|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1993-1994, 23 700
Aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht (Derde
tranche Algemene wet bestuursrecht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Bekendmaking
(aanvulling afdeling 3.6) |
| 3 |
Motivering
(afdeling 3.7) |
| 4 |
Subsidies
(titel 4.2) |
| 5 |
Beleidsregels
(titel 4.4 [4.3]) |
| 6 |
Handhaving
(hoofdstuk 5) |
| 7 |
Mandaat
en delegatie (titel 10.1) |
| 8 |
Toezicht
op bestuursorganen (titel 10.2) |
| 9x |
Overgangs-
en slotbepalingen |
| xBijlage |
rblz.|2|
1. Algemeen
De Algemene wet
bestuursrecht als aanbouwwet
In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het eerste deel van de
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3) is
uiteengezet dat de grondwettelijke opdracht tot het stellen van algemene
regels van bestuursrecht (vgl. artikel
107, tweede lid, Grondwet) niet
in één keer zal worden uitgevoerd. Doordat gekozen is voor een systeem
van aanbouwwetgeving, zullen de onderdelen van de nieuwe wet in
verschillende gedeelten ("tranches") tot stand worden gebracht. De
eerste
en de tweede tranche zijn op 1 januari 1994 in werking getreden (Stb. 1994,
1). Daarnaast is inmiddels bij de Staten-Generaal aanhangig een
wetsvoorstel strekkende tot aanvulling van de
Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over het gebruik van de Nederlandse en de Friese
taal in het bestuurlijk verkeer (Kamerstukken II 1993-1994, 23 543, nrs.
1-3) [zie Wet van 4 mei 1995, Stb. 1995,
302, red.].
Inhoud van de derde tranche
Dit wetsvoorstel bevat de
derde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht. Het omvat een
zestal nieuwe onderwerpen, grotendeels in overeenstemming met de aankondiging in het tweede voortgangsrapport
van de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht. Deze onderwerpen zijn:
- mandaat en delegatie;
- toezicht op
bestuursorganen (goedkeuring, vernietiging en schorsing van besluiten);
- subsidies;
- beleidsregels;
- toezicht op de naleving;
- bestuursdwang en dwangsom.
Met de thans voorgestelde
titel over subsidies wordt tevens uitvoering gegeven aan toezegging van
het kabinet, gedaan bij de Tussenbalans 1991, om een algemene wettelijke regeling voor subsidieverstrekking tot
stand te brengen en op te
nemen in de
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1990-1991, 21
998, nr. 2, bijlage 3, blz. 22, alsmede Kamerstukken II 1990-1991, 22
150, nrs. 1-2, blz. 12-13, en Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5).
Daarmee levert dit wetsvoorstel tevens een bijdrage aan het
geïntegreerd subsidiebeleid van de rijksoverheid.
Naast deze zes nieuwe
onderwerpen worden op twee punten wijzigingen van het eerste
gedeelte van de
Algemene wet bestuursrecht voorgesteld die niet rechtstreeks samenhangen met de nieuwe onderwerpen. Zij houden daar
echter toch verband mee, omdat bij de voorbereiding van de zes genoemde
onderwerpen bleek dat wijzigingen die in bepaalde artikelen van de
eerste tranche voor die onderwerpen gewenst waren beter een algemeen
karakter konden krijgen. Veruit de belangrijkste van deze twee
wijzigingen betreft de bepalingen inzake motivering. Deze bepalingen gelden thans
alleen voor beschikkingen en zijn daarom opgenomen in hoofdstuk
4.
Gebleken is dat zij voor besluiten in het algemeen behoren te gelden
en daarom naar hoofdstuk 3 moeten worden overgebracht.
De tweede wijziging betreft
een tweetal kleinere aanvullingen van afdeling 3.6 (bekendmaking),
waarvan de wenselijkheid bij de voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel is gebleken.
Bij de keuze van de zes
nieuwe onderwerpen hebben soortgelijke overwegingen een rol
gespeeld als bij de keuze van onderwerpen in de voorgaande tranches: de behoefte aan harmonisatie en codificatie
van het rblz.|3|
onderwerp, het praktische
belang van een uniforme regeling en de vraag of de stand van de
wetgeving, jurisprudentie en doctrine een goed uitzicht op een bevredigende regeling
biedt. Met de keuze voor de beide eerstgenoemde onderwerpen
wordt bovendien uitwerking gegeven aan het voornemen - uitgesproken
in de memorie van toelichting bij de eerste tranche (Kamerstukken II
1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 20) - ook bepalingen op te nemen over de
verhouding tussen bestuursorganen onderling.
Voor elk van deze
onderwerpen wordt één en ander kort toegelicht.
Mandaat en delegatie
Mandaat en delegatie zijn
rechtsfiguren die veelvuldig worden gebruikt. Beide onderwerpen hebben tot
een aanzienlijke hoeveelheid jurisprudentie geleid, waarbij met name de
mandaatfiguur aan de orde is
geweest. Zij komt ook zo
veelvuldig voor dat onzekerheid over de rechtsgevolgen ervan in een
modern bestuursrecht niet meer te aanvaarden is.
Weliswaar zijn door de
jurisprudentie en de doctrine een aantal vraagpunten opgelost, maar
bij andere blijft verschil van inzicht overheersen. In deze
omstandigheden is een regeling in de
Algemene wet bestuursrecht aangewezen.
Zowel bij mandaat als bij
delegatie van bevoegdheid is het uitgangspunt dat er reeds
een bevoegdheid bestaat bij degene die tot mandaat of delegatie
besluit. Toedeling (attributie) van bevoegdheid gaat dus aan mandaat of delegatie
vooraf. Deze toedeling pleegt door de bijzondere wetgever te
geschieden. In een later stadium kan worden bezien of algemene aspecten
van attributie voor een regeling in de Awb in aanmerking komen, zoals de
gevolgen van attributie aan een ambtenaar die aan een bestuursorgaan
(minister) ondergeschikt is.
Toezicht op bestuursorganen
Het is vooral de centrale
overheid die op vele andere bestuursorganen toezicht uitoefent doordat
besluiten aan een goedkeuringsrecht onderworpen zijn of vatbaar zijn voor schorsing en vernietiging. Het meest
bekend zijn in dit opzicht
de regeling in de Gemeentewet
en de Provinciewet, maar tal van
andere wetten kennen deze toezichtsinstrumenten ten aanzien van
bijvoorbeeld waterschappen, ziekenfondsen en vele andere organen.
De bepalingen in de
bijzondere wetgeving hebben vaak een beperkt karakter en zijn soms
verouderd. Teneinde de doorzichtigheid van het bestuurssysteem te vergroten,
is het gewenst dat de genoemde toezichtsinstrumenten duidelijk en
uniform worden geregeld.
Subsidies
De behoefte aan een algemene
wettelijke regeling van de subsidie is in de afgelopen jaren gebleken.
Hoewel bestuursorganen subsidies tot grote bedragen verstrekken,
berusten vele daarvan niet op enige grondslag in de wet. Bij verschillende
gelegenheden is de onwenselijkheid van deze situatie uitdrukkelijk geconstateerd, zoals in verband met de parlementaire
enquête bouwsubsidies
(Kamerstukken II 1988-1989, 19 623, nrs. 30 en 42) en bij de behandeling van
het rapport "Orde in de regelgeving" van de Commissie
Wetgevingsvraagstukken (Zie Kamerstukken II 1985-1986, 20 038, nr. 2).
Inmiddels heeft de regering
toegezegd met een algemene regeling van de subsidies in de
Algemene wet bestuursrecht te komen (Kamerstukken II 1990-1991, 21 998, nr. 2,
bijlage 3, blz. 22; Kamerstukken II 1990-1991, 22 150, nrs. 1-2, blz. 12-13,
Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5). Uit het gezichtspunt van
harmonisatie heeft dit grote voordelen boven het rblz.|4|
ontwerpen van wetgeving per
beleidsterrein, omdat de laatste benadering tot nodeloos uiteenlopende
regelingen zou leiden. Bovendien is inmiddels wegens het veelvuldig
ontbreken van een wettelijke regeling bij subsidies een aanzienlijke
jurisprudentie op dit terrein tot stand gekomen. Onder deze omstandigheden is een
algemene regeling van het onderwerp vanuit wetgevingsoogpunt gewenst en
ook te realiseren, gezien de stand van het huidige recht over het onderwerp.
Beleidsregels
Beleidsregels zijn in de
laatste twee decennia in het bestuursrecht van enorme betekenis geworden.
Het is hier de jurisprudentie die de ware betekenis van deze rechtsfiguur tot nu toe bepaalt. In de indeling van de
Algemene wet bestuursrecht,
zoals die in de toelichting bij de eerste tranche werd gepresenteerd,
was echter reeds voorzien in een titel over beleidsregels. De
wenselijkheid daarvan vloeit voort uit het feit dat het onderwerp van te groot
belang is om in de wetgeving geheel ongeregeld te blijven, terwijl er
bovendien een aantal kernpunten is ten aanzien waarvan de wetgever een
positie moet kiezen.
Toezicht op de naleving
In het systeem van de
Algemene wet bestuursrecht is vanaf de aanvang een hoofdstuk gereserveerd
voor de handhaving van het bestuursrecht door bestuursorganen. Dit
onderwerp vormt een belangrijk sluitstuk van bijna alle wetgeving.
Het onderwerp heeft de
afgelopen jaren zeker aan belang gewonnen. Het inzicht dat goede
wetgeving alleen niet voldoende is voor het bereiken van een bepaalde doelstelling, maar dat een goede handhaving
een noodzakelijke voorwaarde
voor succes is, heeft geleid tot een grotere aandacht van wetgever en
bestuur.
In de sfeer van de
handhaving speelt ook het toezicht dat bestuursorganen moeten houden op de
naleving van wetgeving. Tal van wetten kennen met dit doel bevoegdheden tot controle of inspectie toe aan
ambtenaren die met het
toezicht op een bepaald terrein zijn belast. Teneinde nodeloze
verschillen te vermijden, en ook om onduidelijkheid in de rechtspositie van de
burger te voorkomen - deze is zich van de omvang van de bevoegdheden
van de vele toezichthoudende ambtenaren meestal niet bewust -, wordt
al geruime tijd naar een algemene wet op dit terrein gestreefd, mogelijk
te combineren met de regeling van de opsporing.
Het verdient echter de
voorkeur niet naast de Algemene wet bestuursrecht nog nieuwe algemene
wetten op het terrein van het bestuursrecht te ontwerpen. De met de Algemene wet bestuursrecht beoogde doelstelling
van het systematiseren en
daardoor vereenvoudigen van het bestuursrecht - indertijd als tweede
doelstelling genoemd - kan alleen bereikt worden indien de onderwerpen
die zich voor een algemene regeling lenen ook inderdaad in de
Algemene wet bestuursrecht worden opgenomen: alleen dan dwingt
het wettelijke kader tot eenheid van benadering en tot een goede
systematiek.
Bestuursdwang en dwangsom
Bestuursdwang is vanouds een
belangrijk bestuurlijk handhavingsinstrument. De bestuurlijke
dwangsom, als alternatief voor bestuursdwang, is al enige tijd
sterk in opkomst. De sterk toegenomen aandacht voor handhaving heeft hier
mede geleid tot vernieuwingen in de wetgeving met betrekking tot
deze beide instrumenten. Zo is de regeling van de bestuursdwang in de
nieuwe Gemeentewet, Provinciewet
en Waterschapswet herzien en
wordt in vele andere wetten een regeling van rblz.|5|
dit onderwerp opgenomen. Ook
de door het bestuur op te leggen last onder dwangsom heeft in
verschillende wetten zijn intrede gedaan.
Harmonisatie is hier van
belang en ook zonder grote moeite te bereiken omdat de verschillen tussen
de thans bestaande wetten niet van principiële betekenis zijn.
De indeling van de Algemene
wet bestuursrecht
Als gevolg van de keuze voor
een aanbouwwet is bij de eerste tranche reeds een indeling van de
Algemene wet bestuursrecht gemaakt die rekening houdt met het feit dat nieuwe onderwerpen in
de wet zouden
worden ingevoegd. De
onderwerpen die onderdeel uitmaken van dit ontwerp passen in het
algemeen goed in die indeling.
Zo behoren de regeling van
de subsidies en die van de beleidsregels in hoofdstuk
4 te worden
opgenomen aangezien dat hoofdstuk bedoeld is voor regels die betrekking
hebben op een bepaald type besluit. De titel over subsidies, die als een
regeling van een bepaald soort beschikking is opgezet, kan het beste
direct na de titel over beschikkingen worden geplaatst. Weliswaar was
deze titel (titel 4.2) oorspronkelijk gereserveerd voor bestuursovereenkomsten,
maar dat onderwerp kan te zijner tijd zonder enig systematisch
bezwaar elders in hoofdstuk 4 een plaats vinden. Beleidsregels vormen
overeenkomstig de oorspronkelijke opzet titel 4.4 [4.3].
Voor de handhaving was
hoofdstuk 5 gereserveerd. Daarin passen de nu voorgestelde afdelingen
over bestuursdwang, over de dwangsom en over het toezicht van bestuursorganen. Aangezien het toezicht vooraf
pleegt te gaan aan het
toepassen van sancties, wordt die afdeling als eerste in het hoofdstuk
geplaatst, gevolgd door respectievelijk de afdelingen over
bestuursdwang en over dwangsom.
De Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht heeft voorgesteld de bepalingen
over mandaat en delegatie en toezicht op bestuursorganen op te nemen in een nieuw hoofdstuk
1a [-] met het
opschrift "Bepalingen over bestuursorganen". In het wetsvoorstel zoals dit aan de
Raad van State is
voorgelegd, waren deze bepalingen ondergebracht in hoofdstuk
1, om
hoofdstukken met a-nummers te vermijden. Bij nader inzien kan deze
doelstelling beter worden gerealiseerd door de bewuste bepalingen wel in
een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen, maar dit hoofdstuk na de
bestaande hoofdstukken te plaatsen. Aldus worden de bepalingen die
primair de verhoudingen binnen het openbaar bestuur betreffen, geplaatst
na de bepalingen die vooral gaan over de verhouding tussen bestuur en
burger en de bescherming van de burger tegen het bestuur.
Wij hebben ervoor gekozen
het nieuwe hoofdstuk "Bepalingen over bestuursorganen" het nummer
10 te geven - onder vernummering van het bestaande hoofdstuk 9 [-] (slotbepalingen) tot
hoofdstuk 11 -, opdat in
een nieuw hoofdstuk 9 te
zijner tijd een regeling inzake klachtprocedures in het openbaar bestuur kan
worden ondergebracht. Zo een regeling kan uit systematisch oogpunt het
beste onmiddellijk na hoofdstuk 8 worden geplaatst, omdat zij evenals
de hoofdstukken 6 tot en met 8 de bescherming van de burger
tegen het bestuur betreft.
Gevolgen voor bestaande
wetgeving
De aanpassing van de
bestaande wetgeving aan de nu voorgestelde regelingen zal eenvoudiger
kunnen zijn dan bij de eerste en de
tweede tranche het geval was. Hoewel van belang, dragen de onderwerpen in de
wetgeving een wat meer
geïsoleerd karakter. De aanpassingsarbeid is daardoor eenvoudiger en zal
veelal ook tot het eenvoudig schrappen van bestaande artikelen beperkt
kunnen blijven.
Het bovenstaande geldt
vooral voor de onderwerpen bestuursdwang, rblz.|6|
dwangsom, toezicht op de
naleving en goedkeuring, schorsing en vernietiging. Aangezien wettelijke bepalingen over mandaat en delegatie
beperkt in aantal zijn, zal
de aanpassingsoperatie bij dit onderwerp beperkt kunnen zijn. Dit
geldt in nog sterkere mate voor het onderwerp beleidsregels: bepalingen
daarover komen in de wetgeving zo goed als niet voor.
Voor subsidies ligt dit
anders. Voor een deel zijn subsidies reeds in de wetgeving geregeld. Die
wetgeving moet aan de nieuwe titel over dit onderwerp worden aangepast.
Voor een deel berusten subsidies niet op een wettelijke grondslag.
Dit betekent echter niet dat er ten aanzien van die subsidies niets behoeft
te gebeuren. Het in dit ontwerp voorgestelde beginsel dat
subsidieverlening op een wettelijke grondslag moet berusten, zal immers moeten leiden tot
de vraag of de niet wettelijk geregelde subsidies moeten worden
afgeschaft en - zo dit niet gewenst is - tot het ontwerpen van wetgeving
[lees: tot het ontwerpen van wetgeving moet leiden, red.] die
dan wel als grondslag voor subsidieverlening kan dienen. Te
verwachten valt derhalve dat dit onderwerp tot meer inspanningen op het
punt van wetgeving aanleiding zal geven dan de eerder genoemde.
Dereguleringsaspecten
Uit hetgeen hierboven is
gezegd, vloeit voort dat de onderwerpen bestuursdwang, dwangsom,
toezicht op de naleving en goedkeuring, schorsing en vernietiging
zullen leiden tot het schrappen van bepalingen in bijzondere wetten. Dit
leidt tot een uit dereguleringsoogpunt aantrekkelijke vermindering en
vereenvoudiging van regelgeving. De regeling zal voor bestuursorganen ook
gemakkelijker te hanteren zijn, terwijl er overigens op het punt van
bestuurslasten geen specifieke effecten te verwachten zijn. De
Algemene wet bestuursrecht sluit immers nauw aan bij het geldende recht.
De regeling van het mandaat
en de delegatie is in hoofdzaak een codificatie en brengt voor
het overige eerder verduidelijking dan verandering in hetgeen
thans geldt. Effecten op het punt van specifieke bestuurslasten zijn niet te
verwachten.
Voor de beleidsregels geldt
grotendeels hetzelfde. Bestuursorganen stellen thans reeds
veelvuldig beleidsregels vast, zowel terwille van de rechtszekerheid van
burgers
als om kansloze aanvragen van burgers af te schrikken. Artikel 4.4.3 [4:82]
moedigt aan om dat nog vaker te doen, door te bepalen dat een
bestuursorgaan na het vaststellen van een beleidsregel ter motivering van een
besluit naar die regel kan verwijzen, hetgeen een verlichting van de
motiveringsplicht inhoudt. Aangezien de motiveringsplicht bij iedere
beschikking of ander besluit terugkeert en het vaststellen van een beleidsregel een
eenmalige inspanning vergt, kan verwacht worden dat de regeling niet
tot een verzwaring, maar juist tot een verlichting van
bestuurslasten leidt.
Ten aanzien van de subsidies
moet worden opgemerkt dat de regeling van titel 4.2 een
belangrijke vereenvoudiging van bestaande subsidieregelgeving betekent. Voor
een groot aantal aspecten van subsidieverhoudingen, die thans
telkens opnieuw, en vaak op uiteenlopende wijze, geregeld worden, wordt thans
een algemene regeling getroffen. Een groot aantal bepalingen uit
bijzondere subsidieregelingen zal kunnen vervallen. Dit draagt in belangrijke
mate bij aan de eenvoud, duidelijkheid en kenbaarheid van de
subsidieregelgeving.
Anderzijds zal het
voorschrift dat subsidies in beginsel slechts krachtens wettelijk voorschrift kunnen
worden verstrekt gedurende enige tijd een niet onbelangrijke werklast
voor de onderscheiden wetgevers met zich brengen. Voor subsidies die
niet als incidenteel kunnen worden aangemerkt en die thans niet op
een wettelijk voorschrift berusten, zal alsnog een wettelijke regeling
moeten worden getroffen. Het wetsvoorstel biedt daarvoor overigens een ruime
overgangsperiode (artikel
III).
rblz.|7|
De
omvang van de daarmee
gemoeide bestuurslasten zal per subsidie verschillen. In veel
gevallen zal volstaan kunnen worden met het omzetten van bestaande beleidsregels
in wettelijke voorschriften. In een aantal gevallen zullen ook geheel
nieuwe regelingen moeten worden opgesteld. Ook gemeenten en
provincies
zullen hun subsidieverordeningen moeten aanvullen, zij het dat de
daarmee gemoeide bestuurslasten gedeeld zullen kunnen worden doordat
modelverordeningen zullen worden opgesteld.
Het bij wettelijk
voorschrift regelen van de subsidieverlening betekent echter ook een vermindering
van de bestuurslasten. Voor een aantal zaken, die thans bij iedere subsidiebeschikking opnieuw moeten worden
geregeld, zal straks naar
het wettelijk voorschrift kunnen worden verwezen. Ook het toereikend
motiveren van subsidiebeschikkingen zal in een aantal gevallen voor het
bestuur minder werk meebrengen. Voorts is de verwachting gerechtvaardigd dat een duidelijke wettelijke regeling zal leiden tot een vermindering
van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures doordat de burger
beter in staat is de juistheid van een subsidiebeschikking te beoordelen.
Ten slotte is de verwachting gerechtvaardigd dat de noodzaak een wettelijk voorschrift tot
stand te brengen, zal leiden tot een bewuster en meer terughoudend gebruik
van het subsidie-instrument. Dat is één van de redenen waarom het
huidige kabinet zich reeds voorstander heeft getoond van het vereiste van
een wettelijke grondslag voor subsidies, en voor dat standpunt de
vrijwel unanieme steun heeft gekregen van de Vaste Commissie voor de
Rijksuitgaven van de Tweede Kamer (UCV [uitgebreide
commissievergadering, red.] Subsidiebeleid 2 september
1991, Handelingen UCV 1990-1991, nr. 57). Langs deze weg kan het
vereiste van een wettelijke grondslag immers bijdragen aan een betere beheersing van subsidie-uitgaven.
Per saldo zal het
onderhavige voorstel, voor wat betreft het onderdeel subsidies, vermoedelijk in
de overgangsfase, waarin ook het bestendig subsidiebeleid nog niet wettelijk is geregeld, niet meer dan een tijdelijke,
eenmalige toename van
bestuurslasten betekenen. Op iets langere termijn staan daar belangrijke
positieve effecten tegenover, zowel in de sfeer van de bestuurslasten als in de
sfeer van de subsidie-uitgaven.
Derhalve mag verwacht worden
dat de invoering van dit wetsvoorstel voor het grootste deel
budgettair neutraal zal kunnen geschieden en op de middellange termijn zelfs
besparingen zal opleveren. De invoering van het onderdeel subsidies zal
enige incidentele kosten meebrengen, waar echter op wat langere termijn
structurele besparingen tegenover staan. Gelet hierop is ervan afgezien
laatstgenoemde kosten en baten per afzonderlijk bestuursorgaan te
kwantificeren; zulks zou, zo al mogelijk, een onevenredige inspanning vergen.
Maatregelen ter compensatie van deze kosten en baten liggen daarom
evenmin voor de hand. Zoals de vooral op iets langere termijn te
verwachten baten ten goede zullen komen aan de afzonderlijke
bestuursorganen, zullen ook de - naar verwachting beperkte - incidentele kosten
daar
gedragen moeten worden. Eén en ander is overigens in overeenstemming
met de bij de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht gevolgde gedragslijn.
Invoeringsbegeleiding
Bij de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht is, om een goede, tijdige en soepele
invoering van de nieuwe wetgeving in de bestuurspraktijk te verzekeren, een project invoeringsbegeleiding opgezet.
Dat project bestaat uit
verschillende onderdelen. Er is vanuit de ministeries van Justitie en
van Binnenlandse Zaken medewerking verleend aan diverse publikaties over
de
wet en aan een gevarieerd aanbod aan cursussen om alle
betrokkenen in het nieuwe recht te scholen. Daarnaast is een informatiepunt voor
bestuursorganen ingesteld en heeft een voorlichtingscampagne
plaatsgevonden. Zeker niet het minst belangrijk is het zogenaamde "proeftuinproject": bij een zestal (onderdelen) van
rblz.|8|
bestuursorganen is de nieuwe
wet reeds zoveel mogelijk in praktijk gebracht. Zo wordt duidelijk
welke aanpassingen in de organisatie en werkwijze van
bestuursorganen nodig zijn voor een goede invoering van de wet. De aldus opgedane
ervaringen en gevonden oplossingen worden neergelegd in brochures, die
op zeer ruime schaal worden verspreid, zodat andere bestuursorganen
daarvan kunnen profiteren.
De ervaringen met het
project invoeringsbegeleiding zijn tot dusver zonder meer goed te noemen.
De eind 1992 verschenen eerste brochure met ervaringen van de proeftuinen vindt gretig aftrek, van het
informatiepunt wordt druk
gebruik gemaakt en op diverse plaatsen hebben bestuursorganen ook
buiten het project om spontaan proeftuinen gestart. Het ligt dan ook in
ons voornemen om te zijner tijd ook voor de invoering van de derde
tranche een project invoeringsbegeleiding op te zetten; binnen de
begrotingen van Justitie en Binnenlandse Zaken zullen daarvoor middelen worden
vrijgemaakt. Het project invoeringsbegeleiding derde tranche
zal overigens kleinschaliger kunnen zijn dan dat voor de eerste tranche,
omdat de invoering van de derde tranche naar verwachting voor
bestuursorganen aanzienlijk minder ingrijpend zal zijn dan die van de eerste
tranche. Ook in dit verband is het vooral het onderdeel subsidies van het
onderhavige wetsvoorstel dat de aandacht zal vragen.
Voorbereiding van dit
wetsvoorstel
Bij de voorbereiding van
dit
wetsvoorstel is in grote lijnen dezelfde procedure gevolgd als bij de
voorbereiding van de eerste tranche. De Commissie wetgeving algemene
regels van bestuursrecht heeft op 5 december 1991 een
voorontwerp voor de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht aan ons
aangeboden. Dit voorontwerp is voor wat betreft het onderdeel
subsidies opgesteld door een daartoe ingestelde subcommissie.
Het voorontwerp is via de SDU Uitgeverij gepubliceerd en op ruime schaal verspreid. Wij hebben
vervolgens aan een aantal adviesorganen en andere instanties commentaar
gevraagd en voorts in ruimere kring de gelegenheid geboden tot het
maken van opmerkingen. Ten slotte heeft ook dit voorontwerp weer ruime
aandacht gekregen in de rechtswetenschappelijke
literatuur. Een overzicht van de ontvangen commentaren en adviezen, alsmede
van de bijdragen in de literatuur, is aan het slot van dit hoofdstuk
opgenomen.
De teneur van de reacties
was op hoofdlijnen positief. De noodzaak van verdere uitbreiding van de Algemene
wet bestuursrecht, de keuze van de in deze tranche te regelen
onderwerpen en de hoofdlijnen van de voorstellen worden in brede
kring onderschreven. Dit neemt niet weg dat op concrete bepalingen
kritiek is geleverd. Met name, maar niet uitsluitend, ten aanzien van
het meest omvangrijke onderdeel van het voorontwerp - titel 4.2
inzake subsidies - zijn vele nuttige voorstellen tot verbetering gedaan.
Wij zijn, mede op grond van
de ontvangen adviezen en commentaren, van oordeel dat het
voorontwerp een goede grondslag biedt voor de verdere uitvoering van de opdracht van de
grondwetgever om algemene
regels van bestuursrecht
vast te stellen. Dit wetsvoorstel is dan ook op het voorontwerp gebaseerd. Met
de gemaakte opmerkingen is waar mogelijk rekening gehouden. Elders in
deze toelichting wordt op een groot aantal van deze opmerkingen nader
ingegaan.
Indeling van dit
wetsvoorstel
Evenals in het wetsvoorstel
voor de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht het geval
was, is ook in dit wetsvoorstel de artikelnummering aangehouden van
het aan het wetsvoorstel ten grondslag rblz.|9|
liggende voorontwerp.
Hierdoor wordt bewerkstelligd dat de wetsgeschiedenis (van
voorontwerp tot en met parlementaire behandeling) per artikel
gemakkelijker toegankelijk wordt. Men hoeft immers geen rekening te houden met
tussentijdse vernummeringen. Slechts in het laatste stadium, tussen
het tijdstip van bekrachtiging en de plaatsing in het Staatsblad, zal een
vernummering plaatsvinden. In deze definitieve nummering wordt
voorzien door artikel V.
Opbouw van deze toelichting
De opbouw van deze memorie
van toelichting wijkt iets af van het gebruikelijke patroon. De
normale opzet, één algemeen deel gevolgd door een artikelsgewijze toelichting, zou in dit geval betekenen dat de
algemene beschouwingen over
elk van de acht hiervoor genoemde onderwerpen zouden worden
gescheiden van de toelichting op de bijbehorende artikelen. Dit
zou de overzichtelijkheid niet ten goede komen. In plaats daarvan is
ervoor gekozen per onderwerp een apart hoofdstuk in de toelichting
op te nemen. Dat zijn de hoofdstukken 2 tot en met
8, gerangschikt in de
volgorde waarin de onderwerpen in de Algemene
wet bestuursrecht zullen worden opgenomen. Elk van die hoofdstukken bevat zowel de
algemene beschouwingen als de artikelsgewijze toelichting met
betrekking tot het desbetreffende onderwerp. Om de toegankelijkheid te
vergroten, is deze toelichting tevens voorzien van een register op zowel de
voorgestelde nieuwe artikelen van de Algemene wet bestuursrecht als de
artikelen en onderdelen daarvan van dit
wijzigingsvoorstel.
Naast deze hoofdstukken over
de acht onderwerpen bevat deze toelichting nog twee
hoofdstukken. Het onderhavige eerste hoofdstuk bevat de beschouwingen die
betrekking hebben op het wetsvoorstel als geheel. Hoofdstuk 9
ten slotte bevat de toelichting op de overgangs- en slotbepalingen van het
onderhavige wetsvoorstel.
rblz.|10|
Overzicht adviezen en
commentaren ¹
- Algemene Rekenkamer,
brieven van 11 mei 1992, nr. 551 R, en 14 januari 1993, nr. 48 R.
- Arboraad, brief van 23
april 1992, nr. R-2581/vZ/lm.
- Centraal Orgaan Tarieven
Gezondheidszorg, brief van 15 april 1992, nr. PB/mvd/A/92/039.
- College van Beroep voor
het bedrijfsleven, brief van 12 maart 1992, nr. kab/V/8.
- Coördinerend Politie
Beraad, brief van 31 januari 1992, nr. DIR/0089/PB.
- Nationale Raad voor de
Volksgezondheid, advies van mei 1992, nr. 4197-8, Publikatie 17/'92.
- Nederlands Genootschap van
Bedrijfsjuristen, brief van 2 april 1992, nr. 30 083/SB/Wi.
- Nederlandse Orde van Advocaten, brief van 21 april 1992, nr. 4.13.07.
akt/lb.
- Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, advies toegezonden bij brief van 21 mei 1992, nr.
7.19.
- Onderwijsraad, brief van
25 maart 1992, nr. OR 92000023/Alg. vH/CR.
- Raad van advies voor de
ruimtelijke ordening, advies van 10 april 1992, toegezonden bij brief
van 10 april 1992, nr. vB/128.
- Raad voor de
gemeentefinanciën, brief van 30 maart 1992, nr. 112 752 Rgf 178/294.
- Raad voor het binnenlands
bestuur, advies van mei 1992, nr. 92/128.
- Raad voor het Jeugdbeleid,
brief van 28 april 1992, nr. 501-57/1744P.
- Sociaal-Economische Raad
(Organisatiecommissie), advies van 27 mei 1992, toegezonden bij
brief van 27 mei 1992, nr. 92 11416/JvB/203
- Staatstoezicht op de Volksgezondheid, brief van 22 april 1992, nr.
92471/GHI/OBA/J/ao.
- Vereniging van Nederlandse Gemeenten, brief van 18 mei 1992, nr.
AJZ/204598 BESTUUR 92/109.
- Voorlopige Raad voor het
Ouderenbeleid, brief van 26 maart 1992, nr. RO-92 195/30.36.
- Ziekenfondsraad, brief van
31 maart 1992, nr. JA/3804/92.
1. Ter inzage gelegd bij de
afdeling Parlementaire Documentatie.
Overzicht literatuur
- Addink, G.H., en Sluijs, M.J., De Algemene
wet bestuursrecht op scherp: Kanttekeningen bij
het hoofdstuk Handhaving, Nederlands tijdschrift voor
bestuursrecht (1992) 2, blz. 33-45.
- Bakker, R.E.,
Beleidsregels, "even the British do it better", Nederlands Juristenblad (1992) 33, blz.
1065-1067; reactie: Verheij, N., Beleidsregels: een goede zaak, Nederlands
Juristenblad (1992) 42, blz. 1427.
- Ballegooij, G.A.C.M. van,
en Gongrijp-van Mourik, M., De subsidieregeling in de Algemene wet
bestuursrecht, Nederlands tijdschrift voor bestuursrecht (1992) 7, blz. 210-220.
- Brederveld, E., De
Algemene wet bestuursrecht weer een stap verder. Het voorontwerp voor de
derde tranche, de Gemeentestem (1992) 6947, blz. 369-371
- Bruil, D.W., en Schilder, A.E., Toezicht in de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992)
3, blz. 277-287.
- Burg, F.H. van der,
Mandaat en delegatie, Nederlands tijdschrift voor bestuursrecht (1992) 8, blz.
268-275.
- Derks, A(nnemiek), Anne
van Nus, Henk Simon, Het toezicht op burgers in de Algemene wet
bestuursrecht, Nederlands Juristenblad, afl. 43, 2 december 1993, blz. 1544-1553.
- Eijlander, Ph., Wetmatig
subsidiebeleid?, in: T. Hoogenboom. Damen, L.J.A., In de sfeer van administratief recht
(Liber amicorum W.
Konijnenbelt), Utrecht 1994, blz. 83-94.
rblz.|11| -
Goorden, C.P.J.,
Beleidsregels bij mandaat en delegatie, Nederlands tijdschrift voor
bestuursrecht (1992) 5, blz. 163-168.
- Goorden, C.P.J.,
Handhaving onder het regime van de Awb, de Gemeentestem (1993) 6957,
blz. 57-66.
- Groot, G.R.J. de, Rossum, A.A. van, Mandaat en volmacht, Rechtsgeleerd magazijn
Themis, nr.
3, maart 1993, blz. 127-141.
- Hennekens, H.Ph.J.A.M.,
Delegatie en mandaat in het licht van het voorontwerp voor de Algemene
wet bestuursrecht, de Gemeentestem (1992) 6955 en 6956, blz. 609-616 en 641-647.
- Kan, J.M., Toezicht op
bestuursorganen. Titel 1A.2 Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht,
de Gemeentestem (1992) 6947, blz. 371-374.
- Kleijn, G.P.,
Beleidsregels in de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992) 3, blz.
296-303.
- Konijnenbelt, W., Een
koekoeksei in de Awb?, RegelMaat (1992) 3, blz. 65.
- Konijnenbelt, W., (red.),
De derde tranche, commentaar op het voorontwerp voor de derde
tranche van de Algemene wet bestuursrecht, Samsom H.D. Tjeenk Willink,
Alphen aan den Rijn 1992, waarin:
hoofdstuk 1, De derde
tranche onder de loep (W. Konijnenbelt)
hoofdstuk 2, Attributie,
delegatie en mandaat in de Algemene wet bestuursrecht (W.
Konijnenbelt)
hoofdstuk 3, Toezicht op
bestuursorganen (L.J.A. Damen)
hoofdstuk 4, § 1, De
subsidiebeschikking (I.C. van der Vlies)
hoofdstuk 4, § 2, Het
subsidieplafond (L.J.A. Damen)
hoofdstuk 4, § 3,
Intrekking, wijziging en beëindiging (P. Hazewindus)
hoofdstuk 5, Beleidsregels (P.
Nicolaï)
hoofdstuk 6, § 1,
Handhaving in de Awb (N.S.J. Koeman)
hoofdstuk 6, § 2, Toezicht
(S. Pront-van Bommel)
hoofdstuk 6, § 3,
Bestuursdwang (B.K. Olivier, H. Troostwijk)
hoofdstuk 6, § 4, Dwangsom (N.S.J. Koeman).
- Langbroek, P.M., e.a.,
Bouwen aan de Algemene wet bestuursrecht. Het voorontwerp derde
tranche verkend, Nederlands Juristenblad (1992) 15, blz. 473-477.
- Michiels, F.C.M.A.,
Beleidsregels in de Algemene wet bestuursrecht, Gemeentestem 6967, 18
juni 1993, blz. 309-314.
- Oudshoorn, J.C., Delegatie
en mandaat in de derde tranche, Bestuurswetenschappen (1992) 3, blz.
271-276..
- Poel, J.W.E. van de, "Handhaving" in de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992)
3, blz. 304-309
- Schuiling, K.F.,
Handhaving, opsporing en toezicht; Staats- en bestuursrechtelijke kroniek,
Bestuurswetenschappen (1992) 4, blz. 365-368.
- Sectie Bestuursrecht
Rijksuniversiteit Limburg, Beleidsregels: gebruiksaanwijzing van
Bestuursbevoegdheid, Regelmaat, afl. 2, 1993, blz. 54-60.
- Sectie Staats- en
bestuursrecht KUB, Beleidsregels geregeld?, Nederlands tijdschrift voor
bestuursrecht (1992) 8, blz. 253-267.
- Sluijs, M.J., Lastige
bestuurssancties, de Gemeentestem (1994) 6984, blz. 141-149.
- Snijders, W., Wederzijdse
beïnvloeding van privaatrecht en bestuursrecht (NBW en Awb), Weekblad
voor privaatrecht, notariaat en registratie (1992) 6074, blz. 999-1003.
- Stroink, F.A.M., Regeling
delegatie in derde tranche Algemene wet bestuursrecht ondoordacht,
Nederlands Juristenblad (1992) 15, blz. 478-479.
- Viegen, C. van, Subsidies
en de derde tranche van de Awb, Bestuurswetenschappen (1992) 3, blz.
288-295.
- Vlies, I.C. van der,
Regulering van subsidie, Nederlands Juristenblad (1992) 26, blz. 819-823.
- Vlies, I.C. van der,
Delegatie, mandaat en de rechtsstaat, in: rblz.|12|
T. Hoogenboom, L.J.A. Damen, In
de sfeer van administratief recht (Liber amicorum W. Konijnenbelt), Utrecht 1994, blz. 409-428.
- Vucsan, R.L., Kroniek
bestuursrecht, AAe Katern (1992) 43, blz. 1959-1960.
rblz.|13|
2. Bekendmaking
(aanvulling afdeling 3.6)
Algemeen
Bij het opstellen van het
voorontwerp bleek het wenselijk afdeling 3.6, inzake de bekendmaking van
besluiten, op een tweetal punten aan te vullen. Het betreft hier aanvullingen die weliswaar samenhangen met
respectievelijk afdeling 5.2 [5.3]
[5.3.1], inzake bestuursdwang, en titel
4.4 [4.3], inzake beleidsregels, maar die op
zichzelf een algemenere betekenis hebben. Om die reden worden zij
hieronder afzonderlijk toegelicht.
Artikel 3:41
Bij het ontwerpen van
afdeling 5.2 [5.3]
[5.3.1]
inzake bestuursdwang bleek dat het wenselijk is artikel 3:41
aan te vullen met een tweede lid. Bekendmaking op de voet van artikel 3:41,
eerste lid, van een beschikking inhoudende de beslissing dat bestuursdwang
zal worden toegepast, is niet altijd praktisch mogelijk. Zo moet in die
situaties rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de
overtreder aan het bestuursorgaan onbekend is. Goed voorstelbaar is ook dat de
identiteit van een overtreder of een andere belanghebbende wel bekend
is, maar dat het bestuur niet over een correct adres van betrokkene
beschikt. De bevoegdheid om met bestuursdwang op te treden, mag van zulke
omstandigheden niet afhankelijk worden gesteld.
Het gaat hier in feite om
een algemeen probleem, dat zich ook bij de bekendmaking van andere
besluiten kan voordoen. Daarom is in dit wetsvoorstel een aanvulling in de vorm van een
nieuw tweede lid van artikel 3:41 opgenomen,
volgens welke aanvulling in het geval dat de hoofdregel van artikel 3:41,
eerste lid, niet kan worden gevolgd, de bekendmaking geschiedt op
een andere geschikte wijze. Als andere geschikte wijzen kunnen
afhankelijk van de omstandigheden in het algemeen onder meer worden
beschouwd publicatie in een dag- of nieuwsblad, aanplakking op
het gemeentelijk publicatiebord of aanplakking ter plekke. Soms
zal redelijkerwijze kunnen worden volstaan met het op het kantoor van
het bestuursorgaan ter inzage leggen van de beschikking.
Artikel 3:42
Het
beginsel dat besluiten
van bestuursorganen de burger niet kunnen worden tegengeworpen dan
nadat zij behoorlijk zijn bekendgemaakt, geldt ook voor beleidsregels.
Omdat het vaststellen van
een beleidsregel een besluit is dat niet tot één of meer
belanghebbenden is gericht, dienen beleidsregels te worden bekendgemaakt
overeenkomstig artikel 3:42, eerste lid. Dit voorschrift laat uiteenlopende wijzen
van bekendmaking toe. Als een geschikte wijze van bekendmaking kan in
ieder geval niet worden beschouwd een uitsluitend mondelinge
kennisgeving, een vermelding uitsluitend bij de bekendmaking van de
beschikking waarbij de beleidsregel een rol speelt of een vermelding
uitsluitend in het kader van een bezwaar- of beroepsprocedure.
Anderzijds eist artikel
3:42, eerste lid, niet dat steeds de volledige tekst van een besluit
bekendgemaakt wordt. Volstaan kan worden met kennisgeving van de zakelijke inhoud.
Het belang van een goede
bekendmaking van beleidsregels wordt geaccentueerd door de
recente jurisprudentie van de Hoge Raad, die in een reeks van arresten heeft
beslist dat beleidsregels "recht" in de zin van artikel 99 Wet
op de rechterlijke organisatie kunnen zijn (HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, AB 1990,306, BNB
1990, 194; HR 25 maart 1990, BNB 1990, 199; HR 19 juni 1990, NJ 1991, 119; HR
29 juni 1990, NJ 1991, 120). De Hoge Raad stelt rblz.|14|
daarbij onder meer als voorwaarde dat de beleidsregels door of met medeweten van de overheid
zijn bekendgemaakt op zodanige wijze dat de daarin vervatte regels
voor betrokkenen kenbaar en toegankelijk zijn.
Indien bij beleidsregels
wordt volstaan met de bekendmaking van de zakelijke inhoud, zoals artikel
3:42 als mogelijkheid openlaat, behoort, zoals door de Hoge Raad
is
uitgesproken, de (gehele) inhoud voor betrokkenen toch kenbaar en
toegankelijk te zijn. Teneinde dit zeker te stellen, is het gewenst aan artikel
3:42 een tweede lid toe te voegen dat voorschrijft dat een besluit waarvan slechts de zakelijke inhoud in de kennisgeving is
weergegeven
volledig ter inzage moet worden gelegd. De Bekendmakingswet
kent ook
een dergelijke mogelijkheid, zij het slechts voor bijlagen bij bepaalde
categorieën algemeen verbindende voorschriften (artikel 5,
eerste lid, onderdeel b).
Het nieuwe tweede lid van artikel
3:42 zal niet alleen voor beleidsregels gaan gelden, maar voor alle
besluiten die niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht (behoudens voor algemeen verbindende
voorschriften: de
bekendmaking daarvan wordt in diverse wetten geregeld, zoals de
Bekendmakingswet voor voorschriften van het Rijk, de Provinciewet
en Gemeentewet e.d.). Dit lijkt ook juist: het behoort tot het wezen van de bekendmaking
dat de betrokkenen kennis kunnen nemen van het gehele besluit dat
hen kan raken. Hoewel de Wet
openbaarheid van bestuur die mogelijkheid
in beginsel ook verschaft, verdient het de voorkeur een meer rechtstreekse mogelijkheid tot kennisneming in de
regeling over de
bekendmaking op te nemen.
Opmerking verdient dat bij
beleidsregels in het algemeen bekendmaking door opneming van het
volledige besluit in de kennisgeving de voorkeur verdient. Niettemin zijn er gevallen waarin dat niet goed
mogelijk of niet zinvol is.
Men denke aan zeer omvangrijke regelingen of regelingen waarin, al of
niet in de vorm van bijlagen, uitvoerige en gedetailleerde technische
specificaties zijn opgenomen. In deze gevallen kan worden volstaan met
bekendmaking van de zakelijke inhoud, gepaard aan het ter inzage leggen
van de volledige tekst.
rblz.|15|
3. Motivering
(afdeling 3.7)
Algemeen
In het voorlopig verslag
naar aanleiding van het wetsvoorstel eerste
tranche Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 4) is gewezen op het voorstel
van een aantal wetenschappers (in het zogenaamde "VUGA-advies",
's-Gravenhage 1990) om de bepalingen van afdeling 4.1.4 [-] inzake
motivering te verplaatsen naar hoofdstuk 3, zodat zij voor alle
besluiten en niet
slechts voor beschikkingen zouden gelden (Kamerstukken II 1990-1991, 21
221, nr. 4, vraag 143). Naar aanleiding daarvan is in de memorie van
antwoord (Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5, blz. 80) opgemerkt dat deze problematiek in het kader van de
derde tranche zou worden bezien.
Bij de voorbereiding van
titel 4.4 [4.3] inzake beleidsregels is naar voren gekomen dat de artikelen van afdeling 4.1.4
[-] inderdaad in het algemeen dienen te gelden. Ook bij besluiten van algemene strekking moet van het
bestuur verlangd worden
niet alleen dat het de betrokken belangen inventariseert en afweegt (artikelen 3:2 en
3:4), maar ook dat het inzicht geeft in de aard van de in
aanmerking genomen belangen en de maatstaven die bij de
afweging een rol hebben gespeeld. Alleen dan wordt de besluitvorming voor
buitenstaanders inzichtelijk en controleerbaar.
In de bestaande wetgeving
komen motiveringsplichten met betrekking tot besluiten van algemene
strekking reeds in een aantal gevallen voor. Als zodanig kunnen bijvoorbeeld worden beschouwd de voorschriften van
de artikelen 7, tweede lid,
en 12, tweede lid, Besluit
op de ruimtelijke ordening 1985, welke bepalen dat
respectievelijk een streekplan en een bestemmingsplan dienen te
worden voorzien van een toelichting. Daarnaast wordt ook in de
jurisprudentie veelal reeds een zekere motivering van besluiten van
algemene strekking geëist (vgl. bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 14
september 1978, AB
1978, 26). Uitbreiding van de in de afdeling 4.1.4 [-] neergelegde regels
inzake motivering tot alle besluiten past in deze lijn. Voor een substantiële
verzwaring van bestuurslasten behoeft dan ook niet te worden gevreesd,
te meer daar een deugdelijke motivering van een besluit van algemene
strekking in veel gevallen een verlichting van de motiveringsplicht bij met
dat besluit samenhangende beschikkingen met zich zal brengen. Op dit
laatste wordt in hoofdstuk 5 bij de toelichting op artikel 4.4.3
[4:82] uitvoeriger
ingegaan.
Op grond van het
vorenstaande wordt thans voorgesteld de bepalingen van afdeling 4.1.4
[-] - onder vervanging van "beschikking" door "besluit"
- over te
brengen naar een nieuwe afdeling 3.7.
Anders dan in het
VUGA-advies voorgesteld, zijn de bepalingen inzake motivering niet van
overeenkomstige toepassing verklaard op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten. Aan dat voorstel kleven
namelijk twee bezwaren. In
de eerste plaats is de vraag in hoeverre ook bij privaatrechtelijke rechtshandelingen of feitelijke handelingen van
bestuursorganen een
motivering kan worden geëist tot op heden in de jurisprudentie nog
nauwelijks aan de orde geweest. Reeds daarom verdient het de voorkeur op
dit punt de rechtsontwikkeling af te wachten. In de tweede plaats is ook
afdeling 3.6, inzake bekendmaking, niet van overeenkomstige toepassing
verklaard op andere handelingen dan besluiten. Nu in het stelsel
van de Algemene wet bestuursrecht een nauw verband is gelegd tussen de
regeling van de motivering en de regeling van de bekendmaking, lenen
de bepalingen inzake motivering zich minder goed voor toepassing op
handelingen waarvoor geen bekendmaking is voorgeschreven.
rblz.|16|
Voor besluiten inhoudende
algemeen verbindende voorschriften geldt dat deze uiteraard wel
bekendgemaakt moeten worden, maar dat de voorschriften over de bekendmaking van besluiten van
afdeling 3.6
daarvoor niet gelden. De Bekendmakingswet
regelt deze materie voor regelgeving van het Rijk;
voor regelingen van andere organen zijn in diverse wetten
bekendmakingsvoorschriften te vinden. Nu de motiveringsplicht aansluit
bij de bekendmaking, past het ook hier niet goed in het stelsel van de Algemene
wet bestuursrecht de regels hierover wel voor algemeen
verbindende voorschriften te laten gelden.
De bepalingen van afdeling
3.7 komen, behoudens de uitbreiding van het toepassingsbereik tot
alle besluiten, inhoudelijk in hoofdzaak overeen met de thans nog in afdeling 4.1.4
[-] neergelegde bepalingen. Op één punt bleek de uitbreiding van het
toepassingsbereik een aanvulling noodzakelijk te maken. Het betreft
artikel 3.6.2 [3:47], vierde lid. Verwezen zij naar de
toelichting op die bepaling [3:47].
Afdeling
3.7
Artikel 3.6.1 [3:46]
Behoudens de vervanging van
het woord "beschikking" door "besluit" komt deze bepaling overeen
met het huidige artikel 4:16. De motivering dient aan redelijke eisen te
voldoen, mede rekening houdend met het belang dat de betrokken
burgers bij de motivering hebben. Uit de aard der zaak zal de motivering van
een besluit van algemene strekking doorgaans een globaler karakter hebben
dan de motivering van een individuele beschikking.
Artikel 3.6.2
[3:47]
De eerste drie leden van
deze bepaling komen, behoudens de vervanging van "beschikking" door
"besluit", overeen met het huidige artikel
4:17.
Het vierde lid behelst een
door de uitbreiding van het toepassingsbereik van het artikel noodzakelijk
geworden aanvulling. Indien de motivering niet bij de bekendmaking van
het besluit wordt vermeld, doch later wordt verstrekt, dient aan die
motivering op dezelfde wijze bekendheid te worden gegeven als aan het besluit
zelf. Bij beschikkingen was dit reeds voldoende gewaarborgd,
doordat de bekendmaking daarvan veelal, net als de verstrekking van de
motivering, door toezending of uitreiking geschiedt. Bij besluiten die
niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, ligt dat anders.
Daarom is bovengenoemd uitgangspunt thans uitdrukkelijk neergelegd in
het vierde lid.
Voor besluiten die niet tot
één of meer belanghebbenden zijn gericht, betekent de overeenkomstige
toepassing van artikel 3:42 enerzijds dat volstaan kan worden met kennisgeving van de zakelijke inhoud van de
motivering, anderzijds dat
in dat geval de volledige motivering ter inzage moet worden gelegd.
Artikel 3.6.3
[3:48]
Dit artikel is vrijwel
gelijkluidend aan het huidige artikel 4:18. Overigens zal zich bij besluiten van
algemene strekking niet snel de situatie voordoen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen aan een motivering
geen behoefte bestaat.
Artikel 3.6.4
[3:49]
Dit artikel komt, behoudens
de uitbreiding van het toepassingsbereik, zakelijk overeen met het
huidige artikel 4:19. Het ligt ook bij besluiten die
rblz.|17|
niet tot één of meer
belanghebbenden zijn gericht voor de hand dat de kennisgeving van het advies
geschiedt op overeenkomstige wijze als de bekendmaking van het
besluit.
Artikel 3.6.5
[3:50]
Deze bepaling komt overeen
met artikel 4:20.
Afdeling
4.1.4
In verband met de toevoeging
van afdeling 3.7 kan afdeling 4.1.4
[-] vervallen.
Artikelen 7:14 en
7:27
De verplaatsing van de
regels inzake motivering van afdeling 4.1.4 [-] naar afdeling 3.7
noodzaakt tot
een technische wijziging van de artikelen 7:14 en
7:27 (opgenomen in
artikel I, onderdelen I en J, van het
wetsvoorstel). Deze technische wijziging
houdt in dat in de genoemde artikelen de verwijzing naar afdeling
4.1.4 [-] wordt vervangen door een verwijzing naar afdeling 3.7.
rblz.|18|
4. Subsidies
(titel 4.2)
Inleiding
De overheid verleent
jaarlijks voor enkele tientallen miljarden guldens aan subsidies. Op veel
beleidsterreinen is subsidiëring een belangrijk of zelfs essentieel beleidsinstrument. Als voorbeelden kunnen genoemd
worden het
volkshuisvestingsbeleid, het cultuur- en welzijnsbeleid en het energiebeleid.
De wettelijke normering van
het verschijnsel subsidie is echter achtergebleven bij zijn
maatschappelijke betekenis. Op enkele belangrijke gebieden, zoals de subsidiëring van de woningbouw, bestaan reeds
vanouds wettelijke
regelingen, terwijl op andere terreinen meer recent belangrijke wetgeving tot
stand is gekomen (bijvoorbeeld de Welzijnswet; naar verwachting binnenkort
te vervangen door de Welzijnswet
1994, Kamerstukken II 1992-1993, 23
315, nrs. 1-3), de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en
de Wet op
het specifiek cultuurbeleid. Ook beschikken de meeste gemeenten en
provincies tegenwoordig over een algemene subsidieverordening, die echter, ondanks haar naam,
doorgaans niet voor alle
gemeentelijke en provinciale subsidies geldt.
Veel subsidiestromen zijn
echter nog maar nauwelijks wettelijk gereguleerd, terwijl
bestaande wettelijke regelingen vaak onvolledig zijn en onderling vele onnodige
verschillen vertonen. Zo bleek uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer
dat in 1986 nog aan 56% van de 418 onderzochte rijkssubsidies
met een financieel belang groter dan ƒ1 miljoen geen "formele
regeling" ten grondslag lag (Kamerstukken II 1988-1989, 21 080, nrs. 1-2,
blz. 44, tabel 3).¹ Aangezien de Rekenkamer ook niet op de wet steunende
ministeriële regelingen tot de "formele regelingen" rekende, was
destijds het percentage subsidies zonder afdoende wettelijke grondslag nog hoger. Uit de in 1992 aan de Staten-Generaal aangeboden
rapportage geïntegreerd subsidiebeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 150,
nr. 5) blijkt dat de situatie sindsdien wel verbeterd is, maar dat er
nog steeds vele subsidieregelingen zonder afdoende wettelijke
grondslag bestaan. Ook op gemeentelijk en provinciaal niveau voorzien de
bestaande algemene subsidieverordeningen doorgaans niet in een
grondslag voor of regeling van specifieke subsidies; zij bevatten veelal slechts
algemene bepalingen voor (belangrijke categorieën van) subsidies.
Hierdoor speelt in het
subsidierecht de jurisprudentie, in het bijzonder die van de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State, een relatief belangrijke rol. Deze jurisprudentie is echter voor niet-ingewijden moeilijk
toegankelijk. Daardoor zijn
de in de jurisprudentie ontwikkelde normen bij burgers en bestuur vaak nog
onvoldoende bekend.
1. Het door de Rekenkamer
gehanteerde gewogen percentage lag iets
lager, namelijk 52% (ter aangehaalde plaatse). Dit betekent
dat naarmate het financieel belang van de
subsidie groter was, iets vaker een formele
regeling bestond.
Bij deze stand van zaken
bestaat nog te vaak onduidelijkheid over de wederzijdse rechten en
plichten van subsidiegever en subsidieontvanger. Het rapport van de parlementaire enquêtecommissie inzake
bouwsubsidies (Kamerstukken
II 1987-1988, 19 623, nr. 30) gaf daarvan enige pregnante voorbeelden te
zien. Ook uit de jurisprudentie blijkt dat subsidiëring op alle
niveaus tot vele vragen en daardoor tot gerechtelijke procedures aanleiding geeft.
Deze onduidelijkheid bedreigt zowel de rechtszekerheid van
subsidieontvangers als de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
subsidie-instrument. Zo is thans niet altijd duidelijk waartoe de subsidieverlening de ontvanger precies verplicht of
over welke bevoegdheden
bestuursorganen kunnen beschikken om een rechtmatig en doelmatig
gebruik van subsidiegelden te verzekeren.
Om de met de
subsidieverlening beoogde doelen te kunnen bereiken en enerzijds misbruik en
oneigenlijk gebruik van subsidies te kunnen tegengaan, anderzijds
subsidieontvangers voldoende rechtszekerheid te
verschaffen, dienen rechten,
plichten en bevoegdheden van subsidiegevers rblz.|19|
en subsidieontvangers op heldere wijze te worden afgebakend, een evenwichtig geheel te
vormen en goed kenbaar te zijn. Daarvoor is een wettelijke regeling nodig.
Een algemene wettelijke
regeling van subsidies is ook uit een oogpunt van beheersing van
overheidsuitgaven gewenst. In het beleid van het huidige kabinet neemt het
streven naar een betere beheersing van subsidiestromen een
belangrijke plaats in. Sinds enige jaren richt het beleid tot tegengaan van
misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeenschapsgelden zich niet meer
uitsluitend op de fiscale en sociale sfeer, maar krijgen ook subsidies
daarin steeds meer aandacht. Als uitvloeisel daarvan heeft het kabinet
bij de "Tussenbalans" in februari 1991 (Kamerstukken II 1990-1991, 21
998, nr. 2, in het bijzonder bijlage 3) besloten tot de ontwikkeling van een
geïntegreerd subsidiebeleid, waarin naast de bestrijding van misbruik en
oneigenlijk gebruik in engere zin ook de doelmatigheid en de
juridische en rechtsstatelijke kwaliteit van subsidieregelingen als zodanig
aandacht krijgen.
Daarbij is tevens uitgesproken dat het kabinet het wenselijk acht een algemene wettelijke regeling
van enkele aspecten van subsidieverhoudingen tot stand te brengen (Kamerstukken II
1990-1991, 21 998, nr. 2,
bijlage 3, blz. 22). In het
op 10 juni 1991 aan de Staten-Generaal aangeboden "Plan van aanpak
eerste spoor geïntegreerd subsidiebeleid" (Kamerstukken II 1990-1991, 22
150, nrs. 1-2, blz. 12), alsmede in de rapportage geïntegreerd
subsidiebeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5), werd dit standpunt
herhaald, waarbij tevens het voornemen werd uitgesproken deze algemene
regeling op te nemen in de Algemene wet
bestuursrecht. Dit voornemen
werd in de UCV's inzake subsidiebeleid op 2 september 1991 (Handelingen
UCV 1990-1991, nr. 57) en 7 september 1992 (Handelingen UCV 1991-1992,
nr. 49) door vrijwel alle fracties gesteund.
Het onderhavige wetsvoorstel
sluit, voor zover het door het Rijk verstrekte subsidies
betreft, derhalve goed aan bij het geïntegreerd subsidiebeleid van de
rijksoverheid. Dat beleid heeft niet rechtstreeks betrekking op de autonome
subsidieverstrekking door gemeenten, provincies en andere
publiekrechtelijke lichamen, doch de aan het rijksbeleid ten grondslag
liggende overwegingen van rechtszekerheid en noodzaak van beheersing van
subsidie-uitgaven gelden evenzeer voor andere overheden. De
praktijk leert dat ook bij subsidieverstrekking door gemeenten en provincies
misbruik en oneigenlijk gebruik vóórkomen, alsook de nodige
onduidelijkheden bestaan over wederzijdse rechten en plichten van
subsidieontvangers en subsidiegevers (vgl. bijvoorbeeld Vz. Afd. rechtspraak
24 september 1992, AB
1993, 266, Afd. rechtspraak 15 februari 1992, AB 1993, 249, Afd. rechtspraak
17 november 1992, AB 1993, 214). Daarnaast is het uit een oogpunt van rechtseenheid
uiteraard gewenst dat de algemene regels van subsidierecht voor de
decentrale overheden niet anders zijn dan voor het Rijk. Dit klemt te
meer
nu in de praktijk vaak een nauwe verwevenheid bestaat tussen subsidiëring
door het Rijk en subsidiëring door decentrale overheden, hetzij doordat
van rijkswege voorwaarden worden gesteld aan de (mede)financiering van door decentrale overheden verstrekte
subsidies, hetzij doordat
verschillende overheden verwante, samenhangende of zelfs dezelfde
activiteiten subsidiëren. In die situaties hebben subsidieontvangers minstens
zozeer behoefte aan een goede afstemming tussen de verschillende
bestuurslagen als aan harmonisatie binnen één bestuurslaag.
In het onderhavige voorstel
is met de noodzaak van beheersing van subsidie-uitgaven op een
groot aantal plaatsen rekening gehouden. Het voorschrift dat subsidies,
behoudens uitzonderingen, slechts krachtens wettelijk voorschrift kunnen
worden verleend (artikel 4.2.1.3 [4:23]), bevat een belangrijke stimulans tot
het meer bewust hanteren van het subsidie-instrument. Voorts kan
gewezen worden op de in afdeling 4.2.2 neergelegde
rblz.|20|
regeling, welke
voorziet in een algemene regeling van de bevoegdheid tot weigering
van een subsidie indien het voor subsidieverstrekking beschikbare
bedrag is uitgeput.
Voorts kan de algemene
regeling voor de intrekking van subsidiebeschikkingen (artikelen
4.2.6.1 [4:48]
en 4.2.6.2 [4:49]) genoemd worden, welke bestuursorganen duidelijke bevoegdheden geeft om tegen misbruik op te
treden. Ten slotte mag niet
onvermeld blijven dat de bij het onderhavige wetsvoorstel voorziene
harmonisatie van bevoegdheden van toezichthouders (afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2]), in
combinatie met het vereiste van een wettelijke grondslag, het mogelijk
maakt langs eenvoudige weg te voorzien in adequaat toezicht op de
naleving van aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen.
Karakter van de regeling in
de Algemene wet bestuursrecht
Om de zojuist genoemde
redenen is het gewenst voor enkele algemene aspecten van subsidieverhoudingen een wettelijke regeling te treffen.
Zowel door de toegenomen
aandacht voor subsidiëring in de rechtswetenschappelijke literatuur
(gewezen zij bijvoorbeeld op E.M.H. Hirsch Ballin en J.H. van Kreveld, Rechtsstatelijke subsidieverhoudingen,
preadviezen VAR [Vereniging voor Administratie Recht, thans Vereniging
voor Bestuursrecht, red.] 1988,
VAR-geschrift XCIX, Alphen aan den Rijn 1988, en L.J.A. Damen, Ongeregeld en
ondoorzichtig bestuur, diss. RU Groningen 1987, Deventer 1987) als door de
al eerder gememoreerde jurisprudentie van met name de Afdeling
rechtspraak is het subsidierecht thans ook voldoende
uitgekristalliseerd om een algemene wettelijke regeling mogelijk te maken.
De nu voorgestelde
titel 4.2
bouwt voort op de regeling van de beschikking, zoals die in de eerste tranche van de
Algemene wet bestuursrecht is opgenomen. Subsidies worden immers als regel bij
beschikking verstrekt. De
nieuwe titel regelt onder meer drie soorten subsidiebeschikkingen - de
subsidieverlening, de subsidievaststelling en de voorschotverlening - die
in beginsel op aanvraag worden gegeven en waarop naast titel
4.2 dan
ook de bepalingen van titel 4.1, met inbegrip van
afdeling
4.1.1, van
toepassing zijn.
De nieuwe titel geeft een
wettelijk kader voor alle subsidies. Zij geeft regels voor die
onderwerpen
die bij iedere subsidieverhouding aan de orde zijn, zoals de vraag welke verplichtingen aan een subsidie verbonden
kunnen worden, wanneer een
subsidie beëindigd kan worden en hoe gehandeld moet worden indien
de begrotingsgelden ontoereikend zijn.
Het voorstel bevat voorts de
eis dat een subsidie in beginsel slechts op grond van een wettelijk
voorschrift kan worden verleend. Naast rechtsstatelijke overwegingen speelt daarbij ook de wens een weloverwogen
gebruik van het
subsidie-instrument te bevorderen een rol.
Het stellen van deze eis
heeft bovendien het voordeel dat naast de regels van deze titel nog
een aantal aanvullende wettelijke bepalingen, toegespitst op het doel van
iedere subsidie afzonderlijk, wordt vastgesteld. De verschillende
soorten van subsidies tonen immers zodanige verschillen dat een aantal
onderwerpen niet uitputtend in een algemene wet kan worden geregeld. Men
denke aan de voorschriften die aan een subsidieverlening verbonden
moeten worden, of aan het tijdstip van uitbetaling van
subsidiegelden. Voor die onderwerpen geeft de voorgestelde titel wel het kader,
alsmede enige standaardbepalingen die in veel gevallen bruikbaar zullen
zijn, maar die desgewenst bij wettelijk voorschrift aangevuld of
vervangen kunnen worden door meer op de specifieke subsidie
toegesneden regels. Om te zorgen dat aldus een samenstel van voldoende
duidelijke regels over iedere subsidie tot stand komt, worden aan wettelijke
voorschriften die de basis voor een bepaalde subsidieverlening vormen
enige nadere eisen gesteld. Zo zal de bijzondere subsidieregeling
moeten aangeven voor welke activiteiten rblz.|21|
subsidie kan worden verstrekt, een onderwerp dat uit de aard der zaak
niet in een algemene wet kan
worden geregeld.
In een aantal gevallen -
incidentele subsidies en subsidies met slechts één of enkele ontvangers -
zou de eis van een wettelijk voorschrift onevenredig zwaar zijn. Daarom is een aantal uitzonderingen op deze eis
opgenomen. Voor de gevallen
waarin als gevolg van deze uitzonderingen subsidiëring zonder
wettelijke grondslag mogelijk blijft, biedt de titel een voldoende wettelijke
basisregeling.
Het proces van subsidiëring
Het voorontwerp ziet, in
navolging van de literatuur (zie in het bijzonder J.H. van Kreveld, Juridische
ontwikkeling van subsidieverhoudingen, preadvies VAR 1988, VAR-geschrift
XCIX, Alphen aan den Rijn 1988) en vele
bestaande regelingen,
subsidiëring als een proces waarin ten minste drie belangrijke momenten
onderscheiden worden: de verlening van de subsidie, de vaststelling
van de subsidie en de uitbetaling van de subsidie. Deze
onderscheiding knoopt aan bij het proces van subsidiëring, zoals dat - enigszins
modelmatig geschetst - in de tijd verloopt.
In de meeste gevallen wordt
een subsidie aangevraagd voordat de activiteiten waarvoor de
subsidie is bestemd, worden ondernomen. In veel gevallen is zelfs voorgeschreven dat men tevoren een aanvraag indient.
Nadat de subsidie is
verleend, vindt doorgaans nog niet aanstonds de uitbetaling plaats: deze
geschiedt eerst nadat is vastgesteld dat de activiteit waarvoor de
subsidie is bestemd daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
In overeenstemming hiermee
worden in het voorstel deze drie rechtsmomenten van elkaar
onderscheiden. De term subsidieverlening wordt gereserveerd voor de beschikking waarbij een subsidie wordt
toegekend voor een bepaalde
- in het algemeen toekomstige - activiteit. De betekenis daarvan is dat
de aanvrager een aanspraak op financiële middelen verkrijgt, mits hij
daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht en zich aan de
eventueel aan hem opgelegde verplichtingen houdt. De omvang van deze
aanspraak is in deze fase vaak nog onzeker, omdat zij mede kan afhangen
van de omvang van de verrichte activiteiten of van de daaraan verbonden
uitgaven en inkomsten. De subsidieverlening is echter niet
voorlopig of vrijblijvend. Indien de gesubsidieerde de activiteiten verricht en
zijn verplichtingen nakomt, kan het bestuursorgaan in beginsel niet meer
op de subsidieverlening terugkomen. Het bestuursorgaan gaat dus
reeds door een subsidieverlening, en niet pas door de vaststelling, een
financiële verplichting aan.
De term subsidievaststelling
duidt op de beschikking waarbij definitief wordt beslist dat de
geadresseerde een subsidie ontvangt ter hoogte van een bepaald, in guldens (of
in enkel geval in ECU's of andere valuta) uitgedrukt bedrag. Daarvoor
zal het veelal nodig zijn vast te stellen dat de gesubsidieerde activiteit is
verricht en dat de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd. Op grond van
die beschikking zal de uitbetaling van de subsidie geschieden, al is
het mogelijk dat al eerder bij wijze van voorschot betalingen zijn
verricht.
Bij deze opzet - die
overigens aansluit bij de praktijk bij veel subsidies - bestaat er een nauw verband
tussen de subsidieverlening en de subsidievaststelling. Eerstgenoemde
beschikking geeft de zekerheid dat de subsidie zal worden
uitbetaald indien men doet wat op grond van die beschikking nodig is om de
subsidie te verkrijgen. Daarmee staat vast dat de subsidie niet naderhand
op andere gronden kan worden geweigerd, bijvoorbeeld omdat het
subsidiebeleid inmiddels is gewijzigd.
In overeenstemming daarmee
wordt dan ook ten aanzien van de subsidievaststelling bepaald
dat bij die beschikking moet worden uitgegaan van de
subsidieverlening (artikel 4.2.5.5 [4:46]). Dat betekent dat nagegaan moet worden of de
betrokken activiteit heeft plaatsgehad en of rblz.|22|
de belanghebbende de
verplichtingen heeft nageleefd. Is dat het geval en hebben zich geen
onregelmatigheden voorgedaan, dan moet de subsidie worden vastgesteld op het
bedrag dat bij de verlening in het vooruitzicht is gesteld.
De subsidievaststelling
geeft de ontvanger een definitief recht op financiële middelen en
verplicht het bestuursorgaan dan ook tot betaling (artikel 4.2.7.1 [4:52]). In
zoverre betekent de subsidievaststelling een afsluiting van de subsidieverhouding.
Men kan ook zeggen dat de subsidieverlening na de vaststelling is
uitgewerkt en daardoor haar betekenis verliest. Dit komt onder meer tot
uitdrukking bij de regeling van de intrekking: na de vaststelling is intrekking
van de subsidieverlening niet meer mogelijk (artikelen
4.2.6.1 [4:48], eerste
lid, en 4.2.6.3 [4:50], eerste lid).
Het derde moment in het subsidieproces is de uitbetaling. De Afdeling rechtspraak beschouwt de
uitbetaling overigens niet als een beschikking, maar als het voldoen aan een
verbintenis en dus als een rechtshandeling naar burgerlijk recht (vgl.
Afd. rechtspraak 19 februari 1980, tB/S V, nr. 165). Het bestuursrecht moet bepalen
wanneer die verbintenis tot betaling ontstaat. Afdeling 4.2.7 voorziet
daarin.
In de praktijk zullen vaak
voorafgaand aan de subsidievaststelling voorschotten worden
verstrekt. De ontvanger kan deze nodig hebben om de te subsidiëren
activiteit daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. In feite spelen deze voorschotten een
zo belangrijke rol dat het gewenst is ook daarover enige regels op te
nemen. Dat is geschied in de artikelen 4.2.7.3 en volgende [4:54
e.v.].
De hierboven onderscheiden
momenten van verlening, vaststelling en betaling van subsidie zijn
in de praktijk niet altijd afzonderlijk aan te treffen. Zo zal niet in alle
gevallen een subsidieverlening voorafgaan aan een subsidievaststelling.
Het komt voor dat men een subsidie eerst kan aanvragen nadat men een
bepaalde activiteit heeft verricht en het te subsidiëren bedrag volledig
vaststaat. Er bestaat dan geen aanleiding voor een afzonderlijke
subsidieverlening: volstaan kan worden met de subsidievaststelling.
De Algemene wet
bestuursrecht kiest zelf dan ook niet voor het systeem mét of het systeem
zónder
afzonderlijke subsidieverlening. Met beide systemen is rekening gehouden. Als gevolg daarvan kan een aantal
bepalingen zowel betrekking
hebben op het verlenen als op het vaststellen van een
subsidie. In die bepalingen is als algemene term een vorm van het werkwoord
"verstrekken" gehanteerd.
Er bestaat ook een enkele
subsidieregeling waarvan de systematiek minder goed aansluit op het
schema van verlening en vaststelling. Een voorbeeld is de Basisremigratiesubsidieregeling 1985. Bij de aanpassingswetgeving zal worden
nagegaan of zulks tot afwijkingen van de Awb dan wel tot herziening van de
systematiek van de desbetreffende regeling moet leiden.
Voor subsidiëring gedurende
een langere, meerjarige periode biedt de Algemene
wet bestuursrecht verschillende varianten.
In de eerste plaats kan
vanzelfsprekend eenmalig subsidie worden verleend voor een aantal
jaren, waarna, na ommekomst van het subsidietijdvak, vaststelling plaatsvindt. Daarnaast kan, al dan niet
me toepassing
van afdeling 4.2.8,
jaarlijks subsidieverlening en -vaststelling plaatsvinden.
Met het oog op de
continuïteit van de te subsidiëren activiteiten wordt soms ook gekozen voor een
langlopende subsidieverlening, waarbij de subsidie steeds tussentijds
in gedeelten wordt vastgesteld. Periodieke vaststelling kan dan
plaatsvinden op grond van een daartoe periodiek in te dienen aanvraag of
ambtshalve. In het laatste geval vindt de vaststelling plaats op grond
van door de subsidieontvanger periodiek te verschaffen gegevens. Dit
stelsel, dat wel wordt aangeduid met de term rblz.|23|
mutatiesysteem, is in het
bijzonder geschikt wanneer de subsidieregeling zelf al met een grote mate
van precisie heeft aangegeven in welke gevallen aanspraak op
subsidie bestaat. De subsidieverlening valt in dit systeem te beschouwen als de
constatering dat aan de vereisten voor subsidiëring is voldaan,
waarna voor een langere, in de beschikking aan te geven periode subsidiëring
volgt. De artikelen 4.2.5.3 [4:44], eerste lid,
juncto 4.2.5.6 [4:47], onderdeel a, openen de
mogelijkheid voor deze periodieke ambtshalve vaststelling.
Het mutatiesysteem kan ook
worden gehanteerd indien afdeling 4.2.8 van toepassing is verklaard
op de subsidieverstrekking. Hierin voorziet artikel 4.2.8.3.2 [4:67], dat in het eerste lid bepaalt dat een subsidie op de voet
van die afdeling ook voor
meerdere boekjaren kan worden verleend. In dat geval wordt aan de
beschikking de verplichting verbonden tot tussentijdse
gegevensverstrekking (artikel 4.2.8.3.2 [4:67], tweede lid) op basis waarvan vervolgens ingevolge
de artikelen 4.2.8.5.1 [4:73] en 4.2.8.5.2
[4:74] jaarlijks ambtshalve vaststelling
plaatsvindt.
Driehoeksverhoudingen
In het eenvoudigste geval
zijn bij de subsidiëring slechts twee partijen betrokken: het
bestuursorgaan dat de subsidie verleent of vaststelt en de ontvanger. Soms is
de
situatie gecompliceerder, doordat drie of meer partijen betrokken zijn.
Daarbij moeten verschillende situaties worden onderscheiden.
Soms geeft een
bestuursorgaan er de voorkeur aan de uitvoering van een subsidieregeling aan
privaatrechtelijke instellingen op te dragen. De subsidieregelgeving van het
ministerie van Economische Zaken biedt daarvan enkele voorbeelden.
Zo is de uitvoering van diverse subsidieregelingen op het gebied van
het energiebeleid opgedragen aan de Nederlandse Maatschappij
voor Energie en Milieu BV (NOVEM; zie bijvoorbeeld het Besluit
subsidies windenergie (Stb. 1993, 187).
In deze gevallen is
eigenlijk geen sprake van een driehoeksverhouding. De regeling welke het
bestuur van de privaatrechtelijke rechtspersoon opdraagt op de
subsidieaanvraag te beslissen, attribueert een
beschikkingsbevoegdheid aan
dat bestuur, daarmee tegelijkertijd een nieuw bestuursorgaan in het
leven roepend. Het is reeds lang vaste jurisprudentie dat ook het
bestuur van een privaatrechtelijke rechtspersoon een administratief
orgaan in de zin van artikel 1 Wet Arob kan zijn (zie o.m. Afd. rechtspraak
13 juni 1978, tB/S I, blz. 26; Vz. Afd. rechtspraak 19 maart 1981, AB 1982, 411;
Afd. rechtspraak 27 januari 1983, tB/S V, blz. 1199). Voor het begrip bestuursorgaan in de zin van
artikel 1:1
Algemene wet bestuursrecht ligt dit niet
anders.
Aldus ontstaat een als
subsidieverhouding te kwalificeren rechtsverhouding tussen het
bestuursorgaan dat op de aanvraag beslist - bijvoorbeeld het bestuur van de
NOVEM - en de aanvrager. Dat de subsidie uiteindelijk ten laste komt
van de begroting van een ander bestuursorgaan - in casu de Minister van
Economische Zaken - is voor de aanvrager zonder betekenis. Tussen de
aanvrager en de minister ontstaat geen subsidieverhouding.
Wel is het mogelijk dat de
rechtsverhouding tussen de met de uitvoering van de
subsidieregeling belaste instantie en de minister óók als een
subsidieverhouding
moet
worden beschouwd. De attributie van beschikkingsbevoegdheid
maakt immers van het bestuur van de privaatrechtelijke
instelling wel een bestuursorgaan, maar daarmee van de instelling zelf nog niet
automatisch een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon,
zodat artikel 4.2.1.1 [4:21], derde lid, niet zonder meer van toepassing is. Deze
eventuele tweede subsidieverhouding betreft echter een andere subsidie
dan, en kan los gezien worden van, de eerste subsidieverhouding. Het is ook
mogelijk dat de verhouding tussen de rblz.|24|
minister en de
uitvoeringsinstantie moet worden gezien als een verhouding van opdrachtgever
tot opdrachtnemer.
De situatie is in beginsel
niet anders indien de uitvoering van een subsidieregeling niet aan
een ander orgaan wordt geattribueerd maar gedelegeerd, of wanneer een orgaan van een ander publiekrechtelijk
lichaam met de uitvoering
wordt belast. Indien een subsidieregeling bijvoorbeeld burgemeester en
wethouders belast met de verlening en de vaststelling van de
subsidie, terwijl het gemeentebestuur de kosten van de subsidie geheel of
gedeeltelijk bij het Rijk kan declareren, ontstaat een subsidieverhouding tussen
aanvrager en burgemeester en wethouders, maar niet tussen de
aanvrager en de verantwoordelijke minister (en in dit geval ook niet tussen
gemeente en minister). Beslissend is steeds welk bestuursorgaan op de
aanvraag beslist. Indien derhalve de behandeling van subsidieaanvragen aan
een ander bestuursorgaan wordt gemandateerd, ontstaat een
subsidieverhouding tussen de aanvrager en de mandaatgever. De beslissing
van de gemandateerde op de aanvraag geldt immers als een beslissing
van de mandaatgever (artikel 1A.1.1.1a [10:2]).
Specifieke uitkeringen
Iets gecompliceerder ligt de
juridische situatie bij zogenaamde specifieke uitkeringen (ook
wel als bijdrageregelingen aangeduid). Dit zijn regelingen die niet rechtstreeks voorzien in de verlening van subsidies
aan burgers. In plaats
daarvan bepalen zij bijvoorbeeld dat een gemeente
recht heeft op een rijksbijdrage indien zij aan een burger een bepaalde subsidie verleent (zie
bijvoorbeeld hoofdstuk III van het Besluit woninggebonden subsidies).
De bijdrageregeling bevat
doorgaans ook voorschriften met betrekking tot de te subsidiëren
activiteit. Veelal neemt de gemeente bij de subsidieverlening deze voorschriften
over, om zeker te zijn van een rijksbijdrage. Of en in hoeverre dat
gebeurt, behoort echter tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente. De
bijdrageregeling geldt immers, zoals ook in de jurisprudentie van de
Afdeling rechtspraak steeds is benadrukt (Afd. rechtspraak 7 december
1979, AB
1980, 264; Afd. rechtspraak 3 januari 1985, AB 1985, 537; Afd. rechtspraak
10 november 1992, AB 1993, 153), op zichzelf niet voor de verlening van subsidies aan
burgers, doch uitsluitend voor de verlening van rijksbijdragen.
Dit brengt mee dat met het
bestaan van een dergelijke rijksbijdrageregelingen op zichzelf nog
niet voldaan is aan het in artikel 4.2.1.3 [4:23], eerste lid, neergelegde vereiste
dat de subsidie op een wettelijk voorschrift moet berusten. De subsidie berust
immers niet rechtstreeks op de bijdrageregeling en deze geeft
daarover ook niet rechtstreeks voorschriften. Artikel 4.2.1.3 [4:23]
brengt
derhalve mede dat voortaan de gemeenteraad ter uitvoering van zo'n
bijdrageregeling een eigen subsidieverordening tot stand zal moeten brengen.
Het staat de gemeenteraad vrij daarin zo nauw mogelijk aan te sluiten bij
de bijdrageregeling, maar voor de subsidieverhouding tussen burger en
gemeente is dan uitsluitend de subsidieverordening van belang.
Uiteraard zou het Rijk er
ook voor kunnen kiezen de rijksbijdrageregeling te vervangen door een
regeling die rechtstreeks het gemeentebestuur de bevoegdheid geeft onder bepaalde voorwaarden subsidies aan
burgers te verlenen en
daarnaast regelt in hoeverre het Rijk zal bijdragen in de financiering van deze
subsidieverlening. Waar het om gaat, is dat de subsidierelatie tussen
gemeentebestuur en burger enerzijds en de financieringsrelatie tussen Rijk en gemeente
anderzijds onderscheiden behoren te worden.
rblz.|25|
Garanties
Bij de verstrekking van een
subsidie in de vorm van een overheidsgarantie zijn steeds ten
minste drie partijen betrokken: het bestuursorgaan dat de garantie verleent,
de
kredietgever en de kredietnemer. Er ontstaat dan veelal een
subsidieverhouding tussen het bestuursorgaan en de kredietgever. Op één en
ander wordt in de toelichting op artikel 4.2.1.1
[4:21] nader ingegaan.
De rechtsvorm van de
subsidie
Over de rechtsvorm van de
subsidie is in de literatuur veel gediscussieerd. Men zie reeds het
preadvies van J.G. Steenbeek van 1961 (J.G. Steenbeek, De overheidssubsidie: de rechtsvorm,
preadvies Vereniging
voor Administratief Recht
1961, VAR-geschrift XLIV, Haarlem 1961), waarin werd geconstateerd dat nu
eens een publiekrechtelijke, dan weer een privaatrechtelijke
rechtsvorm werd gekozen. Steenbeek sprak toen reeds een voorkeur uit voor de
publiekrechtelijke rechtsvorm. De ontwikkeling is inderdaad in die richting
gegaan.
Het gaat bij subsidiëring
om het ten laste van de openbare middelen bijdragen in de kosten van
door de overheid om redenen van algemeen belang wenselijk geachte activiteiten. Naar huidig inzicht betreft dit de
uitvoering van een publieke
taak, waarop publiekrecht van toepassing behoort te zijn. In veruit
de meeste gevallen krijgt de subsidieverlening dan ook de vorm van een
publiekrechtelijke rechtshandeling, te weten een beschikking. Ook de
jurisprudentie merkt de verlening van een subsidie vrijwel steeds als een
beschikking aan, ook wanneer zij niet op een geschreven
publiekrechtelijke titel, maar slechts op een begrotingspost berust. Het
onderhavige
voorstel sluit daarbij aan door in de eerste plaats regels te geven voor
subsidiebeschikkingen.
Niettemin komen in de
praktijk ook overeenkomsten omtrent subsidiering voor. In
verband daarmee was in het voorontwerp een artikel 4.2.3.8 [4:36]
opgenomen dat de
titels 4.1 en 4.2 van overeenkomstige toepassing verklaarde indien
in plaats van een beschikking omtrent subsidieverlening een
overeenkomst omtrent subsidieverlening werd gesloten. Zowel door de Raad
van State als in de literatuur (W. Konijnenbelt, Een koekoeksei
in de Awb, RegelMaat (1992) 3, blz. 65; M. Scheltema, Een bijzondere
positie voor de overheid in het overeenkomstenrecht, WPNR
6074 (1992) blz. 958) is erop gewezen dat deze bepaling een aantal
vragen opriep. Haar rechtsgevolgen zouden onvoldoende duidelijk zijn
en de noodzaak van de bepaling werd in twijfel getrokken. Naar aanleiding
hiervan hebben wij gekozen voor een andere regeling van de
subsidieovereenkomst.
In het voorontwerp zag
artikel 4.2.3.8 [4:36] op de situatie waarin de overeenkomst in de plaats kwam van
de beschikking. Die figuur komt in de praktijk echter vrij weinig voor. Veel gebruikelijker is een overeenkomst
tussen subsidiegever en subsidieontvanger die de beschikking tot subsidieverlening niet
vervangt, maar strekt tot uitvoering daarvan. Bij nader inzien kan met
zo'n
uitvoeringsovereenkomst in beginsel hetzelfde resultaat kan worden bereikt
als met een beschikkingvervangende overeenkomst.
In de praktijk bestaat
vooral om twee redenen behoefte aan de figuur van de
subsidieovereenkomst.
Vooral bij subsidies in de vorm van kredieten of garanties bevat de subsidieverlening naar zijn inhoud
elementen (bijvoorbeeld de
verplichting tot betaling van rente en aflossing) die men gewend is
bij overeenkomst te regelen. Geldlening en borgtocht zijn immers
rechtsfiguren die in het privaatrechtelijk rechtsverkeer zeer veel voorkomen.
Hoewel het, mits daartoe een toereikende wettelijk grondslag bestaat,
op zichzelf zeer wel mogelijk is krediet- en garantieverhoudingen geheel
bij beschikking te regelen, kiest er vaak voor rblz.|26|
een overeenkomst om te kunnen profiteren van de regeling in het BW
en
de daarover gevormde
jurisprudentie. Zo'n overeenkomst behoeft echter niet in de plaats te treden
van de beschikking omtrent subsidieverlening. Hetzelfde doel kan worden
bereikt door in de beschikking een voorschrift of voorwaarde op te nemen
inhoudende dat de ontvanger moet medewerken aan de
totstandkoming van een overeenkomst van geldlening of borgtocht.
Deze constructie wordt bijvoorbeeld bij de subsidiëring van
ondernemingen door de Minister van Economische Zaken nogal eens gehanteerd.
De tweede reden houdt
verband met het feit dat, zoals hierna zal worden uiteengezet, de
beschikking tot subsidieverlening, behoudens andersluidend wettelijk voorschrift, niet verplicht tot het verrichten van de
gesubsidieerde activiteit.
Soms bestaat aan een dergelijke verplichting echter wel behoefte, met
name wanneer de activiteit bestaat in het verschaffen van door de
overheid essentieel geachte voorzieningen. Men denke bijvoorbeeld aan de
subsidiëring van justitiële particuliere inrichtingen voor de
verpleging van terbeschikkinggestelden door de Minister van
Justitie. In
zo'n geval kan het nuttig zijn dat een overeenkomst wordt gesloten waarbij
de ontvanger zich verplicht de activiteit te verrichten, zodat de
overheid zo nodig in rechte nakoming van die verplichting kan vorderen.
Ook hier geldt echter dat dit doel even goed met een overeenkomst ter
uitvoering van een beschikking als met een beschikkingvervangende
overeenkomst kan worden bereikt.
Onder deze omstandigheden
heeft de figuur van de uitvoeringsovereenkomst belangrijke
voordelen boven die van de beschikkingvervangende overeenkomst.
