het karakter
heeft van een krediet, dan zal de overeenkomst zich veelal beperken tot
bepalingen over looptijd, rente, aflossing en eventuele zekerheden e.d., terwijl bepalingen over aard en inhoud van het project in de
beschikking worden opgenomen. Heeft echter de overeenkomst mede
ten doel de subsidieontvanger te verplichten het project ook
daadwerkelijk uitte voeren, dan zullen ook laatstgenoemde bepalingen in
de overeenkomst worden opgenomen. Wordt aan een landbouwer een
subsidie verleend onder de voorwaarde dat hij zich verplicht tot bepaalde activiteiten op het gebied van het natuurbeheer, dan zal de
precieze omschrijving van die activiteiten en bijbehorende verplichtingen
voor het grootste deel in die overeenkomst te vinden zijn.
Het tweede lid regelt een
bijzondere vorm van de uitvoeringsovereenkomst. Zoals in de
toelichting op afdeling 4.2.4 nader zal worden uiteengezet, verplicht de
subsidieverlening bij beschikking de ontvanger, behoudens uitdrukkelijke
daartoe strekkende wettelijke regeling, niet rechtstreeks tot het
verrichten van de gesubsidieerde activiteit. Uiteraard verliest de ontvanger door
het niet verrichten van die activiteit zijn aanspraak op financiële
middelen, hetgeen tot uiting komt in de bevoegdheid van de
subsidieverlener om in dat geval de subsidie lager vast te stellen, in te
trekken of te wijzigen. In het normale geval kan het bestuur echter niet in
rechte vorderen dat de ontvanger zal worden veroordeeld tot het
verrichten van de activiteit.
Dit wordt echter anders
indien de ontvanger zich bij overeenkomst tot het verrichten van die
activiteit verbonden heeft. In dat geval kan het bestuur, als bij iedere
andere verbintenis uit overeenkomst, nakoming vorderen. Daaraan kan
bijvoorbeeld behoefte bestaan in gevallen waarin de activiteit bestaat in het
verschaffen van door de overheid essentieel geachte voorzieningen en
(dreiging) met intrekking van de subsidie een onder de gegeven
omstandigheden onvoldoende effectieve sanctie is. Dit kan zich voordoen indien het
aanbieden van de desbetreffende voorziening niet eenvoudig
door anderen of de overheid zelf kan worden overgenomen. Men denke aan
voorzieningen van jeugdhulpverlening of aan de subsidiëring van
justitiële particuliere inrichtingen voor terbeschikkinggestelden.
Het tweede lid stelt buiten
twijfel dat het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst als hier
bedoeld mogelijk is, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de
aard
van de subsidie zich daartegen verzet. In veel gevallen is immers juist
voor het instrument van de subsidie gekozen omdat de wetgever de burgers
juist niet rechtstreeks wilde verplichten tot het verrichten van de
betrokken activiteit. Dat is bijvoorbeeld bij het merendeel van de subsidies
aan natuurlijke personen en bedrijven het geval. Het ligt dan niet
voor de hand dat die verplichting wel langs de weg van de overeenkomst zou
kunnen worden opgelegd. Aan dat laatste zal in de praktijk hoofdzakelijk
bij subsidies aan instellingen behoefte bestaan.
Afdeling
4.2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Het is om verschillende
redenen noodzakelijk dat aan de subsidieontvanger een aantal
verplichtingen kunnen worden opgelegd. De overheid kan de doelstellingen van
haar
subsidiebeleid - het stimuleren of rblz.|62|
mogelijk maken van bepaalde,
om welke redenen dan ook wenselijk geachte, activiteiten - in
veel gevallen slechts realiseren indien zij over de mogelijkheid beschikt nadere
eisen te stellen aan vorm en inhoud van de activiteiten waaraan zij een
financiële bijdrage levert. Daarnaast dient zij te beschikken over
mogelijkheden om een doelmatige en rechtmatige aanwending van
subsidiegelden te verzekeren. Derhalve voorziet artikel 4.2.4.1 [4:38]
in algemene zin in
de bevoegdheid om aan de ontvanger verplichtingen op te leggen die
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
Voor een goed begrip van het
karakter van deze verplichtingen moet allereerst worden opgemerkt dat de subsidieverlening op zichzelf de ontvanger niet rechtstreeks en onvoorwaardelijk
verplicht tot het
daadwerkelijk verrichten van
de gesubsidieerde activiteit (vgl. J.H. van Kreveld, a.w., blz. 163 en
222/223). De ontvanger behoudt in beginsel de vrijheid om van de
activiteit af te zien. Het gevolg is dan uiteraard wel dat hij ook iedere aanspraak op
subsidiegelden verliest en het bestuursorgaan de subsidie op nihil
kan vaststellen en eventueel reeds betaalde voorschotten kan
terugvorderen. Een andere benadering zou in veel gevallen tot onhoudbare
resultaten leiden. Het is evident dat de overheid met het subsidiëren van
sportevenementen of culturele manifestaties niet beoogt de ontvangers tot het
organiseren van dergelijke evenementen te verplichten. Kenmerkend voor
de subsidie als bestuursinstrument is nu juist het ontbreken van
rechtstreekse overheidsdwang.
Voor zover in bijzondere
situaties toch behoefte bestaat aan een rechtstreekse verplichting
van de subsidieontvanger om de gesubsidieerde activiteit ook daadwerkelijk te verrichten, kan daar in beginsel op
twee manieren in worden
voorzien: door een bijzonder wettelijk voorschrift, dan wel door
het sluiten van een overeenkomst ter zake met de subsidieontvanger. Op de
laatste mogelijkheid is reeds in de toelichting
op artikel
4.2.3.8 [4:36] ingegaan.
Het staat de
subsidieontvanger derhalve in beginsel vrij van de gesubsidieerde activiteit af
te zien en daarmee zijn aanspraak op financiële middelen op te
geven. In die zin verplicht de subsidieverlening tot niets. Maar het normale
geval is uiteraard dat de ontvanger juist wel aanspraak maakt op
financiële middelen, en zolang dat het geval is, vloeien uit de
subsidieverlening wel degelijk verplichtingen voort. Het is in deze zin dat het in
het
onderhavige voorstel gehanteerde begrip "verplichtingen van de
subsidieontvanger" moet worden verstaan. Naar huidig recht is dit
overigens niet anders.
De verplichtingen die voor
de ontvanger uit de subsidieverlening voortvloeien, kunnen van
velerlei aard zijn. Naast de primaire verplichting om de gesubsidieerde activiteit te verrichten, zal de ontvanger in zeer veel
gevallen worden verplicht in
enigerlei vorm verantwoording af te leggen over de besteding van de
subsidiegelden. Doorgaans zullen ook verplichtingen worden
opgelegd met betrekking tot de wijze waarop de gesubsidieerde activiteit
moet worden verricht. Voorts kunnen verplichtingen ertoe strekken te
voorkomen dat derden nadeel ondervinden van de gesubsidieerde
activiteit.
Enkele verplichtingen van de subsidieontvanger vloeien rechtstreeks uit de
Algemene wet bestuursrecht zelf voort (bijvoorbeeld de verplichtingen, genoemd in
artikel
4.2.5.4 [4:45]). De meeste verplichtingen zullen echter zijn neergelegd hetzij in
het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust, hetzij in
voorschriften verbonden aan de beschikking tot subsidieverlening.
De eerste mogelijkheid
verdient uit oogpunt van rechtszekerheid de voorkeur. In het bijzonder
wanneer een verplichting voor alle ontvangers of voor een bepaalde categorie van ontvangers van een bepaalde subsidie
behoort te gelden, is het
goed mogelijk deze verplichting in het wettelijk voorschrift zelf op te nemen.
rblz.|63|
Daarnaast zal het soms nodig
zijn om op het concrete geval toegesneden verplichtingen te
kunnen opleggen. In dat geval kan in het wettelijk voorschrift waarop
de subsidie berust, worden volstaan met het omschrijven van
(categorieën van) verplichtingen die kunnen worden opgelegd. Vervolgens kan het
bestuursorgaan bepalen welke verplichtingen in concreto zullen
gelden, door deze verplichtingen op te nemen in voorschriften verbonden aan
de beschikking tot subsidieverlening (artikel 4.2.4.1 [4:38]). Daarbij kunnen de
verplichtingen tevens nader worden omschreven en toegespitst.
Het uitgangspunt is derhalve
dat in het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust, wordt
aangegeven welke verplichtingen aan de subsidieverlening kunnen worden verbonden
(vgl. artikel 4.2.4.1 [4:38], tweede lid). Daarnaast is echter in
artikel 4.2.4.0 [4:37] een aantal categorieën verplichtingen
opgesomd die steeds kunnen
worden opgelegd, ook wanneer het wettelijk voorschrift waarop
de subsidie berust daarin niet voorziet en zelfs wanneer de subsidie
niet op een wettelijk voorschrift berust. Het gaat hier om verplichtingen die
zo vaak voorkomen en in de meeste gevallen zozeer noodzakelijk zijn om
het doel van de subsidie te kunnen bereiken dat het gewenst is de
bevoegdheid tot het opleggen daarvan in de Algemene
wet bestuursrecht zelf neer te leggen. Dit laat onverlet dat het in veel gevallen gewenst zal
zijn ook deze verplichtingen in de bijzondere subsidieregeling nader toe
te spitsen en te preciseren.
Voor de handhaving maakt het
geen verschil of de verplichtingen bij wettelijk voorschrift of
krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening zijn opgelegd. In
beide gevallen is de subsidieontvanger gehouden tot naleving van de
verplichting. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de Algemene
wet bestuursrecht c.q. het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust. Het is
derhalve niet nodig de subsidie te verlenen onder het voorbehoud dat de
verplichtingen worden nagekomen.
Indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, kunnen bij de subsidievaststelling geen
nieuwe verplichtingen meer worden opgelegd. De rechtszekerheid eist dat
aan de ontvanger reeds bij de verlening duidelijkheid wordt
verschaft over zijn verplichtingen. Voor verplichtingen die betrekking hebben op de
gesubsidieerde activiteiten is het dan trouwens ook te laat,
aangezien de subsidievaststelling, behoudens een enkele uitzondering,
plaatsvindt na afloop van die activiteiten.
Eén en ander laat onverlet dat uit de aard van de bij de verlening opgelegde verplichtingen kan
voortvloeien dat zij ook na de vaststelling voortduren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verplichting tot betaling van
rente en aflossing ter zake
van een vastgesteld krediet. In verband daarmee is ook voorzien in
de mogelijkheid van het intrekken van de vaststelling indien
dergelijke voortdurende verplichtingen niet worden nagekomen (artikel
4.2.6.2 [4:49],
eerste lid, onderdeel c). Indien geen beschikking tot subsidieverlening is
gegeven, kan om dezelfde reden de behoefte bestaan om bij de
vaststelling nog verplichtingen op te leggen. Daarom is voor dat geval artikel
4.2.4.1 [4:38] van overeenkomstige toepassing verklaard
(artikel
4.2.5.2 [4:43], tweede
lid).
Artikel
4.2.4.0 [4:37]
Eerste lid
Deze bepaling somt zeven
onderwerpen op met betrekking tot welke het bestuursorgaan steeds verplichtingen kan opleggen. Het gaat hier om verplichtingen die vaak
voorkomen en die voor een doelmatig hanteren van het instrument van de
subsidie van groot belang kunnen zijn. Het voordeel van het artikel is
dat de wettelijke regeling waarop de subsidie is gebaseerd niet meer behoeft
te voorzien in de mogelijkheid om deze rblz.|64|
verplichtingen op te leggen:
er ontstaat op basis van dit artikel een reeks verplichtingen die ieder
subsidiërend bestuursorgaan kan gebruiken. Voor het opleggen van andere
verplichtingen zal op grond van artikel 4.2.4.1 [4:38]
een grondslag in een
bijzonder wettelijk voorschrift moeten bestaan (tenzij de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift berust).
Verwacht kan worden dat in
een aantal gevallen geen behoefte meer zal bestaan aan het opnemen van
aanvullende bepalingen in de bijzondere subsidieregelingen. Anderzijds zal het soms aantrekkelijk zijn in het
wettelijk voorschrift dat de
basis voor een subsidie vormt een nadere uitwerking te geven van de
bepalingen van dit artikel. Daartegen bestaat geen enkel bezwaar.
De onder a, b en f genoemde
categorieën verplichtingen behoeven voor het overige geen
toelichting. De onder c bedoelde verplichting is allereerst van
belang omdat
de
subsidieverlening veelal in belangrijke mate gebaseerd is op door de
aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens. Met name bij wat langer
lopende subsidies kan het voorkomen dat zich in de situatie waarop deze
gegevens betrekking hebben een zodanige wijziging voordoet dat dat
tot wijziging van de subsidieverlening zou kunnen leiden. Ook om andere
redenen kan het echter zo zijn dat het bestuursorgaan tussentijds
op de hoogte wenst te worden gehouden van bepaalde gegevens, bijvoorbeeld in verband met de uitoefening van
andere bevoegdheden die zij
zich bij de verlening heeft voorbehouden.
De mogelijkheid om
verplichtingen tot gegevensverstrekking op te leggen, is voorts in het
bijzonder van belang indien gesubsidieerd wordt volgens wat wel het mutatiesysteem wordt genoemd. In dat systeem -
varianten ervan komen
bijvoorbeeld voor bij het openbaar vervoer - wordt de subsidie voor een
aantal jaren verleend, maar jaarlijks vastgesteld, niet op basis van een
aanvraag tot vaststelling, maar op basis van gedurende het jaar periodiek
door de ontvanger verstrekte gegevens. In die gevallen is de
gegevensverstrekking de kern van het proces van subsidiëring.
In het eerste lid, onderdeel d,
is de bevoegdheid opgenomen om de subsidieontvanger de
verplichting op te leggen om bepaalde risico's te verzekeren. Bij subsidies
aan instellingen is het zeer gebruikelijk dat
de instelling verplicht wordt
haar wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren, om te voorkomen dat door
onvoldoende verzekering de subsidiegelden zouden toevloeien naar
gelaedeerde derden in plaats van naar de gesubsidieerde activiteit.
Ook plegen brand- en inboedelverzekeringen verplicht te worden gesteld.
Maar ook bij projectsubsidies komt bijvoorbeeld een verplichting tot
verzekering van wettelijke aansprakelijkheid voor, om te voorkomen dat
het als gevolg van schadeclaims voor de ontvanger onmogelijk wordt
de gesubsidieerde activiteit uit te voeren (en dan veelal evenzeer om de
subsidie terug te betalen!).
Onderdeel e regelt de
bevoegdheid om de ontvanger te verplichten tot het stellen van zekerheid
voor verleende voorschotten. Daarmee moet de nodige terughoudendheid
worden betracht. Er zijn vaak andere wegen om problemen met het
terugvorderen van voorschotten te voorkomen. Het is in de eerste plaats gewenst
terughoudend te zijn met de voorschotverlening zelf, door deze
waar mogelijk achterwege te laten of door pas voorschotten te geven nadat
de subsidiabele kosten zijn gemaakt. Voorts is een verplichting tot het
stellen van zekerheid niet altijd zinvol: indien een instelling sedert jaren
uitsluitend uit met subsidiegeld gefinancierd wordt, zouden zekerheden
voor het bestuursorgaan vaak neerkomen op "een sigaar uit eigen
doos". Niettemin kan in een beperkt aantal gevallen het verlangen van
zekerheden een nuttig instrument zijn om te voorkomen dat te veel
betaalde voorschotten niet meer kunnen worden verhaald.
Bij de onder
g genoemde
categorie verplichtingen kan men bijvoorbeeld denken aan
verplichtingen met betrekking tot de openingstijden van rblz.|65|
de kantine van de
gesubsidieerde sporthal, om te voorkomen dat de plaatselijke
horecaondernemers oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.
Tweede lid
Het tweede lid verklaart
twee bepalingen met betrekking tot het verschaffen van gegevens bij
de aanvraag van overeenkomstige toepassing op het
verschaffen van gegevens krachtens verplichtingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c. In dat geval is immers niet noodzakelijkerwijs sprake van een
aanvraag, maar behoort wel de in artikel 4:3 neergelegde regeling ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer te gelden. Voorts kan het
nuttig zijn voor de verstrekking van gegevens een formulier vast te stellen
(artikel 4:4).
Artikel 4.2.4.1
[4:38]
Eerste lid
Artikel 4.2.4.1
[4:38] stelt
allereerst buiten twijfel dat aan de subsidie ook andere dan de in artikel
4.2.4.0 [4:37] bedoelde verplichtingen kunnen worden verbonden. In de tweede plaats behelst de bepaling de
norm dat de
verplichtingen moeten
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Alleen die
verplichtingen kunnen worden opgelegd die redelijkerwijs noodzakelijk
en geschikt zijn om het met de subsidie nagestreefde doel te
verwezenlijken.
Naar hun inhoud kunnen de
verplichtingen sterk variëren. Zij kunnen rechtstreeks betrekking
hebben op de gesubsidieerde activiteiten. Men denke bijvoorbeeld aan de aan een instelling opgelegde verplichting om
bepaalde activiteiten ten
behoeve van derden (cursussen of iets dergelijks) uitsluitend te laten verzorgen door
personen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen.
De verplichtingen kunnen ook
een meer afgeleid en ondersteunend karakter hebben. Dat is
bijvoorbeeld het geval bij verplichtingen met betrekking tot de wijze waarop de gesubsidieerde instelling haar
administratie moet voeren of
de wijze waarop aan de subsidieverlener moet worden gerapporteerd
over de verrichte activiteiten.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt
dat
indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, dat
wettelijk voorschrift ook de grondslag moet bieden voor de aan de
subsidieontvanger op te leggen verplichtingen. Dit punt
behoort in ieder geval de
aandacht van de regelgever te hebben, zij het dat delegatie aan een lagere
regelgever niet is uitgesloten. Bepaalt het wettelijk voorschrift op dit
punt niets, dan kunnen slechts de in artikel 4.2.4.0 [4:37]
bedoelde
verplichtingen worden opgelegd. Bij eenvoudige subsidieregelingen kan dat
voldoende zijn, maar bij meer gecompliceerde subsidieregelingen zal nogal
eens behoefte bestaan aan de mogelijkheid ook andere verplichtingen op
te leggen.
In het algemeen verdient het
de voorkeur de verplichtingen van de subsidieontvanger indien
mogelijk neer te leggen in het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust zelf. Indien de verplichtingen in een wettelijk voorschrift zijn
neergelegd, heeft dat het voordeel dat de verplichtingen voor een
ieder die overweegt een aanvraag in te dienen kenbaar zijn, terwijl voorts
is verzekerd dat de verplichtingen voor alle subsidieontvangers
gelijkelijk gelden. Bovendien is de totstandkoming van wettelijk voorschriften
veelal met meer waarborgen omringd dan de totstandkoming van een
individuele beschikking. Ten slotte is het ook rblz.|66|
doelmatiger om steeds
terugkerende verplichtingen niet bij iedere afzonderlijke
subsidieverlening uit te werken, maar in algemene zin in het wettelijk voorschrift op te
nemen.
Soms zal echter de behoefte
bestaan om de verplichtingen te kunnen toesnijden op het concrete
geval, in een mate die niet kan worden bereikt door differentiatie binnen
het toepasselijk wettelijk voorschrift. Daarom is het gewenst dat ook
verplichtingen kunnen worden opgelegd in de vorm van voorschriften verbonden
aan de beschikking tot subsidieverlening. De verplichtingen behoren dan
wel expliciet in de voorschriften bij de beschikking te worden
opgenomen; de ontvanger behoeft geen rekening te houden met bij het
bestuursorgaan levende opvattingen die jegens hem niet kenbaar zijn
gemaakt (Vz. Afd. rechtspraak 30 januari 1986, tB/S 1986, 20). Dit is alleen
anders
indien de verplichting langs andere weg ook voor de ontvanger onmiskenbaar
duidelijk moet zijn geweest (Afd. rechtspraak 18 maart 1986, AB 1987, 40), doch het verdient veruit de voorkeur daarop niet
te vertrouwen.
Derde lid
Indien de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift behoeft te berusten, kan uiteraard niet worden
geëist dat de verplichtingen wel een wettelijke grondslag hebben, terwijl
het ook in deze gevallen kan voorkomen dat behoefte bestaat aan andere
verplichtingen dan die genoemd in artikel 4.2.4.0 [4:37]. Daarom is
bepaald dat bij niet-wettelijke subsidies de verplichtingen kunnen worden
opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 4.2.4.1a
[4:39]
Voor de in
artikel 4.2.4.1
[4:38] bedoelde verplichtingen geldt steeds dat zij moeten strekken tot
verwezenlijking van het doel van de subsidie, ongeacht of zij bij
wettelijk voorschrift of bij beschikking worden opgelegd.
Artikel 4.2.4.1a [4:39]
ziet
daarentegen op verplichtingen waarvan niet gezegd kan worden dat zij strekken
tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Men denke aan door
een gemeentebestuur aan een gesubsidieerde instelling opgelegde
verplichtingen om in het kader van een werkervaringsproject een
stageplaats ter beschikking te stellen of om in een gebouw voorzieningen aan
te brengen met het oog op de toegankelijkheid voor gehandicapten.
Met het opleggen van
dergelijke verplichtingen dient terughoudendheid te worden betracht. Het is
in beginsel minder gewenst om door middel van aan een subsidie verbonden verplichtingen beleidsdoelstellingen na
te streven die, hoe
belangrijk op zichzelf ook, geen verband houden met de doelstelling van de
subsidieregeling zelf.
Het opleggen van de hier
bedoelde verplichtingen kan echter evenmin geheel worden uitgesloten.
Onder omstandigheden kan het langs deze weg beïnvloeden van het gedrag van
subsidieontvangers bij uitstek het
geschikte of zelfs het enige
middel zijn om een belangrijke beleidsdoelstelling te
verwezenlijken. Daarom is in het eerste lid bepaald dat verplichtingen die niet
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts kunnen
worden opgelegd indien een wettelijk voorschrift daartoe een specifieke
grondslag biedt. Op deze wijze is het opleggen van dergelijke verplichtingen
enerzijds niet uitgesloten, anderzijds wel met zekere waarborgen omringd.
Daarnaast is in het tweede
lid een inhoudelijke beperking aangebracht. Ook verplichtingen die niet
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie dienen wel enig
verband te houden met de gesubsidieerde activiteit. Dit is tot
uitdrukking gebracht door te bepalen dat de verplichtingen slechts betrekking
kunnen hebben op de wijze waarop of de rblz.|67|
middelen waarmee de
gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Dat betekent dat bijvoorbeeld
van een gesubsidieerde welzijnsinstelling of een museum, indien daartoe
aanleiding is en een toereikende wettelijke grondslag bestaat, nog wel
kan worden geëist dat de eigen activiteiten waar mogelijk op milieuvriendelijke wijze worden verricht, maar niet dat
wordt medegewerkt aan het
verspreiden van folders over het milieubeleid van het subsidiërend
bestuursorgaan.
Uiteraard mogen ook deze
verplichtingen niet in strijd zijn met de ter zake geldende wettelijke
voorschriften. Zo kunnen aan de subsidieverlening geen
verplichtingen worden verbonden met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden welke een
gesubsidieerde werkgever jegens zijn werknemers moet hanteren. De
Wet arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en
gesubsidieerde sector (WAGGS) en de internationale verdragen waarop deze wet is
gebaseerd, maken dit onmogelijk. Voor zover de overheid zich met
de in deze sector geldende arbeidvoorwaarden mag bemoeien - en dit mag
slechts in beperkte mate - dient dit te geschieden met inachtneming
van de in de WAGGS geregelde procedure.
Artikel 4.2.4.3
[4:40]
Indien bij de
subsidieverlening volstaan moet worden met een globale omschrijving van de
activiteiten die later wordt uitgewerkt, zal veelal ook behoefte bestaan aan
de
mogelijkheid de verplichtingen later uit te werken. Artikel 4.2.4.3 [4:40]
voorziet in die mogelijkheid. Voor het overige zij verwezen naar de toelichting
op artikel 4.2.3.2 [4:30], tweede lid.
Artikel 4.2.4.4
[4:41]
Artikel 4.2.4.4
[4:41] bepaalt dat
de subsidieontvanger in een aantal gevallen een vergoeding verschuldigd is
aan het bestuursorgaan indien de subsidie bij de ontvanger heeft geleid
tot vermogensvorming. Vergelijkbare bepalingen komen thans onder
meer voor in subsidieregelingen op het terrein van het ministerie
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en het ministerie van
Justitie,
waar de behoefte aan een dergelijke bepaling in de praktijk is gebleken.
Het komt voor dat een
gesubsidieerde instelling met behulp van subsidiegelden bijvoorbeeld
een pand in eigendom verkrijgt. Wanneer dat pand dan enkele jaren later wordt vervreemd, kan dat leiden tot een
vermogenstoename bij de
instelling. In sommige gevallen is het dan redelijk dat dit
vermogensvoordeel geheel of gedeeltelijk ten goede komt aan de overheid, die immers
door het verlenen van de subsidie de instelling in staat heeft
gesteld het pand te verkrijgen. Vergelijkbare situaties kunnen zich
voordoen als met behulp van subsidiegelden bijvoorbeeld kostbare
apparatuur is aangeschaft.
Het is echter niet redelijk
- en ook niet doenlijk - om iedere toevallige vermogenstoename bij een
subsidieontvanger "af te romen". Daarom is de vergoedingsplicht aan een
aantal beperkingen gebonden.
In de eerste plaats bestaat
slechts een vergoedingsplicht indien dit bij wettelijk voorschrift - in
het normale geval zal dat zijn het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust - of bij de subsidieverlening (indien
de subsidie niet op een
wettelijk voorschrift berust) is bepaald en daarbij is aangegeven hoe de hoogte
van de vergoeding wordt bepaald.
In de tweede plaats kan
slechts een vergoedingsplicht worden opgelegd in vijf gevallen, die in het
tweede lid zijn opgesomd.
Het tweede lid, onderdeel a,
ziet op de zojuist genoemde gevallen van vervreemding of bezwaring
van voor de gesubsidieerde activiteit bestemde of gebruikte rblz.|68|
goederen. Onderdeel b ziet op het ontvangen van een schadevergoeding voor
verlies of beschadiging van dergelijke goederen. Uiteraard kan dan
alleen een vergoeding worden verlangd indien het ontvangen van de
schadevergoeding ook inderdaad leidt tot vermogensvorming bij de
ontvanger van de subsidie. Dit kan zich voordoen wanneer de bij
wijze van schadevergoeding ontvangen gelden niet worden gebruikt voor
vervanging van de verloren gegane of beschadigde goederen.
De onderdelen c en d
betreffen een tweetal gevallen waarin de subsidieverhouding tot een
einde komt en dus de financiële relaties tussen subsidieverlener en ontvanger moeten worden afgewikkeld. In het
kader van die afwikkeling
kan dan ook worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de subsidie heeft
geleid tot vermogensvorming en of daarvoor een vergoedingsplicht moet
worden opgelegd. Een vergelijkbare situatie doet zich voor indien de
rechtspersoon waaraan de subsidie was verleend, wordt ontbonden (onderdeel
e).
De vergoedingsplicht
ontstaat vanzelfsprekend slechts indien er een causaal verband bestaat
tussen de subsidieverlening en de vermogensvorming. Er moet een vermogenstoename hebben
plaatsgevonden
waarvan vaststaat dat deze
niet zou hebben plaatsgevonden indien de subsidie niet zou zijn
verleend. De voorzienbaarheid van de vermogenstoename is daarbij niet van
belang; het gaat juist om een vermogenstoename die met de
subsidieverlening niet werd beoogd.
De hoogte van de vergoeding
zal, indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, in de
bijzondere subsidieregeling moeten worden geregeld. Zij zal uit de
aard der zaak niet hoger kunnen zijn dan de vermogenstoename zelf. De Algemene
wet bestuursrecht eist echter niet dat steeds een volledige
vergoeding wordt verlangd. De bijzondere wetgever of, indien de
subsidieregeling daartoe de ruimte biedt, het bestuursorgaan kan ook
volstaan met een gedeeltelijke vergoeding of zelfs geheel van het
verlangen van een vergoeding afzien.
Wordt wel een vergoeding
verlangd, dan zijn bij de bepaling van de hoogte daarvan verschillende
benaderingen denkbaar. Allereerst kunnen verschillende soorten van vermogensvorming worden onderscheiden.
Wanneer bijvoorbeeld door "onderuitputting" een toename van de egalisatiereserve optreedt,
zal de hoogte van de vergoeding in beginsel gelijk zijn aan de omvang
van de toename. Wanneer een pand dat ooit met subsidiegelden is
aangeschaft vele jaren later wordt verkocht, is het bedrag waarvoor het pand in
de boeken staat vermeld vaak de historische kostprijs. Deze
nominale waarde behoeft niet gelijk te zijn aan de reële waarde. In die
situatie ligt het voor de hand - zeker wanneer de gesubsidieerde activiteiten
geheel gestopt worden - bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding
uit te gaan van de reële waarde. Weer anders kan het liggen
wanneer de activiteiten van de subsidieontvanger geheel of gedeeltelijk
worden voortgezet in een ander pand. Er kan dan aanleiding zijn om bij het
bepalen van de hoogte van de vergoeding ter zake van de verkoop van het
oude pand uit te gaan van de boekwaarde, bijvoorbeeld om de
subsidieontvanger de gelegenheid te geven het
verschil tussen boekwaarde
en reële waarde in het nieuwe pand te investeren. In hoeverre dit
geschiedt, zal mede afhangen van de vraag of ook voor de aanschaf van het
nieuwe pand subsidie wordt verleend.
Ook de vraag in hoeverre bij
de vaststelling van de hoogte van de vergoeding rekening moet
worden gehouden met afschrijvingen kan verschillend worden
beantwoord. Afschrijvingen vertegenwoordigen bedrijfseconomisch dat deel
van de waarde van het betrokken vermogensbestanddeel dat ten
goede is gekomen aan de gesubsidieerde activiteiten. Bij
vervreemding van het vermogensbestand zou daarom als uitgangspunt kunnen worden
genomen de resterende boekwaarde. Een ander uitgangspunt is echter
ook mogelijk. Daarbij wordt de subsidie mede gezien als een bijdrage
in de kosten van de afschrijving. In dat geval wordt geen rekening gehouden
met de afschrijving en wordt in plaats rblz.|69|
daarvan de boekwaarde of de
reële waarde van het vermogensbestanddeel in haar geheel opgeëist. Zie voor voorbeelden van de verschillende benaderingen
Afd. rechtspraak 17 november 1992, AB 1993, 214, en Afd. rechtspraak 8
december 1992,
AB 1993, 215.
De vergoeding kan alleen
worden verlangd van de subsidieontvanger. Nu komt het voor dat een
gedeelte van het vermogen van een gesubsidieerde instelling is ondergebracht in een zogenaamde steunstichting. Vaak
wordt zo'n steunstichting in
het leven geroepen wanneer voor de eerste maal subsidie wordt
aangevraagd, teneinde eerder verworven vermogensbestanddelen buiten
de subsidieverhouding te laten. In dat geval is toepassing van
artikel 4.2.4.4 [4:41] niet aan de orde, omdat deze vermogensbestanddelen niet
zijn gefinancierd uit de subsidie. Het kan echter ook voorkomen
dat wel (mede) uit de subsidie verworven vermogensbestanddelen aan een steunstichting worden
overgedragen of
dat bijvoorbeeld het
onderhoud of de renovatie van een pand dat eigendom is van een
steunstichting uit de subsidie wordt gefinancierd. In die gevallen kan het
vermogen van de steunstichting toenemen, terwijl voor die toename geen
vergoeding kan worden verlangd, omdat de steunstichting niet de
subsidieontvanger is. Het is dus zaak oneigenlijk gebruik van de figuur van de
steunstichting zo nodig door passende voorschriften in de subsidieregeling of
-beschikking tegen te gaan. In dit
verband zij overigens ook
gewezen op artikel 4.2.8.4.2 [4:69], dat het mogelijk maakt voor bepaalde rechtshandelingen, zoals het vervreemden van
registergoederen, de
voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan te verlangen.
Indien bij beëindiging van
een subsidieverhouding geen vermogenstoename wordt geconstateerd,
maar na liquidatie van een gesubsidieerde instelling een negatief vermogen resteert, brengt dit in beginsel voor het
bestuursorgaan geen
verdergaande verplichtingen met zich mee dan die voortvloeien uit de
artikelen 4.2.6.3 [4:50] en 4.2.6.4 [4:51]. Indien de subsidiegever de subsidieverhouding voor de
toekomst beëindigt, dient hij de ontvanger een redelijke termijn te
gunnen om financiële verplichtingen die deze redelijkerwijs mocht aangaan
op een behoorlijk wijze af te wikkelen. Het komt voor dat het
bestuursorgaan ervoor kiest deze termijn te bekorten door bepaalde verplichtingen
van de subsidieontvanger over te nemen. Daartegen bestaat geen
bezwaar. Het bestuursorgaan is echter, tenzij uit een bijzondere wettelijke
regeling anders voortvloeit, niet verantwoordelijk voor financiële
verplichtingen die de ontvanger redelijkerwijs niet mocht aangaan (bijvoorbeeld
omdat hij kon weten dat de subsidie beëindigd zou worden) of
die geen verband houden met de gesubsidieerde activiteit.
Om te voorkomen dat de
subsidieontvanger lange tijd in onzekerheid verkeert over de hoogte van
de vergoeding, is in het derde lid bepaald dat deze moet worden vastgesteld
binnen één jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte kon zijn van de
gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan. Desgewenst kan
daartoe met toepassing van artikel 4.2.4.0 [4:37], eerste lid, onderdeel
c, een
meldingsplicht aan de ontvanger worden opgelegd. Veelal zal de
meest praktische werkwijze zijn om de vaststelling van de vergoeding te
combineren met de eerstvolgende subsidievaststelling. Er is echter
geen reden om dit dwingend voor te schrijven.
Afdeling
4.2.5. De subsidievaststelling
Artikel 4.2.5.1 [4:42]
In deze bepaling is de
betekenis van de beschikking tot subsidievaststelling neergelegd: zij
verplicht - definitief - tot betaling van het vastgestelde bedrag, overeenkomstig de bepalingen van
afdeling 4.2.7.
rblz.|70|
Het spreekt vanzelf dat de
beschikking tot subsidievaststelling daartoe het bedrag van de subsidie moet
vermelden. De hoogte van het te betalen bedrag moet ondubbelzinnig
vaststaan. Daarom bestaat bij de subsidievaststelling, anders dan bij
de subsidieverlening, ook niet de mogelijkheid te volstaan met het aangeven
van de wijze waarop het bedrag zal worden berekend.
Artikel 4.2.5.2
[4:43]
Indien geen beschikking tot
subsidieverlening wordt gegeven, moet de subsidievaststelling een
aantal functies van de subsidieverlening overnemen. Zo zal zij ten
minste een aanduiding van de gesubsidieerde
activiteiten moeten
bevatten, die in dit geval ook niet later kan worden uitgewerkt, aangezien met de
vaststelling in veel gevallen een einde komt aan de subsidieverhouding.
Omdat ook een
subsidievaststelling in de vorm van een vaststelling van een periodieke bijdrage
denkbaar is, dient voorts het voorschrift van artikel 4.2.3.4 [4:32]
hier van overeenkomstige toepassing verklaard te worden.
Hetzelfde geldt voor de
weigeringsgronden van artikel 4.2.3.7 [4:35], tweede lid, die van belang zijn indien
geen beschikking tot subsidieverlening vooraf is gegaan. De "preventieve"
weigeringsgronden van het eerste lid passen echter niet bij het karakter
van de subsidievaststelling, die veelal achteraf plaatsvindt. Voor een
weigering gebaseerd op een toekomstverwachting is dan geen plaats.
In de toelichting op afdeling 4.2.4 is reeds uiteengezet dat aan de subsidievaststelling in
bepaalde gevallen verplichtingen als bedoeld in artikel 4.2.4.1 [4:38]
verbonden
moeten kunnen worden. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan
verplichtingen tot aflossing en rentebetaling in verband met een vastgesteld
krediet.
Artikel 4.2.5.3
[4:44]
Dit artikel regelt de
aanvraag tot subsidievaststelling indien een beschikking tot
subsidieverlening is voorafgegaan. Indien dit laatste niet het geval is, zijn naast de
algemene regels van afdeling 4.1 [lees: titel
4.1, red.] geen bijzondere voorschriften in
titel 4.2 nodig (wellicht wel in de bijzondere subsidieregeling!).
Het eerste lid bevat de hoofdregel dat de vaststelling geschiedt op aanvraag van de
subsidieontvanger. Voor een aantal gevallen waarin de subsidie ambtshalve kan
worden vastgesteld, zij verwezen naar artikel 4.2.5.6 [4:47]
en de toelichting op dat artikel [4:47].