Doordat tevens een beschikking aanwezig is, zijn de toepasselijkheid van
de Algemene
wet bestuursrecht en de bevoegdheid van de
administratieve rechter gegeven. Daarmee zijn de eenheid van het
subsidierecht en de rechtspositie van de ontvanger voldoende gewaarborgd. Het
is dan niet langer nodig de titels 4.1 en
4.2 van overeenkomstige
toepassing te verklaren op de subsidieovereenkomst zelf.
De Hoge Raad heeft een
kredietovereenkomst met een subsidiekarakter gekenschetst als een
publiekrechtelijke overeenkomst (HR 12 januari 1990, AB 1991, 430 (Staat/Appels).
Niettemin kunnen, waar publiekrechtelijke regels ontbreken, op een
subsidieovereenkomst de privaatrechtelijke regels van de Boeken
3 en 6 BW
worden
toegepast, behoudens voor zover de aard van de overeenkomst zich
daartegen verzet. Genoemde uitspraak biedt een voorbeeld van dit
laatste: volgens de Hoge Raad verzette de aard van de overeenkomst - waarin
onder meer vergaande zeggenschap van de Staat over de onderneming van de
ontvanger was bedongen - zich er in dat geval tegen dat de Staat zijn
vorderingen uit de subsidieovereenkomst zou cederen aan een particulier.
Buiten twijfel is voorts dat het bestuursorgaan zowel bij het sluiten
van de uitvoeringsovereenkomst als bij het uitoefenen van daaruit
voortvloeiende bevoegdheden de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur in acht zal moeten nemen (artikel 3:1, tweede lid, en HR
27 maart 1987,
AB 1987, 273 (Amsterdam/lkon).
Gelet op het bovenstaande
zal aan de figuur van de beschikkingvervangende subsidieovereenkomst niet of nauwelijks meer behoefte bestaan,
te meer daar naar
hedendaagse bestuursrecht ook de beschikkingsfiguur voldoende
ruimte biedt om recht te doen aan het feitelijk soms sterk
tweezijdige en wederkerige karakter van subsidieverhoudingen (vgl. bijvoorbeeld
Afd. rechtspraak 12 januari 1993, AB 1993, 237), zoals ook uit de thans
voorgestelde regeling moge blijken. Het onderhavige wetsvoorstel bevat dan ook
slechts een regeling van de uitvoeringsovereenkomst, en niet van de
beschikkingvervangende overeenkomst.
rblz.|27|
Handhaving
Bij subsidiëring doen zich
twee te onderscheiden handhavingsvraagstukken voor. Ten
eerste dient gewaakt te worden tegen misbruik van subsidiegelden. Daarvan
is sprake indien de subsidie door toedoen van de aanvrager ten
onrechte of tot een te hoog bedrag wordt verstrekt. Ten tweede dient de naleving
van de aan de subsidie verbonden (bijkomende) verplichtingen te
worden verzekerd. In het laatste geval gaat het dan in de eerste plaats om
verplichtingen die betrekking hebben op de inhoud van de activiteit of
de wijze waarop zij wordt verricht.
In beide gevallen is naar
huidig recht gehele of gedeeltelijke intrekking van de subsidie, dan wel
definitieve vaststelling op een lager bedrag dan aanvankelijk voorzien, de
voornaamste sanctie. De Algemene wet
bestuursrecht brengt hierin
geen materiële verandering, doch de systematiek van de wet
behoeft enige nadere toelichting.
In veel gevallen is de
subsidievaststelling het eerste, vaak het enige en veelal het meest geschikte
moment waarop het bestuursorgaan toetst of de gesubsidieerde activiteit
op de juiste wijze is verricht en de aan de subsidie verbonden
verplichtingen zijn nagekomen. Indien die toetsing voor de burger geheel of
gedeeltelijk negatief uitvalt, kan de subsidie worden geweigerd of, indien
een subsidieverlening is voorafgegaan, lager dan overeenkomstig de
subsidieverlening worden vastgesteld. Omdat de
subsidievaststelling in de praktijk het belangrijkste toetsingsmoment is, is daarop in de
onderhavige regeling het accent gelegd. Indien een subsidieverlening heeft
plaatsgevonden, vervult het lager vaststellen van de subsidie derhalve in
belangrijke mate de functie die thans in een aantal gevallen door de (gedeeltelijke) intrekking wordt vervuld.
Naast de bevoegdheid om de
subsidie lager vast te stellen, kan een bevoegdheid om de
subsidieverlening in te trekken echter niet worden gemist. De vaststelling
geschiedt immers doorgaans op aanvraag na afloop van de activiteit (artikel 4.2.5.3 [4:44]). Soms zal het bestuursorgaan reeds eerder op de hoogte komen
van een verwijtbare gedraging van de ontvanger. In dat geval moet
het bestuursorgaan daarop kunnen reageren door intrekking van de
subsidieverlening. Dat is echter slechts mogelijk zolang de subsidie niet is
vastgesteld (artikel 4.2.6.1 [4:48]).
Ten slotte is ook een
bevoegdheid tot intrekking van de subsidievaststelling nodig (artikel
4.2.6.2 [4:49]). Het kan immers voorkomen dat pas na de vaststelling blijkt dat
de ontvanger bijvoorbeeld onjuiste gegevens heeft verstrekt. Intrekking
van de verlening, zo die er is geweest, heeft dan geen zin, omdat dan de
vaststelling en daarmee de aanspraak op financiële middelen in
stand zou blijven. Het karakter van de vaststelling brengt echter wel
mee dat
zij in beperktere mate voor intrekking vatbaar is dan de verlening.
Het intrekken of lager
vaststellen van de subsidie is voor de praktijk veruit de belangrijkste
sanctie. Daarnaast bestaat de mogelijkheid van strafrechtelijk optreden
indien de subsidie zich in het kader van de subsidieverhouding schuldig
maakt aan valsheid in geschrift, bijvoorbeeld door bij de aanvraag
onjuiste gegevens te verstrekken. In dit verband zij gewezen op de recente
wijziging van artikel 225 Wetboek
van Strafrecht, waardoor ook reeds tegen het
voorhanden hebben van valse geschriften kan worden opgetreden (Stb.
1992, 287).
In een aantal gevallen kan
ook behoefte bestaan aan de mogelijkheid van een bestuurlijke reactie
die verder gaat dan het door het intrekken of lager vaststellen van de subsidie ontnemen van het ten onrechte genoten
voordeel. Daarom wordt thans
in samenspraak met de Commissie wetgeving algemene regels
van bestuursrecht nagegaan in hoeverre voor die gevallen een regeling
kan worden getroffen die voorziet in het opleggen van een
administratieve boete.
rblz.|28|
Een onderwerp, waarin
het
wetsvoorstel niet voorziet, is het tegengaan van ongewenste cumulatie van
subsidies. Indien voorschriften daarover nodig zijn, zal de bijzondere subsidieregeling daarin moeten voorzien. Het
is niet goed mogelijk
daarvoor een algemene regeling te treffen. Immers, lang niet iedere samenloop
van subsidies bij één ontvanger is ongewenst. Zo is er geen bezwaar
tegen dat een gesubsidieerde instelling die werkzaam is op het gebied
van welzijn of cultuur tevens subsidie ontvangt voor de isolatie of
restauratie van het pand waarin zij is gehuisvest. Ook
subsidiëring van dezelfde activiteit door verschillende bestuursorganen is
niet in
alle gevallen ongewenst; indien verschillende bestuursorganen belang
hebben bij een activiteit, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat
zij de kosten van subsidiëring gezamenlijk dragen. Wanneer cumulatie
moet worden uitgesloten, kan derhalve niet in algemene zin worden
aangegeven. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag welke subsidie in
geval van ongewenste cumulatie "voorrang" heeft. Wel is het
gewenst dat het bestuursorgaan op de hoogte is van door andere bestuursorganen
voor dezelfde activiteiten verleende subsidies. Daarom is in de
afdeling 4.2.8 inzake periodieke subsidies aan rechtspersonen - vooral
daarbij speelt de cumulatieproblematiek - een bepaling (artikel
4.2.8.2.6 [4:65])
opgenomen die de aanvrager verplicht deze informatie te verstrekken.
In de literatuur is ten slotte de vraag opgeworpen of de naleving van aan de subsidie verbonden
verplichtingen ook door middel van bestuursdwang kan worden afgedwongen
(R. de Haan, Th.G. Drupsteen, R. Fernhout, Bestuursrecht in
de sociale rechtsstaat, Deventer 1986, blz. 271; J. van Viegen,
Bestuursrechtelijke handhaving van subsidievoorwaarden, in: Recht op scherp,
opstellen aangeboden aan prof. mr. W. Duk, Zwolle 1984).
De kwestie is van weinig
praktisch belang, omdat in de meeste gevallen bestuursdwang reeds om
praktische redenen niet goed denkbaar is. Het is niet duidelijk hoe bijvoorbeeld de verplichting van een welzijnsinstelling
zich op een bepaalde
doelgroep te richten door bestuursdwang zou kunnen worden afgedwongen.
Ook voor zover bestuursdwang wel praktisch mogelijk zou zijn,
is het bestuursorgaan daartoe echter in beginsel niet bevoegd, ook
al beschikt het over een algemene bestuursdwangbevoegdheid. Door
middel van bestuursdwang kan immers alleen de nakoming van een
onvoorwaardelijke rechtsplicht worden afgedwongen. Zoals in de
toelichting op afdeling 4.2.4 zal worden uiteengezet, schept de
subsidieverlening in beginsel nu juist geen onvoorwaardelijke
rechtsplicht tot het verrichten van de gesubsidieerde activiteit en het naleven
van de daarbij behorende verplichtingen, omdat de ontvanger in beginsel het
alternatief heeft om van de subsidie af te zien.
Verhouding tot het
gemeenschapsrecht
De onderhavige regeling
heeft verschillende raakvlakken met het recht van de Europese Unie.
Daarbij valt vooreerst te denken aan de invloed die van de communautaire
discriminatieverboden en meer in het algemeen van de voorschriften inzake
het vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal kan
uitgaan op subsidiëring door nationale organen. Ten aanzien van
steunverleningen aan ondernemingen, waarvoor in het bijzonder de artikelen 92 en
volgende van het EEG-verdrag van belang zijn, valt op te merken dat
het communautaire begrip steunmaatregelen en het subsidiebegrip van
artikel 4.2.1.1 [4:21] elkaar slechts ten dele dekken. De werkingssfeer van
titel 4.2
omvat enerzijds veel meer dan steun aan ondernemingen, maar
bestrijkt anderzijds niet alle vormen van steun die onder artikel 92 EEG-verdrag
vallen.
In artikel 8 Kaderwet
financiële verstrekkingen EZ is een uitdrukkelijke intrekkingsgrond opgenomen
voor het geval dat een verstrekte subsidie rblz.|29|
aan een onderneming een
ingevolge artikel 92 EEG-verdrag verboden steunverlening oplevert. In
een wet die uitsluitend betrekking heeft op subsidiëring van
ondernemingen ligt dat eerder voor de hand dan in het kader van de Algemene
wet bestuursrecht. Voor elk subsidievoornemen zal afzonderlijk moeten
worden bezien of het met het gemeenschapsrecht - het gaat daarbij immers
niet alleen om de artikelen 92 en volgende EEG-verdrag - verenigbaar
is. Het is niet goed mogelijk ter zake algemene voorschriften in de Algemene
wet bestuursrecht op te nemen. Dat is ook niet nodig, nu de
communautaire beperkingen op de uitoefening van nationale subsidiebevoegdheden rechtstreeks uit het gemeenschapsrecht
voortvloeien.
De vraag doet zich voor in
hoeverre titel 4.2 van toepassing kan zijn op subsidies die hun grondslag
vinden in het communautaire recht. Wanneer subsidies rechtstreeks
worden verleend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of
een andere communautaire instelling, kan de Algemene
wet bestuursrecht uit de aard der zaak niet van toepassing zijn. De Nederlandse wet kan
immers de organen der Europese Gemeenschappen niet binden.
In veel gevallen, vooral
maar niet uitsluitend op het terrein van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid, worden subsidies die uiteindelijk ten laste komen van de eigen
middelen van de Europese Gemeenschappen verleend door tussenkomst van
nationale bestuursorganen. Zo worden in Nederland talrijke
landbouwsubsidies verleend door organen van de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie, daartoe aangewezen bij "overdrachtsbeschikkingen"
steunend op de Landbouwwet of de
In- en uitvoerwet. Deze organen
blijven ook als zij EG-beleid uitvoeren Nederlandse bestuursorganen, op
besluiten waarvan de Algemene wet bestuursrecht, met inbegrip
van titel 4.2, in beginsel van toepassing is. Hun taken ter uitvoering van
het gemeenschapsrecht vloeien in essentie voort uit de
loyaliteitsverplichtingen van de lidstaten, neergelegd in artikel 5 EEG-verdrag.
Zolang en voor zover het gemeenschapsrecht ter zake geen eigen
voorzieningen bevat, strekken de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht,
inclusief de onderhavige titel, onder omstandigheden derhalve mede ter uitvoering van het gemeenschapsrecht. Deze bepalingen
kunnen toepassing vinden mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de
rechten die burgers aan het gemeenschapsrecht ontlenen (vgl. HJEG [Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen, red.] zaak 33/76, Jur. 1976, 1989
[Rewe]; HJEG zaak 45/76, Jur. 1976, 2043 [Comet]).
Zodra en voor zover het gemeenschapsrecht zelf in een regeling
voorziet - zoals bijvoorbeeld in de dikwijls gedetailleerde voorschriften
ter uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid het geval kan
zijn -, wijkt het nationale recht, en dus ook de Algemene wet bestuursrecht, op grond van het beginsel van de
voorrang van het gemeenschapsrecht (vgl. HJEG zaak 6/64, Jur. 1964, 1199
[Costa/ENEL]). Eén en
ander geldt mutatis mutandis evenzeer voor zover het gemeenschapsrecht
voorziet in een regeling voor subsidies uit de communautaire
structuurfondsen en andere EG-subsidies die door tussenkomst van nationale
bestuursorganen worden verstrekt.
Het gemeenschapsrecht laat
derhalve ruimte voor toepassing van de Algemene wet bestuursrecht
voor zover het zelf niet in een regeling voorziet en geen afbreuk wordt gedaan aan rechten die burgers aan het
gemeenschapsrecht ontlenen.
Tegen deze achtergrond is er - behoudens een enkel punt - geen reden
subsidies die ter uitvoering van een communautaire regeling
worden verstrekt geheel of gedeeltelijk van de werking van titel 4.2
uit te
zonderen.
Afdeling
4.2.1. Inleidende bepalingen
Deze afdeling bevat een
tweetal definitiebepalingen, een bepaling waarin het vereiste van een
wettelijke grondslag voor subsidiëring is rblz.|30|
neergelegd, alsmede een verplichting tot periodieke evaluatie van
subsidieregelingen [lees: alsmede een bepaling waarin een verplichting tot periodieke evaluatie van
subsidieregelingen is neergelegd, red.].
Artikel 4.2.1.1
[4:21]
Subsidies komen in vele,
uiteenlopende vormen en onder vele benamingen voor. Er zijn dan
ook vele definities in omloop (zie J.H. van Kreveld, Juridische
ontwikkeling van subsidieverhoudingen, preadvies VAR 1988, VAR-Geschrift
XCIX,
blz. 103 e.v.). Deze definities vertonen onderling een aantal
verschillen, die veelal mede bepaald zijn door het doel waarvoor de definitie
is opgesteld. Zo bevat de in het kader van het geïntegreerd subsidiebeleid
van de rijksoverheid gehanteerde definitie, evenals de door de Algemene
Rekenkamer gebruikte omschrijving, om voor de hand liggende reden
de beperking dat het moet gaan om de verstrekking van financiële
middelen door het Rijk. Zo'n beperking past uiteraard niet in de Algemene
wet bestuursrecht. Voorts moet een definitie die de reikwijdte
van een wettelijke regeling bepaalt aan andere eisen voldoen dan een
omschrijving in een beleidsdocument.
De omstandigheid dat een
bepaalde verstrekking als een subsidie in de zin van artikel 4.2.1.1 [4:21]
moet
worden beschouwd, impliceert dan ook geen uitspraak over de vraag of
zij in ander verband eveneens als een subsidie moet worden aangemerkt. Het
spreekt vanzelf dat het enkele feit dat een verstrekking, bijvoorbeeld
de bekostiging van het onderwijs en onderzoek, onder de reikwijdte van titel 4.2
is gebracht, niet bepalend kan zijn voor bijvoorbeeld het antwoord op
de vraag of ook het beleid van de rijksoverheid om te bezuinigen op
subsidies zich mede tot die verstrekking moet uitstrekken. Omgekeerd
betekent de omstandigheid dat een bepaalde vorm van
bekostiging niet onder de werking van titel 4.2
valt uiteraard evenmin dat de
bekostiging op die grond van bezuinigingen gevrijwaard zal blijven. Bij
de bepaling van het budgettaire beleid spelen immers geheel andere
overwegingen een rol dan de overwegingen van wetgevingsbeleid die
bepalend zijn voor de reikwijdte van titel 4.2.
Derhalve kon in het
onderhavige wetsvoorstel niet zonder meer een bestaande definitie worden
overgenomen, maar is een eigen, op de doelstellingen van de Algemene wet bestuursrecht toegesneden,
omschrijving ontwikkeld -
hetgeen uiteraard geenszins uitsluit dat in een andere, niet-wettelijke,
context een iets andere definitie geschikter kan zijn.
Vanzelfsprekend is bij het
opstellen van het thans voorgestelde artikel 4.2.1.1 [4:21]
wel gebruik gemaakt
van bestaande definities, met name ook van de omschrijving van het
begrip "verstrekking van financiële middelen" in artikel 1 Kaderwet
verstrekking financiële middelen EZ.
Hieronder worden de
elementen van de omschrijving toegelicht, waarbij tevens de afgrenzing
tussen subsidie en verwante rechtsfiguren aan de orde komt. Voor alle duidelijkheid zij nog
opgemerkt dat dit
wetsvoorstel een materieel
subsidiebegrip hanteert. Subsidies worden in de praktijk ook wel
aangeduid als bijdrage, uitkering of financiering. Voor de toepasselijkheid van de
onderhavige titel is de gekozen benaming niet van belang; beslissend is of
aan de elementen van de gegeven begripsomschrijving is voldaan.
De aanspraak op financiële
middelen
In artikel 4.2.1.1
[4:21] wordt
alleen het verstrekken van financiële middelen als subsidie aangemerkt. Het
komt voor dat de overheid maatschappelijk gewenste activiteiten stimuleert door goederen of - meestal - diensten
om niet of onder de markt-
of kostprijs te leveren. Zo dekt de toegangsprijs voor een rijks- of
stedelijk museum zelden de kosten. Economisch gezien kan men dan spreken
van "subsidies in natura" aan de museumbezoeker. Er worden in zo'n
geval echter geen financiële middelen verstrekt, rblz.|31|
noch een aanspraak daarop,
zodat van een subsidie in de zin van artikel 4.2.1.1 [4:21]
geen sprake is. Dat
is ook gewenst, want de voorgestelde regels inzake subsidiebeschikkingen
zouden zich vanzelfsprekend slecht lenen voor toepassing op de
rechtsverhouding die ontstaat wanneer een burger bijvoorbeeld een museumkaartje koopt of gebruik maakt van een
gemeentelijke
sportaccommodatie.
In de praktijk komt het ook
wel voor dat bijvoorbeeld een gemeente in plaats van de
huisvestingkosten van een vereniging of stichting te subsidiëren, zelf om niet
een pand ter beschikking stelt. Ook dan kan men vanuit een economische
invalshoek van een "subsidie in natura" spreken. Anders dan de
Vereniging van
Nederlandse Gemeenten menen wij echter dat het geen aanbeveling
verdient het subsidiebegrip van de Algemene wet
bestuursrecht uit te
breiden tot alle "op geld waardeerbare" verstrekkingen. Voorschriften inzake
de verstrekking van financiële middelen kunnen niet zonder meer
worden toegepast op verstrekkingen in natura. Dat geldt bijvoorbeeld voor
de regels inzake het subsidieplafond en de subsidievaststelling. Indien
daarbij telkens rekening zou moeten worden gehouden met verstrekkingen
in natura, zou dat de regeling in verhouding tot het belang van
dergelijke verstrekkingen onevenredig compliceren.
Eén en ander betekent niet dat pas van een subsidie kan worden gesproken indien
daadwerkelijk financiële middelen worden verstrekt. Voldoende is dat een
aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt. Dit is allereerst van
belang omdat bij subsidies het tijdstip waarop de aanspraak op financiële
middelen wordt gevestigd en het tijdstip waarop die middelen daadwerkelijk
worden verstrekt ver uit elkaar kunnen liggen. Het komt voor dat
voorafgaand aan een voorgenomen activiteit toegezegde financiële middelen
pas na afloop van die activiteit daadwerkelijk worden verstrekt. Het
cruciale moment in het proces van subsidiëring is in zo'n geval niet de
daadwerkelijke verstrekking, maar de beslissing dat de voorgenomen activiteit
gesubsidieerd zal worden indien zij inderdaad plaatsvindt. Vanaf dat moment moeten de thans voorgestelde regels voor
subsidieverhoudingen hun
werking hebben, en niet pas als er daadwerkelijk geld wordt
uitgekeerd.
Daarbij komt dat niet bij
alle subsidies daadwerkelijk geld wordt uitgekeerd. Indien de
overheid rente en aflossing van een door een bank aan een derde verstrekt
krediet garandeert, ontstaat een subsidieverhouding die, als de derde
zijn verplichtingen nakomt, eindigt zonder dat de overheid ook maar één
gulden daadwerkelijk heeft uitgekeerd.
Met het woord "aanspraak"
wordt voorts benadrukt dat de beslissing om subsidie te verstrekken
niet vrijblijvend is. Ook de verlening van een subsidie voorafgaand aan de
gesubsidieerde activiteit vestigt een rechtens afdwingbare, zij
het voorwaardelijke, aanspraak op financiële middelen. In de bestaande
regelgeving worden voor de rechtsfiguur die in dit wetsvoorstel als
subsidieverlening wordt aangeduid vaak termen als "subsidietoezegging" of
"voorlopige (subsidie)toekenning" gebruikt. Dergelijke termen suggereren
een zekere mate van vrijblijvendheid; zij wekken de indruk dat het
bestuur gemakkelijk op de subsidieverlening kan terugkomen.
Van deze opvatting wordt in
dit wetsvoorstel afstand genomen. De subsidieverlening is voor
het bestuursorgaan bindend. Indien de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteiten verricht en zijn overige
verplichtingen nakomt, is
het bestuursorgaan gehouden tot nakoming van de subsidieverlening, dat
wil zeggen tot het overeenkomstig de verlening vaststellen van de subsidie
en het uitbetalen van het subsidiebedrag. In die zin vestigt de verlening
een aanspraak voor de ontvanger, met als spiegelbeeld een
verplichting - ook in begrotingstechnische zin - voor het bestuursorgaan. Dat het
bestuur bij de verlening van deze aanspraak een voorbehoud kan maken (artikel 4.2.3.5 [4:33]), doet hieraan niet af.
rblz.|32|
Kredieten
"Het verlenen van een
aanspraak op financiële middelen" omvat niet alleen de subsidieverlening
"a fonds perdu", maar ook het verschaffen van kredieten. Overwogen is
om kredietverlening tegen commerciële voorwaarden buiten het
subsidiebegrip te houden, doch daarvan is afgezien omdat de overheid
slechts bij uitzondering zuiver commerciële kredieten verleent.
De overheid pleegt kredieten
te verschaffen omdat de markt daarin in onvoldoende mate voorziet.
Dit impliceert dat het krediet vrijwel steeds wordt verschaft met het oog
op wenselijk geachte activiteiten van de ontvanger en onder voorwaarden die gunstiger zijn dan de ontvanger op de vrije markt zou kunnen
bedingen, zodat tevens een financieel voordeel wordt toegekend. Derhalve is
kredietverlening door de overheid op essentiële punten
vergelijkbaar met subsidiëring "a fonds perdu", zodat voor beide vormen dezelfde
regels behoren te gelden.
De kredietverschaffing door
gemeentelijke kredietbanken als bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 3, van
de Wet op
het consumentenkrediet geschiedt soms wel op commerciële
basis. In dat geval wordt het krediet echter niet met het oog op een bepaalde
activiteit verstrekt, zodat het om die reden niet onder het begrip
subsidie valt.
Garanties
Een andere voor de praktijk
belangrijke vorm van subsidieverlening is de overheidsgarantie. De
overheid verleent dan niet zelf een krediet, maar stelt zich garant voor
rente
en aflossing van een door een derde - doorgaans een bank - aan de
aanvrager te verlenen krediet. Een bekend voorbeeld is de "gemeentegarantie" voor de hypothecaire lening voor de aanschaf van een eigen
woning (vgl. de Regeling deelneming in garanties woninggebonden
subsidies (Stcrt. 1992, 213)).
Een overheidsgarantie is in
een bepaald opzicht vergelijkbaar met de subsidie voor een
exploitatietekort. De garantieverlening houdt in dat de overheid de bank
financiële
middelen zal verstrekken indien zij op het krediet verlies lijdt
doordat de kredietnemer zijn verplichtingen tot aflossing en rentebetaling
niet nakomt.
In de praktijk wordt aan
overheidsgaranties op verschillende wijze juridisch vormgegeven. In
het eenvoudigste geval wordt de garantie aangevraagd door en verleend aan de kredietgever (de bank). Er ontstaat
dan een subsidieverhouding
tussen het bestuursorgaan en de bank; de kredietverlening zelf is
dan de gesubsidieerde activiteit. Tussen de bank en de kredietnemer wordt een
gewone privaatrechtelijke overeenkomst van geldlening gesloten.
Daarnaast kunnen
gecompliceerdere verhoudingen ontstaan doordat ook een juridische relatie
ontstaat tussen de kredietnemer en het bestuursorgaan. Dit doet
zich met name voor als de kredietnemer - zoals bij de genoemde "gemeentegarantie" - voor het aangaan van een gegarandeerde lening eerst
een beschikking van het bestuursorgaan moet verkrijgen. Die beschikking
schept echter nog geen subsidieverhouding tussen het bestuursorgaan en
de kredietnemer.
Deelnemingen
Voorts kan de overheid ook
door deelneming in het aandelenkapitaal van een vennootschap een
aanspraak op financiële middelen verstrekken. Het is niet uitgesloten dat
dit geschiedt in verband met activiteiten van de ontvanger. Aandelenkapitaal
wordt echter per definitie niet met het oog op bepaalde activiteiten
verstrekt, maar met het oog op alle huidige en toekomstige activiteiten van
de vennootschap. Daarom moet aandelenkapitaal geacht worden te zijn
verstrekt met het oog op alle huidige en rblz.|33|
toekomstige activiteiten van
de vennootschap. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat de
aanspraak wordt verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
ontvanger.
Anders dan als betaling voor
aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten
De clausule
"anders dan als
betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten" houdt commerciële transacties waarbij de overheid partij is buiten
het subsidiebegrip. Het spreekt vanzelf dat geen sprake is van een
subsidie wanneer de overheid de marktprijs betaalt voor aangeschafte
goederen of aan haar geleverde diensten. De beperking tot aan het
bestuursorgaan geleverde goederen en diensten is aangebracht omdat er
subsidies zijn die kunnen worden opgevat als een betaling voor door de
subsidieontvanger aan derden geleverde diensten. Men denke aan de
gefinancierde rechtsbijstand.
Onder betaling dient te
worden verstaan het leveren van een tegenprestatie die is afgestemd op de
waarde van de verkregen goederen of diensten in het economisch verkeer. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen
dat iedere betaling die,
gelet op de geldende marktprijs, wellicht aan de hoge kant is nu ineens als
een subsidie moet worden aangemerkt. De waarde in het economisch
verkeer is immers lang niet altijd exact vast te stellen, zodat ook de
overheid een zekere vrijheid bij het bepalen van de prijs die zij wil betalen
niet kan worden ontzegd. Slechts wanneer die prijs onmiskenbaar zozeer boven de
marktprijs ligt dat redelijkerwijs niet meer van betaling kan worden
gesproken, is, indien aan de overige elementen van de definitie is voldaan,
sprake van een subsidie.
Subsidieverlening en
betaling voor goederen of diensten kunnen in de praktijk soms dicht tegen
elkaar liggen. Wanneer een bestuursorgaan aan een universiteit gelden
verstrekt ten behoeve van het verrichten van een bepaald onderzoek, zal soms
sprake zijn van subsidiëring, soms van een commerciële transactie
waarbij de overheid eenvoudig een noodzakelijk geacht onderzoek "uitbesteedt". De aard van de rechtsverhouding moet dan aan de hand van de
omstandigheden van het concrete geval worden vastgesteld.
Daarbij kunnen verschillende
factoren van belang zijn. Bij subsidiering kunnen veelal één of meer
markttransacties tussen de ontvanger en derden worden aangewezen
die (mede) uit de subsidie worden bekostigd. De activiteit
waarvoor subsidie wordt verstrekt, bestaat immers vrijwel steeds uit het door
de ontvanger aan een derde leveren of juist van een derde verkrijgen van een
voorziening, produkt of dienst. Bij levering van goederen en diensten aan
het bestuursorgaan daarentegen is de verstrekking van financiële
middelen niet gericht op het bekostigen van een transactie tussen het
bestuursorgaan en een derde, maar maakt zij deel uit van een transactie
tussen het bestuursorgaan en de leverancier. Indien geen transactie
tussen de ontvanger en een derde valt aan te wijzen met het oog waarop
de financiële middelen worden verstrekt, is dat derhalve een belangrijke
aanwijzing dat geen sprake is van een subsidie.
Ook de hoogte van het door
de overheid verstrekte bedrag, in relatie tot de kosten van de
gesubsidieerde activiteit, kan een belangrijke aanwijzing zijn. Bij een commerciële
transactie zal dat bedrag veelal de kosten van de activiteit (bijvoorbeeld een
onderzoek) plus een zekere winstmarge dekken, bij een subsidie ten hoogste de kosten. Ook kan van belang zijn
van welke partij het
initiatief voor het verrichten van het onderzoek is uitgegaan: bij een subsidie
zal dat veelal degene zijn die het onderzoek verricht, bij een opdracht
de opdrachtgever. Ten slotte zullen bijkomende omstandigheden zoals de
afspraken over de publicatie van het onderzoek soms aanwijzingen kunnen bieden.
rblz.|34|
Indien een bestuursorgaan
aan een ambtenaar door deze in het kader van zijn functie gemaakte
kosten vergoedt (declaraties voor dienstreizen e.d.), is geen sprake van een
subsidie, maar van voldoening van een schuld die is ontstaan
doordat de ambtenaar ten behoeve van het bestuursorgaan diensten
heeft gekocht en de kosten daarvan uit eigen zak heeft voorgeschoten.
Door een bestuursorgaan
verstrekt
Niet alleen de overheid,
maar ook vele particuliere instellingen en fondsen stimuleren
activiteiten die zij wenselijk achten door daarvoor financiële middelen ter
beschikking te stellen. Hoewel deze vormen van particulier initiatief in
het spraakgebruik ook wel als subsidiëring worden aangeduid, spreekt het
vanzelf dat de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing behoort te
zijn op rechtsverhoudingen tussen particulieren onderling. Dit wordt bereikt
door in de definitie het element "door een bestuursorgaan verstrekt"
op te nemen.
Een andere situatie doet
zich voor indien - zoals in de praktijk regelmatig voorkomt - een
privaatrechtelijke instelling bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt belast
met
de verlening van subsidies ten laste van de openbare middelen. In de
jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak wordt (het bestuur van) de
privaatrechtelijke instelling in zo'n geval aangemerkt als
administratief orgaan in de zin van artikel 1 Wet Arob (vgl. o.m. Afd. rechtspraak
13 juni 1978, tB/S I, blz. 26; Vz. Afd. rechtspraak 19 maart 1981, AB 1982, 411;
Afd. rechtspraak 27 januari 1983, tB/S V, blz. 1199). De definitie van het begrip
bestuursorgaan in artikel 1:1 Algemene wet
bestuursrecht sluit nauw aan
bij artikel 1 Wet Arob (vgl. de toelichting
op artikel 1:1, Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 27). Voor zover het bestuur van een privaatrechtelijke instelling is belast met het verlenen van
subsidies ten laste van de
openbare middelen, moet het derhalve ook worden beschouwd als bestuursorgaan in de zin van
artikel 1:1, zodat de Algemene wet bestuursrecht,
met inbegrip van deze titel, onverkort van toepassing is.
Met het oog op bepaalde
activiteiten van de aanvrager
Ook als de overheid om niet
financiële middelen verstrekt, is niet steeds sprake van een subsidie.
Soms geschiedt de verstrekking van financiële middelen niet met het oog op
een bepaalde activiteit, maar om te voorzien in de kosten van
het bestaan. Daarbij kan het gaan om een algehele of een aanvullende
inkomensvoorziening. Men denke aan de uitkeringen op het gebied
van de sociale zekerheid. De regels inzake subsidies behoren daarop
niet van toepassing te zijn. De studiefinanciering heeft tot op
zekere hoogte een gemengd karakter, waarbij echter het element van een
(aanvullende) inkomensvoorziening overheerst. Gelet op het
eigen karakter van deze voorziening behoren de regels inzake subsidies ook
hierop niet van toepassing te zijn. Hetzelfde geldt, om praktische
redenen, voor de individuele huursubsidie. Ter vermijding van misverstand
zal zulks bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving uitdrukkelijk in
de desbetreffende wetten worden bepaald.
In de begripsomschrijving is
het gebonden karakter van de subsidie uitgedrukt door de woorden "met het oog op bepaalde activiteiten van de
aanvrager". Van een subsidie is pas sprake indien een aanspraak op
financiële middelen worden
verstrekt met het oog op bepaalde, min of meer welomschreven
activiteiten van de ontvanger. Anders gezegd, het moet gaan om een gebonden
inkomens- of vermogensoverdracht, in die zin dat, bij verstrekking
voorafgaand aan de te verrichten activiteiten, de bestedingsrichting van de verstrekte
middelen is vastgelegd.
rblz.|35|
De aard van deze
activiteiten kan sterk uiteenlopen. Er zijn subsidies op het terrein van welzijn, sport
en cultuur, maar ook ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek
of ter stimulering van energiebesparing of woningbouw. Soms gaat het om
een eenmalige activiteit als een tentoonstelling of een
concert, soms om een voortdurende activiteit, zoals de instandhouding van een
bibliotheek, een onderwijsinstelling of een vorm van hulpverlening.
Onder omstandigheden kan ook een nalaten een activiteit in de zin van
artikel 4.2.1.1 [4:21] zijn. Men denke aan het braak laten liggen van landbouwgrond.
Door het element "met het
oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager" vallen als
gezegd de algemene sociale uitkeringen buiten het subsidiebegrip van de
Algemene wet bestuursrecht. Indien echter een uitvoeringsorgaan van de
sociale zekerheid naast de uitkering gelden verschaft met het oog op een
bepaalde activiteit - bijvoorbeeld het volgen van een scholing -, is wel
sprake van een subsidie. Evenmin betekent het enkele feit dat bij een
uitkering rekening wordt gehouden met de draagkracht van de ontvanger
dat die uitkering geen subsidie is.
Daaraan doet niet af dat titel 4.2
in een enkel geval op praktische gronden niet van toepassing
kan zijn. Zo zou de verlening van bijzondere bijstand krachtens de Algemene
Bijstandswet als een subsidie kunnen
worden aangemerkt. Anders
dan de "gewone" bijstand wordt de bijzondere bijstand immers
met het oog op een bepaalde activiteit verleend. In de praktijk is
de verlening van bijzondere bijstand echter zo nauw verweven met de
"gewone" bijstandverlening dat het ongewenst is dat daarvoor
afzonderlijke regels zouden gelden. Derhalve zal bij de aanpassingswetgeving worden
bepaald dat titel 4.2 niet van toepassing is op de verlening van bijzondere bijstand.
Prijzen, bijvoorbeeld op het
terrein van kunst of wetenschap, zullen veelal geen subsidies zijn,
met name niet indien zij worden gegeven als eerbetoon aan een persoon,
voor zijn gehele oeuvre of voor een bepaalde prestatie. Niet uitgesloten
is echter dat iets dat als "prijs" wordt aangeduid toch als subsidie
in de zin van titel 4.2 moet worden aangemerkt. Te denken valt aan
gevallen waarin aan het verlenen van de prijs een inschrijving is
voorafgegaan waarbij de te verrichten activiteiten zijn omschreven.
Door een bestuursorgaan
betaalde schadevergoedingen of schadeloosstellingen vallen, ongeacht
hun rechtsgrond, eveneens buiten het subsidiebegrip, omdat zij
niet verleend worden met het oog op activiteiten van de
ontvanger; eerder met het oog op de schade toebrengende activiteiten
van het bestuursorgaan. Het zou vanzelfsprekend ook ongewenst zijn
als de bepalingen inzake subsidies op schadevergoedingen van
toepassing zouden zijn.
Het betalen van een
contributie is geen subsidie, maar het voldoen aan een uit het lidmaatschap van
een organisatie voortvloeiende civielrechtelijke verplichting. De contributie wordt ook niet verstrekt met het oog op
een bepaalde activiteit.
Bijdragen aan andere staten
en volkenrechtelijke organisaties
Het komt voor dat een
bestuursorgaan een aanspraak op financiële middelen verstrekt aan een
volkenrechtelijke organisatie of een andere staat. Bij het laatste denke
men bijvoorbeeld aan gelden die in het kader van de
ontwikkelingssamenwerking wordt verstrekt. In deze gevallen wordt de verhouding tussen
de verstrekker en de ontvanger van de gelden door het volkenrecht
beheerst, zodat de Algemene wet bestuursrecht
daarop niet van
toepassing is. De grondslag voor de subsidieverstrekking ligt in deze
gevallen ook niet in een nationaal wettelijk voorschrift, doch in een internationale
overeenkomst.
rblz.|36|
Tweede lid
Het tweede lid stelt buiten
twijfel dat titel 4.2 niet van toepassing is indien ingevolge een
wettelijk voorschrift het verrichten van bepaalde activiteiten leidt tot
vermindering van een belasting- of premieschuld. Daardoor kan in het midden
blijven in hoeverre faciliteiten in de fiscale of premiesfeer als subsidies
moeten worden beschouwd. Toepassing van titel 4.2
is in ieder geval ongewenst nu deze moeilijk te verenigen zou zijn met de systematiek van
belasting- en premieheffing.
De formulering van het
tweede lid komt overeen met artikel 8:4, onderdeel
g. Zij is, wat de
belastingen betreft, ontleend aan artikel 5, onderdeel o, van de Wet
Arob. Zij ziet
niet
alleen op rijksbelastingen, maar ook op door decentrale overheden geheven
belastingen (Afd. rechtspraak 18 januari 1979, tB/S VIII, nr. 27).
Een enigszins hybride figuur
doet zich voor bij het voorstel van Wet bevordering speur- en
ontwikkelingswerk (Kamerstukken II 1993-1994, 23 477, nrs. 1-3). Op grond van dat wetsvoorstel kan de
Minister van
Economische Zaken aan een
onderneming een verklaring afgeven inhoudende dat bepaalde
werkzaamheden worden beschouwd als speur- en ontwikkelingswerk. De
verklaring vermeldt tevens het bedrag van de vermoedelijk met die
werkzaamheden gemoeide loonsom. Vervolgens kan 12,5% van die loonsom in
mindering worden gebracht op de af te dragen loonbelasting. Deze
aanspraak op vermindering zal echter niet voortvloeien uit de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk, maar uit de
Wet op de
loonbelasting 1964.
Derhalve is sprake van een aanspraak op grond van een wettelijk voorschrift
inzake belastingen, zodat titel 4.2
niet van toepassing is. Anderzijds
zou titel 4.2
wel van toepassing zijn indien een subsidie op grond van een
niet-fiscale wet slechts met een belastingschuld zou worden verrekend.
Derde lid
Uitkeringen aan
publiekrechtelijke rechtspersonen
Het derde lid bepaalt dat
titel 4.2 niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die
krachtens wettelijk voorschrift uitsluitend wordt verleend aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld. Met deze
formulering, die ook in artikel 1:1 Algemene
wet bestuursrecht is gehanteerd,
wordt gedoeld op de uitkeringen die het Rijk doet aan gemeenten,
provincies en andere publiekrechtelijke rechtspersonen. Hoewel deze
uitkeringen, wanneer ze worden gedaan ter bestrijding van de kosten
van bepaalde taken, in een aantal opzichten aan subsidies verwant zijn,
heeft de financiële verhouding tussen de verschillende overheden ook een
zodanig eigen karakter dat de voorschriften inzake subsidies daarop niet
zonder meer kunnen worden toegepast.
Deze uitzondering is slechts
van toepassing indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten
eerste moet de uitkering op een wettelijk voorschrift berusten. In
veel gevallen is aan dit vereiste thans reeds voldaan. De artikelen 187 Provinciewet
en 184 Gemeentewet eisen dat uitkeringen aan provincies
of gemeenten waarvan de bestedingsrichting vooraf is aangegeven of die
worden verleend voor de bestrijding van van de kosten van bepaalde taken
of activiteiten, bij of krachtens wet worden geregeld. Bij de
totstandkoming van zo'n wettelijke regeling kan worden nagegaan welke voorschriften
nodig zijn ter regeling van de verhouding tussen verstrekker en ontvanger van gelden.
Indien echter geen
wettelijke regels bestaan, behoort titel 4.2
te gelden om in de leemte te voorzien.
Een extra argument daarvoor is dat alleen als een uitkering op een
wettelijk voorschrift berust, goed kan worden vastgesteld of deze
inderdaad slechts aan krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen kan worden
verleend.
rblz.|37|
De tweede voorwaarde - de
uitkering moet uitsluitend beschikbaar zijn voor publiekrechtelijke
rechtspersonen - voorkomt dat ook een subsidie waarvoor zowel overheidsorganen als burgers in aanmerking komen -
bijvoorbeeld een
isolatiesubsidie - buiten het toepassingsbereik van titel 4.2
valt. Het is ongewenst dat het vaak min of meer toevallige feit dat op een subsidieregeling zowel
door overheden als door burgers een beroep kan worden gedaan tot een
verschil in rechtsregime zou leiden.
Omdat de voorschriften van
de nieuwe artikelen 187 Provinciewet
en 184 Gemeentewet ook van
toepassing zijn op sommige uitkeringen aan anderen dan gemeenten en
provincies (artikel 187, zevende lid, respectievelijk artikel 184, zevende lid), kan het
vóórkomen dat genoemde artikelen en titel 4.2
beide van toepassing zijn op een
bepaalde vorm van subsidiëring. Voor zover de organieke wetten criteria
geven voor de toekenning van deze uitkeringen, dan wel aanvullende eisen
stellen aan de inhoud en totstandkoming daarvan, is dat niet
bezwaarlijk. Op het punt van de wettelijke grondslag is echter een nadere
harmonisatie gewenst. Daarin zal bij de aanpassingswetgeving worden voorzien.
Geldstromen binnen één
publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen niet als subsidiëring worden
beschouwd. Titel 4.2 is niet bedoeld voor en ook niet toegesneden op de
financiële verhoudingen binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon.
Daarvoor gelden specifieke voorschriften, zoals de Comptabiliteitswet en de
financiële voorschriften van de organieke wetten.
De definitie van subsidie
sluit financiële relaties binnen één rechtspersoon dan ook uit. Van
"verstrekking van een aanspraak op financiële middelen" kan slechts sprake zijn indien de verstrekker en de ontvanger
van de aanspraak twee te
onderscheiden rechtssubjecten met twee te onderscheiden vermogens
zijn. Indien de verstrekker en de ontvanger van de gelden tot dezelfde
rechtspersoon behoren, is dat nu juist niet het geval.
Derhalve is geen sprake van
een subsidie indien bijvoorbeeld een minister gelden verstrekt
aan een tot de centrale overheid te rekenen zelfstandig bestuursorgaan
dat geen rechtspersoonlijkheid bezit. Immers, een dergelijk orgaan moet,
hoe zelfstandig het publiekrechtelijk gezien ook is, geacht worden deel
uit te maken van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden, dus van
dezelfde rechtspersoon als de minister.
Vierde lid
De bekostiging van het
onderwijs en onderzoek vertoont veel verwantschap met subsidiëring,
maar heeft ook enige specifieke karaktertrekken. Bij de onderwijsbekostiging
gaat het om een kerntaak van de overheid, gebaseerd op artikel 23 van
de Grondwet. De Grondwet
geeft opdracht tot regeling bij de wet van het openbaar onderwijs en tot bekostiging naar
dezelfde maatstaf van het
bijzonder onderwijs. De grondwettelijke beginselen van vrijheid van
onderwijs en financiële gelijkstelling tussen het openbaar en het
bijzonder onderwijs brengen mee dat het bijzonder onderwijs dat aan de
wettelijke voorwaarden voldoet evenveel ontvangt als het openbaar onderwijs
de overheid kost. De bekostiging van bijzonder onderwijs
geschiedt van rechtswege: als de bijzondere school eenmaal voor bekostiging is
aanmerking is gebracht, loopt de bekostiging van rechtswege door voor
onbepaalde tijd.
In verband met de eigen aard
van de onderwijswetgeving, die samenhangt met de regeling van
artikel 23 van de Grondwet, bepaalt het vierde lid dat deze titel op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek niet
rechtstreeks van toepassing,
maar van overeenkomstige toepassing is. Zo wordt enerzijds recht gedaan
aan de bijzondere constitutionele positie van het onderwijs, anderzijds
aan de doelstelling van de Algemene wet
bestuursrecht om de
bestuursrechtelijke wetgeving zoveel mogelijk te harmoniseren. Bij de aanpassingswetgeving
zal overigens waar nodig van rblz.|38|
de Algemene wet
bestuursrecht kunnen worden afgeweken in verband met het systeem van de
onderwijswetgeving.
Het begrip bekostiging omvat
de reguliere geldstromen voor de instandhouding van de
onderscheiden onderwijssoorten. Daaronder valt dus ook de voor onderzoek
bestemde component van de geldstromen naar de instellingen voor
hoger onderwijs (de zogenaamde eerste geldstroom). Daarnaast worden aan scholen
ook wel incidentele subsidies verstrekt. Op laatstgenoemde subsidies is
deze titel rechtstreeks van toepassing. Hetzelfde geldt voor aan
instellingen van hoger onderwijs verstrekte subsidies voor concrete
onderzoeksprojecten.
Artikel 4.2.1.2
[4:22]
Deze bepaling bevat de
definitie van het begrip subsidieplafond. Voor betekenis en functie van het
subsidieplafond zij verwezen naar de toelichting
op afdeling
4.2.2.
Het spreekt vanzelf dat de
categorie subsidies waarvoor een concreet subsidieplafond geldt niet te
ruim mag zijn. De vaststelling en bekendmaking van een subsidieplafond maken het mogelijk een uit een wettelijk
voorschrift voortvloeiende
aanspraak op subsidie te doorbreken indien de beschikbare middelen zijn
uitgeput. Dat is een voor de burger ingrijpende bevoegdheid, waarvan de
uitoefening in het belang van de rechtszekerheid aan objectieve
criteria gebonden behoort te worden. Daarvan zou geen sprake zijn als het
bestuursorgaan binnen een soort "all-insubsidieplafond" vrijwel
onbeperkt middelen van de ene naar de andere categorie subsidies zou
kunnen verschuiven. Een zo ruim bemeten plafond zou de (potentiële)
aanvrager ook onvoldoende informatie verschaffen over het bedrag
dat beschikbaar is voor juist die activiteit die hij overweegt te ondernemen.
Daarom is bepaald dat een
subsidieplafond betrekking moet hebben op de verstrekking van
subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Aldus wordt de noodzakelijke
koppeling gelegd tussen de bron van het vertrouwen van de burger dat
voor een bepaalde activiteit subsidie kan worden verkregen en het
instrument waarmee de burger wordt duidelijk gemaakt dat aan dat
vertrouwen financiële grenzen zijn gesteld.
Artikel 4.2.1.3
[4:23]
Eerste lid
Artikel 4.1.2.3
[lees: Artikel 4.2.1.3 [4:23], red.]
eist dat
subsidieverlening op een wettelijke grondslag berust. Het belang daarvan
is reeds in de inleiding van dit hoofdstuk aangestipt. Bij wettelijk voorschrift kan duidelijkheid worden geschapen
over rechten en plichten van
de subsidieverlener en subsidieontvanger. Dit bevordert niet alleen de
rechtszekerheid, maar, mede daardoor, ook de doelmatige afwikkeling van
de subsidieverhouding. De noodzaak een wettelijk voorschrift tot
stand te brengen, dwingt het bestuursorgaan zich terdege af te vragen welke
doeleinden met de subsidieverstrekking worden nagestreefd en welke
voorschriften en bevoegdheden noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
Voorts is er in de
literatuur bij herhaling op gewezen dat het ook op rechtsstatelijke gronden
wenselijk is dat de subsidieverlening op een wettelijke voorschrift
berust. Er is op gewezen dat, nu de burgers voor zovele belangrijke
activiteiten in hoge mate afhankelijk zijn van overheidssubsidie, de overheid door
haar subsidiebeleid soms even diep in de vrijheidssfeer van de burger
ingrijpt als door klassieke gebods- en verbodsbepalingen (vgl. onder
andere L.J.A. Damen, Ongeregeld en ondoorzichtig bestuur, diss. Groningen 1987, Deventer
1987; E.M. H. Hirsch Ballin, rblz.|39|
Rechtsstaat, grondrechten en
subsidieverhoudingen, preadvies VAR 1988, VAR-geschrift XCIX, Alphen aan
den Rijn 1988, blz. 63 e.v.).
Ook vanuit regering en
parlement is bij herhaling gepleit voor een betere regeling van
subsidies. De standpunten laten in deze een duidelijke ontwikkeling zien. Reeds
in
het interim-rapport (Kamerstukken II 1979-1980, 15 306, nrs. 2-3) en het
rapport (Kamerstukken II 1982-1983, 15 306, nr. 25) van de subcommissie-Van Dijk
van de Vaste Commissie voor de Rijksuitgaven van de Tweede Kamer
werd voor het bijzondere terrein van de steunverlening aan
individuele bedrijven gepleit voor een "juridische
stroomlijning" van de
subsidiëring op dit terrein. Dit pleidooi keerde terug in het rapport van de
parlementaire enquêtecommissie inzake RSV (Kamerstukken II 1984-1985, 17
817, nrs. 16-21) en het kabinetsstandpunt daarover (idem, nr. 45).
In deze fase werd veelal nog
genoegen genomen met regeling bij beleidsregel. De Commissie
Wetgevingsvraagstukken (rapport "Orde in de
regelgeving", 's-Gravenhage
1985) beval reeds aan bestendig gebleken subsidiebeleid op den duur
zoveel mogelijk een wettelijke grondslag te geven, terwijl in het
rapport van de parlementaire enquêtecommissie bouwsubsidies en het
regeringsstandpunt daarover (Kamerstukken II 1988-1989, 19 623, nrs. 30 en
42) duidelijk werd gekozen voor een wettelijke regeling van de betrokken
subsidies, waarbij onder meer werd verwezen naar het voornemen een
algemene regeling inzake subsidies op te nemen in de Algemene
wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1988-1989, 19 623, nr. 42, blz. 3).
Ten slotte sprak
het huidige kabinet in het kader van de zogenaamde Tussenbalans 1991 uit dat een wettelijke grondslag voor
(rijks)subsidies in het algemeen gewenst is (Kamerstukken II
1990-1991, 21 998, nr. 2, bijlage 3,
blz. 22). Dit standpunt werd herhaald in het "Plan van aanpak eerste spoor
geïntegreerd subsidiebeleid" (Kamerstukken II 1990-1991, 22 150,
nrs. 1-2,
blz. 12-13) alsmede in de rapportage geïntegreerd subsidiebeleid
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5) en werd in de UCV's inzake
subsidiebeleid op 2 september 1991 (Handelingen UCV 1990-1991, nr. 57) en 7
september 1992 (Handelingen UCV 1991-1992, nr. 49) door vertegenwoordigers van
vrijwel alle fracties ondersteund.
De eis dat een subsidie op
een wettelijke voorschrift gebaseerd moet zijn, zal voor het Rijk met
zich brengen dat er, behoudens bij toepassing van het tweede lid, een grondslag in de formele wet moet worden gelegd.
Denkbaar is daarbij wel dat
de wetgever de nadere regeling voor een deel delegeert aan een lager
wettelijk voorschrift. De mate waarin dit geschiedt, hangt af van de aard van de
desbetreffende subsidie. In beginsel zullen, overeenkomstige de
aanbevelingen van het rapport "Orde in de regelgeving", in ieder geval de
hoofdlijnen van het bestendige subsidiebeleid in de formele wet moeten worden
geregeld. In een aantal gevallen kan het echter wenselijk zijn een
subsidiefaciliteit grotendeels bij algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling te regelen, bijvoorbeeld omdat het gaat om een qua
budgettair belang kleine regeling of om een faciliteit die uitdrukkelijk
als tijdelijk is bedoeld of snel moet kunnen worden gewijzigd om in te
spelen op veranderende (markt)omstandigheden.
Bij provincies en gemeenten
zal subsidiëring in het algemeen geregeld moeten worden bij
verordening van provinciale staten of van de gemeenteraad. Dergelijke verordeningen vormen bij provincies en gemeenten dan
de basis voor de
subsidiëring zoals de formele wet dat bij het Rijk is. Omdat de titel een algemeen
karakter heeft en dus zowel voor het Rijk als voor andere
overheidslichamen geldt, wordt de term "wettelijk voorschrift" gebruikt. Voor
het Rijk impliceert dit dus geen algemene uitspraak over de mate
waarin op dit punt delegatie door de formele wetgever mogelijk en wenselijk is.
rblz.|40|
Het wettelijk voorschrift
moet aan een tweetal minimumeisen voldoen om de beoogde doelmatigheid
en rechtszekerheid te bereiken. Allereerst wordt een omschrijving
verlangd van de activiteiten waarvoor de subsidie kan worden verleend. Dit is
essentieel om de reikwijdte van de wettelijke basis voor de subsidiëring
te kunnen bepalen. Ook hierbij is delegatie overigens niet uitgesloten.
Denkbaar is dat de wet een globale omschrijving of aanduiding
van de activiteiten geeft, die bij lagere regeling wordt gepreciseerd.
In de tweede plaats moet de
wettelijke regeling een grondslag bieden voor de verplichtingen die
het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden, voor zover die grondslag niet reeds in de
Algemene wet bestuursrecht zelf is
neergelegd. Verwezen zij naar de toelichting op afdeling
4.2.4.
Artikel
4.2.1.3 [4:23], eerste lid,
geeft geen antwoord op de vraag wat rechtens is indien een bestuursorgaan
in weerwil van dit artikel zonder grondslag in een wettelijk voorschrift
subsidie verleent en de uitzonderingen van het derde lid niet van
toepassing zijn. Het gevolg zal in ieder geval zijn dat het bestuursorgaan voor
overtreding van het voorschrift ter verantwoording kan worden geroepen en dat
de uitgaven niet als rechtmatig gedane uitgaven op de rekening
kunnen worden gebracht. In hoeverre de mogelijkheid zal bestaan een
eenmaal verleende of vastgestelde subsidie in te trekken, zal van de
omstandigheden afhangen. Indien de subsidieontvanger wist of behoorde
te weten dat subsidieverstrekking niet was toegestaan, is intrekking op
grond van artikel 4.2.6.1 [4:48], eerste lid, onderdeel
d, of artikel 4.2.6.2 [4:49], eerste lid,
onderdeel b, onder omstandigheden denkbaar. Hierbij moet echter worden
bedacht dat het, gezien ook het feit dat subsidieverstrekking soms
zonder wettelijke grondslag is toegestaan, primair tot de
verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan behoort na te gaan of een
voldoende wettelijke basis voor subsidieverlening bestaat.
Tweede lid
In de reacties op het
voorontwerp is erop gewezen dat in de praktijk nogal eens
subsidieregelingen voorkomen met een tijdelijk of experimenteel karakter. Soms wil
de overheid een bepaalde activiteit slechts een tijdelijke impuls geven, in
de verwachting dat de gesubsidieerde activiteit na een aanloopfase in
voldoende mate door betrokkenen zelf zal kunnen worden bekostigd, dan wel
dat andere overheden de subsidiëring zullen overnemen. In andere
gevallen is bij het introduceren van een nieuwe subsidiefaciliteit nog niet
bekend of die faciliteit structureel nodig zal zijn. In beide situaties kan het
voorkomen dat het tot stand brengen van een formeel-wettelijke regeling
van de nieuwe faciliteit in verhouding tot de daarmee te dienen belangen
als een onevenredige belasting voor de wetgever moet worden beschouwd. Daarom is, in afwijking van het
voorontwerp, uitdrukkelijk
voorzien in de mogelijkheid om gedurende een beperkte periode subsidie te
verlenen op grond van een zelfstandige algemene maatregel van
bestuur. Aldus worden enerzijds de voordelen van een wettelijke regeling
van subsidiëring in belangrijke mate behouden, terwijl anderzijds
de met de totstandkoming van zo'n regeling gemoeide tijd aanzienlijk
wordt bekort.
Indien echter na verloop van
tijd blijkt dat het toch wenselijk is de betrokken activiteit
structureel te subsidiëren, dan moet alsnog voorzien worden in een formeel-wettelijke grondslag voor de subsidie. Dat is in
overeenstemming met het
vaste beleid neergelegd in aanwijzing 21 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving dat een zelfstandige algemene maatregel van bestuur
slechts gebruikt kan worden in bijzondere gevallen, bij wijze van tijdelijke
voorziening. Daarom is bepaald dat een zelfstandige maatregel van bestuur als
hier bedoeld vier jaren na haar rblz.|41|
inwerkingtreding vervalt,
tenzij voor het einde van die periode een wetsvoorstel is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld.
De onderhavige bepaling laat
vanzelfsprekend de beperkingen die de Grondwet
aan het gebruik van
de zelfstandige algemene maatregel van bestuur stelt onverlet.
Het voorgaande heeft
uitsluitend betrekking op subsidieregelingen van de rijksoverheid. Op
gemeentelijk en provinciaal niveau zal, indien een wettelijk grondslag is
vereist, steeds een verordening moeten worden tot stand gebracht. Omdat Provincie-
en Gemeentewet
(hetzelfde geldt overigens voor de Wet
op de bedrijfsorganisatie en de Waterschapswet) naast de verordening geen
ander, sneller tot stand te brengen, type zelfstandig algemeen
verbindend voorschrift kennen, heeft het voor de decentrale overheden geen
zin in dit opzicht te differentiëren tussen tijdelijke en structurele
subsidieregelingen.
Derde lid
Indien op een nieuw terrein
de behoefte aan subsidieverlening ontstaat, kan niet altijd de
totstandkoming van een wettelijk voorschrift worden afgewacht. De met het
subsidiebeleid nagestreefde doelen kunnen onverwijld optreden vergen;
men denke aan de subsidiëring van activiteiten gericht op de
bestrijding van de verspreiding van de ziekte AIDS. Ook het tot stand
komen
van een algemene maatregel van bestuur kan dan niet altijd worden
afgewacht.
Derhalve is in het tweede
lid, aanhef en onder a, bepaald dat indien de voorbereiding van een
wettelijk voorschrift ter hand is genomen, met de subsidiëring kan worden
begonnen, ook al heeft deze nog geen grondslag in een wettelijk
voorschrift. Deze mogelijkheid bestaat gedurende ten hoogste één jaar.
Eén jaar
is in het algemeen voldoende om een wettelijk voorschrift tot stand te
brengen, tenzij het een wet in formele zin betreft. Daarom is voor het geval een
wet in formele zin tot stand moet worden gebracht, volstaan met de eis dat binnen
één jaar een wetsvoorstel bij de Staten-Generaal is
ingediend. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de parlementaire behandeling
van een wetsvoorstel overhaast moet plaatsvinden omdat anders
geen subsidies meer verleend kunnen worden.
Op rijksniveau betekent dit
dat er, nadat spoedshalve met de subsidiëring is begonnen,
twee mogelijkheden bestaan: binnen één jaar zal hetzij een wetsvoorstel ingediend, hetzij een zelfstandige algemene
maatregel van bestuur tot
stand moeten zijn gebracht.
Nederlandse bestuursorganen
verstrekken ook subsidies die uiteindelijk ten laste komen van de
begroting van de Europese Gemeenschappen. In een aantal gevallen gebeurt
dat op grond van nationale wettelijke voorschriften, in een enkel
geval rechtstreeks op grond van een verordening van de Raad of de
Commissie van de Europese Gemeenschappen. Ook in het laatste geval is
voldaan aan het vereiste van een grondslag in een wettelijk voorschrift,
nu aan een verordening evenzeer rechtstreeks bindende werking binnen de
nationale rechtsorde toekomt als aan een nationaal wettelijk
voorschrift. Ook wanneer de verstrekking van subsidies op grond van de verordening
aan een Nederlands bestuursorgaan is opgedragen, behoeft dus niet
eerst een nationaal wettelijk voorschrift tot stand gebracht te worden. Voor zover dat zou neerkomen op het omzetten
van bepalingen van een
verordening in bepalingen van nationaal recht, zou zulks zelfs in strijd
met het gemeenschapsrecht komen (aldus de jurisprudentie van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen; men zie o.m. zaak
39/72, Commissie versus Italië, Jur. 1973, blz. 101; zaak 50/76 (Amsterdam Bulb
BV versus Produktschap voor Siergewassen), Jur. 1977, blz. 137; zaak 94/77
(Zerbone),
Jur. 1978, 99.
rblz.|42|
Het komt echter ook voor dat op Europees niveau subsidieprogramma's tot stand
komen waarvan de
uitvoering aan nationale instanties wordt overgelaten, maar die niet
het karakter van een verbindende regeling hebben. Nu in dergelijke
programma's de voorwaarden waaronder de subsidies kunnen worden
verstrekt veelal wel zijn uitgewerkt, zou een nationale wettelijke
regeling daarvan slechts een doublure kunnen zijn. Bovendien zou de
verplichting om in zo'n geval eerst een nationale wettelijke regeling tot
stand te brengen ertoe kunnen leiden dat Nederlandse ingezetenen niet of
slechts met vertraging van de Europese subsidiefaciliteit kunnen profiteren. Daarom is voor deze gevallen een
uitzondering op het vereiste
van een wettelijke grondslag opgenomen.
Het komt voor dat de
ontvanger en het bedrag van een subsidie uitdrukkelijk in de
begroting worden genoemd. Dat gebeurt met name bij subsidies die slechts aan
één of enkele ontvangers worden verstrekt. Men denke bijvoorbeeld aan
subsidies die ministers verstrekken aan bepaalde onderzoeksinstituten op hun
terrein.
Bij een dergelijk gering
aantal ontvangers zou het tot stand brengen van een wettelijk voorschrift
dat als grondslag voor de subsidie kan dienen een relatief zware last voor
de bevoegde wetgever betekenen, terwijl anderzijds de noodzaak
daartoe in mindere mate aanwezig is indien de begroting de ontvanger
vermeldt. De vermelding in de begroting maakt immers publieke controle op
de subsidieverstrekking mogelijk; in de meerderheid van de gevallen
waarin de begroting door een vertegenwoordigend orgaan wordt
vastgesteld, stelt de vermelding in de begroting dat orgaan in
staat zich rechtstreeks uit te spreken over de wenselijkheid en de hoogte
van de subsidie, zodat de democratische controle afdoende is
gewaarborgd. Om deze reden is voor dergelijke gevallen in artikel 5,
eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet financiële verstrekkingen EZ een
uitzondering op het vereiste van een wettelijke grondslag opgenomen. In
afwijking van het voorontwerp stellen wij voor om een vergelijkbare
uitzondering op te nemen in de Algemene wet
bestuursrecht.
Het nadeel dat bij een
slechts op een begrotingsartikel gebaseerde subsidie wettelijke
voorschriften die de verhoudingen tussen subsidieverstrekker en
subsidieontvanger regelen, ontbreken, dient te worden
gecompenseerd doordat ook in
deze gevallen wel de voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing zijn. In een aantal gevallen is de regeling van de
afdelingen 4.2.2 tot en met 4.2.7 daarvoor voldoende. Met name bij grotere
exploitatiesubsidies voor instellingen - en juist daarbij zal zich vaak de
situatie voordoen dat zij in de begroting afzonderlijk worden genoemd -
zijn echter aanvullende voorschriften nodig. Mede daarom is in dit
wetsvoorstel de aan het voorontwerp ontleende regeling aangevuld met een
nieuwe afdeling 4.2.8, die juist op dit type subsidies toegesneden voorschriften bevat. Verwezen zij verder naar de
toelichting op die afdeling.
Bepaald is dat geen
wettelijke grondslag is vereist indien zowel het maximale bedrag als de
ontvanger van de subsidie in de begroting zijn vermeld. Dit behoeft niet
per se in de begroting zelf - dus op rijksniveau in de begrotingswet -
te
gebeuren. De beoogde kenbaarheid en mogelijkheid tot
democratische controle zijn evenzeer verzekerd indien de vermelding in de
toelichting bij de begroting wordt opgenomen, hetgeen praktisch gezien
vaak aantrekkelijker is. Weliswaar kan de toelichting niet door het
vertegenwoordigend orgaan geamendeerd worden, maar dat behoeft in
de praktijk geen probleem te zijn. Indien het vertegenwoordigend orgaan
niet instemt met de verstrekking van de subsidie, kan het dit bij
motie kenbaar maken. Formeel blijft de bevoegdheid tot
subsidiëring dan in stand, maar het is wel een duidelijk signaal aan het bestuur.
Bovendien zal de subsidie in dit geval niet altijd met onmiddellijke ingang
beëindigd kunnen worden. Indien het vertegenwoordigend orgaan het bedrag wil wijzigen
of een ontvanger wil rblz.|43|
toevoegen, kan dat door de
(gewijzigde) grondslag bij amendement alsnog in de begroting zelf
op te nemen.
Het komt, vooral bij de
decentrale overheden, ook voor dat gesubsidieerd wordt op basis van
begrotingsposten die het maximaal voor de subsidiëring van een bepaalde activiteit beschikbare bedrag aangeven, in
combinatie met
subsidieprogramma's die voorzien in toewijzing van concrete bedragen aan met
name genoemde subsidieontvangers. Naar aanleiding van het advies
van de Raad
van State is overwogen of ook voor dit geval een
uitzondering moest worden gemaakt op het vereiste van een wettelijke
grondslag. Daarvan is echter afgezien omdat daardoor, als gevolg van de
onbepaaldheid van het begrip "programma", de grenzen van de de uitzondering van het derde lid, onderdeel
c, te ruim en
te onduidelijk zouden worden.
Wat de decentrale overheden betreft, is het maken van een uitzondering
voor deze gevallen ook niet nodig omdat de totstandkomingsprocedure van
een verordening niet zeer zwaar is.
Dit betekent overigens niet dat niet meer met programma's gewerkt zou kunnen worden. Aan het
vereiste van een wettelijke grondslag kan onder omstandigheden worden
voldaan door bij wettelijke voorschrift te regelen aan welke eisen inhoud en
totstandkoming van een dergelijk programma moet voldoen, alsmede welke rechtsgevolgen daaraan zijn verbonden.
Bij min of meer incidentele
subsidies is het niet altijd reëel een wettelijk voorschrift te eisen, omdat
de met de voorbereiding daarvan gemoeide lasten in die gevallen onevenredig hoog kunnen worden in verhouding tot
de met strikte handhaving
van het vereiste van een wettelijke grondslag gediende belangen. Daarom is
in het derde lid, aanhef en onder d, bepaald dat in incidentele
gevallen zonder grondslag in een wettelijk voorschrift subsidie kan
worden verleend, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt
verstrekt. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat deze uitzondering
slechts van toepassing is indien de voorgenomen subsidie in twee opzichten
van beperkte betekenis is: zowel het aantal ontvangers als het tijdvak
waarvoor de subsidie wordt verstrekt, dienen beperkt te zijn. Een
eenmalige "startsubsidie" voor ten hoogste vier jaar kan derhalve zonder
grondslag in een wettelijk voorschrift worden verstrekt, tenzij zij deel
uitmaakt van een algemener "startersbeleid" gericht op een in algemene
termen omschreven doelgroep. In het laatste geval kan de subsidie immers
niet meer incidenteel genoemd worden.
De termijn van vier jaar is
gekozen in aansluiting op de artikelen 187 Provinciewet
en 184 Gemeentewet, waar voor specifieke uitkeringen met een looptijd van meer dan
vier jaar een bijzondere motivering wordt geëist. Hoewel een
dergelijke termijn altijd tot op zekere hoogte arbitrair is, zal van een subsidie
voor meer dan vier jaren in het algemeen niet gezegd kunnen worden dat zij
een incidenteel karakter heeft.
Vierde lid
Het vierde lid van
artikel
4.2.1.3 [4:23] verplicht bestuursorganen in het openbaar verslag te doen van
de verstrekking van subsidies zonder grondslag in een wettelijk voorschrift. Hiermee wordt een gestructureerde
verantwoordingsplicht in het
leven geroepen met betrekking tot de wijze waarop van de in het derde
lid, onderdeel a en d, vervatte uitzonderingen op de hoofdregel gebruik wordt
gemaakt. Bij subsidies die ten laste van de begroting van de Europese
Gemeenschappen komen, is dat niet nodig, terwijl bij subsidies die
met toepassing van het derde lid, onderdeel c, worden verstrekt de openbaarheid
reeds gewaarborgd is. Daarom geldt de verslagverplichting alleen
voor incidentele subsidies en subsidies die in afwachting van de
totstandkoming van een wettelijk voorschrift worden verstrekt.
De formulering "publiceert ... een verslag
van" beoogt tot uitdrukking te brengen dat niet vereist wordt dat van
elke concrete subsidieverstrekking rblz.|44|
mededeling wordt gedaan. Een
globale omschrijving van de activiteiten waarvoor op grond van het
derde lid subsidies worden verleend, volstaat. De enkele mededeling dat de
uitzonderingsbevoegdheid van het derde lid wordt gebruikt, is echter
niet voldoende; de aard van de buitenwettelijke subsidiestromen moet uit de
mededeling blijken.
Om aan zijn doel te kunnen
beantwoorden, zal het verslag openbaar moeten zijn en regelmatig
gedaan moeten worden. Daarom is bepaald dat jaarlijks een verslag moet worden gepubliceerd. Van nadere
voorschriften over de
vormgeving van het verslag is afgezien. Een voor de hand liggende mogelijkheid
is het verslag op te nemen in de toelichting op de jaarlijkse begroting.
Voor de rijksoverheid zou dit aansluiten bij de recent in het kader van het
geïntegreerd subsidiebeleid gemaakte afspraken inzake een
uitvoeriger informatieverstrekking over de subsidiecomponenten van de
rijksbegroting. Ook een afzonderlijk verslag is echter toegestaan, indien
het
bestuursorgaan daaraan de voorkeur geeft.
De controle op de naleving
van het voorschrift van het vierde lid berust primair bij de
vertegenwoordigende organen en, voor wat de rijksoverheid betreft, bij de
Algemene Rekenkamer.
Artikel 4.2.1.4
[4:24]
De afgelopen jaren is van
verschillende zijden aandacht gevraagd voor het belang van periodieke
evaluatie van beleid en wetgeving, in het bijzonder ook op het terrein van de subsidies. De Algemene Rekenkamer
deed dit zowel in haar
verslag over 1988 (Centraal Thema Subsidies (Kamerstukken II 1988-1989, 21
080, nrs. 1-2)) als in haar verslag over 1990 (Centraal Thema
Beleidsevaluatie (Kamerstukken II 1990-1991, 22 302, nrs. 1-2). Het college sprak
daarbij uit dat periodieke evaluatie een vast onderdeel van ieder
beleidsproces zou moeten zijn, teneinde het inzicht in de uitvoering en de
(neven)effecten van het gevoerde beleid te vergroten. Het kabinet heeft
deze visie
in algemene zin onderschreven (Kamerstukken II 1991-1992, 22 302,
nr. 27). De Bijzondere Commissie Vraagpunten uit de Tweede Kamer
onderstreepte het belang van evaluatie van wetgeving (Kamerstukken II
1990-1991, 21 427, nr. 3, blz. 17), terwijl de eerste ondergetekende zich
in de nota "Zicht op wetgeving" in gelijke zin uitliet (Kamerstukken II
1990-1991, 22 008, nrs. 1-2, blz. 39); daarbij werd een nota Wetsevaluatiebeleid
aangekondigd. Inmiddels is deze nota op 18 juni 1993 voor advies aan de Raad
van State gezonden. Ten slotte pleitte de Algemene Rekenkamer in haar
reactie op het voorontwerp concreet voor het opnemen van een evaluatiebepaling in de subsidietitel van de
Algemene wet bestuursrecht.
Wij menen dat zulks
inderdaad gewenst is. Nog te vaak bestaat te weinig inzicht in de
doeltreffendheid en de effecten van subsidieregelingen in de praktijk,
ook bij de decentrale overheden. Daarom bepaalt het voorgestelde
artikel 4.1.2.4 [lees: 4.2.1.4 [4:24], red.] dat een subsidieregeling periodiek geëvalueerd dient te
worden, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze laatste
clausule maakt het zowel mogelijk om in bijzondere gevallen van het publiceren
van een evaluatieverslag af te zien, bijvoorbeeld omdat de kosten van
evaluatie onevenredig zouden zijn in verhouding tot het
budgettaire belang van de regeling.
De termijn waarbinnen
geëvalueerd moet worden, is niet geregeld. Overwogen is om een algemene
termijn van vier jaar te stellen, maar daarvan is afgezien. De aard van de subsidieregeling of de beoogde
effecten meebrengen dat een
termijn van vier jaar te kort of juist te lang is om verantwoorde conclusies
omtrent die effecten te kunnen trekken.
Omtrent de vorm van het
evaluatieverslag zijn geen voorschriften gesteld. Het kan doelmatig
zijn om een apart verslag te publiceren, maar evenzeer om de rapportage op
te nemen in de toelichting bij de begroting, een meer omvattende
beleidsnota of de toelichting bij een wijziging van de regeling.
rblz.|45|
Evenmin zijn eisen gesteld
aan de inhoud van de evaluatie. Vanzelfsprekend dient een evaluatie
een adequaat inzicht te geven in de doeltreffendheid en de
effecten van de subsidie in de praktijk, maar wat dit in concreto betekent,
hangt zozeer samen met de aard van de subsidie dat daarover geen algemene
voorschriften gesteld kunnen worden. Met nadruk wijzen wij er echter op dat bij evaluatie niet in de eerste plaats gedacht moet worden aan
uitvoerig en kostbaar wetenschappelijk onderzoek. Het is vaak zeer
wel mogelijk, en verdient dan ook de voorkeur, om op basis van periodiek
door uitvoeringsorganen aangeleverde gegevens, jaarverslagen van
inspecties e.d. voldoende zicht te krijgen op de werkelijkheid
achter de wet.
Vanuit de gedachte dat het
belangrijk is periodiek na te gaan of een subsidieregeling nog aan
haar doel beantwoordt, is wel gepleit voor een verplichting om in alle subsidieregelingen een zogenaamde horizonbepaling op te
nemen, dat
wil zeggen een bepaling inhoudende dat de regeling op een bepaald
ogenblik vervalt. Wij menen dat zo'n verplichting geen aanbeveling verdient.
Weliswaar moet ook in onze visie steeds worden overwogen of niet met
een tijdelijke subsidiefaciliteit kan worden volstaan, maar vaststaat
dat zulks in veel gevallen niet mogelijk is. Soms worden door middel van
subsidieregelingen uit maatschappelijk oogpunt essentiële voorzieningen in
stand gehouden waarvan bij voorbaat vaststaat dat zij voor
onbepaalde tijd moeten worden gehandhaafd. Bij bijvoorbeeld de
jeugdhulpverlening is het niet denkbaar, bij het onderwijs bovendien grondwettelijk
onmogelijk, om de subsidiëring als zodanig te beëindigen. In deze
gevallen zou een horizonbepaling in de desbetreffende wetten een veel te
grof middel zijn om periodieke evaluatie af te dwingen. Bovendien zou het
dan noodzakelijk worden veelvuldig verlengingswetten tot stand
te brengen, ook in situaties waarin de noodzaak van voortzetting
van de subsidiëring niet ter discussie staat. Dat zou een bepaald ondoelmatige
inzet van de beperkte wetgevingscapaciteit zijn.
Afdeling
4.2.2. Het subsidieplafond
Bij de uitvoering van
subsidieregelingen doet zich soms het probleem voor dat enerzijds de
begroting waaraan het betrokken bestuursorgaan gebonden is geen ruimte biedt om een subsidie te verstrekken of voort te
zetten, terwijl anderzijds
de wet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur weigering of
intrekking van de subsidie niet zonder meer toelaten. In de praktijk doet dit
probleem zich in twee te onderscheiden vormen voor.
Vooral bij projectsubsidies
kan zich het probleem voordoen dat het aantal aanvragen niet vooraf
bekend is. Bij een onverwacht hoog aantal voor toewijzing vatbare aanvragen kan dan blijken dat het op basis van
ramingen beschikbaar
gestelde bedrag niet toereikend is. Er kan zich dan een spanning voordoen tussen
enerzijds de noodzaak de aanvragers van de subsidie zoveel mogelijk
rechtszekerheid te bieden en anderzijds de evenzeer noodzakelijke
begrotingsdiscipline.
Uit oogpunt van
rechtszekerheid is het aantrekkelijk de voorwaarden waaronder een aanvraag
gehonoreerd kan worden zoveel mogelijk neer te leggen in wettelijke voorschriften of beleidsregels. Zonder nadere
voorziening kunnen aanvragen
die aan de gestelde voorwaarden voldoen dan al gauw niet meer worden
geweigerd, ook al zijn de beschikbare middelen uitgeput. Naar
Nederlands recht ontslaat het enkele ontbreken van een toereikende
begrotingspost de overheid immers nog niet van haar plicht haar financiële
verplichtingen jegens burgers na te komen (vgl. reeds HR
4 november 1849, W. 1058
(De Bourbon/Naundorff)). Er ontstaat dan een zogenaamde "openeinderegeling"
die tot onaanvaardbare overschrijdingen van de begroting kan leiden.
rblz.|46|
In veel bestaande
subsidieregelingen is getracht de vereisten van rechtszekerheid en
begrotingsdiscipline met elkaar te verzoenen door het opnemen van zogenaamde
"uitputtingsclausules". Daarin wordt bepaald dat een subsidie kan worden
geweigerd of de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten
indien de in de begroting voor de subsidie bestemde middelen zijn
uitgeput. Tegen dergelijke clausules bestaat in veel gevallen juridisch geen
bezwaar, terwijl zij als gezegd voor de beheersing van de
overheidsuitgaven vaak noodzakelijk zijn.
Thans komen dergelijke
clausules in vele uiteenlopende vormen voor, terwijl zij anderzijds nog
in veel regelingen ontbreken. Daarmee wordt zowel aan de rechtszekerheid
van de burger als aan de noodzakelijke begrotingsdiscipline onnodig
afbreuk gedaan. Derhalve is het gewenst ter zake een algemene
voorziening te treffen in de Algemene wet
bestuursrecht. Daartoe wordt
in het onderhavige voorstel het begrip "subsidieplafond"
geïntroduceerd.
Uitgangspunt van de
voorgestelde regeling is dat de bevoegdheid om een subsidie wegens het
ontbreken van voldoende gelden te weigeren in de eerste plaats afhankelijk
is van de mate van beleidsvrijheid waarover het bestuursorgaan in het
concrete geval beschikt. Indien het bestuursorgaan over de
beleidsvrijheid beschikt om de subsidie op beleidsmatige gronden te weigeren, zal het
dat ook kunnen doen op de grond dat onvoldoende gelden
beschikbaar zijn. Anders dan het voorontwerp beoogt dit wetsvoorstel dus
niet de gevallen waarin op laatstgenoemde grond geweigerd kan worden
uitputtend te regelen. Beoogd is slechts een facultatieve regeling,
die een instrument - het subsidieplafond - biedt waarmee de uitgaven beheerst
kunnen worden.
Of voor een bepaalde
subsidie een subsidieplafond moet (kunnen) worden vastgesteld, moet
door de bijzondere subsidieregelgever worden beslist.
Naast onzekerheid over de
omvang van het beroep dat op een regeling zal worden gedaan, kan zich
ten aanzien van de beschikbaarheid van gelden nog een tweede probleem voordoen, namelijk dat pas gedurende
het begrotingsjaar komt vast
te staan welk bedrag voor de verstrekking van een subsidie beschikbaar
is. Dit probleem doet zich met name bij de rijksoverheid voor. De
diverse hoofdstukken van de Rijksbegroting worden immers vaak pas in de loop
van het begrotingsjaar vastgesteld. Dat is op zichzelf een ongelukkige
gang van zaken; het zou voor alle betrokkenen verre de voorkeur verdienen
als alle begrotingswetten vóór de aanvang van het begrotingsjaar tot
stand zouden komen.
Vooralsnog dient de wetgever
echter rekening te houden met de mogelijkheid dat een voor
de verstrekking van subsidies bestemde begrotingspost bij
amendement wordt verlaagd of geschrapt, dan wel dat daaraan goedkeuring wordt
onthouden. Voor die gevallen dient een regeling te worden getroffen
die enerzijds de rechtszekerheid van (potentiële) subsidieontvangers in redelijke mate waarborgt, doch anderzijds voorkomt dat de
bevoegdheden van de met vaststelling of goedkeuring van de begroting
belaste organen illusoir worden. Het onderhavige voorstel biedt
daarvoor twee voorzieningen.
In de eerste plaats
codificeert artikel 4.2.3.6 [4:34] de thans reeds bestaande en in de praktijk veelvuldig
gehanteerde bevoegdheid een subsidie te verlenen onder de voorwaarde
dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Verlening
van subsidies ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde
begroting is soms onvermijdelijk. Zo kan een lopende
exploitatiesubsidie voor een instelling niet gedurende de eerste maanden van het jaar
worden stopgezet indien zij niet vóór de aanvang van het jaar is
verleend. Voorts kan het voorkomen dat ingevolge de geldende
beslistermijn op een aanvraag moet worden beslist voordat de begroting is
vastgesteld of goedgekeurd. Het bestuursorgaan rblz.|47|
is dan niet zonder
meer bevoegd de beslissing te verdagen tot het moment waarop de begroting
is vastgesteld of goedgekeurd; in veel gevallen zou dat trouwens
ook beleidsmatig ongewenst zijn. Verlening zonder meer zou echter
betekenen dat het bestuursorgaan verplicht is de subsidie overeenkomstig de
verlening vast te stellen indien de ontvanger zijnerzijds zijn
verplichtingen nakomt (artikel 4.2.5.5 [4:46], eerste lid). Door verlening onder de
voorwaarde dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld, verschaft
het bestuursorgaan zich de bevoegdheid om op de verlening terug te komen,
voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is om een overschrijding van de
begroting te voorkomen of te beperken.
De mogelijkheid een
voorwaarde te stellen, volstaat indien vaststaat dat voor het betreffende
begrotingsjaar geen verdere aanvragen meer kunnen worden ingediend. Indien dat
laatste wel het geval is, zal - tenzij de wetgever bewust een "openeinderegeling" heeft willen creëren - veelal een subsidieplafond zijn
bekendgemaakt. Dat plafond zal echter gerelateerd zijn aan het bedrag
dat aanvankelijk was uitgetrokken. Aangezien in dit geval een nieuwe
aanvraag slechts mag worden geweigerd voor zover door de verstrekking het
plafond zou worden overschreden, dient het bestuursorgaan bevoegd te
zijn bij verlaging of schrapping van een begrotingspost het plafond
aan te passen aan de nieuwe situatie.
Het is in deze gevallen
echter niet altijd redelijk de nadelige gevolgen van de uitoefening van het
budgetrecht uitsluitend ten laste te brengen van degenen die, vaak als
gevolg van min of meer toevallige omstandigheden, hun aanvraag pas na
de bekendmaking van het nieuwe, verlaagde plafond hebben ingediend.
Daarom is in artikel 4.2.2.5 [4:28] de mogelijkheid
opengehouden dat in deze
gevallen de verlaging ook gevolgen heeft voor eerder ingediende aanvragen.
Artikel 4.2.2.1
[4:25]
Eerste lid
De beweegredenen voor de
introductie van de figuur van het subsidieplafond zijn hiervoor reeds
uiteengezet. Uit het eerste lid van artikel 4.2.2.1 [4:25]
volgt allereerst dat slechts voor subsidies die op een wettelijk voorschrift berusten een
subsidieplafond in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht kan worden
vastgesteld. Bij niet-wettelijke subsidies bestaat daaraan geen behoefte, omdat
daarbij doorgaans voldoende beleidsvrijheid bestaat om de
subsidie te weigeren indien onvoldoende geld beschikbaar is. Mocht bij
een niet-wettelijke subsidie de beleidsvrijheid toch in vérgaande mate
beperkt zijn door een beleidregel - dat zou zich tijdelijk kunnen voordoen in
het geval, bedoeld in artikel 4.2.1.3 [4:23], derde lid, onderdeel
a -, dan verzet artikel
4.2.2.1 [4:25] zich er niet tegen dat in de beleidsregel een subsidieplafond wordt
opgenomen. Gewezen zij ook op de overgangsrechtelijke
voorziening van artikel III, derde lid, van
dit wetsvoorstel.
Het subsidieplafond moet
hetzij in een wettelijk voorschrift zelf zijn opgenomen, hetzij zijn
vastgesteld door een bestuursorgaan dat de bevoegdheid daartoe aan een wettelijk voorschrift ontleent. Het eerste zal
overigens slechts bij
uitzondering kunnen geschieden, omdat het beschikbare bedrag veelal
van jaar tot jaar zal variëren. Doorgaans zal in de regeling een
bestuursorgaan worden aangewezen dat het subsidieplafond kan of moet
vaststellen. Vaak zal dat het bestuursorgaan zijn dat de subsidies verstrekt, maar
denkbaar is ook dat bijvoorbeeld de gemeenteraad het plafond
vaststelt voor door burgemeester en wethouders te verstrekken
subsidies.
De bijzondere wetgever zal
dus per subsidie moeten afwegen of een subsidieplafond wenselijk
is. Het kan zijn dat daaraan geen behoefte bestaat omdat de regeling voldoende beleidsvrijheid biedt om de
uitgaven ook zonder plafond te kunnen
beheersen. Daarnaast moet de rblz.|48|
mogelijkheid blijven bestaan
dat de wetgever bewust een "openeinderegeling" in het leven
roept en daarmee de mogelijkheid van overschrijding van de
begroting bewust accepteert. Dit zal zich slechts voordoen indien de wetgever
het uit oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid ongewenst
acht dat uitputting van de beschikbare middelen rechtstreeks
gevolgen heeft voor (potentiële) subsidieontvangers. In dat geval zal
om herhaling van overschrijdingen te voorkomen hetzij de
regeling, hetzij het budget moeten worden aangepast. Deze situatie
doet zich overigens ook thans voor in gevallen waarin de aanspraak op
subsidiegelden rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift dat
niet in een uitputtingsclausule voorziet.
Het eerste lid geeft
vervolgens de hoofdregel van het gekozen stelsel: indien bij of krachtens
wettelijk voorschrift een subsidieplafond is vastgesteld (hetgeen impliceert dat het subsidieplafond ook is bekendgemaakt), moet de subsidie bij
overschrijding van dat plafond worden geweigerd. Gekozen is voor
een verplichting tot weigering, omdat dit beter dan een enkele
bevoegdheid daartoe aansluit bij de comptabele voorschriften, volgens welke
uitgaven die boven de begroting uitgaan immers in beginsel niet zijn
toegestaan. Voorts ontslaat een wettelijke verplichting tot weigering
bestuursorganen van de verplichting telkens in concreto te motiveren waarom
het belang van begrotingsdiscipline zwaarder moet wegen dan de
belangen van de aanvrager.
Tweede lid
Het bedrag dat voor de
verstrekking van een bepaalde subsidie beschikbaar is, is
beschikbaar voor een bepaald tijdvak. Wanneer het bestuursorgaan niet
tijdig op
de aanvraag beslist, of het aanvankelijke besluit in bezwaar of beroep
gecorrigeerd wordt, kan het voorkomen dat het definitieve besluit pas
in een later tijdvak wordt genomen. Het tweede lid stelt buiten twijfel dat de aanvrager dan niet de dupe kan worden van het
feit dat de definitieve
beslissing door toedoen van het bestuur verschoven is naar een later
tijdvak, waarin wellicht minder geld beschikbaar is.
Artikel 4.2.2.2
[4:26]
Indien de omvang van het
voor verstrekking van subsidies beschikbare bedrag wordt beperkt, zal
geregeld moeten worden hoe de beschikbare gelden over de in beginsel
voor honorering in aanmerking komende aanvragen worden verdeeld.
Daarvoor zijn verschillende systemen denkbaar. Het meest
eenvoudig is "wie het eerst komt, het eerst maalt". Nu het tijdstip van
indiening van de aanvraag vaak min of meer toevallig is, is dat niet het meest
aantrekkelijke systeem. In sommige gevallen zal het echter, gelet op het
grote aantal aanvragen en de noodzakelijkerwijs in de tijd gespreide indiening
daarvan, het enige praktisch hanteerbare systeem zijn.
Vaak ligt het meer voor de
hand te bepalen dat de aanvragen voor een bepaald tijdvak vóór een
bepaalde datum moeten worden ingediend, zodat vervolgens op grond van kwalitatieve criteria een selectie kan
worden gemaakt. De criteria
voor die selectie kunnen in worden neergelegd in het wettelijk
voorschrift zelf, maar ook in een op grond daarvan vastgesteld plan dat
de beleidsprioriteiten aangeeft (wel te onderscheiden van een soms
ook als plan of programma aangeduid besluit waarin de na toetsing aan de criteria genomen beslissingen op de
aanvragen zijn neergelegd;
zo'n besluit is in wezen een bundel beschikkingen).
rblz.|49|
Tweede lid
Potentiële
subsidieaanvragers zullen bij de inrichting van hun aanvraag rekening moeten kunnen
houden met de ingevolge het eerste lid vastgestelde verdelingsmaatstaven. Daarom is
bepaald dat bij de
bekendmaking van het
subsidieplafond moet worden vermeld waar die maatstaven zijn neergelegd.
Indien de verdelingsregels in het wettelijk voorschrift zelf zijn
neergelegd, kan met een verwijzing naar dat voorschrift worden volstaan.
In andere gevallen zal (tevens) moeten worden verwezen naar een
plan of ander besluit van het bestuursorgaan. Dit impliceert dat een
dergelijk plan of ander besluit uiterlijk gelijk met het subsidieplafond
moet worden
bekendgemaakt.
Artikel 4.2.2.4
[4:27]
De rechtszekerheid
eist dat
het subsidieplafond wordt bekendgemaakt vóór de aanvang van het
tijdvak waarop het betrekking heeft. De aanvrager behoort te kunnen
weten dat zijn aanvraag wegens het
ontbreken van gelden kan
worden afgewezen, ook al voldoet zij aan alle bij wettelijk voorschrift of
bij beleidsregel gestelde eisen.
In het tweede lid is aangegeven wat de gevolgen zijn indien het plafond niet tijdig is
bekendgemaakt of na de aanvang van het begrotingsjaar of het tijdvak waarop het
betrekking heeft, wordt verlaagd. Het zou te ver gaan als na de aanvang van
het tijdvak in het geheel geen plafond meer zou kunnen worden
bekendgemaakt. In plaats daarvan is bepaald dat een latere bekendmaking geen
gevolgen heeft voor voordien ingediende aanvragen. Voor deze
aanvragen geldt dan niet meer de plicht tot weigering van artikel
4.2.2.1 [4:25], eerste lid. Zij kunnen dan nog slechts wegens het ontbreken van
gelden worden afgewezen, voor zover het wettelijk voorschrift waarop
de subsidie berust daartoe voldoende beleidsvrijheid biedt. Dit
laat een eventuele bevoegdheid tot afwijzing op andere gronden uiteraard
geheel onverlet.
De regel van het tweede lid
geldt uitsluitend indien het plafond na de aanvang van het relevante
tijdvak is bekendgemaakt. Indien het plafond tijdig is bekendgemaakt, kan
het wel gevolgen hebben voor nog eerder ingediende aanvragen met
betrekking tot het relevante tijdvak; de aanvrager kan niet aan de
werking van het plafond ontkomen door de aanvraag ver van te voren in
te dienen.
Artikel 4.2.2.5
[4:28]
Hierboven is reeds ingegaan
op de problematiek van niet tijdig vastgestelde of goedgekeurde
begrotingen. Indien een begroting niet tijdig is vastgesteld of goedgekeurd, dient het subsidieplafond - dat dan
immers is gebaseerd op de ontwerpbegroting - verlaagd te kunnen worden om recht te doen aan
het budgetrecht van het orgaan dat de begroting vaststelt. Na de
verlaging ingediende aanvragen kunnen - en moeten - dan worden
afgewezen bij overschrijding van het verlaagde plafond. Indien de
begrotingspost op het tijdstip van goedkeuring of vaststelling reeds is
overschreden, kan het (nieuwe) bedrag op nul worden gesteld
Deze mogelijkheid biedt
echter geen soelaas als - zoals bijvoorbeeld bij zogenaamde "tenderregelingen"
- op het tijdstip van vaststelling van de begroting ingevolge wettelijk voorschrift alle aanvragen reeds moeten zijn
ingediend. In die gevallen
dient, in afwijking van de hoofdregel van artikel 4.2.2.4 [4:27], tweede lid, een
verlaging van het beschikbare bedrag na de aanvang van het
begrotingsjaar of het tijdvak waarvoor het beschikbaar is ook gevolgen te kunnen
hebben voor reeds ingediende aanvragen, omdat anders het budgetrecht
van het orgaan dat de begroting vaststelt in deze gevallen illusoir zou worden. Om
dat te voorkomen, dient een rblz.|50|
zekere inbreuk op de bij de
aanvragers door de bekendmaking van het oorspronkelijke bedrag
gewekte verwachtingen te worden aanvaard.
Deze inbreuk dient echter
niet verder te gaan dan noodzakelijk. Daarom geldt deze uitzondering op
de hoofdregel alleen indien het tijdstip waarop de begroting wordt vastgesteld of goedgekeurd, ligt na het tijdstip waarop
ingevolge wettelijk
voorschrift alle aanvragen moeten zijn ingediend. Voorts geldt de uitzondering
alleen indien de verlaging uit de vaststelling of goedkeuring van de
begroting voortvloeit. De verlaging kan bovendien niet verder gaan dan uit de
begroting voortvloeit. Ten slotte dient bij de bekendmaking van het
subsidieplafond op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan te
worden gewezen.
Welke gevolgen de verlaging
heeft voor reeds ingediende aanvragen moet aan de hand van de in
artikel 4.2.2.2 [4:26] bedoelde "verdelingsregels" worden bepaald. Voor reeds
verleende subsidies heeft de verlaging slechts gevolgen voor zover
deze zijn verleend onder het voorbehoud dat voldoende gelden beschikbaar
worden gesteld. Dit voorbehoud kan dan immers blijken niet vervuld
te zijn.
De onderhavige bepaling
verplicht niet tot verlaging van het bedrag in geval van een verlaging of
schrapping van de begrotingspost. Het is immers denkbaar dat meer subsidieregelingen op één
begrotingspost zijn samengebracht en de
begroting nog de ruimte biedt om te volstaan met verlaging van het bedrag dat
voor één van die regelingen beschikbaar is. Het is wel gewenst dat
belanghebbenden spoedig zekerheid krijgen over de vraag of het beschikbare
bedrag verlaagd zal worden. Met de verlaging behoeft ook niet per se te
worden gewacht tot de begroting definitief is vastgesteld of goedgekeurd.
Voldoende is dat vaststaat dat de verlaging noodzakelijk is. Dit
betekent dat op rijksniveau de verlaging in voorkomende gevallen reeds na de
behandeling van de begroting in de Tweede Kamer zal kunnen
plaatsvinden.
Afdeling
4.2.3. De subsidieverlening
Artikel 4.2.3.1 [4:29]
In dit artikel is
aangegeven dat aan de subsidievaststelling een subsidieverlening vooraf kan
gaan, maar dat ook voor het systeem kan worden gekozen waarin met alleen een subsidievaststelling wordt
volstaan. Zoals in het
algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting is uiteengezet,
zal het soms doelmatiger zijn uitsluitend met een subsidievaststelling te
werken, terwijl het in andere gevallen gewenst is met een voorafgaande
subsidieverlening te werken. Het verdient de voorkeur dat de keuze voor
één van beide stelsels op het niveau van de bijzondere subsidieregeling
wordt gemaakt. Dan is zowel voor het bestuursorgaan als voor belanghebbenden duidelijk hoe het proces van
subsidiëring zal verlopen.
De clausule "tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald" geeft
aan dat de bijzondere subsidieregeling een voorafgaande
subsidieverlening kan uitsluiten, dan wel daar juist toe kan verplichten.
Indien de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift berust, zal in het concrete geval moeten worden
beslist of al dan niet met een subsidievaststelling kan worden volstaan.
Artikel 4.2.3.1
[4:29] laat daartoe de ruimte. De
enige beperking is dat in
dat geval na afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor subsidie
wordt gevraagd geen beschikking omtrent subsidieverlening meer kan
worden gegeven. Deze beperking spreekt voor zich. Na afloop van de
activiteit of het tijdvak zijn in beginsel de gegevens beschikbaar aan de
hand waarvan de subsidie kan worden vastgesteld.
rblz.|51|
Artikel 4.2.3.2
[4:30]
Eerste lid
Het is gewenst dat reeds bij
de subsidieverlening zoveel mogelijk duidelijkheid wordt geboden
over de wederzijdse rechten en plichten van subsidieverlener en
subsidieontvanger. Daartoe moet de beschikking tot subsidieverlening aan een
aantal eisen voldoen. In ieder geval dient zij een omschrijving te bevatten
van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.
Het begrip "activiteiten"
dient ruim te worden opgevat: het omvat in beginsel iedere vorm van
menselijk handelen, voor zover de overheid die wil stimuleren. Onder omstandigheden kan ook een nalaten een activiteit
in de zin van dit artikel
zijn (bijvoorbeeld het braak laten liggen van landbouwgrond).
De omschrijving van de
activiteiten kan worden opgevat als een concretisering van het met
de subsidieverlening beoogde doel. Er is van afgezien voor te schrijven
dat ook het doel van de subsidie zelf in de beschikking moet worden
vermeld. In veel gevallen zou dat immers slechts in algemene termen
kunnen geschieden en daardoor onvoldoende duidelijkheid
verschaffen. Het is dan beter zo concreet mogelijk aan te geven welke
activiteiten de overheid wil ondersteunen.
Dit is niet alleen voor de
rechtszekerheid van de subsidieontvanger van belang. Ook voor het
subsidieverlenend orgaan is de noodzaak om de gesubsidieerde activiteiten
duidelijk te omschrijven een nuttig hulpmiddel bij het voeren van een zo
gericht en daarmee zo doelmatig mogelijk subsidiebeleid.
Uiteraard hoeft de
omschrijving niet alle onderdelen van de gesubsidieerde activiteiten en
détail op te sommen. Het gaat erom dat duidelijk is voor welke activiteiten
de
subsidiegelden bedoeld zijn en dus mogen worden aangewend. Soms zal
dat op eenvoudige wijze kunnen door in de beschikking te verwijzen
naar de omschrijving van de activiteiten in de aanvraag.
Voor het overige zijn aard
en omvang van de omschrijving sterk afhankelijk van de aard van
de subsidie. Bij een eenmalige subsidie voor bijvoorbeeld een energiebesparend toestel zal kunnen worden volstaan
met een aanduiding van het
soort toestel dat met behulp van de subsidie kan worden aangeschaft, of,
indien de subsidie achteraf wordt verleend, met een korte aanduiding van
het reeds aangeschafte toestel.
Bij een exploitatiesubsidie
voor een instelling zal de omschrijving over het algemeen gecompliceerder
zijn, met name indien de instelling ook niet-gesubsidieerde activiteiten ontplooit.
Eén en ander is overigens
ook afhankelijk van de vraag welke mate van vrijheid de overheid de
gesubsidieerde instelling bij de invulling van haar activiteiten wil laten.
Dat
is een keuze die primair bij het tot stand brengen van de subsidieregeling zal
moeten worden gemaakt. Het is denkbaar dat de overheid er bewust voor
kiest bepaalde activiteiten slechts globaal te sturen of te stimuleren en
daarom de subsidieontvanger bewust veel ruimte geeft bij het nader
concretiseren van die activiteiten. Zo zou een gemeentelijke overheid er
bijvoorbeeld op het gebied van de beeldende kunst voor kunnen kiezen
geen concrete projecten of tentoonstellingen te subsidiëren, maar slechts
middelen ter beschikking te stellen aan een stichting die in algemene
zin is belast met de stimulering van de beeldende kunst.
Een meer globale
omschrijving heeft echter wel de consequentie dat het bestuursorgaan ook
minder snel achteraf zal kunnen oordelen dat de gesubsidieerde activiteiten
niet of niet op de juiste wijze zijn verricht. Dat oordeel is slechts mogelijk als de
activiteit zoals zij in de beschikking tot rblz.|52|
subsidieverlening is
omschreven niet is verricht. Concreet betekent dat dat intrekking wegens het
niet verrichten van de activiteiten niet mogelijk is als de door de
subsidieontvanger aan die activiteiten gegeven invulling redelijkerwijs
binnen de bij de subsidieverlening gegeven omschrijving past.
Tweede lid
In een beperkt aantal
gevallen zal het op het moment van de subsidieverlening nog niet mogelijk
zijn de activiteiten voldoende concreet te omschrijven. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij projecten - of die nu
op het terrein van de
kunsten of van de technologie liggen - die een sterk experimenteel karakter
hebben of zich in een vroeg stadium van ontwikkeling bevinden.
Indien de overheid, juist om
verdere ontwikkeling mogelijk te maken, al in dat stadium subsidie
verleent, kan het wenselijk zijn in dat stadium te volstaan met een globale
omschrijving, die later wordt uitgewerkt. Het tweede lid biedt daartoe de
mogelijkheid, mits de mogelijkheid van nadere uitwerking
uitdrukkelijk in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld. Aldus wordt
bereikt dat ook bij de subsidieontvanger geen misverstand kan bestaan over
het karakter van de eerste, globale omschrijving.
Het woord "uitwerken" is
gekozen om aan te geven dat het tweede lid slechts een nadere
concretisering van de in de subsidieverlening gegeven omschrijving mogelijk wil
maken, en niet een wijziging van die omschrijving. Het tweede lid
geeft niet de bevoegdheid geheel nieuwe activiteiten aan de
omschrijving toe te voegen, dan wel essentiële onderdelen van de
oorspronkelijke omschrijving te schrappen. Indien daaraan behoefte mocht
bestaan, is een wijziging van de beschikking tot subsidieverlening zelf
nodig.
De bepaling geeft niet
aan
welk orgaan met de uitwerking is belast. Doorgaans zal dat het
bestuursorgaan zijn dat de subsidie heeft verleend. Denkbaar is echter
ook dat
bijvoorbeeld de gemeenteraad een subsidie verleent en daarbij
uitwerking van de omschrijving aan burgemeester en wethouders opdraagt.
Artikel 4.2.3.3
[4:31]
Eerste lid
Om betrokkenen duidelijkheid
te verschaffen over de inhoud van de rechtsbetrekking dient de
beschikking tot subsidieverlening de hoogte van de subsidie aan te geven.
Dit kan op twee manieren: door in de beschikking een bedrag in
guldens (in een enkel geval in ECU's of een andere valuta) te noemen,
dan wel door aan te geven hoe dit bedrag bij de subsidievaststelling zal
worden berekend.
Bij de subsidievaststelling
moet - gezien het karakter van deze beschikking - steeds een
nominaal bedrag worden genoemd. Deze methode kan ook bij een subsidieverlening worden gehanteerd, bijvoorbeeld indien uit de
subsidieregeling voortvloeit dat het bedrag niet afhankelijk is van de kosten
van de gesubsidieerde activiteiten of van de door de subsidieontvanger
geleverde prestaties. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de subsidie
niet de strekking heeft kostendekkend te zijn, maar het karakter heeft van
een - forfaitaire - aanmoedigingspremie.
Indien uit de systematiek
van de subsidieregeling volgt dat de subsidie op een bedrag per tijdvak
wordt bepaald, kan worden volstaan met het noemen van dat bedrag in
plaats van het totaalbedrag van de subsidie. Ook dan weet de ontvanger
immers voldoende waar hij aan toe is, mits ook duidelijk is voor welke periode de
subsidie wordt verleend.
rblz.|53|
In veel gevallen zal het
subsidiebedrag wel afhankelijk zijn van de kosten van de activiteiten
of van de geleverde prestaties en daarom bij de subsidieverlening nog niet
genoemd kunnen worden. Het bedrag in guldens van de subsidie zal
dan pas bij de subsidievaststelling kunnen worden bepaald.
Ook in dit geval moet de
beschikking tot subsidieverlening de ontvanger duidelijkheid verschaffen
over de subsidie die hij mag verwachten. Daartoe moet worden aangegeven welke factoren de hoogte van de
subsidie bepalen en op
welke wijze.
De in de praktijk
belangrijkste twee factoren die een rol spelen bij de bepaling van de hoogte van
de subsidie zijn de kosten van de gesubsidieerde activiteiten en de prestaties van de ontvanger. Indien de kosten
bepalend zijn, dient bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening te worden aangegeven of de
werkelijke kosten bepalend zijn dan wel een systeem van genormeerde
kosten wordt gehanteerd welke kostensoorten subsidiabel zijn en welk
percentage van de kosten wordt vergoed.
Indien de prestaties van de
ontvanger bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, moet bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden aangegeven welke
de
bepalende prestaties zijn (bijvoorbeeld het aantal verzorgde cursussen).
Daarnaast moet een bedrag per eenheid "produkt" worden genoemd.
Veelal zal het ook noodzakelijk zijn aan te geven hoe de prestaties
zullen worden gemeten (bijvoorbeeld door peildata vast te leggen),
tenzij daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan.
Zowel bij kosten- als bij
prestatiesubsidies geldt voorts dat indien de uit de gesubsidieerde
activiteiten voortvloeiende inkomsten van invloed zijn op het subsidiebedrag,
bij de subsidieverlening moet worden aangegeven dat en op welke
wijze dit het geval is.
Over al deze aspecten dient
bij de subsidieverlening duidelijkheid te bestaan. Dat kan door één en
ander in de beschikking uiteen te zetten, maar het verdient de voorkeur deze aspecten waar mogelijk te regelen in
het wettelijk voorschrift
waarop de subsidie berust; in de beschikking tot subsidieverlening kan dan
worden volstaan met een korte aanduiding en een verwijzing naar die
voorschriften. Zo wordt voorkomen dat in iedere beschikking de gehele
systematiek van de regeling uiteengezet moet worden. Voor zover de
regeling het bestuursorgaan echter keuzevrijheid laat ten aanzien van - een
onderdeel van - de te hanteren systematiek, dient de gemaakte keuze uit
de beschikking tot subsidieverlening te blijken.
Tweede lid
Hoewel
artikel 4.2.3.3
[4:31] niet
een bepaalde manier van subsidiëren voorschrijft, is het, mede
uit een oogpunt van beheersing van overheidsuitgaven, van groot belang
dat zorgvuldig wordt nagegaan welke systematiek het meest
geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken. Een belangrijke overweging
daarbij is in hoeverre van de gekozen systematiek voor de
ontvanger een prikkel uitgaat om zijn activiteiten zo doelmatig mogelijk te
verrichten.
Vanuit deze invalshoek zal
in veel gevallen subsidiëring op basis van geleverde prestaties
aantrekkelijker zijn dan subsidiëring op basis van kosten. Het is echter niet
steeds mogelijk om voldoende objectieve prestatie-indicatoren te
formuleren. Ook de aard van de subsidie - men denke wederom aan de
subsidie voor de energiezuinige verwarmingsketel - kan meebrengen dat
subsidie op basis van kosten het meest aangewezen is. Een subsidie op
basis van feitelijk bereikte energiebesparingen zou vermoedelijk nogal
fraudegevoelig zijn en onevenredig hoge handhavingskosten
meebrengen.
Het is derhalve niet mogelijk en niet
gewenst een bepaalde vorm van rblz.|54|
subsidiëring voor te
schrijven of uit te sluiten. Daarop bestaat echter één uitzondering. Een
systeem
waarbij ongelimiteerd feitelijke kosten kunnen worden gedeclareerd, is
ongewenst, omdat daarvan geen enkele prikkel tot doelmatigheid uitgaat.
Mede daarom is in het tweede lid bepaald dat in de beschikking tot
subsidieverlening de subsidie steeds aan een maximum moet worden
gebonden.
Het opnemen van een maximum
is ook bij prestatiesubsidies gewenst. Een prestatiesubsidie
prikkelt de ontvanger tot het produceren van zoveel mogelijk eenheden subsidiabel
"produkt". Zonder maximum zou slechts de vraag naar dat produkt
een grens stellen aan de omvang van de te subsidiëren activiteiten.
Soms doet zich echter het verschijnsel voor dat het aanbod medebepalend is
voor de vraag. Bij bepaalde vormen van hulpverlening bijvoorbeeld
kan het voorkomen dat een uitbreiding van het aanbod niet leidt tot
verzadiging van de "markt", maar slechts tot het eerder aanmerken van
problemen als problemen waar professionele hulpverlening aan te pas
moet komen. De overheid moet dan een grens stellen aan het niveau
waarop zij een dergelijke voorziening wil subsidiëren. Dat kan door de
subsidie aan een maximum te binden.
In een beperkt aantal
gevallen is het niet mogelijk of niet zinvol individuele subsidies aan
een maximum te binden. Dit kan zich voordoen indien bepaalde activiteiten
zozeer onder het door de overheid gewenste niveau liggen dat de
overheid er bewust voor kiest die activiteiten in beginsel onbeperkt te
stimuleren. Voor die gevallen is de mogelijkheid geboden om bij wettelijk
voorschrift te bepalen dat van het stellen van een maximum kan worden
afgezien.
Artikel 4.2.3.4
[4:32]
Dit artikel heeft betrekking
op subsidies waarbij niet een eenmalig bedrag wordt toegekend, maar
een bedrag per maand of per jaar dat de ontvanger aan bepaalde voorwaarden voldoet. Dergelijke voortdurende
subsidies worden doorgaans
verleend voor voortdurende of periodieke activiteiten. Deze
activiteiten kunnen van onbepaalde duur zijn: men denke aan het exploiteren
van een instelling. Ook in dat geval is het echter ongewenst dat de subsidie
voor onbepaalde tijd verleend wordt. De ervaring heeft geleerd dat
eenmaal bestaande situaties te gemakkelijk automatisch worden
voortgezet. Uit een oogpunt van een doelmatige besteding van overheidsgelden is het daarom
gewenst dat bij iedere
subsidie periodiek wordt
onderzocht of zij kan en moet worden voortgezet.
Indien het bestuursorgaan
een zekere beleidsvrijheid heeft bij het al of niet verlenen van de
subsidie, zal dit periodiek onderzoek mede betrekking hebben op nut en noodzaak
van de subsidie. Wanneer een wettelijke regeling de ontvanger een
recht op subsidiëring geeft zolang aan bepaalde voorwaarden wordt
voldaan, zal het periodieke onderzoek daarentegen uitsluitend
betrekking kunnen hebben op de vraag of deze voorwaarden nog steeds
vervuld zijn. Dat laat overigens de wenselijkheid om ook in deze gevallen de
subsidieregeling zelf periodiek te evalueren onverlet; verwezen zij naar
de toelichting op artikel 4.2.1.4 [4:24].
Teneinde bestuursorganen tot
een periodiek onderzoek van de wenselijkheid van
voortzetting van een subsidie te stimuleren, is in artikel 4.2.3.4 [4:32]
bepaald dat de hier
bedoelde subsidies slechts voor bepaalde tijd mogen worden verleend.
Erkend zij dat aldus niet gegarandeerd wordt dat de subsidie na afloop
van het tijdvak waarvoor zij is verleend ook werkelijk integraal wordt
heroverwogen, doch verwacht mag worden dat van de noodzaak periodiek
opnieuw te beslissen in ieder geval een stimulans in die richting uitgaat.
rblz.|55|
Opgemerkt zij dat ingevolge artikel 4.2.6.4
[4:51]
de subsidie na afloop van de periode waarvoor zij is
verleend niet zonder meer kan worden beëindigd. Verwezen zij
naar de toelichting op dat artikel
[4:51].
Er is van afgezien in de Algemene
wet bestuursrecht een grens te stellen aan de duur van het
tijdvak waarvoor een subsidie in de vorm van periodieke bijdragen kan worden verleend. Meer in het bijzonder is niet
beoogd de verlening van een
subsidie voor meer jaren uit te sluiten. In de praktijk blijkt in een
aantal gevallen behoefte te bestaan aan de mogelijkheid van meerjarige
subsidies, teneinde de ontvanger een grotere mate van rechtszekerheid te
bieden. Dat kan bijvoorbeeld gewenst zijn wanneer de subsidie wordt
verleend voor een meerjarig project waarvoor de ontvanger ook uit eigen
middelen investeringen moet doen.
Artikel 4.2.3.5
[4:33]
Ingevolge artikel 38, eerste
lid, van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek kan een rechtshandeling
onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht, tenzij uit de wet of de aard van de rechtshandeling
anders voortvloeit. De
schakelbepaling van artikel 59 van Boek
3 BW brengt mee dat artikel 38
van Boek
3 BW in beginsel van overeenkomstige toepassing is op de
subsidieverlening. Voor wat betreft de tijdsbepaling (waarbij de werking
van de rechtshandeling afhankelijk wordt gesteld van een zekere
gebeurtenis in de toekomst) levert dit geen bijzondere problemen op. Het
wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust of de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur kunnen zich er onder omstandigheden tegen
verzetten dat een subsidie onder tijdsbepaling wordt verleend, maar
er is geen aanleiding om subsidieverlening onder tijdsbepaling in
algemene zin te beperken of uit te sluiten.
Wel is het gewenst
subsidieverlening onder een voorwaarde (waarbij de verlening afhankelijk wordt
gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis; vgl. artikel 21 Boek
6 BW) in zoverre te
beperken dat de
verlening, behoudens
uitzonderingen, niet afhankelijk mag worden gesteld van een gebeurtenis
die bestaat in een handeling van het bestuursorgaan of de
subsidieontvanger. De onderhavige bepaling voorziet daarin.
Aan de mogelijkheid tot
subsidieverlening onder voorwaarde bestaat behoefte omdat de aanvrager
van een subsidie in bepaalde gevallen te lang in onzekerheid zou verkeren indien de subsidieverlener met het
verlenen van subsidie zou
moeten wachten tot de betreffende voorwaarden zijn vervuld. Zo
is denkbaar dat subsidie wordt verleend voor een internationaal
sportevenement, onder de voorwaarde dat dat evenement daadwerkelijk aan
Nederland wordt toegewezen. Juist om die toewijzing te kunnen
krijgen, zal de organisator soms moeten kunnen aantonen dat hij in geval
van toewijzing subsidie zal krijgen.
De voorwaarde mag de
subsidie echter niet afhankelijk maken van de subsidieverlener of de
subsidieontvanger. Zou de subsidie afhankelijk zijn van een nadere handeling
(bijvoorbeeld een nader besluit) van de subsidieverlener, dan zou de
beschikking tot subsidieverlening niet de gewenste zekerheid
verschaffen. Indien de subsidiegever nog niet weet of hij de subsidie wil
verlenen, bijvoorbeeld omdat hij overweegt het beleid te wijzigen, dan dient hij
de besluitvorming daaromtrent af te wachten. Indien de geldende
beslistermijn dat niet toelaat, kan eventueel voor een korte overbruggingsperiode
subsidie worden verleend.
Een voorwaarde betreffende
een handeling van de subsidieontvanger is niet toelaatbaar omdat het
gedrag van de ontvanger kan worden beïnvloed door het aan de subsidie verbinden van verplichtingen. De
rechtsgevolgen van het niet
naleven daarvan zijn afzonderlijk geregeld. Het bestuursorgaan behoort
niet door het opnemen van een voorwaarde te kunnen bereiken hetgeen
langs de weg van de verplichtingen niet kan worden bereikt. Men bedenke dat bepaalde
verplichtingen niet zijn rblz.|56|
toegestaan of de
rechtsgevolgen bij niet-naleving kunnen verschillen van die van het opnemen van een
voorwaarde. Dit bezwaar geldt niet indien het gaat om een handeling
van de ontvanger en een derde gezamenlijk, bijvoorbeeld een
overeenkomst omtrent de organisatie van een sportevenement. Het woord "uitsluitend" geeft aan dat een dergelijke voorwaarde wel toelaatbaar kan zijn.
Op het uitgangspunt dat de
voorwaarde niet mag bestaan in een handeling van de subsidieontvanger dienen een tweetal uitzonderingen te worden aanvaard. In de
eerste plaats kan het nodig zijn van de ontvanger te verlangen dat
hij aantoont dat een voorwaarde die niet bestaat in een handeling van
de ontvanger zelf, is vervuld. Zo kan bij een subsidie voor een project
dat mede door derden wordt gefinancierd de voorwaarde worden gesteld
dat die financiering ook daadwerkelijk rondkomt. Het is dan doelmatig
dit te formuleren als de voorwaarde dat de ontvanger de nodige
bewijsstukken overlegt.
In de tweede plaats komt het
voor dat ter uitvoering van de subsidiebeschikking een overeenkomst
moet worden gesloten tussen de subsidiegever en de ontvanger. Verwezen zij naar de
toelichting op artikel
4.2.3.8 [4:36].
Voorwaarden dienen expliciet
in de beschikking tot subsidieverlening te worden opgenomen (Vz. Afd.
rechtspraak 30 januari 1986, tB/S 1986, 20), omdat zij anders niet tegen de
ontvanger kunnen worden ingeroepen. Dat is een vanzelfsprekende eis van
rechtszekerheid.
Artikel 4.2.3.6
[4:34]
In de
toelichting op afdeling 4.2.2 is reeds ingegaan op het belang van de voorwaarde dat de
begroting wordt vastgesteld of goedgekeurd. Zonder deze voorwaarde kan het ontbreken van gelden niet worden
tegengeworpen aan degene aan
wie reeds een subsidie is verleend. Het praktisch belang van deze
voorwaarde rechtvaardigt een afzonderlijke regeling, naast de algemene
mogelijkheid van een voorwaarde die in artikel 4.2.3.5 [4:33]
is
neergelegd.
Opgemerkt zij dat artikel
4.2.3.6 [4:34] ervan uitgaat dat de voorwaarde in de subsidiebeschikking zelf
wordt opgenomen; dit is een eis van rechtszekerheid. Men kan dus niet
volstaan met het in het wettelijk voorschrift opnemen van clausules als
"de subsidie wordt slechts verleend voor zover de wetgever voldoende
middelen ter beschikking stelt". Een dergelijke clausule kan betekenis
hebben om aan te geven dat het niet om een "openeinderegeling"
gaat, maar daarnaast moet bij de individuele beschikking tot
subsidieverlening nagegaan worden of het nodig is deze onder voorbehoud te geven.
In het eerste lid is de zo
belangrijke bevoegdheid om deze voorwaarde op te nemen nog eens
nadrukkelijk vastgelegd. Het tweede lid bevat vervolgens een beperking van
deze bevoegdheid. De voorwaarde kan niet worden opgenomen voor zover
zulks voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust. Ook hier (vgl. de toelichting op
artikel 4.2.2.1 [4:25]) moet immers
rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de wetgever
bewust een "openeinderegeling" heeft willen creëren en dus de
mogelijkheid van begrotingsoverschrijding op de koop toe heeft willen nemen.
Indien de subsidie niet wegens het ontbreken van middelen kan
worden geweigerd als de begroting wel is vastgesteld of goedgekeurd,
behoort zij evenmin onder de onderhavige voorwaarde te kunnen worden
verleend indien dit niet het geval is.
Of de voorwaarde kan worden
opgenomen, is derhalve een kwestie van uitleg van het wettelijk
voorschrift waarop de subsidie berust. Bewust is niet de eis gesteld dat
dit
wettelijk voorschrift met zoveel woorden moet bepalen dat de voorwaarde
niet kan worden opgenomen. Eén en ander kan ook op andere wijze uit
het voorschrift blijken, bijvoorbeeld doordat is bepaald dat de subsidie moet worden
verleend indien aan bepaalde rblz.|57|
voorwaarden is voldaan. De
voorwaarde behoort dan niet te worden opgenomen, ook niet als de
wetgever verzuimd heeft dit met zoveel woorden uit te sluiten.
De voorwaarde geeft het
bestuursorgaan een (voorwaardelijke) bevoegdheid om op een
subsidieverlening terug te komen. Dat is een ingrijpende bevoegdheid.
Zolang de voorwaarde bestaat, hangt er een financieel zwaard van
Damocles boven het hoofd van de subsidieontvanger. Het is daarom een
eis van rechtszekerheid dat het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk
duidelijk maakt of het op de voorwaarde een beroep zal doen. Daarom is
in het derde lid bepaald dat de voorwaarde vervalt indien daarop niet
binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting
- voor het Rijk betekent dit: na inwerkingtreding van de begrotingswet
- een beroep is gedaan. In dat geval geldt de oorspronkelijke
subsidieverlening, maar dan zonder voorwaarde.
In de
praktijk kan het zowel
om een opschortende als om een ontbindende voorwaarde gaan. In
het eerste geval krijgt de subsidieverlening eerst haar werking als de begroting is vastgesteld of goedgekeurd. Deze
methode ligt voor de hand
als niet de noodzaak bestaat om reeds vóór de goedkeuring of vaststelling
van de begroting voorschotten uit te betalen. In dat geval kan de
voorwaarde zo nodig met onmiddellijke werking worden ingeroepen; het
gevolg is dan dat definitief vaststaat dat geen geld zal worden uitgekeerd.
Vooral bij
exploitatiesubsidies voor instellingen kan het echter noodzakelijk zijn om reeds
vóór de
vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten te verlenen.
Indien de beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven vóór de
aanvang van het jaar waarop zij betrekking heeft, doen zich op rijksniveau
geen problemen voor, omdat de subsidie dan ingevolge artikel 4, vijfde
lid, Comptabiliteitswet ten laste komt van de verplichtingenbegroting voor
het jaar waarin de beschikking wordt gegeven. Rekening moet
echter worden gehouden met gevallen waarin de beschikking tot
subsidieverlening pas in het begin van het jaar waarop zij betrekking heeft,
wordt
gegeven. Het is dan niet goed denkbaar dat de instelling de eerste maanden
van het jaar zonder geld zou zitten, in afwachting van de
totstandkoming van de begrotingswet. In beginsel bestaat ook de bevoegdheid
deze voorschotten uit te betalen. Artikel 18, eerste lid,
Comptabiliteitswet voorziet onder meer voor dergelijke gevallen ook in de
bevoegdheid tot het uitgeven van ten hoogste 4/12 van het op de vorige begroting
toegestane bedrag.
Indien voorschotten worden
verleend, dienen ook de verplichtingen van de subsidieontvanger
onverkort te gelden. Daartoe is nodig dat de beschikking tot subsidieverlening reeds door haar bekendmaking haar
werking krijgt, en dat
betekent dat in deze gevallen een ontbindende voorwaarde moet worden
opgenomen.
Een beroep op de voorwaarde
is vooral ingrijpend indien het gaat om een activiteit die door de
subsidieontvanger ook reeds in de voorafgaande periode werd verricht en toen eveneens werd gesubsidieerd. Men denke aan
exploitatiesubsidies voor instellingen die over een langere periode door de overheid
worden gesteund. Van de ontvanger kan in dit geval niet worden verwacht
dat hij de activiteit stopzet in afwachting van de vaststelling van de
begroting om haar weer te hervatten nadat die definitief is geworden. Dat
zal ook niet in het belang van het bestuursorgaan zijn, dat immers
streeft naar een voortzetting van de gesubsidieerde activiteiten en in
een aantal gevallen tevens de extra kosten van het afbouwen en vervolgens weer
opstarten van de activiteiten voor zijn rekening zal moeten nemen.
In deze gevallen zullen de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur dan ook meebrengen dat de voorwaarde slechts met
inachtneming van een redelijke termijn en met werking voor de toekomst kan worden
ingeroepen. Teneinde bestuur en rblz.|58|
gesubsidieerde duidelijk te
maken op welke wijze dit vorm moet krijgen, is in het derde lid bepaald dat
het beroep op de voorwaarde moet geschieden in de vorm van
een intrekking van de subsidieverlening overeenkomstig artikel 4.2.6.3 [4:50], zoals die ook mogelijk is in geval van gewijzigde inzichten.
Bij een eerste
subsidieverlening heeft de voorwaarde in het algemeen andere consequenties. Er
loopt dan niet een activiteit die reeds door de overheid werd bekostigd. De
ontvanger heeft dan de keuze daaraan niet te beginnen voordat zekerheid
omtrent de begrotingsvaststelling is verkregen, dan wel aanstonds
te beginnen en het risico van een eventueel beroep op de voorwaarde te
nemen. In beide gevallen is er geen aanleiding de werking van de
voorwaarde te beperken: wat eventueel reeds is gedaan, behoort voor
risico van de ontvanger te komen. Dienovereenkomstig bepaalt het
vijfde lid dat in dit geval de voorwaarde wordt ingeroepen door intrekking
van de subsidie met in beginsel terugwerkende kracht, zoals geregeld
in artikel 4.2.6.1 [4:48].
Opmerking verdient nog dat
het ook bij een eerste subsidie kan voorkomen dat de subsidieontvanger behoefte heeft aan een verlening zonder voorwaarde omdat hij
aanstonds met een activiteit wil beginnen en niet het risico wil lopen
dat de subsidie achteraf wordt ingetrokken. Het is denkbaar dat het
bestuursorgaan ook zelf aan een direct begin van de activiteiten een zodanig
belang hecht dat het afziet van het opnemen van een voorwaarde. Is het
daartoe niet bereid, dan geldt de regel van het vijfde lid en is het risico
van tekortschietende begrotingsgelden voor de ontvanger.
Toegegeven moet worden dat
de hiervoor weergegeven regeling de bezwaren die uit een oogpunt
van rechtszekerheid aan het begrotingsvoorbehoud zijn verbonden niet volledig wegneemt. Wij zijn dan ook
voornemens de toepassing van
deze regeling in de praktijk te zijner tijd te evalueren, teneinde te
kunnen nagaan of de behoefte aan het maken van een begrotingsvoorbehoud
verder kan worden teruggedrongen.
Artikel 4.2.3.7
[4:35]
Eerste lid
In welke gevallen een
subsidie geweigerd kan worden, wordt in het algemeen bepaald door de
concrete subsidieregeling. De weigeringsgronden hangen immers nauw samen met aard en doel van de betreffende subsidie. Aan een
beperkt aantal weigeringsgronden bestaat echter bij vrijwel iedere subsidie
behoefte. Uit oogpunt van harmonisatie van wetgeving is het gewenst
deze gronden in de Algemene wet bestuursrecht
neer te leggen.
Artikel 4.2.3.7 [4:35] voorziet daarin.
De in deze bepaling
neergelegde weigeringsgronden zijn aanvullend: zij gelden naast de eventueel in
de concrete subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden. Dit is in
de aanhef van zowel het eerste als het tweede lid tot uitdrukking
gebracht door de woorden "in ieder geval".
De in het eerste lid
neergelegde weigeringsgronden komen in de bestaande subsidieregelingen
maar in beperkte mate voor. Het gaat om situaties die in thans geldende regelingen vaak wel aanleiding kunnen
zijn tot het intrekken van
de subsidieverlening (vgl. ook artikel 4.2.6.1 [4:48]) of het lager vaststellen van de
subsidie (vgl. artikel 4.2.5.5 [4:46]).
Het intrekken of lager
vaststellen van de subsidie is uit de aard der zaak pas na de subsidieverlening
mogelijk. In een aantal gevallen is het dan al te laat: de subsidiegelden
zijn reeds uitgegeven en terugvordering is niet altijd praktisch mogelijk
omdat de ontvanger niet altijd verhaal biedt. Om een doelmatig subsidiebeleid
mogelijk te maken en misbruik van subsidiegelden tegen te gaan, is het
daarom gewenst dat het bestuursorgaan rblz.|59|
beschikt over de
bevoegdheid om preventief op te treden, in dier voege dat de gevraagde
subsidie kan worden geweigerd indien met een grote mate van
waarschijnlijkheid vaststaat dat zich later een intrekkingsgrond zal voordoen. Daarin
voorziet het eerste lid van artikel 4.2.3.7 [4:35]. Daarbij zij
opgemerkt dat
artikel 4:7, in verbinding met het voorgestelde artikel
4:12, tweede lid,
veelal zal meebrengen dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de subsidie op
grond van artikel 4.2.3.7 [4:35] kan worden geweigerd.
De bevoegdheid tot
"preventieve weigering" van de subsidie bestaat niet reeds indien een zeker
risico bestaat dat zich één van de in het eerste lid genoemde situaties zal
voordoen. Een dergelijk risico bestaat altijd wel in meer of mindere mate. Het
eerste lid stelt de eis dat een gegronde reden bestaat om aan te
nemen dat de daar bedoelde situaties zich zullen voordoen. Om op grond van
het eerste lid een subsidie te kunnen weigeren, zal het
bestuursorgaan derhalve moeten beschikken over concrete, op de individuele
subsidieontvanger betrekking hebbende aanwijzingen die het
oordeel kunnen dragen dat zich waarschijnlijk ("misschien" is niet
voldoende) een intrekkingsgrond zal voordoen.
Het in artikel 3.6.1
[3:46]
neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering brengt mee dat in de
beschikking tot weigering van de subsidie uiteengezet zal moeten worden
waarop het bestuur dat waarschijnlijkheidsoordeel baseert. Het feit
dat de subsidie voor het voorgaande jaar op dezelfde grond lager moest
worden vastgesteld, kan een concrete aanwijzing zijn, maar is
niet zonder meer voldoende. Het kan immers zijn dat de situatie van de
ontvanger inmiddels zodanig is gewijzigd dat voor "vrees voor
herhaling"
geen grond bestaat.
In het eerste lid, onderdeel
a,
gaat het om het geval dat het bestuur concrete aanwijzingen heeft dat de
subsidieontvanger de activiteit waarvoor subsidie is gevraagd niet of
niet geheel zal verrichten of zal kunnen verrichten. Dat kan zich
bijvoorbeeld voordoen indien subsidie wordt gevraagd voor een activiteit
die in financiële of organisatorische zin of uit oogpunt van benodigde
deskundigheid de mogelijkheden van de aanvrager kennelijk te boven
gaat. In sommige gevallen zal de aanvrager in dergelijke situaties niet
voldoen aan een bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarde om voor
de subsidie in aanmerking te komen; dat is echter niet steeds het
geval, en voor die gevallen is een algemene weigeringsgrond
noodzakelijk.
Het onder b bedoelde geval
ligt in het verlengde van het onder a genoemde. Hier gaat het om
de aan de subsidie verbonden verplichtingen, die immers ook
zekere capaciteiten of bekwaamheden van of voorzieningen bij de
subsidieontvanger kunnen veronderstellen. Ook dan kan het voorkomen dat de
aanvrager kennelijk onvoldoende waarborgen biedt voor de nakoming van
deze verplichtingen. Datzelfde geldt voor de onder c genoemde, meer
specifieke verplichting. Laatstgenoemde weigeringsgrond kan
uiteraard alleen gehanteerd worden indien de aanvrager, indien de
subsidie zou worden verleend, ook daadwerkelijk verplicht zou zijn om rekening en verantwoording af te leggen.
De vraag kan zich
voordoen
of ook het gedrag van de aanvrager in het verleden een rol kan spelen
bij het oordeel dat hij waarschijnlijk zijn verplichtingen niet zal nakomen. Dat kan in ieder
geval indien uit dat
gedrag blijkt van het
ontbreken van kwaliteiten die onmisbaar zijn om de verplichtingen na te
komen
en voorts vaststaat dat in deze kwaliteiten geen wijziging is gekomen.
Het enkele feit dat de
aanvrager zich in het verleden aan misbruik van een subsidie heeft schuldig
gemaakt, is onvoldoende grond om de subsidie op grond van
artikel 4.2.3.7 [4:35], eerste lid, te weigeren. Dat feit kan echter wel van belang
zijn indien uit
bijkomende omstandigheden blijkt rblz.|60|
dat herhaling te vrezen
valt, bijvoorbeeld wanneer het gaat om recent, grootschalig of herhaald
misbruik.
Tweede lid
De in het tweede lid van
artikel 4.2.3.7 [4:35] genoemde weigeringsgronden hebben, anders dan die van
het eerste lid, geen "preventief" karakter. Het gaat om
gebeurtenissen die
zich reeds hebben voorgedaan en nog voor de beslissing op de aanvraag
bekend worden.
In het tweede lid, onderdeel a,
gaat het om het verstrekken van onjuiste inlichtingen die van
materieel belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. Dit kan leiden tot
het geheel of gedeeltelijk weigeren van de subsidie. Ook wanneer de
aanvrager, indien hij de juiste gegevens zou hebben verstrekt, wel een -
zij het lagere - subsidie zou hebben gekregen, kan het verstrekken van
onjuiste inlichtingen leiden tot het geheel weigeren van de subsidie. De
aanvraag kan immers niet worden geacht mede het verzoek in te houden de subsidie te bepalen op zoveel als op grond van de juiste gegevens
verantwoord zou zijn.
Geformuleerd als
weigeringsgrond komt de onder a bedoelde grond in bestaande subsidieregelingen
niet veel voor; de overeenkomstige intrekkingsgrond is echter heel gebruikelijk.
Bij de onder
b genoemde
weigeringsgrond is uitsluitend beslissend het daadwerkelijk bestaan van de
staat van faillissement of surséance, dan wel het ingediend zijn van
een verzoek daartoe. Dan is er in het algemeen reden om aan te nemen dat de
subsidie haar doel niet zal kunnen bereiken, omdat het risico
bestaat dat de subsidiegelden uiteindelijk bij de schuldeisers van de
ontvanger terecht zouden komen.
Dit bezwaar geldt bij
surséance in mindere mate dan bij faillissement. Daarom is overwogen om in
geval van surséance te volstaan met het opschorten van de termijn
voor de beslissing op de aanvraag. Dit zou echter tot een aanzienlijk
gecompliceerdere regeling leiden, maar geen duidelijke voordelen hebben.
Ook bij de thans gekozen regeling kan het bestuursorgaan in concreto
besluiten dat er geen aanleiding is de subsidie te weigeren, terwijl
anderzijds de aanvrager in geval van weigering na een eventuele opheffing van de
surséance een nieuwe aanvraag kan indienen. Deze opheffing kan immers
gelden als een nieuw feit, naar aanleiding waarvan het bestuursorgaan
zijn beslissing ook inhoudelijk zal moeten heroverwegen (vgl. artikel
4:6).
Artikel 4.2.3.8
[4:36]
In het
algemeen gedeelte van
dit hoofdstuk van de toelichting is reeds ingegaan op de figuur van de
subsidieovereenkomst. Daarbij is uiteengezet dat aan de mogelijkheid om in plaats van een beschikking tot
subsidieverlening een
overeenkomst te sluiten geen behoefte bestaat. Artikel 4.2.3.8 [4:36], eerste lid,
maakt dan ook slechts het sluiten van een overeenkomst ter uitvoering
van een beschikking tot subsidieverlening mogelijk. Daarbij kan in de
eerste plaats gedacht worden aan overeenkomsten van geldlening of
van borgtocht ingeval de subsidie de vorm heeft van een krediet,
respectievelijk een garantie. Overeenkomstig een nu veel voorkomende praktijk
kan de subsidie dan worden verleend bij beschikking, onder de
opschortende voorwaarde dat de overeenkomst tot stand komt. Dat heeft het
voordeel dat aldus tegen de beslissing tot het verlenen of weigeren van de
subsidie bezwaar en beroep op de administratieve rechter openstaat.
Het is in deze constructie
uiteraard niet de bedoeling dat de overeenkomst een doublure van de
beschikking wordt of omgekeerd. De beschikking zal in ieder geval een aantal
essentiële elementen moeten rblz.|61|
bevatten, zoals een
aanduiding van de activiteiten en - voor zover niet neergelegd in een wettelijk
voorschrift - de verplichtingen, alsmede het subsidiebedrag of de wijze
waarop dit wordt berekend. Denkbaar is echter dat één en ander in de
beschikking in meer algemene zin wordt aangeduid en in de overeenkomst verder
wordt uitgewerkt. Voor het overige zal de verdeling van bepalingen
over beschikking en overeenkomst afhangen van de aard van de materie
en het doel van de overeenkomst. Wordt bij een technologiesubsidie
primair een uitvoeringsovereenkomst gesloten omdat deze het karakter
heeft van een krediet, dan zal de overeenkomst zich veelal beperken tot
bepalingen over looptijd, rente, aflossing en eventuele zekerheden e.d., terwijl bepalingen over aard en inhoud van het project in de
beschikking worden opgenomen. Heeft echter de overeenkomst mede
ten doel de subsidieontvanger te verplichten het project ook
daadwerkelijk uitte voeren, dan zullen ook laatstgenoemde bepalingen in
de overeenkomst worden opgenomen. Wordt aan een landbouwer een
subsidie verleend onder de voorwaarde dat hij zich verplicht tot bepaalde activiteiten op het gebied van het natuurbeheer, dan zal de
precieze omschrijving van die activiteiten en bijbehorende verplichtingen
voor het grootste deel in die overeenkomst te vinden zijn.
Het tweede lid regelt een
bijzondere vorm van de uitvoeringsovereenkomst. Zoals in de
toelichting op afdeling 4.2.4 nader zal worden uiteengezet, verplicht de
subsidieverlening bij beschikking de ontvanger, behoudens uitdrukkelijke
daartoe strekkende wettelijke regeling, niet rechtstreeks tot het
verrichten van de gesubsidieerde activiteit. Uiteraard verliest de ontvanger door
het niet verrichten van die activiteit zijn aanspraak op financiële
middelen, hetgeen tot uiting komt in de bevoegdheid van de
subsidieverlener om in dat geval de subsidie lager vast te stellen, in te
trekken of te wijzigen. In het normale geval kan het bestuur echter niet in
rechte vorderen dat de ontvanger zal worden veroordeeld tot het
verrichten van de activiteit.
Dit wordt echter anders
indien de ontvanger zich bij overeenkomst tot het verrichten van die
activiteit verbonden heeft. In dat geval kan het bestuur, als bij iedere
andere verbintenis uit overeenkomst, nakoming vorderen. Daaraan kan
bijvoorbeeld behoefte bestaan in gevallen waarin de activiteit bestaat in het
verschaffen van door de overheid essentieel geachte voorzieningen en
(dreiging) met intrekking van de subsidie een onder de gegeven
omstandigheden onvoldoende effectieve sanctie is. Dit kan zich voordoen indien het
aanbieden van de desbetreffende voorziening niet eenvoudig
door anderen of de overheid zelf kan worden overgenomen. Men denke aan
voorzieningen van jeugdhulpverlening of aan de subsidiëring van
justitiële particuliere inrichtingen voor terbeschikkinggestelden.
Het tweede lid stelt buiten
twijfel dat het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst als hier
bedoeld mogelijk is, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de
aard
van de subsidie zich daartegen verzet. In veel gevallen is immers juist
voor het instrument van de subsidie gekozen omdat de wetgever de burgers
juist niet rechtstreeks wilde verplichten tot het verrichten van de
betrokken activiteit. Dat is bijvoorbeeld bij het merendeel van de subsidies
aan natuurlijke personen en bedrijven het geval. Het ligt dan niet
voor de hand dat die verplichting wel langs de weg van de overeenkomst zou
kunnen worden opgelegd. Aan dat laatste zal in de praktijk hoofdzakelijk
bij subsidies aan instellingen behoefte bestaan.
Afdeling
4.2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Het is om verschillende
redenen noodzakelijk dat aan de subsidieontvanger een aantal
verplichtingen kunnen worden opgelegd. De overheid kan de doelstellingen van
haar
subsidiebeleid - het stimuleren of rblz.|62|
mogelijk maken van bepaalde,
om welke redenen dan ook wenselijk geachte, activiteiten - in
veel gevallen slechts realiseren indien zij over de mogelijkheid beschikt nadere
eisen te stellen aan vorm en inhoud van de activiteiten waaraan zij een
financiële bijdrage levert. Daarnaast dient zij te beschikken over
mogelijkheden om een doelmatige en rechtmatige aanwending van
subsidiegelden te verzekeren. Derhalve voorziet artikel 4.2.4.1 [4:38]
in algemene zin in
de bevoegdheid om aan de ontvanger verplichtingen op te leggen die
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
Voor een goed begrip van het
karakter van deze verplichtingen moet allereerst worden opgemerkt dat de subsidieverlening op zichzelf de ontvanger niet rechtstreeks en onvoorwaardelijk
verplicht tot het
daadwerkelijk verrichten van
de gesubsidieerde activiteit (vgl. J.H. van Kreveld, a.w., blz. 163 en
222/223). De ontvanger behoudt in beginsel de vrijheid om van de
activiteit af te zien. Het gevolg is dan uiteraard wel dat hij ook iedere aanspraak op
subsidiegelden verliest en het bestuursorgaan de subsidie op nihil
kan vaststellen en eventueel reeds betaalde voorschotten kan
terugvorderen. Een andere benadering zou in veel gevallen tot onhoudbare
resultaten leiden. Het is evident dat de overheid met het subsidiëren van
sportevenementen of culturele manifestaties niet beoogt de ontvangers tot het
organiseren van dergelijke evenementen te verplichten. Kenmerkend voor
de subsidie als bestuursinstrument is nu juist het ontbreken van
rechtstreekse overheidsdwang.
Voor zover in bijzondere
situaties toch behoefte bestaat aan een rechtstreekse verplichting
van de subsidieontvanger om de gesubsidieerde activiteit ook daadwerkelijk te verrichten, kan daar in beginsel op
twee manieren in worden
voorzien: door een bijzonder wettelijk voorschrift, dan wel door
het sluiten van een overeenkomst ter zake met de subsidieontvanger. Op de
laatste mogelijkheid is reeds in de toelichting
op artikel
4.2.3.8 [4:36] ingegaan.
Het staat de
subsidieontvanger derhalve in beginsel vrij van de gesubsidieerde activiteit af
te zien en daarmee zijn aanspraak op financiële middelen op te
geven. In die zin verplicht de subsidieverlening tot niets. Maar het normale
geval is uiteraard dat de ontvanger juist wel aanspraak maakt op
financiële middelen, en zolang dat het geval is, vloeien uit de
subsidieverlening wel degelijk verplichtingen voort. Het is in deze zin dat het in
het
onderhavige voorstel gehanteerde begrip "verplichtingen van de
subsidieontvanger" moet worden verstaan. Naar huidig recht is dit
overigens niet anders.
De verplichtingen die voor
de ontvanger uit de subsidieverlening voortvloeien, kunnen van
velerlei aard zijn. Naast de primaire verplichting om de gesubsidieerde activiteit te verrichten, zal de ontvanger in zeer veel
gevallen worden verplicht in
enigerlei vorm verantwoording af te leggen over de besteding van de
subsidiegelden. Doorgaans zullen ook verplichtingen worden
opgelegd met betrekking tot de wijze waarop de gesubsidieerde activiteit
moet worden verricht. Voorts kunnen verplichtingen ertoe strekken te
voorkomen dat derden nadeel ondervinden van de gesubsidieerde
activiteit.
Enkele verplichtingen van de subsidieontvanger vloeien rechtstreeks uit de
Algemene wet bestuursrecht zelf voort (bijvoorbeeld de verplichtingen, genoemd in
artikel
4.2.5.4 [4:45]). De meeste verplichtingen zullen echter zijn neergelegd hetzij in
het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust, hetzij in
voorschriften verbonden aan de beschikking tot subsidieverlening.
De eerste mogelijkheid
verdient uit oogpunt van rechtszekerheid de voorkeur. In het bijzonder
wanneer een verplichting voor alle ontvangers of voor een bepaalde categorie van ontvangers van een bepaalde subsidie
behoort te gelden, is het
goed mogelijk deze verplichting in het wettelijk voorschrift zelf op te nemen.
rblz.|63|
Daarnaast zal het soms nodig
zijn om op het concrete geval toegesneden verplichtingen te
kunnen opleggen. In dat geval kan in het wettelijk voorschrift waarop
de subsidie berust, worden volstaan met het omschrijven van
(categorieën van) verplichtingen die kunnen worden opgelegd. Vervolgens kan het
bestuursorgaan bepalen welke verplichtingen in concreto zullen
gelden, door deze verplichtingen op te nemen in voorschriften verbonden aan
de beschikking tot subsidieverlening (artikel 4.2.4.1 [4:38]). Daarbij kunnen de
verplichtingen tevens nader worden omschreven en toegespitst.
Het uitgangspunt is derhalve
dat in het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust, wordt
aangegeven welke verplichtingen aan de subsidieverlening kunnen worden verbonden
(vgl. artikel 4.2.4.1 [4:38], tweede lid). Daarnaast is echter in
artikel 4.2.4.0 [4:37] een aantal categorieën verplichtingen
opgesomd die steeds kunnen
worden opgelegd, ook wanneer het wettelijk voorschrift waarop
de subsidie berust daarin niet voorziet en zelfs wanneer de subsidie
niet op een wettelijk voorschrift berust. Het gaat hier om verplichtingen die
zo vaak voorkomen en in de meeste gevallen zozeer noodzakelijk zijn om
het doel van de subsidie te kunnen bereiken dat het gewenst is de
bevoegdheid tot het opleggen daarvan in de Algemene
wet bestuursrecht zelf neer te leggen. Dit laat onverlet dat het in veel gevallen gewenst zal
zijn ook deze verplichtingen in de bijzondere subsidieregeling nader toe
te spitsen en te preciseren.
Voor de handhaving maakt het
geen verschil of de verplichtingen bij wettelijk voorschrift of
krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening zijn opgelegd. In
beide gevallen is de subsidieontvanger gehouden tot naleving van de
verplichting. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de Algemene
wet bestuursrecht c.q. het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust. Het is
derhalve niet nodig de subsidie te verlenen onder het voorbehoud dat de
verplichtingen worden nagekomen.
Indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, kunnen bij de subsidievaststelling geen
nieuwe verplichtingen meer worden opgelegd. De rechtszekerheid eist dat
aan de ontvanger reeds bij de verlening duidelijkheid wordt
verschaft over zijn verplichtingen. Voor verplichtingen die betrekking hebben op de
gesubsidieerde activiteiten is het dan trouwens ook te laat,
aangezien de subsidievaststelling, behoudens een enkele uitzondering,
plaatsvindt na afloop van die activiteiten.
Eén en ander laat onverlet dat uit de aard van de bij de verlening opgelegde verplichtingen kan
voortvloeien dat zij ook na de vaststelling voortduren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verplichting tot betaling van
rente en aflossing ter zake
van een vastgesteld krediet. In verband daarmee is ook voorzien in
de mogelijkheid van het intrekken van de vaststelling indien
dergelijke voortdurende verplichtingen niet worden nagekomen (artikel
4.2.6.2 [4:49],
eerste lid, onderdeel c). Indien geen beschikking tot subsidieverlening is
gegeven, kan om dezelfde reden de behoefte bestaan om bij de
vaststelling nog verplichtingen op te leggen. Daarom is voor dat geval artikel
4.2.4.1 [4:38] van overeenkomstige toepassing verklaard
(artikel
4.2.5.2 [4:43], tweede
lid).
Artikel
4.2.4.0 [4:37]
Eerste lid
Deze bepaling somt zeven
onderwerpen op met betrekking tot welke het bestuursorgaan steeds verplichtingen kan opleggen. Het gaat hier om verplichtingen die vaak
voorkomen en die voor een doelmatig hanteren van het instrument van de
subsidie van groot belang kunnen zijn. Het voordeel van het artikel is
dat de wettelijke regeling waarop de subsidie is gebaseerd niet meer behoeft
te voorzien in de mogelijkheid om deze rblz.|64|
verplichtingen op te leggen:
er ontstaat op basis van dit artikel een reeks verplichtingen die ieder
subsidiërend bestuursorgaan kan gebruiken. Voor het opleggen van andere
verplichtingen zal op grond van artikel 4.2.4.1 [4:38]
een grondslag in een
bijzonder wettelijk voorschrift moeten bestaan (tenzij de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift berust).
Verwacht kan worden dat in
een aantal gevallen geen behoefte meer zal bestaan aan het opnemen van
aanvullende bepalingen in de bijzondere subsidieregelingen. Anderzijds zal het soms aantrekkelijk zijn in het
wettelijk voorschrift dat de
basis voor een subsidie vormt een nadere uitwerking te geven van de
bepalingen van dit artikel. Daartegen bestaat geen enkel bezwaar.
De onder a, b en f genoemde
categorieën verplichtingen behoeven voor het overige geen
toelichting. De onder c bedoelde verplichting is allereerst van
belang omdat
de
subsidieverlening veelal in belangrijke mate gebaseerd is op door de
aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens. Met name bij wat langer
lopende subsidies kan het voorkomen dat zich in de situatie waarop deze
gegevens betrekking hebben een zodanige wijziging voordoet dat dat
tot wijziging van de subsidieverlening zou kunnen leiden. Ook om andere
redenen kan het echter zo zijn dat het bestuursorgaan tussentijds
op de hoogte wenst te worden gehouden van bepaalde gegevens, bijvoorbeeld in verband met de uitoefening van
andere bevoegdheden die zij
zich bij de verlening heeft voorbehouden.
De mogelijkheid om
verplichtingen tot gegevensverstrekking op te leggen, is voorts in het
bijzonder van belang indien gesubsidieerd wordt volgens wat wel het mutatiesysteem wordt genoemd. In dat systeem -
varianten ervan komen
bijvoorbeeld voor bij het openbaar vervoer - wordt de subsidie voor een
aantal jaren verleend, maar jaarlijks vastgesteld, niet op basis van een
aanvraag tot vaststelling, maar op basis van gedurende het jaar periodiek
door de ontvanger verstrekte gegevens. In die gevallen is de
gegevensverstrekking de kern van het proces van subsidiëring.
In het eerste lid, onderdeel d,
is de bevoegdheid opgenomen om de subsidieontvanger de
verplichting op te leggen om bepaalde risico's te verzekeren. Bij subsidies
aan instellingen is het zeer gebruikelijk dat
de instelling verplicht wordt
haar wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren, om te voorkomen dat door
onvoldoende verzekering de subsidiegelden zouden toevloeien naar
gelaedeerde derden in plaats van naar de gesubsidieerde activiteit.
Ook plegen brand- en inboedelverzekeringen verplicht te worden gesteld.
Maar ook bij projectsubsidies komt bijvoorbeeld een verplichting tot
verzekering van wettelijke aansprakelijkheid voor, om te voorkomen dat
het als gevolg van schadeclaims voor de ontvanger onmogelijk wordt
de gesubsidieerde activiteit uit te voeren (en dan veelal evenzeer om de
subsidie terug te betalen!).
Onderdeel e regelt de
bevoegdheid om de ontvanger te verplichten tot het stellen van zekerheid
voor verleende voorschotten. Daarmee moet de nodige terughoudendheid
worden betracht. Er zijn vaak andere wegen om problemen met het
terugvorderen van voorschotten te voorkomen. Het is in de eerste plaats gewenst
terughoudend te zijn met de voorschotverlening zelf, door deze
waar mogelijk achterwege te laten of door pas voorschotten te geven nadat
de subsidiabele kosten zijn gemaakt. Voorts is een verplichting tot het
stellen van zekerheid niet altijd zinvol: indien een instelling sedert jaren
uitsluitend uit met subsidiegeld gefinancierd wordt, zouden zekerheden
voor het bestuursorgaan vaak neerkomen op "een sigaar uit eigen
doos". Niettemin kan in een beperkt aantal gevallen het verlangen van
zekerheden een nuttig instrument zijn om te voorkomen dat te veel
betaalde voorschotten niet meer kunnen worden verhaald.
Bij de onder
g genoemde
categorie verplichtingen kan men bijvoorbeeld denken aan
verplichtingen met betrekking tot de openingstijden van rblz.|65|
de kantine van de
gesubsidieerde sporthal, om te voorkomen dat de plaatselijke
horecaondernemers oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.
Tweede lid
Het tweede lid verklaart
twee bepalingen met betrekking tot het verschaffen van gegevens bij
de aanvraag van overeenkomstige toepassing op het
verschaffen van gegevens krachtens verplichtingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c. In dat geval is immers niet noodzakelijkerwijs sprake van een
aanvraag, maar behoort wel de in artikel 4:3 neergelegde regeling ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer te gelden. Voorts kan het
nuttig zijn voor de verstrekking van gegevens een formulier vast te stellen
(artikel 4:4).
Artikel 4.2.4.1
[4:38]
Eerste lid
Artikel 4.2.4.1
[4:38] stelt
allereerst buiten twijfel dat aan de subsidie ook andere dan de in artikel
4.2.4.0 [4:37] bedoelde verplichtingen kunnen worden verbonden. In de tweede plaats behelst de bepaling de
norm dat de
verplichtingen moeten
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Alleen die
verplichtingen kunnen worden opgelegd die redelijkerwijs noodzakelijk
en geschikt zijn om het met de subsidie nagestreefde doel te
verwezenlijken.
Naar hun inhoud kunnen de
verplichtingen sterk variëren. Zij kunnen rechtstreeks betrekking
hebben op de gesubsidieerde activiteiten. Men denke bijvoorbeeld aan de aan een instelling opgelegde verplichting om
bepaalde activiteiten ten
behoeve van derden (cursussen of iets dergelijks) uitsluitend te laten verzorgen door
personen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen.
De verplichtingen kunnen ook
een meer afgeleid en ondersteunend karakter hebben. Dat is
bijvoorbeeld het geval bij verplichtingen met betrekking tot de wijze waarop de gesubsidieerde instelling haar
administratie moet voeren of
de wijze waarop aan de subsidieverlener moet worden gerapporteerd
over de verrichte activiteiten.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt
dat
indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, dat
wettelijk voorschrift ook de grondslag moet bieden voor de aan de
subsidieontvanger op te leggen verplichtingen. Dit punt
behoort in ieder geval de
aandacht van de regelgever te hebben, zij het dat delegatie aan een lagere
regelgever niet is uitgesloten. Bepaalt het wettelijk voorschrift op dit
punt niets, dan kunnen slechts de in artikel 4.2.4.0 [4:37]
bedoelde
verplichtingen worden opgelegd. Bij eenvoudige subsidieregelingen kan dat
voldoende zijn, maar bij meer gecompliceerde subsidieregelingen zal nogal
eens behoefte bestaan aan de mogelijkheid ook andere verplichtingen op
te leggen.
In het algemeen verdient het
de voorkeur de verplichtingen van de subsidieontvanger indien
mogelijk neer te leggen in het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust zelf. Indien de verplichtingen in een wettelijk voorschrift zijn
neergelegd, heeft dat het voordeel dat de verplichtingen voor een
ieder die overweegt een aanvraag in te dienen kenbaar zijn, terwijl voorts
is verzekerd dat de verplichtingen voor alle subsidieontvangers
gelijkelijk gelden. Bovendien is de totstandkoming van wettelijk voorschriften
veelal met meer waarborgen omringd dan de totstandkoming van een
individuele beschikking. Ten slotte is het ook rblz.|66|
doelmatiger om steeds
terugkerende verplichtingen niet bij iedere afzonderlijke
subsidieverlening uit te werken, maar in algemene zin in het wettelijk voorschrift op te
nemen.
Soms zal echter de behoefte
bestaan om de verplichtingen te kunnen toesnijden op het concrete
geval, in een mate die niet kan worden bereikt door differentiatie binnen
het toepasselijk wettelijk voorschrift. Daarom is het gewenst dat ook
verplichtingen kunnen worden opgelegd in de vorm van voorschriften verbonden
aan de beschikking tot subsidieverlening. De verplichtingen behoren dan
wel expliciet in de voorschriften bij de beschikking te worden
opgenomen; de ontvanger behoeft geen rekening te houden met bij het
bestuursorgaan levende opvattingen die jegens hem niet kenbaar zijn
gemaakt (Vz. Afd. rechtspraak 30 januari 1986, tB/S 1986, 20). Dit is alleen
anders
indien de verplichting langs andere weg ook voor de ontvanger onmiskenbaar
duidelijk moet zijn geweest (Afd. rechtspraak 18 maart 1986, AB 1987, 40), doch het verdient veruit de voorkeur daarop niet
te vertrouwen.
Derde lid
Indien de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift behoeft te berusten, kan uiteraard niet worden
geëist dat de verplichtingen wel een wettelijke grondslag hebben, terwijl
het ook in deze gevallen kan voorkomen dat behoefte bestaat aan andere
verplichtingen dan die genoemd in artikel 4.2.4.0 [4:37]. Daarom is
bepaald dat bij niet-wettelijke subsidies de verplichtingen kunnen worden
opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 4.2.4.1a
[4:39]
Voor de in
artikel 4.2.4.1
[4:38] bedoelde verplichtingen geldt steeds dat zij moeten strekken tot
verwezenlijking van het doel van de subsidie, ongeacht of zij bij
wettelijk voorschrift of bij beschikking worden opgelegd.
Artikel 4.2.4.1a [4:39]
ziet
daarentegen op verplichtingen waarvan niet gezegd kan worden dat zij strekken
tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Men denke aan door
een gemeentebestuur aan een gesubsidieerde instelling opgelegde
verplichtingen om in het kader van een werkervaringsproject een
stageplaats ter beschikking te stellen of om in een gebouw voorzieningen aan
te brengen met het oog op de toegankelijkheid voor gehandicapten.
Met het opleggen van
dergelijke verplichtingen dient terughoudendheid te worden betracht. Het is
in beginsel minder gewenst om door middel van aan een subsidie verbonden verplichtingen beleidsdoelstellingen na
te streven die, hoe
belangrijk op zichzelf ook, geen verband houden met de doelstelling van de
subsidieregeling zelf.
Het opleggen van de hier
bedoelde verplichtingen kan echter evenmin geheel worden uitgesloten.
Onder omstandigheden kan het langs deze weg beïnvloeden van het gedrag van
subsidieontvangers bij uitstek het
geschikte of zelfs het enige
middel zijn om een belangrijke beleidsdoelstelling te
verwezenlijken. Daarom is in het eerste lid bepaald dat verplichtingen die niet
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts kunnen
worden opgelegd indien een wettelijk voorschrift daartoe een specifieke
grondslag biedt. Op deze wijze is het opleggen van dergelijke verplichtingen
enerzijds niet uitgesloten, anderzijds wel met zekere waarborgen omringd.
Daarnaast is in het tweede
lid een inhoudelijke beperking aangebracht. Ook verplichtingen die niet
strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie dienen wel enig
verband te houden met de gesubsidieerde activiteit. Dit is tot
uitdrukking gebracht door te bepalen dat de verplichtingen slechts betrekking
kunnen hebben op de wijze waarop of de rblz.|67|
middelen waarmee de
gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Dat betekent dat bijvoorbeeld
van een gesubsidieerde welzijnsinstelling of een museum, indien daartoe
aanleiding is en een toereikende wettelijke grondslag bestaat, nog wel
kan worden geëist dat de eigen activiteiten waar mogelijk op milieuvriendelijke wijze worden verricht, maar niet dat
wordt medegewerkt aan het
verspreiden van folders over het milieubeleid van het subsidiërend
bestuursorgaan.
Uiteraard mogen ook deze
verplichtingen niet in strijd zijn met de ter zake geldende wettelijke
voorschriften. Zo kunnen aan de subsidieverlening geen
verplichtingen worden verbonden met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden welke een
gesubsidieerde werkgever jegens zijn werknemers moet hanteren. De
Wet arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en
gesubsidieerde sector (WAGGS) en de internationale verdragen waarop deze wet is
gebaseerd, maken dit onmogelijk. Voor zover de overheid zich met
de in deze sector geldende arbeidvoorwaarden mag bemoeien - en dit mag
slechts in beperkte mate - dient dit te geschieden met inachtneming
van de in de WAGGS geregelde procedure.
Artikel 4.2.4.3
[4:40]
Indien bij de
subsidieverlening volstaan moet worden met een globale omschrijving van de
activiteiten die later wordt uitgewerkt, zal veelal ook behoefte bestaan aan
de
mogelijkheid de verplichtingen later uit te werken. Artikel 4.2.4.3 [4:40]
voorziet in die mogelijkheid. Voor het overige zij verwezen naar de toelichting
op artikel 4.2.3.2 [4:30], tweede lid.
Artikel 4.2.4.4
[4:41]
Artikel 4.2.4.4
[4:41] bepaalt dat
de subsidieontvanger in een aantal gevallen een vergoeding verschuldigd is
aan het bestuursorgaan indien de subsidie bij de ontvanger heeft geleid
tot vermogensvorming. Vergelijkbare bepalingen komen thans onder
meer voor in subsidieregelingen op het terrein van het ministerie
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en het ministerie van
Justitie,
waar de behoefte aan een dergelijke bepaling in de praktijk is gebleken.
Het komt voor dat een
gesubsidieerde instelling met behulp van subsidiegelden bijvoorbeeld
een pand in eigendom verkrijgt. Wanneer dat pand dan enkele jaren later wordt vervreemd, kan dat leiden tot een
vermogenstoename bij de
instelling. In sommige gevallen is het dan redelijk dat dit
vermogensvoordeel geheel of gedeeltelijk ten goede komt aan de overheid, die immers
door het verlenen van de subsidie de instelling in staat heeft
gesteld het pand te verkrijgen. Vergelijkbare situaties kunnen zich
voordoen als met behulp van subsidiegelden bijvoorbeeld kostbare
apparatuur is aangeschaft.
Het is echter niet redelijk
- en ook niet doenlijk - om iedere toevallige vermogenstoename bij een
subsidieontvanger "af te romen". Daarom is de vergoedingsplicht aan een
aantal beperkingen gebonden.
In de eerste plaats bestaat
slechts een vergoedingsplicht indien dit bij wettelijk voorschrift - in
het normale geval zal dat zijn het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust - of bij de subsidieverlening (indien
de subsidie niet op een
wettelijk voorschrift berust) is bepaald en daarbij is aangegeven hoe de hoogte
van de vergoeding wordt bepaald.
In de tweede plaats kan
slechts een vergoedingsplicht worden opgelegd in vijf gevallen, die in het
tweede lid zijn opgesomd.
Het tweede lid, onderdeel a,
ziet op de zojuist genoemde gevallen van vervreemding of bezwaring
van voor de gesubsidieerde activiteit bestemde of gebruikte rblz.|68|
goederen. Onderdeel b ziet op het ontvangen van een schadevergoeding voor
verlies of beschadiging van dergelijke goederen. Uiteraard kan dan
alleen een vergoeding worden verlangd indien het ontvangen van de
schadevergoeding ook inderdaad leidt tot vermogensvorming bij de
ontvanger van de subsidie. Dit kan zich voordoen wanneer de bij
wijze van schadevergoeding ontvangen gelden niet worden gebruikt voor
vervanging van de verloren gegane of beschadigde goederen.
De onderdelen c en d
betreffen een tweetal gevallen waarin de subsidieverhouding tot een
einde komt en dus de financiële relaties tussen subsidieverlener en ontvanger moeten worden afgewikkeld. In het
kader van die afwikkeling
kan dan ook worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de subsidie heeft
geleid tot vermogensvorming en of daarvoor een vergoedingsplicht moet
worden opgelegd. Een vergelijkbare situatie doet zich voor indien de
rechtspersoon waaraan de subsidie was verleend, wordt ontbonden (onderdeel
e).
De vergoedingsplicht
ontstaat vanzelfsprekend slechts indien er een causaal verband bestaat
tussen de subsidieverlening en de vermogensvorming. Er moet een vermogenstoename hebben
plaatsgevonden
waarvan vaststaat dat deze
niet zou hebben plaatsgevonden indien de subsidie niet zou zijn
verleend. De voorzienbaarheid van de vermogenstoename is daarbij niet van
belang; het gaat juist om een vermogenstoename die met de
subsidieverlening niet werd beoogd.
De hoogte van de vergoeding
zal, indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, in de
bijzondere subsidieregeling moeten worden geregeld. Zij zal uit de
aard der zaak niet hoger kunnen zijn dan de vermogenstoename zelf. De Algemene
wet bestuursrecht eist echter niet dat steeds een volledige
vergoeding wordt verlangd. De bijzondere wetgever of, indien de
subsidieregeling daartoe de ruimte biedt, het bestuursorgaan kan ook
volstaan met een gedeeltelijke vergoeding of zelfs geheel van het
verlangen van een vergoeding afzien.
Wordt wel een vergoeding
verlangd, dan zijn bij de bepaling van de hoogte daarvan verschillende
benaderingen denkbaar. Allereerst kunnen verschillende soorten van vermogensvorming worden onderscheiden.
Wanneer bijvoorbeeld door "onderuitputting" een toename van de egalisatiereserve optreedt,
zal de hoogte van de vergoeding in beginsel gelijk zijn aan de omvang
van de toename. Wanneer een pand dat ooit met subsidiegelden is
aangeschaft vele jaren later wordt verkocht, is het bedrag waarvoor het pand in
de boeken staat vermeld vaak de historische kostprijs. Deze
nominale waarde behoeft niet gelijk te zijn aan de reële waarde. In die
situatie ligt het voor de hand - zeker wanneer de gesubsidieerde activiteiten
geheel gestopt worden - bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding
uit te gaan van de reële waarde. Weer anders kan het liggen
wanneer de activiteiten van de subsidieontvanger geheel of gedeeltelijk
worden voortgezet in een ander pand. Er kan dan aanleiding zijn om bij het
bepalen van de hoogte van de vergoeding ter zake van de verkoop van het
oude pand uit te gaan van de boekwaarde, bijvoorbeeld om de
subsidieontvanger de gelegenheid te geven het
verschil tussen boekwaarde
en reële waarde in het nieuwe pand te investeren. In hoeverre dit
geschiedt, zal mede afhangen van de vraag of ook voor de aanschaf van het
nieuwe pand subsidie wordt verleend.
Ook de vraag in hoeverre bij
de vaststelling van de hoogte van de vergoeding rekening moet
worden gehouden met afschrijvingen kan verschillend worden
beantwoord. Afschrijvingen vertegenwoordigen bedrijfseconomisch dat deel
van de waarde van het betrokken vermogensbestanddeel dat ten
goede is gekomen aan de gesubsidieerde activiteiten. Bij
vervreemding van het vermogensbestand zou daarom als uitgangspunt kunnen worden
genomen de resterende boekwaarde. Een ander uitgangspunt is echter
ook mogelijk. Daarbij wordt de subsidie mede gezien als een bijdrage
in de kosten van de afschrijving. In dat geval wordt geen rekening gehouden
met de afschrijving en wordt in plaats rblz.|69|
daarvan de boekwaarde of de
reële waarde van het vermogensbestanddeel in haar geheel opgeëist. Zie voor voorbeelden van de verschillende benaderingen
Afd. rechtspraak 17 november 1992, AB 1993, 214, en Afd. rechtspraak 8
december 1992,
AB 1993, 215.
De vergoeding kan alleen
worden verlangd van de subsidieontvanger. Nu komt het voor dat een
gedeelte van het vermogen van een gesubsidieerde instelling is ondergebracht in een zogenaamde steunstichting. Vaak
wordt zo'n steunstichting in
het leven geroepen wanneer voor de eerste maal subsidie wordt
aangevraagd, teneinde eerder verworven vermogensbestanddelen buiten
de subsidieverhouding te laten. In dat geval is toepassing van
artikel 4.2.4.4 [4:41] niet aan de orde, omdat deze vermogensbestanddelen niet
zijn gefinancierd uit de subsidie. Het kan echter ook voorkomen
dat wel (mede) uit de subsidie verworven vermogensbestanddelen aan een steunstichting worden
overgedragen of
dat bijvoorbeeld het
onderhoud of de renovatie van een pand dat eigendom is van een
steunstichting uit de subsidie wordt gefinancierd. In die gevallen kan het
vermogen van de steunstichting toenemen, terwijl voor die toename geen
vergoeding kan worden verlangd, omdat de steunstichting niet de
subsidieontvanger is. Het is dus zaak oneigenlijk gebruik van de figuur van de
steunstichting zo nodig door passende voorschriften in de subsidieregeling of
-beschikking tegen te gaan. In dit
verband zij overigens ook
gewezen op artikel 4.2.8.4.2 [4:69], dat het mogelijk maakt voor bepaalde rechtshandelingen, zoals het vervreemden van
registergoederen, de
voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan te verlangen.
Indien bij beëindiging van
een subsidieverhouding geen vermogenstoename wordt geconstateerd,
maar na liquidatie van een gesubsidieerde instelling een negatief vermogen resteert, brengt dit in beginsel voor het
bestuursorgaan geen
verdergaande verplichtingen met zich mee dan die voortvloeien uit de
artikelen 4.2.6.3 [4:50] en 4.2.6.4 [4:51]. Indien de subsidiegever de subsidieverhouding voor de
toekomst beëindigt, dient hij de ontvanger een redelijke termijn te
gunnen om financiële verplichtingen die deze redelijkerwijs mocht aangaan
op een behoorlijk wijze af te wikkelen. Het komt voor dat het
bestuursorgaan ervoor kiest deze termijn te bekorten door bepaalde verplichtingen
van de subsidieontvanger over te nemen. Daartegen bestaat geen
bezwaar. Het bestuursorgaan is echter, tenzij uit een bijzondere wettelijke
regeling anders voortvloeit, niet verantwoordelijk voor financiële
verplichtingen die de ontvanger redelijkerwijs niet mocht aangaan (bijvoorbeeld
omdat hij kon weten dat de subsidie beëindigd zou worden) of
die geen verband houden met de gesubsidieerde activiteit.
Om te voorkomen dat de
subsidieontvanger lange tijd in onzekerheid verkeert over de hoogte van
de vergoeding, is in het derde lid bepaald dat deze moet worden vastgesteld
binnen één jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte kon zijn van de
gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan. Desgewenst kan
daartoe met toepassing van artikel 4.2.4.0 [4:37], eerste lid, onderdeel
c, een
meldingsplicht aan de ontvanger worden opgelegd. Veelal zal de
meest praktische werkwijze zijn om de vaststelling van de vergoeding te
combineren met de eerstvolgende subsidievaststelling. Er is echter
geen reden om dit dwingend voor te schrijven.
Afdeling
4.2.5. De subsidievaststelling
Artikel 4.2.5.1 [4:42]
In deze bepaling is de
betekenis van de beschikking tot subsidievaststelling neergelegd: zij
verplicht - definitief - tot betaling van het vastgestelde bedrag, overeenkomstig de bepalingen van
afdeling 4.2.7.
rblz.|70|
Het spreekt vanzelf dat de
beschikking tot subsidievaststelling daartoe het bedrag van de subsidie moet
vermelden. De hoogte van het te betalen bedrag moet ondubbelzinnig
vaststaan. Daarom bestaat bij de subsidievaststelling, anders dan bij
de subsidieverlening, ook niet de mogelijkheid te volstaan met het aangeven
van de wijze waarop het bedrag zal worden berekend.
Artikel 4.2.5.2
[4:43]
Indien geen beschikking tot
subsidieverlening wordt gegeven, moet de subsidievaststelling een
aantal functies van de subsidieverlening overnemen. Zo zal zij ten
minste een aanduiding van de gesubsidieerde
activiteiten moeten
bevatten, die in dit geval ook niet later kan worden uitgewerkt, aangezien met de
vaststelling in veel gevallen een einde komt aan de subsidieverhouding.
Omdat ook een
subsidievaststelling in de vorm van een vaststelling van een periodieke bijdrage
denkbaar is, dient voorts het voorschrift van artikel 4.2.3.4 [4:32]
hier van overeenkomstige toepassing verklaard te worden.
Hetzelfde geldt voor de
weigeringsgronden van artikel 4.2.3.7 [4:35], tweede lid, die van belang zijn indien
geen beschikking tot subsidieverlening vooraf is gegaan. De "preventieve"
weigeringsgronden van het eerste lid passen echter niet bij het karakter
van de subsidievaststelling, die veelal achteraf plaatsvindt. Voor een
weigering gebaseerd op een toekomstverwachting is dan geen plaats.
In de toelichting op afdeling 4.2.4 is reeds uiteengezet dat aan de subsidievaststelling in
bepaalde gevallen verplichtingen als bedoeld in artikel 4.2.4.1 [4:38]
verbonden
moeten kunnen worden. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan
verplichtingen tot aflossing en rentebetaling in verband met een vastgesteld
krediet.
Artikel 4.2.5.3
[4:44]
Dit artikel regelt de
aanvraag tot subsidievaststelling indien een beschikking tot
subsidieverlening is voorafgegaan. Indien dit laatste niet het geval is, zijn naast de
algemene regels van afdeling 4.1 [lees: titel
4.1, red.] geen bijzondere voorschriften in
titel 4.2 nodig (wellicht wel in de bijzondere subsidieregeling!).
Het eerste lid bevat de hoofdregel dat de vaststelling geschiedt op aanvraag van de
subsidieontvanger. Voor een aantal gevallen waarin de subsidie ambtshalve kan
worden vastgesteld, zij verwezen naar artikel 4.2.5.6 [4:47]
en de toelichting op dat artikel [4:47].
In de meeste gevallen wordt
de subsidie vastgesteld na afloop van hetzij de activiteit
waarvoor de subsidie is verleend, hetzij - bij voortdurende activiteiten - het
tijdvak waarvoor de subsidie is verleend. De meeste periodieke subsidies
aan instellingen, bijvoorbeeld, kennen een jaarlijkse cyclus van
verlening en vaststelling. Het komt echter ook voor dat de subsidie eenmaal voor
een aantal jaren wordt verleend, maar jaarlijks voor een gedeelte
wordt vastgesteld. Het eerste lid, onderdeel b, biedt de mogelijkheid een
dergelijk systeem te hanteren. Nog een stap verder gaat het zogenaamde
mutatiesysteem, waarbij ook de jaarlijkse vaststelling niet meer behoeft
te worden aangevraagd, maar ambtshalve geschiedt op basis van
periodiek door de aanvrager verstrekte gegevens. Artikel 4.2.5.3 [4:44], eerste lid,
in samenhang met artikel 4.2.5.6 [4:47],
onderdeel a, biedt ook voor een dergelijk
systeem de ruimte.