In de meeste gevallen wordt
de subsidie vastgesteld na afloop van hetzij de activiteit
waarvoor de subsidie is verleend, hetzij - bij voortdurende activiteiten - het
tijdvak waarvoor de subsidie is verleend. De meeste periodieke subsidies
aan instellingen, bijvoorbeeld, kennen een jaarlijkse cyclus van
verlening en vaststelling. Het komt echter ook voor dat de subsidie eenmaal voor
een aantal jaren wordt verleend, maar jaarlijks voor een gedeelte
wordt vastgesteld. Het eerste lid, onderdeel b, biedt de mogelijkheid een
dergelijk systeem te hanteren. Nog een stap verder gaat het zogenaamde
mutatiesysteem, waarbij ook de jaarlijkse vaststelling niet meer behoeft
te worden aangevraagd, maar ambtshalve geschiedt op basis van
periodiek door de aanvrager verstrekte gegevens. Artikel 4.2.5.3 [4:44], eerste lid,
in samenhang met artikel 4.2.5.6 [4:47],
onderdeel a, biedt ook voor een dergelijk
systeem de ruimte.
Het is
gewenst dat voor de
indiening van de aanvraag een termijn wordt gesteld. Gelet op de
grote variëteit in soorten subsidies kan dat echter geen algemene termijn
zijn. Bij relatief eenvoudige activiteiten is wellicht een termijn van zes
weken al voldoende, maar bij een omvangrijk project kan de ontvanger
gemakkelijk enkele maanden nodig hebben voor rblz.|71|
het opstellen van de
aanvraag tot vaststelling. Daarbij zullen immers een verslag van de activiteiten
en vaak ook rekeningen, facturen e.d. van derden moeten worden
overgelegd (artikel 4.2.5.4 [4:45]), terwijl in sommige gevallen ook een
accountantsverklaring moet worden overgelegd.
Om deze redenen is in het
tweede lid volstaan met de bepaling dat voor de indiening van de aanvraag
tot vaststelling een termijn moet worden gesteld. In de formulering
van het tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat deze termijn bij
voorkeur zou moeten worden gesteld in het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust. Indien dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de
subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, dient bij de
subsidieverlening een termijn te worden gesteld.
Het derde en vierde lid
regelen de rechtsgevolgen van overschrijding van de termijn voor
indiening van de aanvraag tot vaststelling. Indien deze termijn wordt
overschreden of indien geen enkele termijn is gesteld,
kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger aanmanen de aanvraag alsnog, binnen een door het bestuursorgaan te bepalen nieuwe termijn, in
te dienen. Deze regeling
sluit aan bij hetgeen in artikel 4:5 is bepaald ten aanzien van onvolledige of
anderszins ondeugdelijke aanvragen.
Indien de aanvraag ook na de
bij de aanmaning gestelde nieuwe termijn niet is ingediend, kan het
bestuursorgaan de subsidie ambtshalve vaststellen, op basis van de hem ter beschikking staande gegevens. Dit
betekent dat het
bestuursorgaan dan bevoegd is de kosten van de gesubsidieerde activiteit,
indien deze voor de vaststelling van belang zijn, zo nodig te schatten. Voor de
ontvanger zal dit veelal ongunstiger uitkomen dan vaststelling op
basis van de werkelijke kosten, zodat de ontvanger er belang bij
heeft zijn aanvraag tijdig in te dienen.
Artikel 4.2.5.4
[4:45]
Alvorens de subsidie wordt
vastgesteld, dient de aanvrager of ontvanger van de subsidie
aan het bestuursorgaan verantwoording af te leggen over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
inkomsten. De aanvraag tot
vaststelling van de subsidie is daarvoor het geschikte moment.
In artikel 4.2.5.4 [4:45]
is deze
algemene notie enigszins nader geconcretiseerd. Zo nodig kunnen in de
bijzondere subsidieregeling nadere of concretere eisen aan de aanvraag tot vaststelling worden gesteld.
Artikel
4.2.5.4 [4:45] is beperkt tot twee
eisen waaraan de aanvraag steeds zal moeten voldoen.
In het eerste lid wordt geëist dat de aanvrager aantoont dat ook daadwerkelijk de
activiteiten hebben plaatsgevonden die de overheid beoogt te subsidiëren, en
op de wijze die de overheid voor ogen had. Maatgevend daarvoor zijn de
aan de subsidie verbonden verplichtingen, zoals die volgen uit de
toepasselijke wettelijke voorschriften en, indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, uit die beschikking of een latere uitwerking
daarvan op grond van artikel 4.2.4.3 [4:40].
Het tweede lid ziet op de
financiële verantwoording. De aanvrager moet aangeven welke uitgaven voor
de gesubsidieerde of te subsidiëren activiteit zijn gedaan, alsmede of daaruit inkomsten zijn voortgevloeid, en
zo ja, welke, uiteraard voor
zover deze inkomsten en uitgaven voor de vaststelling van de subsidie
van belang zijn.
Welke eisen precies aan de
in het eerste en tweede lid bedoelde verslaglegging en
verantwoording worden gesteld, kan niet in algemene zin worden aangegeven.
Deze
eisen zullen variëren met de aard van de subsidie, de aard van de
subsidieontvanger en de hoogte van de subsidie. Van instellingen
wordt veelal een jaarverslag en een financieel verslag verlangd (vgl.
afdeling 4.2.8), maar bij een subsidie voor een rblz.|72|
concreet in de tijd begrensd
project of een subsidie aan een natuurlijk persoon zal een andere vorm
gekozen moeten worden. In sommige gevallen, met name bij
grotere subsidies aan bedrijven en instellingen, ligt het in de rede een
goedkeurende accountantsverklaring te verlangen, maar in andere gevallen
zullen de kosten daarvan onevenredig zijn in verhouding tot de hoogte van
de subsidie.
Op grond van artikel 4.2.4.0 [4:37], eerste
lid, onderdeel f, kunnen met betrekking tot de verslaglegging en het
afleggen van rekening en verantwoording verplichtingen worden opgelegd die de algemene norm van
artikel 4.2.5.4
[4:45] concretiseren. Niettemin is
het gewenst in algemene zin de norm vast te leggen dat de
subsidieontvanger verantwoording moet afleggen alvorens de subsidie definitief kan
worden vastgesteld. Ook wanneer de subsidie niet op een wettelijk
voorschrift berust of het wettelijk voorschrift ter zake geen concrete voorschriften
bevat, zal op een bij de aard van de subsidieverhouding passende wijze
aan deze norm moeten worden voldaan.
Artikel 4.2.5.5
[4:46]
Eerste lid
Het eerste lid van
artikel
4.2.5.5 [4:46] bepaalt dat, indien een beschikking tot subsidieverlening is
gegeven, de subsidie overeenkomstig de verlening wordt vastgesteld. Dat is
het normale geval. Indien de gesubsidieerde activiteit heeft
plaatsgevonden zoals voorzien en de ontvanger aan zijn verplichtingen heeft
voldaan, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag dat in de beschikking tot
subsidieverlening is genoemd, dan wel aan de hand van in de beschikking
tot subsidieverlening genoemde factoren kan worden berekend.
Tweede lid
Het tweede lid geeft het
bestuur de bevoegdheid om in een aantal gevallen de subsidie lager -
onder omstandigheden dus ook op nihil - vast te stellen dan uit de subsidieverlening zou volgen. De genoemde gronden
zijn vergelijkbaar met die
waarop de subsidie kan worden geweigerd (artikel 4.2.3.7 [4:35]). Het zijn
gronden waarop naar huidig recht veelal de subsidie kan worden
ingetrokken.
Zoals reeds in het algemeen
gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting is uiteengezet,
wordt de functie van de intrekking in het stelsel van de Algemene
wet bestuursrecht in belangrijke mate overgenomen
door de lagere vaststelling
van de subsidie. In de meeste gevallen is de subsidievaststelling immers
het eerste en enige moment waarop het bestuursorgaan de
gelegenheid krijgt de gesubsidieerde activiteit te beoordelen. Slechts in een
beperkt aantal gevallen is daarnaast nog intrekking nodig, namelijk
wanneer het bestuursorgaan reeds vóór het tijdstip waarop de subsidie
normaliter zou worden vastgesteld constateert dat er iets zodanig mis gaat
dat er ingegrepen moet worden (zie artikel 4.2.6.1 [4:48]).
De in onderdeel
a van het
tweede lid genoemde grond spreekt voor zichzelf. Voor zover de
activiteiten niet hebben plaatsgevonden, kan de ontvanger daarvoor ook geen
subsidie toekomen.
Onderdeel b maakt het
mogelijk de subsidie lager vast te stellen bij wijze van reactie op het
niet nakomen van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Deze mogelijkheid komt overeen met de naar huidig recht
in een dergelijk geval
veelal bestaande bevoegdheid tot intrekking van de subsidieverlening.
Onderdeel c ziet op
verstrekken van onjuiste gegevens. Anders dan in artikel 4.2.3.7 [4:35]
is hier niet
de eis gesteld dat de ontvanger van die onjuistheid op de hoogte was of behoorde te zijn. Indien
achteraf blijkt
rblz.|73|
dat bijvoorbeeld gegevens
over het inkomen van de aanvrager of de omvang van de activiteit
onjuist waren, kan er aanleiding zijn de subsidie aan te passen, ook als de
onjuistheid niet aan de ontvanger bekend kon zijn. Wel kan de
verwijtbaarheid, net als bij de overige in het tweede lid genoemde gronden, een rol
spelen bij het bepalen van de omvang van de verlaging.
Bij de in onderdeel d genoemde grond gaat het om
gevallen waarin de subsidieverlening kennelijk
onjuist is, anders dan als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de aanvrager. In de jurisprudentie
is sinds lang erkend dat
beschikkingen op deze grond kunnen worden ingetrokken. Een bekend
voorbeeld is dat van de beschikking waarin als gevolg van een typefout een
subsidiebedrag is genoemd dat een factor tien te hoog ligt. Ook in
gevallen waarin de ontvanger uit eerdere contacten met het bestuur
niet in redelijkheid kan menen dat het bestuur de beschikking heeft willen
geven zoals zij naar de letter luidt, kan de ontvanger zich niet op het
formele standpunt stellen dat de letter van de beschikking steeds
beslissend is.
In geval van faillissement of
surséance van betaling zal vaak een lagere vaststelling van de subsidie
op één van de onder a of b genoemde gronden mogelijk zijn. Voor zover de ontvanger echter de activiteiten
volledig heeft verricht en
ook anderszins zijn verplichtingen nakomt, is faillissement of surséance
niet zonder meer een grond om de subsidie lager of op nihil vast te
stellen. In dat geval zouden daardoor immers de schuldeisers van de
subsidieontvanger op onredelijke wijze benadeeld worden.
De omvang van de verlaging
hangt van verschillende factoren af. In het geval onder a zal de
subsidie uiteraard op nihil worden vastgesteld indien de gesubsidieerde activiteit
in het geheel niet is verricht. Maar ook als de activiteiten gedeeltelijk
wel zijn verricht, kan vaststelling op nihil in de rede liggen. Vaak zal dan
immers gezegd moeten worden dat niet de activiteit is verricht die
het bestuursorgaan bij het verlenen van de subsidie voor ogen stond. Zo
zal het bestuursorgaan geen subsidie - ook niet de halve subsidie -
hoeven geven voor een maar half uitgevoerd onderzoek. Evenzo zal
indien de voorzieningen om een woning geschikt te maken voor een gehandicapte slechts gedeeltelijk zijn aangebracht,
vaak geconcludeerd moeten
worden dat de woning nog altijd niet geschikt is voor bewoning
door de betrokken gehandicapte, zodat het doel van de subsidie niet is
bereikt en de subsidie op die grond op nihil moet worden vastgesteld. Dat zou
slechts anders zijn indien uit de betrokken regeling zou moeten worden
afgeleid dat zij mede ten doel heeft het bevorderen van het
gedeeltelijk geschikt maken van woningen.
Ook indien subsidie is
verleend voor de aanleg van vijf hectare bos en bij de vaststelling blijkt slechts
vier hectare te zijn aangelegd, volgt daaruit niet zonder meer dat de subsidie moet
worden vastgesteld op 80% van het bedrag van de verlening. Het staat
immers niet vast dat ook voor vier hectare subsidie zou zijn verleend. Het kan
zijn dat uit de subsidieregeling of uit het beleid van het bestuursorgaan
voortvloeit dat projecten onder de vijf hectare niet worden
gesubsidieerd of dat
een kleiner project bij de verdeling van het subsidieplafond minder
prioriteit zou hebben gekregen. In dergelijke gevallen kan de subsidie
onder omstandigheden op nihil worden vastgesteld, ook al is de activiteit gedeeltelijk wel verricht
(vgl. bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 8 april 1993, AB
1993, 351; Afd. rechtspraak 18 mei 1993, Afd. rechtspraak 26 juli 1993, Afd.
rechtspraak 13 september 1993, AB 1994, 290-292).
Vloeit daarentegen uit de
subsidieregeling of het beleid van het bestuursorgaan voort dat
voor iedere hectare bos aanspraak bestaat op een bepaald bedrag aan subsidie, dan ligt het wel voor de hand te korten
met het bedrag dat
overeenkomt met het niet-gerealiseerde deel. Men bedenke echter dat een
dergelijke afwijking van het plan waarvoor subsidie is verleend in de
praktijk vaak samengaat met het niet nakomen rblz.|74|
van een verplichting
(bijvoorbeeld het niet tijdig melden van de afwijking). Dat laatste kan dan een
tweede, zelfstandige grond voor verlaging opleveren, die naast de
eerste kan worden toegepast.
Eén en ander laat onverlet dat ook bij het lager vaststellen van een subsidie
artikel 3:4, tweede
lid, van toepassing is. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de daarmee te
dienen doelen (vgl. Vz. Afd. rechtspraak 21 januari 1993, AB 1993, 350).
Met het voorgaande is slechts betoogd dat van zodanige onevenredigheid
niet reeds sprake is zodra de verlaging verder gaat dan hetgeen strikt
rekenkundig overeenkomt met het niet-verrichte deel van de activiteit.
In het geval, bedoeld onder
b (niet voldoen aan de verplichtingen), zal, voor zover de (materiële)
wetgever dat niet reeds heeft gedaan, eveneens een afweging moeten worden
gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de
gevolgen van de verlaging voor de ontvanger. Daarbij zijn tevens de ernst
van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden
verweten van belang. Dit sluit overigens niet dat het niet voldoen aan
een administratieve verplichting (bijvoorbeeld het gereed melden van
een gesubsidieerde voorziening) soms tot vaststelling op nihil kan
leiden. Onder omstandigheden kan het belang van handhaving van
dergelijke verplichtingen immers zwaar wegen, bijvoorbeeld in verband met
een doelmatige uitvoering van de regeling of in verband met het tegengaan
van misbruik of oneigenlijk gebruik.
Indien onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt (artikel 4.2.5.5 [4:46], tweede lid, onderdeel
c), kan de
subsidie in ieder geval worden vastgesteld op het bedrag dat uit de juiste
gegevens voortvloeit. Datzelfde geldt als de subsidieverlening anderszins
onjuist was (onderdeel d).
Derde lid
In een aantal gevallen wordt
subsidie verleend voor de werkelijke kosten van een activiteit.
Hoewel een dergelijk systeem in beginsel niet aantrekkelijk is, omdat er
geen stimulans voor een doelmatige besteding van middelen van uitgaat, is
het soms onvermijdelijk. Als de subsidie bijvoorbeeld slechts aan
één ontvanger wordt verstrekt, zal het ontwikkelen van een systeem van
genormeerde kosten soms niet de moeite lonen. Niettemin dient ook
dan voorkomen te worden dat de subsidiegever wordt benadeeld
doordat onredelijk hoge kosten worden gemaakt. In de praktijk gebeurt dit
bijvoorbeeld wel eens doordat een gesubsidieerde instelling tegen een
te hoge prijs diensten betrekt van een zogenaamde steunstichting
of tegen een te lage prijs diensten verleent aan derden. Het voorschrift
van artikel 4.2.3.3 [4:31], tweede lid,
dat de subsidie aan een maximum moet worden
gebonden, is daartoe niet voldoende, omdat immers ook zonder dat
het maximum wordt overschreden onredelijke kosten kunnen
worden opgevoerd.
Specifiek tegen bijvoorbeeld
oneigenlijk gebruik van steunstichtingen gerichte bepalingen, die in
bestaande subsidieregelingen wel voorkomen, blijken echter in de praktijk soms moeilijk toepasbaar. Bovendien komt het
ook in andere situaties en
bij andere subsidies dan subsidies aan instellingen voor dat kosten
worden gemaakt die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
aangemerkt. Daarom bepaalt het derde lid in algemene zin dat, voor
zover subsidie is verleend voor de werkelijke kosten van een activiteit,
kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd
buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 4.2.5.6
[4:47]
De hoofdregel is dat de
subsidie op aanvraag van de ontvanger wordt vastgesteld. Deze hoofdregel
lijdt uitzondering in de in artikel 4.2.5.6 [4:47]
opgesomde gevallen. Het komt voor dat het bestuursorgaan geen rblz.|75|
behoefte heeft aan een
afzonderlijke aanvraag tot vaststelling, omdat het reeds uit andere hoofde
(bijvoorbeeld door tussentijdse gegevensverstrekking, vgl. artikel
4.2.4.0 [4:37], eerste lid, onderdeel c) over de benodigde gegevens beschikt. In dat
geval zou de aanvraag slechts een overbodige administratieve handeling
zijn. Daarom is in onderdeel a de mogelijkheid geboden bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening van het vereiste van een aanvraag
af
te wijken. De eis dat uitdrukkelijk wordt bepaald dat geen aanvraag
behoeft te worden ingediend, houdt verband met het grote belang dat de
vaststelling uit oogpunt van rechtszekerheid voor de ontvanger heeft. Er
mag geen twijfel bestaan over de noodzaak een aanvraag in te dienen,
noch over de termijn waarbinnen de vaststelling moet
geschieden. Daarom is in onderdeel a tevens bepaald dat het wettelijk
voorschrift of de subsidieverlening de termijn moet aangeven binnen welke de
ambtshalve vaststelling geschiedt.
Onderdeel b betreft het
geval waarin artikel 4.2.5.3 [4:44], vierde lid, wordt toegepast. Verwezen zij naar
de toelichting op dat artikel [4:44]. Onderdelen
c en d zien op gevallen waarin de
hoogte van de subsidie ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.
Ook bij intrekking met terugwerkende kracht kan nog een vaststelling
nodig zijn, omdat deze niet zonder meer meebrengt dat de subsidie op
nul kan worden vastgesteld. Bij een gedeeltelijke intrekking kan
immers nog een subsidiebedrag resteren.
In deze gevallen ligt het
echter niet in de rede van de ontvanger te verwachten dat deze een
aanvraag tot vaststelling indient. Daarom is bepaald dat het bestuursorgaan dan ambtshalve tot vaststelling van de
subsidie kan overgaan.