Het is
gewenst dat voor de
indiening van de aanvraag een termijn wordt gesteld. Gelet op de
grote variëteit in soorten subsidies kan dat echter geen algemene termijn
zijn. Bij relatief eenvoudige activiteiten is wellicht een termijn van zes
weken al voldoende, maar bij een omvangrijk project kan de ontvanger
gemakkelijk enkele maanden nodig hebben voor rblz.|71|
het opstellen van de
aanvraag tot vaststelling. Daarbij zullen immers een verslag van de activiteiten
en vaak ook rekeningen, facturen e.d. van derden moeten worden
overgelegd (artikel 4.2.5.4 [4:45]), terwijl in sommige gevallen ook een
accountantsverklaring moet worden overgelegd.
Om deze redenen is in het
tweede lid volstaan met de bepaling dat voor de indiening van de aanvraag
tot vaststelling een termijn moet worden gesteld. In de formulering
van het tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat deze termijn bij
voorkeur zou moeten worden gesteld in het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust. Indien dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de
subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, dient bij de
subsidieverlening een termijn te worden gesteld.
Het derde en vierde lid
regelen de rechtsgevolgen van overschrijding van de termijn voor
indiening van de aanvraag tot vaststelling. Indien deze termijn wordt
overschreden of indien geen enkele termijn is gesteld,
kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger aanmanen de aanvraag alsnog, binnen een door het bestuursorgaan te bepalen nieuwe termijn, in
te dienen. Deze regeling
sluit aan bij hetgeen in artikel 4:5 is bepaald ten aanzien van onvolledige of
anderszins ondeugdelijke aanvragen.
Indien de aanvraag ook na de
bij de aanmaning gestelde nieuwe termijn niet is ingediend, kan het
bestuursorgaan de subsidie ambtshalve vaststellen, op basis van de hem ter beschikking staande gegevens. Dit
betekent dat het
bestuursorgaan dan bevoegd is de kosten van de gesubsidieerde activiteit,
indien deze voor de vaststelling van belang zijn, zo nodig te schatten. Voor de
ontvanger zal dit veelal ongunstiger uitkomen dan vaststelling op
basis van de werkelijke kosten, zodat de ontvanger er belang bij
heeft zijn aanvraag tijdig in te dienen.
Artikel 4.2.5.4
[4:45]
Alvorens de subsidie wordt
vastgesteld, dient de aanvrager of ontvanger van de subsidie
aan het bestuursorgaan verantwoording af te leggen over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
inkomsten. De aanvraag tot
vaststelling van de subsidie is daarvoor het geschikte moment.
In artikel 4.2.5.4 [4:45]
is deze
algemene notie enigszins nader geconcretiseerd. Zo nodig kunnen in de
bijzondere subsidieregeling nadere of concretere eisen aan de aanvraag tot vaststelling worden gesteld.
Artikel
4.2.5.4 [4:45] is beperkt tot twee
eisen waaraan de aanvraag steeds zal moeten voldoen.
In het eerste lid wordt geëist dat de aanvrager aantoont dat ook daadwerkelijk de
activiteiten hebben plaatsgevonden die de overheid beoogt te subsidiëren, en
op de wijze die de overheid voor ogen had. Maatgevend daarvoor zijn de
aan de subsidie verbonden verplichtingen, zoals die volgen uit de
toepasselijke wettelijke voorschriften en, indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, uit die beschikking of een latere uitwerking
daarvan op grond van artikel 4.2.4.3 [4:40].
Het tweede lid ziet op de
financiële verantwoording. De aanvrager moet aangeven welke uitgaven voor
de gesubsidieerde of te subsidiëren activiteit zijn gedaan, alsmede of daaruit inkomsten zijn voortgevloeid, en
zo ja, welke, uiteraard voor
zover deze inkomsten en uitgaven voor de vaststelling van de subsidie
van belang zijn.
Welke eisen precies aan de
in het eerste en tweede lid bedoelde verslaglegging en
verantwoording worden gesteld, kan niet in algemene zin worden aangegeven.
Deze
eisen zullen variëren met de aard van de subsidie, de aard van de
subsidieontvanger en de hoogte van de subsidie. Van instellingen
wordt veelal een jaarverslag en een financieel verslag verlangd (vgl.
afdeling 4.2.8), maar bij een subsidie voor een rblz.|72|
concreet in de tijd begrensd
project of een subsidie aan een natuurlijk persoon zal een andere vorm
gekozen moeten worden. In sommige gevallen, met name bij
grotere subsidies aan bedrijven en instellingen, ligt het in de rede een
goedkeurende accountantsverklaring te verlangen, maar in andere gevallen
zullen de kosten daarvan onevenredig zijn in verhouding tot de hoogte van
de subsidie.
Op grond van artikel 4.2.4.0 [4:37], eerste
lid, onderdeel f, kunnen met betrekking tot de verslaglegging en het
afleggen van rekening en verantwoording verplichtingen worden opgelegd die de algemene norm van
artikel 4.2.5.4
[4:45] concretiseren. Niettemin is
het gewenst in algemene zin de norm vast te leggen dat de
subsidieontvanger verantwoording moet afleggen alvorens de subsidie definitief kan
worden vastgesteld. Ook wanneer de subsidie niet op een wettelijk
voorschrift berust of het wettelijk voorschrift ter zake geen concrete voorschriften
bevat, zal op een bij de aard van de subsidieverhouding passende wijze
aan deze norm moeten worden voldaan.
Artikel 4.2.5.5
[4:46]
Eerste lid
Het eerste lid van
artikel
4.2.5.5 [4:46] bepaalt dat, indien een beschikking tot subsidieverlening is
gegeven, de subsidie overeenkomstig de verlening wordt vastgesteld. Dat is
het normale geval. Indien de gesubsidieerde activiteit heeft
plaatsgevonden zoals voorzien en de ontvanger aan zijn verplichtingen heeft
voldaan, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag dat in de beschikking tot
subsidieverlening is genoemd, dan wel aan de hand van in de beschikking
tot subsidieverlening genoemde factoren kan worden berekend.
Tweede lid
Het tweede lid geeft het
bestuur de bevoegdheid om in een aantal gevallen de subsidie lager -
onder omstandigheden dus ook op nihil - vast te stellen dan uit de subsidieverlening zou volgen. De genoemde gronden
zijn vergelijkbaar met die
waarop de subsidie kan worden geweigerd (artikel 4.2.3.7 [4:35]). Het zijn
gronden waarop naar huidig recht veelal de subsidie kan worden
ingetrokken.
Zoals reeds in het algemeen
gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting is uiteengezet,
wordt de functie van de intrekking in het stelsel van de Algemene
wet bestuursrecht in belangrijke mate overgenomen
door de lagere vaststelling
van de subsidie. In de meeste gevallen is de subsidievaststelling immers
het eerste en enige moment waarop het bestuursorgaan de
gelegenheid krijgt de gesubsidieerde activiteit te beoordelen. Slechts in een
beperkt aantal gevallen is daarnaast nog intrekking nodig, namelijk
wanneer het bestuursorgaan reeds vóór het tijdstip waarop de subsidie
normaliter zou worden vastgesteld constateert dat er iets zodanig mis gaat
dat er ingegrepen moet worden (zie artikel 4.2.6.1 [4:48]).
De in onderdeel
a van het
tweede lid genoemde grond spreekt voor zichzelf. Voor zover de
activiteiten niet hebben plaatsgevonden, kan de ontvanger daarvoor ook geen
subsidie toekomen.
Onderdeel b maakt het
mogelijk de subsidie lager vast te stellen bij wijze van reactie op het
niet nakomen van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Deze mogelijkheid komt overeen met de naar huidig recht
in een dergelijk geval
veelal bestaande bevoegdheid tot intrekking van de subsidieverlening.
Onderdeel c ziet op
verstrekken van onjuiste gegevens. Anders dan in artikel 4.2.3.7 [4:35]
is hier niet
de eis gesteld dat de ontvanger van die onjuistheid op de hoogte was of behoorde te zijn. Indien
achteraf blijkt
rblz.|73|
dat bijvoorbeeld gegevens
over het inkomen van de aanvrager of de omvang van de activiteit
onjuist waren, kan er aanleiding zijn de subsidie aan te passen, ook als de
onjuistheid niet aan de ontvanger bekend kon zijn. Wel kan de
verwijtbaarheid, net als bij de overige in het tweede lid genoemde gronden, een rol
spelen bij het bepalen van de omvang van de verlaging.
Bij de in onderdeel d genoemde grond gaat het om
gevallen waarin de subsidieverlening kennelijk
onjuist is, anders dan als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de aanvrager. In de jurisprudentie
is sinds lang erkend dat
beschikkingen op deze grond kunnen worden ingetrokken. Een bekend
voorbeeld is dat van de beschikking waarin als gevolg van een typefout een
subsidiebedrag is genoemd dat een factor tien te hoog ligt. Ook in
gevallen waarin de ontvanger uit eerdere contacten met het bestuur
niet in redelijkheid kan menen dat het bestuur de beschikking heeft willen
geven zoals zij naar de letter luidt, kan de ontvanger zich niet op het
formele standpunt stellen dat de letter van de beschikking steeds
beslissend is.
In geval van faillissement of
surséance van betaling zal vaak een lagere vaststelling van de subsidie
op één van de onder a of b genoemde gronden mogelijk zijn. Voor zover de ontvanger echter de activiteiten
volledig heeft verricht en
ook anderszins zijn verplichtingen nakomt, is faillissement of surséance
niet zonder meer een grond om de subsidie lager of op nihil vast te
stellen. In dat geval zouden daardoor immers de schuldeisers van de
subsidieontvanger op onredelijke wijze benadeeld worden.
De omvang van de verlaging
hangt van verschillende factoren af. In het geval onder a zal de
subsidie uiteraard op nihil worden vastgesteld indien de gesubsidieerde activiteit
in het geheel niet is verricht. Maar ook als de activiteiten gedeeltelijk
wel zijn verricht, kan vaststelling op nihil in de rede liggen. Vaak zal dan
immers gezegd moeten worden dat niet de activiteit is verricht die
het bestuursorgaan bij het verlenen van de subsidie voor ogen stond. Zo
zal het bestuursorgaan geen subsidie - ook niet de halve subsidie -
hoeven geven voor een maar half uitgevoerd onderzoek. Evenzo zal
indien de voorzieningen om een woning geschikt te maken voor een gehandicapte slechts gedeeltelijk zijn aangebracht,
vaak geconcludeerd moeten
worden dat de woning nog altijd niet geschikt is voor bewoning
door de betrokken gehandicapte, zodat het doel van de subsidie niet is
bereikt en de subsidie op die grond op nihil moet worden vastgesteld. Dat zou
slechts anders zijn indien uit de betrokken regeling zou moeten worden
afgeleid dat zij mede ten doel heeft het bevorderen van het
gedeeltelijk geschikt maken van woningen.
Ook indien subsidie is
verleend voor de aanleg van vijf hectare bos en bij de vaststelling blijkt slechts
vier hectare te zijn aangelegd, volgt daaruit niet zonder meer dat de subsidie moet
worden vastgesteld op 80% van het bedrag van de verlening. Het staat
immers niet vast dat ook voor vier hectare subsidie zou zijn verleend. Het kan
zijn dat uit de subsidieregeling of uit het beleid van het bestuursorgaan
voortvloeit dat projecten onder de vijf hectare niet worden
gesubsidieerd of dat
een kleiner project bij de verdeling van het subsidieplafond minder
prioriteit zou hebben gekregen. In dergelijke gevallen kan de subsidie
onder omstandigheden op nihil worden vastgesteld, ook al is de activiteit gedeeltelijk wel verricht
(vgl. bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 8 april 1993, AB
1993, 351; Afd. rechtspraak 18 mei 1993, Afd. rechtspraak 26 juli 1993, Afd.
rechtspraak 13 september 1993, AB 1994, 290-292).
Vloeit daarentegen uit de
subsidieregeling of het beleid van het bestuursorgaan voort dat
voor iedere hectare bos aanspraak bestaat op een bepaald bedrag aan subsidie, dan ligt het wel voor de hand te korten
met het bedrag dat
overeenkomt met het niet-gerealiseerde deel. Men bedenke echter dat een
dergelijke afwijking van het plan waarvoor subsidie is verleend in de
praktijk vaak samengaat met het niet nakomen rblz.|74|
van een verplichting
(bijvoorbeeld het niet tijdig melden van de afwijking). Dat laatste kan dan een
tweede, zelfstandige grond voor verlaging opleveren, die naast de
eerste kan worden toegepast.
Eén en ander laat onverlet dat ook bij het lager vaststellen van een subsidie
artikel 3:4, tweede
lid, van toepassing is. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de daarmee te
dienen doelen (vgl. Vz. Afd. rechtspraak 21 januari 1993, AB 1993, 350).
Met het voorgaande is slechts betoogd dat van zodanige onevenredigheid
niet reeds sprake is zodra de verlaging verder gaat dan hetgeen strikt
rekenkundig overeenkomt met het niet-verrichte deel van de activiteit.
In het geval, bedoeld onder
b (niet voldoen aan de verplichtingen), zal, voor zover de (materiële)
wetgever dat niet reeds heeft gedaan, eveneens een afweging moeten worden
gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de
gevolgen van de verlaging voor de ontvanger. Daarbij zijn tevens de ernst
van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden
verweten van belang. Dit sluit overigens niet dat het niet voldoen aan
een administratieve verplichting (bijvoorbeeld het gereed melden van
een gesubsidieerde voorziening) soms tot vaststelling op nihil kan
leiden. Onder omstandigheden kan het belang van handhaving van
dergelijke verplichtingen immers zwaar wegen, bijvoorbeeld in verband met
een doelmatige uitvoering van de regeling of in verband met het tegengaan
van misbruik of oneigenlijk gebruik.
Indien onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt (artikel 4.2.5.5 [4:46], tweede lid, onderdeel
c), kan de
subsidie in ieder geval worden vastgesteld op het bedrag dat uit de juiste
gegevens voortvloeit. Datzelfde geldt als de subsidieverlening anderszins
onjuist was (onderdeel d).
Derde lid
In een aantal gevallen wordt
subsidie verleend voor de werkelijke kosten van een activiteit.
Hoewel een dergelijk systeem in beginsel niet aantrekkelijk is, omdat er
geen stimulans voor een doelmatige besteding van middelen van uitgaat, is
het soms onvermijdelijk. Als de subsidie bijvoorbeeld slechts aan
één ontvanger wordt verstrekt, zal het ontwikkelen van een systeem van
genormeerde kosten soms niet de moeite lonen. Niettemin dient ook
dan voorkomen te worden dat de subsidiegever wordt benadeeld
doordat onredelijk hoge kosten worden gemaakt. In de praktijk gebeurt dit
bijvoorbeeld wel eens doordat een gesubsidieerde instelling tegen een
te hoge prijs diensten betrekt van een zogenaamde steunstichting
of tegen een te lage prijs diensten verleent aan derden. Het voorschrift
van artikel 4.2.3.3 [4:31], tweede lid,
dat de subsidie aan een maximum moet worden
gebonden, is daartoe niet voldoende, omdat immers ook zonder dat
het maximum wordt overschreden onredelijke kosten kunnen
worden opgevoerd.
Specifiek tegen bijvoorbeeld
oneigenlijk gebruik van steunstichtingen gerichte bepalingen, die in
bestaande subsidieregelingen wel voorkomen, blijken echter in de praktijk soms moeilijk toepasbaar. Bovendien komt het
ook in andere situaties en
bij andere subsidies dan subsidies aan instellingen voor dat kosten
worden gemaakt die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
aangemerkt. Daarom bepaalt het derde lid in algemene zin dat, voor
zover subsidie is verleend voor de werkelijke kosten van een activiteit,
kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd
buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 4.2.5.6
[4:47]
De hoofdregel is dat de
subsidie op aanvraag van de ontvanger wordt vastgesteld. Deze hoofdregel
lijdt uitzondering in de in artikel 4.2.5.6 [4:47]
opgesomde gevallen. Het komt voor dat het bestuursorgaan geen rblz.|75|
behoefte heeft aan een
afzonderlijke aanvraag tot vaststelling, omdat het reeds uit andere hoofde
(bijvoorbeeld door tussentijdse gegevensverstrekking, vgl. artikel
4.2.4.0 [4:37], eerste lid, onderdeel c) over de benodigde gegevens beschikt. In dat
geval zou de aanvraag slechts een overbodige administratieve handeling
zijn. Daarom is in onderdeel a de mogelijkheid geboden bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening van het vereiste van een aanvraag
af
te wijken. De eis dat uitdrukkelijk wordt bepaald dat geen aanvraag
behoeft te worden ingediend, houdt verband met het grote belang dat de
vaststelling uit oogpunt van rechtszekerheid voor de ontvanger heeft. Er
mag geen twijfel bestaan over de noodzaak een aanvraag in te dienen,
noch over de termijn waarbinnen de vaststelling moet
geschieden. Daarom is in onderdeel a tevens bepaald dat het wettelijk
voorschrift of de subsidieverlening de termijn moet aangeven binnen welke de
ambtshalve vaststelling geschiedt.
Onderdeel b betreft het
geval waarin artikel 4.2.5.3 [4:44], vierde lid, wordt toegepast. Verwezen zij naar
de toelichting op dat artikel [4:44]. Onderdelen
c en d zien op gevallen waarin de
hoogte van de subsidie ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.
Ook bij intrekking met terugwerkende kracht kan nog een vaststelling
nodig zijn, omdat deze niet zonder meer meebrengt dat de subsidie op
nul kan worden vastgesteld. Bij een gedeeltelijke intrekking kan
immers nog een subsidiebedrag resteren.
In deze gevallen ligt het
echter niet in de rede van de ontvanger te verwachten dat deze een
aanvraag tot vaststelling indient. Daarom is bepaald dat het bestuursorgaan dan ambtshalve tot vaststelling van de
subsidie kan overgaan.
Afdeling
4.2.6. Intrekking en wijziging
Deze afdeling regelt de
intrekking en wijziging van subsidiebeschikkingen. De term "wijziging" ziet hier steeds op wijziging ten nadele van de ontvanger.
Afdeling 4.2.6 regelt niet de wijziging ten voordele van de ontvanger.
Daaraan zijn in beginsel slechts twee beperkingen gesteld. In de
eerste plaats is het mogelijk dat een wettelijk voorschrift zich tegen een
dergelijke wijziging verzet. In de tweede plaats is het in een beperkt aantal
gevallen mogelijk dat een derde door de wijziging ten gunste van de
ontvanger rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Dit kan zich
bijvoorbeeld voordoen indien de ontvanger het bestuursorgaan verzoekt een
verplichting die strekt tot het beperken of wegnemen van de nadelige
gevolgen van de subsidie voor derden op te heffen. Of zo'n verzoek kan
worden ingewilligd, dient te worden beoordeeld aan de hand van de
evenredigheidsmaatstaf van artikel 3:4, tweede lid,
Algemene wet
bestuursrecht en de overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Afdeling 4.2.6 valt in twee
onderdelen uiteen. De artikelen 4.2.6.1 [4:48]
en 4.2.6.2 [4:49] regelen de
intrekking of wijziging met terugwerkende kracht van de beschikking tot subsidieverlening respectievelijk de beschikking tot
subsidievaststelling. Deze
is mogelijk indien de beschikking als gevolg van omstandigheden die (mede)
voor rekening van de ontvanger komen niet de beoogde werking blijkt te
hebben, alsmede wanneer een voorwaarde wordt ingeroepen. Het kan
hier enerzijds gaan om een sanctie, anderzijds om herstel van onjuistheden
die niet uitsluitend voor rekening van het bestuursorgaan behoren te
komen. Deze bepalingen zijn een noodzakelijke aanvulling op de
mogelijkheid de subsidie lager vast te stellen dan overeenkomstig de
subsidieverlening (artikel 4.2.5.5 [4:46]).
De artikelen 4.2.6.3
[4:50]
en
4.2.6.4 [4:51]
zien op een andere situatie, namelijk die waarin het bestuursorgaan
voor de toekomst een einde wil maken aan of een wijziging wil aanbrengen
in een bestaande subsidieverhouding. Uit de jurisprudentie blijkt dat
degene die gedurende een wat langere aaneengesloten periode
subsidie heeft ontvangen voor een voortdurende
rblz.|76|
activiteit, daaraan onder
omstandigheden een gerechtvaardigd vertrouwen op de
voortzetting van de subsidie mag ontlenen. Dit betekent dat het
bestuursorgaan slechts op een beperkt aantal gronden een einde mag maken aan de
subsidieverhouding en dit in ieder geval niet nauwelijks mag doen
(zie o.m. Afd. rechtspraak 7 oktober 1977, AB 1978, 7, tB/S III, nr. 35; Afd.
rechtspraak 6 februari 1981, AB 1982, 205; Afd. rechtspraak 12 december
1985, AB 1986, 346).
Hier doet zich echter de complicatie voor dat de omschrijving "een einde
maken aan de subsidieverhouding" twee juridisch gezien nogal
verschillende situaties dekt.
Artikel 4.2.6.3 [4:50]
betreft het geval dat een bestuursorgaan gedurende het tijdvak waarvoor een
subsidie is verleend de subsidie wil stopzetten, dan wel het bedrag daarvan wil
verlagen of een wijziging wil aanbrengen in de verplichtingen van de
ontvanger. Juridisch gezien komt dit neer op een intrekking of wijziging
"ex nunc" van de beschikking tot subsidieverlening. Aangezien een
dergelijke intrekking of wijziging in beginsel een inbreuk betekent op het
gerechtvaardigd vertrouwen van de subsidieontvanger dat, zolang hij
zijnerzijds zijn verplichtingen nakomt, de subsidiëring overeenkomstig
de subsidieverlening zal plaatsvinden, ligt het voor de hand dat daaraan
vrij zware eisen worden gesteld.
Artikel 4.2.6.4 [4:51]
betreft het geval dat het bestuursorgaan na afloop van het tijdvak waarvoor een
subsidie is verleend de subsidie wil stopzetten of het bedrag daarvan wil
verlagen. Er is dan geen sprake van intrekking of wijziging van een
beschikking; het gaat immers om de situatie waarin de beschikking reeds door het
verstrijken van het tijdvak waarvoor zij is gegeven haar werking heeft
verloren. Het gaat in dit geval om het al of niet geven van een nieuwe
beschikking voor een aansluitende periode. Het verband met de
intrekking van beschikkingen voor de toekomst ligt in de omstandigheid dat
volgens de jurisprudentie een subsidieontvanger onder omstandigheden ook aan
een reeks opeenvolgende subsidieverleningen een zeker
vertrouwen op hernieuwde subsidiëring voor een aansluitend tijdvak kan
ontlenen. Maar uit de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak blijkt
de subsidieontvanger minder sterk mag vertrouwen op het geven van
een nieuwe beschikking tot subsidieverlening dan op handhaving
van een reeds gegeven beschikking tot subsidieverlening (Afd.
rechtspraak 21 maart 1985, tB/S III, nr. 605; vgl. ook Afd. rechtspraak
25 oktober 1979,
AB 1980, 198). Ook hier moet steeds een redelijke termijn in acht
worden genomen, maar een wijziging van beleid is in beginsel voldoende
grond voor beëindiging, terwijl in het geval van intrekking voor de toekomst
veelal meer zwaarwegende redenen worden geëist (vgl. bijvoorbeeld Afd.
rechtspraak 27 september 1982, AB 1983, 178). In het onderhavige voorstel is
ervoor gekozen deze lijn uit de jurisprudentie door te trekken. Dit past in
het streven naar een meer bewust gevoerd en doelmatiger subsidiebeleid,
doordat de overheid de ruimte wordt gelaten om de opportuniteit en
doelmatigheid van de subsidiëring periodiek te heroverwegen.
Eén en ander is van groot
praktisch belang voor langlopende subsidies aan instellingen. Deze
hebben in de praktijk vaak de vorm van reeks opeenvolgende subsidieverleningen voor één jaar, doch ook subsidies
voor meer jaren komen voor.
Dit heeft gevolgen voor de mate waarin de instelling wordt beschermd
tegen wijziging of beëindiging van de subsidie. Immers, die
bescherming is aan het einde van de looptijd van de subsidieverlening zwakker
dan gedurende de looptijd. Bij eenjarige subsidieverleningen komt de
instelling jaarlijks in die zwakkere positie, bij bijvoorbeeld vierjarige
subsidieverleningen slechts eens in de vier jaar.
Artikel 4.2.6.1
[4:48]
Deze bepaling regelt de
gronden waarop de subsidieverlening met terugwerkende kracht kan
worden ingetrokken. Zoals in het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk, onder het hoofdje
"Handhaving", reeds werd rblz.|77|
uiteengezet, bestaat in het
stelsel van de Algemene wet bestuursrecht slechts in beperkte mate
behoefte aan een dergelijke intrekkingsmogelijkheid, omdat de
functie daarvan in belangrijke mate wordt vervuld door de mogelijkheid de
subsidie lager vast te stellen dan overeenkomstig de subsidievaststelling
(artikel 4.2.5.5 [4:46]). Een aanvullende mogelijkheid tot intrekking "ex
tunc" van de
subsidieverlening is echter noodzakelijk, om te voorkomen dat het
bestuursorgaan in geval van onregelmatigheden pas zou kunnen ingrijpen op
het moment waarop normaal gesproken de vaststelling zou plaatsvinden. In plaats daarvan is gekozen voor het
systeem dat het
bestuursorgaan bij tussentijdse constatering van onregelmatigheden de
subsidieverlening kan intrekken en daarna zo nodig ambtshalve tot vaststelling
kan overgaan (artikel 4.2.5.6 [4:47], onderdeel
c).
De gronden waarop de
subsidieverlening kan worden ingetrokken, zijn, behoudens die genoemd in
artikel 4.2.6.1 [4:48], eerste lid, onderdeel
e, dezelfde als die waarop de subsidie
lager kan worden vastgesteld. Voor een toelichting op de onder a
tot en met d genoemde gronden zij verwezen naar de toelichting op
artikel 4.2.5.5 [4:46]. De onder e genoemde grond houdt verband met de mogelijkheid
de subsidie onder voorwaarde te verlenen. De duidelijkheid kan er dan
mee gediend zijn dat een beroep op de voorwaarde gepaard gaat met
een uitdrukkelijke intrekking van de subsidieverlening. Voor het
begrotingsvoorbehoud is dit laatste zelfs voorgeschreven. Verwezen zij
verder naar de toelichting op de artikelen 4.2.3.5
[4:33]
en 4.2.3.6 [4:34].
Hier zij nog opgemerkt dat
de onder a genoemde intrekkingsgrond mede goede diensten kan
bewijzen in geval van faillissement of surséance van de
subsidieontvanger.
Immers, faillissement zal veelal, en surséance kan meebrengen dat de
activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel meer plaatsvinden of zullen plaatsvinden. In dat geval kan het
bestuur tot intrekking
overgaan, alsmede daarop vooruitlopend de betaling van eventuele
voorschotten opschorten (artikel 4.2.7.5 [4:56]). Aan deze constructie is de voorkeur
gegeven boven het van rechtswege vervallen van de beschikking tot
subsidieverlening, omdat zij de mogelijkheid biedt een genuanceerd beleid te
voeren, alsmede omdat het nemen van een expliciete beslissing
omtrent intrekking voor alle betrokkenen meer duidelijkheid schept.
Het spreekt vanzelf dat de
subsidieverlening slechts kan worden ingetrokken zolang de
subsidie nog niet is vastgesteld. Na de vaststelling is intrekking van de
verlening zinloos, omdat daardoor de uit de vaststelling voortvloeiende
aanspraak op financiële middelen niet wordt aangetast.
De intrekking of wijziging
heeft terugwerkende kracht tot op het moment van de verlening,
tenzij bij het besluit tot intrekking of wijziging anders is bepaald. De
mogelijkheid dat het bestuursorgaan anders bepaalt, is opgenomen omdat, met
name bij subsidies voor voortdurende activiteiten, de
redelijkheid soms zal eisen dat de intrekking niet verder terugwerkt dan tot op het
moment waarop de activiteiten zijn beëindigd of het moment waarop in strijd
met de verplichtingen is gehandeld.
Artikel 4.2.6.2
[4:49]
Omdat de beschikking tot
subsidievaststelling een definitieve aanspraak op financiële middelen
vestigt, dient zij in beperktere mate intrekbaar te zijn dan een beschikking tot
subsidieverlening. Aan intrekking bestaat ook minder behoefte, omdat de
vaststelling veelal na afloop plaatsvindt. Dat betekent dat ten tijde van
de vaststelling reeds kan worden beoordeeld of de activiteiten hebben
plaatsgevonden, de verplichtingen zijn nagekomen e.d. Daarom is bepaald dat
de vaststelling op deze gronden slechts kan worden ingetrokken voor
zover de desbetreffende feiten of omstandigheden het bestuursorgaan bij
de vaststelling niet bekend konden zijn. Dat betekent niet in alle
gevallen dat de feiten zich eerst na de rblz.|78|
subsidievaststelling moeten hebben
voorgedaan. Vooral bij wat meer complexe subsidies aan instellingen
komt het ook voor dat na de vaststelling correcties moeten worden
aangebracht op ten behoeve van de vaststelling verstrekte
gegevens, bijvoorbeeld met betrekking tot aantallen subsidiabele eenheden of
salariskosten.
Daarnaast is voorzien in de
mogelijkheid van intrekking in geval van kennelijke onjuistheid van
de vaststelling. Zo'n onjuistheid levert immers niet steeds een grond op
waarop de subsidie lager had kunnen worden vastgesteld. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld bij de vaststelling een rekenfout is gemaakt,
waardoor de subsidie op een hoger bedrag is vastgesteld dan uit de
subsidieverlening volgt. Ten slotte is voorzien in de mogelijkheid van intrekking
bij niet-nakoming van na de subsidievaststelling voortdurende
verplichtingen (onderdeel c).
Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat alle genoemde intrekkingsgronden evenzeer kunnen
worden toegepast indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven.
Het derde lid
bepaalt dat
de subsidievaststelling na vijf jaar niet meer kan worden ingetrokken of
gewijzigd. Het is uit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst de mogelijkheid van intrekking aan een termijn
te binden. De termijn van
vijf jaar na de vaststelling geeft een redelijk evenwicht tussen het belang
van de overheid bij het ongedaan maken van onjuiste
subsidievaststellingen enerzijds en de rechtszekerheid van de ontvanger anderzijds.
Aanknopingspunt voor het
begin van de vijfjarentermijn is in de meeste gevallen de dag
waarop de subsidieverlening is bekendgemaakt. Indien niet is voldaan aan
een na de vaststelling voortdurende verplichting, begint de
termijn te lopen op de dag na die waarop een handeling in strijd met de
verplichting is verricht, dan wel, indien het niet voldoen bestaat in een
nalaten (bijvoorbeeld niet betalen van een krediet of niet gereed melden
van een voorziening), op de dag na de dag waarop de verplichting
uiterlijk had moeten worden nagekomen.
Artikel 4.2.6.3
[4:50]
De achtergrond van deze
bepaling en haar verhouding tot artikel 4.2.6.4 [4:51]
zijn reeds toegelicht in de
algemene toelichting op deze afdeling. Op deze plaats wordt nog ingegaan op
de verschillende gronden voor intrekking "ex nunc". Intrekking voor
de toekomst is allereerst mogelijk indien veranderde omstandigheden of
gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting van
de subsidie verzetten.
Met de woorden "in
overwegende mate" is beoogd uit te drukken dat er zwaarwegende redenen moeten
zijn om de subsidiebeschikking in te trekken. Intrekking van een
begunstigende beschikking, waarbij teruggekomen wordt op in beginsel
reeds verleende aanspraken, is een ingrijpende beslissing. Het enkele
feit dat het bestuur van gedachten is veranderd, is daarvoor
onvoldoende grond (vgl. Afd. rechtspraak 27 september 1982, AB 1983, 178;
Afd. rechtspraak 23 oktober 1979, AB 1980, 198; Afd. rechtspraak 16
oktober 1984, AB
1985, 190). Het moet gaan om hetzij onvoorziene omstandigheden die een
zwaarwegende reden opleveren, hetzij een beleidswijziging waarvoor
zwaarwegende redenen zijn aan te voeren.
Wanneer sprake is van een
zwaarwegende reden is niet in het algemeen aan te geven. In één
uitspraak achtte de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak een uitspraak
van de Tweede Kamer dat de subsidiëring politiek ongewenst was
voldoende (Vz. Afd. rechtspraak 3 januari 1980, AB 1980, 353), in een ander
geval werd een Kameruitspraak op zichzelf onvoldoende geacht (Vz. Afd.
rechtspraak 16 oktober 1984, tB/S, VII, nr. 252). De dwingende noodzaak tot
bezuinigen kan voldoende zijn (Afd. rechtspraak 28 maart 1985, AB 1985,
600; Afd. rechtspraak 14 december 1984, tB/S, III, rblz.|79|
nr. 578), maar is dat niet per
definitie (Pres. Rb. 's-Gravenhage 10 november 1987, KG 1987, 512). De specifieke
omstandigheden van het geval zullen uiteindelijk bepalend zijn. Daarbij
speelt ook de door de overheid bij de intrekking betrachte zorgvuldigheid een
rol, alsmede de vraag of de gevolgen van de intrekking voor de
subsidieontvanger (en eventueel diens werknemers en cliënten) niet onevenredig
zijn in verhouding tot de met de intrekking te dienen belangen (vgl.
artikel 3:4, tweede lid).
Deze intrekkingsgrond komt
uiteraard niet aan de orde voor zover uit het wettelijk voorschrift
waarop de subsidie berust - of enig ander wettelijk voorschrift - een verplichting tot voortzetting van de subsidiëring
voortvloeit.
Intrekking is voorts steeds
mogelijk wanneer de subsidieverlening onjuist was. Indien de
subsidieontvanger deze onjuistheid kende of behoorde te kennen, is zelfs
intrekking met terugwerkende kracht mogelijk (artikel 4.2.6.1 [4:48]). Ook
wanneer dat niet het geval is, kan echter niet van de overheid wordt verlangd dat
zij een ten onrechte verleende subsidie zonder meer voortzet. Het
vertrouwen dat de burger in het algemeen mag hebben op de juistheid van
overheidsbeschikkingen wordt voldoende beschermd door het in acht nemen van een redelijke termijn bij de wijziging of intrekking voor
de toekomst en het vergoeden van de uit de intrekking of wijziging
voortvloeiende schade.
Intrekking voor de toekomst
is ten slotte mogelijk in andere bij wettelijk voorschrift geregelde
gevallen. In die gevallen kon de ontvanger rekening houden met de mogelijkheid
van intrekking. Dat betekent wel dat moet zijn aangegeven in welke
gevallen intrekking mogelijk is; de enkele opmerking dat intrekking
mogelijk is, volstaat niet.
Deze intrekkingsgrond ziet
niet op gevallen waarin de ontvanger de gesubsidieerde activiteiten
beëindigt of ophoudt aan zijn verplichtingen te voldoen. In die gevallen
is
intrekking op grond van artikel 4.2.6.1 [4:48]
mogelijk. Men denke hier veeleer aan gevallen waarin de ontvanger niet langer behoort tot de categorie van
personen die ingevolge wettelijk voorschrift voor de subsidie in
aanmerking komen, bijvoorbeeld omdat gedurende het jaar waarvoor de
subsidie is verleend zijn inkomen boven een gestelde inkomensgrens
stijgt, of aan specifieke intrekkingsgronden, zoals de bepaling dat een subsidie
aan een vereniging kan worden ingetrokken wanneer het ledental beneden
een bepaalde grens daalt.
Artikel 4.2.6.3
[4:50] schept een
bevoegdheid, niet een verplichting tot intrekking. Dat impliceert dat indien in principe een intrekkingsgrond aanwezig is, vervolgens nog
zal moeten worden nagegaan of, gelet op alle betrokken belangen,
intrekking ook in het concrete geval verantwoord is.
In alle gevallen moet bij de
intrekking voor de toekomst een redelijke termijn in acht genomen
worden. Dit is vaste jurisprudentie (o.m. Afd. rechtspraak 16
april 1979, AB
1979, 520; Afd. rechtspraak 12 december 1985, AB 1986, 346). De lengte van
die termijn zal afhangen van de aard van de subsidie en de
gesubsidieerde activiteiten. In het algemeen zal de ontvanger de tijd moeten
worden gegund om verplichtingen die hij jegens derden is aangegaan en
redelijkerwijs mocht aangaan, op zorgvuldige wijze af te wikkelen. Indien
de ontvanger als gevolg van de intrekking personeel moet ontslaan, zal
hij ten minste in staat moeten worden gesteld de voorgeschreven opzegtermijnen in acht te nemen. Anderzijds
kan de intrekking op kortere
termijn geschieden indien de overheid bereid is verplichtingen jegens
derden over te nemen.
Daarnaast is ook het aandeel
van de subsidie in de middelen van de ontvanger van belang.
Naarmate de intrekking of wijziging sterker ingrijpt in de financiële situatie
van de ontvanger, zal deze immers meer tijd rblz.|80|
moeten worden gegund om zich
op de nieuwe situatie in te stellen. Om dezelfde reden is ook de
mate van ingrijpendheid van de wijziging van belang. Bij een algehele
intrekking zal in het algemeen een langere termijn in acht genomen moeten
worden dan bij een relatief geringe verlaging van het subsidiebedrag.
Bij intrekking wegens
veranderde omstandigheden of inzichten of wegens een onjuistheid van
de subsidieverlening waarvan de ontvanger niet op de hoogte was of behoorde te zijn, zal het bestuursorgaan
bovendien de schade moeten
vergoeden die de ontvanger leidt doordat hij in vertrouwen op de
subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.
De ontvanger behoeft immers met intrekking op deze grond,
anders dan met een intrekking of wijziging die bij wettelijk voorschrift
wordt voorzien, in beginsel geen rekening te houden.
Overigens zijn de plicht een
redelijke termijn in acht te nemen en de verplichting de schade te
vergoeden tot op zekere hoogte te beschouwen als communicerende vaten.
Onder omstandigheden kan een kortere termijn aanvaardbaar zijn,
indien het bestuursorgaan bereid is de daaruit voortvloeiende extra schade
te vergoeden of voor haar rekening te nemen, bijvoorbeeld door nog
lopende verplichtingen over te nemen.
Artikel 4.2.6.4
[4:51]
Eerste lid
Ook op deze bepaling is in
de algemene toelichting op deze afdeling reeds ingegaan. Zoals daar
werd uiteengezet, kan een belanghebbende niet alleen aan een "lopende" beschikking, doch ook aan subsidiëring
gedurende een aantal
opeenvolgende jaren een zeker vertrouwen op voortzetting van de subsidie
ontlenen. Dat vertrouwen is minder sterk dan het vertrouwen dat kan
worden ontleend aan een beschikking waarvan de geldigheidsduur nog niet is
verstreken, maar stelt niettemin grenzen aan de mogelijkheid om een
subsidie voor een aansluitend tijdvak te weigeren. Het maakt daarbij
niet uit of het vertrouwen is gewekt door één meerjarige subsidieverlening
of een reeks eenjarige subsidieverleningen.
Niet iedere
subsidieverlening gedurende een aantal jaren staat aan weigering voor een
aansluitend tijdvak in de weg. Indien een subsidie wordt verleend voor een
project (bijvoorbeeld een onderzoek) met een looptijd van vier jaar, kan
de ontvanger aan de subsidiëring gedurende vier jaren niet het
vertrouwen ontlenen dat de subsidie na afloop van (de vastgestelde looptijd van)
het project zal worden voortgezet. Gerechtvaardigd vertrouwen op
voortzetting kan slechts ontstaan indien de subsidie naar haar aard van
onbepaalde duur zou kunnen zijn, dat wil zeggen als ook de
gesubsidieerde activiteit naar haar aard van onbeperkte duur is. Dat is bijvoorbeeld
het geval indien het gaat om de exploitatie van een culturele instelling of
een sportaccommodatie. Bij dergelijke voortdurende activiteiten is de
subsidieontvanger veelal ook werkgever. Dat
impliceert dat hij in de
gelegenheid moet worden gesteld om de arbeidsverhoudingen met de
werknemers, die vaak voor hun rechtspositie van de subsidie afhankelijk zijn,
op een behoorlijke wijze af te wikkelen. Bij niet-voortdurende
activiteiten doet deze complicatie zich in veel mindere mate voor. Derhalve is
artikel 4.2.6.4 [4:51] slechts van
toepassing indien het gaat om voortdurende
activiteiten.
Voorts kan niet iedere
subsidieverlening voor voortdurende activiteiten tot een gerechtvaardigd
vertrouwen op voortzetting leiden. Dat is pas het geval indien de subsidiëring gedurende een wat langere periode heeft
plaatsgevonden. Een probleem
daarbij is dat uit de jurisprudentie niet valt af te leiden hoe lang die
periode moet zijn om een beschermenswaardig vertrouwen te doen ontstaan.
Iedere termijn is tot op zekere hoogte rblz.|81|
arbitrair. Er is echter voor
gekozen dit nadeel op de koop toe te nemen, terwille van de
duidelijkheid en rechtszekerheid die alle betrokkenen kan worden geboden door een
termijn te noemen. Gekozen is voor een termijn van drie jaar.
Ook indien voor drie of meer
achtereenvolgende jaren subsidie is verleend voor een
voortdurende activiteit, kan de aanvraag voor een volgende periode uiteraard
worden afgewezen indien een wettelijk voorschrift zich tegen
toewijzing verzet. Men denke aan het geval dat bij gemeentelijke verordening is
bepaald dat slechts subsidie wordt verleend aan sportverenigingen met
ten
minste honderd leden. Uiteraard kan dan, ook na langdurige
subsidiëring, de subsidie worden geweigerd aan een vereniging die niet meer aan
dat vereiste voldoet.
Weigering wegens veranderde
inzichten of gewijzigde omstandigheden is echter slechts mogelijk
met inachtneming van een redelijke termijn (en uiteraard slechts voor zover
de betrokken subsidieregeling daartoe de beleidsvrijheid biedt). Voor
de bepaling van de lengte van de redelijke termijn zijn dezelfde
factoren van belang als bij de intrekking of wijziging van een "lopende"
subsidieverlening. Verwezen zij naar de toelichting
op artikel 4.2.6.3
[4:50].
Waar intrekking slechts
mogelijk is als veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in
overwegende mate tegen voortzetting van de subsidie verzetten, is voor
weigering voor een aansluitend tijdvak de enkele verandering van
omstandigheden of beleidswijziging voldoende, mits daarbij een redelijke
termijn in acht wordt genomen. Zoals hiervoor is uiteengezet, hangt dit
samen met het feit dat de ontvanger in het algemeen aan het einde van
de looptijd van een subsidieverlening minder sterk op voortzetting van de
subsidie mag vertrouwen dan gedurende de looptijd van de
subsidieverlening. Het belang van de flexibiliteit van het beleid weegt dan
dienovereenkomstig zwaarder. Daarbij past dat in dit geval ook geen verplichting
tot schadevergoeding bestaat indien de subsidie wegens
beleidswijziging wordt beëindigd of verminderd.
Weigering met inachtneming
van een redelijke termijn betekent dat de weigering tijdig moet worden
aangekondigd. Indien de beslissing op de aanvraag voor een volgend
tijdvak tijdig vóór de aanvang van dit tijdvak wordt genomen, kan deze
aankondiging samenvallen met de weigering zelf. Indien dit niet het
geval is, bijvoorbeeld omdat op het moment dat de beslissing tot beëindiging
wordt genomen nog geen aanvraag voor de volgende periode is
ingediend, is de aankondiging een zelfstandige beschikking, waartegen
bezwaar of beroep openstaat. Dat is ook gewenst; indien pas beroep zou
openstaan bij de daadwerkelijke weigering, zou dat in dit geval voor de
ontvanger te laat zijn. Voor een toename van het aantal bezwaar- en
beroepsprocedures behoeft niet te worden gevreesd; veelal zal in deze gevallen
ten tijde van de beslissing op de aanvraag de uitslag van een eventuele
tegen de aankondiging aangespannen schorsingsprocedure bekend
zijn, naar aanleiding waarvan hetzij het bestuursorgaan van weigering
zal afzien, hetzij de ontvanger zal beseffen dat een beroep tegen de
weigering kansloos is.
Tweede lid
Het tweede lid geeft
aan
wat dient te geschieden indien de aankondiging van de weigering voor
een volgend tijdvak te laat heeft plaatsgevonden. Het zou te ver
voeren als weigering dan in het geheel niet meer mogelijk zou zijn. In plaats
daarvan is bepaald dat in dat geval de aanvraag moet worden
toegewezen voor een zodanige periode dat tussen de aankondiging en
het einde van de subsidieverhouding een redelijke termijn is
verstreken.
Daarbij geldt in beginsel
dat de subsidie gedurende die resterende periode dezelfde omvang
heeft als voorheen. Dat sluit een geleidelijke rblz.|82|
vermindering van de subsidie
niet uit; die kan immers worden gezien als een gedeeltelijke weigering,
waarvoor de redelijke termijn korter kan zijn dan voor een algehele
weigering. Denkbaar is ook dat onderscheid wordt gemaakt tussen de
verschillende componenten waaruit een subsidie is opgebouwd. Sommige uitgaven
zullen immers sneller kunnen worden verminderd dan andere.
Het kan voorkomen dat voor
deze gedeeltelijke toewijzing geen middelen ter beschikking
zijn gesteld op de begroting voor het volgende jaar. Ook in dat geval dient
echter de gedeeltelijke toewijzing te volgen; het ontbreken van middelen
dient in dit geval voor rekening van het bestuursorgaan te blijven.
Het bestuursorgaan had dit probleem immers kunnen voorkomen door het
voornemen tot beëindiging of vermindering tijdig aan te kondigen.
Derhalve is bepaald dat een uit artikel 4.2.6.4 [4:51], tweede lid, voortvloeiende
verplichting tot gedeeltelijke toewijzing prevaleert boven een
eventueel uit artikel 4.2.2.1 [4:25], eerste lid, voortvloeiende verplichting tot
weigering.
Afdeling
4.2.7. Betaling en terugvordering
Artikel 4.2.7.1 [4:52]
Door de vaststelling van de
subsidie verplicht het bestuursorgaan zich tot daadwerkelijke
uitbetaling van het vastgestelde bedrag. Dit is uitgedrukt in het eerste lid
van artikel 4.2.7.1 [4:52].
Het spreekt vanzelf dat bij
de uitbetaling eventuele voorschotten met de subsidie verrekend worden.
Het zal veelal het meest praktisch zijn om bij de vaststelling van de
subsidie ook het saldo van subsidiebedrag en reeds betaalde voorschotten te
bepalen. Het is echter niet juist om de subsidie vast te stellen op het
bedrag dat overeenkomt met de subsidieverlening minus de verleende
voorschotten. De vaststelling dient te geschieden op het met de verlening
overeenkomende bedrag. Pas bij de uitbetaling worden de reeds betaalde
voorschotten op dat bedrag in mindering gebracht.
Ook is het mogelijk dat het
bedrag van de betaalde voorschotten het bedrag van de vastgestelde
subsidie te boven gaat. In dat geval kan het saldo, als zijnde onverschuldigd betaald, van de
subsidieontvanger
worden teruggevorderd.
De rechtszekerheid
vereist dat de subsidieontvanger weet wanneer hij de betaling van de subsidie
tegemoet kan zien. Derhalve dient de betalingsverplichting van
het bestuursorgaan aan een termijn te worden gebonden. Daarin voorziet
het tweede lid. In het algemeen moet een termijn van vier weken
voldoende worden geacht. Voor bepaalde gevallen zou deze termijn echter te
kort kunnen zijn. Zo is het mogelijk dat de subsidieontvanger bepaalde
uitgaven pas na de vaststelling daadwerkelijk behoeft te doen. Het
kan dan redelijk zijn dat de overheid pas op dat moment verplicht wordt de
gelden over te maken. Daarom is de mogelijkheid geboden om bij wettelijk voorschrift een andere termijn te
stellen.
Omdat ook bij subsidies die
niet op een wettelijk voorschrift berusten de termijn van vier weken in
bijzondere gevallen te kort kan zijn, voorziet het derde lid ook voor die
subsidies in de mogelijkheid een andere termijn te bepalen. Met het oog op de
rechtszekerheid dient dit, zo enigszins mogelijk, reeds bij de
subsidieverlening te geschieden. Slechts indien geen beschikking tot
subsidieverlening wordt gegeven, kan bij de subsidievaststelling nog een
afwijkende betalingstermijn worden bepaald.
Het spreekt vanzelf dat de
te bepalen termijn een redelijke dient te zijn. Uitgangspunt is dat zo
spoedig mogelijk na de subsidievaststelling moet worden betaald. Alleen
indien daarvoor bijzondere redenen zijn, kan de betaling voor langere tijd
worden uitgesteld.
rblz.|83|
Met het verstrijken van de
betalingstermijn wordt de verbintenis tot betaling van het
vastgestelde subsidiebedrag opeisbaar. Dit betekent dat het bestuursorgaan,
indien
het niet tijdig betaalt, zonder ingebrekestelling de wettelijke rente
verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop de termijn verstreken is. Dit volgt uit
de artikelen 6:119 juncto 6:83 NBW.
Artikel 4.2.7.2
[4:53]
Het is niet
ongebruikelijk
dat het subsidiebedrag in termijnen wordt uitbetaald. De bevoegdheid
daartoe is in dit artikel neergelegd. Daarin is het woord "gedeelten" in
plaats van "termijnen" gebruikt, om te voorkomen dat verwarring
ontstaat met het begrip "termijn" in de zin van een bepaald tijdvak.
Het is voor de subsidieontvanger van belang te weten dat de subsidie in gedeelten zal worden
betaald, zodat hij zijn financiële planning daarop kan afstemmen. Daarom is
bepaald dat het bestuursorgaan slechts bevoegd is de subsidie in
gedeelten te betalen indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
Dit zou echter weinig zekerheid bieden indien het bestuursorgaan vrij zou zijn
omvang en frequentie van de gedeelten te bepalen. Daarom moet tevens
worden aangegeven hoe de gedeelten worden berekend en op welke
tijdstippen zij worden betaald. Een simpele aanduiding als "twaalf
gelijke maandelijkse termijnen" kan daartoe overigens al voldoende zijn.
Ook hier is een voorziening
nodig voor subsidies die niet op een wettelijk voorschrift
berusten. Het tweede lid voorziet voor die categorie in de mogelijkheid bij de
subsidieverlening of, indien deze ontbreekt, bij de subsidievaststelling te
bepalen dat in gedeelten wordt betaald, onder dezelfde beperkingen als in
het eerste lid gesteld. In dit geval zal de noodzaak om in gedeelten te
betalen bij de concrete subsidiebeschikking moeten worden gemotiveerd (vgl.
artikel 3.6.1 [3:46]), terwijl voorts uiteraard het aantal en de hoogte van
de gedeelten aan eisen van redelijkheid moeten voldoen.
Artikel 4.2.7.3
[4:54]
De verplichting om het
subsidiebedrag te betalen, ontstaat door de subsidievaststelling, dus
veelal pas na afloop van de gesubsidieerde activiteit. In veel gevallen
zal de ontvanger die activiteit echter niet kunnen verrichten als de overheid
niet vooraf gelden ter beschikking stelt. Dat pleegt dan ook te gebeuren.
Deze betalingen hebben het karakter van voorschotten, die
vooruitlopen op de betaling van de het subsidiebedrag zelf.
Anders dan in het
voorontwerp is, mede op advies van de Interdepartementale Commissie voor de
Harmonisatie van Wetgeving, gekozen voor het stelsel dat de bevoegdheid tot voorschotverlening slechts bestaat
indien dit bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Dit stimuleert
bestuursorganen om zorgvuldig te overwegen of voorschotverlening noodzakelijk is,
en zo ja, welk systeem van bevoorschotting moet worden gehanteerd.
Anders dan thans wel wordt
aangenomen, moet de beslissing om een voorschot te verlenen of te
weigeren als een beschikking worden aangemerkt. Deze beslissing berust immers op een publiekrechtelijke titel,
te weten artikel 4.2.7.3 [4:54] Algemene wet
bestuursrecht, eventueel in samenhang met het wettelijk
voorschrift waarop de subsidie berust. Zo wordt bereikt dat de
administratieve rechter die over de subsidieverlening zelf oordeelt ook bevoegd
is in eventuele geschillen met betrekking tot de voorschotverlening. Het
betalen of weigeren te betalen van voorschotten is echter volgens de
Afdeling rechtspraak geen beschikking, maar (het weigeren van) een rechtshandeling naar burgerlijk recht, meer bepaald,
rblz.|84|
het (niet) nakomen van een
verbintenis (vgl. Afd. rechtspraak 19 februari 1980, tB/S, V, nr. 165).
Met het oog op beperking van
het aantal beroepsprocedures verdient het overigens aanbeveling de
beschikking tot voorschotverlening zoveel mogelijk te combineren met
de beschikking tot subsidieverlening. Zulks is evenwel niet voorgeschreven,
omdat een mogelijkheid om in een later stadium bij afzonderlijke
beschikking voorschotten te verlenen in de praktijk niet kan worden
gemist.
Vanzelfsprekend moet uit de
beschikking het bedrag van het voorschot of de voorschotten kunnen
worden afgeleid. Dit is in het tweede lid neergelegd. Daarbij is niet de eis gesteld dat een nominaal bedrag wordt
vermeld. Voldoende is dat
aangegeven wordt hoe het bedrag wordt bepaald. Het kan immers,
bijvoorbeeld bij structurele subsidies aan instellingen, doelmatig zijn
te volstaan met de vermelding dat het voorschot 7,5% van het
subsidiebedrag per maand bedraagt of de omvang van de periodieke
voorschotten op enigerlei wijze te relateren aan de feitelijke
middelenbehoefte van de ontvanger.
Artikel 4.2.7.4
[4:55]
De verlening van een
voorschot verplicht tot uitbetaling van het voorschot, zoals de
vaststelling van de subsidie verplicht tot uitbetaling van het subsidiebedrag. Het
ligt voor de hand ook de betalingstermijn bij voorschotten op dezelfde
wijze te regelen als bij de subsidie zelf: er geldt een betalingstermijn van
vier weken, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening anders
is betaald. Met dit laatste wordt ook de mogelijkheid geopend om aan
het begin van het jaar bij één beschikking te betalingstijdstippen voor
alle dat jaar te verlenen voorschotten vast te stellen.
Artikel 4.2.7.5
[4:56]
Indien het bestuursorgaan
overweegt de subsidieverlening of de subsidievaststelling met
terugwerkende kracht in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen, ligt daar veelal een aan de subsidieontvanger toe te rekenen
handeling aan ten grondslag. Het kan dan ongewenst zijn dat het
bestuursorgaan gedurende de periode van de voorbereiding van de
intrekkings- of wijzigingsbeschikking toch nog betalingen aan de ontvanger
moet doen. Daarom is voorzien in een beperkte mogelijkheid om
deze - uit de voorschotverlening of uit de subsidievaststelling
voortvloeiende - betalingsverplichting op te schorten.
Het betreft hier een
ingrijpende bevoegdheid: vooruitlopend op een beslissing omtrent
intrekking of wijziging worden betalingen stopgezet waarvan de ontvanger in
sommige gevallen geheel of in belangrijke mate afhankelijk is voor het
kunnen verrichten van de activiteiten. Daarom is deze bevoegdheid in
tweeërlei opzicht beperkt. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan een
ernstig vermoeden hebben dat er grond is voor intrekking. Niet iedere
aanwijzing dat er wellicht iets niet helemaal in de haak is, is dus voldoende. In
de tweede plaats kunnen de betalingen niet onbeperkt worden opgeschort.
Opschorten van betalingen moet gezien worden als een tijdelijke,
conservatoire maatregel. Van het bestuursorgaan mag verlangd worden
dat het na het nemen van die maatregel zo spoedig mogelijk definitief
beslist over intrekking of wijziging. Wel moet het bestuursorgaan voldoende
tijd worden gegund voor een zorgvuldig onderzoek naar de vraag of
er inderdaad grond bestaat om de subsidie in te trekken. De voorgestelde
termijn van twaalf weken biedt een redelijk evenwicht tussen deze twee
belangen.
De bepaling heeft niet het
oog op de situatie waarin het bestuursorgaan voornemens is de subsidie op
grond van artikel 4.2.6.3 [4:50] in te trekken of te wijzigen voor de toekomst.
Een dergelijke intrekking geschiedt veelal juist rblz.|85|
niet op grond van een aan de
ontvanger toe te rekenen omstandigheid en behoort bovendien met inachtneming van een redelijke termijn te
geschieden. In dat geval is
het niet redelijk en, omdat de activiteiten veelal nog enige tijd moeten
worden voortgezet, ook niet goed mogelijk de betalingsverplichtingen -
veelal gaat het dan om betaling van voorschotten - op te
schorten. Daartoe geeft artikel 4.2.7.5 [4:56]
dan ook niet de bevoegdheid.
Artikel 4.2.7.6
[4:57]
Het spreekt voor
zich dat
onverschuldigd betaalde subsidies en voorschotten kunnen worden
teruggevorderd, maar ook dat die bevoegdheid tot
terugvordering in de tijd begrensd moet zijn. Gekozen is voor een verjaringstermijn
van vijf jaar. De daaraan ten grondslag liggende overwegingen zijn
in de toelichting op artikel 4.2.6.2 [4:49]
vermeld. Duidelijkheidshalve is hier,
in zoverre in afwijking van de regeling van artikel 309 van Boek
3 BW,
de aanvang van de termijn gefixeerd op de dag waarop de subsidie wordt
vastgesteld, dan wel in strijd wordt gehandeld met een na de vaststelling
voortdurende verplichting.
De terugvordering geschiedt
langs de normale weg, door het instellen van een vordering bij de
burgerlijke rechter. Uiteraard kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten of subsidies in voorkomende gevallen
ook worden verrekend met
voorschotten of subsidies voor een volgend tijdvak.
Afdeling
4.2.8. Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen
Aanleiding
Het in deze titel opnemen
van een aparte regeling over de verstrekking van per boekjaar verstrekte
subsidies aan rechtspersonen betekent vergeleken met het voorontwerp een uitbreiding van de subsidietitel. Aan
deze uitbreiding liggen
verschillende overwegingen ten grondslag.
Allereerst ontwikkelen
binnen de rijksoverheid de ministers in toenemende mate
standaardvoorschriften ten behoeve van hun subsidies. Deze standaardvoorschriften
hebben in het bijzonder betrekking op de subsidiëring van
instellingen. Te denken valt aan instellingen die werkzaam zijn op het terrein
van de gezondheidszorg, welzijn, wetenschappelijk onderzoek en
cultuur. Op rijksniveau subsidieert elk ministerie wel dergelijke instellingen,
thans nog vaak zonder daartoe strekkende wettelijke regeling. Uit het
subsidieoverzicht bij de rapportage geïntegreerd subsidiebeleid
(Kamerstukken II 1993-1994, 22 150, nr. 11) blijkt dat het in totaal om enkele
honderden instellingen gaat.
De subsidies aan deze
instellingen vertonen een grote mate van overeenstemming waar het
gaat om de bij de verlening en vaststelling te volgen procedures, terwijl
hetzelfde geldt voor de aan de subsidie verbonden verplichtingen,
voor zover die althans geen betrekking hebben op de aard en de omvang van
de gesubsidieerde activiteiten. Gedacht kan worden aan de termijn
waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend en de daarvoor in te dienen
stukken zoals een begroting en een activiteitenplan. Ondanks
deze grote mate van overeenstemming op hoofdlijnen lopen de
bestaande subsidieregelingen op detailpunten sterk uiteen, zonder dat daarvoor
steeds goede argumenten bestaan. Er blijkt dus behoefte te zijn aan een
verdergaande uniformering van het subsidierecht.
Met de ontwikkeling van
standaardvoorschriften wordt gevolg gegeven aan de aanbevelingen van de
Interdepartementale Werkgroep Administratieve Standaardbepalingen
Subsidie- en Bijdrageregelingen (Handboek financiële informatie en
administratie, Band II, Comptabele regelgeving, rblz.|86|
A6.4) en de maatregelen in
het kader van het geïntegreerd subsidiebeleid. Ook de aanbevelingen van de
Algemene Rekenkamer in het Verslag 1988 (Handelingen II 1988-1989, 21
080, nrs. 1-2, blz. 89 e.v.) hebben betrekking op het ontwikkelen van
standaardvoorschriften. Laatstgenoemde instantie hebben wij om die reden ook
geraadpleegd over opzet en inhoud van afdeling
4.2.8. Daarbij
sprak de Algemene Rekenkamer haar waardering uit voor het feit dat de
subsidietitel is aangevuld met een afdeling als de onderhavige en voor de
uitwerking die daaraan is gegeven en betuigde zij daarmee in grote lijnen haar
instemming.
Naast de hiervoor genoemde
factoren, die reeds nu tot regelgeving leiden, zal in de toekomst
ook artikel 4.2.1.3 [4:23], waarin de eis van een wettelijke grondslag is neergelegd, een verdere impuls geven aan de
totstandkoming van
subsidiewetgeving. Niet alleen op het niveau van de rijksoverheid, maar ook op
dat van de decentrale overheden. Ook daarom is het gewenst deze
wetgeving waar mogelijk te harmoniseren.
Ten slotte is een uitbreiding
van de subsidietitel van belang, nu artikel 4.2.1.3 [4:23], anders dan in het
voorontwerp, ook subsidies waarvan het maximumbedrag en de ontvanger in de begroting worden genoemd,
uitzondert van de eis van
een wettelijke grondslag. Zoals in de toelichting op dat artikel [4:23]
reeds werd
opgemerkt, is dit gebeurd om een onevenredig grote wetgevingsinspanning
te voorkomen. De uitbreiding van de subsidietitel maakt deze
inkrimping van het vereiste van een wettelijke grondslag meer aanvaardbaar,
omdat daardoor veel van de subsidies die nu niet meer aan de eis van
een wettelijke grondslag hoeven te voldoen, toch op een aantal belangrijke punten, zij het facultatief, in de
Algemene wet bestuursrecht zelf
worden geregeld.
Exploitatie- en budgetsubsidies
Afdeling 4.2.8 beoogt een
regeling te geven voor subsidies die per boekjaar worden verleend aan
rechtspersonen ter bekostiging van hun structurele activiteiten. Om die reden zullen
projectsubsidies, dat wil
zeggen subsidies voor
activiteiten die naar hun aard een eenmalig karakter hebben, niet snel
onder de bepalingen van deze afdeling te brengen zijn. Te denken valt
aan subsidies voor een congres, een toneelvoorstelling of een
investeringssubsidie. Wel is het denkbaar dat de verstrekking van een
projectsubsidie aan een rechtspersoon die reeds wordt gesubsidieerd op de
voet van deze afdeling, "meeloopt" met de subsidieverstrekking per
boekjaar.
Afdeling 4.2.8 is niet
alleen bedoeld voor de zogenoemde exploitatiesubsidies, dat wil zeggen de
subsidiëring van het exploitatietekort van de subsidieontvanger, maar ook
voor subsidievormen die in meer of mindere mate het karakter
hebben van budgetsubsidiëring.
Kort gezegd houdt
budgetsubsidiëring in dat het subsidiebedrag direct gerelateerd wordt aan een
bepaald niveau van prestaties of activiteiten. Het ter beschikking te stellen budget wordt dan bepaald door het
gewenste activiteiten- of
prestatieniveau te koppelen aan de (genormeerde) kostprijs van een
eenheid prestatie of activiteit. Vergeleken met exploitatiesubsidies heeft
budgetsubsidiëring verschillende voordelen. Allereerst gaat van
budgetsubsidiëring een sterkere prikkel tot doelmatigheid uit. Voorts kan door
middel van budgetsubsidiëring de hoogte van de subsidie beter worden
afgestemd op de daarmee te verrichten activiteiten, omdat deze
vorm van subsidiëring dwingt tot een nauwkeuriger kostenberekening.
Daarnaast is de wijze van verantwoording en de controle daarop eenvoudiger,
omdat volstaan kan worden met aan te tonen dat het afgesproken
activiteiten- of prestatieniveau is gehaald. Dit laatste illustreert ook een
ander voordeel van budgetsubsidiëring, te weten dat deze vorm van
subsidiëring leidt tot een geringere bemoeienis van het bestuur. Indien
eenmaal is vastgesteld tegen welke kostprijs de activiteiten verricht kunnen
worden, behoeft het bestuur immers in rblz.|87|
beginsel niet meer gedurende
het subsidietijdvak nog controle uit te oefenen op het kostenniveau.
Dit in tegenstelling tot de situatie waarin een exploitatietekort wordt
gesubsidieerd.
Het is niet altijd mogelijk over te schakelen op budgetfinanciering. De activiteiten met het oog
waarop subsidie wordt verleend, zijn niet altijd zodanig te objectiveren dat
het bedrag van de subsidie op grond daarvan nauwkeurig kan worden
bepaald. Wel leidt de toenemende aandacht voor budgetfinanciering ertoe
dat veel subsidies steeds sterker worden bezien vanuit de daarmee te
verrichten activiteiten. Zo is het nu veelal vereist dat bij de begroting ook een
activiteitenplan wordt ingediend en wordt daarbij soms de aanvullende
eis gesteld dat op het plan per activiteit de benodigde capaciteit moet
worden aangegeven.
Bij het opstellen van
afdeling 4.2.8 is getracht zoveel mogelijk rekening te houden met de
ontwikkelingen in de richting van budgetsubsidiëring. Zo stelt artikel 4.2.8.2.3
[4:62] de eis dat het activiteitenplan de per activiteit benodigde personele en
materiële middelen vermeldt en behoeft ingevolge artikel 4.2.8.2.4 [4:63]
de bij de aanvraag in te dienen begroting alleen een raming te bevatten van
de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de activiteiten
waarvoor subsidie wordt gevraagd. Aldus kan niet alleen een goed inzicht
worden verkregen in de verhouding tussen activiteitenplan en
begroting, maar kan ook eenvoudiger worden vastgesteld of er aanleiding
is over te gaan tot een systeem van budgetsubsidiëring.
Subsidieverstrekking per
boekjaar
In de aanhef van
afdeling
4.2.8 wordt gesproken over per boekjaar verstrekte subsidies aan
rechtspersonen. Bij rechtspersonen is het boekjaar de periode waarin
de cyclus van planning, uitvoering en verantwoording zich
afspeelt. De structuur van afdeling 4.2.8 is op deze jaarlijkse cyclus afgestemd.
Afdeling 4.2.8 spreekt dan ook niet van "het tijdvak waarvoor de
subsidie wordt gevraagd" (vgl. artikel 4.2.3.1 [4:29]), maar van het boekjaar.
De relatie met de overige
afdelingen van titel 4.2
Afdeling 4.2.8 moet worden
beschouwd als een uitwerking van en een aanvulling op de overige
afdelingen van titel 4.2. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor beantwoording van
de vraag welke voorschriften op de vaststelling van de subsidie
van toepassing zijn niet alleen paragraaf 4.2.8.5 geraadpleegd moet
worden, maar ook afdeling 4.2.5. Hiermee volgt
afdeling 4.2.8 de
systematiek van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij steeds de meer
uitgewerkte regelingen moeten worden toegepast met inachtneming van de meer
algemene regelingen.
Paragraaf 4.2.8.1
Artikel 4.2.8.1.1 [4:58]
Eerste lid
Om verschillende redenen
hebben wij ervoor gekozen om afdeling 4.2.8 het karakter te geven
van een facultatieve standaardregeling, dat wil zeggen dat de afdeling van
toepassing is indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit
van het bestuursorgaan is bepaald.
Allereerst veronderstelt
afdeling 4.2.8 een in sommige opzichten tamelijk sterke
betrokkenheid van het subsidieverlenende bestuursorgaan bij de subsidieontvanger. Die betrokkenheid is op haar plaats wanneer het bestuursorgaan enerzijds
groot belang hecht aan de activiteiten die de subsidieontvanger verricht
en anderzijds daarvoor een betrekkelijk rblz.|88|
omvangrijk bedrag ter
beschikking stelt. In dergelijke gevallen behoort het bestuursorgaan
recht te
hebben op bepaalde informatie en behoort het bovendien tot op zekere
hoogte invloed te kunnen uitoefenen op het beleid van de
subsidieontvanger en, afhankelijk van de gekozen vorm van subsidiëring, op de
kostenontwikkeling bij de subsidieontvanger.
Niet alle
subsidieverhoudingen kenmerken zich door een dergelijke betrokkenheid. Indien
bijvoorbeeld een gemeentebestuur jaarlijks een vast bedrag aan een buurtvereniging verstrekt als blijk van waardering voor
haar activiteiten of een
sportvereniging subsidieert met een vast bedrag per lid, is er in beginsel
geen aanleiding om omvangrijke informatieverplichtingen op te leggen of
ingrijpende controlebevoegdheden op te eisen. In dergelijke
gevallen kan worden volstaan met toepassing van de overige afdelingen van de
subsidietitel.
Afdeling 4.2.8 beoogt
daarentegen een regeling te bieden voor die subsidies aan rechtspersonen waarbij het bestuursorgaan zowel financieel als beleidsmatig
sterk betrokken is. Het antwoord op de vraag wanneer dit precies het
geval is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden. Het ligt daarom in de
rede de beslissing afdeling 4.2.8 toe te passen over te laten aan de
bijzondere wetgever of het subsidieverlenende bestuursorgaan.
Voor een facultatieve
regeling is daarnaast gekozen omdat het niet goed mogelijk bleek een
algemeen criterium te formuleren aan de hand waarvan bepaald kan worden
wanneer de hier geboden procedure voor subsidieverstrekking gevolgd
moet worden. Daarvoor zou het nodig zijn de subsidies waarop afdeling
4.2.8 van toepassing zou moeten zijn zodanig te definiëren dat
de reikwijdte van de afdeling zonder meer vast zou staan. Tot een
dergelijke definitie zijn wij niet gekomen; daarvoor bestaan te veel onderlinge
verschillen tussen subsidies. Hiervoor werden al de exploitatiesubsidie en
de budgetsubsidie genoemd. Beide subsidies komen in tal van variaties
voor, terwijl daarnaast nog andere subsidievormen kunnen worden
onderscheiden. Een regeling met een dwingend karakter, zoals uit kringen
van accountants wel is bepleit, zou dan ook ten minste gepaard moeten
gaan met een bevoegdheid voor het bestuursorgaan om wegens dringende
redenen af te wijken van het bepaalde in afdeling
4.2.8. Daaraan
kleven uit een oogpunt van rechtszekerheid bezwaren. Naar onze
opvatting verdient het dan ook de voorkeur om de wijze waarop afdeling 4.2.8
in de subsidiepraktijk toepassing vindt nauwlettend te volgen en op
grond van de daarmee opgedane ervaringen eventueel nogmaals na te
gaan of een regeling met een meer dwingend karakter nodig is.
Het gegeven dat afdeling 4.2.8
van facultatieve aard is, betekent niet dat daarvan geen uniformerende
werking zou uitgaan. Wij gaan ervan uit dat diegenen die bij de totstandbrenging van een wettelijke subsidieregeling
of een subsidiebeschikking
zijn betrokken zich steeds terdege zullen bezinnen op de vraag of afdeling 4.2.8
toepassing behoort te vinden. De onderhavige regeling beoogt
immers door het bieden van een uniforme standaardregeling bij te
dragen aan een doelmatiger besluitvormingsproces, zodat het in de rede
ligt daarvan alleen af te wijken indien daarvoor goede redenen zijn.
Niet alleen van de wetgever, maar ook van bestuursorganen mag worden
verwacht dat zij afdeling 4.2.8 als uitgangspunt kiezen bij de
subsidiëring en aldus bijdraagt aan de rechtseenheid en de
kenbaarheid van het recht. Wij zullen het dan ook toejuichen wanneer
bestuursorganen in algemene zin afdeling 4.2.8
van toepassing verklaren op de
per boekjaar verstrekte subsidiering van rechtspersonen.
Bij de keuze voor al dan
niet toepassing van afdeling 4.2.8 moet
ten slotte worden bedacht dat
de regeling op een aantal punten de mogelijkheid biedt tot
afwijking, zodat zij met een zekere flexibiliteit kan worden toegepast.
rblz.|89|
Tweede lid
Hiervoor is uiteengezet
waarom afdeling 4.2.8 in beginsel een facultatief karakter heeft.
Tegelijkertijd hebben wij ook aangegeven het toe te juichen wanneer bestuursorganen de
afdeling in algemene zin van toepassing verklaren.
Op grond van de ervaring die
met de afdeling wordt opgedaan, moet blijken of het mogelijk is
haar ten aanzien van bepaalde subsidies verplicht te stellen. Dit
zou uiteraard de uniformiteit van voorschriften over subsidies bevorderen.
Het ligt in de bedoeling in ieder geval binnen drie jaar na de
inwerkingtreding van deze titel dit nader te onderzoeken. Het tweede lid geeft de
bevoegdheid om dan bij algemene maatregel van bestuur de subsidies aan te
wijzen waarop afdeling 4.2.8 van toepassing is.
Ook vóór die tijd kan de
bevoegdheid van het tweede lid worden gebruikt. Vooral voor
subsidies van de rijksoverheid kan dat gewenst zijn: bepaalde soorten subsidies
kunnen dan in algemene zin worden aangewezen, zodat de vantoepassingverklaring van afdeling 4.2.8
zich niet behoeft te beperken tot
subsidies op een bepaald beleidsterrein.
Artikel
4.2.8.1.2 [4:59]
Het behoeft geen
betoog dat
een bestuursorgaan dat een subsidie verstrekt over voldoende
bevoegdheden moet beschikken om adequaat te kunnen controleren of de aan
de subsidie verbonden verplichtingen zijn nageleefd. De artikelen
4.2.4.0 [4:37] en 4.2.4.1 [4:38]
bieden de mogelijkheid om bij de beschikking tot
subsidieverlening verplichtingen ten behoeve van de controle op te leggen. Langs
deze weg kan echter niet worden voorzien in de aanwijzing van
toezichthouders. Daarvoor is, gelet op de ingrijpende bevoegdheden die afdeling
5.1 [5.2]
[titel 5.2] aan toezichthouders toekent, een grondslag in een wettelijk
voorschrift nodig.
Juist bij per boekjaar
verstrekte subsidies aan instellingen zal in veel gevallen behoefte bestaan
aan de aanwijzing van toezichthouders, omdat het vaak gaat om omvangrijke
subsidies en om instellingen die in belangrijke mate door de
overheid gefinancierd worden en taken uitoefenen die de overheid
van wezenlijk belang acht. Onder die omstandigheden dient de
subsidiegever zo nodig bevoegd te zijn om ter plaatse toezicht te houden op de
doelmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van de
subsidiegelden.
Voor de rijksoverheid komt
daarbij dat ook de Algemene Rekenkamer in sommige gevallen beschikt
over de bevoegdheid om bij gesubsidieerde instellingen controles ter
plaatse uit te voeren. In die gevallen is het gewenst dat de betrokken
minister over zoveel mogelijk gelijke bevoegdheden beschikt, teneinde
zijn verantwoordelijkheid tegenover de Algemene Rekenkamer te
kunnen waarmaken.
Voorts komt het nogal eens voor dat gesubsidieerde instellingen van het type waarvoor afdeling 4.2.8
is geschreven hun administratie laten verzorgen door een administratiekantoor, dan wel nauwe financiële
banden hebben met andere
rechtspersonen, zoals steunstichtingen. In die gevallen kan een juist en
volledig inzicht in de financiële situatie van de subsidieontvanger veelal
slechts verkregen worden indien ook op deze administratiekantoren of
steunstichtingen de verplichting rust om desgevraagd inlichtingen te
verschaffen of inzage in boeken en bescheiden te geven. Bij de
beschikking tot subsidieverlening kunnen echter geen verplichtingen worden opgelegd aan derden. In het systeem
van de Algemene wet bestuursrecht kan in dergelijke verplichtingen het best worden voorzien door de
aanwijzing van toezichthouders (vgl. de artikelen
5.1.6 [5:16],
5.1.7 [5:17]
en
5.1.10 [5:20]). Omdat juist deze subsidies in verband met het bepaalde in artikel
4.1.2.3 [lees: 4.2.1.3 [4:23], derde lid, onderdeel
c, nogal eens niet op een wettelijk voorschrift zullen
berusten, is ervoor gekozen in de Algemene rblz.|90|
wet bestuursrecht te bepalen
dat voor deze subsidies toezichthouders kunnen worden aangewezen.
De onderhavige bevoegdheid
om toezichthouders aan te wijzen, kent een aantal beperkingen. In
de eerste plaats biedt artikel 4.2.8.1.2 [4:59], om hiervoor uiteengezette redenen, slechts de bevoegdheid toezichthouders
aan te wijzen voor subsidies
waarop afdeling 4.2.8 van toepassing is verklaard, hetzij bij
wettelijk voorschrift, hetzij bij de beschikking tot subsidieverlening. De
aanwijzing van toezichthouders voor andere subsidies kan zo nodig bij of
krachtens bijzonder wettelijk voorschrift geschieden.
In de tweede plaats is de
bevoegdheid van de aan te wijzen toezichthouders beperkt tot de
naleving van aan de subsidieontvanger op te leggen verplichtingen. Voor
een goed begrip zij opgemerkt dat dit niet betekent dat van derden geen
inlichtingen kunnen worden verlangd. Dit is mogelijk (vgl. artikelen
5.1.6 [5:16] en 5.1.7 [5:17]
juncto 5.1.10 [5:20]) voor zover zulks redelijkerwijs noodzakelijk is voor
de controle op de naleving van aan de subsidieontvanger opgelegde
verplichtingen. Dit kan zich met name voordoen in de zojuist
genoemde gevallen waarin de ontvanger zijn administratie aan een derde
heeft toevertrouwd of zodanig nauwe financiële banden met een andere rechtspersoon
heeft dat zonder inzage
in de boeken van die andere
rechtspersoon geen adequaat inzicht in de naleving van de
verplichtingen door de ontvanger kan worden verkregen.
Het tweede lid van de
onderhavige bepaling beperkt, met toepassing van artikel 5.1.4 [5:14], de
bevoegdheden van de krachtens het onderhavige artikel aan te wijzen toezichthouders. De uitgesloten bevoegdheden
betreffen bevoegdheden tot
het onderzoeken van zaken en het nemen van monsters, alsmede tot het
doen stilhouden en onderzoeken van vervoermiddelen. Aan deze
bevoegdheden bestaat bij subsidies zelden behoefte. Mocht dat in een
uitzonderlijk geval wel zo zijn, dan kan voor die in deze context uitzonderlijke
bevoegdheden ook redelijkerwijs een afzonderlijk wettelijk voorschrift worden
geëist.
Paragraaf 4.2.8.2
Artikel 4.2.8.2.1 [4:60]
Artikel 4.2.8.2.1
[4:60] bepaalt
dat een subsidieaanvraag uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van
het subsidiejaar moet worden ingediend. Indien de aanvraag later
wordt ingediend, kan het bestuursorgaan in beginsel besluiten om die
reden de aanvraag niet in behandeling te nemen (zie artikel 4:5
Awb).
Voor een termijn van dertien
weken is gekozen om het bestuursorgaan een redelijke periode te
geven om een beslissing op de aanvraag te nemen en anderzijds te waarborgen dat de beslissing op de aanvraag nog
vóór de aanvang van het
subsidiejaar genomen kan worden (zie over de beslistermijn de artikelen
4:13 tot en met 4:15 Awb). Aangezien het vaststellen van een
dergelijke termijn niettemin altijd enigszins arbitrair blijft, is de mogelijkheid
tot afwijking bij wettelijk voorschrift gegeven.
Artikelen 4.2.8.2.2 tot en
met 4.2.8.2.5 [4:61 t/m 4:65]
Artikel 4.2.8.2.2
[4:61] somt de
bescheiden op die bij de aanvraag moeten worden overgelegd en is als
zodanig een uitwerking van artikel 4:2 Awb. De in het eerste lid genoemde bescheiden hebben enerzijds betrekking op
de activiteiten waarop de
instelling zich in het subsidiejaar wil richten en anderzijds op de daarvoor
benodigde personele, materiële en financiële middelen. Het spreekt voor
zich dat deze stukken congruent moeten zijn en bij de beslissing op de
subsidieaanvraag in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.
Dat daarnaast andere stukken geëist kunnen rblz.|91|
worden, maakt de zinsnede
"in ieder geval" duidelijk, terwijl bovendien artikel 4:5
het
bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om aanvulling van de verstrekte gegevens te
vragen. Artikel 4:5 bevat ook de sanctie op het niet verstrekken van toereikende
gegevens, te weten het - na aanmaning - buiten behandeling laten van
de aanvraag.
De situatie kan zich
voordoen dat voor het nemen van een beschikking op de aanvraag de begroting
of het activiteitenplan niet relevant zijn. Dit kan het geval zijn indien de
hoogte van de subsidie rechtstreeks voortvloeit uit de ter zake
geldende regels. Te denken valt aan de subsidieverlening voor een reeks van
jaren, waarbij de omvang afhankelijk is van (wettelijke) normbedragen en
periodiek een subsidievaststelling plaatsvindt op basis van door de
subsidieontvanger aangeleverde gegevens inzake de door hem geleverde
prestaties. Een voorbeeld biedt de subsidiëring van het
openbaar vervoer, waarbij de hoogte van de subsidie bepaald wordt door een
normbedrag per reizigerskilometer.
Indien de aanvrager over een
egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4.2.8.4.5 [4:72]
beschikt, zal hij
ingevolge het tweede lid de omvang daarvan in de aanvraag dienen te vermelden. Bij de beslissing op de aanvraag kan
het bestuursorgaan daarmee
dan rekening houden, hetzij door indien nodig een afzonderlijk
bedrag te bestemmen voor de voeding van die reserve, hetzij door de
hoogte van de te verlenen subsidie mede te laten afhangen van de omvang van
die reserve.
De artikelen 4.2.8.2.3 tot
en met 4.2.8.2.5 [4:62 t/m 4:64] geven vervolgens een nadere uitwerking van de inhoud van
de gevraagde bescheiden.
Het activiteitenplan stelt
het bestuursorgaan in staat te beoordelen of de door de aanvrager
voorgestelde activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen zodanig passen in het door hem gevoerde beleid dat hij tot
subsidieverlening wil
overgaan. Daarnaast biedt het activiteitenplan het bestuursorgaan de
gelegenheid om zelf tot een oordeel te komen over de vraag of de doelen die de
aanvrager zich stelt, bereikt kunnen worden door middel van de voorgestelde
activiteiten. Doordat wordt voorgeschreven dat in het activiteitenplan
ook per activiteit de benodigde personele en materiële middelen moeten
worden vermeld, kan het bestuursorgaan zich bovendien een voorlopig
oordeel vormen over de doelmatigheid waarmee de subsidieontvanger opereert. Een definitief oordeel daarover is vanzelfsprekend pas
mogelijk in de fase van vaststelling van de subsidie, nadat de
activiteiten zijn verricht.
Voor een goed begrip zij nog
opgemerkt dat het voorschrift om per activiteit de benodigde
capaciteit te vermelden in het algemeen niet een uitsplitsing en détail beoogt. In veel gevallen zal volstaan kunnen worden
met per categorie van
activiteiten de benodigde capaciteit aan te geven.
Artikel 4.2.8.2.4 [4:63]
stelt
enige eisen aan de begroting waarop subsidie wordt gevraagd. Deze moet
zodanig zijn ingericht dat een voor de subsidieverlening toereikend inzicht kan worden verkregen in niet alleen
de uitgaven en inkomsten met
betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd,
maar ook in de ontwikkelingen daarin, zoals die vallen af te leiden uit de
financiële verslaglegging over het voorgaande jaar. Het derde lid maakt
die vergelijking mogelijk door te bepalen dat de begroting een vergelijking
dient te bevatten met de begroting voor het lopende boekjaar en met de
gerealiseerde inkomsten en uitgaven over het boekjaar voorafgaand aan
het lopende boekjaar.
Voor zover de activiteiten
mede gefinancierd zullen worden uit andere inkomsten dan de
aangevraagde subsidie, zal de begroting ingevolge het eerste lid ook deze
inkomsten moeten vermelden. Aldus kan het bestuursorgaan de financiële
haalbaarheid van één en ander beter beoordelen. Bovendien krijgt het bestuur
daarmee inzicht in de financiële relaties van de aanvrager met derden,
waaronder andere subsidieverlenende instanties (zie ook artikel
4.2.8.2.6 [4:65]).
Het bestuursorgaan en de
ontvanger van een per boekjaar verstrekte subsidie onderhouden veelal
een relatie over een reeks van jaren. rblz.|92|
Daardoor zijn de in de voorgaande artikelen opgesomde bescheiden
doorgaans toereikend voor
een beoordeling van de aanvraag. Indien een subsidieaanvraag voor de
eerste maal wordt ingediend, zal het bestuursorgaan echter ook andere
gegevens nodig hebben om zich bekend te maken met de aanvrager.
Artikel 4.2.8.2.5 [4:64] geeft hierover enkele voorschriften. Deze gegevens
betreffen de oprichtingsakte en de statuten. Aan de hand daarvan kan
worden nagegaan of de aanvrager inderdaad een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid is (vgl. artikel 4.2.8.1.1 [4:58]) en of de activiteiten met
het oog waarop de subsidie wordt aangevraagd, passen in de statutaire
doelstellingen van de aanvrager.
Voorts zal de aanvrager
gegevens moeten verstrekken over zijn financiële positie. Voor
wat betreft de met het oog hierop over te leggen bescheiden is aangesloten
bij hetgeen Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek op dit punt van
rechtspersonen eist. Indien de subsidie wordt aangevraagd door een al gedurende
enige tijd functionerende rechtspersoon, zal deze immers ingevolge Boek 2
jaarlijks een balans en een staat van baten en lasten (artikel 2:10a)
dan wel een jaarrekening (artikel 2:361) moeten opmaken. Indien geen van
deze stukken voorhanden is, bijvoorbeeld omdat de aanvragende
rechtspersoon eerst kort vóór de aanvraag is opgericht, kan worden
volstaan met het overleggen van een verslag over de financiële positie van
de aanvrager. Om voor de hand liggende redenen is bij deze eis een uitzondering gemaakt voor rechtspersonen die
krachtens publiekrecht zijn
ingesteld.
Genoemde financiële
bescheiden moeten ingevolge het tweede lid in beginsel zijn voorzien van
een accountantsverklaring. Juist bij een eerste subsidieaanvraag zal het
bestuursorgaan zich immers willen vergewissen van de betrouwbaarheid van
de aspirant-subsidieontvanger. Voor wat betreft de gekozen
terminologie kon niet zonder meer aansluiting worden gezocht bij artikel 2:393
van het Burgerlijk
Wetboek. Daarin wordt onder de verklaring van
getrouwheid verstaan de beschrijving van de uitslag van het onderzoek naar de
jaarrekening. Daar de onderhavige accountantscontrole ook betrekking kan
hebben op de financiële positie van een stichting of vereniging -
welke rechtspersonen niet onder het jaarrekeningenrecht vallen -
wordt hier om verwarring te voorkomen daarnaast gesproken over de
schriftelijke mededeling inhoudende dat van onjuistheden niet is
gebleken.
In het derde lid is voorzien
in de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift of bij besluit
van het bestuursorgaan vrijstelling dan wel ontheffing van het vereiste
van een accountantscontrole te verlenen. Een vrijstelling ziet op een
categorie van gevallen, een ontheffing op een concreet geval (vgl.
aanwijzing 125 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving). Voor de vraag
onder welke omstandigheden kan worden afgezien van het vereiste
van een accountantscontrole zij verwezen naar de toelichting op artikel
4.2.8.5.6 [4:78].
Artikel 4.2.8.2.6
[4:65]
Deze bepaling is ingegeven
door de rapportage over het eerste spoor van het geïntegreerd
subsidiebeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 150, nr. 5). Daarin werd geconstateerd dat in situaties waarin verschillende
bestuursorganen subsidie
verstrekken voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten het
zaak is na te gaan in hoeverre dit leidt tot een onwenselijke cumulatie van
subsidies. Ook de Algemene Rekenkamer suggereerde in haar reactie
op het ontwerp van afdeling 4.2.8 aandacht te besteden aan de
cumulatieproblematiek.
Artikel 4.2.8.2.6 [4:65]
beoogt
hieraan tegemoet te komen door te bepalen dat bij de aanvraag melding moet
worden gemaakt van eventuele bij andere bestuursorganen ingediende
aanvragen, voor zover die aanvragen althans betrekking hebben op
dezelfde begrote uitgaven. Aldus kan een ongewenste cumulatie van
subsidies worden voorkomen en wordt de rblz.|93|
betrokken
subsidieverstrekkers de mogelijkheid geboden hun besluitvorming ter zake onderling af
te stemmen. Voor een goed begrip zij opgemerkt dat de onderhavige
bepaling een aanvulling vormt op artikel 4.2.8.2.4 [4:63], eerste lid.
Daarin is bepaald dat ook andere inkomsten die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt
gevraagd
in de begroting moeten
worden vermeld. Daardoor zal als regel genoegzaam uit de begroting
blijken in hoeverre de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd
mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd. Dit kan
echter anders zijn indien de aanvrager een subsidieaanvraag voor
dezelfde begrote uitgaven bij verschillende bestuursorganen heeft
ingediend. Dit hoeft uit de begroting niet te blijken, zodat op dit punt de
onderhavige bepaling aanvullend werkt.
Paragraaf 4.2.8.3. De
subsidieverlening
Artikel 4.2.8.3.1 [4:66]
Alleen rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid kunnen een per boekjaar verstrekte
subsidie op de voet van deze afdeling ontvangen. De eis van volledige rechtsbevoegdheid is opgenomen in verband met
artikel 30 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin een beperkte rechtspersoonlijkheid wordt
verleend aan verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen
in een notariële akte. Het betreft hier de zogenoemde informele
vereniging. Voor de oprichting van dit type rechtspersoon is geen
notariële akte vereist, zodat de statuten - indien al aanwezig - niet aan toetsing
door de notaris ingevolge artikel 27, vijfde lid, van Boek
2 BW onderworpen zijn. De organisatie en de bevoegdheidsverdeling van dit type
rechtspersoon zal daardoor niet steeds even doorzichtig zijn, zodat het
minder voor de hand ligt om dergelijke verenigingen op de voet van afdeling 4.2.8
te subsidiëren.
Aan de eis van volledige
rechtsbevoegdheid is niet voldaan indien een subsidieaanvraag wordt
gedaan door een rechtspersoon in oprichting. In een dergelijke situatie ligt
het in de rede dat de aanvrager in overleg treedt met het
bestuursorgaan om (enige) zekerheid te verkrijgen over de vraag of zijn aanvraag voor
inwilliging in aanmerking komt. Het is vervolgens aan de aanvrager
om te beslissen of de uitkomst van dat overleg hem voldoende
zekerheid biedt om de te subsidiëren rechtspersoon metterdaad op te
richten.
Artikel 4.2.8.3.2
[4:67]
Subsidieverlening kan niet
alleen per boekjaar, maar ook voor een langere periode
plaatsvinden. In het laatste geval ontbreekt een jaarlijkse beschikking tot
subsidieverlening en kan worden volstaan met een jaarlijkse vaststelling op
grond van door de aanvrager aangeleverde gegevens. In dat geval kan
in overeenstemming met artikel 4.2.5.6 [4:47], onderdeel
a, de subsidie jaarlijks
ambtshalve worden vastgesteld.
Daartoe is in het tweede lid
de verplichting opgenomen voor de subsidieontvanger om ten
behoeve van de vaststelling jaarlijks bepaalde gegevens aan te leveren. Ingevolge het derde lid zal de beschikking tot
subsidieverlening moeten
aangeven welke die gegevens zijn.
Paragraaf
4.2.8.4.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 4.2.8.4.1 [4:68]
Ingevolge artikel
2:10a van
het Burgerlijk
Wetboek valt het boekjaar samen met het kalenderjaar,
tenzij in de statuten van de rechtspersoon een ander boekjaar is aangewezen.
Artikel 4.2.8.1.2
[4:59] sluit hierop aan door
eveneens het kalenderjaar
als boekjaar aan te wijzen. Bij wettelijk rblz.|94|
voorschrift of in de
beschikking tot subsidieverlening kan hiervan worden afgeweken.
Artikel 4.2.8.4.2
[4:69]
Deze bepaling is een
uitwerking van de algemene in artikel 2:10 van het Burgerlijk
Wetboek neergelegde verplichting voor een rechtspersoon om zodanige aantekening te
houden over zijn vermogenstoestand dat daaruit te allen tijde zijn rechten
en verplichtingen kunnen worden gekend.
Voor beantwoording van de
vraag welke bescheiden tot de administratie moeten worden
gerekend, kan verwezen worden naar de opsomming in artikel 6,
derde lid, Wetboek
van Koophandel. Voorts vallen bewijsstukken van uitgaven
hieronder. Bepalend is steeds het criterium dat alle voor de
vaststelling van de subsidie relevante gegevens in de administratie vallen na te
gaan.
De verplichting om de
administratie en de daarbij behorende bescheiden gedurende tien
jaren te bewaren, is eveneens ontleend aan artikel 2:10 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 4.2.8.4.3
[4:70]
Deze bepaling verplicht de
subsidieontvanger om van aanmerkelijke verschillen tussen de
geraamde en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven mededeling te doen aan het bestuursorgaan.
Zowel bij budgetsubsidies
als bij subsidies waarvan de omvang rechtstreeks afhankelijk is
van de aan de activiteiten verbonden kosten, is het voor het bestuursorgaan
van belang om van dergelijke verschillen op de hoogte te zijn. Er kan dan
bijvoorbeeld aanleiding zijn om tussentijds de bevoorschotting te wijzigen
of om de subsidieverlening te herzien. Zo kan worden voorkomen dat het
bestuur pas bij de vaststelling wordt geconfronteerd met grote tekorten
of overschotten bij de subsidieontvanger of met de situatie dat
activiteiten met het oog waarop de subsidie is verleend niet verricht zijn
als gevolg van tekorten bij de subsidieontvanger. Ook met het oog
op de subsidieverlening voor een volgend boekjaar is het voor het
bestuursorgaan van belang om hiervan op de hoogte te zijn. Het
bestuursorgaan kan dan bij de beoordeling van de aanvraag rekening houden met
het feit dat de begroting waarop het jaar tevoren subsidie is verleend niet volledig is gerealiseerd.
Wanneer er sprake is van "aanmerkelijke"
verschillen waarvan mededeling gedaan moet
worden, is niet in algemene zin aan te geven. Dit zal in het bijzonder afhankelijk zijn van de hoogte van de subsidie,
mede bezien in het licht van
de andere inkomsten van de subsidieontvanger. Indien nodig kan
het bestuursorgaan op grond van artikel 4.2.4.0 [4:37], eerste lid,
onderdeel c, over dit onderwerp nadere voorschriften opleggen.
Gezien het voorgaande is het
antwoord op de vraag of compensatie tussen verschillende
begrotingsposten is toegestaan vooral afhankelijk van de vorm van de desbetreffende subsidie. Zo bestaat tegen compensatie in beginsel geen
bezwaar waar het gaat om budgetsubsidiëring. In dat geval gaat het er immers
om dat een gewenst activiteitenniveau wordt gerealiseerd tegen een
vooraf vastgesteld totaalbedrag of een bepaald genormeerd bedrag per
prestatie-eenheid. Het is in die situatie in wezen onverschillig of binnen de
verschillende componenten waaruit het subsidiebedrag is opgebouwd
verschuivingen optreden. Waar het om gaat, is slechts of het gewenste activiteitenniveau wordt gehaald. Wel
kunnen, zoals gezegd,
eventuele overschrijdingen of tekorten een rol spelen bij de beoordeling
van de subsidieaanvraag voor een volgend boekjaar.
Dit is anders als een
exploitatietekort wordt gesubsidieerd. Omdat de hoogte van het tekort dan
rechtstreeks bepalend is voor de hoogte van de rblz.|95|
subsidie, is het voor het
bestuursorgaan van belang te weten wat de oorzaak is van de
overschrijding van een bepaalde begrotingspost. Indien dan bijvoorbeeld blijkt dat
de overschrijding het gevolg is van onverantwoorde uitgaven in de
materiële sfeer, kan dat aanleiding zijn om compensatie te weigeren.
Artikel 4.2.8.4.4
[4:71]
Deze bepaling somt een
aantal rechtshandelingen op waarvan het verrichten van invloed kan
zijn op de aanwending van subsidiegelden, op de hoogte van later ingediende
subsidieaanvragen of op de kwaliteit en omvang van de activiteiten.
Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald
dat de subsidieontvanger voor het verrichten van één of meer
van deze rechtshandelingen toestemming behoeft van het
subsidiërende bestuursorgaan.
In verband met de vaak
noodzakelijke slagvaardigheid bij de in dit artikel opgesomde
rechtshandelingen is in het tweede lid bepaald dat het bestuursorgaan ten
hoogste
vier weken - met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging met
vier weken - de tijd heeft om op het verzoek om toestemming te reageren.
Het zal niet altijd in de
rede liggen om toestemming te eisen voor de in dit artikel genoemde
rechtshandelingen. Indien bijvoorbeeld de activiteiten van de
subsidieontvanger omvangrijk zijn en zeer veel personele,
materiële en financiële
middelen vergen, zou de verplichting om voor al de in deze bepaling
opgesomde handelingen toestemming te vragen een miskenning kunnen betekenen
van de bij dergelijke instellingen aanwezige professionaliteit.
Ook vanuit de gedachte dat subsidie wordt verleend ter ondersteuning
van particulier initiatief, dat niet meer dan nodig is, moet worden
geconfronteerd met regelgeving, kan er aanleiding zijn om bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening deze bepaling, of onderdelen ervan, niet
van toepassing te verklaren.
In het bijzonder bij
budgetsubsidiëring is het niet vanzelfsprekend dat de subsidieontvanger voor
(alle) hier opgesomde rechtshandelingen toestemming moet vragen. Het
toestemmingsvereiste is er immers vooral op gericht het
bestuursorgaan een zekere invloed te geven op de omvang van het met subsidie te
bekostigen exploitatietekort.
Er zij op gewezen dat het
ontbreken van de vereiste toestemming slechts gevolgen heeft in de
verhouding tussen subsidiegever en subsidieontvanger. De
werking van de zonder toestemming verrichte rechtshandeling tegenover de
wederpartij van de ontvanger wordt niet aangetast. Evenmin behoeft,
in het geval genoemd in onderdeel i, de rechtbank na te gaan of de
toestemming is verleend.
Artikel 4.2.8.4.5
[4:72]
Ingevolge
artikel
4.2.5.5 [4:46],
eerste lid, wordt de subsidie overeenkomstig de verlening vastgesteld.
Deze bepaling kan tot gevolg hebben dat het vastgestelde - en ingevolge
artikel 4.2.7.1 [4:52] uit te betalen - subsidiebedrag meer of juist minder
bedraagt dan de werkelijke kosten gemoeid met de gesubsidieerde activiteiten.
Dit zal zich bijvoorbeeld kunnen voordoen indien de kosten van de
activiteiten waarvoor subsidie werd verleend lager of hoger blijken uit
te vallen dan was geraamd. Ook kan dit zich voordoen als de subsidie is
verleend in de vorm van een bepaald bedrag per prestatie-eenheid.
Alleen indien de subsidie een zuivere exploitatiesubsidie is, dat wil zeggen
dat bij de subsidieverlening is bepaald dat slechts de werkelijk
gemaakte kosten gesubsidieerd worden, zal een verschil tussen werkelijke
kosten en subsidiebedrag zich niet voordoen. In alle andere gevallen bestaat
er, zolang de subsidieontvanger de activiteiten overeenkomstig de
subsidieverlening en de daaraan verbonden verplichtingen heeft
verricht, geen grond het teveel aan subsidie terug te rblz.|96|
vorderen of alsnog het
tekort aanvullend te subsidiëren. De subsidieontvanger is dan in beginsel
vrij in de besteding van het te veel ontvangene, maar heeft in geval van een tekort geen aanspraak op aanvullende subsidie. Dit is
natuurlijk anders indien bij de subsidieverlening op dit punt een
voorziening is getroffen, bijvoorbeeld inhoudende dat een eventueel
verschil tussen uitgekeerde subsidie en werkelijk gemaakte kosten
terugbetaald moet worden of verrekend wordt met de in een volgend
boekjaar uit te keren subsidie.
De in dit artikel geregelde
egalisatiereserve is bedoeld om verschillen tussen werkelijk gemaakte
kosten en subsidiebedragen op te vangen. De egalisatiereserve is een
buffer waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met
overschotten in het andere jaar. Dit heeft verschillende voordelen.
Allereerst kan hiermee worden voorkomen dat al te snel een beroep moet
worden gedaan op het bestuur voor het verstrekken van aanvullende
subsidie. Daarnaast blijft in ieder geval een deel van het teveel aan
uitgekeerde subsidie, namelijk voor zover daarmee metterdaad tekorten
worden gefinancierd, bestemd voor de doeleinden met het oog
waarop subsidie is verstrekt. Verder biedt de egalisatiereserve de
subsidieontvanger tot op zekere hoogte de mogelijkheid om een flexibel
beleid te voeren, bijvoorbeeld door een aanvang te maken met nieuwe
(nog) niet gesubsidieerde activiteiten. Hoewel de subsidieontvanger
verplicht is tekorten uit de egalisatiereserve te financieren, is hij
voor het overige immers in beginsel vrij in de besteding daarvan. In die
zin vormt de egalisatiereserve een stimulans voor de subsidieontvanger
tot een doelmatig beheer van de subsidiegelden. Daarmee fungeert de
egalisatiereserve ook als een erkenning van de eigen, particuliere
verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger.
Overwogen is om de omvang
van de egalisatiereserve en de jaarlijkse toevoeging aan een bepaalde
limiet te binden, met daaraan gekoppeld een terugbetalingsverplichting indien de uitgekeerde subsidie deze limiet
te boven zou gaan. Daarvan
is echter afgezien omdat de vraag hoe hoog deze limiet moet zijn zich
moeilijk in algemene zin laat beantwoorden. Dit zal immers onder andere
afhankelijk zijn van de aard van de subsidieontvanger, de hoogte van de
subsidie en de mate waarin het bestuursorgaan betrokken wil zijn
bij de gang van zaken bij de subsidieontvanger.
Wel staat het het
bestuursorgaan vanzelfsprekend vrij - binnen de grenzen van artikel 4.2.6.4
[4:51] - bij de subsidieverlening rekening te houden met een al te omvangrijke egalisatiereserve. Om die reden is in
artikel
4.2.8.2.2 [4:61], derde lid,
bepaald dat het bestuursorgaan bij de aanvraag melding maakt van een
eventueel aanwezige egalisatiereserve. Daarnaast kan het bestuursorgaan van
meet af aan rekening houden met de mogelijkheid dat de ramingen
zullen afwijken van de werkelijke kosten en de gevolgen daarvan reeds in
de beschikking tot subsidieverlening regelen. Zo kan bij de
verlening al bepaald worden dat een eventueel overschot slechts tot een bepaald maximum aan de egalisatiereserve mag
worden toegevoegd onder
terugbetaling van het resterende overschot. Vaststelling van de subsidie
kan dan plaatsvinden overeenkomstig hetgeen bij de verlening is
bepaald over de toevoeging aan de egalisatiereserve. Het te veel betaalde
dient dan te worden terugbetaald op grond van artikel 4.2.7.6 [4:57].
Paragraaf 4.2.8.5. De subsidievaststelling
Artikel 4.2.8.5.1 [4:73]
De vaststelling van de subsidie vindt plaats na afloop
van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend, tenzij subsidie is
verleend voor twee of meer boekjaren. Ook in het laatste geval zal de
vaststelling toch jaarlijks dienen plaats te vinden. Zoals al eerder is opgemerkt,
sluit aldus het subsidiëringsproces aan bij de bij rechtspersonen - maar ook bij de
rblz.|97|
overheid - verplichte jaarlijkse cyclus van begroting en
verantwoording. Het spreekt voor zich dat het subsidiëringsproces ook
indien de subsidieverlening betrekking heeft op twee of meer boekjaren,
bij deze cyclus zal moeten aansluiten.
Artikel 4.2.8.5.2
[4:74]
De aanvraag van de subsidievaststelling dient binnen zes
maanden na afloop van het subsidiejaar plaats te vinden. Aldus
wordt aangesloten bij de voorschriften van het
Burgerlijk
Wetboek, die veelal
een termijn van vijf dan wel zes maanden voorschrijven voor het opmaken van
de financiële stukken.
De verplichting tot het jaarlijks indienen van een
aanvraag tot vaststelling van de subsidie geldt niet indien subsidie
is verleend voor twee of meer boekjaren. In dat geval is ingevolge
artikel 4.2.8.3.2 [4:67], tweede lid, aan de subsidieverlening immers de verplichting
verbonden om ten behoeve van de vaststelling periodiek gegevens te verstrekken. Op basis
van die gegevens kan dan ambtshalve de subsidie worden
vastgesteld (zie artikel 4.2.5.6 [4:47], onderdeel
a), zodat een aparte aanvraag
niet nodig is.
Artikel 4.2.8.5.3
[4:75]
De verantwoording van de besteding van de subsidie
vindt
plaats door middel van de in dit artikel genoemde stukken. Het
financiële verslag behelst de verantwoording van de financiële kant van de
subsidieverhouding, terwijl het activiteitenverslag verantwoordt
op welke wijze de activiteiten waarvoor de subsidie werd verleend, zijn verricht en de
daarmee samenhangende verplichtingen zijn nageleefd. De
eisen waaraan deze stukken moeten voldoen, zijn in de navolgende
artikelen gegeven.
Artikel 4.2.8.5.3 [4:75]
eist dat de financiële verantwoording
plaatsvindt in de vorm van een financieel verslag. Dit verslag zal in
ieder geval moeten voldoen aan hetgeen artikel 4.2.5.4 [4:45]
op dit punt eist,
namelijk het vermelden van de aan de gesubsidieerde activiteiten
verbonden inkomsten en uitgaven, voor zover die voor de subsidievaststelling van
belang zijn.
Het tweede lid bepaalt dat rechtspersonen die ingevolge
titel 9 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek gehouden zijn een
jaarrekening op te maken de subsidie daarin kunnen verantwoorden. Wel moet die
dan zodanig zijn ingericht dat voldaan wordt aan de eisen van artikel
4.2.5.4 [4:45].
Artikel 4.2.8.5.4
[4:76]
Indien de
subsidieontvanger volledig gefinancierd wordt
door middel van de subsidie, indien met andere woorden alle
activiteiten van de subsidieontvanger uit de subsidie worden bekostigd, is
de gehele financiële positie van de subsidieontvanger voor de
vaststelling relevant. Zowel de vermogenspositie van de
subsidieontvanger als
het geheel van diens uitgaven gedurende het boekjaar worden dan immers
uit de subsidie gevoed.
Voor deze situatie stelt artikel 4.2.8.5.4 [4:76]
enige nadere
eisen aan het financiële verslag. Hierbij is aansluiting gezocht bij
hetgeen titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek over de jaarrekening regelt.
Het jaarrekeningenrecht is niet integraal van toepassing
verklaard. Daarvoor vormt de eigen organisatorische structuur van
subsidieontvangers - die
veelal verenigingen of stichtingen zullen zijn - een
beletsel, evenals het in de regel ontbreken van een winststreven en het in
sommige gevallen ontbreken van op geld waardeerbare prestaties. Daarom is
volstaan met het geven van enkele algemene, aan het
Burgerlijk
Wetboek ontleende, voorschriften over de inrichting van de jaarrekening.
Wel ligt het in de lijn der verwachting dat in overeenstemming met de gangbare praktijk voor
rblz.|98|
het opstellen van het financiële verslag, zoveel
mogelijk zal worden aangesloten bij de bepalingen van het
jaarrekeningenrecht. Waar dit niet mogelijk is of nadere voorschriften, bijvoorbeeld over
de waarderingsgrondslagen, wenselijk zijn, kan de bijzondere wetgever
of het bestuursorgaan op de voet van het bepaalde in artikel 4.2.4.0 [4:37],
eerste lid, onderdeel d, nadere verplichtingen opleggen over de inrichting van
het financiële verslag.
Artikel 4.2.8.5.5
[4:77]
Ook als een
subsidieontvanger zijn inkomsten in
overwegende mate aan de subsidie ontleent, kan het voor de
subsidievaststelling van belang zijn dat het bestuursorgaan inzicht heeft in de gehele
financiële gang van zaken bij de subsidieontvanger. De onderhavige bepaling
voorziet daarom in de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift
of bij de subsidieverlening artikel 4.2.8.5.4 [4:76]
van toepassing te verklaren.
Artikel 4.2.8.5.6
[4:78]
Evenals bij
artikel 4.2.8.5.4
[4:76] is ook voor wat betreft de
accountantscontrole aangesloten bij hetgeen artikel 2:393 van het Burgerlijk
Wetboek hierover regelt. De accountantsverklaring zal tezamen
met de overige bescheiden bij de aanvraag ingediend moeten worden.
De controle door de accountant van de
subsidieontvanger
laat de eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor een
goed subsidiebeheer onverlet. Die kan bijvoorbeeld worden uitgeoefend
door een eigen accountant de kwaliteit van de controle door de
accountant van de subsidieontvanger te laten onderzoeken (het zogenoemde
"review") en, indien nodig, een eigen controle door toezichthouders te
laten verrichten.
Evenals in artikel 4.2.8.2.5 [4:64]
is ook in de onderhavige
bepaling voorzien in de mogelijkheid vrijstelling of ontheffing te verlenen
van de verplichting een accountantsverklaring te verstrekken. De vraag onder
welke omstandigheden kan worden afgezien van een
accountantsverklaring is moeilijk in het algemeen te beantwoorden. Vooropstaat de eigen
verantwoordelijkheid van het subsidieverlenende bestuursorgaan voor
de controle op een rechtmatige en doelmatige besteding van de gelden.
Aan die verantwoordelijkheid wordt gestalte gegeven door
enerzijds de subsidieontvanger toereikende informatieverplichtingen op te
leggen en anderzijds door in beginsel een accountantsverklaring te
eisen.
Of op het beginsel dat een accountantsverklaring vereist
is een uitzondering kan worden gemaakt, hangt voor een deel af
van de kwaliteit van de informatieverplichtingen en de
informatieverstrekking door de subsidieontvanger die op basis van die verplichtingen
plaatsvindt. Indien het bestuursorgaan in staat is om aldus zelf een oordeel
te vellen over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de
subsidiegelden, kan dat aanleiding zijn om van het eisen van een accountantsverklaring af te zien.
Van belang is ook de mate waarin het bestuursorgaan
beschikt over voldoende deskundigheid om de door de subsidieontvanger
verstrekte informatie te beoordelen. De ministeries bijvoorbeeld
beschikken over eigen accountantsdiensten, zodat de veronderstelling
voor de hand ligt dat zij eerder geneigd zullen zijn een vrijstelling dan
wel ontheffing te verlenen dan een gemeente, die niet beschikt over eigen
accountants.
Ten slotte speelt de hoogte van het subsidiebedrag een
rol. Naarmate dit bedrag lager is, zullen de relatieve kosten van een
accountantscontrole omgekeerd evenredig toenemen. Op het moment dat die
kosten niet meer in een redelijke verhouding staan tot het
subsidiebedrag, zal een accountantscontrole in beginsel achterwege moeten
blijven. Dit uitgangspunt heeft bij de rijksoverheid geleid tot het
opstellen van richtlijnen inhoudende dat voor subsidies beneden bepaalde bedragen
rblz.|99|
geen accountantsverklaring vereist is. Of deze
grensbedragen ook buiten de rijksoverheid toegepast kunnen worden, moet worden
afgewacht. Het is denkbaar dat daar eerder de neiging zal bestaan een
accountantsverklaring te eisen, gezien het relatief grotere belang van een
subsidie ten opzichte van de totale begroting.
Artikel 4.2.8.5.7
[4:79]
De accountant van de
subsidieontvanger kan ingevolge
dit artikel een taak toebedeeld krijgen bij de controle op de naleving
van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Het bestuursorgaan
zal in dat geval een aanwijzing moeten geven over de reikwijdte en de
intensiteit van de controle, een zogenaamd controleprotocol. Dit protocol
bevat een nadere uitwerking van de informatieverplichtingen die aan de
subsidieontvanger inzake het afleggen van rekening en verantwoording zijn
opgelegd. Daarnaast schrijft het protocol voor welke
aandacht de accountant moet besteden aan de naleving van (bepaalde)
subsidieverplichtingen en eventueel welke mate van
nauwkeurigheid (tolerantie) de accountant daarbij moet betrachten. Hierbij kan in
het bijzonder worden gedacht aan uit een oogpunt van misbruik en
oneigenlijk gebruik gevoelige verplichtingen.
Bij het opstellen van dit protocol zal enerzijds
rekening moeten worden gehouden met de specifieke deskundigheid van de
accountant en anderzijds met wat uit doelmatigheidsoverwegingen in
verband met de kosten van accountantscontrole zinvol is. Om dezelfde
redenen is het aan de bijzondere wetgever of het bestuursorgaan overgelaten
om te bepalen in welke gevallen een controleprotocol wordt
voorgeschreven.
Artikel 4.2.8.5.8
[4:80]
Dit artikel vormt een uitwerking van
artikel 4.2.5.3
[4:44] door te bepalen dat bij de aanvraag tot vaststelling een activiteitenverslag
moet worden ingediend. Dit verslag dient een beschrijving te geven
van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend. Verder dient het
verslag inzicht te geven in de vraag in hoeverre daarbij is voldaan aan de
verplichtingen die over de aard en de omvang van de activiteiten zijn gesteld.
Ten slotte dient het verslag een eigen evaluatie van de subsidieontvanger te
bevatten over de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de
voor het subsidiejaar gestelde doeleinden (zie artikel 4.2.8.2.3 [4:62]). Deze laatste eis beoogt enerzijds de
subsidieontvanger ertoe te brengen
zich rekenschap te geven van de effectiviteit van zijn activiteiten en
beoogt anderzijds het bestuursorgaan een eerste handvat te geven voor een
eigen beoordeling van de effectiviteit van het subsidie-instrument.
De vraag aan welke eisen de eigen evaluatie van de
subsidieontvanger dient te voldoen, is afhankelijk van de aard van de
subsidieontvanger en de door hem verrichte activiteiten. Bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening kunnen hierover nadere voorschriften
worden gegeven.
Artikel 4:12
(artikel I, onderdeel E)
In artikel 4:12 is, kort gezegd, bepaald dat de in de
artikelen 4:7 en 4:8 neergelegde hoorplicht bij de voorbereiding van
beschikkingen niet geldt voor financiële beschikkingen waartegen bezwaar of
administratief beroep openstaat en waarbij de nadelige gevolgen van de
beschikking volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Deze uitzondering is met
name opgenomen met het oog op het belastingrecht en het socialezekerheidsrecht, waar de hoorplicht in verband met de zeer grote
aantallen beschikkingen een te grote belasting voor de bestuursorganen
zou opleveren.
Artikel 4:12 betekent echter
ook dat bij
subsidiebeschikkingen doorgaans geen hoorplicht zal bestaan. Voor subsidiebeschikkingen
gaat rblz.|100|
het argument van de grote aantallen echter maar
gedeeltelijk op. Beschikkingen tot verlening of weigering van een
subsidie worden inderdaad in grote aantallen gegeven. Beschikkingen tot
het intrekken, ten nadele van de ontvanger wijzigen, lager vaststellen of
op grond van artikel 4.2.3.7 [4:35] of met toepassing van
artikel 4.2.6.4
[4:51] weigeren
van beschikkingen zijn echter aanzienlijk zeldzamer en bovendien zo
ingrijpend dat het horen van de belanghebbende uit oogpunt van
zorgvuldigheid noodzakelijk is. Daarom zijn de genoemde typen beschikkingen
van de werking van artikel 4:12, eerste lid, uitgezonderd.
Ter vermijding van misverstand zij erop
gewezen dat de
gekozen formulering niet meebrengt dat bij deze typen
beschikkingen de belanghebbende steeds gehoord moet worden. De beperkingen en
uitzonderingen die in de artikelen 4:7 tot en met 4:11 op de
hoorplicht zijn aangebracht, gelden ook voor deze beschikkingen onverkort.
rblz.|101|
5. Beleidsregels
(titel 4.4 [4.3])
Inleiding
Het vaststellen van beleidsregels is, indien dit
schriftelijk geschiedt, in de systematiek van de Algemene
wet bestuursrecht het
nemen van een besluit. Dienovereenkomstig zijn de regels van hoofdstuk
3 over besluiten van toepassing en is in hoofdstuk 4 een titel over
beleidsregels voorzien.
Bij het ontwerpen van deze titel kon er derhalve van
worden uitgegaan dat hoofdstuk
3 reeds geldt voor beleidsregels. De eisen
inzake de zorgvuldigheid en belangenafweging bij het tot stand
brengen van besluiten (afdeling 3.2), inzake advisering
(afdeling 3.3) en inzake inwerkingtreding, bekendmaking en mededeling
(afdeling 3.6) gelden ook voor de schriftelijke vaststelling en wijziging van
beleidsregels. Hetzelfde geldt voor de modelprocedures van de afdelingen 3.4 en
3.5.
Bij de voorbereiding van titel 4.4
[4.3] inzake beleidsregels
bleek overigens dat het gewenst is ook een aantal wijzigingen in hoofdstuk
3 aan te brengen. Zo bleken de bepalingen over de motivering van
beschikkingen in hoofdstuk 4 ook geschikt voor beleidsregels en andere
besluiten van algemene strekking. Deze bevinding heeft ertoe geleid
dat thans wordt voorgesteld de afdeling over de motivering (afdeling
4.1.4 [-]) van titel 4.1 over te brengen naar hoofdstuk
3. Eén en ander is nader
toegelicht in hoofdstuk 3 van deze memorie van toelichting.
Naast deze algemene bepalingen is bij de voorbereiding
van de Algemene wet bestuursrecht van meet af aan een
afzonderlijke titel 4.4 [4.3] met bijzondere bepalingen omtrent beleidsregels
voorzien. Daaraan bestaat inderdaad behoefte.
Ten eerste is de hantering van beleidsregels uit
bestuurlijk en rechtsstatelijk oogpunt van grote betekenis; daarop wordt
hieronder nader ingegaan.
Ten tweede vertonen beleidsregels naast enige
verwantschap ook belangrijke juridische verschillen met andere
rechtsfiguren uit het staats- en bestuursrecht. Kenmerkend voor beleidsregels is dat
een bestuursorgaan steeds bevoegd is dergelijke regels vast te
stellen voor zover het de uitoefening van zijn eigen of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende bestuursbevoegdheid betreft. Algemeen verbindende
voorschriften behoeven zich niet daartoe te beperken: zij kunnen zich
ook rechtstreeks tot de burger richten. Anders dan bij beleidsregels kan
een bestuursorgaan dan ook alleen algemene verbindende voorschriften
vaststellen indien daartoe een specifieke grondslag in de wet
bestaat. Een uitvloeisel daarvan is dat beleidsregels minder sterk binden dan
algemeen verbindende voorschriften.
Ten derde is het ongeschreven recht inzake beleidsregels
in de tachtiger jaren weliswaar enigermate uitgekristalliseerd, maar
niet eenvoudig kenbaar. Daardoor bestaat in de bestuurspraktijk nog te
vaak onzekerheid over of onbekendheid met de in de rechtspraak
ontwikkelde regels omtrent het hanteren van beleidsregels.
De rechtszekerheid van alle betrokkenen -
bestuursorganen en justitiabelen - vereist dat de Algemene wet
bestuursrecht ook met betrekking tot dit onderwerp een aantal afzonderlijke
regels stelt. Dat zal de toegankelijkheid van dit onderdeel van het
bestuursrecht vergroten en daarmee bewerkstelligen dat bij de hantering van
beleidsregels minder problemen en geschillen ontstaan.
rblz.|102|
Voorgeschiedenis
Het toenemend belang van de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur na de Tweede Wereldoorlog bracht mee dat in
rechtspraak en literatuur geleidelijk ook aan beleidsregels
aanzienlijke juridische betekenis is gehecht. Gewezen zij op de geschriften van
J. van Soest (De vorming van stellig belastingrecht door de uitvoerende macht, Utrecht
1958), J.L.H. Cluysenaer (Recht in de welvaartsstaat,
Groningen 1959), J. Mannoury (Spiegelrecht, in: opstellen aangeboden aan
prof. mr. dr. G. van den Bergh, Alphen aan den Rijn 1960), J. van der Hoeven (Pseudowetgeving, Zwolle 1965; Pseudowetgeving, preadvies voor
de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België
en Nederland, Zwolle 1966) en J.H. van Kreveld (Beleidsregels in het
recht, Deventer 1983).
Meer rechtstreeks van belang voor het overheidsbeleid
inzake beleidsregels zijn het eindrapport van de Commissie
Wetgevingsvraagstukken (Orde in de regelgeving, 's-Gravenhage 1985) en de
daarop betrekking hebbende gedachtenwisseling tussen regering en parlement
(Kamerstukken II 1986-1987, 20 038), alsmede het rapport en de
parlementaire discussie inzake de Parlementaire enquête bouwsubsidies
(Kamerstukken II 1987-1988, 19 623, nr. 30), waarin het onderscheid
tussen beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften één van de
hoofdpunten vormde. Voorts zijn de per 1 januari 1993 in werking getreden
Aanwijzingen voor de
regelgeving mede van toepassing op beleidsregels,
voor zover de aard van die regels zich daartegen niet verzet (aanwijzing
3).
Ten slotte is in de zeventiger en tachtiger jaren in een
omvangrijke hoeveelheid uitspraken van de verschillende
administratieve rechters het ongeschreven recht inzake beleidsregels verder
ontwikkeld (vgl. bijvoorbeeld HR 7 januari 1970, BNB 1970, 78; Afd. rechtspraak
10 juni 1977, AB
1977, 359; Afd. rechtspraak 24 april 1981, AB 1982, 5; CRvB 8 april
1982, AB
1982, 407); CRvB 30 mei 1985, TAR 1985, 153; CBb 4 juli 1985, AB 1986, 19;
Afd. rechtspraak 12 april 1988, AB 1989, 49; HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, AB 1990, 306, BNB
1990, 194).
Het onderscheid met algemeen verbindende voorschriften
Naar heersende leer zijn beleidsregels regels die zonder
uitdrukkelijke grondslag in de wet worden gehanteerd bij de uitoefening
van beschikkingsbevoegdheden of andere bestuursbevoegdheden.
Net als algemeen verbindende voorschriften hebben beleidsregels
betrekking op het verkeer tussen bestuur en burger, en niet louter op
de interne gang van zaken bij een bestuursorgaan. Maar zij moeten zich
beperken tot het gebruik van een bevoegdheid die een bestuursorgaan reeds
uit anderen hoofde bezit: het woord beleidsregel duidt op het feit
dat de wijze waarop het bestuursorgaan een aan dat orgaan toekomende
bevoegdheid hanteert voorwerp van de regel is. Omdat dit optreden de
burger raakt, ondervindt hij ook de gevolgen van de beleidsregel. Zo
geven beleidsregels aan in welke gevallen een vergunning of subsidie
zal worden verleend of ingetrokken, welke voorschriften aan de
vergunning of subsidie zullen worden verbonden of welke procedure bij
de besluitvorming zal worden gevolgd. Deze regels moeten echter
blijven binnen de grenzen van hetgeen een bestuursorgaan reeds - in
individuele gevallen - te beslissen heeft. Een beleidsregel over de vraag welke
voorschriften aan een vergunning zullen worden verbonden, kan daarom alleen
worden vastgesteld indien het bestuursorgaan bevoegd is tot
vergunningverlening en binnen de grenzen van hetgeen het bij die
verlening over het daaraan verbinden van voorschriften mag bepalen.
Algemeen verbindende voorschriften kunnen op dezelfde
onderwerpen betrekking hebben, maar behoeven zich daartoe niet te
beperken: zij kunnen zich ook rechtstreeks tot de burger richten of bepalen over
welke rblz.|103|
bevoegdheden een bestuursorgaan beschikt. Zij dienen dan
ook een uitdrukkelijke grondslag in de wet te hebben. Voor
beleidsregels geldt dit niet, behoudens het hierna te bespreken geval, bedoeld in
artikel 4.4.1 [4:81], tweede lid.
De bevoegdheid tot beleidsregelgeving werd derhalve tot
dusver niet uitdrukkelijk verleend, maar lag als het ware opgesloten
in de bestuursbevoegdheid van het bestuursorgaan. Met andere woorden:
zonder dat dit uitdrukkelijk bepaald was, impliceerde krachtens
ongeschreven recht de bevoegdheid tot het geven van bijvoorbeeld een
beschikking tevens de bevoegdheid omtrent de uitoefening van eerstgenoemde
bevoegdheid regels te stellen. Deze regels hebben niet uitsluitend interne betekenis,
maar moeten ingevolge de beginselen van behoorlijk
bestuur bij het geven van de beschikking jegens de burger in acht
genomen worden.
Dit laatste betekent tot dusverre dat het bestuursorgaan
ook aan een niet uitdrukkelijk en volledig bekendgemaakte
beleidsregel gebonden kan zijn. Veel beleidsregels worden pas bij de behandeling
van een beroep tegen een beschikking bekend, en dan soms slechts
mondeling of gedeeltelijk. In veel gevallen is het de rechter zelf
die er bij het bestuursorgaan op aandringt om zijn beleid kenbaar te maken. Dat
verschaft de rechter dan een toetsingskader, naast de geldende wettelijke
voorschriften, bij het beoordelen van de beroepen
beschikking. Soms ook wordt de beleidsregel slechts bekend via de motivering
die het bestuursorgaan bij de bekendmaking van de beschikking verstrekt.
Naar heersende opvatting kan een beleidsregel juist door
het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid tot het
geven van de burgers bindende voorschriften niet in dezelfde mate
binden als een algemeen verbindend voorschrift. Blijkens de
jurisprudentie kan de beleidsregelgever zich door het geven van de beleidsregel niet de
bevoegdheid ontnemen daarvan in bijzondere gevallen af
te wijken (Afd. rechtspraak 16 augustus 1985, AB 1986, 228; CRvB
16
april 1987, TAR
1987, 139; CBb 4 juli 1985, AB 1986, 19).
Door sommige schrijvers is wel bepleit het verschil
tussen beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften te verkleinen of
zelfs op te heffen. Soms wordt dan gesteld dat bestuursorganen ook zonder
uitdrukkelijke wettelijke grondslag bevoegd zouden moeten zijn om
algemeen verbindende voorschriften vast te stellen ter nadere normering
van hun bevoegdheden. In andere gevallen wordt verdedigd dat
het bestuur ook van algemeen verbindende voorschriften in bijzondere
gevallen zou moeten kunnen afwijken.
Voor beide standpunten wordt aangevoerd dat het
verschil tussen beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften in
de praktijk maar beperkte betekenis zou hebben, alsmede dat het soms
toevallig is of de wetgever al dan niet uitdrukkelijk een bevoegdheid tot
regelgeving verleent (zie o.m. I.C. van der Vlies, Het wetsbegrip en
beginselen van behoorlijke regelgeving, 's-Gravenhage 1984, blz.178; N.
Verheij, Regelgeving door ministers, NJB 1985, blz. 1144; D.W.R.
Ruiter, Beleidsregels zijn algemeen verbindende voorschriften,
Bestuurswetenschappen 1986, blz. 65 en 503).
Andere schrijvers willen echter vasthouden aan het
verschil tussen algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels (zie
o.m. R.J. Boon, Wetgeving in Nederland, Zwolle 1986, blz. 98;
C.A.J.M. Kortmann, Avanti rijp voor de sloop, Rechtsgeleerd Magazijn Themis
1987, blz. 369; A.M. Donner, Nederlands Bestuursrecht, Algemeen Deel,
Alphen aan den Rijn 1987, blz. 133).
Dit laatste standpunt vindt steun in recente rechtspraak
van de Hoge Raad. In een reeks van arresten heeft de Hoge Raad
aangegeven dat sommige beleidsregels kunnen worden aangemerkt als
"recht" in de zin van artikel 99 Wet
op de rechterlijke organisatie. Dat
is het geval wanneer de beleidsregels behoorlijk zijn bekendgemaakt en zich er naar inhoud
en rblz.|104|
strekking toe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels
te worden toegepast (HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, AB 1990, 306, BNB
1990, 194; HR 25 april 1990, BNB 1990, 199; HR 19 juni 1990, NJ 1991, 119; HR
29 juni 1990, NJ 1991, 120).
In één van de zojuist genoemde arresten overweegt de
Hoge Raad uitdrukkelijk dat deze beleidsregels niettemin niet als
algemeen verbindende voorschriften kunnen worden beschouwd, omdat zij
berusten op de algemene bestuursbevoegdheid van (in casu) de Staatssecretaris van
Financiën, en niet op enigerlei specifieke wettelijke
grondslag (HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, AB 1990, 306, r.o. 4.2).
Ten slotte is naar aanleiding van het eindrapport
"Orde
in de regelgeving" van de Commissie Wetgevingsvraagstukken (zie
Kamerstukken II 1986-1987, 20 038) en het rapport van de Parlementaire
Enquêtecommissie Bouwsubsidies (Kamerstukken II 1987-1988, 19 623, nr. 30)
het primaat van de formele wetgever nadrukkelijk opnieuw bevestigd. Dit
heeft regering en parlement tot het standpunt gebracht dat
terughoudendheid moet worden betracht met zowel delegatie van regelgevende
bevoegdheid als met het creëren van beschikkingsbevoegdheden met een
ruime beoordelingsvrijheid.
Het zou in strijd met deze lijn zijn om er voortaan
van uit te gaan dat in beschikkingsbevoegdheden in beginsel steeds zonder
uitdrukkelijke wetsbepaling de bevoegdheid tot het geven van algemeen
verbindende voorschriften ligt opgesloten. Daarmee zou tekortgedaan
worden aan de democratische en rechtsstatelijke waarden die aan het
primaat van de wetgever ten grondslag liggen. Het uitgangspunt blijft
dat een bevoegdheid tot het geven van algemeen verbindende
voorschriften over een bepaald onderwerp moet berusten op de toedeling van
de bevoegdheid om daarover voorschriften te geven. Bij
beleidsregels is reeds een toedeling van bevoegdheden voorafgegaan,
bijvoorbeeld een bevoegdheid tot het geven van beschikkingen. Een
dergelijke bevoegdheid moet ook steeds op een algemeen verbindend
voorschrift berusten: een beleidsregel kan geen bevoegdheid
toekennen. De beleidsregels betreffen dan de wijze waarop het reeds
bevoegde bestuursorgaan van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
Aan het voorgaande doet niet af dat de democratische
legitimatie van bepaalde typen algemeen verbindende voorschriften -
bijvoorbeeld door een minister, gedeputeerde staten of burgemeester en
wethouders gestelde wettelijke voorschriften - soms niet veel
sterker is dan die van beleidsregels. Dit vormt onvoldoende reden om het
principiële onderscheid te laten vallen. Datzelfde geldt voor de
omstandigheid dat de gebondenheid aan algemeen verbindende voorschriften en
die aan beleidsregels elkaar in de praktijk soms naderen.
Wezenlijk is dat het verschil ook in de rechtspraak
principieel erkend wordt en praktische gevolgen heeft. Zo heeft de Hoge
Raad in zijn meergenoemde rechtspraak uitdrukkelijk aangegeven dat
de erkenning van bepaalde beleidsregels als "recht" in de zin van
artikel 99 Wet
op de rechterlijke organisatie niet meebrengt dat de rechter
deze beleidsregels ambtshalve moet toepassen (HR 28 maart 1990, AB 1990, 306),
terwijl dit bij algemeen verbindende voorschriften wel het geval is.
Daarnaast kan het bestuur bij beleidsregels in bijzondere gevallen door de
rechter gedwongen worden uit te leggen waarom, gelet op de
merites van het individuele geval, geen uitzondering op de beleidsregel
is gemaakt of overwogen (CBb 27 januari 1987, SEW 1987, blz. 526; CRvB
16 april 1987, TAR 1987, 139; Afd. rechtspraak 10 februari 1987, AB 1987, 397).
Weliswaar kunnen de beginselen van behoorlijk bestuur in uitzonderlijke
gevallen ook meebrengen dat het bestuur geen strikte toepassing kan
geven aan de wet, maar bij de huidige stand van de jurisprudentie
bestaan deze bevoegdheid en verplichting duidelijk minder snel dan de
bevoegdheid en verplichting om van beleidsregels af te wijken (vgl. bijvoorbeeld CRvB
6 december 1989, AB 1990, 372, alsmede de zogeheten
doorbraakarresten: HR 12 april 1978, rblz.|105|
BNB 1978, 135-137, NJ 1979, 533, AB 1979, 262). En dat
is om de reeds vermelde redenen terecht.
In de begripsomschrijving van
artikel 1:3, vierde lid,
wordt daarom vastgehouden aan het onderscheid tussen algemeen
verbindende voorschriften en beleidsregels. Het eerste begrip houdt
naar huidig recht in: naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen
bindende regels, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de
wet ontleent (zo reeds HR 10 juni 1919, NJ 1919, blz. 647;
zie ook "Orde in de regelgeving", blz. 14). Een kenmerkend verschil met
beleidsregels is dat deze zich moeten beperken tot het hanteren van een
bevoegdheid waarover een bestuursorgaan reeds beschikt. Dit is in
artikel 1:3, vierde lid aangegeven door te bepalen dat beleidsregels betrekking
hebben op het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan, dus
een bevoegdheid die dat orgaan reeds uit anderen hoofde
bezit.
Daarnaast gaat de bindende kracht van beleidsregels
minder ver dan die van algemeen verbindende voorschriften. Dit volgt
uit titel 4.4 [4.3], waarin de rechtsgevolgen van beleidsregels zijn omschreven. De
ratio hiervoor is het feit dat het bestuursorgaan regels vaststelt omtrent
de eigen of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende bestuursbevoegdheid. Het kan niet
zo zijn dat het bestuursorgaan zichzelf bij de
uitoefening van zijn eigen bevoegdheid zo sterk bindt dat geen rekening meer kan
worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Zodanig sterk bindende
regels kunnen alleen tot stand worden gebracht door middel van een
algemeen verbinden voorschrift.
Uit artikel 4.4.1 [4:81], eerste lid, volgt dat een
bestuursorgaan dat over een bestuursbevoegdheid beschikt, ten aanzien van de
uitoefening daarvan beleidsregels kan vaststellen. Hiermee wordt in de wet
vastgelegd hetgeen tot nu toe als ongeschreven recht gold.
Daarnaast wordt in het tweede lid bepaald dat het bestuursorgaan ook in andere
gevallen beleidsregels kan vaststellen, doch slechts voor zover
dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Het gevolg daarvan is wel dat
het ontbreken van een wettelijke grondslag niet meer als een beslissend
verschil tussen beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften kan
worden beschouwd. In zekere zin vloeit dit reeds voort uit de
codificatie van deze rechtsfiguur op zichzelf. Het klassieke verschil bestaat
in elk geval niet meer in situaties waarin de beleidsregels zijn gebaseerd
op een wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 4.4.1 [4:81], tweede lid.
De gekozen benadering heeft het voordeel dat de wetgever
nader kan bepalen wie bevoegd zijn tot het vaststellen van
beleidsregels. Dit voorkomt dat er in de wetgeving nog weer andere
categorieën van regels ontstaan naast het algemeen verbindend voorschrift en de
beleidsregel. Men denke aan de regels van artikel 148 Gemeentewet, die
blijkens de wetsgeschiedenis een "beleidsregelachtig karakter"
dragen. In de nieuwe opzet zou bepaald kunnen zijn dat de gemeenteraad beleidsregels kan
vaststellen voor andere organen van de gemeente.
Samenvattend kenmerken beleidsregels zich ingevolge
dit
wetsvoorstel niet meer, of althans niet meer in alle gevallen, door
het ontbreken van een wettelijke grondslag, maar door het feit dat het
regels zijn die worden vastgesteld over de uitoefening van een reeds bestaande
bestuursbevoegdheid en met de rechtsgevolgen zoals die in titel 4.4 [4.3]
zijn omschreven. Dit laatste houdt in dat zij een minder
sterk bindende werking hebben dan algemeen verbindende voorschriften.
De inhoud van titel 4.4
[4.3]
Zoals opgemerkt, worden, mede als gevolg van de
aanpassing van hoofdstuk 3, enige essentiële aspecten van
beleidsregelgeving reeds afdoende geregeld in vooral de afdelingen
3.2, 3.6 en 3.7. Beleidsregels dienen op zorgvuldige wijze tot stand te komen, na belangenafweging,
in rblz.|106|
overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel (afdeling
3.2), eerst in werking te treden na bekendmaking
overeenkomstig artikel 3:42 en op een deugdelijke motivering te berusten, die bij de
bekendmaking van de beleidsregel dient te worden vermeld (afdeling 3.7). Daarnaast zullen beleidsregels uiteraard in overeenstemming dienen
te zijn met de toepasselijke voorschriften van bijzondere wetten of
meer algemene wetten, bijvoorbeeld met artikel 1 van de
Grondwet.
Door deze bestaande of voorgestelde bepalingen kan in titel 4.4
[4.3] worden volstaan met een beperkt aantal aanvullende bepalingen.
Deze betreffen voornamelijk de bevoegdheid tot en de gebondenheid aan
beleidsregelgeving. Daarnaast is in artikel 4.4.4 [4:83]
een aan
artikel 3.6.2 [3:47], tweede lid, verwante, op beleidsregels toegesneden bepaling
opgenomen.
In de rechtspraak wordt aan beleidsregelgeving soms de
eis gesteld dat bij invoering of wijziging gevestigde belangen worden
geëerbiedigd (bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 7 november 1980, AB 1981, 346). Dat is een
toepassing van het vertrouwensbeginsel. Of die eis aan alle
beleidsregelgeving wordt gesteld en in welke gevallen, alsmede wat concreet uit die eis
voortvloeit, valt niet in min of meer algemene zin uit de jurisprudentie af te
leiden. Het is daarom nog niet goed mogelijk een evenwichtige en tevens
goed toepasbare bepaling ter zake in de wet op te nemen. Het
ligt ook niet voor de hand dit te doen zonder tegelijkertijd bepalingen
omtrent het vertrouwensbeginsel ten aanzien van het geven of wijzigen van
beschikkingen en wettelijke voorschriften te overwegen.
Bovendien geeft artikel 3:4 reeds in belangrijke mate
richting aan de belangenafweging die bij het geven of wijzigen van de
beleidsregel dient plaats te vinden. De nadelige gevolgen van een
beleidsregel voor de betrokkenen mogen niet onevenredig zijn in verhouding
tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Onder omstandigheden kan
het hiermee in strijd zijn indien bij het invoeren of wijzigen van een
beleidsregel bestaande belangen niet geheel of gedeeltelijk worden
ontzien. In andere gevallen is de onmiddellijke volledige invoering van een
beleidsregel of van een wijziging daarvan zo belangrijk en zijn de
nadelen daarvan voor de betrokkenen zo beperkt dat het gerechtvaardigd is de
eventuele gevestigde belangen niet te eerbiedigen. Overigens kan
dan nog wegens de bijzondere omstandigheden van het geval het belang
bij afwijking van de beleidsregel zo dringend zijn dat het bestuursorgaan
ingevolge artikel 4.4.5 [4:84] gehouden is in dat geval van de beleidsregel af te
wijken.
Al met al is er onvoldoende reden dit onderwerp thans in
de wet te regelen.
Dit geldt ook voor een nadere regeling van de procedure
bij de voorbereiding van beleidsregels. Zo is wel aangedrongen
op een algemene verplichting tot het geven van inspraak bij
beleidsregels (Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen in zijn
advies over het voorontwerp). Hierover zij opgemerkt dat afdeling 3.4 en
3.5 procedures bevatten die gericht zijn op het betrekken van een ruime
kring van belanghebbenden bij de voorbereiding van besluiten. Deze
procedures zijn ook geschikt om bij de voorbereiding van
beleidsregels gebruikt te worden. Het gaat echter, gezien de daaraan verbonden
bestuurslasten, te ver om één van deze procedures bij beleidsregels
steeds dwingend voor te schrijven. Het kan beter aan de bijzondere wetgever
of aan het bestuursorgaan worden overgelaten in de gevallen waarin
dat aangewezen is één van de genoemde afdelingen van
toepassing te verklaren.
Artikel 1:3
Thans geeft geen enkel wettelijk voorschrift een
omschrijving van het begrip beleidsregel. Ook uit de rechtspraak komt geen
scherpe afbakening van dit begrip naar voren. Alleen al gelet op de
praktische betekenis die de Algemene wet
bestuursrecht nu reeds heeft voor het hanteren van rblz.|107|
beleidsregels, dient zij dit begrip te omschrijven. Op
grond van de systematiek van de wet is deze begripsomschrijving
opgenomen in hoofdstuk 1, door toevoeging van een nieuw vierde lid
aan artikel 1:3.
Deze begripsomschrijving bevat alleen de kenmerken van
de beleidsregel. In welke gevallen beleidsregels kunnen worden
vastgesteld, wordt in artikel 4.4.1 [4:81]
geregeld, terwijl de mate waarin
beleidsregels binden in artikel 4.4.5 [4:84]
is neergelegd.
Hieronder wordt nader ingegaan op de afzonderlijke
elementen van het begrip beleidsregel.
Een besluit
Dit element brengt tot uitdrukking dat de
Algemene wet bestuursrecht betrekking heeft op beleidsregels die bij schriftelijke
publiekrechtelijke rechtshandeling zijn gegeven. Dit sluit twee aan
beleidsregels verwante verschijnselen uit: de slechts mondeling naar buiten
gebrachte gedragslijn en het geleidelijk ontstaan van een vaste
bestuurspraktijk.
Wanneer geleidelijk, door een reeks van beslissingen in
de uitoefening van de bestuursbevoegdheid, een vaste praktijk ontstaat,
wordt - ook in de rechtspraak - het resultaat niet zelden aangeduid als
de beleidsregel, het vaste beleid of de vaste praktijk. Dit type "beleidsregel" wordt niet door
middel van één handeling gegeven, doch ontstaat
door een reeks van besluiten of andere handelingen. Op het ontstaan van
een dergelijke "beleidsregel" kunnen de hoofdstukken 3
en 4 gezien
hun opzet niet rechtstreeks betrekking hebben. Het vloeit derhalve uit
het systeem van de wet voort en het komt de duidelijkheid ook ten goede
indien het ontstaan van een dergelijke praktijk buiten het begrip
beleidsregel van de Algemene wet bestuursrecht wordt gehouden. Om
misverstanden te vermijden, zal in deze toelichting dit type niet meer
worden aangeduid als beleidsregel, doch als vaste bestuurspraktijk.
In dit verband valt nog het volgende op te merken. De
gebondenheid aan de vaste bestuurspraktijk zal ingevolge de
beginselen van behoorlijk bestuur - met name het gelijkheidsbeginsel en het
vertrouwensbeginsel - veelal niet wezenlijk verschillen van de gebondenheid
aan beleidsregels in de zin van de wet, zoals die in artikel 4.4.5 [4:84]
is
neergelegd. Maar dan zal het bestaan van een vaste praktijk wel aannemelijk moeten
worden gemaakt (zie bijvoorbeeld HR 19 januari 1983, BNB 1983, 133). Een enkel precedent of het enkele
bestaan van een intern beleidsvoornemen is niet
voldoende. Een belangrijk verschil is echter wel dat een op schrift
gestelde en bekendgemaakte beleidsregel volgens de jurisprudentie van de
Hoge Raad als "recht" in de zin van artikel 99 Wet
RO beschouwd
kan worden. Een verschil zal voorts zijn dat ingevolge artikel 4.4.3 [4:82]
aan
de motivering van een besluit dat op een beleidsregel berust andere eisen
worden gesteld dan aan de motivering van andere besluiten, ook al zijn
deze in overeenstemming met een vaste gedragslijn.
Buiten het begrip beleidsregel vallen voorts slechts
mondeling bekendgemaakte beleidsvoornemens. Niettemin is het niet
uitgesloten dat een dergelijk voornemen bij een burger dusdanige
gerechtvaardigde verwachtingen wekt dat het bestuursorgaan gehouden is
deze te honoreren.
Vorm en aanduiding van een schriftelijk stuk zijn niet
beslissend voor de vraag of dat stuk als een besluit kan worden aangemerkt.
Het is dus mogelijk dat een beleidsregel is opgenomen in een stuk
dat wordt aangeduid als beleidsnota, circulaire of zelfs brief.
Daarbij moet dan wel bedacht worden dat een besluit eerst in werking kan
treden nadat het overeenkomstig de voorschriften van afdeling 3.6 is
bekendgemaakt (artikel 3:40). Een in een beleidsnota of circulaire
opgenomen regel die overigens aan de begripsomschrijving van artikel
1:3,
vierde lid, voldoet, heeft dus pas de rechtsgevolgen van een
beleidsregel indien die
rblz.|108|
beleidsnota of circulaire door publicatie of op een
andere geschikte wijze is bekendgemaakt (artikel
3:42). Wat een geschikte wijze
van bekendmaking is, kan niet in het algemeen gezegd worden; dat
hangt mede van aard, inhoud en doelgroep van de beleidsregel af. Bij
wijze van voorbeeld zij gewezen op HR 11 december 1991, AB 1992, 390, waarin de
Hoge Raad in de sfeer van de inkomstenbelasting het opnemen van een
beleidsregel in de toelichting bij het aangiftebiljet als een behoorlijke
wijze van bekendmaking aanmerkte.
Niet inhoudende een algemeen verbindende voorschrift
Hiervoor is reeds
aangegeven dat de
Algemene wet bestuursrecht het onderscheid tussen beleidsregels en algemeen verbindende
voorschriften handhaaft. Maar omdat het ontbreken van een wettelijke
grondslag niet langer het beslissende kenmerk van de beleidsregel is,
kan de wetgever voortaan de bevoegdheid tot beleidsregelgeving ook
uitdrukkelijk aan een bepaald orgaan toekennen. In algemene zin geschiedt dit
in artikel 4.4.1 [4:81] aan het bestuursorgaan, wiens bevoegdheden voorwerp van
de beleidsregels zijn. Er kan echter behoefte bestaan die
bevoegdheid ook aan een ander orgaan toe te kennen of uitdrukkelijk voor te
schrijven dat er een beleidsregel moet worden vastgesteld. Zo komt het in de
bestaande wetgeving wel eens voor dat de wetgever een bevoegdheid
tot regelgeving toekent, maar tegelijkertijd, al dan niet
uitdrukkelijk, aangeeft dat van die regels in bijzondere omstandigheden kan worden
afgeweken. Dit is het geval bij de richtlijnen die het Centraal Orgaan
Tarieven Gezondheidszorg ingevolge artikelen 11 en volgende van de Wet
tarieven gezondheidszorg inzake de uitoefening van zijn eigen goedkeuringsbevoegdheden dient te geven. Hiervoor werd ook het
voorbeeld van artikel 148 Gemeentewet
genoemd.
Thans worden dergelijke regels, ondanks de
afwijkingsbevoegdheid, vaak als algemeen verbindende voorschriften aangemerkt
(vgl.
voor de richtlijnen van het COTG bijvoorbeeld CBb
3 augustus 1984, AB
1986, 76; CBb 27 januari 1987, SEW 1987, blz. 526). Indien deze regels naar
hun object - het geven van voorschriften over een reeds bestaande
bestuursbevoegdheid - en naar hun rechtsgevolgen praktisch niet van
beleidsregels verschillen, verdient het uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid de
voorkeur om dit type regels in het vervolg als
beleidsregels te beschouwen en aan te duiden. Het tweede lid van artikel
4.4.1 [4:81] opent daartoe de mogelijkheid. In de
toelichting op genoemd
artikellid wordt daarop nader ingegaan.
Dat een algemene regel geeft
De beleidsregel verschilt van de individuele
toezegging
doordat niet voor één geval, maar voor een reeks van gevallen wordt
aangegeven hoe de betreffende bestuursbevoegdheid zal worden
uitgeoefend. Voorts geldt voor de beleidsregel dat zij zich richt tot een open, in
abstracto omschreven groep van personen. Deze twee elementen zijn
tot uitdrukking gebracht in het begrip "algemene regel".
Op deze punten verschilt de beleidsregel niet van een algemeen
verbindend voorschrift inzake de uitoefening van een bestuursbevoegdheid.
Omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van
feiten of de interpretatie van wettelijke voorschriften
In de literatuur en in het
eindrapport
"Orde in de regelgeving" van de Commissie Wetgevingsvraagstukken worden veelal vier
categorieën beleidsregels onderscheiden: binnenwettelijke,
buitenwettelijke en tegenwettelijke (of van de wet afwijkende) beleidsregels
enerzijds en wetsinterpreterende regels anderzijds.
rblz.|109|
Binnenwettelijke beleidsregels betreffen de uitoefening
van bevoegdheden van bestuursorganen die door een wettelijk
voorschrift min of meer genormeerd zijn. Naarmate het wettelijk voorschrift door
het toekennen van beoordelings- of beleidsvrijheid bij de
uitoefening van de bestuursbevoegdheid meer ruimte geeft voor
belangenafweging, is
er meer ruimte voor beleidsregelgeving. Die ruimte is zeer groot
indien de bestuursbevoegdheid in het geheel niet door wettelijke
voorschriften is genormeerd. Dat is het geval bij buitenwettelijke
bestuurstaken, dat wil zeggen taken waarover de wetgever in het geheel niets heeft
bepaald. Een voorbeeld daarvan is het verlenen van subsidies zonder
wettelijke regeling als basis. Daarop betrekking hebbende
beleidsregels worden wel als buitenwettelijke beleidsregels aangeduid.
Het rechtskarakter van deze beleidsregels verschilt niet
van dat van binnenwettelijke beleidsregels. Beziet men de praktische
betekenis van de verschillende soorten van beleidsregels, dan zal echter
duidelijk zijn dat deze groter kan zijn naarmate de ruimte die aan het
bestuur is gelaten groter is. Die ruimte is maximaal indien het om
buitenwettelijke beleidsregels gaat. Overigens is de betekenis van
buitenwettelijke beleidsregels de laatste jaren sterk teruggedrongen, onder meer door
de toenemende wettelijke regulering van financiële verstrekkingen
(bijvoorbeeld door de Wet individuele huursubsidie en de Wet
op de studiefinanciering.
Deze beide typen van beleidsregels zijn in
artikel 1:3,
vierde lid, omschreven als "regels omtrent de afweging van belangen
of de vaststelling van feiten".
Voor zover een bestuursorgaan de ruimte heeft tot
afweging van belangen - hetgeen zowel bij binnenwettelijke als bij
buitenwettelijke beleidsregels het geval is -, kan het ten aanzien van die
belangenafweging beleidsregels geven. Het zal daarbij de relevante
geschreven rechtsregels - bijvoorbeeld die van hoofdstuk 3
van de Algemene
wet bestuursrecht - alsook het ongeschreven recht in acht moeten nemen.
Ook kunnen beleidsregels worden vastgesteld omtrent de
vaststelling van feiten. Hierbij valt vooral te denken aan regels
betreffende de wijze waarop bepaalde grootheden - bijvoorbeeld geluidsniveaus
of concentraties van schadelijke stoffen - gemeten worden. Nu de
meetmethoden van invloed kunnen zijn op de resultaten van de meting,
is het voor betrokkenen van belang dat het bestuursorgaan ook in dit
opzicht voorspelbaar en consistent handelt.
Als derde categorie van beleidsregels werd hiervoor die
van de tegenwettelijke genoemd. Bij de uitvoering van wetten
wordt soms een zekere vrijheid betracht die niet uitdrukkelijk door de
wet geboden wordt, waarbij deze zelf genomen vrijheid vervolgens vaak weer
door beleidsregelgeving wordt gereguleerd. Deze beleidsregels worden
wel als tegenwettelijke beleidsregels of van de wet afwijkende
beleidsregels aangeduid.
Deze categorie beleidsregels is om voor de hand liggende
redenen in de begripsomschrijving niet afzonderlijk genoemd.
Tegenwettelijke beleidsregels zijn doorgaans wel beleidsregels in de zin van
artikel 1:3, vierde lid, maar zij zijn wegens strijd met de wet in beginsel
onverbindend. Bevoegdheden van bestuursorganen vinden hun grenzen in
de wet en dat geldt - uiteraard - ook voor de uit artikel 4.4.1 [4:81]
voortvloeiende bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Indien de
wetgever het bestuur geen ruimte heeft gegeven tot een belangenafweging of een bepaalde wijze van feitenvaststelling heeft
voorgeschreven, mag het bestuur daarvan niet afwijken en derhalve ook geen
beleidsregels van die strekking maken. Alleen voor zover op grond van het
ongeschreven recht in de rechtspraak wordt erkend dat het bestuur zich in
uitzonderlijke gevallen van de wet mag losmaken, ligt dit wellicht anders.
rblz.|110|
Eén en ander is in overeenstemming met het standpunt dat
het toenmalige kabinet heeft ingenomen in navolging van het eindrapport van de Commissie Wetgevingsvraagstukken: een met de wet
strijdig beleid is ongewenst en moet zo snel mogelijk worden
beëindigd (Kamerstukken II 1986-1987, 20 038, nr. 2, blz. 4).
De begripsomschrijving omvat wel de vierde categorie van
beleidsregels: de wetsinterpreterende regels. Artikel 4.4.1 [4:81]
geeft dus ook de bevoegdheid beleidsregels vast te stellen omtrent de
interpretatie van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een
bevoegdheid van een bestuursorgaan. Vele wettelijke voorschriften bevatten
min of meer vage normen, welke nader geconcretiseerd moeten worden
alvorens zij in de bestuurspraktijk kunnen worden gehanteerd. Vaak krijgt
die concretisering de vorm van door het bestuursorgaan vastgestelde
algemene regels. Deze regels worden in de literatuur en in het rapport
"Orde
in de regelgeving" aangeduid als wetsinterpreterende regels. In dit geval
is het bestuursorgaan niet de ruimte gegeven om belangen af te wegen,
maar moet het toepassing geven aan een objectief vaag criterium,
bijvoorbeeld het criterium "passende arbeid" in artikel
24, eerste lid,
onderdeel b, Werkloosheidswet.
Het hierboven aangegeven onderscheid tussen de
verschillende categorieën van beleidsregels heeft betekenis wanneer
het gaat om de wijze waarop de rechter beleidsregels zal beoordelen.
Daar waar het bestuur over beleidsvrijheid beschikt, zal het die bij
het formuleren van beleidregels kunnen invullen. Uiteraard behoort het daarbij te blijven
binnen de grenzen die de wet en de beginselen van
behoorlijke bestuur stellen, maar voor zover dat het geval is, zal de rechter
bij de toetsing van de door het bestuur gemaakte keuzes de vrijheid van het
bestuur respecteren. Indien de regels echter betrekking hebben
op gevallen waarin geen beleidsvrijheid bestaat, zoals bij
wetsinterpreterende regels het geval is, zal de rechter niet een dergelijke
afstandelijke houding aannemen. Integendeel, indien hij meent dat de
interpretatie die het bestuur van de wet heeft gegeven onjuist is, zal hij de
beleidsregel niet als rechtsgeldig aanmerken.
In wezen gaat het hier om hetzelfde verschil als ook bij
andere besluiten bestaat: zo valt ook bij beschikkingen te onderscheiden
tussen gevallen waarin geen beleidsvrijheid bestaat - gebonden
beschikkingen - en die waarin dat wel het geval is. Evenmin als dat bij
beschikkingen en andere besluiten het geval is, behoort dit verschil in de mate
van rechterlijke toetsing te leiden tot een verschil in de wijze waarop
beleidsregels in de Algemene wet bestuursrecht
geregeld moeten worden. Het
gaat hier immers niet over de wijze van toetsing door de rechter,
maar over de vraag hoe bestuursorganen moeten handelen bij het tot stand
komen en naleven van beleidsregels.
Gezien het voorgaande kunnen wij de adviezen over het
voorontwerp van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het
College van Beroep voor het bedrijfsleven niet volgen. Daarin wordt
het standpunt ingenomen dat, gezien het verschil in toetsing door de
rechter tussen regels die het gebruik van beleidsvrijheid normeren en regels die de
uitlegging van wettelijke voorschriften betreffen, titel 4.4 [4.3]
niet voor laatstgenoemde regels zou moeten gelden. Een belangrijke
reden voor dit standpunt lijkt te zijn dat de gelijke behandeling in de
Awb de indruk zou wekken dat de regels ook voor de rechterlijke toetsing op
één lijn gesteld moeten worden. Die indruk wordt echter geenszins gewekt,
nu de regeling in de Awb over de toetsing niets regelt. Zij is even
onjuist als het standpunt dat de regeling voor beschikkingen, die zowel
voor vrije als voor gebonden beschikkingen geldt, zou suggereren dat de
toetsing door de rechter van die verschillende soorten van
beschikkingen op dezelfde manier zou moeten geschieden. Wij onderschrijven dan ook
het uitgangspunt van de adviezen - dat er een wezenlijk verschil in
toetsing rblz.|111|
door de rechter van de verschillende soorten van
beleidsregels bestaat -, maar achten de voorgestelde regeling daarmee niet in
strijd.
Ten aanzien van de overige aspecten is het aangewezen om
wetsinterpreterende regels in de Algemene wet
bestuursrecht op
dezelfde wijze te behandelen als andere beleidsregels. Wetsinterpreterende
regels vervullen in het verkeer tussen bestuursorganen en
burgers dezelfde functie als andere beleidsregels. Zij zijn voor de voorspelbaarheid en
beheersbaarheid van het bestuursoptreden en de
gelijkheid van behandeling veelal niet minder belangrijk. In beide gevallen
gaat het enerzijds om het bewerkstelligen van eenheid in het
bestuursoptreden door te verzekeren dat de invulling van beleidsvrijheid dan wel
de uitleg van wettelijke voorschriften binnen het bestuursorgaan op
eenvormige wijze geschiedt, anderzijds om het aan de burger verschaffen
van duidelijkheid over de door het bestuursorgaan te volgen gedragslijn.
Het is dan ook van belang aan alle soorten beleidsregels in beginsel
dezelfde eisen aangaande voorbereiding, vaststelling, bekendmaking en
motivering te stellen. Evenmin is er reden deze regels van de
toepassing van artikel 4.4.5 [4:84] uit te zonderen (zie nader de
toelichting op dat artikel [4:84]).
Hierbij komt nog dat de verschillende typen
beleidsregels in de praktijk vaak sterk verweven zijn. Het afwegen van belangen, het
vaststellen van feiten en het uitleggen van wettelijke voorschriften
zijn weliswaar te onderscheiden, maar in de praktijk veelal niet te
scheiden aspecten van een geïntegreerd besluitvormingsproces. In één
beleidsregeling komen vaak regels van verschillende typen voor. Ook om die
reden is het noodzakelijk dat de regels inzake voorbereiding,
bekendmaking e.d. voor de verschillende typen gelijk zijn.
Derhalve wordt noch in
artikel 1:3, vierde lid, noch in
hoofdstuk 3 of titel 4.4 [4.3] verschil gemaakt tussen de onderscheiden typen
beleidsregels. Onder die omstandigheden is er evenmin aanleiding om in de
Algemene wet bestuursrecht voor de verschillende typen verschillende
aanduidingen te kiezen. Derhalve worden de verschillende hier
onderscheiden soorten regels in de Algemene wet bestuursrecht als
beleidsregels aangeduid.
Dit alles laat, het zij nogmaals benadrukt, het verschil
in de omvang van de rechterlijke toetsing onverlet. De in een
wetsinterpreterende regel gegeven uitleg is derhalve in zekere zin altijd
voorlopig. Komt de rechter tot het oordeel dat een andere uitleg de juiste is, dan
is die uitleg, en niet de wetsinterpreterende regel, voor bestuur en burger
bindend. Vanuit het bestuur gezien verschilt ook deze situatie echter niet
van de situatie waarin de rechter bij een regel inzake de afweging van belangen tot de
conclusie komt dat de beleidskeuze van het bestuur,
neergelegd in een beleidsregel, zich niet verdraagt met de toepasselijke
wettelijke voorschriften of de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur. In beide gevallen prevaleert uiteindelijk het rechterlijk oordeel
boven dat van het bestuur en zal de beleidsregel moeten worden aangepast.
Samenvattend kunnen beleidsregels in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht dus betrekking hebben op de afweging van
belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke
voorschriften bij de uitoefening van een bevoegdheid. Deze omschrijving - die
om wetssystematische redenen niet, zoals in het
voorontwerp, in de bevoegdheidsbepaling van artikel 4.4.1 [4:81], maar in de
definitiebepaling is opgenomen - dekt alle aspecten van de
bevoegdheidsuitoefening die voor de burger van belang zijn. Er buiten vallen bijvoorbeeld
regels van internhuishoudelijke aard ("over de verlening van
subsidies boven de ƒ10 000,- wordt de interne accountantsdienst vooraf
geraadpleegd"). Dergelijke regels mogen uiteraard wel gesteld worden,
maar het zijn geen beleidsregels; ze berusten ook niet op artikel 4.4.1
[4:81],
maar op de beheersbevoegdheden van het bestuursorgaan.
rblz.|112|
Bij het gebruik van een bevoegdheid van een
bestuursorgaan
Beleidsregels hebben allereerst betrekking op de
uitoefening van beschikkingsbevoegdheden, bijvoorbeeld tot verlening of
intrekking van vergunningen of subsidies of tot benoeming of ontslag.
Gelet op de functie van beleidsregels in het
bestuurlijk
en maatschappelijk verkeer en de grondslag van de gebondenheid -
gelegen in de beginselen van behoorlijk bestuur - is er echter alle
aanleiding het begrip beleidsregel en de ordening daarvan in deze wet niet te
beperken tot regels betreffende de uitoefening van beschikkingsbevoegdheden, maar
uit te strekken tot regels betreffende alle bevoegdheden
van bestuursorganen. Daarbij valt te denken aan bevoegdheden tot het geven van
besluiten van algemene strekking, ja zelfs van algemeen
verbindende voorschriften. Dat laatste is in de praktijk niet van
groot belang, maar denkbaar is bijvoorbeeld dat een gemeenteraad
beleidsregels zou opstellen met betrekking tot zijn bevoegdheid tot het
vaststellen van bestemmingsplannen. Bepalend is of het geven van de
algemene regel, gelet op de omstandigheden, als een publiekrechtelijke
rechtshandeling kan worden beschouwd.
Voor algemene regels over de uitoefening van
privaatrechtelijke bevoegdheden geldt hetzelfde. Gegeven het feit dat
bestuursorganen gebruik maken van het privaatrecht bij de vervulling van
publieke taken, vervullen deze regels in het verkeer tussen burgers en
bestuursorganen dezelfde functie als regels inzake de uitoefening van
publiekrechtelijke bevoegdheden. Zij dienen dan ook aan hetzelfde wettelijk
regime te worden onderworpen. Dit is in overeenstemming met het
feit dat de beginselen van behoorlijk bestuur, die in het thans
geldende ongeschreven recht de grondslag vormen voor de
juridische betekenis van beleidsregels, volgens de jurisprudentie van de
Hoge Raad ook van toepassing zijn bij het gebruik van privaatrecht door
bestuursorganen. Verwezen zij naar HR 27 juni 1986, NJ 1987, 726 (tolken),
en HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727 (IKON).
Eén en ander past ook in de systematiek van de Algemene
wet bestuursrecht. Afzonderlijke rechtshandelingen van
bestuursorganen die betrekking hebben op het aangaan van privaatrechtelijke
rechtshandelingen zijn niet om die reden ook privaatrechtelijk van
aard. Zoals in de memorie van toelichting bij artikel 1:3 is uiteengezet
(Kamerstukken II 1988-1989, 21 221 nr. 3, blz. 37), volgt de Algemene wet
bestuursrecht niet de "oplostheorie" van de Afdeling rechtspraak, zodat
onder het begrip "besluit" ook die rechtshandelingen van
bestuursorganen vallen die betrekking hebben op het gebruik van privaatrechtelijke
bevoegdheden, maar daarmee niet samenvallen. Voor dit wetsvoorstel
heeft dat tot gevolg dat beslissingen tot goedkeuring of tot
vernietiging van een privaatrechtelijke rechtshandeling van andere
bestuursorganen, of tot het
vaststellen van een beleidsregel over dergelijke
rechtshandelingen, besluiten in de zin van artikel 1:3 zijn.
Beleidsregels over de uitoefening van privaatrechtelijke
bevoegdheden leveren derhalve dezelfde soort binding op als
beleidsregels over de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden. Indien
bijvoorbeeld een bestuursorgaan in een beleidsregel aangeeft in welke
gevallen en onder welke voorwaarden het overeenkomsten zal aangaan, zullen
burgers daarop mogen afgaan, zoals zij ook mogen afgaan op
soortgelijke regels over het verstrekken van subsidies.
Indien vervolgens een overeenkomst onder de aangegeven voorwaarden is aangegaan, zullen die voorwaarden vanaf
dat moment de partijen bij de overeenkomst niet meer binden als
beleidsregel, maar als onderdeel van de overeenkomst. Voor die situatie heeft
de Hoge Raad (HR 10 januari 1992, AB 1992, 282, NJ 1992, 670) beslist dat de
door een gemeente gepubliceerde algemene voorwaarden voor uitgifte van grond in
erfpacht rblz.|113|
geen recht in de zin van artikel 99 Wet
RO zijn: zij
binden in die situatie als onderdeel van de inmiddels gesloten overeenkomst. In
het midden kan blijven of het ook in die situatie niet wenselijk zou
zijn in het belang van de rechtseenheid de algemene voorwaarden als recht te
beschouwen, zoals in commentaren op het arrest wel is gesteld. De
wetgever behoeft op dit moment geen standpunt in te nemen over de uitleg
van artikel 99 Wet
RO.
Wel is het van belang te constateren dat in
gevallen
waarin nog geen overeenkomst is gesloten maar de burger verlangt dat dit
zal gebeuren conform de bekendgemaakte voorwaarden - hij verlangt
dezelfde financiële voorwaarden of dezelfde looptijd als daarin
vermeld, doch het bestuursorgaan wil niet onder die condities contracteren
-, de voorwaarden als beleidsregel zijn aan te merken.
De motivering van het zojuist aangehaalde arrest kan de
indruk wekken dat de Hoge Raad ook in die situatie - die in het arrest
dus niet aan de orde was - in de algemene voorwaarden geen beleidsregels
zou zien. Wij nemen aan dat die indruk onjuist is, aangezien zij in
strijd zou zijn met de betekenis die volgens constante jurisprudentie van de
Hoge Raad ook in privaatrechtelijke verhoudingen aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur moet worden toegekend, terwijl juist
die beginselen leiden tot de binding aan beleidsregels zoals die in de
jurisprudentie algemeen is aanvaard. Hoe dit echter ook zij, in de nu
voorgestelde regeling zal er bij de beantwoording van de vraag of een
bestuursorgaan bij het aangaan van een overeenkomst mag afwijken van
bekendgemaakte algemene voorwaarden van moeten worden uitgegaan
dat die voorwaarden in die situatie beleidsregels zijn.
Geen beleidsregels zijn de door een bestuursorgaan
gestelde regels die louter betrekking hebben op de interne gang van zaken of
de organisatie van de werkzaamheden. Voor zover dergelijke regels al
bij besluit worden vastgesteld, hebben ze geen betrekking op het gebruik van
een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Daaronder worden in
het gangbare juridische spraakgebruik immers slechts "externe"
bevoegdheden begrepen, dat wil zeggen bevoegdheden van het
bestuursorgaan die ingrijpen in rechten of belangen van burgers.
Ter voorkoming van misverstand zij erop
gewezen dat,
eveneens overeenkomstig het gangbare spraakgebruik, het begrip
bevoegdheid ook strikt gebonden bevoegdheden omvat. In die zin heeft de
inspecteur der directe belastingen de bevoegdheid om een
belastingaanslag op te leggen, ook al heeft hij veelal niet de vrijheid om van
het opleggen daarvan af te zien. Ook regels over het gebruik van
dergelijke bevoegdheden kunnen derhalve beleidsregels zijn; veelal zal het
dan gaan om wetsinterpreterende regels.
Beleidsregels en plannen
Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat
plannen - bijvoorbeeld de indicatieve plannen op grond van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening - voor het grootste deel geen
beleidsregels zullen bevatten, hoewel op zichzelf het enkele feit dat een regel is
opgenomen in een als "plan" aangeduid document niet uitsluit dat die regel
als beleidsregel moet worden aangemerkt. Niet de aanduiding is immers
beslissend, maar de vraag of de regel materieel voldoet aan de begripsomschrijving van
artikel 1:3, vierde lid.
In de praktijk zullen de beleidsuitspraken in plannen -
anders dan de Raad van advies voor de ruimtelijke ordening lijkt aan
te nemen - niet snel aan de elementen van deze begripsomschrijving voldoen.
Niet iedere uitspraak over toekomstig beleid is een beleidsregel.
Naar de inhoud moet het gaan om een algemene, voor herhaalde toepassing
vatbare, regel voor het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Derhalve
rblz.|114|
is een beleidsuitspraak pas een beleidsregel als zij is
toegesneden op een specifieke bestuursbevoegdheid, bijvoorbeeld een
bevoegdheid tot het verlenen van een bepaald type vergunning of
vrijstelling. Of in de woorden van de Hoge Raad: het moet gaan om regels die
zich er naar inhoud en strekking toe lenen om jegens betrokkenen als
rechtsregels te worden toegepast (HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, AB 1990,
306). Beleidsuitspraken in plannen hebben doorgaans een globaler
karakter.
Anders dan in het voorontwerp is in de definitie geen
verwijzing naar de bevoegdheidsbepaling van artikel 4.4.1 [4:81]
opgenomen. Dit
houdt verband met de in het nieuwe tweede lid van artikel 4.4.1 [4:81]
neergelegde mogelijkheid dat bij wettelijke voorschrift de
bevoegdheid tot beleidsregelgeving wordt toegekend aan een ander dan het als
regel bevoegde bestuursorgaan. Hierop wordt nader ingegaan in de
toelichting op artikel 4.4.1 [4:81], tweede lid.
Titel 4.4 [4.3]
Artikel 4.4.1 [4:81]
Dit artikel geeft aan onder welke omstandigheden een
bestuursorgaan bevoegd is tot het vaststellen van beleidsregels.
Daarmee wordt de bevoegdheid tot beleidsregelgeving, die tot dusver in de
bestuursbevoegdheid geïmpliceerd werd geacht, uitdrukkelijk in
de wet vastgelegd. Zoals in de algemene toelichting op het onderdeel beleidsregels uiteen is gezet, betekent dit niet dat
beleidsregels nu toch algemeen verbindende voorschriften worden, omdat zij nu
wettelijk worden geregeld. Het feit dat in artikel 4.4.1 [4:81]
de
bevoegdheid wordt vastgelegd om regels te stellen die een ander karakter
hebben dan algemeen verbindende voorschriften, maakt duidelijk dat
het hier om een andere rechtsfiguur gaat. Dienovereenkomstig zijn de
rechtsgevolgen in deze titel dan ook anders geregeld dan die van algemeen
verbindende voorschriften.
Indien een bestuursorgaan bij de uitoefening van een
bevoegdheid over veel ruimte voor belangenafweging beschikt of vage
wettelijke criteria moet hanteren, kan het van groot belang zijn dat
beleidsregels worden vastgesteld. Daardoor wordt de uitoefening van de
bestuursbevoegdheid beter beheersbaar en is een gelijke, niet
willekeurige
behandeling van de justitiabelen beter gewaarborgd. Dat geldt vooral als
zeer veel besluiten moeten worden genomen en in het bijzonder als dat krachtens mandaat
of gedeconcentreerd gebeurt.
Bovendien vergroot beleidsregelgeving de
voorspelbaarheid van het bestuursoptreden. Dit is zowel in het belang van de
rechtszekerheid van de burger als van de doeltreffendheid van het
bestuursoptreden, omdat de burger zich dan meer zal richten naar de bakens die
het bestuursorgaan heeft uitgezet.
Eén en ander heeft de Commissie Wetgevingsvraagstukken
in haar eindrapport "Orde in de regelgeving" gebracht tot de
stelling dat uit een ruim omschreven bestuursbevoegdheid impliciet niet
alleen de bevoegdheid, maar ingevolge de beginselen van behoorlijk
bestuur in beginsel zelfs een verplichting tot beleidsregelgeving voortvloeit
(blz. 21).
Tegen het opnemen van een zo ruime verplichting tot
beleidsregelgeving in de Algemene wet
bestuursrecht zijn echter
drie bezwaren aan te voeren.
In de eerste plaats kunnen er goede redenen zijn om
ondanks de ruimte voor belangenafweging of wetsuitleg (vooralsnog) geen
beleidsregels vast te stellen. Soms verschaft de wetgever deze ruimte
omdat nog niet goed in algemene zin valt aan te geven hoe de
belangenafweging of nadere wetsuitleg dient plaats te vinden. In verband hiermee zal het
rblz.|115|
in bepaalde gevallen evenmin mogelijk of verantwoord zijn
terstond na de inwerkingtreding van de wet min of meer uitgewerkte
beleidsregels vast te stellen. Gelet op de eisen die onder meer uit de
artikelen 3:2 en 3:4 voortvloeien, zullen beleidsregels van de vereiste
kwaliteit in die gevallen meestal pas kunnen worden vastgesteld nadat eerst enige
ervaring met het gebruik van de nieuwe bestuursbevoegdheid is
opgedaan. Uiteraard betekent dit niet dat het bestuursorgaan bij afwezigheid
van beleidsregels naar willekeur zou mogen handelen. De te nemen besluiten
zullen immers vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet
moeten voldoen aan de
artikelen 3:2 en 3:4. Derhalve zal het bestuur zich op
dat tijdstip een beeld moeten hebben gevormd van een beleid dat bij de
uitvoering zal worden gevoerd. Het kan nuttig zijn dit beeld reeds aanstonds
vast te leggen in een beleidsregel, die in een later stadium indien nodig
kan worden bijgesteld aan de hand van de ervaringen en de mogelijk
veranderde inzichten. Zoals gezegd, geldt dit echter niet in alle
gevallen, zodat een een algemene verplichting tot beleidsregelgeving ongewenst
is.
In de tweede plaats kan de ruimte voor belangenafweging
verschaft zijn opdat het bestuursorgaan bij het gebruik van de
bestuursbevoegdheid plannen zal kunnen vaststellen. Planning kan eveneens
bijdragen aan een consistent, beheersbaar en voorspelbaar gebruik van de
bestuursbevoegdheid, ook al worden daarbij niet op dezelfde
wijze algemene criteria geformuleerd als bij het vaststellen van
beleidsregels.