Afdeling
4.2.6. Intrekking en wijziging
Deze afdeling regelt de
intrekking en wijziging van subsidiebeschikkingen. De term "wijziging" ziet hier steeds op wijziging ten nadele van de ontvanger.
Afdeling 4.2.6 regelt niet de wijziging ten voordele van de ontvanger.
Daaraan zijn in beginsel slechts twee beperkingen gesteld. In de
eerste plaats is het mogelijk dat een wettelijk voorschrift zich tegen een
dergelijke wijziging verzet. In de tweede plaats is het in een beperkt aantal
gevallen mogelijk dat een derde door de wijziging ten gunste van de
ontvanger rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Dit kan zich
bijvoorbeeld voordoen indien de ontvanger het bestuursorgaan verzoekt een
verplichting die strekt tot het beperken of wegnemen van de nadelige
gevolgen van de subsidie voor derden op te heffen. Of zo'n verzoek kan
worden ingewilligd, dient te worden beoordeeld aan de hand van de
evenredigheidsmaatstaf van artikel 3:4, tweede lid,
Algemene wet
bestuursrecht en de overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Afdeling 4.2.6 valt in twee
onderdelen uiteen. De artikelen 4.2.6.1 [4:48]
en 4.2.6.2 [4:49] regelen de
intrekking of wijziging met terugwerkende kracht van de beschikking tot subsidieverlening respectievelijk de beschikking tot
subsidievaststelling. Deze
is mogelijk indien de beschikking als gevolg van omstandigheden die (mede)
voor rekening van de ontvanger komen niet de beoogde werking blijkt te
hebben, alsmede wanneer een voorwaarde wordt ingeroepen. Het kan
hier enerzijds gaan om een sanctie, anderzijds om herstel van onjuistheden
die niet uitsluitend voor rekening van het bestuursorgaan behoren te
komen. Deze bepalingen zijn een noodzakelijke aanvulling op de
mogelijkheid de subsidie lager vast te stellen dan overeenkomstig de
subsidieverlening (artikel 4.2.5.5 [4:46]).
De artikelen 4.2.6.3
[4:50]
en
4.2.6.4 [4:51]
zien op een andere situatie, namelijk die waarin het bestuursorgaan
voor de toekomst een einde wil maken aan of een wijziging wil aanbrengen
in een bestaande subsidieverhouding. Uit de jurisprudentie blijkt dat
degene die gedurende een wat langere aaneengesloten periode
subsidie heeft ontvangen voor een voortdurende
rblz.|76|
activiteit, daaraan onder
omstandigheden een gerechtvaardigd vertrouwen op de
voortzetting van de subsidie mag ontlenen. Dit betekent dat het
bestuursorgaan slechts op een beperkt aantal gronden een einde mag maken aan de
subsidieverhouding en dit in ieder geval niet nauwelijks mag doen
(zie o.m. Afd. rechtspraak 7 oktober 1977, AB 1978, 7, tB/S III, nr. 35; Afd.
rechtspraak 6 februari 1981, AB 1982, 205; Afd. rechtspraak 12 december
1985, AB 1986, 346).
Hier doet zich echter de complicatie voor dat de omschrijving "een einde
maken aan de subsidieverhouding" twee juridisch gezien nogal
verschillende situaties dekt.
Artikel 4.2.6.3 [4:50]
betreft het geval dat een bestuursorgaan gedurende het tijdvak waarvoor een
subsidie is verleend de subsidie wil stopzetten, dan wel het bedrag daarvan wil
verlagen of een wijziging wil aanbrengen in de verplichtingen van de
ontvanger. Juridisch gezien komt dit neer op een intrekking of wijziging
"ex nunc" van de beschikking tot subsidieverlening. Aangezien een
dergelijke intrekking of wijziging in beginsel een inbreuk betekent op het
gerechtvaardigd vertrouwen van de subsidieontvanger dat, zolang hij
zijnerzijds zijn verplichtingen nakomt, de subsidiëring overeenkomstig
de subsidieverlening zal plaatsvinden, ligt het voor de hand dat daaraan
vrij zware eisen worden gesteld.
Artikel 4.2.6.4 [4:51]
betreft het geval dat het bestuursorgaan na afloop van het tijdvak waarvoor een
subsidie is verleend de subsidie wil stopzetten of het bedrag daarvan wil
verlagen. Er is dan geen sprake van intrekking of wijziging van een
beschikking; het gaat immers om de situatie waarin de beschikking reeds door het
verstrijken van het tijdvak waarvoor zij is gegeven haar werking heeft
verloren. Het gaat in dit geval om het al of niet geven van een nieuwe
beschikking voor een aansluitende periode. Het verband met de
intrekking van beschikkingen voor de toekomst ligt in de omstandigheid dat
volgens de jurisprudentie een subsidieontvanger onder omstandigheden ook aan
een reeks opeenvolgende subsidieverleningen een zeker
vertrouwen op hernieuwde subsidiëring voor een aansluitend tijdvak kan
ontlenen. Maar uit de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak blijkt
de subsidieontvanger minder sterk mag vertrouwen op het geven van
een nieuwe beschikking tot subsidieverlening dan op handhaving
van een reeds gegeven beschikking tot subsidieverlening (Afd.
rechtspraak 21 maart 1985, tB/S III, nr. 605; vgl. ook Afd. rechtspraak
25 oktober 1979,
AB 1980, 198). Ook hier moet steeds een redelijke termijn in acht
worden genomen, maar een wijziging van beleid is in beginsel voldoende
grond voor beëindiging, terwijl in het geval van intrekking voor de toekomst
veelal meer zwaarwegende redenen worden geëist (vgl. bijvoorbeeld Afd.
rechtspraak 27 september 1982, AB 1983, 178). In het onderhavige voorstel is
ervoor gekozen deze lijn uit de jurisprudentie door te trekken. Dit past in
het streven naar een meer bewust gevoerd en doelmatiger subsidiebeleid,
doordat de overheid de ruimte wordt gelaten om de opportuniteit en
doelmatigheid van de subsidiëring periodiek te heroverwegen.
Eén en ander is van groot
praktisch belang voor langlopende subsidies aan instellingen. Deze
hebben in de praktijk vaak de vorm van reeks opeenvolgende subsidieverleningen voor één jaar, doch ook subsidies
voor meer jaren komen voor.
Dit heeft gevolgen voor de mate waarin de instelling wordt beschermd
tegen wijziging of beëindiging van de subsidie. Immers, die
bescherming is aan het einde van de looptijd van de subsidieverlening zwakker
dan gedurende de looptijd. Bij eenjarige subsidieverleningen komt de
instelling jaarlijks in die zwakkere positie, bij bijvoorbeeld vierjarige
subsidieverleningen slechts eens in de vier jaar.
Artikel 4.2.6.1
[4:48]
Deze bepaling regelt de
gronden waarop de subsidieverlening met terugwerkende kracht kan
worden ingetrokken. Zoals in het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk, onder het hoofdje
"Handhaving", reeds werd rblz.|77|
uiteengezet, bestaat in het
stelsel van de Algemene wet bestuursrecht slechts in beperkte mate
behoefte aan een dergelijke intrekkingsmogelijkheid, omdat de
functie daarvan in belangrijke mate wordt vervuld door de mogelijkheid de
subsidie lager vast te stellen dan overeenkomstig de subsidievaststelling
(artikel 4.2.5.5 [4:46]). Een aanvullende mogelijkheid tot intrekking "ex
tunc" van de
subsidieverlening is echter noodzakelijk, om te voorkomen dat het
bestuursorgaan in geval van onregelmatigheden pas zou kunnen ingrijpen op
het moment waarop normaal gesproken de vaststelling zou plaatsvinden. In plaats daarvan is gekozen voor het
systeem dat het
bestuursorgaan bij tussentijdse constatering van onregelmatigheden de
subsidieverlening kan intrekken en daarna zo nodig ambtshalve tot vaststelling
kan overgaan (artikel 4.2.5.6 [4:47], onderdeel
c).
De gronden waarop de
subsidieverlening kan worden ingetrokken, zijn, behoudens die genoemd in
artikel 4.2.6.1 [4:48], eerste lid, onderdeel
e, dezelfde als die waarop de subsidie
lager kan worden vastgesteld. Voor een toelichting op de onder a
tot en met d genoemde gronden zij verwezen naar de toelichting op
artikel 4.2.5.5 [4:46]. De onder e genoemde grond houdt verband met de mogelijkheid
de subsidie onder voorwaarde te verlenen. De duidelijkheid kan er dan
mee gediend zijn dat een beroep op de voorwaarde gepaard gaat met
een uitdrukkelijke intrekking van de subsidieverlening. Voor het
begrotingsvoorbehoud is dit laatste zelfs voorgeschreven. Verwezen zij
verder naar de toelichting op de artikelen 4.2.3.5
[4:33]
en 4.2.3.6 [4:34].
Hier zij nog opgemerkt dat
de onder a genoemde intrekkingsgrond mede goede diensten kan
bewijzen in geval van faillissement of surséance van de
subsidieontvanger.
Immers, faillissement zal veelal, en surséance kan meebrengen dat de
activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel meer plaatsvinden of zullen plaatsvinden. In dat geval kan het
bestuur tot intrekking
overgaan, alsmede daarop vooruitlopend de betaling van eventuele
voorschotten opschorten (artikel 4.2.7.5 [4:56]). Aan deze constructie is de voorkeur
gegeven boven het van rechtswege vervallen van de beschikking tot
subsidieverlening, omdat zij de mogelijkheid biedt een genuanceerd beleid te
voeren, alsmede omdat het nemen van een expliciete beslissing
omtrent intrekking voor alle betrokkenen meer duidelijkheid schept.
Het spreekt vanzelf dat de
subsidieverlening slechts kan worden ingetrokken zolang de
subsidie nog niet is vastgesteld. Na de vaststelling is intrekking van de
verlening zinloos, omdat daardoor de uit de vaststelling voortvloeiende
aanspraak op financiële middelen niet wordt aangetast.
De intrekking of wijziging
heeft terugwerkende kracht tot op het moment van de verlening,
tenzij bij het besluit tot intrekking of wijziging anders is bepaald. De
mogelijkheid dat het bestuursorgaan anders bepaalt, is opgenomen omdat, met
name bij subsidies voor voortdurende activiteiten, de
redelijkheid soms zal eisen dat de intrekking niet verder terugwerkt dan tot op het
moment waarop de activiteiten zijn beëindigd of het moment waarop in strijd
met de verplichtingen is gehandeld.
Artikel 4.2.6.2
[4:49]
Omdat de beschikking tot
subsidievaststelling een definitieve aanspraak op financiële middelen
vestigt, dient zij in beperktere mate intrekbaar te zijn dan een beschikking tot
subsidieverlening. Aan intrekking bestaat ook minder behoefte, omdat de
vaststelling veelal na afloop plaatsvindt. Dat betekent dat ten tijde van
de vaststelling reeds kan worden beoordeeld of de activiteiten hebben
plaatsgevonden, de verplichtingen zijn nagekomen e.d. Daarom is bepaald dat
de vaststelling op deze gronden slechts kan worden ingetrokken voor
zover de desbetreffende feiten of omstandigheden het bestuursorgaan bij
de vaststelling niet bekend konden zijn. Dat betekent niet in alle
gevallen dat de feiten zich eerst na de rblz.|78|
subsidievaststelling moeten hebben
voorgedaan. Vooral bij wat meer complexe subsidies aan instellingen
komt het ook voor dat na de vaststelling correcties moeten worden
aangebracht op ten behoeve van de vaststelling verstrekte
gegevens, bijvoorbeeld met betrekking tot aantallen subsidiabele eenheden of
salariskosten.
Daarnaast is voorzien in de
mogelijkheid van intrekking in geval van kennelijke onjuistheid van
de vaststelling. Zo'n onjuistheid levert immers niet steeds een grond op
waarop de subsidie lager had kunnen worden vastgesteld. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld bij de vaststelling een rekenfout is gemaakt,
waardoor de subsidie op een hoger bedrag is vastgesteld dan uit de
subsidieverlening volgt. Ten slotte is voorzien in de mogelijkheid van intrekking
bij niet-nakoming van na de subsidievaststelling voortdurende
verplichtingen (onderdeel c).
Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat alle genoemde intrekkingsgronden evenzeer kunnen
worden toegepast indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven.
Het derde lid
bepaalt dat
de subsidievaststelling na vijf jaar niet meer kan worden ingetrokken of
gewijzigd. Het is uit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst de mogelijkheid van intrekking aan een termijn
te binden. De termijn van
vijf jaar na de vaststelling geeft een redelijk evenwicht tussen het belang
van de overheid bij het ongedaan maken van onjuiste
subsidievaststellingen enerzijds en de rechtszekerheid van de ontvanger anderzijds.
Aanknopingspunt voor het
begin van de vijfjarentermijn is in de meeste gevallen de dag
waarop de subsidieverlening is bekendgemaakt. Indien niet is voldaan aan
een na de vaststelling voortdurende verplichting, begint de
termijn te lopen op de dag na die waarop een handeling in strijd met de
verplichting is verricht, dan wel, indien het niet voldoen bestaat in een
nalaten (bijvoorbeeld niet betalen van een krediet of niet gereed melden
van een voorziening), op de dag na de dag waarop de verplichting
uiterlijk had moeten worden nagekomen.
Artikel 4.2.6.3
[4:50]
De achtergrond van deze
bepaling en haar verhouding tot artikel 4.2.6.4 [4:51]
zijn reeds toegelicht in de
algemene toelichting op deze afdeling. Op deze plaats wordt nog ingegaan op
de verschillende gronden voor intrekking "ex nunc". Intrekking voor
de toekomst is allereerst mogelijk indien veranderde omstandigheden of
gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting van
de subsidie verzetten.
Met de woorden "in
overwegende mate" is beoogd uit te drukken dat er zwaarwegende redenen moeten
zijn om de subsidiebeschikking in te trekken. Intrekking van een
begunstigende beschikking, waarbij teruggekomen wordt op in beginsel
reeds verleende aanspraken, is een ingrijpende beslissing. Het enkele
feit dat het bestuur van gedachten is veranderd, is daarvoor
onvoldoende grond (vgl. Afd. rechtspraak 27 september 1982, AB 1983, 178;
Afd. rechtspraak 23 oktober 1979, AB 1980, 198; Afd. rechtspraak 16
oktober 1984, AB
1985, 190). Het moet gaan om hetzij onvoorziene omstandigheden die een
zwaarwegende reden opleveren, hetzij een beleidswijziging waarvoor
zwaarwegende redenen zijn aan te voeren.
Wanneer sprake is van een
zwaarwegende reden is niet in het algemeen aan te geven. In één
uitspraak achtte de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak een uitspraak
van de Tweede Kamer dat de subsidiëring politiek ongewenst was
voldoende (Vz. Afd. rechtspraak 3 januari 1980, AB 1980, 353), in een ander
geval werd een Kameruitspraak op zichzelf onvoldoende geacht (Vz. Afd.
rechtspraak 16 oktober 1984, tB/S, VII, nr. 252). De dwingende noodzaak tot
bezuinigen kan voldoende zijn (Afd. rechtspraak 28 maart 1985, AB 1985,
600; Afd. rechtspraak 14 december 1984, tB/S, III, rblz.|79|
nr. 578), maar is dat niet per
definitie (Pres. Rb. 's-Gravenhage 10 november 1987, KG 1987, 512). De specifieke
omstandigheden van het geval zullen uiteindelijk bepalend zijn. Daarbij
speelt ook de door de overheid bij de intrekking betrachte zorgvuldigheid een
rol, alsmede de vraag of de gevolgen van de intrekking voor de
subsidieontvanger (en eventueel diens werknemers en cliënten) niet onevenredig
zijn in verhouding tot de met de intrekking te dienen belangen (vgl.
artikel 3:4, tweede lid).
Deze intrekkingsgrond komt
uiteraard niet aan de orde voor zover uit het wettelijk voorschrift
waarop de subsidie berust - of enig ander wettelijk voorschrift - een verplichting tot voortzetting van de subsidiëring
voortvloeit.
Intrekking is voorts steeds
mogelijk wanneer de subsidieverlening onjuist was. Indien de
subsidieontvanger deze onjuistheid kende of behoorde te kennen, is zelfs
intrekking met terugwerkende kracht mogelijk (artikel 4.2.6.1 [4:48]). Ook
wanneer dat niet het geval is, kan echter niet van de overheid wordt verlangd dat
zij een ten onrechte verleende subsidie zonder meer voortzet. Het
vertrouwen dat de burger in het algemeen mag hebben op de juistheid van
overheidsbeschikkingen wordt voldoende beschermd door het in acht nemen van een redelijke termijn bij de wijziging of intrekking voor
de toekomst en het vergoeden van de uit de intrekking of wijziging
voortvloeiende schade.
Intrekking voor de toekomst
is ten slotte mogelijk in andere bij wettelijk voorschrift geregelde
gevallen. In die gevallen kon de ontvanger rekening houden met de mogelijkheid
van intrekking. Dat betekent wel dat moet zijn aangegeven in welke
gevallen intrekking mogelijk is; de enkele opmerking dat intrekking
mogelijk is, volstaat niet.
Deze intrekkingsgrond ziet
niet op gevallen waarin de ontvanger de gesubsidieerde activiteiten
beëindigt of ophoudt aan zijn verplichtingen te voldoen. In die gevallen
is
intrekking op grond van artikel 4.2.6.1 [4:48]
mogelijk. Men denke hier veeleer aan gevallen waarin de ontvanger niet langer behoort tot de categorie van
personen die ingevolge wettelijk voorschrift voor de subsidie in
aanmerking komen, bijvoorbeeld omdat gedurende het jaar waarvoor de
subsidie is verleend zijn inkomen boven een gestelde inkomensgrens
stijgt, of aan specifieke intrekkingsgronden, zoals de bepaling dat een subsidie
aan een vereniging kan worden ingetrokken wanneer het ledental beneden
een bepaalde grens daalt.
Artikel 4.2.6.3
[4:50] schept een
bevoegdheid, niet een verplichting tot intrekking. Dat impliceert dat indien in principe een intrekkingsgrond aanwezig is, vervolgens nog
zal moeten worden nagegaan of, gelet op alle betrokken belangen,
intrekking ook in het concrete geval verantwoord is.
In alle gevallen moet bij de
intrekking voor de toekomst een redelijke termijn in acht genomen
worden. Dit is vaste jurisprudentie (o.m. Afd. rechtspraak 16
april 1979, AB
1979, 520; Afd. rechtspraak 12 december 1985, AB 1986, 346). De lengte van
die termijn zal afhangen van de aard van de subsidie en de
gesubsidieerde activiteiten. In het algemeen zal de ontvanger de tijd moeten
worden gegund om verplichtingen die hij jegens derden is aangegaan en
redelijkerwijs mocht aangaan, op zorgvuldige wijze af te wikkelen. Indien
de ontvanger als gevolg van de intrekking personeel moet ontslaan, zal
hij ten minste in staat moeten worden gesteld de voorgeschreven opzegtermijnen in acht te nemen. Anderzijds
kan de intrekking op kortere
termijn geschieden indien de overheid bereid is verplichtingen jegens
derden over te nemen.
Daarnaast is ook het aandeel
van de subsidie in de middelen van de ontvanger van belang.
Naarmate de intrekking of wijziging sterker ingrijpt in de financiële situatie
van de ontvanger, zal deze immers meer tijd rblz.|80|
moeten worden gegund om zich
op de nieuwe situatie in te stellen. Om dezelfde reden is ook de
mate van ingrijpendheid van de wijziging van belang. Bij een algehele
intrekking zal in het algemeen een langere termijn in acht genomen moeten
worden dan bij een relatief geringe verlaging van het subsidiebedrag.
Bij intrekking wegens
veranderde omstandigheden of inzichten of wegens een onjuistheid van
de subsidieverlening waarvan de ontvanger niet op de hoogte was of behoorde te zijn, zal het bestuursorgaan
bovendien de schade moeten
vergoeden die de ontvanger leidt doordat hij in vertrouwen op de
subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.
De ontvanger behoeft immers met intrekking op deze grond,
anders dan met een intrekking of wijziging die bij wettelijk voorschrift
wordt voorzien, in beginsel geen rekening te houden.
Overigens zijn de plicht een
redelijke termijn in acht te nemen en de verplichting de schade te
vergoeden tot op zekere hoogte te beschouwen als communicerende vaten.
Onder omstandigheden kan een kortere termijn aanvaardbaar zijn,
indien het bestuursorgaan bereid is de daaruit voortvloeiende extra schade
te vergoeden of voor haar rekening te nemen, bijvoorbeeld door nog
lopende verplichtingen over te nemen.
Artikel 4.2.6.4
[4:51]
Eerste lid
Ook op deze bepaling is in
de algemene toelichting op deze afdeling reeds ingegaan. Zoals daar
werd uiteengezet, kan een belanghebbende niet alleen aan een "lopende" beschikking, doch ook aan subsidiëring
gedurende een aantal
opeenvolgende jaren een zeker vertrouwen op voortzetting van de subsidie
ontlenen. Dat vertrouwen is minder sterk dan het vertrouwen dat kan
worden ontleend aan een beschikking waarvan de geldigheidsduur nog niet is
verstreken, maar stelt niettemin grenzen aan de mogelijkheid om een
subsidie voor een aansluitend tijdvak te weigeren. Het maakt daarbij
niet uit of het vertrouwen is gewekt door één meerjarige subsidieverlening
of een reeks eenjarige subsidieverleningen.
Niet iedere
subsidieverlening gedurende een aantal jaren staat aan weigering voor een
aansluitend tijdvak in de weg. Indien een subsidie wordt verleend voor een
project (bijvoorbeeld een onderzoek) met een looptijd van vier jaar, kan
de ontvanger aan de subsidiëring gedurende vier jaren niet het
vertrouwen ontlenen dat de subsidie na afloop van (de vastgestelde looptijd van)
het project zal worden voortgezet. Gerechtvaardigd vertrouwen op
voortzetting kan slechts ontstaan indien de subsidie naar haar aard van
onbepaalde duur zou kunnen zijn, dat wil zeggen als ook de
gesubsidieerde activiteit naar haar aard van onbeperkte duur is. Dat is bijvoorbeeld
het geval indien het gaat om de exploitatie van een culturele instelling of
een sportaccommodatie. Bij dergelijke voortdurende activiteiten is de
subsidieontvanger veelal ook werkgever. Dat
impliceert dat hij in de
gelegenheid moet worden gesteld om de arbeidsverhoudingen met de
werknemers, die vaak voor hun rechtspositie van de subsidie afhankelijk zijn,
op een behoorlijke wijze af te wikkelen. Bij niet-voortdurende
activiteiten doet deze complicatie zich in veel mindere mate voor. Derhalve is
artikel 4.2.6.4 [4:51] slechts van
toepassing indien het gaat om voortdurende
activiteiten.
Voorts kan niet iedere
subsidieverlening voor voortdurende activiteiten tot een gerechtvaardigd
vertrouwen op voortzetting leiden. Dat is pas het geval indien de subsidiëring gedurende een wat langere periode heeft
plaatsgevonden. Een probleem
daarbij is dat uit de jurisprudentie niet valt af te leiden hoe lang die
periode moet zijn om een beschermenswaardig vertrouwen te doen ontstaan.
Iedere termijn is tot op zekere hoogte rblz.|81|
arbitrair. Er is echter voor
gekozen dit nadeel op de koop toe te nemen, terwille van de
duidelijkheid en rechtszekerheid die alle betrokkenen kan worden geboden door een
termijn te noemen. Gekozen is voor een termijn van drie jaar.
Ook indien voor drie of meer
achtereenvolgende jaren subsidie is verleend voor een
voortdurende activiteit, kan de aanvraag voor een volgende periode uiteraard
worden afgewezen indien een wettelijk voorschrift zich tegen
toewijzing verzet. Men denke aan het geval dat bij gemeentelijke verordening is
bepaald dat slechts subsidie wordt verleend aan sportverenigingen met
ten
minste honderd leden. Uiteraard kan dan, ook na langdurige
subsidiëring, de subsidie worden geweigerd aan een vereniging die niet meer aan
dat vereiste voldoet.
Weigering wegens veranderde
inzichten of gewijzigde omstandigheden is echter slechts mogelijk
met inachtneming van een redelijke termijn (en uiteraard slechts voor zover
de betrokken subsidieregeling daartoe de beleidsvrijheid biedt). Voor
de bepaling van de lengte van de redelijke termijn zijn dezelfde
factoren van belang als bij de intrekking of wijziging van een "lopende"
subsidieverlening. Verwezen zij naar de toelichting
op artikel 4.2.6.3
[4:50].
Waar intrekking slechts
mogelijk is als veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in
overwegende mate tegen voortzetting van de subsidie verzetten, is voor
weigering voor een aansluitend tijdvak de enkele verandering van
omstandigheden of beleidswijziging voldoende, mits daarbij een redelijke
termijn in acht wordt genomen. Zoals hiervoor is uiteengezet, hangt dit
samen met het feit dat de ontvanger in het algemeen aan het einde van
de looptijd van een subsidieverlening minder sterk op voortzetting van de
subsidie mag vertrouwen dan gedurende de looptijd van de
subsidieverlening. Het belang van de flexibiliteit van het beleid weegt dan
dienovereenkomstig zwaarder. Daarbij past dat in dit geval ook geen verplichting
tot schadevergoeding bestaat indien de subsidie wegens
beleidswijziging wordt beëindigd of verminderd.
Weigering met inachtneming
van een redelijke termijn betekent dat de weigering tijdig moet worden
aangekondigd. Indien de beslissing op de aanvraag voor een volgend
tijdvak tijdig vóór de aanvang van dit tijdvak wordt genomen, kan deze
aankondiging samenvallen met de weigering zelf. Indien dit niet het
geval is, bijvoorbeeld omdat op het moment dat de beslissing tot beëindiging
wordt genomen nog geen aanvraag voor de volgende periode is
ingediend, is de aankondiging een zelfstandige beschikking, waartegen
bezwaar of beroep openstaat. Dat is ook gewenst; indien pas beroep zou
openstaan bij de daadwerkelijke weigering, zou dat in dit geval voor de
ontvanger te laat zijn. Voor een toename van het aantal bezwaar- en
beroepsprocedures behoeft niet te worden gevreesd; veelal zal in deze gevallen
ten tijde van de beslissing op de aanvraag de uitslag van een eventuele
tegen de aankondiging aangespannen schorsingsprocedure bekend
zijn, naar aanleiding waarvan hetzij het bestuursorgaan van weigering
zal afzien, hetzij de ontvanger zal beseffen dat een beroep tegen de
weigering kansloos is.
Tweede lid
Het tweede lid geeft
aan
wat dient te geschieden indien de aankondiging van de weigering voor
een volgend tijdvak te laat heeft plaatsgevonden. Het zou te ver
voeren als weigering dan in het geheel niet meer mogelijk zou zijn. In plaats
daarvan is bepaald dat in dat geval de aanvraag moet worden
toegewezen voor een zodanige periode dat tussen de aankondiging en
het einde van de subsidieverhouding een redelijke termijn is
verstreken.
Daarbij geldt in beginsel
dat de subsidie gedurende die resterende periode dezelfde omvang
heeft als voorheen. Dat sluit een geleidelijke rblz.|82|
vermindering van de subsidie
niet uit; die kan immers worden gezien als een gedeeltelijke weigering,
waarvoor de redelijke termijn korter kan zijn dan voor een algehele
weigering. Denkbaar is ook dat onderscheid wordt gemaakt tussen de
verschillende componenten waaruit een subsidie is opgebouwd. Sommige uitgaven
zullen immers sneller kunnen worden verminderd dan andere.
Het kan voorkomen dat voor
deze gedeeltelijke toewijzing geen middelen ter beschikking
zijn gesteld op de begroting voor het volgende jaar. Ook in dat geval dient
echter de gedeeltelijke toewijzing te volgen; het ontbreken van middelen
dient in dit geval voor rekening van het bestuursorgaan te blijven.
Het bestuursorgaan had dit probleem immers kunnen voorkomen door het
voornemen tot beëindiging of vermindering tijdig aan te kondigen.
Derhalve is bepaald dat een uit artikel 4.2.6.4 [4:51], tweede lid, voortvloeiende
verplichting tot gedeeltelijke toewijzing prevaleert boven een
eventueel uit artikel 4.2.2.1 [4:25], eerste lid, voortvloeiende verplichting tot
weigering.
Afdeling
4.2.7. Betaling en terugvordering
Artikel 4.2.7.1 [4:52]
Door de vaststelling van de
subsidie verplicht het bestuursorgaan zich tot daadwerkelijke
uitbetaling van het vastgestelde bedrag. Dit is uitgedrukt in het eerste lid
van artikel 4.2.7.1 [4:52].
Het spreekt vanzelf dat bij
de uitbetaling eventuele voorschotten met de subsidie verrekend worden.
Het zal veelal het meest praktisch zijn om bij de vaststelling van de
subsidie ook het saldo van subsidiebedrag en reeds betaalde voorschotten te
bepalen. Het is echter niet juist om de subsidie vast te stellen op het
bedrag dat overeenkomt met de subsidieverlening minus de verleende
voorschotten. De vaststelling dient te geschieden op het met de verlening
overeenkomende bedrag. Pas bij de uitbetaling worden de reeds betaalde
voorschotten op dat bedrag in mindering gebracht.
Ook is het mogelijk dat het
bedrag van de betaalde voorschotten het bedrag van de vastgestelde
subsidie te boven gaat. In dat geval kan het saldo, als zijnde onverschuldigd betaald, van de
subsidieontvanger
worden teruggevorderd.
De rechtszekerheid
vereist dat de subsidieontvanger weet wanneer hij de betaling van de subsidie
tegemoet kan zien. Derhalve dient de betalingsverplichting van
het bestuursorgaan aan een termijn te worden gebonden. Daarin voorziet
het tweede lid. In het algemeen moet een termijn van vier weken
voldoende worden geacht. Voor bepaalde gevallen zou deze termijn echter te
kort kunnen zijn. Zo is het mogelijk dat de subsidieontvanger bepaalde
uitgaven pas na de vaststelling daadwerkelijk behoeft te doen. Het
kan dan redelijk zijn dat de overheid pas op dat moment verplicht wordt de
gelden over te maken. Daarom is de mogelijkheid geboden om bij wettelijk voorschrift een andere termijn te
stellen.
Omdat ook bij subsidies die
niet op een wettelijk voorschrift berusten de termijn van vier weken in
bijzondere gevallen te kort kan zijn, voorziet het derde lid ook voor die
subsidies in de mogelijkheid een andere termijn te bepalen. Met het oog op de
rechtszekerheid dient dit, zo enigszins mogelijk, reeds bij de
subsidieverlening te geschieden. Slechts indien geen beschikking tot
subsidieverlening wordt gegeven, kan bij de subsidievaststelling nog een
afwijkende betalingstermijn worden bepaald.
Het spreekt vanzelf dat de
te bepalen termijn een redelijke dient te zijn. Uitgangspunt is dat zo
spoedig mogelijk na de subsidievaststelling moet worden betaald. Alleen
indien daarvoor bijzondere redenen zijn, kan de betaling voor langere tijd
worden uitgesteld.
rblz.|83|
Met het verstrijken van de
betalingstermijn wordt de verbintenis tot betaling van het
vastgestelde subsidiebedrag opeisbaar. Dit betekent dat het bestuursorgaan,
indien
het niet tijdig betaalt, zonder ingebrekestelling de wettelijke rente
verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop de termijn verstreken is. Dit volgt uit
de artikelen 6:119 juncto 6:83 NBW.
Artikel 4.2.7.2
[4:53]
Het is niet
ongebruikelijk
dat het subsidiebedrag in termijnen wordt uitbetaald. De bevoegdheid
daartoe is in dit artikel neergelegd. Daarin is het woord "gedeelten" in
plaats van "termijnen" gebruikt, om te voorkomen dat verwarring
ontstaat met het begrip "termijn" in de zin van een bepaald tijdvak.
Het is voor de subsidieontvanger van belang te weten dat de subsidie in gedeelten zal worden
betaald, zodat hij zijn financiële planning daarop kan afstemmen. Daarom is
bepaald dat het bestuursorgaan slechts bevoegd is de subsidie in
gedeelten te betalen indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
Dit zou echter weinig zekerheid bieden indien het bestuursorgaan vrij zou zijn
omvang en frequentie van de gedeelten te bepalen. Daarom moet tevens
worden aangegeven hoe de gedeelten worden berekend en op welke
tijdstippen zij worden betaald. Een simpele aanduiding als "twaalf
gelijke maandelijkse termijnen" kan daartoe overigens al voldoende zijn.
Ook hier is een voorziening
nodig voor subsidies die niet op een wettelijk voorschrift
berusten. Het tweede lid voorziet voor die categorie in de mogelijkheid bij de
subsidieverlening of, indien deze ontbreekt, bij de subsidievaststelling te
bepalen dat in gedeelten wordt betaald, onder dezelfde beperkingen als in
het eerste lid gesteld. In dit geval zal de noodzaak om in gedeelten te
betalen bij de concrete subsidiebeschikking moeten worden gemotiveerd (vgl.
artikel 3.6.1 [3:46]), terwijl voorts uiteraard het aantal en de hoogte van
de gedeelten aan eisen van redelijkheid moeten voldoen.
Artikel 4.2.7.3
[4:54]
De verplichting om het
subsidiebedrag te betalen, ontstaat door de subsidievaststelling, dus
veelal pas na afloop van de gesubsidieerde activiteit. In veel gevallen
zal de ontvanger die activiteit echter niet kunnen verrichten als de overheid
niet vooraf gelden ter beschikking stelt. Dat pleegt dan ook te gebeuren.
Deze betalingen hebben het karakter van voorschotten, die
vooruitlopen op de betaling van de het subsidiebedrag zelf.
Anders dan in het
voorontwerp is, mede op advies van de Interdepartementale Commissie voor de
Harmonisatie van Wetgeving, gekozen voor het stelsel dat de bevoegdheid tot voorschotverlening slechts bestaat
indien dit bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Dit stimuleert
bestuursorganen om zorgvuldig te overwegen of voorschotverlening noodzakelijk is,
en zo ja, welk systeem van bevoorschotting moet worden gehanteerd.
Anders dan thans wel wordt
aangenomen, moet de beslissing om een voorschot te verlenen of te
weigeren als een beschikking worden aangemerkt. Deze beslissing berust immers op een publiekrechtelijke titel,
te weten artikel 4.2.7.3 [4:54] Algemene wet
bestuursrecht, eventueel in samenhang met het wettelijk
voorschrift waarop de subsidie berust. Zo wordt bereikt dat de
administratieve rechter die over de subsidieverlening zelf oordeelt ook bevoegd
is in eventuele geschillen met betrekking tot de voorschotverlening. Het
betalen of weigeren te betalen van voorschotten is echter volgens de
Afdeling rechtspraak geen beschikking, maar (het weigeren van) een rechtshandeling naar burgerlijk recht, meer bepaald,
rblz.|84|
het (niet) nakomen van een
verbintenis (vgl. Afd. rechtspraak 19 februari 1980, tB/S, V, nr. 165).
Met het oog op beperking van
het aantal beroepsprocedures verdient het overigens aanbeveling de
beschikking tot voorschotverlening zoveel mogelijk te combineren met
de beschikking tot subsidieverlening. Zulks is evenwel niet voorgeschreven,
omdat een mogelijkheid om in een later stadium bij afzonderlijke
beschikking voorschotten te verlenen in de praktijk niet kan worden
gemist.
Vanzelfsprekend moet uit de
beschikking het bedrag van het voorschot of de voorschotten kunnen
worden afgeleid. Dit is in het tweede lid neergelegd. Daarbij is niet de eis gesteld dat een nominaal bedrag wordt
vermeld. Voldoende is dat
aangegeven wordt hoe het bedrag wordt bepaald. Het kan immers,
bijvoorbeeld bij structurele subsidies aan instellingen, doelmatig zijn
te volstaan met de vermelding dat het voorschot 7,5% van het
subsidiebedrag per maand bedraagt of de omvang van de periodieke
voorschotten op enigerlei wijze te relateren aan de feitelijke
middelenbehoefte van de ontvanger.
Artikel 4.2.7.4
[4:55]
De verlening van een
voorschot verplicht tot uitbetaling van het voorschot, zoals de
vaststelling van de subsidie verplicht tot uitbetaling van het subsidiebedrag. Het
ligt voor de hand ook de betalingstermijn bij voorschotten op dezelfde
wijze te regelen als bij de subsidie zelf: er geldt een betalingstermijn van
vier weken, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening anders
is betaald. Met dit laatste wordt ook de mogelijkheid geopend om aan
het begin van het jaar bij één beschikking te betalingstijdstippen voor
alle dat jaar te verlenen voorschotten vast te stellen.
Artikel 4.2.7.5
[4:56]
Indien het bestuursorgaan
overweegt de subsidieverlening of de subsidievaststelling met
terugwerkende kracht in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen, ligt daar veelal een aan de subsidieontvanger toe te rekenen
handeling aan ten grondslag. Het kan dan ongewenst zijn dat het
bestuursorgaan gedurende de periode van de voorbereiding van de
intrekkings- of wijzigingsbeschikking toch nog betalingen aan de ontvanger
moet doen. Daarom is voorzien in een beperkte mogelijkheid om
deze - uit de voorschotverlening of uit de subsidievaststelling
voortvloeiende - betalingsverplichting op te schorten.