In de derde plaats zou een bepaling die inhoudt dat bij
het gebruik van een bestuursbevoegdheid "in beginsel" of
"zo
enigszins mogelijk" beleidsregels moeten worden vastgesteld, te onbepaald
zijn. De twee hiervoor genoemde bezwaren laten zien dat het
bestuursorgaan zich in tamelijk veel gevallen terecht op een dergelijke clausule zou kunnen
beroepen. Daardoor zou een dergelijke bepaling aan
bestuursorganen, burgers en de rechter te weinig houvast bieden en te
weinig praktische betekenis hebben.
Deze bezwaren gelden niet indien geleidelijk een
bestendige bestuurspraktijk is ontstaan. Dan is het goed mogelijk en uit
een oogpunt van algemene kenbaarheid ook wenselijk deze bestendige
praktijk in beleidsregels neer te leggen, tenzij het even goed mogelijk is
de bestuurspraktijk in wettelijke voorschriften vast te leggen.
Tegen deze achtergrond heeft de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht in het voorontwerp voorgesteld
te bepalen dat een bestuursorgaan dat bij het gebruik van een
bevoegdheid tot het nemen van besluiten of het verrichten van
privaatrechtelijke rechtshandelingen een vaste gedragslijn volgt, verplicht is deze in
een beleidsregel neer te leggen, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Het praktische belang daarvan is
onder meer dat bij het neerleggen van een vaste gedragslijn in een
beleidsregel ingevolge artikel 3:42 de kenbaarheid van de gedragslijn is
gewaarborgd, alsmede dat het bestuursorgaan dan ingevolge afdeling 3.7
verplicht is de inhoud van de regel deugdelijk te motiveren.
Hoewel, zoals hiervoor reeds bleek, de argumenten voor
dit voorstel ons in beginsel aanspreken, dient anderzijds rekening
gehouden te worden met de lasten die een dergelijke verplichting
voor het bestuur meebrengt. Daarbij speelt ook een rol dat niet
eenvoudig is aan te geven wanneer een vaste gedragslijn ook voor de burgers
een
zodanige betekenis heeft dat omzetting in een schriftelijke
beleidsregel gewenst is.
Alles afwegende hebben wij daarom, in afwijking van het
voorontwerp, geen verplichting tot het vaststellen van beleidsregels
voorgesteld. Artikel 4.4.2 [-]
uit het voorontwerp is dan ook komen te vervallen.
Wij verwachten overigens dat artikel 4.4.3
[4:82], waarin is bepaald dat,
indien een beleidsregel is vastgesteld en bekendgemaakt, bij de motivering van
besluiten met een verwijzing naar die beleidsregel kan worden volstaan,
bestuursorganen in voldoende mate zal aanmoedigen om beleidsregels vast te stellen en
rblz.|116|
bekend te maken. Het ligt dan ook minder in de rede om
daarnaast nog een uitdrukkelijke verplichting tot het vaststellen van beleidsregels op te
nemen.
Eerste lid
De meeste beleidsregels worden vastgesteld door het
bestuursorgaan dat over de desbetreffende bestuursbevoegdheid beschikt
zelf, dan wel in mandaat namens dat bestuursorgaan.
Een hoger bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de
uitoefening van een bestuursbevoegdheid van een ander bestuursorgaan is vanuit die verantwoordelijkheidspositie bevoegd en soms zelfs
verplicht de uitoefening van de bestuursbevoegdheid te sturen door
onder meer algemene instructies. De Hoge Raad
heeft dit
nadrukkelijk uitgesproken met betrekking tot de bevoegdheid van de Minister van
Financiën betreffende de uitoefening van aan de
belastinginspecteurs geattribueerde beschikkingsbevoegdheden (HR 12
april 1978, NJ 1979,
533; AB 1979, 262; BNB 1978, 135-137). Indien het verantwoordelijke,
hogere bestuursorgaan deze instructies bekendmaakt, mag de burger,
juist omdat het hogere bestuursorgaan verantwoordelijk is, erop rekenen
dat het lagere bestuursorgaan zich zowel tot zijn voordeel als tot zijn
nadeel aan de instructies zal houden. In literatuur en rechtspraak
wordt dan ook terecht aangenomen dat het lagere bestuursorgaan aan deze
instructies in beginsel op dezelfde wijze gebonden is als aan door dat
orgaan zelf gegeven beleidsregels. Het wetsvoorstel (artikel
1:3,
vierde lid, in verbinding met artikel 4.4.1
[4:81]) zet deze lijn voort door
ook deze algemene instructies, mits deze schriftelijk zijn gegeven en geen
algemeen verbindende voorschriften zijn, als beleidsregels aan te
merken. In titel 4.4 [4.3] wordt geen onderscheid gemaakt tussen deze beleidsregels en
beleidsregels van het bestuursorgaan dat zelf over de bestuursbevoegdheid
beschikt.
Indien een bestuursbevoegdheid wordt gemandateerd, is de
mandaatgever, en niet de gemandateerde, bevoegd daarover
beleidsregels te geven. De bevoegdheid komt immers nog steeds aan de
mandaatgever toe, zij het dat zij namens hem door de gemandateerde
wordt uitgeoefend. Het mandaat van een beschikkingsbevoegdheid impliceert niet
dat ook de veel ingrijpender bevoegdheid tot het stellen
van beleidsregels wordt gemandateerd. In veel gevallen zal het
bestuursorgaan deze laatste bevoegdheid zelf willen blijven uitoefenen. Indien een
bevoegdheid aan een groot aantal ambtenaren wordt gemandateerd, zou het
uiteraard ook ongewenst zijn dat die ambtenaren elk hun eigen
beleidsregels zouden kunnen vaststellen.
Anderzijds behoeft niet te worden uitgesloten - en dat
is in artikel 1A.1.1.2 [10:3] dan ook niet geschied - dat de bevoegdheid tot
beleidsregelgeving zelf uitdrukkelijk gemandateerd wordt. Het
is denkbaar dat bijvoorbeeld een beschikkingsbevoegdheid wordt
gemandateerd aan een aantal ambtenaren van een uitvoerende dienst en tegelijk de beleidsregelbevoegdheid aan het hoofd van de dienst.
Voor het geval een bestuursbevoegdheid wordt
gedelegeerd, is gekozen voor het stelsel dat zowel de delegans als de delegataris beleidsregels kunnen geven over het gebruik van de gedelegeerde
bevoegdheid. De delegataris kan zijn eigen verantwoordelijkheid voor de
uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid niet waarmaken zonder de
mogelijkheid beleidsregels te stellen. Een correcte
bevoegdheidsuitoefening vergt immers in veel gevallen het vaststellen van
beleidsregels.
Anderzijds is het gewenst dat de delegans de
mogelijkheid behoudt om de uitoefening van een gedelegeerde bevoegdheid op
hoofdlijnen te sturen. Naar heersende leer is de delegans dan ook
bevoegd de delegataris algemene aanwijzingen te geven (zie ook de toelichting
op
artikel 1A.1.2.4 [10:16]). rblz.|117|
Deze algemene aanwijzingen worden in het
wetsvoorstel aangemerkt als beleidsregels. Dit is het meest in
overeenstemming met de systematiek van de Algemene
wet bestuursrecht en de
plaats die beleidsregels daarin innemen. Kenmerkend voor
beleidsregels is immers dat zij een in sterke mate bindend effect hebben, maar
toch, anders dan algemeen verbindende voorschriften, het bestuursorgaan
in geval van bijzondere omstandigheden nopen na te gaan of een
afwijking van die regels aangewezen is. In geval van delegatie zal de
delegans, voordat hij tot delegatie overging, wel de bevoegdheid hebben gehad
tot het stellen van beleidsregels, maar niet die tot het geven van algemeen verbindende
voorschriften. Het is hiermee moeilijk te verenigen dat
de regels die hij voor het uitoefenen van zijn bevoegdheid kan geven en
die na delegatie blijft bestaan in de vorm van de mogelijkheid algemene
aanwijzingen te geven, door de delegatie van karakter zouden veranderen.
Een bevoegdheid tot het stellen van algemeen verbindende
voorschriften kan de delegans aan zijn bevoegdheid tot delegatie dus niet
ontlenen; slechts indien hij op andere grond reeds dergelijke voorschriften zou mogen
vaststellen, zal hij die uiteraard behouden.
Wij hebben daarom, anders dan in het voorontwerp, in
artikel 4.4.1 [4:81]
uitdrukkelijk neergelegd dat een bestuursorgaan
beleidsregels kan geven met betrekking tot een door hem gedelegeerde
bevoegdheid. In geval van strijd tussen de beleidsregels van de delegans en die
van de delegataris gelden in beginsel eerstgenoemde; men zie nader de
toelichting op artikel 4.4.5 [4:84].
Het komt nogal eens
voor dat over de uitoefening van
een bestuursbevoegdheid uitspraken worden gedaan door organen die
volgens artikel 4.4.1 [4:81]
niet bevoegd zijn om beleidsregels vast te
stellen. Men denke aan de richtlijnen die de centrale overheid, zonder daartoe bij
wettelijk voorschrift de bevoegdheid te hebben verkregen, uitvaardigt omtrent
de wenselijk geachte bevoegdheidsuitoefening door lagere overheden.
Een ander voorbeeld vormen de uitspraken die een
vertegenwoordigend lichaam - alweer, zonder dat daartoe bij wettelijk voorschrift de
bevoegdheid is gegeven - doet inzake de wijze waarop het bestuursorgaan
dat aan het vertegenwoordigend lichaam verantwoording verschuldigd
is, zijn bestuursbevoegdheid in algemene zin dient uit te
oefenen. Genoemd kunnen ook worden de algemene aanbevelingen van
overlegorganen of adviescolleges omtrent de bevoegdheidsuitoefening door
de betrokken bestuursorganen. In al deze gevallen worden richtlijnen,
oordelen of adviezen gegeven door organen of instellingen die zelf
geen verantwoordelijkheid voor de bevoegdheidsuitoefening van het
betrokken bestuursorgaan dragen - al achten zij het wel tot hun taak het
betrokken bestuursorgaan van hun opvatting te verwittigen.
Deze richtlijnen, oordelen of aanbevelingen kunnen niet
de betekenis van beleidsregels hebben, omdat zij niet zijn
vastgesteld door organen die over een bevoegdheid tot beleidsregelgeving beschikken.
Dit is in overeenstemming met hetgeen in het algemeen geldt indien
een besluit is genomen door een orgaan dat daartoe niet de bevoegdheid
heeft. Genoemde richtlijnen of aanbevelingen hebben dan ook
niet de rechtsgevolgen die titel 4.4 [4.3]
aan beleidsregels verbindt. Zij
kunnen het betrokken bestuursorgaan dan ook niet direct binden. Indirect kan
er wel een zekere binding ontstaan, omdat de beginselen van behoorlijk
bestuur onder omstandigheden met zich kunnen brengen dat het
bestuursorgaan op die richtlijnen, oordelen of aanbevelingen zorgvuldig acht
slaat en daarvan, net als van adviezen in het algemeen, niet zonder goede
reden afwijkt (vgl. artikel 3.6.5 [3:50]). Dit zal met name het geval zijn
wanneer de aanbevelingen op technisch of wetenschappelijk onderzoek
gebaseerd zijn, zoals bijvoorbeeld in het milieurecht nogal eens het geval is.
Dit is echter onvoldoende reden om aan dergelijke, in
beginsel niet-bindende, richtlijnen en adviezen als bindend voor het betrokken
rblz.|118|
bestuursorgaan te beschouwen. Daarmee is, dit voor alle
duidelijkheid, niet gezegd dat het geven van dergelijke richtlijnen,
oordelen of adviezen onrechtmatig zou zijn. Bepaald is slechts dat deze
niet
de rechtsgevolgen hebben die titel 4.4 [4.3]
aan beleidsregels verbindt.
De zojuist bedoelde richtlijnen, uitspraken en adviezen
kunnen wel de rechtsgevolgen van beleidsregels krijgen indien een tot
beleidsregelgeving bevoegd bestuursorgaan deze richtlijnen
overneemt en daarmee tot eigen beleidsregels maakt. Dit komt met name
bij van rijkswege uitgegeven richtlijnen op het terrein van het milieubeleid nogal
eens voor.
Het overnemen van richtlijnen e.d. vergt een
uitdrukkelijke schriftelijke beslissing van het bestuursorgaan,
inhoudende dat de richtlijnen voortaan bij de uitoefening van de
bestuursbevoegdheid in acht genomen zullen respectievelijk dienen te worden.
Net als beleidsregels die het bestuursorgaan geheel op eigen initiatief
maakt, zullen ook deze beleidsregels eerst als zodanig in werking treden
als ze overeenkomstig artikel 3:42 bekendgemaakt zijn. Indien het
bestuursorgaan - of het bestuursorgaan onder de verantwoordelijkheid waarvan
het werkzaam is - de van elders aangedragen regels stilzwijgend
overneemt door daaraan bij de afzonderlijke besluiten in de uitoefening
van de bestuursbevoegdheid toepassing te geven, ontstaat er geen
beleidsregel in de zin van de wet, hooguit een vaste bestuurspraktijk.
Weer anders is het geval waarin de beleidsregel van een
vergelijkbaar bestuursorgaan - een ander college van burgemeester en
wethouders, een andere minister, het bestuur van een andere
bedrijfsvereniging - aan het betreffende bestuursorgaan wordt voorgehouden. Dan
is er wel een beleidsregel in de zin van de
wet, maar deze betreft
niet de bevoegdheidsuitoefening door het betrokken bestuursorgaan. Met
andere woorden: de beleidsregel geldt niet voor laatstbedoeld orgaan en
bindt dit orgaan derhalve niet.
Tot slot zij
opgemerkt dat het krachtens artikel 4.4.1
[4:81]
bevoegde bestuursorgaan in sommige gevallen ook bevoegd is tot
het geven van beleidsregels indien het tevens over de bevoegdheid
beschikt om ter zake van de uitoefening van een bevoegdheid algemeen
verbindende voorschriften te stellen. Het is, zeker bij nieuw
beleid, denkbaar dat het bestuursorgaan ervoor zou willen kiezen eerst enige
tijd met beleidsregels te werken alvorens tot het stellen van algemeen
verbindende voorschriften over te gaan. Deze mogelijkheid staat
echter niet in alle gevallen open. Beleidsregels zijn in de eerste plaats
niet mogelijk indien het bestuursorgaan niet bevoegd, maar verplicht is om
algemeen verbindende voorschriften vast te stellen. In die
situatie zijn beleidsregels zonder meer uitgesloten. Beleidsregels kunnen dan
wel
nog een rol spelen bij de concretisering van het betreffende
algemeen verbindende voorschrift. Indien het algemeen verbindende voorschrift
nog vage termen of discretionaire elementen bevat, kunnen die op
hun beurt gaandeweg nader worden ingevuld door beleidsregels.
Beleidsregels zijn in beginsel wel mogelijk indien het
bestuursorgaan bevoegd doch niet verplicht is tot het stellen van
algemeen verbindende voorschriften. Voor de beantwoording van de vraag of dit
in een concreet geval mogelijk is, weegt de bedoeling van de wetgever
het zwaarst. Het kan zo zijn dat de wetgever er uitdrukkelijk voor
gekozen heeft om de nadere regels uitsluitend in de vorm van een algemeen
verbindend voorschrift te laten vaststellen. De omstandigheid dat
in de wet aan een bestuursorgaan de bevoegdheid tot het stellen van
algemeen verbindende voorschriften wordt toegekend, behoeft op zichzelf
niet tot het aannemen van een dergelijke bedoeling te leiden.
rblz.|119|
In veel gevallen echter zal de wetgever zich niet
uitdrukkelijk over de toelaatbaarheid van beleidsregels hebben uitgelaten. Of
beleidsregels dan zijn toegestaan, hangt af van verschillende factoren.
Mede van belang is of de door de wetgever gekozen vorm waarin de nadere
regelgeving moet worden gegoten met bijzondere waarborgen is omkleed.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij algemene maatregelen van bestuur en
bij ministeriële regelingen waarvoor een voorhangprocedure geldt. In die
situatie ligt het gebruik van beleidsregels niet in de rede. In gevallen
waarin beleidsregels in vergelijking tot de door de wetgever gekozen vorm van
nadere regelgeving niet of nauwelijks met minder waarborgen omkleed
[lees: zijn omkleed, red.], ligt de situatie anders. Van belang daarbij is dat ook voor de
totstandkoming van beleidsregels procedurele waarborgen gelden. Gewezen kan
worden op hoofdstuk 3 van de Algemene wet
bestuursrecht, waarin
onder meer regels zijn opgenomen inzake de voorbereiding en bekendmaking van
besluiten. Deze voorschriften gelden ook voor
beleidsregels. Op die grond menen wij dat beleidsregels in die situaties eerder zijn
toegestaan.
Of de nadere regelgeving met bijzondere waarborgen is
omkleed, behoeft naar onze mening niet doorslaggevend te zijn.
Ook andere factoren kunnen een rol spelen. Van belang zou kunnen
zijn of het gaat om een open geformuleerde delegatiebepaling of dat de
regelgeving betrekking heeft op concreet omschreven onderwerpen. In het eerste
geval heeft de wetgever kennelijk geen helder omlijnd
idee gehad omtrent de inhoud van de nadere regels en zijn beleidsregels
daarom eerder toelaatbaar. In het laatstgenoemde geval zal het gebruik
van beleidsregels in de regel daarentegen niet zijn toegestaan. Ten slotte
is een belangrijke factor of met behulp van de nadere regels verplichtingen
aan burgers kunnen worden opgelegd. Is dit het geval, dan is het
gebruik van beleidsregels uiteraard uitgesloten.
Het voorgaande samenvattend zijn wij van mening dat in
plaats van algemeen verbindende voorschriften onder bepaalde
omstandigheden beleidsregels kunnen worden vastgesteld. Niettemin
blijkt ook uit het voorgaande dat een zorgvuldige afweging zal moeten
plaatsvinden. De beleidsregels zullen bovendien in veel gevallen
tijdelijk van aard zijn. Zoals hiervoor reeds is gesteld, is zal het vooral bij
nieuw beleid voor de hand liggen om enige tijd met beleidsregels te werken
alvorens tot het stellen van algemeen verbindende voorschriften wordt
overgegaan. Dit betekent dat het in bepaalde situaties zal gaan om een
overgangsfase, waarbij de beleidsregels een tussenstap vormen op weg
naar de vaststelling van algemeen verbindende voorschriften.
Mede naar aanleiding van het advies van de
Sociaal-Economische Raad kan nog worden opgemerkt dat een beleidsregel het
gebruik van een bevoegdheid niet uitputtend behoeft te regelen. In de
praktijk zal de mate van gedetailleerdheid van de in feite gevolgde vaste
gedragslijn ook de mate van gedetailleerdheid van de beleidsregel bepalen.
Het is immers zeer wel mogelijk dat een bestuursorgaan bijvoorbeeld
een vergunning in bepaalde categorieën gevallen steeds weigert, zonder dat dit impliceert
dat in andere gevallen nooit geweigerd wordt. In zo'n
geval kan een beleidsregel worden geformuleerd van het type: "De
vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien...". Een beleidsregel
kan, met andere woorden, ook zelf nog discretionaire elementen of vage
termen bevatten.
Tweede lid
Het eerste lid van
artikel 4.4.1
[4:81]
geeft aan welke
bestuursorganen als regel bevoegd zijn beleidsregels vast te stellen voor de
uitoefening van een bepaalde bevoegdheid. In de praktijk zullen de
meeste beleidsregels op deze bepaling zijn terug te voeren. Onder
omstandigheden kan het echter gewenst zijn dat ook andere bestuursorganen
beleidsregels kunnen vaststellen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij verzelfstandiging
van
rblz.|120|
overheidstaken. Het kan dan voorkomen dat de wetgever
de betrokken bestuursbevoegdheden aan een nieuw zelfstandig
bestuursorgaan wil attribueren, maar het tegelijk wenselijk acht dat de
Kroon of een minister de uitoefening van die bevoegdheden nog in algemene zin
kan sturen. Zulks kan bereikt worden door de Kroon, respectievelijk
de minister, de bevoegdheid te geven ter zake algemeen verbindende
voorschriften te stellen, maar het komt voor dat de wetgever, gelet op de
aard van de materie, het zelfstandig bestuursorgaan de bevoegdheid
wil geven in bijzondere gevallen van de door de Kroon of de minister
gestelde regels af te wijken. Thans gebeurt dit soms door de betrokken
regels aan te duiden als richtlijnen of door de afwijkingsbevoegdheid
met zoveel woorden in de wet neer te leggen. Hiervoor is reeds het
voorbeeld genoemd van de richtlijnen die het Centraal Orgaan
Tarieven Gezondheidszorg op grond van artikel 11 e.v. van de Wet
tarieven gezondheidszorg dient te geven. Hetzelfde resultaat kan in
dergelijke gevallen echter op veel eenvoudiger wijze worden bereikt door de
Kroon of de minister de bevoegdheid te geven beleidsregels vast te
stellen over het gebruik van de bevoegdheden van het zelfstandig
bestuursorgaan.
Daarom is, anders dan in het voorontwerp, thans in
artikel 4.4.1 [4:81], tweede lid, uitdrukkelijk vastgelegd dat bij wettelijk
voorschrift ook aan andere dan de in artikel 4.4.1
[4:81], eerste lid, bedoelde
bestuursorganen de bevoegdheid kan worden verleend om beleidsregels vast te
stellen. Dit heeft het voordeel dat het in beginsel niet langer nodig is om naast
algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels een
derde categorie van regels die van algemeen verbindende voorschriften
met afwijkingsmogelijkheid te onderscheiden. Het bestuursrechtelijk
systeem wordt zodoende eenvoudiger. De wetgever die een bestuursorgaan
de bevoegdheid wil geven regels te stellen over de
uitoefening van een bevoegdheid door een ander bestuursorgaan dat niet
onder verantwoordelijkheid van eerstgenoemd bestuursorgaan werkzaam is,
noch krachtens delegatie optreedt, heeft voortaan de keus uit
twee mogelijkheden: hij kan hetzij een bevoegdheid tot
beleidsregelgeving, hetzij een bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften te
geven toekennen. In het eerste geval is er wel een
afwijkingsmogelijkheid, in het tweede geval niet.
Benadrukt zij dat de uit artikel 4.4.1
[4:81], tweede lid,
voortvloeiende keuzemogelijkheid voor de wetgever niet tot gevolg mag
hebben dat er meer beleidsregels of daarmee vergelijkbare regels
worden vastgesteld dan thans het geval is. De bepaling beoogt slechts een
vereenvoudiging te bewerkstelligen in situaties waarin de wetgever behoefte
heeft aan toekenning van een afwijkingsbevoegdheid. Daarmee blijft
onverlet dat steeds kritisch zal moeten worden bezien of een
dergelijke afwijkingsbevoegdheid noodzakelijk is. Ter vermijding van
misverstand zij voorts herhaald dat beleidsregels alleen betrekking kunnen
hebben op de uitoefening van een bestuursbevoegdheid. Bestaat
behoefte aan de mogelijkheid om af te wijken van voorschriften die
rechtstreeks de rechtspositie van burgers regelen, dan zal daarin in het
desbetreffende wettelijk voorschrift zelf moeten worden voorzien.
Het is in het thans voorgestelde stelsel uiteraard wel
gewenst dat de wetgever steeds duidelijk aangeeft welk type regels hij
op het oog heeft. Gelet op de bestaande wetgevingstraditie zal moeten
worden aangenomen dat met een bevoegdheid tot regelgeving een
bevoegdheid tot het geven van algemeen verbindende voorschriften is bedoeld,
tenzij duidelijk blijkt van een andere bedoeling van de wetgever. Die
andere bedoeling dient tot uiting te komen door in de wettekst
uitdrukkelijk het woord beleidsregel te gebruiken. Zulks zal worden neergelegd
in de Aanwijzingen voor de
regelgeving, terwijl voorts bij de
aanpassingswetgeving de bestaande wetgeving met dit uitgangspunt in
overeenstemming zal worden gebracht.
rblz.|121|
Benadrukt zij nog dat het voorgaande geenszins beoogt
af te doen aan de belangrijkste verschillen tussen algemeen verbindende
voorschriften en beleidsregels. Zo blijft gelden dat bij beleidsregel
niet rechtstreeks verplichtingen aan burgers kunnen worden opgelegd. Wil
de wetgever een bestuursorgaan tot dit laatste in staat stellen, dan
zal hij een toereikende bevoegdheid tot het geven van algemeen verbindende
voorschriften moeten creëren. Ook beoogt artikel 4.4.1
[4:81],
tweede lid, niets te veranderen aan de verbindende kracht van beleidsregels
in vergelijking tot algemeen verbindende voorschriften. Beleidsregels
met de in artikel 4.4.1 [4:81], tweede lid, bedoelde wettelijke grondslag hebben
dezelfde verbindende kracht als beleidsregels zonder wettelijke
grondslag. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, verschilt deze van de
verbindende kracht van algemeen verbindende voorschriften.
Artikel 4.4.3
[4:82]
Indien een vaste gedragslijn in een beleidsregel is
neergelegd, kan het bestuursorgaan bij de motivering van met toepassing van
die beleidsregel genomen afzonderlijke besluiten naar die beleidsregel
verwijzen. Dit betekent dat de bij de totstandkoming van het beleid in
algemene zin gemaakte keuzen niet steeds opnieuw behoeven te worden
gemotiveerd. Dat is immers reeds bij het tot stand brengen van de
beleidsregel gebeurd. Bij de motivering van afzonderlijke besluiten
kan dan veelal worden volstaan met een korte verwijzing naar (de motivering van) de toegepaste beleidsregel, alsmede de overweging dat geen
sprake is van een bijzonder geval dat tot afwijking van de regel zou
kunnen nopen (vgl. bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 14 augustus 1979, AB 1980, 636;
CRvB 22 december 1978, AB 1980, 44). Dit is een niet onbelangrijke verlichting van de
uit de motiveringsplicht voortvloeiende bestuurslasten.
De keerzijde daarvan is neergelegd in artikel
4.4.3 [4:82]. Een
verwijzing naar een vaste gedragslijn die niet in een beleidsregel is
neergelegd, kan niet gelden als een toereikende motivering van een besluit.
Uiteraard staat het het bestuursorgaan vrij in het kader van de motivering
een dergelijke gedragslijn te noemen, maar dat kan niet als een
motivering gelden.
De achtergrond hiervan is dat er bij een niet in een
beleidsregel neergelegde gedragslijn geen garantie is dat de
motivering van de gedragslijn voor betrokkenen kenbaar is, en zelfs niet
dat de aan de gedragslijn ten grondslag liggende keuzen gemotiveerd
zijn. In zo'n geval zal het bestuursorgaan bij ieder afzonderlijk besluit
ook over het in algemene zin gevoerde beleid verantwoording moeten
afleggen. Indien een vaste gedragslijn niet in een beleidsregel is
neergelegd, zijn de afzonderlijke besluiten dus niet reeds daarom
onrechtmatig, maar zij moeten wel aan zwaardere motiveringseisen voldoen dan
met toepassing van een beleidsregel genomen besluiten. Is de motivering
van het afzonderlijke besluit in dit licht onvoldoende, dan kan
dit in rechte tot vernietiging leiden. Deze benadering kan ook in
recentere jurisprudentie worden aangetroffen (bijvoorbeeld Afd. rechtspraak
12 april 1988,
AB 1989, 49).
Voor alle duidelijkheid zij nog opgemerkt dat artikel
4.4.3 [4:82]
niet betekent dat naast bijvoorbeeld een beleidsnota steeds
afzonderlijke beleidsregels moeten worden opgesteld, wil het bestuur daarnaar kunnen
verwijzen. Wanneer de nota zelf regels bevat die naar hun inhoud
als beleidsregels kunnen worden aangemerkt, is het voldoende om de nota
zelf overeenkomstig artikel 3:42 bekend te maken.
Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat ook indien
een beleidsregel is toegepast, het bestuursorgaan, bijvoorbeeld bij
verschil van mening over de kwalificatie van de feiten, zo nodig zal moeten
motiveren waarom de beleidsregel in het concrete geval van toepassing is
geacht. Bovendien zal het bestuursorgaan in voorkomende gevallen moeten
aangeven
rblz.|122|
waarom geen of juist wel bijzondere omstandigheden als
bedoeld in artikel 4.4.5 [4:84], die tot afwijking van de beleidsregel
nopen, aanwezig zijn geacht.
Artikel 4.4.4
[4:83]
Evenals bij andere besluiten is het ook bij
beleidsregels uit een oogpunt van rechtszekerheid belangrijk dat de betrokkenen weten
binnen welk juridisch kader zij gegeven zijn. Artikel
3.6.2 [4:47], tweede
lid, mist ten aanzien van beleidsregels echter praktische betekenis, omdat de
beleidsregel zelf geen wettelijke grondslag heeft. De bestuursbevoegdheid
waarop de beleidsregel betrekking heeft, zal echter vaak wel bij
wettelijk voorschrift zijn gecreëerd. Het is dan voor de betrokkenen van
belang om te weten om welk wettelijk voorschrift het gaat. Artikel 4.4.4
[4:83]
verplicht dit bij de bekendmaking van de beleidsregel te vermelden.
De woorden "zo mogelijk" zijn opgenomen omdat
beleidsregels ook betrekking kunnen hebben op bestuursbevoegdheden zonder
specifieke wettelijke grondslag. Men denke aan bevoegdheden tot het
verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.
Artikel 4.4.5
[4:84]
Uit de rechtspraak blijkt enerzijds dat het
bestuursorgaan zich aan de voor hem geldende beleidsregels dient te houden,
anderzijds dat het bestuursorgaan zich door het geven van beleidsregels
niet de bevoegdheid kan ontnemen om in bijzondere gevallen van
beleidsregel [lees: van een beleidsregel, red.] af te wijken (o.m. Afd. rechtspraak 10 juni 1977, AB 1977, 359). Het bestaan van
deze afwijkingsbevoegdheid brengt met zich mee dat in
de daarvoor in aanmerking komende gevallen zorgvuldig onderzocht dient
te worden of er reden is voor afwijking, alsmede dat inderdaad
afwijking plaatsvindt als de redelijkheid dat vereist (o.m. CRvB
13 oktober 1987, RSV
1988, 118; CBb 4 juli 1985, AB 1986, 19; Afd. rechtspraak 10 februari
1987, AB
1987, 397).
Enerzijds ligt het voor de hand dat de beleidsregel
normaal gesproken bindt. Beleidsregels hebben voor het bestuursorgaan
alleen maar zin als het zich tegenover de burger in beginsel op deze regels
kan beroepen, ook als de burger zich daardoor benadeeld voelt. Omgekeerd
eisen de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid dat de burger zich
tegenover het bestuursorgaan in beginsel op de beleidsregel kan
beroepen, ook al acht het bestuursorgaan dat bezwaarlijk. Beide rechtsgevolgen
van beleidsregels worden door artikel 4.4.5
[4:84]
gewaarborgd.
Anderzijds ligt het voor de hand dat de beleidsregel
nimmer volledig kan binden. Dan zou de beleidsregel immers volledig de
werking van een wettelijk voorschrift verkrijgen, ondanks de
omstandigheid dat de in onze rechtsstaat daarvoor vereiste bevoegdheidsverlening bij
wettelijk voorschrift ontbreekt. Ook dit uit de rechtspraak naar voren komend
beginsel is in artikel 4.4.5 [4:84]
neergelegd.
Het vaststellen van beleidsregels heeft dus zowel voor
het bestuursorgaan als voor de burgers voor- en nadelen.
Het voordeel voor het bestuursorgaan is onder meer dat
het gebruik van zijn bevoegdheid tot het geven van besluiten of het
verrichten van andere handelingen vereenvoudigd wordt. De
belangenafweging of de nadere wetsuitleg die het bestuursorgaan bij het gebruik
van zijn bevoegdheid dient te verrichten, vindt reeds in algemene
zin bij het voorbereiden en geven van de beleidsregel plaats. Dit
brengt met zich dat - indien de beleidsregel voldoet aan de eisen van onder
meer afdeling 3.2 - bij het gebruik van de bestuursbevoegdheid in de,
veelal talloze, afzonderlijke gevallen binnen de reikwijdte van de
beleidsregel niet meer per geval afzonderlijk de in artikel 3:2 bedoelde
kennisvergaring en de in artikel 3:4 bedoelde belangenafweging behoeven plaats te vinden.
rblz.|123|
Uiteraard behouden deze artikelen ook indien een beleidsregel tot stand is
gebracht onverkort hun gelding, maar in het normale
geval zal het bestuursorgaan dan kunnen volstaan met toepassing van de
beleidsregel, omdat reeds bij de totstandkoming daarvan is voldaan aan
de uit de artikelen 3:2 en 3:4 voortvloeiende eisen. Voor zover
dat niet het geval is, zal uiteraard weer wel een op het afzonderlijke geval
toegespitste kennisvergaring en belangenafweging moeten plaatsvinden.
Dit doet zich met name voor indien er aanwijzingen zijn dat sprake zou
kunnen zijn van bijzondere omstandigheden.
Eén en ander brengt, zoals in de toelichting op artikel
4.4.3 [4:82] reeds werd opgemerkt, met zich dat het tevens veel eenvoudiger
wordt om in de afzonderlijke gevallen de door artikel 3.6.1
[3:46]
geëiste
deugdelijke motivering te geven. Het geven van zorgvuldig overwogen en
geformuleerde beleidsregels kan aldus veel bestuurslasten bij het gebruik van bestuursbevoegdheden besparen.
Voor de burger heeft een beleidsregel het
voordeel dat
het bestuursoptreden beter voorspelbaar wordt en de behoorlijkheid
daarvan met behulp van de beleidsregel eenvoudiger getoetst kan worden. Dit
laatste vergemakkelijkt ook de controle door de rechter,
vertegenwoordigende lichamen, hogere bestuursorganen en de Nationale
ombudsman.
Dit alles geldt slechts binnen de reikwijdte van de
beleidsregel. Een beleidsregel beoogt lang niet altijd alle discretionaire
elementen van de betreffende bestuursbevoegdheid of alle relevante vage normbestanddelen uitputtend te regelen. Soms heeft de
beleidsregel slechts op een deel van de discretionaire elementen of
vage criteria betrekking. Soms ook geeft de beleidsregel bijvoorbeeld
uitsluitend aan in welke gevallen de betreffende vergunning in ieder geval
zal worden geweigerd respectievelijk verleend of ingetrokken,
daarmee beogende dat ook in de niet door de beleidsregel bestreken gevallen
weigering respectievelijk verlening of intrekking mogelijk is.
Indien de beleidsregel het gebruik van de
bestuursbevoegdheid niet volledig regelt, zullen buiten de reikwijdte van de
beleidsregel per afzonderlijk geval volledige kennisvergaring en
volledige belangenafweging moeten plaatsvinden en zal een op het
afzonderlijke geval toegespitste motivering moeten worden gegeven.
Ook binnen de reikwijdte van de beleidsregel zal dit
soms vereist zijn. Niet zelden zal de beleidsregel immers zelf ook
discretionaire elementen of objectieve vage formuleringen bevatten.
Uiteraard is een bestuursorgaan uitsluitend gebonden aan
de beleidsregels die voor de bevoegdheidsuitoefening door dat
bestuursorgaan gelden. Dat zijn derhalve de regels gegeven door dat
bestuursorgaan zelf, door een bestuursorgaan onder de verantwoordelijkheid
waarvan de bevoegdheid wordt uitgeoefend of eventueel door een ander bestuursorgaan dat de bevoegdheid tot beleidsregelgeving heeft.
Regels gegeven door andere organen vallen hier niet onder.
Circulaires waarmee de centrale overheid lagere
overheden beoogt te beïnvloeden, zijn derhalve geen beleidsregels
betreffende de bestuursbevoegdheden van de lagere overheden. Mogelijk zijn zij
wel beleidsregels betreffende de bestuursbevoegdheden van de
centrale overheid zelf, bijvoorbeeld betreffende de bevoegdheid tot spontane vernietiging,
tot het onthouden van goedkeuring, tot het geven van
aanwijzingen of tot het verlenen van rijksbijdragen.
Welke beleidsregel geldt indien beleidsregels
conflicteren, valt aan de hand van de rechtspraak niet aan te geven. Het ligt voor
de hand de voor conflicterende wetgeving geldende regels zoveel mogelijk
analoog toe te passen: de latere regel gaat voor de eerdere, de
bijzondere voor de algemene, de hogere voor de lagere. Het laatste kan van
praktisch belang zijn bij delegatie en indien zowel het bestuursorgaan aan wie een
rblz.|124|
bevoegdheid toekomt als het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid de bevoegdheid wordt uitgeoefend beleidsregels
vaststellen. Overigens ligt het, indien twee bestuursorganen
beleidsregels kunnen geven over het gebruik van dezelfde bevoegdheid,
natuurlijk voor de hand dat deze bestuursorganen hun voorgenomen beleidsregels
zoveel mogelijk op elkaar afstemmen.
Indien het bestuursorgaan de beleidsregel niet
overeenkomstig artikel 3:42 bekendmaakt of de beleidsregel het resultaat is
van onzorgvuldige voorbereiding of onzorgvuldige belangenafweging, dan wel
in strijd is met een wettelijk voorschrift, het gelijkheidsbeginsel
of het rechtszekerheidsbeginsel, kan het bestuursorgaan zich
uiteraard evenmin op de beleidsregel beroepen. Net als een onrechtmatig
wettelijk voorschrift is de beleidsregel dan onverbindend, dat wil
zeggen: zij geldt niet.
In beginsel kan ook de burger zich tegenover het
bestuursorgaan niet op een onverbindende beleidsregel beroepen. Onder
omstandigheden kunnen het gelijkheidsbeginsel of het
vertrouwensbeginsel het bestuursorgaan evenwel verplichten jegens die burger voor wie
dit gunstig is, toch overeenkomstig de onverbindende beleidsregel te
handelen. Het gelijkheidsbeginsel kan hiertoe verplichten indien
overeenkomstig de onverbindende beleidsregel inmiddels een vaste bestuurspraktijk is
ontstaan. Het vertrouwensbeginsel kan een rol spelen,
omdat het bekendmaken van de onverbindende beleidsregel een sterke
gerechtvaardigde verwachting kan doen ontstaan die, gelet op alle
betrokken belangen, geheel of gedeeltelijk gehonoreerd dient te worden.
Wanneer dit het geval is, laat zich vooralsnog niet goed door de wetgever
regelen. Het is beter de ontwikkeling in de rechtspraak af te wachten. Dat
biedt ook de mogelijkheid een wettelijke regeling van dit punt af te
stemmen op andere bepalingen betreffende de toepassing van het
vertrouwensbeginsel, zoals de regeling van de intrekking en wijziging van
beschikkingen.
De gebondenheid aan beleidsregels vloeide tot dusverre
voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat zij
voortaan direct uit artikel 4.4.5 [4:84]
zal voortvloeien, wordt in zoverre de
werking van de beginselen van behoorlijk bestuur beperkt. Toch blijven
deze beginselen ook ten aanzien van beleidsregels naast de Algemene
wet bestuursrecht van betekenis. Behalve in het zojuist genoemde geval van
onverbindende beleidsregels zullen de beginselen van behoorlijk
bestuur ook hun betekenis behouden voor het bij de invoering of
wijziging van beleidsregels in acht te nemen overgangsrecht. Daarbij zal,
naast bijvoorbeeld artikel 3:4, vooral op het vertrouwensbeginsel acht
geslagen moeten worden (vgl. bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 24 april
1981, AB 1982,
5; Afd. rechtspraak 7 november 1980, AB 1981, 346)
Voorts blijven de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur onverminderd van belang voor aan beleidsregelgeving verwante
verschijnselen die buiten de werkingssfeer van titel 4.4 [4.3]
vallen. Dat
geldt bijvoorbeeld voor de gebondenheid aan de vaste bestuurspraktijk, die
- al dan niet op basis van interne beleidslijnen - door een reeks van
afzonderlijke beschikkingen of andere handelingen ontstaan is. Het is
zeker thans niet goed mogelijk dergelijke verschijnselen in een algemene
wet te reguleren.
Hiervoor is reeds aangegeven op welke gronden het
bestuursorgaan de bevoegdheid en verplichting behoudt in bijzondere
gevallen van de beleidsregel af te wijken. Dat kan alleen in bijzondere
gevallen, dat wil zeggen: gelet op de bijzonderheden van het geval.
Afwijking in normale gevallen behoort niet mogelijk te zijn. Immers, een structurele afwijking in
normale, door de beleidsregel voorziene, gevallen
betekent materieel een wijziging van de beleidsregel. Dat behoort uit oogpunt
van rechtszekerheid niet via een afwijking, maar via een overeenkomstig artikel
3:42 rblz.|125|
bekend te maken wijziging te geschieden. Een incidentele
afwijking in een normaal geval zou snel in strijd komen met het
gelijkheidsbeginsel.
Afwijking van de beleidsregel is mogelijk als aan twee
cumulatieve eisen is voldaan. Ten eerste moet er sprake zijn van
bijzondere omstandigheden. Ten tweede dienen deze met zich te brengen dat de
nadelige of voordelige gevolgen van handelen overeenkomstig de
beleidsregel onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de
beleidsregel te dienen doelen. In dit laatste ligt in voorkomende
gevallen tevens een verwijzing besloten naar de onderliggende wettelijke
regeling. Bij (rechtmatige) binnenwettelijke beleidsregels zijn de met
de beleidsregel te dienen doelen immers per definitie afgeleid van de met
de onderliggende wettelijke regeling te dienen doelen.
Afwijking is derhalve mogelijk en geboden indien de
strikte naleving van de beleidsregel, gelet op de strekking van de
beleidsregel en de onderliggende wettelijke regeling, in het onderhavige
geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel voor de
belanghebbenden zou opleveren (vgl. bijvoorbeeld CRvB
16 december 1985, RSV 1986, 157;
Vz. CBb 15 maart 1985, AB 1986, 4). Het omgekeerde, te weten dat de strikte
naleving van de beleidsregel, gelet op de strekking van de beleidsregel
en de onderliggende wettelijke regeling, niet terecht zou zijn en
bovendien een onevenredig voordeel voor de belanghebbende zou opleveren, is
eveneens denkbaar, al zijn daarvan in de jurisprudentie
nauwelijks voorbeelden te vinden.
Ook indien aan de belanghebbende een toezegging is
gedaan die slechts door afwijking van de beleidsregel gehonoreerd
kan worden, kan het bestuursorgaan hiertoe op grond van het
vertrouwensbeginsel inderdaad verplicht zijn.
De in
artikel 4.4.5
[4:84]
neergelegde afwijkingsmogelijkheid
dient uiteraard in overeenstemming met het recht te worden gebruikt. Het
spreekt vanzelf dat artikel 4.4.5 [4:84]
het bestuursorgaan nooit de
bevoegdheid, laat staan de verplichting, geeft om een rechtens onjuiste uitleg van
de wet te hanteren. Dat geldt bij alle soorten beleidsregels. De opvatting
van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak dat de ruimte voor afwijking
bij wetsinterpreterende regels kleiner is dan bij andere
beleidsregels kan in sommige gevallen juist zijn, maar heeft geen algemene
geldigheid. De vraag of moet worden afgeweken, zal hier immers beantwoord moeten
worden aan de hand van de wettelijke regel. Indien de beleidsregel
een interpretatie geeft van een vaag wettelijke criterium, zoals "passende
arbeid", kan het zeer wel zijn dat dit criterium voor de normale gevallen
in de beleidsregel goed is uitgewerkt. Denkbaar is echter dat een
dergelijke, doorgaans juiste, uitwerking niet met de wet in overeenstemming is
indien de betrokken persoon in uitzonderlijke omstandigheden verkeert of een uitzonderlijk, van het normale patroon afwijkend,
arbeidsverleden heeft. Het feit dat die omstandigheden leiden tot gevolgen die
onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen
nopen dan tot de conclusie dat de wetgever in die situatie het resultaat
van de beleidsregel niet zal hebben gewild.
Overigens maakt het bij de toetsing door de rechter van
de gerechtvaardigdheid van de afwijking wel verschil of het gaat om
een wetsinterpreterende regel of om een andere beleidsregel. In het
eerste geval is het immers uiteindelijk aan de rechter om te bepalen tot
welk resultaat de toepassing van de wet in het concrete geval moet leiden,
zodat hij ook moet beoordelen in hoeverre het volgen of juist afwijken
van de beleidsregel juist is. Bij andere beleidsregels ligt dit
anders, omdat de rechter dan de beoordelingsruimte van het bestuur moet respecteren.
De afwijkingsbevoegdheid moet bij alle beleidsregels
onder meer met inachtneming van de artikelen 3:2 en
3:4 worden
uitgeoefend. De door artikel 3:4 binnen de grenzen van
de wet geëiste belangenafweging is
rblz.|126|
daarbij van bijzonder belang indien de te overwegen
afwijking gunstig is voor de ene belanghebbende, maar ongunstig voor een
andere belanghebbende (bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 30 april 1977, AB 1977,
308; Afd. rechtspraak 9 mei 1978, AB 1979, 223). Afwijking is namelijk, anders
dan de Raad voor het Binnenlands Bestuur in zijn advies veronderstelt,
ook ten nadele van een burger mogelijk, en wel wanneer toepassing van de
beleidsregel in een bijzonder geval onevenredige gevolgen zou hebben
voor een andere belanghebbende, het bestuursorgaan zelf daaronder
begrepen.
De zorgvuldige belangenafweging die
artikel 3:4 eist,
brengt mee dat het bestuursorgaan attent dient te zijn op de
mogelijkheid van bijzondere omstandigheden die afwijking zouden rechtvaardigen en
bereid dient te zijn een afwijking te overwegen als daarom verzocht
wordt. Dat blijft het kernpunt van het verschil tussen beleidsregels en
algemeen verbindende voorschriften.
Deze zorgvuldige belangenafweging speelt derhalve op
twee niveaus een rol: bij de totstandkoming van de beleidsregel zelf
en bij de toepassing daarvan in het concrete geval. Immers, de
beleidsregel is een besluit dat ook als zodanig aan de eisen van afdeling
3.2 moet voldoen. Is dat niet het geval, dan staat een met toepassing van die
beleidsregel genomen besluit reeds daarom aan vernietiging bloot.
Doch ook indien de beleidsregel als zodanig aan alle daaraan gestelde eisen
voldoet, is het mogelijk dat toepassing daarvan in een concreet geval
door bijzondere omstandigheden niet met artikel 3:4
verenigbaar zou
zijn. In dat geval is afwijking van de beleidsregel geboden.
De door
artikel
4.4.5 [4:84], in samenhang met artikel 3:4,
voorgeschreven belangenafweging biedt voldoende ruimte om - zo nodig
door afwijking van de beleidsregel - recht te doen aan de belangen van
derden. Er is derhalve geen reden om, zoals de Raad van advies voor de
ruimtelijke ordening bepleit heeft, een ruimere afwijkingsmogelijkheid te creëren
voor rechtsverhoudingen waarbij derden-belanghebbenden
betrokken zijn.
Evenmin is een afzonderlijke regeling nodig voor
rechtsverhoudingen tussen overheden. Indien een bestuursorgaan zich
bijvoorbeeld als aanvrager van of derde-belanghebbende bij een vergunning
tegenover een ander bestuursorgaan op een beleidsregel beroept,
heeft eerstgenoemd bestuursorgaan evenzeer aanspraak op
rechtszekerheid en gelijke behandeling als een burger in een vergelijkbare positie.
Daarnaast kan, wanneer een beleidsregel mede het resultaat is van beleidsmatige
afstemming tussen twee overheidsorganen, de vraag rijzen
in hoeverre deze overheidsorganen jegens elkaar aan het
overeengekomen beleid gebonden zijn. Dan gaat het echter niet om de vraag of
de betrokken organen nog tot een incidentele afwijking bevoegd zijn - die mogelijkheid kan ingevolge artikel 4.4.5
[4:84]
nooit worden uitgesloten -, maar om de vraag in hoeverre de betrokken bestuursorganen hun
beleid(sregels)
nog eenzijdig kunnen wijzigen. Op deze vraag heeft artikel 4.4.5
[4:84]
echter geen betrekking.
Derhalve wordt voor alle typen beleidsregels en voor
alle typen rechtsverhoudingen dezelfde mate van binding aan
beleidsregels voorgesteld. Voor een te vergaande juridificatie van het
beleid behoeft daarbij niet te worden gevreesd. Ook bij het opstellen
van beleidsregels kan een bestuursorgaan de nodige flexibiliteit
verzekeren. Wij wezen er reeds op dat een beleidsregel het gebruik van een
bevoegdheid niet uitputtend behoeft te regelen. Het is zeer wel mogelijk
dat een bestuursorgaan kiest voor de vaste gedragslijn dat bijvoorbeeld
een vergunning in bepaalde gevallen steeds geweigerd zal worden, maar
tegelijk aangeeft daarmee niet te willen uitsluiten dat ook in andere
gevallen geweigerd wordt. Die andere gevallen worden dan niet door de
beleidsregel bestreken, zodat een beslissing tot weigering in zo'n geval ook geen
rblz.|127|
afwijking van de beleidsregel is en dus - dat is de
keerzijde - ook niet door een verwijzing naar de beleidsregel gemotiveerd kan
worden.
In een aantal gevallen heeft de bijzondere wetgever
bepaald dat bij de uitoefening van een bevoegdheid rekening moet worden
gehouden met een plan. Zo moet krachtens artikel 8.8, tweede lid, van
de Wet milieubeheer bij de beslissing op vergunningaanvragen rekening
worden gehouden met het voor het desbetreffende bestuursorgaan
geldende milieubeleidsplan. Daarmee wordt een lichtere graad van
binding beoogd dan die welke uit artikel 4.4.5
[4:84]
voortvloeit. Dat zal
veelal geen probleem zijn, omdat, zoals eerder aangegeven, plannen veelal
niet als beleidsregels kunnen worden aangemerkt. Juist ook in verband
met het verschil in de mate van binding verdient het ook geen aanbeveling
beleidsregels in plannen op te nemen. Niettemin kan, doordat de Algemene
wet bestuursrecht een materieel begrip beleidsregel
hanteert, niet geheel worden uitgesloten dat een onderdeel van een plan als
beleidsregel moet worden aangemerkt. In dat geval geldt voor die
beleidsregel artikel 4.4.5 [4:84]
onverkort. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat
een bestuursorgaan artikel 4.4.5 [4:84]
opzij zou kunnen zetten door een
beleidsregel tot "plan" te bestempelen.
Ook indien de beleidsregel niet is vastgesteld door het
bestuursorgaan dat de bevoegdheid uitoefent, maar door het
bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid zij wordt uitgeoefend, blijft
eerstgenoemd bestuursorgaan jegens de burger bevoegd omtrent afwijking van de
beleidsregel te beslissen. Deze beslissing is immers onlosmakelijk
met de bevoegdheidsuitoefening verbonden. Of voor deze
beslissing de goedkeuring van het bestuursorgaan onder de
verantwoordelijkheid waarvan de bevoegdheid wordt uitgeoefend vereist is,
betreft alleen de interne verhouding tussen beide bestuursorganen. De
beslissing omtrent het al dan niet afwijken van de beleidsregel kan
derhalve niet deugdelijk gemotiveerd worden met uitsluitend een beroep op het
oordeel van het hogere bestuursorgaan. Zij zal slechts op de eerder vermelde belangenafweging mogen berusten, waarbij voor het betrokken
bestuursorgaan zelf het gemotiveerde oordeel van het hogere
bestuursorgaan uiteraard van betekenis zal zijn.
Indien de bevoegdheid waarop de beleidsregel betrekking
heeft, is gedelegeerd, is uitsluitend de delegataris bevoegd te
beslissen omtrent afwijking, ook als de beleidsregels door het delegerende
bestuursorgaan zijn vastgesteld. Immers, het delegerende bestuursorgaan
kan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen (artikel 1A.1.2.5 [10:17]) en derhalve ook niet de daarmee onlosmakelijk verbonden
afwijkingsbevoegdheid. Evenmin kan de afwijkingsbevoegdheid bij
het delegatiebesluit worden uitgesloten; zij volgt immers dwingend
uit artikel 4.4.5 [4:84].
Wegens die onverbrekelijke samenhang impliceert ook
mandaat van een bestuursbevoegdheid in beginsel tevens mandaat van
de bevoegdheid tot afwijking van de beleidsregel. Dit sluit
echter niet uit dat in een mandaatbesluit wordt bepaald dat de
gemandateerde, indien hij afwijking noodzakelijk acht, de voorgenomen beslissing
aan de mandaatgever moet voorleggen. Anders dan bij delegatie kan de
mandaatgever immers de gemandateerde bevoegdheid wel zelf blijven
uitoefenen (artikel 1A.1.1.7 [10:7]).
rblz.|128|
6. Handhaving
(hoofdstuk 5)
Algemeen
1. Inleiding
Aandacht van de wetgever voor
een goede regeling van de handhaving van wettelijke voorschriften
is noodzakelijk. Dat inzicht ligt aan verschillende beleidsnota's van de laatste jaren ten grondslag. Wij noemen de
nota's "Zicht op wetgeving"
(Kamerstukken II 1990-1991, 22 008, nrs. 1-2) waarin paragraaf 2.2.5
aandacht vroeg voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van
wettelijke regels, "Met vaste hand" (Kamerstukken II
1990-1991, 22 045, nrs. 1-2)
en "Aspecten van de rechtshandhaving op het gebied van de sociale
zekerheid" (Kamerstukken II 1991-1992, 22 457, nrs. 1-2). Een laatste voorbeeld is
de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets milieubeleid en milieuregelgeving, die de
Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer op 7 maart 1994 aan de Tweede Kamer heeft
toegezonden (Kamerstukken II 1993-1994, 22 343, nr. 15). Uit de
hiervoor genoemde en andere aan de Tweede Kamer gerichte standpunten
blijkt dat het kabinet streeft naar een terugdringing van het
handhavingstekort.
Het is goed om ook op deze
plaats te constateren dat dit streven niet slechts betrekking heeft op de
handhaving van autonome nationale regels. Het omvangrijke
complex van rechtstreeks toepasselijke regelgeving van de Europese
Gemeenschappen vraagt evenzeer om een adequaat handhavingsniveau. In
beginsel dragen de lidstaten zorg voor het toezicht op en de
uitvoering en sanctionering van die regelgeving, met inachtneming van de eisen die
voortvloeien uit het gemeenschapsrecht en de door het Europese Hof van
Justitie ontwikkelde jurisprudentie. In de notitie over de verhouding
tussen het gemeenschapsrecht en het strafrecht, die de eerste
ondergetekende op 19 maart 1992 aan de Tweede Kamer heeft gezonden
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 300 VI, nr. 39), is daarover reeds het nodige
gezegd.
Vanouds vindt de handhaving
van wettelijke voorschriften haar begin met het toezicht op de
naleving van die voorschriften. Toezichthouders voeren regelmatig controles
uit, dus zonder dat van de overtreding van een wettelijk voorschrift
hoeft te zijn gebleken. Hiervan gaat een belangrijk preventief effect uit. Het
toezicht kan tot resultaat hebben dat de wettelijke voorschriften zonder verdere
sanctiemiddelen worden nageleefd. Het toezicht omvat een breed scala
van activiteiten, vaak ook in voorlichtende en adviserende zin. Daardoor
kan reeds in een vroeg stadium worden voorkomen dat een met de wet
strijdige situatie ontstaat of kan door middel van aansporingen of
waarschuwingen worden bewerkstelligd dat regels alsnog worden
nageleefd.
Indien waarschuwingen geen
effect sorteren, loopt het toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften in de regel uit op het gebruik van handhavingsmiddelen met een
meer dwingend karakter. Er zal dan een verantwoorde keuze moeten
worden gemaakt uit de middelen die het handhavende orgaan ter
beschikking staan. Daarbij is van belang dat regels veelal niet alleen via
het strafrecht, maar ook langs bestuursrechtelijke of
privaatrechtelijke weg kunnen worden gehandhaafd, dan wel door middel van een
combinatie
daarvan. Niet alleen de uitoefening van het gekozen middel, maar ook
de keuze van het middel zelf wordt bepaald door overwegingen van
proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en doeltreffendheid.
Van bestuursrechtelijke
handhaving pleegt men te spreken indien toezicht wordt uitgeoefend of
sancties worden opgelegd door bestuursorganen (die niet met
strafvordering zijn belast). Strafrechtelijke sancties worden opgelegd door de
stafrechter of door autoriteiten krachtens de rblz.|129|
wet met strafvordering belast.
Op deze wijze kan weliswaar een eenduidig, formeel onderscheid
worden gemaakt, dit neemt niet weg dat sommige bestuursrechtelijke
sancties naar aard en doelstelling veel met strafsancties gemeen hebben.
Men denke aan de bestuursrechtelijke boete (veelal aangeduid als:
administratieve boete), die goed vergeleken kan worden met de
strafrechtelijke boete. Van handhaving via het privaatrecht is sprake indien
de overtreder van bestuursrechtelijke voorschriften in een civiele
procedure (al dan niet door de overheid) op de naleving van het bestuursrecht
wordt aangesproken.
De drie wegen kunnen in
beginsel alle openstaan. Dat kan de vraag oproepen of de Algemene
wet bestuursrecht geen voorschriften zou kunnen bevatten omtrent de te maken keuze in een concreet geval van
overtreding van bestuursrechtelijke normen. Daarbij speelt vooral het probleem van de keuze tussen
bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties: de primaire vraag is
of een keuze gemaakt moet worden dan wel dat een cumulatie van
bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties (in beginsel) geoorloofd moet
zijn. Vervolgens is er de vraag: als een keuze gemaakt moet worden, dient de
wetgever dan een voorkeur te bepalen voor één van beide stelsels?
Enig onderzoek heeft ons tot
het inzicht gebracht dat in ieder geval in dit wetsvoorstel geen "kiesregels" omtrent sanctionering kunnen worden geformuleerd. In de eerste
plaats geldt hiervoor het argument dat in hoofdstuk
5, zoals thans
voorgesteld, weliswaar enkele belangrijke bestuursrechtelijke sancties
(bestuursdwang en dwangsom), maar (nog) niet alle bestuursrechtelijke
sancties worden geregeld. Het lijkt niet verstandig kiesregels te
formuleren alvorens ook andere bestuursrechtelijke sancties in de Algemene wet bestuursrecht zijn opgenomen.
Daar komt als bezwaar bij dat
het (nog) niet duidelijk is welke die kiesregels zouden moeten zijn.
De in ons bestuursrecht voorkomende sancties verschillen sterk
naar aard, doel en strekking. Dat maakt de formulering van enkele
algemene kiesregels tot een gecompliceerde zaak.
Onderzoek heeft uitgewezen dat bij afwezigheid van een wettelijke beperking de rechtspraak
ervan uitgaat dat een cumulatie van bestuursrechtelijke en
strafrechtelijke sancties geoorloofd is.¹ Zo heeft de Hoge
Raad uitgemaakt dat een
strafrechtelijke reactie mogelijk is nadat de verdachte reeds een
strafkorting (bij wijze van administratieve sanctie) in het kader van de uitvoering
van de Algemene Bijstandswet opgelegd heeft gekregen. Noch artikel
68 van het Wetboek van
Strafrecht, noch artikel 14, zevende lid, van
het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
noch het vertrouwensbeginsel staan aan een cumulatie in de weg (HR 21 mei
1991, NJ 1991, 728, AB 1992, 15, en HR 5 februari 1991, NJ 1991, 402).
In dit verband kan ook worden gewezen op de uitspraak van de Afdeling
voor de Geschillen van bestuur van de Raad
van State van 15 mei 1992 (nr.
G 04.90 1341/705), waarin de eigen verantwoordelijkheid van
burgemeester en wethouders werd bevestigd, onafhankelijk van de
strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokken overtreder.
Een ander voorbeeld betreft de
toepassing van bestuursdwang, welke niet in de weg staat aan een
strafrechtelijke reactie. Andersom kan in de praktijk een veroordeling door
de strafrechter aanleiding zijn om een vergunning in te trekken bij
wijze van bestuursrechtelijke sanctie.
Voor enkele situaties, met
name waar het betreft de combinatie strafrechtelijke veroordeling
en bestuursrechtelijke boete, heeft de wetgever in een aantal wetten
voorschriften gegeven die zo een cumulatie voorkomen. Overigens kent ons
recht geen algemeen verbod van de combinatie bestuursrechtelijke
sanctie en strafrechtelijk ingrijpen. Het ligt voor de hand deze problematiek
nader te bezien indien - in het kader van de vierde tranche -
bepalingen omtrent de bestuursrechtelijke boete in de Algemene wet bestuursrecht worden opgenomen.
rblz.|130|
Over dit onderwerp merken wij
ten slotte nog op dat het wetsvoorstel wel voorzieningen bevat die
beogen samenloop te voorkomen tussen de in dit wetsvoorstel geregelde sancties (bestuursdwang en dwangsom)
onderling. Hierop wordt in paragraaf 3 nader ingegaan.
1. L.J.J. Rogier,
Strafsancties, administratieve sancties en het una-viabeginsel, diss., Arnhem 1992.
2. Codificatie en harmonisatie
van bestuursrechtelijke sancties in de Algemene wet bestuursrecht
Een goede regeling van
bestuursrechtelijke sancties in de Algemene wet
bestuursrecht kan ertoe
bijdragen dat het handhavingstekort verder wordt teruggedrongen. In de in
de inleiding genoemde kabinetsnota's is op het belang van
bestuursrechtelijke handhaving gewezen. De rechtsbetrekking tussen burger en
bestuur kenmerkt zich door een zekere wederkerigheid. Wederzijds
bestaan rechten en verplichtingen. Vallen in andere hoofdstukken van de
Algemene wet bestuursrecht vooral verplichtingen van bestuursorganen in het oog, in
hoofdstuk 5 ligt meer
het accent op de
verplichtingen van de burger tot naleving van wettelijke voorschriften.
Een goede regeling van
bestuursrechtelijke sancties houdt in ieder geval in:
- het toekennen van voldoende
bevoegdheden. Aan de overheid toekomende
handhavingsbevoegdheden moeten haar in staat stellen de burgers zo nodig te dwingen om
de wettelijke voorschriften te respecteren en na te leven;
- de handhaving moet op
efficiënte wijze kunnen geschieden. Deze eis ziet op het aspect dat de
kosten van het hanteren van handhavingsbevoegdheden door de overheid
als een doelmatige besteding van overheidsmiddelen beschouwd
moeten kunnen worden;
- recht moet ook gedaan worden
aan rechtsstatelijke eisen van bescherming van de burgers
tegen niet gerechtvaardigde of te zware inbreuken op vrijheden,
aantasting van (vermogens)rechten of belangen van burgers, waaronder
begrepen een bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Hoe aan deze drie eisen door
de wetgever moet worden voldaan, is voor zover het gaat om de vraag
over welke sanctiemogelijkheden bestuursorganen dienen te beschikken, in algemene zin weinig te zeggen. In de
Algemene wet bestuursrecht
wordt daarom niet heel in het algemeen aan bestuursorganen een samenstel
van bestuursrechtelijke sanctiemogelijkheden toegekend. De
opzet is dat de bijzondere wetgever beziet en in de toekomst blijft
bezien welke sancties hij nodig en verantwoord acht. In het kader van het
streven naar harmonisatie en codificatie dat aan de totstandkoming van de
Algemene wet bestuursrecht ten grondslag ligt, past echter dat per type
sanctie (bijvoorbeeld bestuursdwang) in deze wet algemene regels gegeven worden
die het bestuursorgaan bij de uitoefening van zo een sanctie in
acht moet nemen. Anders gezegd: of ter handhaving van bepaalde
wettelijke voorschriften voor de ene of voor de andere sanctie of voor een
combinatie van sanctiemogelijkheden moet worden gekozen, kan niet
verantwoord in algemene zin in de Algemene wet bestuursrecht bepaald
worden. Dat dient elders in de wetgeving te geschieden. Maar wel is de
Algemene wet een geschikte plaats om (secundaire) regels te geven
voor de wijze waarop en de beperkingen waaronder sancties kunnen
worden toegepast.
In de Nederlandse
bestuursrechtelijke wetgeving vaker voorkomende bestuursrechtelijke sancties
zijn: bestuursdwang, bestuurlijke dwangsomoplegging, intrekking van een vergunning of van een andere
begunstigende beschikking en
de bestuursrechtelijke boete. Van de intrekking van een positieve
beschikking bij wijze van reactie op een overtreding van wettelijke
voorschriften wordt in de rechtspraktijk aangenomen dat deze sanctie
ook zonder uitdrukkelijke grondslag in de rblz.|131|
wet mogelijk is, tenzij uit
het wettelijk stelsel van het tegendeel blijkt. Dit laat overigens onverlet dat
het gewenst is om de bevoegdheid tot intrekking van een beschikking
uitdrukkelijk te regelen (vgl. aanwijzing 140 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving). De overige sancties mogen door een bestuursorgaan
uitsluitend worden toegepast indien daartoe bij of krachtens de wet aan dat
bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe is veleend. De
bestuursrechtelijke sancties verschillen onderling naar aard, doel en strekking. Sommige
sancties zijn rechtstreeks of primair gericht op een correctie van de
onrechtmatige situatie of het voorkomen van herhaling van een verboden
gedraging. Zulke sancties noemt men wel reparatoir. Bij uitstek
reparatoir is bestuursdwang, waarbij het immers gaat om het door feitelijk (overheids)optreden
ongedaan maken of alsnog doen van hetgeen is verricht
of nagelaten in strijd met de wettelijke voorschriften. Ook de
oplegging van een last onder dwangsom moet als reparatoir worden beschouwd.
De bestuursrechtelijke boete heeft daarentegen een punitief of
retributief karakter: bij deze sanctie gaat het om het treffen van de
overtreder in zijn portemonnee met dezelfde doelstelling als bij de strafrechtelijke boete
vooropstaat. De intrekking van
een vergunning kan,
afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de grond waarop de intrekking
geschiedt, een meer reparatoir of een meer punitief karakter hebben.
Eén en ander roept de vraag op
wat voor de thans geregelde sancties de betekenis is van artikel 6
van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en
artikel 14 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Beide
verdragsartikelen geven degene tegen wie een "vervolging" (in de
authentieke tekst: "criminal charge") wordt ingesteld een aantal rechten, waarvan
het recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak door
een onafhankelijke en onpartijdige instantie het voornaamste is.
Op grond van de jurisprudentie
van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens [EHRM, red.] staat vast dat
ook bestuursrechtelijke sancties een "strafvervolging" in de zin van
artikel 6 EVRM (en dus naar alle waarschijnlijkheid ook in de zin van artikel 14
IVBPR) kunnen opleveren (EHRM 21 februari 1984, Publ. ECHR, Ser. A, Vol. 73).
Algemeen aanvaard is echter dat dit slechts voor punitieve en niet voor
reparatoire bestuurlijke sancties geldt. Op reparatoire sancties zijn de
artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR dus niet van toepassing (zie o.m. H.D. van
Wijk/W. Konijnenbelt/R.M. van Male, Hoofdstukken van
administratief recht, 8e druk, Utrecht 1993, blz. 487; P. Nicolaï, B.K. Olivier,
L.J.A. Damen, H. Troostwijk, Bestuursrecht, 4e druk, Amsterdam 1993, blz. 424).
Derhalve zijn genoemde
verdragsartikelen in ieder geval niet van toepassing op de toepassing
van bestuursdwang en op het opleggen van een last onder dwangsom; deze sancties worden algemeen als reparatoir
beschouwd (Nicolaï e.a., a.w.,
blz. 444; N. Verheij, "Onder dexel van politie"; het Nederlandse
bestuursrecht onder het EVRM, in: A.W. Heringa, J.G.C.
Schokkenbroek, J. van der Velde (red.), 40 jaar EVRM, Leiden 1990; zie ook Afd.
geschillen 1 juni 1992, AB 1992, 458). Het karakter van de inning van de dwangsom
is omstreden. Sommige schrijvers beschouwen de inning als een
punitieve sanctie, waarbij de waarborgen van artikel 6 EVRM en artikel
14 IVBPR in acht moeten worden genomen. Zij wijzen er daarbij op dat
de inning slechts kan geschieden indien na de overtreding naar aanleiding
waarvan de dwangsom is opgelegd een tweede overtreding heeft
plaatsgevonden. De inning zou dan niet meer ten doel hebben de feitelijke
situatie in overeenstemming met het recht te brengen, maar louter om de overtreder in zijn portemonnaie te treffen (zie
o.m. W.G.A. Hazewindus, De
administratieve dwangsom, NJB 1992, blz. 1068; L.J.J. Rogier,
strafsancties, administratieve sancties en het una-viabeginsel, Arnhem 1992,
blz. 129). Anderen wijzen er echter op dat het innen van de dwangsom niet los
kan worden gezien van het opleggen rblz.|132|
daarvan. Zij wijzen erop dat
de inning van de dwangsom in feite niet meer is dan de uitvoering van
de eerdere dwangsombeschikking, welke uitvoering noodzakelijk is om
te voorkomen dat de oplegging van de dwangsom zijn reparatoire
werking verliest (F.C.M.A. Michiels, De boete in opmars, oratie VU 1994;
vgl. ook Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male, a.w. blz. 508, die een
tussenstandpunt innemen). Daaraan zou kunnen worden toegevoegd dat de inning
weliswaar niet rechtstreeks strekt tot het voorkomen of ongedaan maken van overtredingen, maar dat zij daarin
niet verschilt van de
oplegging. Beide zijn indirecte dwangmiddelen, die hun betekenis vooral ontlenen
aan hun preventieve werking.
Het is derhalve op zijn minst
twijfelachtig of de inning van de dwangsom een punitief karakter
heeft, terwijl voor de bestuursdwang en de oplegging van de dwangsom onomstreden is dat zij geen punitief
karakter hebben. Naar ons
oordeel nopen de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR bij de thans in hoofdstuk
5 geregelde sancties dan ook niet tot het opnemen van bijzondere
wettelijke waarborgen. Ook in het verleden (onder meer bij de Gemeente-,
Provincie- en Waterschapswet
en de Wet milieubeheer) heeft de wetgever daartoe
overigens geen aanleiding gezien.
Bestuursrechtelijke sancties
kunnen wegens de verschillen in aard, doel en strekking niet zonder meer
over één kam worden geschoren. Het is thans nog een open vraag of op
een zinvolle wijze algemene bepalingen die gelijkelijk kunnen gelden
voor alle bestuursrechtelijke sancties kunnen worden geformuleerd. In dit
wetsvoorstel is er voorshands voor gekozen twee van de voornaamste
bestuursrechtelijke sancties, de bestuursdwang en de bestuursrechtelijke
dwangsom, te regelen (zie de voorgestelde afdelingen 5.2 [5.3]
[5.3.1]
en 5.3
[5.4] [5.3.2]).
Het ligt in het voornemen om
in de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht een plaats in te
ruimen voor algemene regels omtrent de bestuursrechtelijke boete en de intrekking bij wijze van sanctie. De
Commissie wetgeving algemene
regels van bestuursrecht verricht thans onderzoek naar de
mogelijkheden voor dergelijke regels en zal vervolgens voorstellen doen.
3. Bestuursdwang en dwangsom
De bestuursdwang en de
bestuursrechtelijke dwangsom staan de laatste jaren volop in de
belangstelling, niet in de laatste plaats omdat ook in verschillende recente
wetten deze beide onderwerpen ruime aandacht kregen.
Voor de regeling van de
bestuursdwang zij in de eerste plaats gewezen op hoofdstuk VIII, paragraaf
4, van
de Gemeentewet, hoofdstuk
VIII, paragraaf 4, van de Provinciewet
en hoofdstuk IX, paragraaf 4, van de Waterschapswet.
Wat betreft de dwangsom valt
daarnaast te wijzen op de bij Wet van 3 september 1990, Stb. 1990, 478, in
de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne opgenomen artikelen 61ap tot
en met 61at. Het equivalent van die artikelen vindt men thans in
de artikelen 18.9 tot en met 18.11 en 18.14 tot en met 18.16 van de Wet
milieubeheer. Vóór het tijdstip waarop de Wet van 3 september 1990 in
werking trad, was artikel 28a Hinderwet van kracht, welke bepaling in 1981
in de Hinderwet was opgenomen.
De voorgestelde bepalingen
voor de Algemene wet bestuursrecht zijn door genoemde regelingen
geïnspireerd. Wat betreft de afdeling bestuursdwang kan in hoofdzaak
bij de regeling in de Gemeentewet,
Provinciewet en Waterschapswet
worden aangesloten. Een gelukkige omstandigheid daarbij is dat
deze drie regelingen ook onderling nagenoeg geheel
overeenstemmen. De thans voorgestelde regeling van de dwangsombevoegdheid sluit
enerzijds aan bij de regeling zoals die in de Gemeentewet, Provinciewet en
Waterschapswet is voorzien, anderzijds is aangesloten bij de
(genoemde) regeling van de dwangsom in de Wet
milieubeheer. Op een aantal
punten van ondergeschikte aard is gekozen voor nieuwe oplossingen of
betere redacties van voorschriften.
rblz.|133|
Van een regeling van de
bestuursdwangbevoegdheid en de dwangsombevoegdheid in de Algemene
wet bestuursrecht zal een belangrijke harmoniserende werking
uitgaan. De afzonderlijke regelingen van de bestuursdwangbevoegdheid in de
Gemeentewet, de Provinciewet
en de Waterschapswet zullen kunnen
vervallen, behalve voor zover zij de toekenning (attributie) en
delegatie van de bestuursdwangbevoegdheid bevatten. Ook waar elders in
de wetgeving een bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang
wordt toegekend (veelal aan ministers of - bij uitzondering - aan
rijksambtenaren), blijven de desbetreffende wettelijke voorschriften
bestaan. Maar een regulering van de bestuursdwangbevoegdheid in de
afzonderlijke
wetten wordt overbodig doordat de Algemene wet bestuursrecht
daarin voorziet. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de regelingen
ter zake van de dwangsombevoegdheid, zoals opgenomen in de
Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet
milieubeheer.
Wat betreft de
dwangsombevoegdheid geldt als uitgangspunt dat die bevoegdheid algemeen ter
beschikking komt voor de bestuursorganen die op grond van enig wettelijk voorschrift over een bestuursdwangbevoegdheid beschikken. De
koppeling in het wetsvoorstel van de dwangsombevoegdheid aan de
bestuursdwangbevoegdheid roept de vraag op of van beide
bevoegdheden ook tegelijkertijd of eventueel na elkaar gebruik kan worden
gemaakt. In de opzet van het wetsvoorstel moet ter zake van een reactie
op een overtreding gekozen worden voor de toepassing van één van beide
middelen. Die keuze wordt bepaald door overwegingen van effectiviteit
en efficiency. Het wetsvoorstel wil echter niet de mogelijkheid bieden
dat ten einde een overtreding ongedaan te maken zowel besloten wordt tot
het toepassen van bestuursdwang als een last onder dwangsom wordt
opgelegd. De voorgestelde artikelen 5.2.12 [5:31]
en 5.3.5 [5:36]
sluiten die
mogelijkheid met zoveel woorden uit. In beginsel is het evenmin
mogelijk bestuursdwang aan te zeggen om daarmee de gevolgen van een
overtreding ongedaan te maken en tegelijkertijd een last onder
dwangsom op te leggen ten einde een herhaling van de overtreding te voorkomen. De gedachte is dat zo een
combinatie in het algemeen ook
niet nodig zal zijn. Indien het bestuursorgaan met bestuursdwang
handhavend optreedt, zal daarvan in de regel een voldoende speciaal
preventieve werking uitgaan. Alleen indien een gevaar voor herhaling van de
overtreding klaarblijkelijk is, hetgeen soms op grond van de omstandigheden
van het geval zal kunnen worden aangenomen, is naast de
toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de reeds begane overtreding
tevens een last onder dwangsom mogelijk ten aanzien van de reeds
dreigende herhaling van de overtreding. De artikelen 5.2.12 [5:31] en
5.3.5 [5:36]
verzetten zich hiertegen niet, omdat toepassing van bestuursdwang alsdan een
reactie is op de reeds gepleegde overtreding en de last onder
dwangsom betrekking heeft op een dreigende toekomstige
overtreding.
Zoals uit de bewoordingen van
de genoemde artikelen blijkt, is niet uitgesloten dat eerst de weg
van bestuursdwang wordt ingeslagen, maar dat het bestuursorgaan nadien besluit zijn beschikking tot toepassing van
bestuursdwang in te trekken en
vervolgens overgaat tot het opleggen van een last onder dwangsom, of
omgekeerd. Tot het eerste kan aanleiding bestaan indien het besluit tot
toepassen van bestuursdwang bij nader inzien op uitvoeringsproblemen
stuit. Uit de artikelen 5.2.12 [5:31] en
5.3.5 [5:36]
volgt wel dat niet hangende het ene
sanctiemiddel tot toepassing van het andere sanctiemiddel besloten
kan worden.
4. Codificatie en harmonisatie
van toezichtsbevoegdheden
Voorafgaande aan een regeling
van bestuursdwang en de bestuurlijke dwangsom in de afdelingen 5.2 [5.3]
[5.3.1]
en 5.3 [5.4]
[5.3.2]
bevat afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2] een algemene regeling van de bevoegdheden van zogeheten toezichthouders.
rblz.|134|
In een groot aantal bijzondere
wetten op voornamelijk bestuursrechtelijk terrein
wordt geregeld welke personen worden belast met het houden van toezicht op
de naleving van het bij of krachtens die wetten bepaalde. Het toezicht
op de naleving (soms ook wel aangeduid als "controle" of "inspectie") is vanouds een belangrijk bestuurlijk
handhavingsinstrument. Het kan
alleen effectief zijn als de toezichthouders beschikken over
bevoegdheden die hen in staat stellen de hun opgedragen taak daadwerkelijk
uit te oefenen. In de meeste
wetten waarbij personen worden belast
met een toezichthoudende taak, worden aan die personen dan ook de
noodzakelijke bevoegdheden toegekend. Regelmatig terugkerende
bevoegdheden zijn: betreden van plaatsen, inzien van bescheiden,
doorzoeken van vervoermiddelen en hun lading, onderzoeken en opnemen van
goederen, nemen van monsters en verlangen van inlichtingen.
Bij kennisneming van de
desbetreffende bepalingen in de bijzondere wetgeving vallen de
verschillen in redactie en omvang van de bevoegdheden onmiddellijk op. Ten
dele lijken deze verschillen het gevolg van min of meer bewust gedane keuzen.
Voor een groot deel zijn zij evenwel in de loop van de jaren ontstaan
zonder dat aan die verschillen een rationele, bewuste keuze ten grondslag
lijkt te liggen. Hierbij moet worden bedacht dat deze bepalingen voor het
merendeel tot stand zijn gekomen in een tijd waarin het belang van
harmonisatie minder op de voorgrond stond. Daar komt bij dat dergelijke
bepalingen vaak letterlijk en figuurlijk het sluitstuk van een wettelijke regeling
vormen en als zodanig tijdens het wetgevingsproces meestal weinig aandacht
trekken. Het resultaat van deze ontwikkelingen is een tamelijk
onoverzichtelijk geheel aan bevoegdheden. Uit het oogpunt van rechtszekerheid
voor de burger en de toezichthouders zelf is deze situatie weinig
bevredigend.
Aan deze bezwaren kan tegemoet
worden gekomen door in een afzonderlijke afdeling van de Algemene
wet bestuursrecht een afgewogen algemene regeling tot stand te brengen met betrekking tot de bevoegdheden van toezichthouders,
welke tot nu toe steeds in afzonderlijke wetten zijn voorzien. De voorgestelde
afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2] strekt er in hoofdzaak toe het systeem waarbij in de
bijzondere wetgeving steeds opnieuw bevoegdheden aan toezichthouders
worden toegekend te vervangen door een systeem waarbij centraal, in
de Algemene wet bestuursrecht, een aantal bevoegdheden wordt verleend
die deze personen voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het
betreft hier bevoegdheden die in de bijzondere wetgeving thans
reeds veelvuldig aan toezichthouders plegen te worden toegekend en die in
algemene zin kunnen worden omschreven. De Algemene wet bestuursrecht
bevat dus een weerspiegeling van het gebruikelijke pakket van
bevoegdheden dat men in tal van bijzondere wetten aantreft.
5. Toezicht en opsporing
Naast het toezicht staat de
opsporing van strafbare feiten. Vaststaat dat degenen die met toezicht zijn
belast ook kunnen optreden indien er (nog) geen sprake is van een concrete verdenking dat een strafbaar feit is
gepleegd. Dit ligt anders bij
opsporingshandelingen, die in beginsel eerst mogen worden verricht indien
er sprake is van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is
gepleegd. Dit theoretisch te maken onderscheid tussen toezicht en opsporing
wordt overigens in de praktijk door de toezichthouder die tevens
opsporingsambtenaar is niet altijd als een scherp onderscheid beleefd.
Daarbij moet worden aangetekend dat onder het regime van wetgeving van
minder recente datum waarbij de wetgever nog niet van dit onderscheid
tussen toezicht en opsporing uitging, de ruimte om
opsporingshandelingen te verrichten minder is begrensd (vgl. HR 30
oktober 1984, NJ 1985, 275).
Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad is inmiddels ook duidelijk
geworden dat de in de Wet
op de economische delicten rblz.|135|
"in het belang van de
opsporing" toegekende bevoegdheden aan
krachtens die
wet aangewezen "opsporingsambtenaren" ook kunnen worden aangewend indien nog
geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van
artikel 27 van het Wetboek
van Strafvordering (HR 9 maart 1993, NJ 1993, 633).
De Hoge Raad kwam tot dit oordeel met een beroep op de wetsgeschiedenis
van de Wet op de economische delicten, in het bijzonder de memorie
van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 21 mei
1969, Stb. 1969, 232, tot nadere wijziging van de Wet op de economische delicten
(Kamerstukken II 1968-1969, 9608, nr. 5, blz. 2). Daarin is uiteengezet dat
de opsporing in het kader van de Wet op de economische delicten zich niet
alleen kan richten op gevallen waarin sprake is van een concrete
verdenking van een door een bepaalde persoon gepleegd delict. Zijn
er aanwijzingen dat een economisch voorschrift niet is nageleefd,
dan brengt het belang van de opsporing mee dat door monsterneming e.d.
wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet.
Uitdrukkelijk is daarbij evenwel door de regering aangetekend dat in de gevallen
dat de wetgever daarenboven de behoefte voelt aan de bevoegdheden tot
monsterneming en het doen stilhouden en controleren van voertuigen in
het kader van een "administratief toezicht", zonder dat direkt gezegd kan
worden dat dit in het belang van de opsporing geschiedt, daarin
afzonderlijk bij de wet behoort te worden voorzien.
Hoewel de afbakening tussen
toezicht en opsporing in de jurisprudentie dus is genuanceerd - ook in de
literatuur is het onderscheid niet onomstreden gebleven ¹ -,
menen wij om de hieronder uiteen te zetten redenen dat het verstandig is
om in beginsel aan een onderscheid tussen toezicht en opsporing vast te
houden. Er zij in dit verband nog op gewezen dat de bijzondere
wetgever de laatste twee decennia aanleiding heeft gezien om het
onderscheid tussen toezicht en opsporing in tal van bijzondere wetten scherper
tot
uitdrukking te brengen. In tal van
wetten waarin dat nog niet het geval
was, zijn afzonderlijke bepalingen gewijd aan het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens die wet bepaalde. In dit verband kan
bijvoorbeeld worden gewezen op de invoeging van de artikelen 19 tot en met
19g
van de In- en uitvoerwet bij de
Wet van 24 maart 1988, Stb. 1988, 227.
In de eerste plaats is het van
belang te constateren dat toezicht moet worden beschouwd als een
bestuurlijke activiteit. In dit verband zij verwezen naar hetgeen daarover
is opgemerkt in de memorie van toelichting bij de eerste
tranche van de Algemene wet bestuursrecht (blz. 43/44). Hoofdstuk 2 en - door
toepassing van artikel 3:1, tweede lid - de afdelingen 2 tot en met 4 van
hoofdstuk 3 van de Algemene
wet bestuursrecht stellen reeds
procedurele vereisten aan de uitoefening van toezicht. Toezicht onderscheidt
zich op
dit punt van de opsporing van strafbare feiten, waarop de Algemene
wet bestuursrecht ingevolge artikel 1:6 niet van toepassing is.
In de tweede plaats zijn ook
de gevolgen die voor betrokkenen voortvloeien uit hetgeen is
geconstateerd in het kader van toezicht enerzijds en in het kader van
opsporing anderzijds verschillend. Anders dan opsporing is toezicht
immers niet zelden vooral preventief gericht. Toezichthouders staan dichter
bij het uitvoerende bestuur en zijn veelal onderdeel of verlengstuk
daarvan. Zoals hiervoor reeds uiteengezet, behoort het in veel gevallen
tot de taak van de toezichthouders om adviezen te verstrekken ter
bevordering van een goede naleving van de voorschriften. Constateren
toezichthouders bijvoorbeeld tijdens een routinecontrole dat een
voorschrift niet volledig wordt nageleefd, dan zullen zij in eerste instantie
veelal volstaan met een aansporing of een waarschuwing. Lukt deze aanpak
niet, dan kan gekozen worden voor hetzij een melding aan het tot bestuursrechtelijke sancties bevoegde gezag,
hetzij tot het overschakelen
naar het strafvorderlijke systeem. Niet onmiddellijk behoeft zo'n
constatering dus te leiden tot een strafvorderlijk rblz.|136|
optreden. Als de betrokkene
nalatig blijft, dan staat nog te bezien of het strafrecht als handhavingsvorm
het meest geschikt is. De reservefunctie van het strafrecht houdt immers in dat voor minder ernstige inbreuken op
de rechtsorde zoveel mogelijk
andere wijzen van handhaving in aanmerking komen, bijvoorbeeld
van bestuursrechtelijke aard (vgl. het rapport Rechtshandhaving van
de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, nr. 35
(1988), blz. 23, en de reeds genoemde kabinetsnota Met vaste hand (paragrafen 2.3
en 3.5).
Wat betreft het overschakelen
naar het strafvorderlijke systeem merken wij nog het volgende op.
Veelal zijn de toezichthouders ook opsporingsambtenaren. In die laatste hoedanigheid zijn zij bevoegd tot het hanteren
van de opsporings- en
dwangbevoegdheden die het Wetboek
van Strafvordering en/of de Wet
op de economische delicten aan de opsporingsambtenaar toekent. Ook
zijn zij in die hoedanigheid bevoegd tot het maken van een proces-verbaal
waaraan volledige bewijskracht toekomt. Processen-verbaal van
ambtenaren met beperkte opsporingsbevoegdheid (bijvoorbeeld ten aanzien van
delicten genoemd in één specifieke wet) hebben overigens alleen
volledige bewijskracht ten aanzien van de door hen opgespoorde feiten waartoe
zij bevoegd waren en niet ten aanzien van andere strafbare feiten
waarop zij zijn gestuit. Een schriftelijk verslag ten aanzien van zo'n ander
strafbaar feit vereist dus nog aanvullend bewijs (zie HR
9 januari 1928, NJ
1928, 212; HR 22 juli 1948, NJ 1948, 39; HR 26 juni 1962, NJ 1962,470).