Het betreft hier een
ingrijpende bevoegdheid: vooruitlopend op een beslissing omtrent
intrekking of wijziging worden betalingen stopgezet waarvan de ontvanger in
sommige gevallen geheel of in belangrijke mate afhankelijk is voor het
kunnen verrichten van de activiteiten. Daarom is deze bevoegdheid in
tweeërlei opzicht beperkt. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan een
ernstig vermoeden hebben dat er grond is voor intrekking. Niet iedere
aanwijzing dat er wellicht iets niet helemaal in de haak is, is dus voldoende. In
de tweede plaats kunnen de betalingen niet onbeperkt worden opgeschort.
Opschorten van betalingen moet gezien worden als een tijdelijke,
conservatoire maatregel. Van het bestuursorgaan mag verlangd worden
dat het na het nemen van die maatregel zo spoedig mogelijk definitief
beslist over intrekking of wijziging. Wel moet het bestuursorgaan voldoende
tijd worden gegund voor een zorgvuldig onderzoek naar de vraag of
er inderdaad grond bestaat om de subsidie in te trekken. De voorgestelde
termijn van twaalf weken biedt een redelijk evenwicht tussen deze twee
belangen.
De bepaling heeft niet het
oog op de situatie waarin het bestuursorgaan voornemens is de subsidie op
grond van artikel 4.2.6.3 [4:50] in te trekken of te wijzigen voor de toekomst.
Een dergelijke intrekking geschiedt veelal juist rblz.|85|
niet op grond van een aan de
ontvanger toe te rekenen omstandigheid en behoort bovendien met inachtneming van een redelijke termijn te
geschieden. In dat geval is
het niet redelijk en, omdat de activiteiten veelal nog enige tijd moeten
worden voortgezet, ook niet goed mogelijk de betalingsverplichtingen -
veelal gaat het dan om betaling van voorschotten - op te
schorten. Daartoe geeft artikel 4.2.7.5 [4:56]
dan ook niet de bevoegdheid.
Artikel 4.2.7.6
[4:57]
Het spreekt voor
zich dat
onverschuldigd betaalde subsidies en voorschotten kunnen worden
teruggevorderd, maar ook dat die bevoegdheid tot
terugvordering in de tijd begrensd moet zijn. Gekozen is voor een verjaringstermijn
van vijf jaar. De daaraan ten grondslag liggende overwegingen zijn
in de toelichting op artikel 4.2.6.2 [4:49]
vermeld. Duidelijkheidshalve is hier,
in zoverre in afwijking van de regeling van artikel 309 van Boek
3 BW,
de aanvang van de termijn gefixeerd op de dag waarop de subsidie wordt
vastgesteld, dan wel in strijd wordt gehandeld met een na de vaststelling
voortdurende verplichting.
De terugvordering geschiedt
langs de normale weg, door het instellen van een vordering bij de
burgerlijke rechter. Uiteraard kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten of subsidies in voorkomende gevallen
ook worden verrekend met
voorschotten of subsidies voor een volgend tijdvak.
Afdeling
4.2.8. Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen
Aanleiding
Het in deze titel opnemen
van een aparte regeling over de verstrekking van per boekjaar verstrekte
subsidies aan rechtspersonen betekent vergeleken met het voorontwerp een uitbreiding van de subsidietitel. Aan
deze uitbreiding liggen
verschillende overwegingen ten grondslag.
Allereerst ontwikkelen
binnen de rijksoverheid de ministers in toenemende mate
standaardvoorschriften ten behoeve van hun subsidies. Deze standaardvoorschriften
hebben in het bijzonder betrekking op de subsidiëring van
instellingen. Te denken valt aan instellingen die werkzaam zijn op het terrein
van de gezondheidszorg, welzijn, wetenschappelijk onderzoek en
cultuur. Op rijksniveau subsidieert elk ministerie wel dergelijke instellingen,
thans nog vaak zonder daartoe strekkende wettelijke regeling. Uit het
subsidieoverzicht bij de rapportage geïntegreerd subsidiebeleid
(Kamerstukken II 1993-1994, 22 150, nr. 11) blijkt dat het in totaal om enkele
honderden instellingen gaat.
De subsidies aan deze
instellingen vertonen een grote mate van overeenstemming waar het
gaat om de bij de verlening en vaststelling te volgen procedures, terwijl
hetzelfde geldt voor de aan de subsidie verbonden verplichtingen,
voor zover die althans geen betrekking hebben op de aard en de omvang van
de gesubsidieerde activiteiten. Gedacht kan worden aan de termijn
waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend en de daarvoor in te dienen
stukken zoals een begroting en een activiteitenplan. Ondanks
deze grote mate van overeenstemming op hoofdlijnen lopen de
bestaande subsidieregelingen op detailpunten sterk uiteen, zonder dat daarvoor
steeds goede argumenten bestaan. Er blijkt dus behoefte te zijn aan een
verdergaande uniformering van het subsidierecht.
Met de ontwikkeling van
standaardvoorschriften wordt gevolg gegeven aan de aanbevelingen van de
Interdepartementale Werkgroep Administratieve Standaardbepalingen
Subsidie- en Bijdrageregelingen (Handboek financiële informatie en
administratie, Band II, Comptabele regelgeving, rblz.|86|
A6.4) en de maatregelen in
het kader van het geïntegreerd subsidiebeleid. Ook de aanbevelingen van de
Algemene Rekenkamer in het Verslag 1988 (Handelingen II 1988-1989, 21
080, nrs. 1-2, blz. 89 e.v.) hebben betrekking op het ontwikkelen van
standaardvoorschriften. Laatstgenoemde instantie hebben wij om die reden ook
geraadpleegd over opzet en inhoud van afdeling
4.2.8. Daarbij
sprak de Algemene Rekenkamer haar waardering uit voor het feit dat de
subsidietitel is aangevuld met een afdeling als de onderhavige en voor de
uitwerking die daaraan is gegeven en betuigde zij daarmee in grote lijnen haar
instemming.
Naast de hiervoor genoemde
factoren, die reeds nu tot regelgeving leiden, zal in de toekomst
ook artikel 4.2.1.3 [4:23], waarin de eis van een wettelijke grondslag is neergelegd, een verdere impuls geven aan de
totstandkoming van
subsidiewetgeving. Niet alleen op het niveau van de rijksoverheid, maar ook op
dat van de decentrale overheden. Ook daarom is het gewenst deze
wetgeving waar mogelijk te harmoniseren.
Ten slotte is een uitbreiding
van de subsidietitel van belang, nu artikel 4.2.1.3 [4:23], anders dan in het
voorontwerp, ook subsidies waarvan het maximumbedrag en de ontvanger in de begroting worden genoemd,
uitzondert van de eis van
een wettelijke grondslag. Zoals in de toelichting op dat artikel [4:23]
reeds werd
opgemerkt, is dit gebeurd om een onevenredig grote wetgevingsinspanning
te voorkomen. De uitbreiding van de subsidietitel maakt deze
inkrimping van het vereiste van een wettelijke grondslag meer aanvaardbaar,
omdat daardoor veel van de subsidies die nu niet meer aan de eis van
een wettelijke grondslag hoeven te voldoen, toch op een aantal belangrijke punten, zij het facultatief, in de
Algemene wet bestuursrecht zelf
worden geregeld.
Exploitatie- en budgetsubsidies
Afdeling 4.2.8 beoogt een
regeling te geven voor subsidies die per boekjaar worden verleend aan
rechtspersonen ter bekostiging van hun structurele activiteiten. Om die reden zullen
projectsubsidies, dat wil
zeggen subsidies voor
activiteiten die naar hun aard een eenmalig karakter hebben, niet snel
onder de bepalingen van deze afdeling te brengen zijn. Te denken valt
aan subsidies voor een congres, een toneelvoorstelling of een
investeringssubsidie. Wel is het denkbaar dat de verstrekking van een
projectsubsidie aan een rechtspersoon die reeds wordt gesubsidieerd op de
voet van deze afdeling, "meeloopt" met de subsidieverstrekking per
boekjaar.
Afdeling 4.2.8 is niet
alleen bedoeld voor de zogenoemde exploitatiesubsidies, dat wil zeggen de
subsidiëring van het exploitatietekort van de subsidieontvanger, maar ook
voor subsidievormen die in meer of mindere mate het karakter
hebben van budgetsubsidiëring.
Kort gezegd houdt
budgetsubsidiëring in dat het subsidiebedrag direct gerelateerd wordt aan een
bepaald niveau van prestaties of activiteiten. Het ter beschikking te stellen budget wordt dan bepaald door het
gewenste activiteiten- of
prestatieniveau te koppelen aan de (genormeerde) kostprijs van een
eenheid prestatie of activiteit. Vergeleken met exploitatiesubsidies heeft
budgetsubsidiëring verschillende voordelen. Allereerst gaat van
budgetsubsidiëring een sterkere prikkel tot doelmatigheid uit. Voorts kan door
middel van budgetsubsidiëring de hoogte van de subsidie beter worden
afgestemd op de daarmee te verrichten activiteiten, omdat deze
vorm van subsidiëring dwingt tot een nauwkeuriger kostenberekening.
Daarnaast is de wijze van verantwoording en de controle daarop eenvoudiger,
omdat volstaan kan worden met aan te tonen dat het afgesproken
activiteiten- of prestatieniveau is gehaald. Dit laatste illustreert ook een
ander voordeel van budgetsubsidiëring, te weten dat deze vorm van
subsidiëring leidt tot een geringere bemoeienis van het bestuur. Indien
eenmaal is vastgesteld tegen welke kostprijs de activiteiten verricht kunnen
worden, behoeft het bestuur immers in rblz.|87|
beginsel niet meer gedurende
het subsidietijdvak nog controle uit te oefenen op het kostenniveau.
Dit in tegenstelling tot de situatie waarin een exploitatietekort wordt
gesubsidieerd.
Het is niet altijd mogelijk over te schakelen op budgetfinanciering. De activiteiten met het oog
waarop subsidie wordt verleend, zijn niet altijd zodanig te objectiveren dat
het bedrag van de subsidie op grond daarvan nauwkeurig kan worden
bepaald. Wel leidt de toenemende aandacht voor budgetfinanciering ertoe
dat veel subsidies steeds sterker worden bezien vanuit de daarmee te
verrichten activiteiten. Zo is het nu veelal vereist dat bij de begroting ook een
activiteitenplan wordt ingediend en wordt daarbij soms de aanvullende
eis gesteld dat op het plan per activiteit de benodigde capaciteit moet
worden aangegeven.
Bij het opstellen van
afdeling 4.2.8 is getracht zoveel mogelijk rekening te houden met de
ontwikkelingen in de richting van budgetsubsidiëring. Zo stelt artikel 4.2.8.2.3
[4:62] de eis dat het activiteitenplan de per activiteit benodigde personele en
materiële middelen vermeldt en behoeft ingevolge artikel 4.2.8.2.4 [4:63]
de bij de aanvraag in te dienen begroting alleen een raming te bevatten van
de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de activiteiten
waarvoor subsidie wordt gevraagd. Aldus kan niet alleen een goed inzicht
worden verkregen in de verhouding tussen activiteitenplan en
begroting, maar kan ook eenvoudiger worden vastgesteld of er aanleiding
is over te gaan tot een systeem van budgetsubsidiëring.
Subsidieverstrekking per
boekjaar
In de aanhef van
afdeling
4.2.8 wordt gesproken over per boekjaar verstrekte subsidies aan
rechtspersonen. Bij rechtspersonen is het boekjaar de periode waarin
de cyclus van planning, uitvoering en verantwoording zich
afspeelt. De structuur van afdeling 4.2.8 is op deze jaarlijkse cyclus afgestemd.
Afdeling 4.2.8 spreekt dan ook niet van "het tijdvak waarvoor de
subsidie wordt gevraagd" (vgl. artikel 4.2.3.1 [4:29]), maar van het boekjaar.
De relatie met de overige
afdelingen van titel 4.2
Afdeling 4.2.8 moet worden
beschouwd als een uitwerking van en een aanvulling op de overige
afdelingen van titel 4.2. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor beantwoording van
de vraag welke voorschriften op de vaststelling van de subsidie
van toepassing zijn niet alleen paragraaf 4.2.8.5 geraadpleegd moet
worden, maar ook afdeling 4.2.5. Hiermee volgt
afdeling 4.2.8 de
systematiek van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij steeds de meer
uitgewerkte regelingen moeten worden toegepast met inachtneming van de meer
algemene regelingen.
Paragraaf 4.2.8.1
Artikel 4.2.8.1.1 [4:58]
Eerste lid
Om verschillende redenen
hebben wij ervoor gekozen om afdeling 4.2.8 het karakter te geven
van een facultatieve standaardregeling, dat wil zeggen dat de afdeling van
toepassing is indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit
van het bestuursorgaan is bepaald.
Allereerst veronderstelt
afdeling 4.2.8 een in sommige opzichten tamelijk sterke
betrokkenheid van het subsidieverlenende bestuursorgaan bij de subsidieontvanger. Die betrokkenheid is op haar plaats wanneer het bestuursorgaan enerzijds
groot belang hecht aan de activiteiten die de subsidieontvanger verricht
en anderzijds daarvoor een betrekkelijk rblz.|88|
omvangrijk bedrag ter
beschikking stelt. In dergelijke gevallen behoort het bestuursorgaan
recht te
hebben op bepaalde informatie en behoort het bovendien tot op zekere
hoogte invloed te kunnen uitoefenen op het beleid van de
subsidieontvanger en, afhankelijk van de gekozen vorm van subsidiëring, op de
kostenontwikkeling bij de subsidieontvanger.
Niet alle
subsidieverhoudingen kenmerken zich door een dergelijke betrokkenheid. Indien
bijvoorbeeld een gemeentebestuur jaarlijks een vast bedrag aan een buurtvereniging verstrekt als blijk van waardering voor
haar activiteiten of een
sportvereniging subsidieert met een vast bedrag per lid, is er in beginsel
geen aanleiding om omvangrijke informatieverplichtingen op te leggen of
ingrijpende controlebevoegdheden op te eisen. In dergelijke
gevallen kan worden volstaan met toepassing van de overige afdelingen van de
subsidietitel.
Afdeling 4.2.8 beoogt
daarentegen een regeling te bieden voor die subsidies aan rechtspersonen waarbij het bestuursorgaan zowel financieel als beleidsmatig
sterk betrokken is. Het antwoord op de vraag wanneer dit precies het
geval is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden. Het ligt daarom in de
rede de beslissing afdeling 4.2.8 toe te passen over te laten aan de
bijzondere wetgever of het subsidieverlenende bestuursorgaan.
Voor een facultatieve
regeling is daarnaast gekozen omdat het niet goed mogelijk bleek een
algemeen criterium te formuleren aan de hand waarvan bepaald kan worden
wanneer de hier geboden procedure voor subsidieverstrekking gevolgd
moet worden. Daarvoor zou het nodig zijn de subsidies waarop afdeling
4.2.8 van toepassing zou moeten zijn zodanig te definiëren dat
de reikwijdte van de afdeling zonder meer vast zou staan. Tot een
dergelijke definitie zijn wij niet gekomen; daarvoor bestaan te veel onderlinge
verschillen tussen subsidies. Hiervoor werden al de exploitatiesubsidie en
de budgetsubsidie genoemd. Beide subsidies komen in tal van variaties
voor, terwijl daarnaast nog andere subsidievormen kunnen worden
onderscheiden. Een regeling met een dwingend karakter, zoals uit kringen
van accountants wel is bepleit, zou dan ook ten minste gepaard moeten
gaan met een bevoegdheid voor het bestuursorgaan om wegens dringende
redenen af te wijken van het bepaalde in afdeling
4.2.8. Daaraan
kleven uit een oogpunt van rechtszekerheid bezwaren. Naar onze
opvatting verdient het dan ook de voorkeur om de wijze waarop afdeling 4.2.8
in de subsidiepraktijk toepassing vindt nauwlettend te volgen en op
grond van de daarmee opgedane ervaringen eventueel nogmaals na te
gaan of een regeling met een meer dwingend karakter nodig is.
Het gegeven dat afdeling 4.2.8
van facultatieve aard is, betekent niet dat daarvan geen uniformerende
werking zou uitgaan. Wij gaan ervan uit dat diegenen die bij de totstandbrenging van een wettelijke subsidieregeling
of een subsidiebeschikking
zijn betrokken zich steeds terdege zullen bezinnen op de vraag of afdeling 4.2.8
toepassing behoort te vinden. De onderhavige regeling beoogt
immers door het bieden van een uniforme standaardregeling bij te
dragen aan een doelmatiger besluitvormingsproces, zodat het in de rede
ligt daarvan alleen af te wijken indien daarvoor goede redenen zijn.
Niet alleen van de wetgever, maar ook van bestuursorganen mag worden
verwacht dat zij afdeling 4.2.8 als uitgangspunt kiezen bij de
subsidiëring en aldus bijdraagt aan de rechtseenheid en de
kenbaarheid van het recht. Wij zullen het dan ook toejuichen wanneer
bestuursorganen in algemene zin afdeling 4.2.8
van toepassing verklaren op de
per boekjaar verstrekte subsidiering van rechtspersonen.
Bij de keuze voor al dan
niet toepassing van afdeling 4.2.8 moet
ten slotte worden bedacht dat
de regeling op een aantal punten de mogelijkheid biedt tot
afwijking, zodat zij met een zekere flexibiliteit kan worden toegepast.
rblz.|89|
Tweede lid
Hiervoor is uiteengezet
waarom afdeling 4.2.8 in beginsel een facultatief karakter heeft.
Tegelijkertijd hebben wij ook aangegeven het toe te juichen wanneer bestuursorganen de
afdeling in algemene zin van toepassing verklaren.
Op grond van de ervaring die
met de afdeling wordt opgedaan, moet blijken of het mogelijk is
haar ten aanzien van bepaalde subsidies verplicht te stellen. Dit
zou uiteraard de uniformiteit van voorschriften over subsidies bevorderen.
Het ligt in de bedoeling in ieder geval binnen drie jaar na de
inwerkingtreding van deze titel dit nader te onderzoeken. Het tweede lid geeft de
bevoegdheid om dan bij algemene maatregel van bestuur de subsidies aan te
wijzen waarop afdeling 4.2.8 van toepassing is.
Ook vóór die tijd kan de
bevoegdheid van het tweede lid worden gebruikt. Vooral voor
subsidies van de rijksoverheid kan dat gewenst zijn: bepaalde soorten subsidies
kunnen dan in algemene zin worden aangewezen, zodat de vantoepassingverklaring van afdeling 4.2.8
zich niet behoeft te beperken tot
subsidies op een bepaald beleidsterrein.
Artikel
4.2.8.1.2 [4:59]
Het behoeft geen
betoog dat
een bestuursorgaan dat een subsidie verstrekt over voldoende
bevoegdheden moet beschikken om adequaat te kunnen controleren of de aan
de subsidie verbonden verplichtingen zijn nageleefd. De artikelen
4.2.4.0 [4:37] en 4.2.4.1 [4:38]
bieden de mogelijkheid om bij de beschikking tot
subsidieverlening verplichtingen ten behoeve van de controle op te leggen. Langs
deze weg kan echter niet worden voorzien in de aanwijzing van
toezichthouders. Daarvoor is, gelet op de ingrijpende bevoegdheden die afdeling
5.1 [5.2]
[titel 5.2] aan toezichthouders toekent, een grondslag in een wettelijk
voorschrift nodig.
Juist bij per boekjaar
verstrekte subsidies aan instellingen zal in veel gevallen behoefte bestaan
aan de aanwijzing van toezichthouders, omdat het vaak gaat om omvangrijke
subsidies en om instellingen die in belangrijke mate door de
overheid gefinancierd worden en taken uitoefenen die de overheid
van wezenlijk belang acht. Onder die omstandigheden dient de
subsidiegever zo nodig bevoegd te zijn om ter plaatse toezicht te houden op de
doelmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van de
subsidiegelden.
Voor de rijksoverheid komt
daarbij dat ook de Algemene Rekenkamer in sommige gevallen beschikt
over de bevoegdheid om bij gesubsidieerde instellingen controles ter
plaatse uit te voeren. In die gevallen is het gewenst dat de betrokken
minister over zoveel mogelijk gelijke bevoegdheden beschikt, teneinde
zijn verantwoordelijkheid tegenover de Algemene Rekenkamer te
kunnen waarmaken.
Voorts komt het nogal eens voor dat gesubsidieerde instellingen van het type waarvoor afdeling 4.2.8
is geschreven hun administratie laten verzorgen door een administratiekantoor, dan wel nauwe financiële
banden hebben met andere
rechtspersonen, zoals steunstichtingen. In die gevallen kan een juist en
volledig inzicht in de financiële situatie van de subsidieontvanger veelal
slechts verkregen worden indien ook op deze administratiekantoren of
steunstichtingen de verplichting rust om desgevraagd inlichtingen te
verschaffen of inzage in boeken en bescheiden te geven. Bij de
beschikking tot subsidieverlening kunnen echter geen verplichtingen worden opgelegd aan derden. In het systeem
van de Algemene wet bestuursrecht kan in dergelijke verplichtingen het best worden voorzien door de
aanwijzing van toezichthouders (vgl. de artikelen
5.1.6 [5:16],
5.1.7 [5:17]
en
5.1.10 [5:20]). Omdat juist deze subsidies in verband met het bepaalde in artikel
4.1.2.3 [lees: 4.2.1.3 [4:23], derde lid, onderdeel
c, nogal eens niet op een wettelijk voorschrift zullen
berusten, is ervoor gekozen in de Algemene rblz.|90|
wet bestuursrecht te bepalen
dat voor deze subsidies toezichthouders kunnen worden aangewezen.
De onderhavige bevoegdheid
om toezichthouders aan te wijzen, kent een aantal beperkingen. In
de eerste plaats biedt artikel 4.2.8.1.2 [4:59], om hiervoor uiteengezette redenen, slechts de bevoegdheid toezichthouders
aan te wijzen voor subsidies
waarop afdeling 4.2.8 van toepassing is verklaard, hetzij bij
wettelijk voorschrift, hetzij bij de beschikking tot subsidieverlening. De
aanwijzing van toezichthouders voor andere subsidies kan zo nodig bij of
krachtens bijzonder wettelijk voorschrift geschieden.
In de tweede plaats is de
bevoegdheid van de aan te wijzen toezichthouders beperkt tot de
naleving van aan de subsidieontvanger op te leggen verplichtingen. Voor
een goed begrip zij opgemerkt dat dit niet betekent dat van derden geen
inlichtingen kunnen worden verlangd. Dit is mogelijk (vgl. artikelen
5.1.6 [5:16] en 5.1.7 [5:17]
juncto 5.1.10 [5:20]) voor zover zulks redelijkerwijs noodzakelijk is voor
de controle op de naleving van aan de subsidieontvanger opgelegde
verplichtingen. Dit kan zich met name voordoen in de zojuist
genoemde gevallen waarin de ontvanger zijn administratie aan een derde
heeft toevertrouwd of zodanig nauwe financiële banden met een andere rechtspersoon
heeft dat zonder inzage
in de boeken van die andere
rechtspersoon geen adequaat inzicht in de naleving van de
verplichtingen door de ontvanger kan worden verkregen.
Het tweede lid van de
onderhavige bepaling beperkt, met toepassing van artikel 5.1.4 [5:14], de
bevoegdheden van de krachtens het onderhavige artikel aan te wijzen toezichthouders. De uitgesloten bevoegdheden
betreffen bevoegdheden tot
het onderzoeken van zaken en het nemen van monsters, alsmede tot het
doen stilhouden en onderzoeken van vervoermiddelen. Aan deze
bevoegdheden bestaat bij subsidies zelden behoefte. Mocht dat in een
uitzonderlijk geval wel zo zijn, dan kan voor die in deze context uitzonderlijke
bevoegdheden ook redelijkerwijs een afzonderlijk wettelijk voorschrift worden
geëist.
Paragraaf 4.2.8.2
Artikel 4.2.8.2.1 [4:60]
Artikel 4.2.8.2.1
[4:60] bepaalt
dat een subsidieaanvraag uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van
het subsidiejaar moet worden ingediend. Indien de aanvraag later
wordt ingediend, kan het bestuursorgaan in beginsel besluiten om die
reden de aanvraag niet in behandeling te nemen (zie artikel 4:5
Awb).
Voor een termijn van dertien
weken is gekozen om het bestuursorgaan een redelijke periode te
geven om een beslissing op de aanvraag te nemen en anderzijds te waarborgen dat de beslissing op de aanvraag nog
vóór de aanvang van het
subsidiejaar genomen kan worden (zie over de beslistermijn de artikelen
4:13 tot en met 4:15 Awb). Aangezien het vaststellen van een
dergelijke termijn niettemin altijd enigszins arbitrair blijft, is de mogelijkheid
tot afwijking bij wettelijk voorschrift gegeven.
Artikelen 4.2.8.2.2 tot en
met 4.2.8.2.5 [4:61 t/m 4:65]
Artikel 4.2.8.2.2
[4:61] somt de
bescheiden op die bij de aanvraag moeten worden overgelegd en is als
zodanig een uitwerking van artikel 4:2 Awb. De in het eerste lid genoemde bescheiden hebben enerzijds betrekking op
de activiteiten waarop de
instelling zich in het subsidiejaar wil richten en anderzijds op de daarvoor
benodigde personele, materiële en financiële middelen. Het spreekt voor
zich dat deze stukken congruent moeten zijn en bij de beslissing op de
subsidieaanvraag in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.
Dat daarnaast andere stukken geëist kunnen rblz.|91|
worden, maakt de zinsnede
"in ieder geval" duidelijk, terwijl bovendien artikel 4:5
het
bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om aanvulling van de verstrekte gegevens te
vragen. Artikel 4:5 bevat ook de sanctie op het niet verstrekken van toereikende
gegevens, te weten het - na aanmaning - buiten behandeling laten van
de aanvraag.
De situatie kan zich
voordoen dat voor het nemen van een beschikking op de aanvraag de begroting
of het activiteitenplan niet relevant zijn. Dit kan het geval zijn indien de
hoogte van de subsidie rechtstreeks voortvloeit uit de ter zake
geldende regels. Te denken valt aan de subsidieverlening voor een reeks van
jaren, waarbij de omvang afhankelijk is van (wettelijke) normbedragen en
periodiek een subsidievaststelling plaatsvindt op basis van door de
subsidieontvanger aangeleverde gegevens inzake de door hem geleverde
prestaties. Een voorbeeld biedt de subsidiëring van het
openbaar vervoer, waarbij de hoogte van de subsidie bepaald wordt door een
normbedrag per reizigerskilometer.
Indien de aanvrager over een
egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4.2.8.4.5 [4:72]
beschikt, zal hij
ingevolge het tweede lid de omvang daarvan in de aanvraag dienen te vermelden. Bij de beslissing op de aanvraag kan
het bestuursorgaan daarmee
dan rekening houden, hetzij door indien nodig een afzonderlijk
bedrag te bestemmen voor de voeding van die reserve, hetzij door de
hoogte van de te verlenen subsidie mede te laten afhangen van de omvang van
die reserve.
De artikelen 4.2.8.2.3 tot
en met 4.2.8.2.5 [4:62 t/m 4:64] geven vervolgens een nadere uitwerking van de inhoud van
de gevraagde bescheiden.
Het activiteitenplan stelt
het bestuursorgaan in staat te beoordelen of de door de aanvrager
voorgestelde activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen zodanig passen in het door hem gevoerde beleid dat hij tot
subsidieverlening wil
overgaan. Daarnaast biedt het activiteitenplan het bestuursorgaan de
gelegenheid om zelf tot een oordeel te komen over de vraag of de doelen die de
aanvrager zich stelt, bereikt kunnen worden door middel van de voorgestelde
activiteiten. Doordat wordt voorgeschreven dat in het activiteitenplan
ook per activiteit de benodigde personele en materiële middelen moeten
worden vermeld, kan het bestuursorgaan zich bovendien een voorlopig
oordeel vormen over de doelmatigheid waarmee de subsidieontvanger opereert. Een definitief oordeel daarover is vanzelfsprekend pas
mogelijk in de fase van vaststelling van de subsidie, nadat de
activiteiten zijn verricht.
Voor een goed begrip zij nog
opgemerkt dat het voorschrift om per activiteit de benodigde
capaciteit te vermelden in het algemeen niet een uitsplitsing en détail beoogt. In veel gevallen zal volstaan kunnen worden
met per categorie van
activiteiten de benodigde capaciteit aan te geven.
Artikel 4.2.8.2.4 [4:63]
stelt
enige eisen aan de begroting waarop subsidie wordt gevraagd. Deze moet
zodanig zijn ingericht dat een voor de subsidieverlening toereikend inzicht kan worden verkregen in niet alleen
de uitgaven en inkomsten met
betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd,
maar ook in de ontwikkelingen daarin, zoals die vallen af te leiden uit de
financiële verslaglegging over het voorgaande jaar. Het derde lid maakt
die vergelijking mogelijk door te bepalen dat de begroting een vergelijking
dient te bevatten met de begroting voor het lopende boekjaar en met de
gerealiseerde inkomsten en uitgaven over het boekjaar voorafgaand aan
het lopende boekjaar.
Voor zover de activiteiten
mede gefinancierd zullen worden uit andere inkomsten dan de
aangevraagde subsidie, zal de begroting ingevolge het eerste lid ook deze
inkomsten moeten vermelden. Aldus kan het bestuursorgaan de financiële
haalbaarheid van één en ander beter beoordelen. Bovendien krijgt het bestuur
daarmee inzicht in de financiële relaties van de aanvrager met derden,
waaronder andere subsidieverlenende instanties (zie ook artikel
4.2.8.2.6 [4:65]).
Het bestuursorgaan en de
ontvanger van een per boekjaar verstrekte subsidie onderhouden veelal
een relatie over een reeks van jaren. rblz.|92|
Daardoor zijn de in de voorgaande artikelen opgesomde bescheiden
doorgaans toereikend voor
een beoordeling van de aanvraag. Indien een subsidieaanvraag voor de
eerste maal wordt ingediend, zal het bestuursorgaan echter ook andere
gegevens nodig hebben om zich bekend te maken met de aanvrager.
Artikel 4.2.8.2.5 [4:64] geeft hierover enkele voorschriften. Deze gegevens
betreffen de oprichtingsakte en de statuten. Aan de hand daarvan kan
worden nagegaan of de aanvrager inderdaad een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid is (vgl. artikel 4.2.8.1.1 [4:58]) en of de activiteiten met
het oog waarop de subsidie wordt aangevraagd, passen in de statutaire
doelstellingen van de aanvrager.
Voorts zal de aanvrager
gegevens moeten verstrekken over zijn financiële positie. Voor
wat betreft de met het oog hierop over te leggen bescheiden is aangesloten
bij hetgeen Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek op dit punt van
rechtspersonen eist. Indien de subsidie wordt aangevraagd door een al gedurende
enige tijd functionerende rechtspersoon, zal deze immers ingevolge Boek 2
jaarlijks een balans en een staat van baten en lasten (artikel 2:10a)
dan wel een jaarrekening (artikel 2:361) moeten opmaken. Indien geen van
deze stukken voorhanden is, bijvoorbeeld omdat de aanvragende
rechtspersoon eerst kort vóór de aanvraag is opgericht, kan worden
volstaan met het overleggen van een verslag over de financiële positie van
de aanvrager. Om voor de hand liggende redenen is bij deze eis een uitzondering gemaakt voor rechtspersonen die
krachtens publiekrecht zijn
ingesteld.
Genoemde financiële
bescheiden moeten ingevolge het tweede lid in beginsel zijn voorzien van
een accountantsverklaring. Juist bij een eerste subsidieaanvraag zal het
bestuursorgaan zich immers willen vergewissen van de betrouwbaarheid van
de aspirant-subsidieontvanger. Voor wat betreft de gekozen
terminologie kon niet zonder meer aansluiting worden gezocht bij artikel 2:393
van het Burgerlijk
Wetboek. Daarin wordt onder de verklaring van
getrouwheid verstaan de beschrijving van de uitslag van het onderzoek naar de
jaarrekening. Daar de onderhavige accountantscontrole ook betrekking kan
hebben op de financiële positie van een stichting of vereniging -
welke rechtspersonen niet onder het jaarrekeningenrecht vallen -
wordt hier om verwarring te voorkomen daarnaast gesproken over de
schriftelijke mededeling inhoudende dat van onjuistheden niet is
gebleken.
In het derde lid is voorzien
in de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift of bij besluit
van het bestuursorgaan vrijstelling dan wel ontheffing van het vereiste
van een accountantscontrole te verlenen. Een vrijstelling ziet op een
categorie van gevallen, een ontheffing op een concreet geval (vgl.
aanwijzing 125 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Voor de vraag
onder welke omstandigheden kan worden afgezien van het vereiste
van een accountantscontrole zij verwezen naar de toelichting op artikel
4.2.8.5.6 [4:78].
Artikel 4.2.8.2.6
[4:65]
Deze bepaling is ingegeven
door de rapportage over het eerste spoor van het geïntegreerd
subsidiebeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5). Daarin werd geconstateerd dat in situaties waarin verschillende
bestuursorganen subsidie
verstrekken voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten het
zaak is na te gaan in hoeverre dit leidt tot een onwenselijke cumulatie van
subsidies. Ook de Algemene Rekenkamer suggereerde in haar reactie
op het ontwerp van afdeling 4.2.8 aandacht te besteden aan de
cumulatieproblematiek.
Artikel 4.2.8.2.6 [4:65]
beoogt
hieraan tegemoet te komen door te bepalen dat bij de aanvraag melding moet
worden gemaakt van eventuele bij andere bestuursorganen ingediende
aanvragen, voor zover die aanvragen althans betrekking hebben op
dezelfde begrote uitgaven. Aldus kan een ongewenste cumulatie van
subsidies worden voorkomen en wordt de rblz.|93|
betrokken
subsidieverstrekkers de mogelijkheid geboden hun besluitvorming ter zake onderling af
te stemmen. Voor een goed begrip zij opgemerkt dat de onderhavige
bepaling een aanvulling vormt op artikel 4.2.8.2.4 [4:63], eerste lid.
Daarin is bepaald dat ook andere inkomsten die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt
gevraagd
in de begroting moeten
worden vermeld. Daardoor zal als regel genoegzaam uit de begroting
blijken in hoeverre de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd
mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd. Dit kan
echter anders zijn indien de aanvrager een subsidieaanvraag voor
dezelfde begrote uitgaven bij verschillende bestuursorganen heeft
ingediend. Dit hoeft uit de begroting niet te blijken, zodat op dit punt de
onderhavige bepaling aanvullend werkt.
Paragraaf 4.2.8.3. De
subsidieverlening
Artikel 4.2.8.3.1 [4:66]
Alleen rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid kunnen een per boekjaar verstrekte
subsidie op de voet van deze afdeling ontvangen. De eis van volledige rechtsbevoegdheid is opgenomen in verband met
artikel 30 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin een beperkte rechtspersoonlijkheid wordt
verleend aan verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen
in een notariële akte. Het betreft hier de zogenoemde informele
vereniging. Voor de oprichting van dit type rechtspersoon is geen
notariële akte vereist, zodat de statuten - indien al aanwezig - niet aan toetsing
door de notaris ingevolge artikel 27, vijfde lid, van Boek
2 BW onderworpen zijn. De organisatie en de bevoegdheidsverdeling van dit type
rechtspersoon zal daardoor niet steeds even doorzichtig zijn, zodat het
minder voor de hand ligt om dergelijke verenigingen op de voet van afdeling 4.2.8
te subsidiëren.
Aan de eis van volledige
rechtsbevoegdheid is niet voldaan indien een subsidieaanvraag wordt
gedaan door een rechtspersoon in oprichting. In een dergelijke situatie ligt
het in de rede dat de aanvrager in overleg treedt met het
bestuursorgaan om (enige) zekerheid te verkrijgen over de vraag of zijn aanvraag voor
inwilliging in aanmerking komt. Het is vervolgens aan de aanvrager
om te beslissen of de uitkomst van dat overleg hem voldoende
zekerheid biedt om de te subsidiëren rechtspersoon metterdaad op te
richten.
Artikel 4.2.8.3.2
[4:67]
Subsidieverlening kan niet
alleen per boekjaar, maar ook voor een langere periode
plaatsvinden. In het laatste geval ontbreekt een jaarlijkse beschikking tot
subsidieverlening en kan worden volstaan met een jaarlijkse vaststelling op
grond van door de aanvrager aangeleverde gegevens. In dat geval kan
in overeenstemming met artikel 4.2.5.6 [4:47], onderdeel
a, de subsidie jaarlijks
ambtshalve worden vastgesteld.
Daartoe is in het tweede lid
de verplichting opgenomen voor de subsidieontvanger om ten
behoeve van de vaststelling jaarlijks bepaalde gegevens aan te leveren. Ingevolge het derde lid zal de beschikking tot
subsidieverlening moeten
aangeven welke die gegevens zijn.