Wij wezen er hiervoor reeds op
dat er op zichzelf een vloeiende overgang is van de
toezichthoudende rol naar een eventuele opsporingsfase. Dit gegeven
leidt in de praktijk evenwel niet tot grote problemen, mits de
toezichthouders die tevens met de opsporing van strafbare feiten zijn belast
zich tijdig realiseren dat zij in de opsporingsfase zijn gekomen (dat wil zeggen
dat een concrete verdenking gerezen is) en dat zij dus bijvoorbeeld de
verdachte moeten wijzen op zijn recht om te zwijgen (artikel 29 Wetboek
van Strafvordering). Er zijn ook toezichthouders die geen
opsporingsbevoegdheid bezitten. Dezen moeten bij de constatering van een strafbaar
feit volstaan met het doen van aangifte.
Uitgaande van het (relatieve)
verschil tussen toezicht en opsporing staan wij een systeem voor
waarbij de opsporingsbevoegdheden zoveel mogelijk algemeen geregeld worden in het Wetboek van Strafvordering
en de Wet op de economische
delicten, terwijl de bevoegdheden in het kader van het toezicht zoveel
mogelijk algemeen geregeld worden in de Algemene
wet bestuursrecht. In
zo een algemene regeling voorziet afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2], waarop zo nodig
een bijzondere wet nog een aanvulling kan geven of in een enkel geval
een uitzondering kan worden gemaakt. De regeling beoogt geen wijziging
te brengen in de huidige verhouding tussen de uitoefening van
toezichtsbevoegdheden en opsporingsbevoegdheden. Met de opneming
in de Algemene wet bestuursrecht van een afzonderlijke afdeling met
inhoudelijke bepalingen over toezicht wordt teruggekomen op het
voornemen om de bevoegdheden van toezichthouders en
opsporingsambtenaren tezamen te regelen in één wet, een Algemene wet toezicht en
opsporing. De redenen om van dit voornemen af te zien, liggen
besloten in hetgeen hiervoor is weergegeven: er zijn belangrijke
verschillen tussen toezicht en opsporing, die het regelen van deze onderwerpen
in één algemene "handhavingswet" bij nader inzien minder
rechtvaardigen.
1. Geen voorstanders van dit
onderscheid zijn: P.J.J. van Buuren, Toezicht
en opsporing, in: J.P. Balkema en C.J.C.F.
Fijnaut (red.), De politiële handhaving van strafwetgeving, Lochem 1986;
H.C. Moorman,
Toezichthoudende bevoegdheid van
opsporingsambtenaren ingevolge de Wet op de
Economische Delicten, Milieu en Recht (1988), nr. 11; G. Knigge, Van Opsporing en
strafvordering, Delikt en delinkwent 1990,
blz. 936 e.v. Tot een positiever oordeel komt: G.P.A. Aler, De politiebevoegdheid bij opsporing en controle
(diss.), Zwolle 1982.
Afdeling 5.1
[5.2] [titel
5.2]. Toezicht
Afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2] kent de volgende
bevoegdheden toe:
a. het betreden van plaatsen,
met medeneming van de benodigde apparatuur, en het zich doen
vergezellen door andere personen;
b. het vorderen van
inlichtingen;
rblz.|137|
c. het vorderen van inzage van
zakelijke gegevens en bescheiden alsmede het maken van
kopieën;
d. het onderwerpen van zaken
aan onderzoek, opneming en monsterneming alsmede het daartoe
openen van verpakkingen en het zo nodig meenemen van de zaken;
e. het onderzoeken van
vervoermiddelen en hun lading en het van de bestuurder vorderen van inzage
van wettelijk voorgeschreven bescheiden alsmede het daartoe doen stilhouden en naar een andere plaats
overbrengen van het vervoermiddel.
Voorts is een
medewerkingsplicht opgenomen met de mogelijkheid om medewerking te weigeren indien
men tot geheimhouding is verplicht.
Gestreefd is naar de
totstandbrenging van een afgewogen samenstel van bevoegdheden die voor een
goede uitoefening van toezicht noodzakelijk zijn en tegelijkertijd
de vrije rechtssfeer van burgers zoveel mogelijk respecteren. Dit heeft ertoe
geleid dat in afdeling 5.1 [5.2] [titel
5.2] die bevoegdheden zijn opgenomen die thans reeds
veelvuldig in bijzondere wetten worden toegekend. Als bijlage bij
deze memorie is een eerste inventarisatie opgenomen van
toezichtsbevoegdheden in de bijzondere wetgeving. Daaruit blijkt dat de in
de Awb voorgestelde bevoegdheden niet ongebruikelijk zijn. Harmonisatie van
wetgeving staat hier dus op de voorgrond. Volledige harmonisatie van
toezichtsbevoegdheden is evenwel onmogelijk. Voor sommige
terreinen zal het aan de ene kant immers niet nodig zijn dat de betrokken
toezichthouder over alle genoemde bevoegdheden beschikt. Daarom is ten
eerste een algemene beperking aangebracht in het gebruik van de
bevoegdheden door vastlegging van het evenredigheidsbeginsel en is
ten tweede voorzien in de mogelijkheid om voor die terreinen de
bevoegdheden in algemene zin - bij wettelijk voorschrift dan wel bij een
besluit dat wordt genomen door het bestuursorgaan dat de toezichthouder
als zodanig aanwijst - te beperken. Aan de andere kant zal in een beperkt
aantal gevallen de behoefte kunnen bestaan aan andere
bevoegdheden naast die welke in de Algemene wet
bestuursrecht zijn vermeld,
welke specifiek zijn toegesneden op de voorschriften waarop het toezicht in dat geval betrekking heeft. Een voorbeeld is de bevoegdheid om
kasten, laden en andere dergelijke bergplaatsen te openen, die
thans onder andere in artikel 55 van de Waarborgwet
1986 aan
toezichthouders is toegekend. Vanzelfsprekend dienen er zwaarwegende redenen
te zijn om in de bijzondere wetgeving nog andere bevoegdheden toe te
kennen.
Met betrekking tot het systeem
van toekenning van bevoegdheden is nog een andere variant
overwogen. Deze variant strekt ertoe dat in de Algemene wet bestuursrecht een
opsomming wordt gegeven van bevoegdheden die aan
toezichthouders kunnen worden toegekend, waaruit de bijzondere wetgever
vervolgens een keuze kan maken. Op deze wijze zou kunnen worden
voorkomen dat toezichthouders de beschikking krijgen over bevoegdheden die
op zichzelf voor de uitoefening van hun taak niet noodzakelijk zijn, hetgeen - althans op papier - een geringere
inbreuk zou betekenen op de
vrije rechtssfeer van de burger. Als overwegend bezwaar tegen deze
variant geldt evenwel dat dan opnieuw grote verschillen zouden
ontstaan in de omvang van de bevoegdheden in de diverse bijzondere wetten.
Het gevaar bestaat immers dat de verschillende bijzondere wetgevers bij
de keuze van de in dat geval door hen toe te kennen bevoegdheden niet
steeds dezelfde afwegingen maken. Hierdoor zou de
onoverzichtelijke situatie als hierboven beschreven blijven bestaan, hetgeen
ongewenst is. Zoals reeds vermeld, waarborgen in het thans voorgestelde
systeem, waarbij bevoegdheden rechtstreeks door de Algemene wet
bestuursrecht worden toegekend, het wettelijk vastgelegde
evenredigheidsbeginsel en de mogelijkheid om eventueel algemene beperkingen aan te
brengen dat toezichthouders geen gebruik maken van bevoegdheden die in
het kader van de vervulling van hun taak geen betekenis hebben. Voorts
moet erop worden gewezen dat in rblz.|138|
afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2] alleen die
bevoegdheden zijn opgenomen die thans reeds veelvuldig in bijzondere
wetten worden toegekend. Het gaat dus geenszins om uitzonderlijke bevoegdheden.
Uit het bovenstaande blijkt
dat wij bij een afweging tussen het belang van een vrije rechtssfeer van
burgers enerzijds en het belang van een adequate en evenwichtige toedeling van bevoegdheden anderzijds van
oordeel zijn dat het de meest
wenselijke weg is om in de Awb enkele algemene bevoegdheden op te
nemen en toe te kennen aan toezichthouders.
Een stelsel waarbij het
initiatief tot toedeling van bevoegdheden steeds ligt bij de bijzondere
wetgever achten wij uit een oogpunt van harmonisatie minder aantrekkelijk.
Wat betreft de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op de vrije
rechtssfeer van de burger is er in onze ogen uiteindelijk weinig verschil
tussen de diverse varianten. Op papier lijkt het overlaten van de keuze van de
bevoegdheden aan de bijzondere wetgever uit dat oogpunt wellicht
verkieslijker, in de praktijk mogen daarvan echter niet al te hoge verwachtingen
worden gekoesterd. Veeleer mag worden verwacht dat de bijzondere
wetgever in de regel het zekere voor het onzekere zal nemen en een
pakket aan bevoegdheden zal toekennen dat in omvang niet of nauwelijks
verschilt van de bevoegdheden die volgens dit wetsvoorstel rechtstreeks door
de Awb worden toegekend.
Naast de bepalingen waarbij
bevoegdheden worden toegekend, bevat afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2] enkele regels
over de wijze waarop toezichthouders hun taak dienen te vervullen. Hiervoor
werd reeds gewezen op de vastlegging van het evenredigheidsbeginsel.
Als algemene regel is vastgelegd dat een toezichthouder van zijn
bevoegdheden slechts gebruikmaakt indien dat redelijkerwijs voor de
vervulling van zijn taak nodig is. Deze regel is thans in tal van
bevoegdheidsbepalingen in de bijzondere wetgeving steeds afzonderlijk opgenomen. Op de
reikwijdte van dit beginsel wordt nader ingegaan in de toelichting
op artikel 5.1.3 [5:13]. In de tweede plaats is voorgeschreven dat een
toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich dient te dragen en dat in beginsel
desgevraagd aanstonds dient te tonen. De bedoeling van deze
verplichting is dat burgers steeds kunnen vragen met wie zij van doen hebben en er
zo van verzekerd kunnen zijn dat, en desgewenst kunnen controleren
of, zij te maken hebben met bevoegdelijk optredende toezichthouders.
De voorgestelde regeling heeft tot gevolg dat in de bijzondere wetgeving een groot aantal
bepalingen waarbij aan toezichthouders bevoegdheden worden toegekend,
kan vervallen. Ook voorschriften met betrekking tot de legitimatie door
toezichthouders kunnen worden geschrapt. Aldus vindt een
belangrijke en omvangrijke harmonisatie plaats in de
bestuursrechtelijke wetgeving op dit terrein. Alleen al in de wetten in formele zin gaat het
om enige honderden te schrappen bepalingen. Op een enkel punt
zal deze sanering kunnen leiden tot bescheiden inhoudelijke
wijzigingen in de omvang van bepaalde bevoegdheden. Belangrijk
voordeel is evenwel dat over de gehele linie de eenheid van wetgeving -
één
van de doelstellingen van de Algemene wet bestuursrecht - door deze
operatie wordt bevorderd. Het recht wordt beter toegankelijk, hetgeen
voor toezichthouders, belanghebbenden en de rechterlijke macht van groot
belang is.
Slechts in de onderwerpen met
betrekking tot toezicht die zich niet lenen voor regeling in een
algemene wet blijft de bijzondere wetgeving voorzien. In de eerste plaats
blijft in de bijzondere wetgeving geregeld welke personen worden belast
met een toezichthoudende taak en welk orgaan deze personen als
zodanig aanwijst. In de tweede plaats moet gedacht worden aan de
eventuele verlening van andere, specifiekere bevoegdheden dan die in welke
afdeling 5.1 [5.2] [titel
5.2] voorziet. Verwezen zij naar hetgeen daarover hiervoor reeds is opgemerkt.
Verwacht mag worden dat van de
in afdeling 5.1 [5.2] [titel
5.2] gehanteerde terminologie een voorbeeldwerking
uitgaat naar de bijzondere wetgeving. Zo ligt rblz.|139|
het in de rede dat in de bijzondere wetgeving steeds de term
"toezicht"
wordt gehanteerd in plaats van
termen als "controle", "inspectie" en "handhaving", die
onvoldoende weergeven of sprake is van toezicht of opsporing. Deze terminologie
zal door middel van de aanpassingswetgeving consequent worden
doorgevoerd in de bestaande wetgeving. De term "handhaving" kan
overigens wel worden gebruikt voor de aanduiding van toezicht,
opsporing en andere vormen van handhaving tezamen.
Artikel 5.1.1
[5:11]
Het onderhavige artikel
bepaalt het bereik van afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2]. Blijkens de omschrijving gaat het om
personen die "bij of krachtens wettelijk voorschrift" met het houden
van toezicht zijn belast. Uitgangspunt is dat een tot de centrale overheid
behorend orgaan de bevoegdheid om toezichthouders aan te wijzen,
ontleent aan een wet in formele zin. Soms vindt de aanwijzing in de wet
zelf plaats: zo worden in artikel 13 van de Wet arbeid gehandicapte
werknemers de ambtenaren van de Arbeidsinspectie met een toezichthoudende taak belast. Meestal delegeert de wet
dit onderwerp echter; vaak aan
een minister, zoals bijvoorbeeld in artikel 60 van de Drank-
en Horecawet. Soms ook worden bestuursorganen van lagere overheden in medebewind
geroepen om toezichthouders aan te wijzen: zo wordt in artikel 13
van de Wet op de bejaardenoorden aan gedeputeerde staten opgedragen
om toezichthoudende ambtenaren aan te wijzen. Ten slotte moet
worden gewezen op aanwijzingen bij of krachtens autonome
verordeningen van lagere overheden. De term "wettelijk voorschrift" is
gekozen mede met het oog op deze verordeningen
Toezichthouders kunnen zowel
individueel als categoraal worden aangewezen. Bij een
individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name te
noemen of door middel van de aanduiding van hun functie. Een
dergelijke aanwijzing is een beschikking en moet ingevolge artikel 3:41 van de
Algemene wet bestuursrecht worden bekendgemaakt door toezending
of uitreiking aan de betrokkene. Bij een categorale aanwijzing wordt in
het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met
toezicht belaste personen behoren. Dergelijke aanwijzingen hebben het
karakter van een besluit van algemene strekking en worden ingevolge artikel
3:42 van de Algemene wet bestuursrecht op andere wijze bekendgemaakt.
Als regel wordt het toezicht
opgedragen aan ambtenaren. Het komt echter ook voor dat
niet-ambtenaren met een toezichthoudende taak worden belast. Zo heeft de verzelfstandiging van enkele overheidsdiensten tot gevolg gehad dat
in de bijzondere wetgeving in enkele gevallen werknemers van
privaatrechtelijke ondernemingen als toezichthouders zijn aangewezen. In
dit verband kan worden gewezen op de artikelen 52 van de Waarborgwet
1986, 29b van de IJkwet en
30w, eerste lid, van de Wet
op de kansspelen, die een uitdrukkelijke grondslag
bevatten om niet-ambtenaren
met toezicht te belasten. Hoewel met het verlenen van toezichthoudende
bevoegdheden aan personen buiten het overheidsapparaat terughoudend
wordt omgesprongen, zijn er onvoldoende redenen om gevallen
waarin niet-ambtenaren met toezicht zijn belast buiten het bereik van
afdeling 5.1 [5.2] [titel
5.2] te laten. In artikel 5.1.1 [5:11]
is daarom geen beperking aangebracht tot
ambtenaren. Om deze reden is voorts gekozen voor de neutrale term "toezichthouder", die zowel ambtenaren
als andere personen omvat.
Daarbij is aansluiting gezocht bij de terminologie gehanteerd in paragraaf
5b van de IJkwet.
In de regel worden
toezichthouders belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
of krachtens de wet of verordening op grond waarvan zij ais
toezichthouder zijn aangewezen. Het komt echter ook voor dat bij een wet of
verordening aan toezichthouders (tevens) het rblz.|140|
toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens andere wetten
of verordeningen wordt
opgedragen. Zo belast artikel 18.4 van de Wet
milieubeheer in beginsel ook
ambtenaren met het toezicht op de naleving van andere milieuwetten dan de Wet
milieubeheer zelve. Om deze reden wordt in artikel 5.1.1 [5:11]
gesproken over "enig wettelijk voorschrift".
Voorts is in de tekst van
artikel 5.1.1 [5:11] tot uitdrukking gebracht dat het toezicht niet alleen
betrekking heeft op de naleving van wettelijke voorschriften, maar ook op de
naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
bepaald. Daarbij valt met name te denken aan vergunningvoorschriften.
Wat de reikwijdte van afdeling
5.1 [5.2] [titel
5.2] betreft, moeten tot slot nog twee punten van afbakening in het
oog worden gehouden. Het eerste punt betreft de gevallen waarin in
de bijzondere wetgeving aan toezichthouders ook andere taken dan
het houden van toezicht zijn toegekend, waarvoor evenwel dezelfde
bevoegdheden gelden. Als voorbeeld kan worden genoemd de inspectie
van het onderwijs, die ingevolge artikel 227 van de Wet op het
wetenschappelijk onderwijs niet alleen met toezicht is belast, maar ook met
andere
taken. Bij de uitoefening van al haar taken is de inspectie ingevolge artikel
228, eerste lid, bevoegd om instellingen van wetenschappelijk onderwijs te
betreden. Vanzelfsprekend moet de vermelding van dergelijke
bevoegdheden voor andere doeleinden dan toezicht in de bijzondere
wetgeving gehandhaafd blijven. In de tweede plaats moet van het toezicht
op de naleving van wettelijke voorschriften worden onderscheiden (het
toezicht
op) de uitvoering van wettelijke voorschriften. Ook in dat
kader kent de bijzondere wetgeving bepaalde bevoegdheden toe, soortgelijk
aan sommige bevoegdheden uit afdeling 5.1 [5.2]
[titel 5.2]. Een voorbeeld is de in
artikel 25 Werkloosheidswet neergelegde bevoegdheid om inlichtingen te
vragen aan werknemers door bedrijfsverenigingen, die ingevolge
artikel 98 Werkloosheidswet zijn belast met de uitvoering van de in
die wet
geregelde verzekering. Ook in die gevallen blijven de desbetreffende
bepalingen in de bijzondere wetgeving gehandhaafd.
Artikel 5.1.2
[5:12]
Een verplichting tot
legitimatie door toezichthouders treft men ook thans reeds aan in een aantal
bijzondere, met name meer recente, wetten. Een voorbeeld is artikel 15
van de Wet structurele sanering binnenvaart. Voorts moet worden gewezen op
artikel 1, eerste lid, van het wetsvoorstel Algemene
wet op het binnentreden (Kamerstukken I 1993-1994, 19 073, nr. 259), dat deze verplichting
aan onder andere toezichthouders oplegt waar het het binnentreden in
woningen betreft. Anders dan bij het binnentreden in woningen het geval
is, geldt de in artikel 5.1.2 [5:12] neergelegde legitimatieplicht alleen
indien het tonen van het legitimatiebewijs wordt verzocht. De aard van de
toezichthoudende werkzaamheden brengt met zich mee dat het telkens
ongevraagd moeten tonen van het legitimatiebewijs geen redelijk doel
dient. Veelal zal de toezichthouder immers reeds bekend zijn bij degene ten
aanzien van wie toezicht wordt uitgeoefend of zal de toezichthouder zijn
bezoek reeds tevoren hebben aangekondigd.
Het bovenstaande betekent dat
de stringentere regeling van de Algemene
wet op het binnentreden - verplichting tot legitimatie ook ongevraagd indien het gaat om
het binnentreden in een woning - geldt in aanvulling op de algemene
regeling in de Algemene wet bestuursrecht. Dit geldt ook voor de in
artikel 1, tweede lid, van de Algemene
wet op het binnentreden gemaakte
uitzonderingen op de verplichting om zich bij het binnentreden in een woning te
legitimeren.
Teneinde de herkenbaarheid
van toezichthouders te bevorderen, zal door de Minister van Justitie
een model van een legitimatiebewijs worden vastgesteld. In het eerste lid
van artikel 5.1.2 [5:12] is bepaald dat de uitgifte van het legitimatiebewijs
geschiedt door het bestuursorgaan onder rblz.|141|
verantwoordelijkheid waarvan de
toezichthouder werkzaam is. In redactioneel opzicht is hier aangesloten
bij de artikelen 3:5 en 7:13, eerste lid, onderdeel
b, van de Algemene
wet bestuursrecht. Ingevolge het derde lid van artikel 5.1.2 [5:12]
bevat het
legitimatiebewijs een foto en vermeldt het in ieder geval naam en
hoedanigheid van de toezichthouder. Daarbij is aansluiting gezocht bij het
soortgelijke voorschrift in artikel 1, derde lid, van de Algemene
wet op het binnentreden.
Artikel 5.1.3
[5:13]
In tal van wettelijke
bepalingen waarbij aan toezichthouders bevoegdheden worden verleend, is de
beperking opgenomen dat de desbetreffende bevoegdheid slechts
wordt uitgeoefend "voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van
hun taak nodig is". Het op deze wijze neergelegde
evenredigheidsbeginsel houdt in ieder geval in dat de toezichthouder een bevoegdheid
niet mag uitoefenen als dat voor de vervulling van zijn taak niet
redelijkerwijs noodzakelijk is. Dit betekent onder meer dat een aantal bevoegdheden die krachtens de
Algemene wet bestuursrecht aan
toezichthouders toekomen voor sommige toezichthouders geen betekenis hebben,
omdat de aard van de voorschriften op welker naleving zij toezien
zulks met zich meebrengt. Voorts vloeit uit het evenredigheidsbeginsel voort
dat de toezichthouder zijn bevoegdheid op de voor de burger minst
belastende wijze dient uit te oefenen.
Voorgesteld wordt thans om dit
beginsel in artikel 5.1.3 [5:13] als algemeen geldende norm op te nemen. Dit
betekent dat de genoemde beperking niet meer steeds afzonderlijk behoeft
te worden vermeld in bepalingen
waarbij aan toezichthouders
een bevoegdheid wordt verleend, hetgeen de leesbaarheid van de
desbetreffende bepalingen ten goede komt. Voorts wordt zo buiten twijfel
gesteld dat de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit gelden ten
aanzien van de uitoefening van alle aan een toezichthouder toekomende
bevoegdheden, dus ook in de gevallen waarbij de clausule in
bijzondere wetsbepalingen thans niet expliciet is opgenomen.
Het evenredigheidsbeginsel
brengt in ieder geval met zich mee dat een bevoegdheid slechts mag worden
uitgeoefend jegens de personen die betrokken zijn bij
activiteiten waarop moet worden toegezien ingevolge de wettelijke regeling op grond
waarvan de toezichthouder met toezicht is belast. Het is derhalve niet
noodzakelijk een dergelijke clausulering uitdrukkelijk op te nemen,
zoals thans in een aantal bijzondere wetten wel het geval is (zie bijvoorbeeld
artikel 10, derde lid, van de Sanctiewet
1977). Onder het regime van de
Algemene wet bestuursrecht vloeit deze beperking reeds voort uit
artikel 5.1.3 [5:13]. Hetzelfde geldt voor het object van de uitoefening van een
bevoegdheid. Twee voorbeelden kunnen dit duidelijk maken. In artikel
18, derde lid, van de Wet
tot behoud van cultuurbezit is de bevoegdheid
tot het vorderen van inzage van bescheiden beperkt tot
bescheiden die op een beschermd voorwerp betrekking hebben; artikel 12,
eerste lid, van de Wet
energiebesparing toestellen beperkt de
bevoegdheid tot onderzoek van goederen tot toestellen en installaties
zoals in die wet
gedefinieerd. In de systematiek van de Algemene wet
bestuursrecht biedt artikel 5.1.3 [5:13] reeds voldoende waarborg dat bij het toezicht
op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de genoemde wetten
geen inzage wordt gevorderd van andere bescheiden respectievelijk dat
geen andere goederen worden onderzocht dan die welke verband houden
met de wettelijke voorschriften waarop het toezicht in het concrete geval
betrekking heeft. Slechts bij de relatief vergaande bevoegdheden om
vervoermiddelen en hun lading te onderzoeken, van de bestuurder
inzage te vorderen van wettelijk voorgeschreven bescheiden en
daartoe zo nodig het vervoermiddel te doen stilhouden en overbrengen (artikel 5.1.9 [5:19]) is ervoor gekozen om rblz.|142|
duidelijkheidshalve het
evenredigheidsbeginsel, toegespitst op de bevoegdheden in kwestie,
expliciet tot uitdrukking te brengen.
Het is een eis van
zorgvuldigheid dat een toezichthouders bij de uitoefening van een hem
verleende bevoegdheid aan de betrokkene de reden meedeelt waarom hij van
zijn bevoegdheid gebruik zal maken. Ook zal een toezichthouder in de
regel niet tot de uitoefening van een hem toegekende bevoegdheid kunnen
overgaan als de betrokkene reeds (desgevraagd) te kennen heeft
gegeven vrijwillig medewerking te verlenen. Artikel 5.1.3 [5:13]
is het
formeel-juridische aanknopingspunt voor de inachtneming van dergelijke zorgvuldigheidvereisten.
Er zij nog op gewezen dat
artikel 5.1.3 [5:13] een specifieke invulling geeft aan
artikel 3:4, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, waarin het evenredigheidsbeginsel reeds in algemene zin is neergelegd. Dit beginsel
geldt ingevolge artikel 3:1,
tweede lid, immers ook voor andere handelingen dan besluiten, echter
voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet. Om
eventuele twijfel weg te nemen over de toepasselijkheid op de
uitoefening van toezicht van de algemene norm van artikel
3:4, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, is het onderhavige artikel van
belang. Daarnaast noodzaakt de aard van de handelingen in kwestie - feitelijk
handelen dat rechtstreeks ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van
de burger - tot een zekere aanscherping van die algemene norm.
Artikel 5.1.4
[5:14]
Dit artikel biedt de
mogelijkheid om aan een toezichthouder toekomende bevoegdheden te
beperken. In de eerste plaats moet gedacht worden aan beperkingen ten
aanzien van bepaalde (categorieën) toezichthouders. Zo zal
bijvoorbeeld de behoefte kunnen bestaan dat medewerkers beneden een
bepaalde rang over een beperkter aantal bevoegdheden beschikken.
Daarnaast is het mogelijk om de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid
door alle toezichthouders op een bepaald terrein geheel uit te sluiten indien de bevoegdheid voor het desbetreffende terrein nimmer
noodzakelijk zal zijn. Zoals vermeld in de toelichting op artikel 5.1.3 [5:13], vloeit uit
dat artikel overigens reeds voort dat, ook als geen uitdrukkelijke beperking
is aangebracht, dan geen gebruik wordt gemaakt van de desbetreffende
bevoegdheid. Opgemerkt zij nog dat artikel 5.1.4 [5:14]
de bijzondere
wetgever vanzelfsprekend niet de mogelijkheid ontneemt om zo nodig juist
aanvullende bevoegdheden toe te kennen. Hierop is in het algemeen deel
van dit hoofdstuk reeds ingegaan.
Op grond van artikel 5.1.4 [5:14]
kunnen algemeen geldende beperkingen worden aangebracht. De
beperking moet immers zijn opgenomen in een wettelijk voorschrift -
gedacht moet worden aan de wettelijke regeling op grond waarvan de
toezichthouder als zodanig wordt aangewezen - of in een besluit - in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht, hetgeen onder andere betekent: schriftelijk
en naar buiten toe kenbaar - van het bestuursorgaan dat de
toezichthouder als zodanig aanwijst. Een zodanige beperking heeft externe
werking; de beperking wordt ook naar buiten toe kenbaar gemaakt door middel
van de bekendmaking van het wettelijk voorschrift of het
desbetreffende besluit van het bestuursorgaan.
Tot slot zij er nog op gewezen
dat het aanbeveling verdient om een beperking van de in de
Algemene wet bestuursrecht opgenomen bevoegdheden als volgt te
redigeren: "de toezichthouder beschikt niet over de bevoegdhe(i)d(en)
vermeld in (de) artikel(en) van de Algemene wet bestuursrecht".
Aan de artikelen 5.1.5 [5:15]
en
5.1.7 tot en met 5.1.9 [5:17 t/m 5:19] is op zodanige wijze
vormgegeven dat ook
gemakkelijk en ondubbelzinnig kan worden verwezen naar leden van die
artikelen indien toekenning van een gedeelte van de in die
artikelen vermelde bevoegdheden niet noodzakelijk rblz.|143|
wordt geacht. In de Aanwijzingen voor de
regelgeving zal de hiervoor vermelde redactie worden
voorgeschreven.
Artikel 5.1.5
[5:15]
Artikel 5.1.5
[5:15] verschaft de
bevoegdheid tot het betreden van plaatsen. Onder "plaatsen" kunnen niet
alleen erven en andere terreinen worden begrepen, maar ook gebouwen en woningen. Een uitzondering geldt voor
het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Uitgangspunt is namelijk dat
deze bevoegdheid in het kader van toezicht slechts in
uitzonderingsgevallen dient te bestaan (zie hierover ook de uiteenzetting in paragraaf 2
van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (Kamerstukken II
1991-1992, 22 539,
nr. 3, blz. 3/4). Voor de bevoegdheid om een woning zondertoestemming van
de bewoner binnen te treden, zal steeds - ingevolge artikel
12, eerste
lid, van de Grondwet - een grondslag moeten bestaan in een
bijzondere wet. Dit betekent dat in de Algemene
wet bestuursrecht slechts in
algemene zin de toegang wordt verzekerd tot bedrijfspanden,
bedrijfsterreinen e.d., ook zonder toestemming van de rechthebbende, en tot
woningen voor zover het binnentreden niet zonder de toestemming van de
bewoner geschiedt. Wat deze laatste categorie betreft, gelden de
procedureregels van artikel 1 van de Algemene
wet op het binnentreden.
Wat betreft de redactie van
dit artikel is aansluiting gezocht bij de Algemene
wet op het binnentreden en de aanpassingswetgeving daarbij. In dit verband zij nog gewezen
op artikel 12 van de Algemene
wet op het binnentreden. Dat artikel
heeft betrekking op het betreden van enkele bijzondere plaatsen, te weten
vergaderruimten van algemeen vertegenwoordigende organen, plaatsen
waar godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van
levensbeschouwelijke aard worden gehouden en ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden.
Gedurende de tijden dat deze
ruimten als zodanig in gebruik zijn, is het binnentreden van die plaatsen
ingevolge artikel 12 van de Algemene
wet op het binnentreden slechts in
zeer beperkte mate toegestaan. Het eerste lid van artikel 5.1.5 [5:15]
beoogt
vanzelfsprekend niet om deze beperking te doorbreken.
De bevoegdheid tot het
betreden van plaatsen houdt niet het "doorzoeken" van die
plaatsen in. De Algemene wet bestuursrecht geeft toezichthouders dus niet de
bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen.
In gevallen waarin die bevoegdheid desalniettemin noodzakelijk
is, dient deze te worden verschaft door de bijzondere wetgever. Wij
verwijzen daarvoor naar hetgeen daarover in de inleiding op deze
artikelsgewijze toelichting is vermeld. Indien het betrokken toezicht daarop
specifiek betrekking heeft, is het overigens wel mogelijk dat bijvoorbeeld een
kast en de inventaris zelf voorwerp zijn van onderzoek in de zin van
artikel 5.1.8 [5:18]. Zo zal in het kader van het toezicht op de naleving van de
Warenwetgeving in de keuken van een restaurant de hygiënische staat van
keukenkasten en daarin aanwezig keukengerei kunnen worden onderzocht.
In een aantal gevallen is in
de bijzondere wetgeving uitdrukkelijk geregeld dat toezichthouders
plaatsen kunnen betreden "met hun apparatuur". Bijvoorbeeld kan
worden gewezen op artikel 18.5, derde lid, van de Wet
milieubeheer en op
artikel 31d van de Vleeskeuringswet. Deze toevoeging is in artikel 5.1.5 [5:15]
overgenomen om volledig zeker te stellen dat toezichthouders die de
desbetreffende plaatsen betreden ten einde aldaar bijvoorbeeld zaken te
onderzoeken of monsters te nemen (vgl. artikel 5.1.8 [5:18]), de daarvoor benodigde
apparatuur mee kunnen nemen, ook als die apparatuur groot van omvang
is. Overigens is ook de bevoegdheid tot medeneming van apparatuur
vanzelfsprekend onderworpen aan het in artikel 5.1.3 [5:13]
neergelegde
evenredigheidsbeginsel.
rblz.|144|
Het derde lid van artikel
5.1.5 [5:15] maakt het mogelijk dat een toezichthouder zich bijvoorbeeld laat
vergezellen door technisch deskundigen. De vergezellende personen kunnen ook deskundigen zijn die ter uitvoering
van de bevoegdheden van de
toezichthouder hun deskundigheid kunnen aanwenden. Men denke
bijvoorbeeld aan deskundigen op het gebied van het nemen van monsters. Voorts
maakt deze bepaling het mogelijk dat nationale toezichthouders
worden vergezeld door EG-ambtenaren aan wie in een EG-regeling is
opgedragen toe te zien op de toepassing en handhaving van die regeling.
Deze bevoegdheid tot "controle op controle" houdt dus niet het
recht in om zelf rechtstreeks toezicht uit te oefenen op burgers en
bedrijven. Met nadruk zij er ten slotte op gewezen dat uit deze bepaling niet
voortvloeit dat ook aan de personen die de toezichthouder vergezellen de
bevoegdheden toekomen die aan de toezichthouder zijn toegekend.
Bovendien mogen ingevolge artikel 5.1.3 [5:13]
geen andere personen worden meegenomen dan redelijkerwijs voor het
uitvoeren van de taak door de
toezichthouder nodig zijn.
Artikel 5.1.6
[5:16]
De in
artikel 5.1.6
[5:16] opgenomen
bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, zal kunnen worden
geëffectueerd doordat degenen aan wie de inlichtingen worden gevraagd, op
grond van artikel 5.1.10 [5:20], eerste lid, verplicht zijn om medewerking te
verlenen. De medewerking bestaat in dat geval uit het naar waarheid
antwoorden. Men kan weigeren om antwoord te geven, voor zover men is
onderworpen aan een geheimhoudingsplicht. Artikel 5.1.10 [5:20], tweede lid,
biedt hiervoor een voorziening. Daarnaast geldt uiteraard ook ten aanzien van
de in artikel 5.1.6 [5:16] vermelde bevoegdheid de algemene beperking van
artikel
5.1.3 [5:13].
Artikel 5.1.7
[5:17]
Met de woorden
"gegevens en bescheiden" in artikel 5.1.7 [5:17]
is aansluiting gezocht bij elders
in de Algemene wet bestuursrecht gehanteerde terminologie (zie
bijvoorbeeld artikel 4:2, tweede lid). In tal van
wetten wordt aan
toezichthouders de bevoegdheid verleend inzage te verlangen van "boeken en
andere zakelijke bescheiden". In de voorgestelde bepaling worden
"boeken" niet meer afzonderlijk genoemd. Ondernemingen en particulieren
leggen hun administratie steeds vaker vast in elektronische bestanden in plaats van in boeken of andere
documenten. De term "gegevens" omvat ook gegevens die langs elektronische weg zijn
vastgelegd. In het voetspoor van de desbetreffende bepalingen in de bijzondere
wetgeving is vastgelegd dat de bevoegdheid slechts betrekking heeft op
zakelijke gegevens en bescheiden. Gegevens en bescheiden van persoonlijke
aard vallen daar dus buiten. Dergelijke gegevens en bescheiden kunnen
in het kader van een opsporingsonderzoek slechts worden
ingezien volgens de daarvoor geldende algemene regels van het Wetboek
van Strafvordering. Ter voorkoming van misverstand zij overigens opgemerkt
dat ook gegevens die zijn opgenomen in persoonsregistraties een
zakelijk karakter kunnen hebben. De onderhavige bepaling verhindert dus niet
dat toezichthouders - uiteraard voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is - dergelijke gegevens kunnen
inzien. Zo zal bijvoorbeeld de onderwijsinspectie inzage kunnen vorderen
van de leerlingenadministratie van een school. Voor zover het gaat om
gegevens uit persoonsregistraties van instanties in de publieke en
semipublieke sector, zij er nog op gewezen dat bij de uitoefening van de
onderhavige bevoegdheid rekening moet worden gehouden met artikel
18, derde lid, van de Wet persoonsregistraties. Artikel 18,
derde lid, handelt over het desgevraagd verstrekken van deze gegevens
aan personen of instanties met een publiekrechtelijke taak,
waaronder toezichthouders moeten worden rblz.|145|
gerekend. Verstrekking van
deze gegevens is dan mogelijk voor zover een toezichthouder die gegevens
behoeft voor de uitvoering van zijn taak en de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Het tweede lid van artikel
5.1.7 [5:17] biedt de mogelijkheid tot het maken van kopieën. De term "afschrift" is vermeden ten einde buiten twijfel te stellen dat ook gegevens die langs
geautomatiseerde weg zijn vastgelegd, kunnen worden overgenomen op
diskettes e.d. Ook kunnen kopieën worden gemaakt door het "uitprinten" van dergelijke gegevens.
Het eerdergenoemde
evenredigheidsbeginsel brengt voorts met zich mee dat de in het derde lid
vermelde termijn om gegevens en bescheiden met het oog op het maken van kopieën mee te nemen, zo kort mogelijk
dient te zijn. Voorts zij erop gewezen dat, indien zulks de voorkeur van de belanghebbende heeft en de
faciliteiten daarvoor aanwezig zijn, de kopieën onmiddellijk ter
plaatse moeten worden vervaardigd. Om misverstanden tussen de
belanghebbende en de toezichthouder achteraf te voorkomen, is het meenemen
van gegevens en bescheiden slechts mogelijk tegen afgifte van een
schriftelijk bewijs. Een dergelijk vereiste treft men thans bijvoorbeeld
ook aan in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.
Artikel 5.1.8
[5:18]
Overeenkomstig het nieuwe
Burgerlijk Wetboek
wordt in dit artikel gesproken over onderzoek,
opneming en monsterneming van "zaken". De term "opneming" in het
eerste lid omvat niet alleen het (op)meten van zaken, maar bijvoorbeeld ook
het wegen daarvan.
Wat de onderzoeks-, opnemings- en monsternemingsbevoegdheid betreft, zij nog opgemerkt dat
in de bijzondere wetgeving soms een schadevergoedingsregeling is opgenomen. Als
voorbeeld kan worden
genoemd artikel 51, tweede
lid, van de Wet
milieugevaarlijke stoffen. Aangezien een dergelijke
regeling niet algemeen kan worden voorgeschreven, blijft hier een taak
voor de bijzondere wetgever om te bezien of in bepaalde gevallen een
uitdrukkelijke regeling ter zake is aangewezen. Hetzelfde geldt voor regelingen met betrekking tot het nemen van een
tweede monster, zoals
bijvoorbeeld is voorgeschreven in artikel 26, derde lid, van de Warenwet.
Met betrekking tot het
meenemen van zaken op grond van het derde lid geldt mutatis mutandis
hetzelfde als hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 5.1.7 [5:17], derde lid.
De zorgvuldigheid eist dat,
voor zover zulks mogelijk is, ook genomen monsters worden teruggegeven,
zonder dat dat de rechthebbende daarom uitdrukkelijk behoeft
te vragen. In het vierde lid is dit vastgelegd. Om onnodige bestuurslasten te
voorkomen, kan het in voorkomende gevallen aanbeveling verdienen
om tevoren aan de rechthebbende te vragen of hij prijs stelt op
teruggave.
Artikel 5.1.9
[5:19]
Het eerste respectievelijk
tweede lid bevatten de bevoegdheid tot onderzoek van vervoermiddelen
respectievelijk de lading daarvan. Als zodanig gaat het hier om een specifieke bevoegdheid ten opzichte van de
in artikel 5.1.8 [5:18] vermelde
bevoegdheid tot het onderzoeken van zaken. Een specifieke regeling is
noodzakelijk omdat deze relatief vergaande bevoegdheid met meer
uitdrukkelijke waarborgen dient te worden omringd. Uitdrukkelijk is
bepaald dat slechts vervoermiddelen met betrekking waartoe de toezichthouder een toezichthoudende taak heeft
object van onderzoek kunnen
zijn. De lading mag slechts worden onderzocht als met het
vervoermiddel "naar zijn redelijk oordeel" zaken worden vervoerd met betrekking
waartoe de toezichthouder een rblz.|146|
toezichthoudende taak heeft. Op deze
wijze is een expliciete uitwerking gegeven aan het in artikel 5.1.3 [5:13]
neergelegde evenredigheidsbeginsel. Er zij nog op gewezen dat de hier geregelde
bevoegdheid zich niet beperkt tot situaties waarbij steeds de bestuurder
of een andere betrokkene in of bij het vervoermiddel verkeert. Ook
indien het vervoermiddel in onbeheerde staat wordt aangetroffen, kan
de bevoegdheid worden uitgeoefend. Wel brengt artikel 5.1.3 [5:13]
met zich
mee dat dan eerst pogingen in het werk gesteld moeten worden om de
beheerder van het vervoermiddel op te sporen.
In de meeste gevallen zal het
onderzoek door de toezichthouder zich toespitsen op de lading van
het betrokken vervoermiddel. In een aantal gevallen kan het evenwel ook noodzakelijk zijn het vervoermiddel zelf aan
een onderzoek te onderwerpen.
Dit is het geval indien het toezicht betrekking heeft op naleving
van voorschriften waaruit voortvloeit dat het vervoermiddel zelf aan
bepaalde eisen moet voldoen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de Diergeneesmiddelenwet
(vgl. artikel 54, onderdeel c) en de Wet personenvervoer (vgl.
artikel 83, derde lid). Ook is het soms noodzakelijk om met de aard van de
lading verband houdende hulpmiddelen te onderzoeken die deel uitmaken
van het vervoermiddel (vgl. artikel 27, eerste lid, van de Warenwet).
De bevoegdheid tot onderzoek van het vervoermiddel zelf maakt dit in beginsel mogelijk.
Het derde lid heeft betrekking
op gevallen waarin toezichthouders bijvoorbeeld dienen toe te
zien of bestuurders in het bezit zijn van vervoersbewijzen,
taxivergunningen e.d. Het moet gaan om wettelijk voorgeschreven bescheiden.
Als het toezicht op een andere
wijze dan door stilhouding en/of overbrenging even doelmatig
kan worden uitgeoefend, vloeit uit het beginsel van subsidiariteit,
dat mede besloten ligt in artikel 5.1.3 [5:13], voort dat de relatief vergaande
bevoegdheden opgenomen in het vierde lid niet worden uitgeoefend. Zo zal het
belang van uitoefenen van steekproefsgewijs toezicht op de naleving
van wettelijke voorschriften niet het ophouden van onderweg zijnde
bestuurders rechtvaardigen indien het benodigde toezicht even zo
goed of zelfs beter op andere wijze kan worden uitgeoefend. Een
uitdrukkelijke bepaling ter zake, zoals thans bijvoorbeeld nog is opgenomen
in artikel 16, tweede lid, van de Tabakswet,
is niet noodzakelijk
in het licht van de hiervoor aan artikel 5.1.3 [5:13]
gegeven uitleg.
In enkele bijzondere wetten is
een delegatiebepaling opgenomen die ertoe strekt dat door de
betrokken minister met medebetrokkenheid van de Minister van Justitie
regels (kunnen) worden gesteld over de wijze waarop vorderingen tot
stilhouden moeten worden gedaan. Als voorbeelden kunnen worden
genoemd de artikelen 16, derde lid, van de Warenwet, 27, derde lid, van
de Tabakswet en 83, vierde lid, van de Wet personenvervoer. In het vijfde
lid van artikel 5.1.9 [5:19] wordt thans een wettelijke grondslag geschapen voor één uniforme ministeriële regeling
op dit punt. Daarbij zal
aansluiting worden gezocht bij de thans bestaande regelingen.
Er zij nog op gewezen dat de
term "vervoermiddel" in dit artikel niet slechts voertuigen omvat, maar
ook vaar- en luchtvaartuigen. Om voor de hand liggende redenen is met betrekking tot het doen stilhouden van
vervoermiddelen (vierde lid)
een uitzondering gemaakt voor luchtvaartuigen.
Artikel
5.1.10 [5:20]
Het eerste lid maakt het
mogelijk dat toezichthouders de hun toekomende bevoegdheden
daadwerkelijk kunnen effectueren. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval
waarbij een toezichthouder overeenkomstig zijn bevoegdheid van
artikel 5.1.8 [5:18], eerste lid, de inhoud wil onderzoeken van een kist die
zich onder een andere, zware kist bevindt. rblz.|147|
Hij kan dan op grond van de
onderhavige bepaling vorderen dat de bovenste kist wordt
verplaatst. Een ander voorbeeld biedt de situatie waarin een toezichthouder
overeenkomstig de in artikel 5.1.9 [5:19], tweede lid, toegekende bevoegdheid de
lading van een vrachtauto wil doorzoeken. Hij mag dan vorderen dat de
deuren die toegang geven tot de laadruimte voor hem worden geopend
indien deze zijn afgesloten. Voorts ligt het in de rede dat de
medewerkingsplicht ook het desverlangd openen van verpakkingen omvat. Om deze
reden is in artikel 5.1.8 [5:18] niet voorzien in een afzonderlijke bevoegdheid voor
de toezichthouder om daartoe een vordering te doen. Onder
omstandigheden kan de medewerkingsplicht voor de betrokkene ook
inhouden dat hij desverlangd blijft staan. Een afzonderlijke bevoegdheid tot
het staande houden van personen, bijvoorbeeld met het oog op
onderzoek van zaken (vgl. artikel 5.1.8 [5:18]), is in dit licht bezien overbodig.
Uit de bewoordingen van de
voorgestelde bepaling blijkt dat de medewerkingsplicht betrekking
heeft op alle gevallen waarin de betrokkene de uitoefening van
een toezichthoudende bevoegdheid moet gedogen. Het gaat hier dus
zowel om de in de artikelen 5.1.5 tot en met 5.1.9 [5:15
t/m 5:19] vermelde bevoegdheden
als om eventuele andere bevoegdheden die bij bijzondere wet zijn
verleend. Voorts betekent dit dat de plicht tot medewerking ook betrekking
heeft op de in de artikelen 5.1.6 [5:16] en
5.1.7
[5:17] opgenomen bevoegdheden tot het
vorderen van inlichtingen en inzage van gegevens en bescheiden.
Het is derhalve niet nodig om daarnaast afzonderlijke verplichtingen
op te nemen tot het verschaffen van de gevorderde inlichtingen en tot
afgifte van de gevorderde gegevens en bescheiden.
Aan een verzoek tot
medewerking zal op eerste vordering door de betrokkene moeten worden
voldaan. Indien de medewerking wordt geweigerd, kan bestuursdwang
worden toegepast indien de bijzondere wetgever in die mogelijkheid
heeft voorzien (vgl. artikel 5.2.2 [5:22]). Wat betreft de strafrechtelijke
sanctionering wordt het volgende opgemerkt. Het niet verlenen van medewerking is
thans veelal in de bijzondere wetgeving strafbaar gesteld. De
strafsancties lopen sterk uiteen. Niet zelden is ook culpoze overtreding strafbaar
gesteld. Met het oog op een uniforme handhaving van de
medewerkingsplicht verdient het de voorkeur voor de strafrechtelijke handhaving
van deze norm artikel 184, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht als
uitgangspunt te hanteren. Hierin is onder andere strafbaar gesteld
degene "die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering,
krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening
van enig toezicht belast". In het tweede lid van genoemd artikel wordt met
de bedoelde ambtenaar gelijkgesteld "ieder die, krachtens
wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met enige openbare dienst is
belast". Die bepaling maakt artikel 184, eerste lid, dus ook toepasbaar ten
aanzien van bevelen of vorderingen door toezichthouders die geen
ambtenaar zijn. Uit het karakter van de medewerkingsplicht vloeit
voort dat het niet naleven daarvan alleen strafbaar dient te zijn
indien dat opzettelijk geschiedt. Culpoze niet-medewerking is in de
praktijk niet goed denkbaar. Indien de toezichthouder mondeling om
medewerking verzoekt (bijvoorbeeld door het vorderen van inlichtingen of
van inzage van boeken en bescheiden), zal hij zijn verzoek herhalen indien
de toezichthouder het verzoek niet heeft verstaan. Indien de
toezichthouder door middel van een teken om medewerking verzoekt,
bijvoorbeeld een stopteken aan een bestuurder van een vervoermiddel, treft
de bestuurder geen verwijt wanneer deze het teken niet ziet. Culpoze
strafbaarstellingen hebben betekenis wanneer iemand een op hem rustende
bijzondere rechtsplicht niet nakomt. Hij moet dan echter wel in de
gelegenheid zijn om van de omstandigheden die de plicht doen ontstaan
kennis te nemen. Iemand die een verzoek om medewerking niet verstaat of
waarneemt, verkeert niet in een dergelijke rblz.|148|
omstandigheid. Hem kan daarom
geen strafrechtelijk relevant verwijt worden gemaakt.
Eén en ander betekent dat in
de bijzondere wetgeving de bepalingen waarbij het - al dan niet
opzettelijk - niet naleven van de medewerkingsplicht strafbaar wordt
gesteld, zullen worden geschrapt.
Het tweede lid van artikel
5.1.10 [5:20] bevat de mogelijkheid om de medewerking te weigeren, voor
zover uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een geheimhoudingsplicht bestaat. De redactie van
deze bepaling is
gemoderniseerd ten opzichte van soortgelijke bepalingen in de bijzondere wetgeving en
sluit ook aan bij de geheimhoudingsbepaling opgenomen in artikel
2:5 van de Algemene wet bestuursrecht. De mogelijkheid om ingevolge
het tweede lid de verlening van medewerking te weigeren, heeft
betrekking op alle gevallen waarin het eerste lid de betrokkene in
beginsel tot medewerking verplicht. De weigering om medewerking te
verlenen, kan dus ook betrekking hebben op andere dan in de Algemene
wet bestuursrecht vermelde bevoegdheden en kan ook bestaan uit
het niet verstrekken van inlichtingen of van gegevens en bescheiden.
Met betrekking tot de in de
medewerkingsplicht opgesloten verplichting tot het verstrekken van
inlichtingen moet ten slotte nog het volgende worden opgemerkt. De inlichtingenplicht strekt tot voldoening aan een
verzoek, gedaan door een
toezichthouder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het vorderen
van inlichtingen, in het kader van het houden van toezicht. Zoals
aangegeven in het slot van het algemeen deel van deze toelichting kan een
toezichthouder optreden indien er (nog) geen sprake is van een concrete
verdenking dat een strafbaar feit is gepleegd. Er is dan geen verdachte en
het geven van inlichtingen speelt zich buiten de strafrechtelijke sfeer af.
De inlichtingenplicht geldt in dat geval onverkort, behoudens de
uitzonderingen voortvloeiend uit artikel 5.1.10 [5:20], tweede lid, en met
inachtneming van de beperkingen die het eerste lid van dat artikel stelt. Dit
komt anders te liggen indien vervolgens een concrete verdenking van een
strafbaar feit ontstaat. In dat geval kan degene die als verdachte wordt gehoord een beroep doen op het in artikel
29, eerste lid, van het Wetboek
van Strafvordering neergelegde recht om niet te antwoorden. Op degene
die verdachte hoort, rust de verplichting om aan deze mede te delen dat
hij niet verplicht is tot antwoorden (artikel 29, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering). Bij de parlementaire behandeling van de Wet
wapens en munitie is uitvoerig ingegaan op de omstandigheid dat de nakoming
van de mededelingsplicht door degene ten aanzien van wie
toezichthoudende bevoegdheden worden uitgeoefend terwijl hij (nog) geen
verdachte is, kan leiden tot zelfbeschuldiging (Kamerstukken II 1984-1985, 14
413, nr. 9, blz. 22). Van de zijde van de regering is gesteld dat in een
dergelijke toegespitste hypothetische situatie de burger in feite de
keuze heeft om zelf het moment te bepalen waarin de omslag van toezichthoudende naar opsporende bevoegdheid
plaatsvindt. Voldoet hij aan
zijn mededelingsplicht, dan levert hij feiten die een grond vormen voor een
verdenking. Voldoet hij niet aan zijn mededelingsplicht, dan kan
daardoor in samenhang met andere omstandigheden redelijkerwijs een
verdenking ontstaan. In andere gevallen zal het niet nakomen van de
mededelingsplicht onvoldoende zijn voor het ontstaan van een verdenking.
Alsdan kan de niet-nakoming van deze plicht door middel van artikel
184 van het Wetboek
van Strafrecht worden gesanctioneerd.
Afdeling 5.2
[5.3] [5.3.1]. Bestuursdwang
De opzet van de regeling van
deze afdeling is als volgt. Artikel 5.2.1 [5:21]
geeft een definitie van
hetgeen onder bestuursdwang wordt verstaan. Deze begripsomschrijving heeft
een tweeledige bedoeling. In de eerste plaats maakt de bepaling
duidelijk tot welke handelingen een bestuursorgaan rblz.|149|
bevoegd is wanneer de
wetgever aan een bestuursorgaan de bevoegdheid tot toepassing van
bestuursdwang toekent. Opgemerkt zij dat dit toekennen van de
bestuursdwangbevoegdheid niet geschiedt in de Algemene
wet bestuursrecht zelf, maar in andere bestuursrechtelijke wetten dient te geschieden
(zie de toelichting op artikel 5.2.2 [5:22]). Daarnaast beoogt de definitiebepaling
veilig te stellen dat het van toepassing zijn van de artikelen 5.2.4 en
volgende [5:24 e.v.] niet afhankelijk is van de formulering van een
bestuursdwangbevoegdheid in enig wettelijk voorschrift. Een bevoegdheid die door de
wetgever niet is benoemd of anders is genoemd, maar valt onder de
opsomming van handelingen in de definitie, is een (bijzondere vorm van
een) bestuursdwangbevoegdheid. De uitoefening van die
bevoegdheid wordt beheerst door de artikelen 5.2.4 en volgende
[5:24 e.v.] (tenzij de
wetgever uitdrukkelijk anders bepaalt). Hierbij zij aangetekend dat de Raad voor
het binnenlands bestuur (Rbb) en de Arbo-raad hebben opgemerkt dat
er in enkele bijzondere wetten bevoegdheden voorkomen die de vraag oproepen of zo een speciale bevoegdheid
bestuursdwang behelst of niet.
Als voorbeelden zijn onder meer genoemd artikel 43a, eerste lid,
Wegenverkeerswet en artikel 37 Arbeidsomstandighedenwet. Wij nemen ons voor
deze en andere gevallen waarin twijfel mogelijk is, bij de
aanpassingswetgeving te bezien. Indien in de hier bedoelde wettelijke bepalingen
bestuursdwang beoogd wordt, zal naar de Algemene wet bestuursrecht
verwezen kunnen worden. Indien geen bestuursdwang bedoeld is, zal
dat - zo nodig - nog verduidelijkt worden in de betreffende
wetsartikelen.
Artikel 5.2.2 [5:22]
stelt veilig dat
de zo belangrijke bevoegdheid van toepassing van bestuursdwang
alleen op grond van de wet kan bestaan.
Artikel 5.2.4 [5:24]
is een uiterst
belangrijke bepaling. Hierin is onder meer bepaald dat een schriftelijke
beslissing tot toepassing van bestuursdwang als een beschikking geldt. Dit
is zowel van betekenis omdat daaruit volgt dat de materieelrechtelijke
voorschriften van de hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing zijn, alsmede dat in zaken van bestuursdwang bezwaar en
beroep mogelijk is. De bepaling houdt rekening met de verschillende
gradaties van spoed die in de praktijk nodig kunnen zijn.
Artikel 5.2.5 [5:25]
bepaalt dat
kostenverhaal regel is, zij het dat het bestuursorgaan daarvan (geheel of
gedeeltelijk) kan afzien. Daaromtrent behoort de overtreder aanstonds duidelijkheid te worden verschaft.
Artikel 5.2.6 [5:26]
regelt de
invordering en de daarbij noodzakelijke rechtsbescherming.
De artikelen 5.2.8 tot en met
5.2.11 [5:27 t/m 5:30] regelen aan de bestuursdwangbevoegdheid verbonden
bevoegdheden, waarvan de toepassing - afhankelijk van de
omstandigheden van het concrete geval - bepaald niet in alle gevallen aan de orde
is. In de toelichting op de afzonderlijke artikelen wordt op deze
bevoegdheden teruggekomen.
Artikel 5.2.12 [5:31]
ten slotte
voorkomt, zoals hiervoor reeds gememoreerd, dat bestuursdwang kan worden
toegepast met betrekking tot een overtreding ter zake waarvan
reeds een last onder dwangsom is opgelegd.
Artikel 5.2.1
[5:21]
Artikel 5.2.1
[5:21] geeft een
definitie van het begrip bestuursdwang. Zoals bekend is de term
bestuursdwang synoniem met politiedwang. Laatstbedoelde term wordt uit de
tijd geacht. Zij heeft ook als bezwaar dat "politiedwang" ten onrechte
doet veronderstellen dat aan deze vorm van overheidsdwang altijd inzet
van de politie te pas moet komen. Die indruk zou onjuist zijn. Bij de
toepassing van bestuursdwang kan de hulp of aanwezigheid van
politieambtenaren noodzakelijk of gewenst zijn, maar dat is zeker geen algemene
regel.
De in het voorontwerp
opgenomen begripsomschrijving stemde rblz.|150|
nagenoeg geheel overeen met
die van de Gemeentewet (artikel 125, tweede lid),
Provinciewet (artikel 122, tweede lid),
Waterschapswet (artikel 61, eerste lid) en
Wet milieubeheer (artikel 18.7, eerste lid). Toegevoegd was het woord "ontruimen"
ten einde zeker te stellen dat ook het ontruimen van een terrein of
een gebouw tot de bestuursdwangbevoegdheid moet worden
gerekend. Vergeleken met genoemde wetten waren in het voorontwerp
eveneens toegevoegd de woorden "door feitelijk handelen". Deze
begripsomschrijving ging in essentie terug op een beproefde omschrijving uit
de Gemeentewet van 1851. Uit de definitie bleek dat het bij
bestuursdwang gaat om feitelijke handelingen van bestuursorganen ter handhaving
van wettelijke voorschriften. De opsomming "wegnemen,
ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van
hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijke voorschrift
gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten" dekte,
zo was de bedoeling, alle denkbare handelingen die nodig kunnen
zijn om wettelijke voorschriften daadwerkelijk te effectueren.
Gelet op deze uitleg menen wij
bij nadere overweging dat de bestuursdwangbevoegdheid algemener kan
worden omschreven. De reeds in het voorontwerp in artikel 5.2.1 [5:21]
geïntroduceerde woorden
"door feitelijk handelen" kunnen de
enumeratie van de vormen waarin door of vanwege het bestuursorgaan wordt
opgetreden, vervangen. Wij tekenen hierbij uitdrukkelijk aan dat daarmee
niet is beoogd de bestaande reikwijdte van de bevoegdheid tot toepassing
van bestuursdwang te beperken of uit te breiden. In dit verband merken
wij in de eerste plaats op dat ook de voorgestelde omschrijving van
bestuursdwang mede beoogt te omvatten het treffen van maatregelen om
verdere nadelige gevolgen van de betrokken overtreding te
voorkomen. Dit lag in de begripsomschrijving uit het voorontwerp besloten in
het woord "beletten". In de tweede plaats vallen ook maatregelen tot het
geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van een inrichting
(bijvoorbeeld als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, Wet
milieubeheer) of het
stilleggen van werkzaamheden onder de begripsomschrijving van
artikel 5.2.1 [5:21]. Deze maatregelen lagen reeds besloten in de woorden "beletten" en/of
"ontruimen" en "wegnemen" uit het voorontwerp en vallen
eveneens onder het bereik van de thans voorgestelde begripsomschrijving. Gelet op het voorgaande zal, mede in
aanmerking nemend artikel 5.2.9 [5:28], in de aanpassingswetgeving worden voorgesteld artikel 18.8,
eerste en tweede lid, Wet
milieubeheer te doen vervallen.
Evenals uit de in het
voorontwerp opgenomen definitie blijkt ook thans uit het ongewijzigd gebleven
deel van de definitie dat ook krachtens wettelijke voorschriften
gestelde verplichtingen zo nodig door de overheid met feitelijke maatregelen
gehandhaafd kunnen worden. Te denken valt hier in het bijzonder aan aan
een vergunning verbonden voorschriften.
Een bekend probleem betreft de
vraag in hoeverre een bestuursorgaan dat in beginsel over een
bestuursdwangbevoegdheid beschikt, van die bevoegdheid ook reeds gebruik kan maken
vóór het tijdstip waarop
gesproken kan worden van een
overtreding van wettelijke voorschriften. Dit betreft de vraag naar de
mogelijkheid van preventieve bestuursdwang. Soms wordt uit het woord
"beletten" in de huidige begripsomschrijving wel afgeleid dat de
mogelijkheid van een preventief optreden aanwezig geacht moet worden. Voorop
moet worden gesteld dat "beletten" primair ziet op gevallen waarin met
een overtreding reeds een aanvang is gemaakt en het er dus om gaat
continuering van het verboden handelen door bestuursdwang te
voorkomen. Bij de mogelijkheid van preventieve bestuursdwang gaat het echter
om de vraag of reeds met bestuursdwang mag worden opgetreden voordat
een wettelijk voorschrift is overtreden.
rblz.|151|
Duidelijk is dat een
bestuursorgaan niet reeds bestuursdwang mag toepassen indien nog niet eens
van een naderend begin van een overtreding kan worden
gesproken. Meer in het algemeen staat het de overheid in een rechtsstaat
niet vrij om gedragingen te verhinderen of te voorkomen die - ofschoon
daaruit wellicht het voornemen tot het plegen van een verboden handeling mag
worden afgeleid - zelf nog geen verboden karakter hebben.
Anderzijds behoeft de overheid ook niet altijd te wachten totdat de verboden
handeling heeft plaatsgehad. Zoals uit de woordkeus van artikel 5.2.1 [5:21]
voortvloeit, waar wordt gesproken van "beletten" hetgeen in strijd
met de gestelde regels "is of wordt gedaan", kan ook handhavend worden
opgetreden zodra met het plegen van een verboden handeling een
allereerste begin is gemaakt. Hetzelfde geldt zodra redelijkerwijs geen
andere gevolgtrekking meer mogelijk is dan dat zonder het ingrijpen van het
bestuur een overtreding van wettelijke voorschriften zal plaatshebben. Men vergelijke over dit punt de memorie van antwoord, blz. 193-194, en
de derde nota van wijziging bij de Gemeentewet
(Kamerstukken II 1988-1989, 19 403, nrs. 10 en 11), waar in verband met dit punt een
kleine wijziging in de tekst van artikel 125 is aangebracht, een wijziging die
in de woordkeus van artikel 5.2.1 [5:21] is gevolgd. Men vergelijke ook
HR 1 mei 1987, NJ 1989, 646, waar de Hoge Raad uitsprak dat ook bij
gegronde vrees tot voortzetting van de verboden exploitatie van een inrichting
de overheid bevoegd is tot bestuursdwang, ook al is op dat ogenblik de
verboden exploitatie onderbroken.
Het voordeel van de twijfel
zal echter aan de potentiële overtreder moeten worden gelaten. Eerst
op het allerlaatste ogenblik voor het plegen van een verboden handeling zal
het bestuursorgaan, zo nodig, reeds mogen overgaan tot een
beletten van de verboden handeling of gedraging.
Wanneer bijvoorbeeld een
ondernemer via de pers aankondigt met de verkoop van artikelen te
willen starten in een opslagloods waarin dat volgens het bestemmingsplan verboden is, kunnen burgemeester en
wethouders niet (preventief)
beletten dat de loods als (provisorische) verkoopruimte wordt ingericht.
Zij behoeven echter niet per se te wachten met het treffen van
maatregelen tot het moment waarop de verkoop is begonnen. Het staat
burgemeester en wethouders vrij kort vóór de aanvang van de verkoop zodanige maatregelen te treffen dat het publiek
niet de verkoopruimte kan betreden wanneer uit het gedrag van de ondernemer redelijkerwijs niet
anders kan worden geconcludeerd dan dat hij zonder het ingrijpen van
overheidswege met de verboden gedragingen zal beginnen.
Van de mogelijkheid preventief
met bestuursdwang op te treden, voor welke mogelijkheid, zo bleek
in het vorenstaande, in essentie nauwelijks ruimte bestaat, moet worden onderscheiden de mogelijkheid op een
tijdstip voorafgaande aan een
overtreding reeds een (voorwaardelijk) besluit tot handhaving door
middel van bestuursdwang te nemen en dit besluit aan de potentiële
overtreder bekend te maken overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.2.4 [5:24],
tweede lid. Het ligt voor de hand aan te nemen dat voor het voorafgaand besluiten en waarschuwen meer ruimte bestaat
dan voor het daadwerkelijk
feitelijk optreden. Een dergelijke vroegtijdige waarschuwing kan immers juist
als (beoogd) effect hebben dat van het begaan van een overtreding
wordt afgezien.
Toch zijn ook hier de
mogelijkheden in beginsel beperkt. Het wettelijk stelsel gaat ervan uit dat bij
een besluit tot toepassen van bestuursdwang het bestuursorgaan de feitelijke situatie precies kan overzien en op dat
moment een volledige
belangenafweging kan maken. Aan dat vereiste kan alleen worden voldaan
indien met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat een overtreding
op een afzienbare termijn zal worden begaan. Vandaar dat in de
jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak voor het besluiten tot en een
aanzeggen van bestuursdwang wel als criterium werd aangehouden dat het
gevaar dat een overtreding van een rblz.|152|
voorschrift zal plaatsvinden klaarblijkelijk moet zijn (Afd. rechtspraak
1 februari 1985, AB 1985, 587). Op
dit punt zal de Algemene wet bestuursrecht geen veranderingen
teweegbrengen.
Van de zijde van de Raad voor
het binnenlands bestuur is voorgesteld om expliciet een regeling ter zake van de zogenoemde preventieve aanzegging van bestuursdwang
in de Algemene wet bestuursrecht op te nemen. Het voorafgaand aan het
plegen van een overtreding reeds mogen aanzeggen van
bestuursdwang betreft uitzonderlijke situaties die - zo volgt uit rechtspraak - nog
juist onder de voorgestelde bepalingen zullen zijn begrepen. Een
afzonderlijke wettelijke regeling van de preventieve aanzegging van bestuursdwang is niet nodig en zou het
gevaar in zich dragen dat
daarvan een ruimer gebruik zou kunnen worden gemaakt dan door de wetgever
beoogd wordt. Het is onze opzet om preventieve aanzegging van
bestuursdwang niet onmogelijk te maken, maar anderzijds dient in het
belang van de rechtszekerheid van de burgers voor deze mogelijkheid slechts
een bescheiden plaats in het wettelijk stelsel te worden ingeruimd.
Het gaat hier immers om grensgevallen op de rand van wat nog juist wel
en wat niet meer geoorloofd moet zijn. Wij laten de ontwikkeling ten
aanzien van de mogelijkheid tot preventieve aanzegging derhalve liever aan
de rechtspraak over.
Opgemerkt zij overigens nog
dat het bestuursorganen wel vrijstaat informatieve waarschuwingen te
zenden. Een dergelijke informele waarschuwing is niet het
resultaat van een besluit tot toepassing van bestuurdwang, maar houdt de
mededeling in dat als een bepaalde verboden handeling wordt
verricht, de aangeschrevene ernstig rekening dient te houden met het
voornemen van bestuursorgaan om in dat geval niet werkeloos te zullen
toezien. Zo een vooraankondiging wordt in het wetsvoorstel niet gereguleerd
en geldt ook niet als een beschikking in de zin van deze
wet.
Vergelijking van artikel 5.2.1 [5:21]
met de overeenkomstige artikelen 125 Gemeentewet, 122
Provinciewet en 61 Waterschapswet
leert dat in de Algemene wet bestuursrecht
niet is overgenomen de in genoemde wetten opgenomen bepaling "bij de
toepassing van bestuursdwang is een ieder verplicht deze toepassing te
gedogen".
Naar onze mening spreekt de
inhoud van dit voorschrift zozeer vanzelf dat het overbodig voorkomt dit
in de wet vast te leggen. In de genoemde wetten had de geciteerde bepaling vooral de functie veilig te stellen dat de
waarschuwing voorafgaand aan
bestuursdwang als een beschikking in de zin van de Wet Arob zou moeten
worden gezien. Naar onze mening is het bedoelde voorschrift daarvoor
in de Algemene wet bestuursrecht niet nodig. Daarop wordt
teruggekomen in de toelichting op artikel 5.2.4 [5:24]. Overigens kan worden gewezen
op het bepaalde in de artikelen 180 en vooral 184 Wetboek
van Strafrecht, welke bepalingen de verplichting om de toepassing van
bestuursdwang niet te belemmeren langs strafrechtelijke weg voldoende
sanctioneren.
Artikel 5.2.2
[5:22]
Zoals reeds opgemerkt, gaat
het
wetsvoorstel uit van een systeem waarin de Algemene
wet bestuursrecht wel voorschriften geeft omtrent de toepassing van
bestuursdwang, maar niet regelt welke bestuursorganen over die bevoegdheid
beschikken.
Overwogen is of niet in de
Algemene wet bestuursrecht een algemene regeling omtrent de toekenning
van de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang kan worden opgenomen. Voordeel daarvan zou
zijn dat
iedere twijfel omtrent het al
dan niet bestaan van die bevoegdheid (eventueel krachtens
ongeschreven recht) wordt weggenomen en dat door het toekennen van die
bevoegdheid een maximale harmonisatie zou worden bereikt. Dit in
tegenstelling tot de huidige situatie bij het Rijk, waar in tientallen wetten
aan
ministers een bevoegdheid tot toepassing van rblz.|153|
bestuursdwang wordt toegekend.
In zeer vele andere wetten wordt deze bevoegdheid echter niet aan de
ministers of aan onder hun verantwoordelijkheid werkzame ambtenaren
verleend. Naar moet worden aangenomen, beschikken de ministers in die
gevallen niet over bedoelde bevoegdheid op grond van het ongeschreven
recht.
De toekenning van een algemene
bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang aan de ministers
zou aansluiten bij de regeling van bestuursdwang bij gemeenten en
provincies; de bestuursorganen daarvan
beschikken krachtens de Gemeentewet
(artikel 125, eerste lid) en de Provinciewet
(artikel 122,
eerste lid) over een algemeen omschreven bevoegdheid tot toepassing van
bestuursdwang. Eenzelfde regeling is voor de waterschappen aan te
treffen in de Waterschapswet (artikel 61, eerste lid).
Eén en ander zou inhouden dat
in de Algemene wet bestuursrecht, behalve aan bestuursorganen
van gemeente, provincies en waterschappen, ook aan
bestuursorganen van het Rijk een soortgelijke bevoegdheid zou worden
toegekend. Dit zou betekenen dat de huidige situatie, waarin aan ministers
steeds per wet die bevoegdheid wordt gegeven, vervangen zou worden
door een algemene toekenning.
Onderzoek heeft echter
uitgewezen dat in veel gevallen een ministeriële bestuursdwangbevoegdheid op
zichzelf wel denkbaar zou zijn, maar in de praktijk niet wordt gemist. Daarom is besloten niet over te gaan tot het
opnemen van een algemene
bestuursdwangbevoegdheid voor organen van de centrale overheid in
dit wetsvoorstel.
Hiervan uitgaande verdient
het, terwille van de eenheid van het systeem, de voorkeur de
bestuursdwangbevoegdheden van gemeentebesturen, provinciale besturen
en waterschapsbesturen niet in de Algemene wet bestuursrecht neer te
leggen, maar regeling daarvan een plaats te laten houden in de organieke
wetten.
Voor de centrale overheid
betekent dit de handhaving van het systeem dat per afzonderlijke wet moet
worden bezien of de bestuursdwangbevoegdheid een noodzakelijke
of wenselijke voorziening is. Wordt deze vraag bevestigend beantwoord,
dan kan worden volstaan met het opnemen van een voorschrift
waarin wordt bepaald dat de minister ter uitvoering van bij of
krachtens de desbetreffende wettelijke regeling gestelde wettelijke
voorschriften bevoegd is bestuursdwang toe te passen.
Wel is het gewenst dat de
Algemene wet bestuursrecht geen onzekerheid laat bestaan over
de vraag of bestuursdwang ook op grond van het ongeschreven recht kan
worden toegepast. Aangezien het om een mogelijk ingrijpende
bevoegdheid gaat, past het in een rechtsstaat dat de basis ervoor in de wet wordt
gelegd. Dienovereenkomstig bepaalt artikel 5.2.2 [5:22]
dat een wettelijke
grondslag steeds is vereist.
In het algemeen zal gekozen
worden voor een regeling bij de wet. De bepaling sluit echter niet uit
dat een wettelijke regeling uitdrukkelijk voorziet in een delegatiebevoegdheid. Als voorbeeld wordt hier genoemd
artikel 129, derde lid, Gemeentewet, waarin is geregeld dat de bestuursdwangbevoegdheid kan worden
overgedragen aan een commissie als daar bedoeld.
Opgemerkt zij nog dat artikel
5.2.2 [5:22] er niet aan in de weg staat dat op grond van het geschreven of
ongeschreven volkenrecht onder omstandigheden kan worden geconcludeerd
tot het bestaan van een dwangbevoegdheid welke met de
bestuursdwangbevoegdheid overeenkomt. De Algemene wet bestuursrecht is
immers op situaties die uitsluitend door het volkenrecht worden beheerst niet van toepassing.
Artikel 5.2.3
[5:23]
Voor alle duidelijkheid is in
deze bepaling aangegeven dat de regeling van afdeling 5.2 [5.3]
[5.3.1] niet geldt
indien wordt opgetreden ter onmiddellijke rblz.|154|
handhaving van de openbare
orde. De bepalingen van afdeling 5.2 [5.3]
[5.3.1] zijn voor een dergelijk optreden
niet geëigend, en ook thans wordt het feitelijk handhaven van de openbare orde
door ambtenaren van de politie niet door dergelijke bepalingen
beheerst. Gezien echter de begripsomschrijving van artikel 5.2.1 [5:21]
kan worden verdedigd dat het hier om bestuursdwang gaat. Teneinde
op dit punt geen onzekerheid te laten bestaan, is dit geval in
artikel 5.2.3 [5:23] uitdrukkelijk uitgezonderd.
Het begrip "optreden ter
onmiddellijke handhaving van de openbare orde" dient beperkt opgevat
te worden. Gedacht kan worden aan gevallen waarin de burgemeester bevelen geeft ter handhaving van de openbare
orde indien deze is verstoord,
of waarin opgetreden wordt tegen overtreding van een
samenscholingsverbod. Maar wanneer een burgemeester op grond van een
plaatselijke verordening een bevel tot sluiting van een horeca-inrichting
geeft op gronden aan het belang van de bescherming van de openbare orde ontleend, is op de effectuering van
het sluitingsbevel de regeling
van de bestuursdwang van toepassing. Het sluiten van de inrichting (zo
nodig door dicht te timmeren) is immers op zich beschouwd niet het
onmiddellijk handhaven van de openbare orde, doch de handhaving van het
sluitingsbevel. Wel kan het eventueel verwijderen en het verwijderd
houden van cafébezoekers beschouwd worden als het onmiddellijk
handhaven van de openbare orde.
Artikel 5.2.4
[5:24]
Dit artikel kan als
sleutelbepaling van de wettelijke regeling van bestuursdwang worden
beschouwd. Het volgt in belangrijke mate de regeling in de Gemeente-,
Provincie- en Waterschapswet. Mede in verband met de inpassing in
het systeem van de Algemene wet bestuursrecht
wijkt het echter in
opzet enigszins af van de overeenkomstige artikelen 130, 127 en 66 van
die wetten.
Evenals in die wetten is het
uitgangspunt dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang
schriftelijk moet worden genomen en dan als een beschikking geldt. Dit
is in het eerste lid bepaald.
Het gevolg hiervan is
tweeërlei. In de eerste plaats zijn de regels over besluiten in hoofdstuk 3 en
die over beschikkingen in hoofdstuk 4 van toepassing. Daarnaast heeft de bepaling tot gevolg dat de rechtsmiddelen
die in het algemeen tegen
beschikkingen openstaan ook in dit geval kunnen worden aangewend.
Uit de voorschriften van de in
dit wetsvoorstel voorgestelde afdeling 3.7 omtrent de motivering van
besluiten volgt niet zonder meer dat de bestuursdwangbeschikking moet vermelden welk wettelijk voorschrift
overtreden is. In navolging
van de jurisprudentie achten wij het stellen van het vereiste dat wordt
vermeld welk voorschrift door de aangeschrevene is overtreden, wel
zonder meer redelijk. Deze eis is daarom in artikel 5.2.4 [5:24], tweede lid,
verwoord. Overigens vloeit uit het voorgestelde artikel
3.6.2 [3:47], tweede lid
(thans: artikel 4:17, tweede lid), voort dat bij de bekendmaking van de
beschikking moet worden vermeld op welk wettelijk voorschrift de bevoegdheid tot
toepassing van bestuursdwang berust.
Wat de bekendmakingsregeling
van afdeling 3.5 betreft, moet rekening worden gehouden met de
noodzaak zowel de overtreder als de andere belanghebbenden op de hoogte te stellen. Indien bijvoorbeeld een illegaal
bouwwerk voorwerp van
bestuursdwang wordt, moet zowel degene die zonder vergunning heeft
gebouwd, de overtreder dus, als de gebruiker of eigenaar die zelf niet
illegaal heeft gebouwd, onder de bekendmakingsplicht vallen.
In het derde lid is in
afwijking van het voorontwerp het gebruik van de term "belanghebbende"
vervangen door "rechthebbenden op gebruik van de zaak ten aanzien
waarvan bestuursdwang zal worden toegepast". Daarnaast wordt apart nog de
aanvrager van de beschikking genoemd. De term "belanghebbende" wordt
in dit artikellid vermeden om te rblz.|155|
voorkomen dat het
bestuursorgaan in onzekerheid zou geraken ten aanzien van de vraag aan wie
het het besluit om bestuursdwang toe te passen (de bestuursdwangaanschrijving) moet bekendmaken. Daarbij
gaat het vooral om de vraag
tot welke personen de bekendmaking, die volgens het systeem van de Awb correct dient te geschieden om te bewerkstelligen dat een
besluit in werking treedt, beperkt mag worden. Indien de
bestuursdwangaanschrijving aan "belanghebbenden" bekend zou moeten worden gemaakt, zou
het bestuursorgaan zich steeds hebben af te vragen aan welke
eventuele omwonenden of concurrenten het besluit mede bekend zou moeten worden gemaakt. Bekendmaking aan
hen in de zin van artikel 3:40
is dus volgens het wetsvoorstel niet noodzakelijk. Het is duidelijk
dat een bestuursdwangaanschrijving wel moet worden gezonden aan
degene die een recht van gebruik heeft op de zaak ten aanzien waarvan
bestuursdwang zal worden toegepast. Dit zijn in ieder geval de eigenaar, maar
ook de huurder, de pachter en de vruchtgebruiker. Voorts moet de
overtreder een bekendmaking ontvangen, hetgeen in het bijzonder van belang is
met het oog op de mogelijkheid van kostenverhaal. Zijn belang om
tijdig van de bestuursdwangaanschrijving op de hoogte te zijn en zelf
nog maatregelen te treffen om de daadwerkelijke uitoefening van
bestuursdwang overbodig te maken, is groot. Meestal zal de overtreder ook
rechthebbende op de zaak zijn, maar rekening dient te worden
gehouden met de mogelijkheid dat de overtreder geen rechthebbende
(meer) is. Het spreekt overigens vanzelf dat wanneer de overtreder of
een rechthebbende aan het bestuursorgaan niet bekend is, het
bestuursorgaan kan volstaan met een bekendmaking aan de wel bekende personen
die in het derde lid worden genoemd. Het derde lid bevat voor bestuursdwangaanschrijvingen dus een nadere
invulling van de in artikel 3:41, eerste lid, vastgelegde regel dat de bekendmaking van besluiten
geschiedt aan de belanghebbenden tot wie zij zijn gericht, onder wie
begrepen de aanvrager. De onderhavige bepaling laat echter artikel
3:43 onverlet waar het gaat over de eventuele mededeling van
bestuursdwangaanschrijvingen aan onder meer degenen die bij de voorbereiding hun
zienswijze naar voren hebben gebracht. Voorts staat het het bestuursorgaan vrij tot mededeling aan andere
belanghebbenden over te gaan
indien het meent dat zulk een mededeling nut heeft of behoorlijk is.
Uit de regel van artikel 5.2.4 [5:24], eerste lid, dat de schriftelijke beslissing als een beschikking geldt, volgt
dat ook de voorschriften uit hoofdstuk 4 omtrent de voorbereiding en motivering van beschikkingen van
toepassing zijn. Zo vloeit uit
artikel 4:7, eerste lid, voort dat de geadresseerde van een
bestuursdwangaanschrijving te voren in de gelegenheid dient te worden gesteld om
zijn zienswijze naar voren te brengen, tenzij één van de uitzonderingen van
artikel 4:11 van toepassing is. Dit voorschrift brengt dus mede
dat niet rauwelijks tot bestuursdwang mag worden besloten, alvorens
contact met de aan te schrijven belanghebbende heeft plaats gehad.
De betekenis van het vierde
lid is dat als hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan de
belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen binnen een bepaalde termijn
zodanige maatregelen te treffen dat de daadwerkelijke toepassing van
bestuursdwang niet nodig is. De voorgestelde bepaling legt op het
bestuursorgaan de plicht om de te nemen maatregelen te omschrijven.
Met deze regeling is bedoeld bij de huidige rechtspraak aan te sluiten.
Dit betekent onder meer dat van het bestuursorgaan mag worden verlangd dat
het voldoende nauwkeurig in de beschikking omschrijft welke
maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat met
bestuursdwang daadwerkelijk zal worden ingegrepen. Van het
bestuursorgaan wordt met andere woorden verwacht dat het een duidelijke
"last" geeft. Die "last" behoeft niet per definitie precies hetzelfde in te houden
als een verplichting aan de overtreding een einde te maken. Soms zal het
bestuur met minder verreikende maatregelen rblz.|156|
op grond van een
belangenafweging genoegen willen nemen. Indien bijvoorbeeld een
kapverbod (op grond van voorschriften van een bestemmingsplan of een
plaatselijke verordening) is overtreden, is ook denkbaar dat het bestuur de
overtreder de keus biedt tussen het opnieuw beplanten van de plaats waar
ten onrechte is gekapt of het beplanten van een alternatieve strook.
Opgemerkt zij dat de
omstandigheid dat het bestuursorgaan ingevolge het vierde lid een termijn
moet stellen waarbinnen belanghebbenden nog zelf maatregelen kunnen nemen
niet betekent dat (het voortduren van) de gewraakte overtreding
gedurende die termijn rechtmatig is. Het verboden handelen kan tegenover derden
een onrechtmatige daad inhouden. Ook blijft mogelijkerwijze sprake
van een strafbaar feit waartegen door het openbaar ministerie in
beginsel kan worden opgetreden.
De verplichting een termijn te
gunnen om zelf nog maatregelen te treffen, geldt, zo bepaalt het
vijfde lid, niet indien de toepassing van bestuursdwang als spoedeisend gekwalificeerd wordt. Het eerste lid van
artikel 5.2.4 [5:24] blijft in dat
geval betekenis houden, met als gevolg dat nodig blijft een schriftelijke
beslissing, die aan de belanghebbenden bekend moet worden gemaakt alvorens
te worden uitgevoerd.
Soms ontbreekt zelfs de tijd
een besluit tot toepassen van bestuursdwang tevoren op schrift te
stellen en aan belanghebbenden mede te delen. In dat geval voorziet
artikel 5.2.4 [5:24], zesde lid. Een beroep op het zesde lid van deze bepaling is
alleen gerechtvaardigd indien de noodzaak terstond op te treden
veroorzaakt wordt door de illegale situatie zelf en niet door de omstandigheid dat
het bestuur eerst lange tijd gedraald heeft met het nemen van
noodzakelijke besluiten. In plaats van het bepaalde in het derde en vierde
lid geldt
dan de verplichting aan de overtreder en eventuele andere
belanghebbenden zo spoedig mogelijk achteraf schriftelijk mededeling te
doen van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang. Er zij op
gewezen dat ingevolge artikel 6:8 de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift in dit geval ingaat zodra de alsnog op schrift gestelde
beslissing overeenkomstig artikel 3:41 aan de belanghebbende is
bekendgemaakt.
Artikel 5.2.5
[5:25]
Het eerste lid bevat de
hoofdregel omtrent het kostenverhaal: de overtreder is gehouden tot
betaling van de kosten, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet
geheel te zijnen laste behoren te komen. Deze hoofdregel treft men ook aan
in de artikelen 131, eerste lid, Gemeentewet, 128, eerste lid,
Provinciewet en 67, eerste lid,
Waterschapswet.
Ingevolge het tweede lid
bestaat voor het bestuursorgaan de verplichting de overtreder
daarvoor te waarschuwen door in de beschikking melding te maken
van het feit dat de kosten voor zijn rekening zullen komen. Zulks
kan op eenvoudige wijze geschieden door naar artikel 5.2.5 [5:25], eerste
lid, te verwijzen.
Ingevolge het derde lid komen
de kosten slechts dan niet voor rekening van de overtreder indien het
bestuursorgaan dit in de beschikking heeft bepaald. Uit de opzet van dit artikel en de gekozen redactie vloeit
voort dat het bestuursorgaan in
beginsel niet behoeft te motiveren waarom bestuursdwang op kosten van de
overtreder zal plaatsvinden. Kostenverhaal is regel. Veeleer
behoeft het aannemen van een uitzondering op de hoofdregel een motivering,
zij het dat de overtreder weinig belang zal hebben de gronden voor het
aannemen van de uitzondering op schrift te hebben.
De opzet van artikel 5.2.5 [5:25]
sluit op deze wijze aan bij de jurisprudentie van de Hoge
Raad en van de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Beide rechterlijke colleges zijn niet spoedig geneigd om het maken van
een uitzondering op de
hoofdregel van kostenverhaal verplicht te achten. De jurisprudentie heeft vooral
bekendheid gekregen door het verhaal van rblz.|157|
kosten bij het bestrijden van
kakkerlakken en faraomieren in woonhuizen. In de uitspraak "Delftse
kakkerlakken" (Afd. rechtspraak 23 augustus 1983, AB 1984, 17) sloot de Afdeling
rechtspraak zich aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 3 april
1981, NJ
1981, 504). De Afdeling rechtspraak overwoog: "Voor het maken van een
zodanige uitzondering bestaat geen aanleiding op grond van het
enkele feit dat het euvel waarop de aanschrijving betrekking heeft
niet te wijten is aan de toestand van de woningen of de wijze van
bewoning. Daarnaast zal zich de situatie moeten voordoen dat bij de
bestrijding van het euvel het algemeen belang in die mate is betrokken dat moet
worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet
geheel voor rekening van de aangeschrevene zouden behoren te komen. In
het onderhavige geval zou van een dergelijke situatie sprake
kunnen zijn indien de reden voor het aanzeggen van politiedwang zou zijn
gelegen in het voorkomen van een uitbreiding van de besmetting met
ongedierte naar andere woningen in de stad."