Paragraaf
4.2.8.4.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 4.2.8.4.1 [4:68]
Ingevolge artikel
2:10a van
het Burgerlijk
Wetboek valt het boekjaar samen met het kalenderjaar,
tenzij in de statuten van de rechtspersoon een ander boekjaar is aangewezen.
Artikel 4.2.8.1.2
[4:59] sluit hierop aan door
eveneens het kalenderjaar
als boekjaar aan te wijzen. Bij wettelijk rblz.|94|
voorschrift of in de
beschikking tot subsidieverlening kan hiervan worden afgeweken.
Artikel 4.2.8.4.2
[4:69]
Deze bepaling is een
uitwerking van de algemene in artikel 2:10 van het Burgerlijk
Wetboek neergelegde verplichting voor een rechtspersoon om zodanige aantekening te
houden over zijn vermogenstoestand dat daaruit te allen tijde zijn rechten
en verplichtingen kunnen worden gekend.
Voor beantwoording van de
vraag welke bescheiden tot de administratie moeten worden
gerekend, kan verwezen worden naar de opsomming in artikel 6,
derde lid, Wetboek
van Koophandel. Voorts vallen bewijsstukken van uitgaven
hieronder. Bepalend is steeds het criterium dat alle voor de
vaststelling van de subsidie relevante gegevens in de administratie vallen na te
gaan.
De verplichting om de
administratie en de daarbij behorende bescheiden gedurende tien
jaren te bewaren, is eveneens ontleend aan artikel 2:10 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 4.2.8.4.3
[4:70]
Deze bepaling verplicht de
subsidieontvanger om van aanmerkelijke verschillen tussen de
geraamde en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven mededeling te doen aan het bestuursorgaan.
Zowel bij budgetsubsidies
als bij subsidies waarvan de omvang rechtstreeks afhankelijk is
van de aan de activiteiten verbonden kosten, is het voor het bestuursorgaan
van belang om van dergelijke verschillen op de hoogte te zijn. Er kan dan
bijvoorbeeld aanleiding zijn om tussentijds de bevoorschotting te wijzigen
of om de subsidieverlening te herzien. Zo kan worden voorkomen dat het
bestuur pas bij de vaststelling wordt geconfronteerd met grote tekorten
of overschotten bij de subsidieontvanger of met de situatie dat
activiteiten met het oog waarop de subsidie is verleend niet verricht zijn
als gevolg van tekorten bij de subsidieontvanger. Ook met het oog
op de subsidieverlening voor een volgend boekjaar is het voor het
bestuursorgaan van belang om hiervan op de hoogte te zijn. Het
bestuursorgaan kan dan bij de beoordeling van de aanvraag rekening houden met
het feit dat de begroting waarop het jaar tevoren subsidie is verleend niet volledig is gerealiseerd.
Wanneer er sprake is van "aanmerkelijke"
verschillen waarvan mededeling gedaan moet
worden, is niet in algemene zin aan te geven. Dit zal in het bijzonder afhankelijk zijn van de hoogte van de subsidie,
mede bezien in het licht van
de andere inkomsten van de subsidieontvanger. Indien nodig kan
het bestuursorgaan op grond van artikel 4.2.4.0 [4:37], eerste lid,
onderdeel c, over dit onderwerp nadere voorschriften opleggen.
Gezien het voorgaande is het
antwoord op de vraag of compensatie tussen verschillende
begrotingsposten is toegestaan vooral afhankelijk van de vorm van de desbetreffende subsidie. Zo bestaat tegen compensatie in beginsel geen
bezwaar waar het gaat om budgetsubsidiëring. In dat geval gaat het er immers
om dat een gewenst activiteitenniveau wordt gerealiseerd tegen een
vooraf vastgesteld totaalbedrag of een bepaald genormeerd bedrag per
prestatie-eenheid. Het is in die situatie in wezen onverschillig of binnen de
verschillende componenten waaruit het subsidiebedrag is opgebouwd
verschuivingen optreden. Waar het om gaat, is slechts of het gewenste activiteitenniveau wordt gehaald. Wel
kunnen, zoals gezegd,
eventuele overschrijdingen of tekorten een rol spelen bij de beoordeling
van de subsidieaanvraag voor een volgend boekjaar.
Dit is anders als een
exploitatietekort wordt gesubsidieerd. Omdat de hoogte van het tekort dan
rechtstreeks bepalend is voor de hoogte van de rblz.|95|
subsidie, is het voor het
bestuursorgaan van belang te weten wat de oorzaak is van de
overschrijding van een bepaalde begrotingspost. Indien dan bijvoorbeeld blijkt dat
de overschrijding het gevolg is van onverantwoorde uitgaven in de
materiële sfeer, kan dat aanleiding zijn om compensatie te weigeren.
Artikel 4.2.8.4.4
[4:71]
Deze bepaling somt een
aantal rechtshandelingen op waarvan het verrichten van invloed kan
zijn op de aanwending van subsidiegelden, op de hoogte van later ingediende
subsidieaanvragen of op de kwaliteit en omvang van de activiteiten.
Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald
dat de subsidieontvanger voor het verrichten van één of meer
van deze rechtshandelingen toestemming behoeft van het
subsidiërende bestuursorgaan.
In verband met de vaak
noodzakelijke slagvaardigheid bij de in dit artikel opgesomde
rechtshandelingen is in het tweede lid bepaald dat het bestuursorgaan ten
hoogste
vier weken - met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging met
vier weken - de tijd heeft om op het verzoek om toestemming te reageren.
Het zal niet altijd in de
rede liggen om toestemming te eisen voor de in dit artikel genoemde
rechtshandelingen. Indien bijvoorbeeld de activiteiten van de
subsidieontvanger omvangrijk zijn en zeer veel personele,
materiële en financiële
middelen vergen, zou de verplichting om voor al de in deze bepaling
opgesomde handelingen toestemming te vragen een miskenning kunnen betekenen
van de bij dergelijke instellingen aanwezige professionaliteit.
Ook vanuit de gedachte dat subsidie wordt verleend ter ondersteuning
van particulier initiatief, dat niet meer dan nodig is, moet worden
geconfronteerd met regelgeving, kan er aanleiding zijn om bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening deze bepaling, of onderdelen ervan, niet
van toepassing te verklaren.
In het bijzonder bij
budgetsubsidiëring is het niet vanzelfsprekend dat de subsidieontvanger voor
(alle) hier opgesomde rechtshandelingen toestemming moet vragen. Het
toestemmingsvereiste is er immers vooral op gericht het
bestuursorgaan een zekere invloed te geven op de omvang van het met subsidie te
bekostigen exploitatietekort.
Er zij op gewezen dat het
ontbreken van de vereiste toestemming slechts gevolgen heeft in de
verhouding tussen subsidiegever en subsidieontvanger. De
werking van de zonder toestemming verrichte rechtshandeling tegenover de
wederpartij van de ontvanger wordt niet aangetast. Evenmin behoeft,
in het geval genoemd in onderdeel i, de rechtbank na te gaan of de
toestemming is verleend.
Artikel 4.2.8.4.5
[4:72]
Ingevolge
artikel
4.2.5.5 [4:46],
eerste lid, wordt de subsidie overeenkomstig de verlening vastgesteld.
Deze bepaling kan tot gevolg hebben dat het vastgestelde - en ingevolge
artikel 4.2.7.1 [4:52] uit te betalen - subsidiebedrag meer of juist minder
bedraagt dan de werkelijke kosten gemoeid met de gesubsidieerde activiteiten.
Dit zal zich bijvoorbeeld kunnen voordoen indien de kosten van de
activiteiten waarvoor subsidie werd verleend lager of hoger blijken uit
te vallen dan was geraamd. Ook kan dit zich voordoen als de subsidie is
verleend in de vorm van een bepaald bedrag per prestatie-eenheid.
Alleen indien de subsidie een zuivere exploitatiesubsidie is, dat wil zeggen
dat bij de subsidieverlening is bepaald dat slechts de werkelijk
gemaakte kosten gesubsidieerd worden, zal een verschil tussen werkelijke
kosten en subsidiebedrag zich niet voordoen. In alle andere gevallen bestaat
er, zolang de subsidieontvanger de activiteiten overeenkomstig de
subsidieverlening en de daaraan verbonden verplichtingen heeft
verricht, geen grond het teveel aan subsidie terug te rblz.|96|
vorderen of alsnog het
tekort aanvullend te subsidiëren. De subsidieontvanger is dan in beginsel
vrij in de besteding van het te veel ontvangene, maar heeft in geval van een tekort geen aanspraak op aanvullende subsidie. Dit is
natuurlijk anders indien bij de subsidieverlening op dit punt een
voorziening is getroffen, bijvoorbeeld inhoudende dat een eventueel
verschil tussen uitgekeerde subsidie en werkelijk gemaakte kosten
terugbetaald moet worden of verrekend wordt met de in een volgend
boekjaar uit te keren subsidie.
De in dit artikel geregelde
egalisatiereserve is bedoeld om verschillen tussen werkelijk gemaakte
kosten en subsidiebedragen op te vangen. De egalisatiereserve is een
buffer waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met
overschotten in het andere jaar. Dit heeft verschillende voordelen.
Allereerst kan hiermee worden voorkomen dat al te snel een beroep moet
worden gedaan op het bestuur voor het verstrekken van aanvullende
subsidie. Daarnaast blijft in ieder geval een deel van het teveel aan
uitgekeerde subsidie, namelijk voor zover daarmee metterdaad tekorten
worden gefinancierd, bestemd voor de doeleinden met het oog
waarop subsidie is verstrekt. Verder biedt de egalisatiereserve de
subsidieontvanger tot op zekere hoogte de mogelijkheid om een flexibel
beleid te voeren, bijvoorbeeld door een aanvang te maken met nieuwe
(nog) niet gesubsidieerde activiteiten. Hoewel de subsidieontvanger
verplicht is tekorten uit de egalisatiereserve te financieren, is hij
voor het overige immers in beginsel vrij in de besteding daarvan. In die
zin vormt de egalisatiereserve een stimulans voor de subsidieontvanger
tot een doelmatig beheer van de subsidiegelden. Daarmee fungeert de
egalisatiereserve ook als een erkenning van de eigen, particuliere
verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger.
Overwogen is om de omvang
van de egalisatiereserve en de jaarlijkse toevoeging aan een bepaalde
limiet te binden, met daaraan gekoppeld een terugbetalingsverplichting indien de uitgekeerde subsidie deze limiet
te boven zou gaan. Daarvan
is echter afgezien omdat de vraag hoe hoog deze limiet moet zijn zich
moeilijk in algemene zin laat beantwoorden. Dit zal immers onder andere
afhankelijk zijn van de aard van de subsidieontvanger, de hoogte van de
subsidie en de mate waarin het bestuursorgaan betrokken wil zijn
bij de gang van zaken bij de subsidieontvanger.
Wel staat het het
bestuursorgaan vanzelfsprekend vrij - binnen de grenzen van artikel 4.2.6.4
[4:51] - bij de subsidieverlening rekening te houden met een al te omvangrijke egalisatiereserve. Om die reden is in
artikel
4.2.8.2.2 [4:61], derde lid,
bepaald dat het bestuursorgaan bij de aanvraag melding maakt van een
eventueel aanwezige egalisatiereserve. Daarnaast kan het bestuursorgaan van
meet af aan rekening houden met de mogelijkheid dat de ramingen
zullen afwijken van de werkelijke kosten en de gevolgen daarvan reeds in
de beschikking tot subsidieverlening regelen. Zo kan bij de
verlening al bepaald worden dat een eventueel overschot slechts tot een bepaald maximum aan de egalisatiereserve mag
worden toegevoegd onder
terugbetaling van het resterende overschot. Vaststelling van de subsidie
kan dan plaatsvinden overeenkomstig hetgeen bij de verlening is
bepaald over de toevoeging aan de egalisatiereserve. Het te veel betaalde
dient dan te worden terugbetaald op grond van artikel 4.2.7.6 [4:57].
Paragraaf 4.2.8.5. De subsidievaststelling
Artikel 4.2.8.5.1 [4:73]
De vaststelling van de subsidie vindt plaats na afloop
van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend, tenzij subsidie is
verleend voor twee of meer boekjaren. Ook in het laatste geval zal de
vaststelling toch jaarlijks dienen plaats te vinden. Zoals al eerder is opgemerkt,
sluit aldus het subsidiëringsproces aan bij de bij rechtspersonen - maar ook bij de
rblz.|97|
overheid - verplichte jaarlijkse cyclus van begroting en
verantwoording. Het spreekt voor zich dat het subsidiëringsproces ook
indien de subsidieverlening betrekking heeft op twee of meer boekjaren,
bij deze cyclus zal moeten aansluiten.
Artikel 4.2.8.5.2
[4:74]
De aanvraag van de subsidievaststelling dient binnen zes
maanden na afloop van het subsidiejaar plaats te vinden. Aldus
wordt aangesloten bij de voorschriften van het
Burgerlijk
Wetboek, die veelal
een termijn van vijf dan wel zes maanden voorschrijven voor het opmaken van
de financiële stukken.
De verplichting tot het jaarlijks indienen van een
aanvraag tot vaststelling van de subsidie geldt niet indien subsidie
is verleend voor twee of meer boekjaren. In dat geval is ingevolge
artikel 4.2.8.3.2 [4:67], tweede lid, aan de subsidieverlening immers de verplichting
verbonden om ten behoeve van de vaststelling periodiek gegevens te verstrekken. Op basis
van die gegevens kan dan ambtshalve de subsidie worden
vastgesteld (zie artikel 4.2.5.6 [4:47], onderdeel
a), zodat een aparte aanvraag
niet nodig is.
Artikel 4.2.8.5.3
[4:75]
De verantwoording van de besteding van de subsidie
vindt
plaats door middel van de in dit artikel genoemde stukken. Het
financiële verslag behelst de verantwoording van de financiële kant van de
subsidieverhouding, terwijl het activiteitenverslag verantwoordt
op welke wijze de activiteiten waarvoor de subsidie werd verleend, zijn verricht en de
daarmee samenhangende verplichtingen zijn nageleefd. De
eisen waaraan deze stukken moeten voldoen, zijn in de navolgende
artikelen gegeven.
Artikel 4.2.8.5.3 [4:75]
eist dat de financiële verantwoording
plaatsvindt in de vorm van een financieel verslag. Dit verslag zal in
ieder geval moeten voldoen aan hetgeen artikel 4.2.5.4 [4:45]
op dit punt eist,
namelijk het vermelden van de aan de gesubsidieerde activiteiten
verbonden inkomsten en uitgaven, voor zover die voor de subsidievaststelling van
belang zijn.
Het tweede lid bepaalt dat rechtspersonen die ingevolge
titel 9 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek gehouden zijn een
jaarrekening op te maken de subsidie daarin kunnen verantwoorden. Wel moet die
dan zodanig zijn ingericht dat voldaan wordt aan de eisen van artikel
4.2.5.4 [4:45].
Artikel 4.2.8.5.4
[4:76]
Indien de
subsidieontvanger volledig gefinancierd wordt
door middel van de subsidie, indien met andere woorden alle
activiteiten van de subsidieontvanger uit de subsidie worden bekostigd, is
de gehele financiële positie van de subsidieontvanger voor de
vaststelling relevant. Zowel de vermogenspositie van de
subsidieontvanger als
het geheel van diens uitgaven gedurende het boekjaar worden dan immers
uit de subsidie gevoed.
Voor deze situatie stelt artikel 4.2.8.5.4 [4:76]
enige nadere
eisen aan het financiële verslag. Hierbij is aansluiting gezocht bij
hetgeen titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek over de jaarrekening regelt.
Het jaarrekeningenrecht is niet integraal van toepassing
verklaard. Daarvoor vormt de eigen organisatorische structuur van
subsidieontvangers - die
veelal verenigingen of stichtingen zullen zijn - een
beletsel, evenals het in de regel ontbreken van een winststreven en het in
sommige gevallen ontbreken van op geld waardeerbare prestaties. Daarom is
volstaan met het geven van enkele algemene, aan het
Burgerlijk
Wetboek ontleende, voorschriften over de inrichting van de jaarrekening.
Wel ligt het in de lijn der verwachting dat in overeenstemming met de gangbare praktijk voor
rblz.|98|
het opstellen van het financiële verslag, zoveel
mogelijk zal worden aangesloten bij de bepalingen van het
jaarrekeningenrecht. Waar dit niet mogelijk is of nadere voorschriften, bijvoorbeeld over
de waarderingsgrondslagen, wenselijk zijn, kan de bijzondere wetgever
of het bestuursorgaan op de voet van het bepaalde in artikel 4.2.4.0 [4:37],
eerste lid, onderdeel d, nadere verplichtingen opleggen over de inrichting van
het financiële verslag.
Artikel 4.2.8.5.5
[4:77]
Ook als een
subsidieontvanger zijn inkomsten in
overwegende mate aan de subsidie ontleent, kan het voor de
subsidievaststelling van belang zijn dat het bestuursorgaan inzicht heeft in de gehele
financiële gang van zaken bij de subsidieontvanger. De onderhavige bepaling
voorziet daarom in de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift
of bij de subsidieverlening artikel 4.2.8.5.4 [4:76]
van toepassing te verklaren.
Artikel 4.2.8.5.6
[4:78]
Evenals bij
artikel 4.2.8.5.4
[4:76] is ook voor wat betreft de
accountantscontrole aangesloten bij hetgeen artikel 2:393 van het Burgerlijk
Wetboek hierover regelt. De accountantsverklaring zal tezamen
met de overige bescheiden bij de aanvraag ingediend moeten worden.
De controle door de accountant van de
subsidieontvanger
laat de eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor een
goed subsidiebeheer onverlet. Die kan bijvoorbeeld worden uitgeoefend
door een eigen accountant de kwaliteit van de controle door de
accountant van de subsidieontvanger te laten onderzoeken (het zogenoemde
"review") en, indien nodig, een eigen controle door toezichthouders te
laten verrichten.
Evenals in artikel 4.2.8.2.5 [4:64]
is ook in de onderhavige
bepaling voorzien in de mogelijkheid vrijstelling of ontheffing te verlenen
van de verplichting een accountantsverklaring te verstrekken. De vraag onder
welke omstandigheden kan worden afgezien van een
accountantsverklaring is moeilijk in het algemeen te beantwoorden. Vooropstaat de eigen
verantwoordelijkheid van het subsidieverlenende bestuursorgaan voor
de controle op een rechtmatige en doelmatige besteding van de gelden.
Aan die verantwoordelijkheid wordt gestalte gegeven door
enerzijds de subsidieontvanger toereikende informatieverplichtingen op te
leggen en anderzijds door in beginsel een accountantsverklaring te
eisen.
Of op het beginsel dat een accountantsverklaring vereist
is een uitzondering kan worden gemaakt, hangt voor een deel af
van de kwaliteit van de informatieverplichtingen
|