Het derde lid beoogt slechts
aan te geven in welk geval het bestuur verplicht is te bepalen dat
zal worden opgetreden niet op kosten van de overtreder. Indien een als overtreder aangeschreven belanghebbende
meent dat ten onrechte is
nagelaten om een uitzondering op de hoofdregel te maken, door na te
laten te bepalen dat niet op zijn kosten bestuursdwang zal worden
uitgeoefend, staan voor hem de mogelijkheden van bezwaar en beroep op
de administratieve rechter open. Het gevolg van het nalaten deze rechtsmiddelen daartegen aan te wenden,
behoort te zijn dat het feit
dat de kosten op hem zullen worden verhaald niet meer ter discussie staat.
Wel kan in de verzetsprocedure op grond van artikel 5.2.6 [5:26]
eventueel de
hoogte van de in rekening gebrachte kosten nog ter discussie worden gesteld.
Op dit punt wijkt het wetsvoorstel overigens niet af van de bestaande
rechtspraktijk zoals die in de jurisprudentie vorm is gegeven.
Het vierde en vijfde lid zijn
met een kleine redactionele aanpassing overgenomen uit de artikelen
131, tweede lid, Gemeentewet, 128, tweede lid,
Provinciewet en 67,
tweede lid, onderdeel a, Waterschapswet.
Artikel 5.2.6
[5:26]
Op de betekenis van deze
bepaling werd hiervoor al kort ingegaan. De regeling inzake invordering
bij dwangbevel en de verzetsprocedure is overgenomen uit de Provincie-
en Waterschapswet
(respectievelijk de artikelen 132, 129 en 68,
eerste en tweede lid), welke regelingen voortbouwden op de soortgelijke
regelingen in de voorlopers van die wetten.
Wel is de termijn voor het
indienen van verzet aangepast aan de algemene termijn voor bezwaar
en beroep van zes weken in de Algemene
wet bestuursrecht. Er is geen goede reden om hier voor een kortere of
langere termijn te kiezen. Met
deze uniformering van termijnen wordt tevens al enigszins vooruitgelopen op het in het nader rapport uitgesproken voornemen om
geschillen over de uitvaardiging van dwangbevelen op bestuursrechtelijk
terrein, zoals bij het kostenverhaal van bestuursdwang en de
invordering van verbeurde dwangsommen, onder de competentie van de
bestuursrechter te brengen.
De regeling omtrent
bevoorrechting van de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden
kosten, zoals opgenomen in artikel 5.2.7 [-] van het voorontwerp, is niet overgenomen. In het licht van artikel 3:284 van
het Burgerlijk
Wetboek bestaat
aan deze bepaling geen behoefte. In dit verband zij ook gewezen op het
bij het parlement aanhangige wetsvoorstel dat er mede toe
strekt dergelijke voorrechten uit de bestaande wetgeving te
schrappen (Kamerstukken II 1992-1993, 22 942, nrs. 1-2).
rblz.|158|
Artikel 5.2.8
[5:27]
Artikel
5.2.8 [5:27], eerste lid,
wijkt enigszins af van de overeenkomstige bepaling in de Gemeente-,
Provincie-
en Waterschapswet
(respectievelijk de artikelen 127, 124 en 63).
De bevoegdheid om plaatsen, niet zijnde woningen, zonder de
toestemming van de rechthebbenden te betreden, is beperkt tot de mogelijkheid
zulks te doen zonder de toestemming van de overtreder alsmede eventuele
andere rechthebbenden als bedoeld in artikel 5.2.4 [5:24], derde lid. Deze
personen zijn immers gewaarschuwd en in de gelegenheid gesteld de
uitvoering van de beschikking te voorkomen door zelf maatregelen te nemen. Zij
kunnen dan niet op basis van hun privaatrechtelijke zeggenschap
de uitvoering van de beschikking verhinderen. In het zeldzame
geval dat bestuursdwang alleen kan worden toegepast door terreinen te
betreden die toebehoren aan een gerechtigde die niet als rechthebbende in
de zin van artikel 5.2.4 [5:24], derde lid, kan worden beschouwd, behoeft het
bestuursorgaan de toestemming van de gerechtigde of dient in plaats
van bestuursdwang toe te passen, gekozen te worden voor het opleggen
van een last onder dwangsom.
Wij hebben vooralsnog de
inhoud van de zogenoemde "plaagstrokenregeling" uit de
Gemeente-, Provincie- en
Waterschapswet
niet in de Algemene
wet bestuursrecht overgenomen (vgl. respectievelijk de artikelen 127, tweede tot en
met vijfde lid, 124, tweede tot en met vijfde lid, en 63, tweede tot en met
vijfde lid, van die wetten). Deze regeling ziet op het geval dat derden op
grond van het privaatrecht de uitoefening van bestuursdwang zouden kunnen
verhinderen. De indruk bestaat dat die gevallen betrekkelijk zelden
voorkomen. Wij zullen echter nog nader bezien of aan een dergelijke
regeling wellicht toch behoefte bestaat.
Wel is in artikel 5.2.8 [5:27],
tweede lid, een bijzondere regeling omtrent het verlenen van een machtiging
tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner opgenomen, omdat het daar gaat om de
wel noodzakelijke bevoegdheid
in bepaalde gevallen ter uitoefening van bestuursdwang in woningen te
kunnen binnentreden. Deze regeling stemt overeen met de tekst van de
artikelen 127, tweede lid, Gemeentewet, 124, tweede lid,
Provinciewet en
63, zesde lid, Waterschapswet, zoals deze komen te luiden na de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van binnentredingsbepalingen
(Kamerstukken I 1993-1994, 22 539, nr. 260).
Artikel 5.2.9
[5:28]
Deze bepaling komt inhoudelijk
overeen met de artikelen 128 Gemeentewet, 125
Provinciewet en 64 Waterschapswet. Anders dan in het voorontwerp het geval was, is
thans uit intern harmonisatieoogpunt tekstueel aansluiting gezocht
bij de redactie van artikel 5.2.10 [5:20], eerste lid. Van de bevoegdheid om
gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt te verzegelen,
kan soms nuttig gebruik worden gemaakt. Voordeel van verzegeling is
dat een verzegeling praktisch eenvoudig is aan te brengen. In plaats van
ingrijpende fysieke maatregelen zoals dichttimmeren van gebouwen of
weghalen van machines of andere inventaris, wordt volstaan met
een min of meer symbolische handeling met een juridische betekenis.
In dat laatste schuilt ook de zwakte van verzegeling. Wanneer
belanghebbenden niet bereid zijn zich aan de rechtstoestand van de verzegeling te houden, zal toch nader met
bestuursdwang of met het
opleggen van een dwangsom moeten worden opgetreden.
In het wetsvoorstel wordt
verzegeling als een (bijzondere) vorm van bestuursdwang behandeld.
Daaruit vloeit voort dat niet de mogelijkheid wordt geboden om een
combinatie toe te passen van verzegeling en het opleggen van een dwangsom. De
enige directe sanctie die op het verbreken van een verzegeling
is gesteld, is een strafsanctie. Er zij aan rblz.|159|
herinnerd dat het verbreken
van een verzegeling als in dit voorschrift bedoeld in artikel 199 van het Wetboek
van Strafrecht strafbaar is gesteld.
Artikel 5.2.10
[5:29]
Ook dit artikel is overgenomen
uit de Gemeente-, Provincie-
en Waterschapswet (respectievelijk de artikelen 126, 123 en 62).
Het tweede lid schrijft voor
dat afschrift van een proces-verbaal moet worden verstrekt aan degene
die de zaken onder zijn beheer had. Als zodanig kan worden beschouwd
degene die de zaken in zijn macht had op het tijdstip van uitoefening
van bestuursdwang. Meestal zal deze persoon ook de rechthebbende zijn,
maar het is denkbaar dat deze persoon niet tevens rechthebbende is. Door
de term rechthebbende in het tweede lid niet te gebruiken, wordt
voorkomen dat het bestuursorgaan zich in de vraag moet verdiepen of degene
onder wiens beheer de zaken werden aangetroffen tevens ook de
rechthebbende is. Vordert iemand afgifte van de zaak, dan zal hij wel
aannemelijk moeten maken dat hij als rechthebbende kan worden beschouwd.
Het derde lid, dat onder meer
voorschrijft dat de meegevoerde zaken dienen te worden teruggegeven
aan de rechthebbende, staat er niet aan in de weg dat uit andere wettelijke voorschriften kan voortvloeien dat
teruggave niet is toegestaan.
Te denken valt aan de mogelijkheid dat na de toepassing van
bestuursdwang strafvorderlijk beslag is gelegd op de meegevoerde zaken.
In het vierde lid wordt een
onderscheid gemaakt tussen het geval waarin de overtreder tevens
rechthebbende is ten aanzien van de meegenomen en opgeslagen zaken en het geval waarin een ander dan de
overtreder als rechthebbende
moet worden beschouwd. Omdat de rechthebbende die niet tevens
de overtreder is niet gehouden is de kosten van toepassing van
bestuursdwang te betalen, is het niet redelijk dat hij die kosten wel zou
moeten voldoen alvorens de hem toebehorende zaak terug te verkrijgen.
Anderzijds is het wel redelijk dat deze rechthebbende de kosten van bewaring
van zijn zaak aan de overheid vergoedt.
Artikel 5.2.11
[5:30]
De tekst van dit artikel komt
- afgezien van de verwijzingen naar artikelen uit de Algemene
wet bestuursrecht - vrijwel letterlijk overeen met de tekst van de artikelen 134
Gemeentewet, 131 Provinciewet
en 69 Waterschapswet.
Van het bestuursorgaan dat
bestuursdwang heeft toegepast, mag niet worden verlangd dat het
meegevoerde en opgeslagen zaken gedurende onbepaalde tijd bewaart. Daarom heeft het bestuursorgaan op grond van
artikel 5.2.11 [5:30], eerste lid,
het recht van parate executie wanneer de meegevoerde en opgeslagen
zaken na dertien weken nog niet aan de rechthebbende konden worden
teruggegeven.
Ten opzichte van de tekst van
de Gemeente-, Provincie-
en Waterschapswet is in het
eerste lid "na de opslag" vervangen door "na de meevoering", omdat dat
moment
met meer zekerheid is te bepalen en als een juister tijdstip van
ingang voor de termijn die het bestuur heeft, kan worden beschouwd.
Artikel 5.2.12
[5:31]
Artikel 5.2.12
[5:31] beoogt te
voorkomen dat bestuursdwang wordt toegepast met betrekking tot een
overtreding ter zake waarvan reeds een dwangsomoplegging loopt. Hoewel zulks ook reeds uit de woorden
"in
plaats daarvan" in artikel
5.3.1 [5:32] kan worden afgeleid, stellen wij voor dit verbod op samenloop expliciet
te regelen. In dit verband is van belang dat het - mutatis mutandis -
redactioneel gelijkluidende artikel 5.3.5 [5:36]
het rblz.|160|
spiegelbeeld bevat van artikel 5.2.12 [5:31]. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar
paragraaf 3 van het
algemeen deel van de toelichting op dit hoofdstuk.
Afdeling 5.3
[5.4] [5.3.2]. Dwangsom
Eén van de bezwaren van het
feit dat de dwangsombevoegdheid stapje voor stapje in de
bestuursrechtelijke wetgeving via de Hinderwet, de Wet
op de Ruimtelijke Ordening, de Wet
bodembescherming, de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet, de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en de
Wet milieubeheer is ingevoerd, is dat nooit ten principale is stilgestaan bij
de vraag of deze sanctiebevoegdheid in handen van het bestuur moet
worden gelegd (met de mogelijkheid van een beroep op de rechter), dan
wel dat de wet deze zware bevoegdheid in handen van de rechter behoort
te leggen, die van die bevoegdheid gebruik kan maken op verzoek
van het bestuur. Voor een keuze voor elk van beide (bestuur of rechter)
zijn argumenten aan te voeren.
Een belangrijk argument om het
bestuur de dwangsombevoegdheid te verlenen, is de wenselijkheid
zorg te dragen voor een handhavingsmiddel dat snel en slagvaardig kan
worden ingezet. Wanneer het bestuur voor de toepassing van dit middel
eerst de rechter moet benaderen, doet dat aan de snelheid en slagvaardigheid
geen goed. Ook al zou een soort kortgedingprocedure aan dit
bezwaar tegemoet kunnen komen, er blijft toch een belangrijk verschil in
snelheid en bestuurslast. Wanneer het bestuur de weg naar de rechter moet
bewandelen om de oplegging van een dwangsom te verkrijgen,
betekent dat het inbouwen van drempels en vertraging. Vanuit de
wenselijkheid het bestuursrecht effectief te kunnen handhaven, zou de keuze voor
dwangsomoplegging door de rechter bepaald dat nadeel hebben.
Een tweede argument voor de
keuze van het bestuur als primair bevoegd orgaan komt naar voren
wanneer de vraag gesteld wordt: wie moet verantwoordelijk zijn
voor een effectief handhavingsbeleid, het bestuur of de rechter? Het
lijdt weinig twijfel dat de zorg voor een effectieve handhaving van
bestuursrechtelijke normen tot het takenpakket van het bestuur moet worden
gerekend. Het bestuur kan voor het handhavingsbeleid politiek
verantwoordelijk worden geacht en op die verantwoordelijkheid door de
volksvertegenwoordiging worden aangesproken, de onafhankelijke
rechter niet. Daarbij is van belang dat het bij het opleggen van een dwangsom
niet gaat om een punitieve sanctie, maar om een reparatoire of
preventieve sanctie. Dat betekent dat in beginsel niet of nauwelijks
rekening behoeft te worden gehouden met de persoon van de dader of met de
vraag of de dader schuld treft. De dwangsom is geen strafsanctie,
waaraan het karakter van "vergelding" toekomt. De redenen die er
bestaan om in het strafprocesrecht het opleggen van straf aan de
rechter toe te vertrouwen, hangen vooral samen met het uitgangspunt dat de persoon van de dader en omstandigheden waaronder hij zijn daad
verrichtte mede bepalend dienen te zijn voor het oordeel over de
strafbaarheid en de strafmaat die passend is. In de traditie van de rechtsstaat
komt laatstgenoemde taak eerder toe aan een onafhankelijke rechter
(strafrechter) dan aan het bestuur.
Bij de bestuurlijke dwangsom
ligt dat in zoverre anders dat dwangsomopleggmg er slechts op gericht
mag zijn de burger te laten doen wat hij volgens de wet toch al moet of
moest doen. Die beperking heeft de dwangsom gemeen met
bestuursdwang. Ook bestuursdwang mag niet verder strekken dan te doen
hetgeen de burger volgens de wet moet doen. In de literatuur wordt
de bestuursdwangbevoegdheid veelal beschouwd als een aan de
uitvoeringstaak accessoire bevoegdheid.¹ Dat betekent dat de vraag of met
bestuursdwang moet worden opgetreden primair ter beantwoording aan
het bestuursorgaan moet worden gelaten en niet tot de verantwoordelijkheid van de onafhankelijke rechter mag
rblz.|161|
worden gerekend. Omdat
dwangsom en bestuursdwang veelal alternatieve middelen zijn en ook qua
strekking sterk op elkaar lijken (beide zijn gericht op direct doen naleven
van verplichtingen), moet ook de dwangsomoplegging primair
worden toevertrouwd aan het bestuur. Wel dient tegen een besluit tot
het opleggen van een dwangsom, evenals tegen een aanschrijving tot
bestuursdwang, beroep bij de administratieve rechter open te staan.
Men zou daar tegenover kunnen
stellen dat het opleggen van een dwangsom een dermate
ingrijpend en potentieel gevaarlijk middel is dat dat middel in een rechtsstaat
alleen door de rechter na een rechterlijke procedure behoort te worden
gehanteerd. Bij de kwalificatie "potentieel gevaarlijk middel" moet
bedacht worden dat een dwangsom niet alleen volstrekt ten onrechte kan
worden opgelegd (dat kan met een bestuursdwangaanschrijving ook
gebeuren), maar het bovendien in beginsel bijzonder eenvoudig is een
dwangsom op te leggen. Bij een bestuursdwangaanschrijving realiseert
het bestuursorgaan zich beter dat de aanschrijving in principe van
overheidswege geëffectueerd zal moeten worden indien aan de
waarschuwing geen gevolg wordt gegeven. Juist de moeilijke praktische
uitvoerbaarheid van een bestuursdwangaanschrijving weerhoudt een
bestuurder er dikwijls van die weg in te slaan. Bij het opleggen van
een dwangsom speelt dat probleem niet. Met andere woorden: juist de
omstandigheid dat een dwangsom doorgaans een effectief middel kan zijn,
maakt het een aantrekkelijk middel. De aantrekkingskracht van het
middel maakt dat de kans bestaat dat het bestuur er te snel en te vaak
naar grijpt. Zou het dan, zo rijst de vraag, toch niet beter zijn wanneer
men de hantering van dit middel in handen van de rechter zou leggen?
Bij de beantwoording van die
vraag moet worden vooropgesteld dat - zoals hiervoor reeds
uiteengezet - het niet past bij de onafhankelijke positie van de rechter dat
aan hem zou worden toevertrouwd om met de dwangsom een handhavingsbeleid
te voeren. Dat betekent dat een taakverdeling waarbij een
bestuursorgaan wel verzoekt, maar de rechter volledig naar eigen inzicht
een beleid voert en bepaalt of al dan niet een dwangsom wordt opgelegd en, zo
ja, hoe dat gebeurt, niet passend is. Hooguit zou men kunnen denken
aan een samenspel tussen bestuur en rechter, waarbij het bestuur
in beginsel door de rechter daarom te verzoeken, bepaalt of en op
welke wijze een dwangsom wordt opgelegd en aan de rechter de taak is
om te controleren of er inderdaad reden is een dwangsom op te leggen en
of aan de daarvoor te stellen voorwaarden is voldaan. Maar
als men daaraan denkt, is het verschil niet groot met het systeem waarin
het bestuursorgaan zelf de dwangsom oplegt en de belanghebbende
vervolgens het initiatief kan nemen zich tot de rechter te wenden ten einde
schorsing of vernietiging te krijgen. Dit laatste systeem verdient dan
toch wel de voorkeur, omdat het de slagvaardigheid ten goede komt
(bestuur legt zelf rechtstreeks op) en in dat systeem de
verantwoordelijkheid duidelijker blijft. Voor een ieder is duidelijk dat het
bestuursorgaan dat de dwangsom oplegt daarvoor volledig de
verantwoordelijkheid neemt en draagt. Kiest men voor het andere systeem, waarin de
rechter de dwangsom oplegt, dan kan het bestuur zich toch altijd ten
dele achter de rug van de rechter verschuilen.
Naar valt aan te nemen heeft
de wetgever in het recente verleden om bovenstaande redenen voor het
systeem gekozen waarin het in beginsel effectieve maar ook wel potentieel gevaarlijke middel van de dwangsom
in handen van het bestuur en
niet van de rechter is gelegd. In het thans aan de orde zijnde
wetsvoorstel wordt deze keuze gecontinueerd.
1. Zie voor een overzicht: P.J.J. van Buuren en
F.C.M.A. Michiels,
Bestuursdwang, Zwolle 1989, blz. 17-20, en voorts: P,J, J. van Buuren en G,T,J, M, Jurgens, De dwangsom in het milieurecht, in: Milieurecht
in stelling, Utrechtse opstellen over
actuele thema's in het milieurecht, Zwolle 1990, blz. 48-71.
In de bestaande wetgeving is
de dwangsombevoegdheid steeds gekoppeld aan de
bestuursdwangbevoegdheid. Die koppeling blijkt onmiddellijk bij lezing van de
tekst van de wettelijke bepalingen. Zo luidt bijvoorbeeld artikel 136 van
de Gemeentewet: rblz.|162|
"Het orgaan dat bevoegd is
bestuursdwang toe te passen kan, indien het gelaedeerde belang zich
daartegen niet verzet, bepalen dat de overtreder een door het orgaan
vastgestelde dwangsom verbeurt".
De koppeling van de
dwangsombevoegdheid aan de bestuursdwangbevoegdheid houdt in dat een
dwangsom niet kan worden opgelegd wanneer niet tevens een bestuursdwangbevoegdheid bestaat. Die
koppeling lijkt een goed
uitgangspunt. Aan deze koppeling doet niet af dat soms in een concreet geval
het alternatief van bestuursdwang feitelijk onuitvoerbaar is en dus alleen
de dwangsom als sanctie vanwege het bestuur in aanmerking komt.
Voldoende is dat de bestuursdwangbevoegdheid in beginsel
bestaat.
In het wetsvoorstel is dus in
aansluiting op de door de wetgever reeds eerder ingeslagen weg gekozen
voor een koppeling van de dwangsombevoegdheid aan de bestuursdwangbevoegdheid. Dit wil niet zeggen dat
wij ons niet kunnen
voorstellen dat de wetgever in de toekomst in bepaalde gevallen zal willen
kiezen voor een dwangsombevoegdheid zonder deze te koppelen aan
een bestuursdwangbevoegdheid. Op dit moment bestaan daartoe echter
nog geen plannen. Maar wanneer de (bijzondere) wetgever daarvoor
kiest, ligt het voor de hand dat verwezen wordt naar de daarvoor in
aanmerking komende bepalingen van afdeling 5.3
[5.4] [5.3.2]
van de Algemene
wet bestuursrecht.
Artikel 5.3.1
[5:32]
Artikel 5.3.1
[5:32] sluit enerzijds
aan bij de tekst van de overeenkomstige bepalingen in de Gemeente-,
Provincie- en Waterschapswet
(respectievelijk de artikelen 136, eerste
en tweede lid, 133, eerste en tweede lid, en 71, eerste en tweede lid),
anderzijds bij de daarvan op details verschillende regeling van artikel 18.9
Wet milieubeheer. De verschillen met genoemde bepalingen zijn inhoudelijk
minimaal.
Een taalkundige wijziging die
beter aangeeft wat er werkelijk geschiedt, is dat het wetsvoorstel
spreekt van het opleggen van een last onder dwangsom, waar in de bestaande
wetgeving in de dwangsombepalingen staat dat een dwangsom wordt
opgelegd. Daarop sluit aan dat in het tweede lid wordt vermeld tot
welke mogelijkheden het opleggen van een last (onder dwangsom) beperkt
blijft. Genoemde mogelijkheden zijn er alle op gericht de feitelijke
situatie in overeenstemming te brengen of te doen blijven met de rechtens
behorende situatie. Uit de alternatieve opsomming mag niet worden
afgeleid dat een combinatie van bijvoorbeeld een last tot ongedaan
maken en een last gericht op het voorkomen van verdere overtreding
onmogelijk is. Ook een combinatie van ongedaan laten maken en een last
gericht op het voorkomen van herhaling is niet uitgesloten. De functie van
het tweede lid is dat duidelijk wordt gemaakt tot welke mogelijkheden een
last onder dwangsom beperkt is.
Voor wat betreft de vraag of
een last onder dwangsom mag worden opgelegd voordat een (eerste)
overtreding is begaan, menen wij dat aansluiting moet worden gezocht bij het antwoord op de vraag of
bestuursdwang mag worden
aangezegd voordat een overtreding is gepleegd (zie de toelichting
op artikel 5.2.1 [5:21]). Dit komt erop neer dat indien het gevaar van het plegen van
een overtreding klaarblijkelijk is, ook zonder dat van een mogelijke
herhaling sprake is een last onder dwangsom mag worden opgelegd.
Aanvankelijk werd door de
wetgever bij de introductie van de dwangsombevoegdheid in de
Hinderwet (artikel 28a) als voorwaarde voor de keuze van de dwangsom in plaats van de bestuursdwang als
voorwaarde gesteld dat de
oplegging van de dwangsom "passender met het oog op de betrokken
overtreding" moest zijn. Dit criterium bleek in de praktijk moeilijk hanteerbaar.
In de Wet milieubeheer, de
Gemeentewet, de Provinciewet en de
Waterschapswet heeft de wetgever er daarom voor rblz.|163|
gekozen het criterium dat de
dwangsomoplegging passender moet zijn te laten vallen. Bij deze keuze
sluit het onderhavige wetsvoorstel aan. Duidelijkheidshalve merken wij
op dat de woorden "in plaats daarvan" in het eerste lid slechts beogen
tot uitdrukking te brengen dat de dwangsombevoegdheid gekoppeld is aan
de bestuursdwangbevoegdheid.
Gehandhaafd is de voorwaarde
dat het belang dat het overtreden voorschrift beoogt te beschermen zich niet tegen de keuze voor de dwangsomoplegging mag verzetten. Dit criterium dekt ook het in artikel
18.9, eerste lid, van de Wet
milieubeheer gekozen criterium dat "het belang van de bescherming van
het milieu" zich niet tegen de keuze voor het middel van de dwangsom mag
verzetten. Voor het overige laat de
wet aan het bevoegde
bestuursorgaan beleidsvrijheid om te kiezen voor het ene handhavingsmiddel of voor
het andere.
Het voorgestelde artikel 5.3.1 [5:32], vierde lid, bevat, anders dan artikel 18.9, tweede lid,
Wet milieubeheer,
wel de mogelijkheid dat het bestuursorgaan de dwangsom vaststelt
op een bedrag ineens. Ook de Gemeentewet, de Provinciewet en de
Waterschapswet bevatten deze mogelijkheid. Bij het vaststellen van de dwangsomregeling in de Wet milieubeheer heeft
de wetgever besloten de
mogelijkheid een dwangsom vast te stellen op een bedrag ineens, niet op te
nemen, omdat hij vreesde dat de dwangsom dan zou kunnen gaan
functioneren als een soort afkoopsom. Bij nader inzien bestaat voor deze vrees
onvoldoende grond. Indien een dwangsom op een bedrag ineens is
vastgesteld en verbeurd wordt, ligt de conclusie voor de hand dat de dwangsom
te laag was vastgesteld. In beginsel heeft het bestuursorgaan dan de
bevoegdheid opnieuw een (eventueel hogere) dwangsom op te leggen. In
plaats daarvan bestaat ook de bevoegdheid alsnog over te gaan tot toepassing van bestuursdwang. In het
wetsvoorstel is, uitgaande van
deze opvatting, de mogelijkheid van een bedrag ineens wel weer
opgenomen. Bij het aanpassen van de Wet milieubeheer zal van de keuze
die de wetgever thans in de Algemene
wet bestuursrecht maakt, worden
uitgegaan, omdat het niet nodig is op dit punt in de Wet milieubeheer
een afwijkende regeling in stand te laten. Overigens zij opgemerkt dat
wij geen voorkeur voor de dwangsom ineens hebben. Het gaat er om dat ook van die mogelijkheid in daarvoor in
aanmerking komende situaties
gebruik kan worden gemaakt.
Wat het vijfde lid betreft,
merken wij op dat deze regeling in praktisch opzicht overeenkomt met
artikel 18.9, derde lid, Wet
milieubeheer. Die bepaling zal in de aanpassingswetgeving dan ook kunnen vervallen.
Overigens zij benadrukt dat de
termijn gedurende welke een last kan worden uitgevoerd zonder dat
een dwangsom wordt verbeurd, door het bestuursorgaan zo kort
mogelijk moet worden gesteld. Afhankelijk van de situatie zal de termijn kunnen
variëren van enkele uren tot tot enkele weken of maanden.
In het wetsvoorstel komt geen
bepaling voor die overeenkomt met artikel 18.14 Wet
milieubeheer. Genoemd artikel 18.14 regelt de bevoegdheid voor een ieder om
het bevoegd gezag te verzoeken om gebruik te maken van zijn
dwangsombevoegdheid. In het systeem van de Algemene wet bestuursrecht
past zo een bepaling niet. Weliswaar kan altijd iedereen het bevoegd
bestuursorgaan verzoeken ter zake van een overtreding een last onder
dwangsom op te leggen, maar in het systeem van de Awb is eerst sprake van
een aanvraag (artikel 1:3, eerste lid) indien zo een verzoek afkomstig is
van een belanghebbende (als bedoeld in artikel
1:2). Indien het bestuursorgaan weigert een last onder dwangsom
op te leggen, zal in het
systeem van de Awb alleen voor belanghebbenden (waaronder eerst en vooral de
aanvrager) de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaan. De
afwijkende regeling van de Wet milieubeheer leidt tot een andere uitkomst. Omdat
daar uitdrukkelijk een ieder het recht heeft gekregen een verzoek tot het
opleggen van een dwangsom te doen, moet worden aangenomen dat voor
degene wiens verzoek niet gehonoreerd wordt de mogelijkheden van
bezwaar en beroep openstaan, ongeacht of rblz.|164|
hij overigens als
belanghebbende is te beschouwen. Op dit punt zal bij de aanpassing van de Wet
milieubeheer aan de Algemene wet bestuursrecht moeten worden onderzocht of en
in hoeverre er voldoende redenen zijn de speciale bepaling van
artikel 18.14 Wet
milieubeheer te laten voortbestaan. Het voorgaande betreft
de rechtsbescherming ter zake van de weigering tot oplegging van een
last onder dwangsom. Los hiervan staat het vraagstuk van de
rechtsbescherming van derden bij het achterwege blijven van de invordering
van een verbeurde dwangsom. Zoals is
aangegeven in punt 8.18 van
het nader rapport bij het onderhavige wetsvoorstel, zal aan de
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht worden verzocht
om bij gelegenheid van de vierde tranche van de Algemene wet
bestuursrecht tevens een uniforme regeling te ontwerpen die voorziet in
bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de invordering van geldschulden
door de overheid. Hierbij zal vanzelfsprekend ook de
rechtsbescherming bij het niet invorderen van dwangsommen worden betrokken.
Artikel 5.3.2
[5:33]
Voor de invordering van
verbeurde dwangsommen is de regeling van de invordering van de kosten
van bestuursdwang gevolgd. Verwezen zij naar hetgeen hierover in de toelichting op artikel 5.2.6
[5:26] is opgemerkt.
Artikel 5.3.3
[5:34]
Artikel 5.3.3
[5:34] is overgenomen
uit de artikelen 137 Gemeentewet, 134
Provinciewet en 72, eerste en
tweede lid, Waterschapswet.
De regel van het eerste lid is
reeds langer bekend uit artikel 611, eerste lid, Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Als algemene regel ligt de bepaling ook voor de hand,
omdat wanneer in een concreet geval een algehele of gedeeltelijke
onmogelijkheid (overmacht) bestaat om aan een wettelijke verplichting te
voldoen, een dwangsom niet behoort te worden verbeurd. Toepassing van deze
bepaling laat onverlet dat het bestuursorgaan andere maatregelen kan
treffen. Zo behoeft het bevoegde bestuursorgaan zich niet
altijd bij de onmogelijkheid om een bepaald vergunningsvoorschrift na te
leven neer te leggen. Er kan aanleiding zijn om in zo een geval de
vergunning in te trekken en de activiteit geheel te doen beëindigen. De Wet
milieubeheer kent geen bepaling die met artikel 5.3.3 [5:34], eerste lid,
overeenkomt. Onderzocht zal moeten worden of er voldoende klemmende redenen
zijn deze uitzonderingssituatie ten opzichte van de Algemene
wet bestuursrecht te handhaven.
De bepaling van artikel 5.3.3 [5:34],
tweede lid, kent de Wet
milieubeheer in artikel 18.11, eerste lid,
wel. Van een inhoudelijk verschil met laatstgenoemde bepaling is geen sprake.
Artikel 5.3.4
[5:35]
De artikelen 138
Gemeentewet,
135 Provinciewet en 72, derde en vierde lid,
Waterschapswet hebben
model gestaan voor deze bepaling. In de milieuwetgeving is geen bepaling omtrent de verjaring opgenomen.
Voorgesteld wordt de
betrekkelijk korte verjaringstermijn van zes maanden uit de hiervoor
genoemde artikelen over te nemen.
Artikel 5.3.5
[5:36]
Artikel 5.3.5
[5:36] beoogt te
voorkomen dat een dwangsom wordt opgelegd met betrekking tot een
overtreding ter zake waarvan reeds een bestuursdwangtoepassing loopt. Artikel
5.2.12 [5:31] bevat hiervan het spiegelbeeld. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting op dit
hoofdstuk.
rblz.|165|
7. Mandaat
en delegatie (titel 10.1)
Algemeen
De onderhavige afdelingen
regelen de mogelijkheid voor bestuursorganen hun bevoegdheden te
mandateren of te delegeren. Het leerstuk van mandaat en delegatie is zodanig
uitgekristalliseerd dat de voorgestelde regeling in hoge mate
kan worden beschouwd als een neerslag van het geldende recht. Niettemin
bestaan op onderdelen nog onduidelijkheden waarvoor juist een
wettelijke regeling een oplossing kan bieden.
Gemeenschappelijk aan mandaat
en delegatie is dat deze beide rechtsfiguren een
bestuursorgaan de mogelijkheid geven een aan dat bestuursorgaan toekomende
bevoegdheid door een ander te laten uitoefenen.
Bij mandaat gaat het om een
bevoegdheidsuitoefening waarvoor het mandaterende bestuursorgaan
verantwoordelijk blijft en waarover het dan ook de zeggenschap blijft
behouden. Rechtens geldt een in mandaat genomen besluit als een
besluit van de mandaatgever: de rechtsgevolgen zijn dezelfde als wanneer de
mandaatgever zelf het besluit tot stand had gebracht.
Mandaat is te beschouwen als
de publiekrechtelijke tegenhanger van de volmacht uit het privaatrecht.
Delegatie is daarentegen een
overdracht van bevoegdheid. De verantwoordelijkheid voor de
uitoefening van de overgedragen bevoegdheid berust niet langer
bij de delegans, maar komt bij degene aan wie de bevoegdheid is
gedelegeerd te liggen; deze oefent haar verder zelfstandig uit. Daarmee stemt
overeen dat het delegerende bestuursorgaan de zeggenschap over de
wijze van uitoefening in beginsel kwijt is. Terwijl men mandaat kan
beschouwen als een vorm van vertegenwoordiging, is daarvan bij
delegatie geen sprake. De overgedragen bevoegdheid wordt zelfstandig
en op eigen naam uitgeoefend.
Teneinde verwarring te
voorkomen, verdient het in het algemeen aanbeveling dat het
bestuursorgaan dat de bevoegdheid mandateert of delegeert met zoveel woorden
aangeeft dat het om mandaat respectievelijk delegatie gaat. Dit is
vooral van belang voor degene aan wie de bevoegdheid gemandateerd of
gedelegeerd wordt; de burger die met een concreet besluit
geconfronteerd wordt, verkrijgt via de eis van artikel 1A.1.1.10 [10:10]
respectievelijk
artikel 1A.1.2.7 [10:19] duidelijkheid.
Afdeling
10.1.1. Mandaat
Zoals hierboven aangegeven, kan
mandaat als de publiekrechtelijke tegenhanger van de volmacht
worden beschouwd. Hiermee stemt overeen dat mandaat ten dele een rol speelt die vergelijkbaar is met die
van de volmacht in het
privaatrecht. Bij iedere organisatie, zowel in de publieke als in de private
sector, pleegt het recht bevoegdheden toe te kennen aan het orgaan dat met
de leiding van de organisatie is belast. In de praktijk is het echter
uitgesloten dat de leiding van een grote organisatie al die bevoegdheden zelf
uitoefent. De minister is als hoofd van zijn departement met een veelheid
van bevoegdheden bekleed, maar zal een groot deel van de besluiten
die ter uitoefening daarvan nodig zijn door zijn ambtenaren laten nemen.
Het bestuur van een grote naamloze vennootschap zal op
vergelijkbare wijze vele rechtshandelingen door werknemers in dienst van de
vennootschap laten verrichten.
Uit dit voorbeeld blijkt dat
het mandaat veelal samengaat met een andere band die er tussen
mandaatgever en gemandateerde bestaat. Wanneer een minister of een ander bestuursorgaan mandaat verleent aan
een ambtenaar die onder zijn
verantwoordelijkheid werkzaam is, bestaat er reeds een
ondergeschiktheidsverhouding, gegrond op het ambtelijk dienstverband. Hetzelfde
verschijnsel doet zich overigens ook in het rblz.|166|
privaatrecht voor. Ook daar
gaan volmachtverlening en arbeidscontract vaak samen.
Tussen mandaat en volmacht
bestaan naast overeenkomsten ook verschillen. Deze vloeien
voort uit de verschillende materie die door deze rechtsfiguren worden bestreken: de volmacht is van belang voor zeer
uiteenlopende
rechtshandelingen, waaronder in de eerste plaats die welke het vermogen van de
volmachtgever raken, terwijl het mandaat op de uitoefening van een
bestuursbevoegdheid ziet. Het is eigen aan het bestuursrecht dat het zorgt
voor waarborgen voor een zo goed mogelijk uitoefenen van de publieke
taak, waarborgen waarop het privaatrecht niet is toegesneden.
Eén en ander roept de vraag op
welke betekenis voor de mandaatfiguur moet worden toegekend aan de
schakelbepaling van artikel 3:79 BW
waarin de regeling van de volmacht ook buiten het vermogensrecht van
overeenkomstige toepassing
wordt verklaard, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Onder de omschrijving "buiten
het vermogensrecht" is, naar moet worden aangenomen, in beginsel
ook het bestuursrecht begrepen; men zie Parlementaire geschiedenis
van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek, Boek 3: vermogensrecht in het
algemeen, Deventer 1990, blz. 1015-1017. Dit vloeit voort uit het feit dat
de
bepalingen die in het BW
als regels van privaatrecht zijn geformuleerd, ten
dele een meer algemeen karakter hebben: zij geven uitdrukking aan regels
die gemeenschappelijk zijn aan het privaatrecht en het
bestuursrecht. Nu voor het bestuursrecht een zelfstandige regeling over het
mandaat in de wet wordt opgenomen, geeft de wetgever nauwkeuriger aan
welke bepalingen voor mandaat gelden en daarmee ook in hoeverre van
gemeenschappelijke regels sprake is. Door deze aanpak wordt
voorkomen dat met betrekking tot de veel voorkomende mandaatfiguur
onnodige onzekerheid blijft bestaan. Aan de verdere rechtsontwikkeling
kan worden overgelaten in hoeverre er behoefte wordt gevoeld in de
gevallen waarin de bepalingen over mandaat niet voorzien soms
toch bij die betreffende de volmacht aansluiting te zoeken.
In de afdeling over mandaat is
ernaar gestreefd niet nodeloos een andere regeling te treffen dan
met betrekking tot de volmacht is geschied. Anderzijds doen de zelfstandige bepalingen over het mandaat recht aan
de niet onbelangrijke
verschillen die met het privaatrecht bestaan. Zo komt in het privaatrecht
volmacht niet alleen in arbeidsrechtelijke verhoudingen veel voor, maar
ook in het kader van andere overeenkomsten. De overeenkomst van
lastgeving (artikel 7:400 BW) gaat zo veelvuldig gepaard met
volmachtverlening dat in het oude wetboek de volmacht niet duidelijk van de
lastgeving werd onderscheiden (artikelen 1829 e.v.). Ook leent een aantal bepalingen uit het privaatrecht met betrekking
tot de volmacht zich niet goed
voor (onverkorte) toepassing op mandaat. Te noemen vallen de artikelen
3:69 tot en met 3:71 BW
(bekrachtiging, instaan door de gevolmachtigde
voor de aanwezigheid van volmacht respectievelijk overlegging
van de volmacht of een onverwijlde bevestiging door de volmachtgever).
Anders dan in het privaatrecht
is het in het bestuursrecht veel minder gebruikelijk mandaat te
verlenen aan anderen dan ondergeschikten. Daarvoor bestaan ook goede redenen. In het bestuursrecht wordt een
bevoegdheid aan een bepaald
bestuursorgaan toegedeeld omdat dit bestuursorgaan het meest
geschikt wordt geacht om die taak in overeenstemming met het algemeen
belang uit te oefenen. Daarbij spelen niet alleen de positie en de
deskundigheid van het betrokken bestuursorgaan een rol, maar ook de
mogelijkheid van goede controle op de taakuitvoering. Met het oog
daarop worden bestuursbevoegdheden vaak toegekend aan organen die een verantwoordingsplicht hebben jegens een
vertegenwoordigend lichaam.
Minister, gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders hebben
een verantwoordingsplicht jegens het rblz.|167|
parlement, onderscheidenlijk
provinciale staten en de gemeenteraad. De reden van toedeling aan juist
deze bestuursorganen is meestal niet zozeer gelegen in het feit dat men
verwacht dat zij zelf alle besluiten nemen waartoe de toegekende
bevoegdheid de gelegenheid biedt, maar dat men een verantwoordingsplicht van
deze organen voor de uitoefening daarvan wenst.
Tegen deze achtergrond is het
veelvuldig voorkomen van mandaat aan ambtenaren die het
verantwoordelijke bestuursorgaan bij zijn taakuitoefening bijstaan
begrijpelijk en aanvaardbaar. De ambtelijke rechtspositie brengt immers
mee dat het bestuursorgaan leiding geeft aan de werkzaamheden en daarbij
te allen tijde bevoegd is aanwijzingen te geven. De ambtenaar is
verplicht zich conform die aanwijzingen te gedragen. Door deze interne
verhouding is het bestuursorgaan in staat zijn verantwoordelijkheid te
dragen: ook al oefent het een bevoegdheid niet zelf uit, toch kan het
door het geven van goede instructies voor een juiste taakbehartiging zorg dragen. Voor het resultaat is het bestuursorgaan jegens het
vertegenwoordigende lichaam verantwoordelijk.
Mandaatverlening is dan ook
bij uitstek geschikt in hiërarchische verhoudingen. Het is hét
middel voor een bestuursorgaan om tot een rationele taakverdeling te komen, zonder daarbij de verantwoordelijkheid
voor de uitoefening van die
bevoegdheden te verliezen. Het feit dat de figuur van het mandaat goed
aansluit op de eisen die het bestuursrecht stelt aan de wijze van werken
binnen de overheidsorganisatie heeft ertoe geleid de bepalingen van
mandaat van overeenkomstige toepassing te verklaren indien binnen de
organisatie van één bestuursorgaan volmacht wordt verleend; verwezen zij
naar artikel 1A.1.1.12 [10:12].
Mandaat aan anderen dan
ondergeschikten past minder goed in dit beeld. Hoewel uit de
mandaatfiguur voortvloeit dat de mandaatgever steeds aanwijzingen kan geven
over de wijze van uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid, is
dit voor een niet-ondergeschikte een afwijking van het normale
patroon van zijn werkzaamheden. Voor een ondergeschikte sluit het
daarop juist goed aan. Voor hem geldt dat ook langs andere weg verzekerd is
dat hij optreedt overeenkomstig de instructies van de mandaatgever; uit het hiërarchisch verband kunnen
sancties voortvloeien indien
daarmee in strijd wordt gehandeld. Jegens de niet-ondergeschikte bestaan
deze sancties niet. Wel kan het mandaat steeds worden beëindigd en
is de gemandateerde eventueel aansprakelijk voor de gevolgen van
een bevoegdheidsuitoefening in strijd met de instructies.
In de jurisprudentie en de
literatuur wordt, in overeenstemming met het bovenstaande, mandaat aan
ondergeschikten algemeen aanvaard ook zonder dat de wet daartoe een
grondslag biedt. Buiten dat geval bestaat minder duidelijkheid. Indien
de wetgever zwijgt, wordt mandaat aan niet-ondergeschikten in
verschillende gevallen wel aanvaard, maar in bijzondere gevallen ook niet,
zonder dat duidelijkheid bestaat bestaat over de vraag waar de grens moet
worden getrokken. Zo werden bijvoorbeeld niet aanvaard mandaat van de
bevoegdheid op een bezwaarschrift te beslissen door een niet aan de
Commissie Vestigingsaangelegenheden ondergeschikte bezwaarcommissie (CBb 15 november 1988, AB 1990,
510) en mandaat van de beslissing over
het verzoek tot reservering van een invalidenparkeerplaats door
burgemeester en wethouders aan de hoofdcommissaris van politie
waar het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens [lees: Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, red.] niet in voorzag (Afd. geschillen van
bestuur 5 maart 1990, AB 1990, 291). Wel werd aanvaard
mandaat door de Minister van Justitie aan de hoofden van politie van de
bevoegdheid te beslissen omtrent een vestigingsvergunning
respectievelijk een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet (Afd.
rechtspraak 19 december 1985, AB 1986, 398, en Afd. rechtspraak 24 februari
1986, AB
1987, 190).
Nu er in de praktijk behoefte
aan mandaat aan niet-ondergeschikten blijkt te bestaan, verdient
het de voorkeur dit toe te staan, mits tegelijkertijd rblz.|168|
wordt verzekerd dat de
mandaatgever zijn verantwoordelijkheid kan blijven waarmaken. Daartoe
wordt in artikel 1A.1.1.4 [10:4] voorgeschreven dat de niet-ondergeschikte
slechts als gemandateerde kan optreden indien hij met het mandaat heeft
ingestemd. Daarmee verplicht hij zich overeenkomstig de aanwijzingen van de
mandaatgever te handelen en staat ook tegenover derden vast dat hij
over de gemandateerde bevoegdheid beschikt. Dientengevolge zal
hij ook niet kunnen weigeren haar uit te oefenen indien dat in de
gegeven omstandigheden verlangd kan worden.
Niet alleen vloeit uit het
karakter van de mandaatfiguur voort dat de mandaatgever een
aanwijzingsbevoegdheid bezit, maar ook dat de mandaatverlening niet
privatief werkt. Ook in dit opzicht stemt de mandaatverlening overeen met
de privaatrechtelijke volmachtverlening. Uiteraard is het wel mogelijk
dat rechtshandelingen van de mandaatgever zonder zin of zelfs
onrechtmatig zijn, gelet op reeds door de gemandateerde verrichte handelingen
waaraan de mandaatgever gebonden is. Wanneer door de gemandateerde
op regelmatige wijze een subsidie is verleend, zal de mandaatgever
de subsidie niet meer kunnen weigeren, waar dit zonder de
voorafgaande handelingen van de gemandateerde wel mogelijk zou zijn geweest.
Evenals dat bij de volmacht
het geval is, zijn er aan het mandaat beperkingen verbonden. De
accenten zijn echter verschillend. Dit vloeit voort uit de verschillende materie waarop de volmacht respectievelijk het
mandaat betrekking hebben.
Voor mandaat geldt dat in vele mandaatbesluiten wordt bepaald dat mandaat is beperkt tot
beslissingen van niet-pincipiële aard. Daarbij komt dan nog dat mandaatverlening
op zich zelf niet geoorloofd is indien de aard van de bevoegdheid zich
daartegen verzet. Een onbegrensde mogelijkheid van
mandaatverlening zou de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor de goede
gang van zaken te veel uithollen. Voor deze materie zij verder
verwezen naar de toelichting op artikel 1A.1.1.1a [10:2].
Artikel 1A.1.1.1
[10:1]
Artikel 1A.1.1.1
[10:1] omschrijft
mandaat als de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten
te nemen. Deze redactie staat er niet aan in de weg dat mandaat
plaatsvindt aan een met name genoemd persoon dan wel aan een bepaalde
functie (bijvoorbeeld het hoofd van de politie). Voor mandaat aan niet-ondergeschikten zij verwezen naar het
algemeen
gedeelte van dit hoofdstuk en
de toelichting op artikel 1A.1.1.4 [10:4].
Artikel 1A.1.1.1a
[10:2]
Zoals in het
algemene deel van
dit hoofdstuk werd opgemerkt, is het hier bepaalde de kern van
mandaatuitoefening. Om die reden is deze bepaling, anders dan in het voorontwerp, direct achter de definitiebepaling van
artikel 1A.1.1.1
[10:1] geplaatst.
Handelt de gemandateerde
binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, dan wordt een door hem genomen
besluit aan de mandaatgever toegerekend (zie bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 15-11-88, AB 1989, 267).
Het besluit geldt derhalve als
een besluit van laatstgenoemde en heeft dezelfde juridische
consequenties als een door hemzelf genomen besluit. De bepaling komt overeen met
artikel 3:66 BW, dat voor de volmacht eenzelfde regeling geeft.
De bepaling dat een binnen de
grenzen van het mandaat genomen besluit geldt als een besluit
van de mandaatgever betekent niet dat een buiten de grenzen van die bevoegdheid genomen besluit onder alle
omstandigheden niet aan het
bestuursorgaan kan worden toegerekend. rblz.|169|
Het vertrouwensbeginsel
beschermt degene die op de aanwezigheid van een geldig mandaat vertrouwt
en daarop ook mocht vertrouwen.
Op basis van de jurisprudentie
over dat beginsel zal men moeten aannemen dat er aanleiding
bestaat voor een dergelijke toerekening indien aan twee voorwaarden is voldaan. Allereerst moet het bestuursorgaan door zijn gedrag het
vertrouwen hebben gewekt dat er een rechtsgeldig mandaat bestond.
Het gaat daarbij in beginsel niet om gedrag van de gemandateerde,
maar om dat van het bestuursorgaan in wiens naam is gehandeld. In de
tweede plaats zal vast moeten staan dat de wederpartij in redelijkheid
op de gewekte schijn van bevoegdheid heeft mogen afgaan.
Onder die omstandigheden zal
degene die belang heeft bij het toerekenen van het in
gepretendeerd mandaat genomen besluit aan het bestuursorgaan, zich op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen. Hij
zal dit uiteraard slechts doen indien het besluit voor hem gunstig is, bijvoorbeeld indien het een
subsidieverlening betreft. Gezien de beperkte jurisprudentie over deze
casuspositie komt het weinig voor dat in dergelijke omstandigheden door
het bestuursorgaan een beroep op het ontbreken van een geldig
mandaat wordt gedaan, Om die reden is er thans van afgezien een
uitdrukkelijke bepaling over dit onderwerp op te nemen. Daartoe bestaat des te
minder aanleiding nu artikel 3:61, tweede lid, BW
zich goed leent voor
overeenkomstige toepassing op het mandaat.
Iets meer jurisprudentie lijkt
te bestaan over gevallen waarin degene die door een in mandaat
genomen besluit in zijn belang is getroffen, dat besluit bestrijdt met de stelling dat aan het mandaat een gebrek kleefde
(men zie bijvoorbeeld CRvB 19-287, AB 1987, 437, Vz. Afd. rechtspraak 21-3-88, AB 1988, 494, CRvB
14-11-91, TAR 1992, 5). In die gevallen speelt het vertrouwensbeginsel
uiteraard geen rol, integendeel; de wederpartij is er juist op uit de geldigheid
van het mandaat - en daarmee van het genomen besluit - te bestrijden.
Dan zal artikel 1A.1.1.1a [10:2] beslissend zijn, hetgeen inhoudt dat bij
gebreke van (voldoende) mandaat geen toerekening van het besluit aan het
bestuursorgaan plaats kan vinden. Er moet dan van een onbevoegd genomen
besluit worden gesproken.
In deze laatste situatie rijst
de vraag of het onbevoegd genomen besluit door het bestuursorgaan kan
worden bekrachtigd. Daarbij is een veelheid van casusposities denkbaar.
Relevant is de termijn waarbinnen bekrachtiging nog zou kunnen
plaatsvinden (men zie KB 21 april 1987, AB 1987, 538, waarin bekrachtiging na het
verstrijken van de beroepstermijn niet werd aanvaard), het karakter (ook
in verband met de rechtsbescherming) van de bekrachtiging, de regels die
op het besluit van toepassing zijn indien de relevante regelgeving tussen
het moment van het nemen van het in gepretendeerd mandaat genomen
besluit en de bekrachtiging is gewijzigd, enzovoort. De
jurisprudentie biedt op dit moment nog onvoldoende aanknopingspunten
voor opneming van bepalingen over bekrachtiging in de Algemene
wet [lees: Algemene wet bestuursrecht, red.] (vgl. Afd. rechtspraak 28 oktober 1988, AB 1989, 153, KB 21 april
1987, AB
1987, 538 en CRvB 21 mei 1992, TAR 1992, 150).
Artikel 1A.1.1.2
[10:3]
In dit artikel wordt
neergelegd dat een bestuursorgaan de bevoegdheid heeft tot mandaatverlening.
Daarnaast bevat het de beperkingen op die bevoegdheid.
Conform de heersende leer en
de jurisprudentie (met name HR 1 april 1966, AB 1966, 497; NJ
1966, 455; voorts CRvB 22 februari 1990, TAR 1990, 86) wordt in het eerste lid
bepaald dat mandaatverlening geoorloofd is,
tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen
verzet. Daarbij wordt uitdrukkelijk gesproken van "de" mandaatverlening;
het gaat erom of de aard van de bevoegdheid zich in concreto
tegen de mandaatverlening verzet.
rblz.|170|
Het zal zich niet vaak
voordoen dat een wettelijk voorschrift zich uitdrukkelijk tegen
mandaatverlening verzet; veelal zal uit het stelsel van de bepalingen moeten
worden
afgeleid dat mandaat niet is toegestaan (men zie bijvoorbeeld KB 19 mei 1987, AB 1988, 411).
Er kunnen zich twee gevallen
voordoen waarin de aard van de bevoegdheid zich tegen de
mandaatverlening verzet. Ten eerste het geval dat de bevoegdheid een zodanig
karakter heeft dat mandaatverlening in het geheel uitgesloten moet
worden geacht, omdat de besluitvorming door het orgaan dat de
wetgever heeft aangewezen (meestal het hoogste politieke orgaan) moet
plaatsvinden. Bij wijze van voorbeeld kan worden genoemd de bevoegdheid van de
Minister van VROM aanwijzingen te geven aan gemeenten op grond
van artikel 37 van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening. Aan de
jurisprudentie kunnen worden ontleend de voorbeelden van het opleggen
van een disciplinaire straf (men zie CRvB 1
september 1988, TAR 1988, 204) en het
geven van bepaalde noodbevelen door de burgemeester (Afd. rechtspraak 17
december 1991, AB 1992, 550, en Hof
Amsterdam 4 mei 1990, AB 1991,
30). Het gaat in die gevallen immers om een zeer zware bevoegdheid.
Ten tweede is er het geval dat de aard van de bevoegdheid niet ten
principale aan mandaatverlening in de weg staat, maar dat de mandaatverlening
in concreto, gelet op de aard van de bevoegdheid, niet is
toegestaan (zoals bij het hieronder te noemen voorbeeld van mandaatverlening
van de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels aan meer personen en het in het derde lid neergelegde geval van beslissen op een
bezwaarschrift). Ook de positie van de gemandateerde, op zichzelf of
ten opzichte van de mandaatgever, kan ertoe leiden dat de aard van de
bevoegdheid aan de mandaatverlening in de weg staat. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat de te mandateren bevoegdheid
niet in de sfeer van de normale bevoegdheidsuitoefening van de
gemandateerde ligt (zo is het bijvoorbeeld niet denkbaar dat de
bevoegdheid tot het afgeven van verblijfsvergunningen wordt
gemandateerd aan de directeur FEZ van een gemeente); ook het feit dat de
gemandateerde zelf belanghebbende is bij de uitoefening van die
bevoegdheid kan bijvoorbeeld aan de mandaatverlening in de weg staan.
De grenzen die
mandaatbesluiten aan het mandaat stellen, komen zowel voor in exacte als in
meer open vorm. Bij dit laatste valt te denken aan mandaatbesluiten zoals die
op ministeries niet ongebruikelijk zijn, waarin criteria als "van
principiële of niet-principiële aard" worden gebruikt. Artikel 1A.1.1.2
[10:3] laat zich niet uit over de manier waarop het mandaat moet worden
omschreven. Wel kan erop gewezen worden dat een meer vaag omschreven
mandaat voor de mandaatgever eerder het risico meebrengt dat derden
het mandaat ruimer opvatten dan het is bedoeld.
In het tweede lid wordt
niet-limitatief een aantal gevallen gespecificeerd waarin mandaatverlening niet
is toegestaan. Erkend zij dat in de praktijk behoefte kan bestaan aan een
duidelijke, limitatieve afbakening van de gevallen waarin mandaat wel en
waarin het niet is toegestaan. Verder gaan dan de opsomming van het
tweede lid, in samenhang met het eerste lid, zou echter het risico van
onnodige beperking van de mogelijkheden in de praktijk met zich brengen.
Zo zou het bijvoorbeeld niet
praktisch zijn om mandaat van de bevoegdheid tot het
vaststellen van beleidsregels te verbieden. Het moet mogelijk zijn dat aan één
functionaris zowel de bevoegdheid tot het geven van beschikkingen als de
bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels ter zake wordt
gemandateerd. Ook is het mogelijk dat deze vervolgens de bevoegdheid tot
het afdoen van de beslissing (onder)mandateert aan verschillende,
aan hem ondergeschikte ambtenaren. Het is echter ongewenst dat hij
daarbij ook de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels aan deze
ambtenaren zou (onder)mandateren, omdat er rblz.|171|
dan over de uitoefening van
dezelfde bevoegdheid op hetzelfde niveau verschillende beleidsregels
zouden kunnen bestaan. In dat laatste geval staat artikel 1A.1.1.2 [10:3], eerste
lid, aan de mandaatverlening in de weg.
Het in het tweede lid, onderdeel
a, bepaalde sluit de vaststelling van algemeen verbindende
voorschriften van mandaatverlening uit, tenzij bij verlening van die bevoegdheid
in mandaatverlening is voorzien. Zo kan een minister, wanneer deze de
bevoegdheid tot het stellen van nadere regels bij algemene maatregel
van bestuur gedelegeerd heeft gekregen, deze bevoegdheid niet
mandateren aan een directeur-generaal indien in de algemene maatregel van
bestuur niet in de mandaatverlening is voorzien. Wanneer de raad
ingevolge artikel 156 Gemeentewet
een verordenende bevoegdheid aan
het college van burgemeester en wethouders heeft gedelegeerd,
is mandaat aan een ambtenaar niet mogelijk indien het
delegatiebesluit daarin niet voorziet.
De figuur van mandaat tot het
vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan een
secretaris-generaal of een directeur-generaal komt in de huidige bestuurspraktijk
overigens nog al eens voor. Een dergelijk mandaat is naar onze mening
echter over het algemeen niet wenselijk en ook niet nodig. Het is van
belang dat de politiek verantwoordelijke bewindspersoon zelf de
regeling vaststelt.
Indien is voorgeschreven dat
een besluit met een versterkte meerderheid moet worden
genomen, is dat een indicatie dat de betreffende wetgever dat besluit van
een zodanig gewicht heeft geacht dat mandaatverlening evenmin
toelaatbaar moet worden geoordeeld (onderdeel b). Voorts kan het
zijn dat de verplichting bepaalde besluiten in het openbaar te nemen in de
weg kan staan aan mandaatverlening indien door de mandaatverlening aan
dit vereiste niet meer zou worden voldaan.
In het voorontwerp wordt het
standpunt ingenomen dat, gelet op het feit dat het administratief
beroep mede een waarborg beoogt te scheppen voor de juiste uitoefening van
bestuursbevoegdheden, het beslissen op beroep van mandaatverlening moet
worden uitgesloten (onderdeel c). Het beslissen op een
bezwaarschrift wordt in het voorontwerp niet van mandaatverlening uitgesloten,
omdat deze vorm van mandaat in de bestuurspraktijk niet geheel
kan worden gemist.
De Raad voor het binnenlands
bestuur wees erop dat aan mandaatverlening van het beslissen op
beroep in sommige gevallen behoefte bestaat. Anderzijds werden door onder andere de
Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak en het
College van Beroep voor het bedrijfsleven vraagtekens geplaatst bij het
ontbreken van het verbod van mandaatverlening van de bevoegdheid
te beslissen op een bezwaarschrift. Wij menen dat er onvoldoende
aanleiding is de in het voorontwerp gemaakte keuze te wijzigen. Gelet op de
aard van de bevoegdheid kan mandaatverlening ter zake van het
beslissen op een beroepsschrift niet worden toegestaan. Op het algemene
uitgangspunt dat mandaatverlening ter zake van het beslissen op een
bezwaarschrift mogelijk moet blijven, moet één uitzondering worden gemaakt.
Het is ongewenst dat het mogelijk zou zijn dat de functionaris die de
primaire beslissing nam waartegen bezwaar wordt gemaakt, via mandaat ook
weer degene zou zijn die op dat bezwaar zou beslissen (zie CBb
15 mei
1988, uitspraken CBb 1988, nr. 24). Het derde lid van artikel 1A.1.1.2
[10:3] staat
aan zo'n mandaatverlening in de weg.
Het onthouden van goedkeuring
aan en de vernietiging van besluiten zijn zodanige ingrepen in de
autonomie van overigens zelfstandige organen dat deze besluiten door het toezichthoudend orgaan zelf moeten
worden genomen (onderdeel d).
rblz.|172|
Overwogen is nog een andere
uitsluitingsgrond van mandaat in het tweede lid op te nemen,
namelijk mandaat van de bevoegdheid tot het beperken van grondrechten. In
bepaalde gevallen kan de betrokken bevoegdheid uit haar aard niet
worden gemandateerd; in die richting gaan bijvoorbeeld eerdergenoemde uitspraken Vz. Afd. rechtspraak 31 juli 1989, AB 1990, 315, en
Hof
Amsterdam 4 mei 1990, AB 1991, 30, waar het ging om de bevoegdheid tot
het beperken van het recht op bewegingsvrijheid. Het lijkt
ons echter niet juist hier een algemeen verbod van mandaat op te nemen, omdat
het in bepaalde gevallen geen bezwaar behoeft te ontmoeten de
bevoegdheid tot beperking van grondrechten te mandateren. Te denken valt aan
sommige bevoegdheden die de burgemeester heeft op grond van de Wet
openbare manifestaties of de Zondagswet. Toetsing dient
plaats te vinden in het kader van het eerste lid van dit artikel, namelijk de
vraag of de bevoegdheid in concreto zich verzet tegen de
mandaatverlening.
Artikel 1A.1.1.4
[10:4]
Dit artikel ziet op de
bevoegdheid tot mandaatverlening aan anderen dan ondergeschikten. Een
voorbeeld hiervan vormt de mandaatverlening door de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Raad van Beheer van de
Stichting Administratie
Indonesische Pensioenen (een zelfstandig bestuursorgaan) wat de
uitvoering betreft van onder meer de Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië. Zoals eerder opgemerkt, wordt voor de bevoegdheid tot
mandaatverlening aan anderen dan ondergeschikten geen bijzondere
wettelijke grondslag geëist. Wel is het in dat geval nodig dat de
gemandateerde de mandaatverlening aanvaardt. In plaats van een eenzijdige
rechtshandeling is er dan een afspraak. Deze aanvaarding heeft tot gevolg
dat tussen mandaatgever en gemandateerde de rechtsverhouding ontstaat, zonder welke de mandaatgever de
verantwoordelijkheid voor de
uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid niet zou kunnen
dragen.
De bepaling is van toepassing
indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid
van de mandaatgever, dat wil zeggen niet aan hem ondergeschikt is. Van
een dergelijke ondergeschiktheid is volgens de gewone ambtelijke
verhoudingen sprake indien de gemandateerde een ambtenaar is in
dienst van het mandaatverlenende bestuursorgaan. Het is ook daarbuiten
denkbaar dat een bestuursorgaan ondergeschikt is aan een ander
bestuursorgaan. Hiervan is zeker sprake indien laatstgenoemd bestuursorgaan
de bevoegdheid bezit zowel algemene als bijzonder aanwijzingen te
geven.
De eis van instemming die in
dit artikel is opgenomen, behelst geen vormvereiste. In veel gevallen
ligt voorafgaand overleg voor de hand. Dit zal veelal uitlopen op schriftelijke instemming, maar van die instemming
kan ook blijken uit de
uitoefening van het mandaat. Wanneer de gemandateerde heeft ingestemd met het
mandaat, onderwerpt hij zich aan de verplichtingen die een
gemandateerde ingevolge deze afdeling heeft (bijvoorbeeld de
inlichtingenplicht); bovendien kan hij in voorkomende gevallen niet meer weigeren
het mandaat uit te oefenen. Het stellen van de eis dat de instemming
schriftelijk wordt gegeven, zoals de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] in haar advies suggereert, lijkt ons
te zwaar. Zeker indien het gaat om mandaat aan een groot aantal gelijke
ambten (bijvoorbeeld de burgemeesters), leidt een dergelijke eis tot
onnodige administratieve belasting.
Uit de hiërarchische
verhouding vloeit voort dat ook de instemming van degene onder wiens
verantwoordelijkheid de gemandateerde werkzaam is, vereist is; dit om zijn
verantwoordelijkheid voor het functioneren van de gemandateerde waar te
kunnen maken. De gemandateerde moet namelijk van twee kanten
aanwijzingen opvolgen: via de mandaatverhouding met de mandaatgever en via de hiërarchische band met zijn eigen bovengeschikte. Dit zal
echter in de praktijk van het concrete geval rblz.|173|
moeten worden opgelost. Met de
Raad voor het binnenlands bestuur kan worden opgemerkt dat
mandaatverlening aan ambten van een andere bestuurslaag (zoals van een
minister aan een burgemeester) een uitzonderlijk karakter zou
moeten hebben. Dit in verband met de verantwoordelijkheidsrelaties
die in de andere bestuurslaag bestaan. Deze mogelijkheid kan echter in de
praktijk niet gemist worden.
Indien bij wettelijk
voorschrift uitdrukkelijk is voorzien in de mandaatverlening, is de instemming
als bedoeld in dit artikel niet meer nodig. Hierin is thans in een tweede lid uitdrukkelijk voorzien. De wetgever heeft
dan immers reeds voorzien in
de mogelijkheid van de mandaatverlening, zodat deze de gevolgen heeft
die deze afdeling aan mandaat verbindt. Uit het wettelijke voorschrift zal
uiteraard moeten blijken ten aanzien van welke gemandateerden de
wetgever mandaat mogelijk heeft willen maken.
In de literatuur wordt voor
mandaat aan niet-ondergeschikten wel de aanvullende eis gesteld dat
de gemandateerde bevoegdheid ligt in de sfeer van de normale bevoegdheid van de gemandateerde
(H.D. van Wijk/W. Konijnenbelt/R.M. van
Male, Hoofdstukken van administratief recht, achtste druk, Utrecht
1993, blz. 140). Het is niet noodzakelijk deze eis in de onderhavige afdeling
afzonderlijk op te nemen. Voor zover de bevoegdheid buiten die sfeer
ligt, staat artikel 1A.1.1.2 [10:3], eerste lid, reeds aan mandaat in de weg.
Artikel 1A.1.1.5
[10:5]
Onderscheiden dient te worden
tussen algemeen mandaat, dat wil zeggen het verschaffen van de
bevoegdheid om een bepaalde categorie van besluiten namens het bestuursorgaan te nemen, en mandaat voor
een bepaald geval. Bij
algemeen mandaat is het terwille van de duidelijkheid van
bevoegdheidsverdeling nodig de eis te stellen dat van de bevoegdheid om krachtens
mandaat besluiten te nemen uit een schriftelijk stuk blijkt; men zie
Afd. rechtspraak 16 juli 1991, Gem.st. 6934 nr. 4. Degenen die betrokken zijn bij
besluiten van een bestuursorgaan moeten immers kunnen nagaan of
mandaat is verleend. Overigens zij opgemerkt dat het in verband met diezelfde duidelijkheid, en ter voorkoming van
mogelijke bewijsproblemen voor
de rechter, in het algemeen aanbeveling verdient dat ook een bijzonder
mandaat schriftelijk wordt verleend. De Raad voor het binnenlands
bestuur wijst hier terecht op. Het moet echter mogelijk blijven in sommige
gevallen te volstaan met een mondelinge verlening, zodat een
wettelijke verplichting ons niet wenselijk voorkomt; men zie CRvB
7 mei
1992, AB
1992, 689, waarin een mondelinge mandaatverlening voor een specifiek
geval naast een schriftelijk algemeen mandaat werd toegestaan.
Een schriftelijk verleend
algemeen mandaat is een besluit dat overeenkomstig artikel 3:42 bekend
moet worden gemaakt. Het bestuursorgaan moet zorg dragen voor een
geschikte wijze van bekendmaking. Mede in verband met de regels omtrent
deze materie in het privaatrecht zou het bijhouden van een algemeen
toegankelijk register, waarin alle mandaatverleningen door een bepaald
bestuursorgaan te vinden zijn, onder omstandigheden als een goede
vorm van bekendmaking kunnen gelden.
Artikel 1A.1.1.6
[10:6]
Om de verantwoordelijkheid die
de mandaatgever heeft voor het in mandaat genomen besluit te
kunnen waarmaken, dient hij steeds instructies te kunnen geven
over de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Dit kenmerk van
mandaat is in het eerste lid opgenomen.
De bevoegdheid instructies te
geven, kan, zoals ook in de tekst van de bepaling tot uitdrukking is
gebracht, bij wijze van algemene instructie rblz.|174|
geschieden of door middel van
een instructie die voor een bepaald, concreet geval wordt gegeven.
Anders dan bij delegatie zijn bij mandaat aanwijzingen denkbaar die een
volledig intern karakter hebben. Deze gelden niet als een besluit
en behoeven dan ook niet gepubliceerd te worden. Indien de aanwijzingen
een vaste gedragslijn bevatten en zij ook overigens aan de criteria van
artikel 1:3, vierde lid, voldoen, dienen zij te worden beschouwd als
beleidsregels en worden daaraan de rechtsgevolgen van titel 4.4 [4.3]
verbonden. Verwezen wordt naar de toelichting op titel
4.4.
Het tweede lid bepaalt dat de
gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen
verschaft over de uitoefening van de bevoegdheid. Ook dit is een noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen
waarmaken van de
verantwoordelijkheid. In het licht van de inlichtingenplicht krijgt ook het
instemmingsvereiste van artikel 1A.1.1.4 [10:4]
bij mandaat aan niet-ondergeschikten extra
betekenis. Ondergeschikten zijn immers reeds uit hoofde van hun
ondergeschiktheid verplicht tot het verschaffen van de inlichtingen. Met de
instemming neemt de niet-ondergeschikte gemandateerde eveneens de
inlichtingenplicht op zich.
Artikel 1A.1.1.7
[10:7]
Na hetgeen in het
algemeen
deel is gezegd, behoeft dit artikel geen nadere toelichting. Het
betreft hier een wezenskenmerk van mandaat.
Artikel 1A.1.1.8
[10:8]
De mandaatgever moet het
mandaat kunnen beëindigen indien hij een voortzetting daarvan niet
langer voor zijn verantwoordelijkheid kan nemen. Omdat hij steeds kan worden aangesproken op de wijze waarop
de bevoegdheid wordt
uitgeoefend, moet hij immers over de middelen kunnen beschikken die nodig
zijn om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Daartoe behoort ook de
bevoegdheid het mandaat beëindigen, zoals uit dit artikel
voortvloeit.
De praktische consequentie van
deze bepaling is dat de mandaatgever zichzelf (of zijn
ambtsopvolgers) niet de bevoegdheid tot intrekking kan ontnemen. Ook wanneer bij een
overeenkomst of een overeenkomstachtige afspraak bevoegdheden
zijn gemandateerd en daarbij is bepaald dat beëindiging niet of
slechts in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld na een zeker tijdsverloop) kan
plaatsvinden, volgt uit artikel 1A.1.1.8 [10:8]
dat de beëindiging toch mogelijk is.
Dit betekent niet dat
bepalingen over beëindiging geheel zonder effect zijn. Zo zal de bepaling dat
een mandaat voor één jaar wordt verleend tot gevolg hebben dat het na die
periode niet meer bestaat, behoudens uiteraard de mogelijkheid van
een nieuw besluit. Ook is het denkbaar dat een - niet-ondergeschikte -
gemandateerde zodanige kosten voor een goede uitoefening van het
mandaat heeft gemaakt dat het in het licht van de beginselen van behoorlijk
bestuur redelijk is dat daarvoor bij voortijdige intrekking een
zekere compensatie wordt geboden. Men bedenke echter dat, afgezien
van dit financiële aspect, het belang van een goede bevoegdheidsuitoefening,
en niet het belang van de gemandateerde, de doorslag moet geven
bij de vraag of het mandaat moet worden voortgezet.
Zoals eerder werd opgemerkt,
brengt de eis van een duidelijke bevoegdheidsverdeling mee dat
het wenselijk is te bepalen dat een algemeen mandaat schriftelijk
wordt verleend. Het ligt voor de hand dat ook intrekking van een
algemeen mandaat schriftelijk plaatsvindt. Dit is in het tweede lid bepaald.
rblz.|175|
Artikel 1A.1.1.9
[10:9]
Gelet op de
verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor de uitoefening van de
gemandateerde bevoegdheid ligt het in de rede dat niet de gemandateerde maar
het
bestuursorgaan zelf bepaalt of, en zo ja, in hoeverre het de gemandateerde
vrijstaat om anderen te belasten met de uitoefening van de
gemandateerde bevoegdheden.
Uit de formulering van het
eerste lid kan worden afgeleid dat de mogelijkheid van ondermandaat
niet behoeft te zijn gecreëerd bij de mandaatverlening, maar dat de mandaatgever ook op een later tijdstip
kan bepalen dat ondermandaat
mogelijk zal zijn. Dit sluit aan bij het rapport ABAR (5e druk, Alphen aan
den Rijn 1984, blz. 49) en de daar genoemde uitspraak CRvB
16 juli 1966, RSV 1966, 122.
Het tweede lid verklaart de
bepalingen over mandaat van overeenkomstige toepassing op
ondermandaat. Ook daarvoor geldt dus bijvoorbeeld dat het, indien het een
algemeen ondermandaat betreft, schriftelijk moet worden verleend (artikel
1A.1.1.5 [10:5]) en dat het steeds kan worden beëindigd
(artikel
1A.1.1.9 [10:9]).
Ingevolge de definitie van
artikel 1A.1.1.1 [10:1] moet de mandaatgever een bestuursorgaan zijn. De
parallellie met ondermandaat gaat in zoverre niet op dat artikel 1A.1.1.9
[10:9] ook
van toepassing is indien de gemandateerde zelf geen bestuursorgaan is.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de
Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak wezen hier terecht op. Om die reden worden de
overige bepalingen van afdeling 10.1.1 ook van overeenkomstige toepassing
verklaard.
Naar aanleiding van
opmerkingen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is in het eerste lid de bevoegdheid
tot "ondermandaatverlening" in vergelijking met het voorontwerp
duidelijker tot uitdrukking gebracht.
Artikel 1A.1.1.10
[10:10]
Ook naar buiten moet duidelijk
zijn dat de gemandateerde de bevoegdheid uitoefent onder
verantwoordelijkheid van de mandaatgever. Daarom wordt in dit artikel
voorgeschreven dat in een besluit dat
krachtens mandaat wordt
genomen, moet worden aangegeven namens welk bestuursorgaan de
gemandateerde handelt. Men zie CRvB 25 september 1990, TAR 1990, 219, en Afd.
rechtspraak 29 juli 1992, Gem.st. 6950, nr. 4. Met opzet is hier gekozen voor de term
"bestuursorgaan"; ook wanneer sprake is van ondermandaat, dient bij het
besluit in ieder geval de oorspronkelijke mandaatgever te worden
vermeld. Niet is voorgeschreven dat ieder die in een soms lange keten van
ondermandaten voorkomt, wordt genoemd. Dat zou voor de meeste burgers
eerder verwarrend dan verhelderend zijn.
In dit verband zij nog opgemerkt dat de burger uiteraard moet kunnen nagaan of de gemandateerde wel
bevoegdelijk namens de mandaatgever optreedt. Voor de algemene
mandaatbesluiten is te dezen artikel 3:42 van
belang dat bekendmaking van
deze besluiten voorschrijft. Verwezen zij naar de toelichting
op artikel 1A.1.1.5 [10:5]. Bovendien kan de burger zich -
zo nodig met een beroep op de
Wet
openbaarheid van bestuur - wenden tot het bestuursorgaan met het
verzoek kennis te nemen van het mandaatbesluit.
Het zal meestal wel het
duidelijkste zijn wanneer uit de ondertekening (in plaats van elders in het
besluit) blijkt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. Een
wettelijke eis van die strekking, zoals de VNG voorstelt, lijkt ons echter
niet noodzakelijk.
Artikel 1A.1.1.11
[10:11]
Traditioneel wordt onderscheid
gemaakt tussen afdoenings- en ondertekeningsmandaat. In het
licht van de definitie van artikel 1A.1.1.1 [10:1]
is rblz.|176|
het niet juist bij ondertekening namens een bestuursorgaan van
"mandaat" te spreken, omdat
het hier niet gaat om het nemen van besluiten. De bevoegdheid tot
ondertekening hangt echter zo nauw met mandaat samen (getuige de veel
gebruikte term "ondertekeningsmandaat") dat regeling
daarvan in afdeling 10.1.1 voor de hand ligt.
Als algemeen uitgangspunt
behoort te gelden dat degene die een besluit neemt het besluit ook
ondertekent; afdoening en ondertekening dienen hand in hand te gaan. Desalniettemin kan het onder omstandigheden gewenst zijn dat de
ondertekening door een ander geschiedt dan door degene die het besluit
genomen heeft. Zo kan een minister, die een beslissing heeft genomen, in
het buitenland zijn op het moment waarop het besluit in de vereiste
schriftelijke vorm is opgemaakt. Hiertegen behoeft uit juridisch oogpunt
geen bezwaar te bestaan. De beslissing die de rechtshandeling
constitueert, wordt door het bevoegde bestuursorgaan zelf genomen. De omstandigheid
dat van die rechtshandeling wordt kennisgegeven door een
schriftelijk stuk, ondertekend namens dat bestuursorgaan, laat die
beslissing onverlet.
In het onderhavige artikel
wordt dan ook vastgelegd dat "ondertekeningsmandaat"
in
beginsel mogelijk is; dit is echter anders indien een wettelijk voorschrift of
de aard van de bevoegdheid zich ertegen verzet. Overigens zal dit
laatste minder snel het geval zijn dan bij afdoeningsmandaat; een
duidelijk voorbeeld, waarbij de aard van de bevoegdheid in de weg staat
aan "ondertekeningsmandaat", is de ondertekening van koninklijke
besluiten. De artikelen 75 en 105 van de Gemeentewet, waarin is bepaald
dat stukken die van de raad of het college van burgemeester en
wethouders uitgaan, door de burgemeester en de secretaris worden
ondertekend, vormen een voorbeeld van een geval waarin een wettelijk
voorschrift in de weg staat aan ondertekeningsmandaat. In die ondertekening
door deze bij de vergadering aanwezige functionarissen is een
waarborg gelegen dat de besluiten de resultaten van de vergadering juist
weergeven. Indien echter afdoeningsmandaat is verleend, behoeven deze
bepalingen niet in de weg te staan aan ondertekening door de gemandateerde
(KB 25 augustus 1988, nr. 50, Gem.st. 6867, blz. 487).
Naar buiten dient kenbaar te
worden gemaakt dat het besluit door het bevoegde bestuursorgaan zelf
is genomen, zodat geen verwarring met mandaat mogelijk is. Aldus
bepaalt het tweede lid. Onvoldoende duidelijk is daarom "De minister van
..., voor deze...", al zal ook de bureaucratisch juiste ondertekening
"Overeenkomstig de door de minister geparafeerde minute" niet voor iedereen
verhelderend zijn. Beter zou zijn: "Overeenkomstig het door de minister
genomen besluit".
Artikel 1A.1.1.12
[10:12]
Ingevolge dit artikel zijn de
bepalingen in deze afdeling van overeenkomstige toepassing indien het
bestuursorgaan binnen zijn eigen organisatie volmacht verleent
om een privaatrechtelijke rechtshandeling te verrichten. Het zou
ongewenst zijn indien de regeling van mandaat en volmacht binnen een
bestuursorgaan verschillend zou zijn. Men zal zich zelfs niet altijd bewust zijn
of men nu krachtens mandaat dan wel krachtens volmacht handelt. De
op de ministeries geldende regels inzake de uitoefening van
tekenbevoegdheid onderscheiden ook niet wat betreft de uitoefening van
publiekrechtelijke en privaatrechtelijke bevoegdheden. Daarbij dient te worden
bedacht dat het van min of meer toevallige omstandigheden kan afhangen of
de publiekrechtelijke dan wel de privaatrechtelijke weg wordt
gekozen. Wordt bij de regeling van het mandaat derhalve aangesloten
bij de volmacht, anderzijds gelden de bepalingen inzake mandaat voor
de volmachtverlening door bestuursorganen, in hun kwaliteit van
vertegenwoordiger van de achterliggende rechtspersoon. De
bevoegdheidstoedeling in het bestuursrecht met de rblz.|177|
bijzondere aandacht voor
verantwoordelijkheid en controle heeft immers niet alleen betrekking op de
uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden, maar ook op die van
privaatrechtelijke aard
Het artikel brengt mee dat de
onderhavige afdeling ook van toepassing is voor wat betreft de
volmacht tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling die
door
een bestuursorgaan aan een ondergeschikte is gegeven. De
bepalingen van deze afdeling derogeren derhalve ook voor dat geval aan titel
3.3 BW. Dat neemt niet weg dat die titel, voor zover niet met deze bepalingen
in strijd, toepassing kan vinden. Als de bepalingen van deze afdeling
niet zouden derogeren aan titel 3.3 BW, zou dit in een aantal situaties
tot ongewenste uitkomsten leiden. Een goed voorbeeld is artikel 3:74 BW
dat de figuur van de onherroepelijke volmacht in het leven roept.
Een onherroepelijke volmacht zou strijdig zijn met het uitgangspunt dat het
bestuursorgaan steeds de verantwoordelijkheid draagt voor de wijze
waarop een bevoegdheid door een ondergeschikte uitgeoefend wordt. Bij
een dergelijke verantwoordelijkheid hoort ook nadrukkelijk de
mogelijkheid om een verleende volmacht te kunnen beëindigen. Daarom is het
noodzakelijk dat op dit punt de regeling van mandaat aan het BW
derogeert.
Een ander voorbeeld is artikel
3:61 BW. Dit artikel bepaalt dat een volmacht ook stilzwijgend,
bijvoorbeeld door aanstelling in een bepaalde functie, verleend kan worden.
Ook bij de overheid komt het voor dat aan een functie bepaalde
volmachten zijn verbonden. Terwille van de rechtszekerheid dienen deze
volmachten dan echter wel schriftelijk te zijn vastgelegd. Dit wordt
bewerkstelligd doordat via de onderhavige bepaling ook artikel 1A.1.1.5 [10:5],
dat bepaalt dat een algemeen mandaat schriftelijk wordt verleend,
van overeenkomstige toepassing is op de bestuurlijke volmacht.
Voor het overige zijn de
bepalingen van het BW van toepassing, zij het dat een aantal daarvan
praktische betekenis mist, zoals de bepalingen over dood en ondercuratelestelling van de volmachtgever. Op volmacht
aan niet-ondergeschikten is
het BW onverkort van toepassing.
Voor de gevolgen van het niet
in acht nemen van de bepalingen van afdeling 10.1.1 voor de
volmacht is met name het vertrouwensbeginsel van belang. Wij verwijzen naar
de toelichting op artikel 1A.1.1.1a [10:2].
Het artikel ziet zowel op het
verlenen van volmacht tot het verrichten van privaatrechtelijke
rechtshandelingen als op het verlenen van machtiging tot het verrichten
van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke
rechtshandeling zijn. Bij dit laatste geval gaat het dan om niet-schriftelijke
beslissingen en andere handelingen niet zijnde privaatrechtelijke
rechtshandelingen; bij wijze van voorbeeld van laatstbedoelde handelingen zij
genoemd het in ontvangst nemen van verklaringen als bedoeld in
artikel 3:60, tweede lid, BW.
Afdeling
10.1.2. Delegatie
Delegatie van de bevoegdheid
om besluiten te nemen, vormt een veel ingrijpender inbreuk op de
verdeling van bevoegdheden in de bestuursorganisatie dan mandaatverlening. Delegatie heeft tot gevolg dat de
delegans de
verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de bevoegdheid verliest en deze
niet meer zelf mag uitoefenen (zie artikel 1A.1.2.5 [10:5]). Dit leidt
ertoe dat delegatie niet dan met een grondslag in een wettelijk voorschrift kan
worden verleend.
Een strijdpunt met betrekking
tot delegatie is of delegatie aan ondergeschikten mogelijk is. De
heersende leer is dat delegatie aan ondergeschikten mogelijk is, maar dat
de delegatie de ondergeschiktheidsverhouding ook wat betreft de
gedelegeerde bevoegdheid niet doorbreekt (zie bijvoorbeeld Rapport ABAR, 5e druk, Alphen
aan den Rijn 1984, blz. 30-31). Het heeft echter geen
zin de mogelijkheid van delegatie aan rblz.|178|
ondergeschikten te handhaven,
nu hieraan het wezenskenmerk van delegatie - namelijk zelfstandige
bevoegdheidsuitoefening - ontbreekt. Daarom wordt in artikel 1A.1.2.2 [10:14]
bepaald dat delegatie slechts mogelijk is aan niet onder de verantwoordelijkheid
van de delegans werkzame bestuursorganen. Bij het overlaten van
de bevoegdheidsuitoefening aan ondergeschikten is mandaatverlening
de aangewezen figuur.
In de Gemeentewet
en de Provinciewet zijn artikelen opgenomen die delegatieverlening aan
ondergeschikte ambtenaren mogelijk maken (artikelen 166 en 177 respectievelijk 164 en 177). Zij werden opgenomen
bij wijze van uitzondering op
bovenstaand uitgangspunt, waarbij gedacht werd aan een beperkt aantal
gevallen van zuiver technische uitvoering (men zie Kamerstukken II 1985-1986, 19 403, nr. 3, blz. 57, en Kamerstukken II
1988-1989, 19 403, nr. 10, blz.
108). Het voorontwerp spreekt een duidelijke voorkeur uit voor vasthouden
aan het uitgangspunt dat delegatie aan ondergeschikten uit een
oogpunt van zuiverheid van bestuurlijke verhoudingen ongewenst is en
dat genoemde bepalingen bij de invoeringswet geschrapt zouden
moeten worden. De Raad voor het binnenlands bestuur betreurt
een dergelijke keuze en wijst op de inconsistentie met attributie,
die wel aan ondergeschikten kan worden verleend. De Vereniging van
Nederlandse Gemeenten kan met de gemaakte keuze instemmen. Wij
delen het standpunt van het voorontwerp dat het ongewenst
is dat een innerlijk tegenstrijdige regeling van
verantwoordelijkheid, die het gevolg is van delegatie aan ondergeschikten, mogelijk
blijft. Wij zullen dan ook in de aanpassingswetgeving voorstellen de
Provinciewet en de Gemeentewet met dit standpunt in overeenstemming
te brengen.
Naast de delegatie van de
eigen bevoegdheid besluiten te nemen, bestaat ook de figuur waarbij
het bestuursorgaan een bevoegdheid die niet aan zichzelf behoort aan een ander delegeert. Deze figuur sui-generis
(rapport-ABAR, 5de druk,
Alphen aan den Rijn 1984, blz. 29; H.D van Wijk/W. Konijnenbelt/R.M. van Male,
Hoofdstukken van administratief recht, achtste druk, Utrecht 1993,
blz. 136) komt in enkele wetten voor, met als voornaamste voorbeeld de
artikelen 165 en 178 Gemeentewet, waarin is bepaald dat de raad op
voorstel van het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de
burgemeester bevoegdheden van die organen kan toekennen aan een
commissie.
Anders dan in het voorontwerp
is mede naar aanleiding van het advies van de Raad
van State thans in
artikel 1 A.1.2.8 [10:20] (nieuw) bepaald dat op de overdracht door een bestuursorgaan van een bevoegdheid van een ander
bestuursorgaan tot het nemen
van besluiten afdeling 10.1.2 - met uitzondering van
artikel 1A.1.2.4 [10:4]
- van overeenkomstige toepassing is.
Anders dan bij mandaat het
geval is, is hier geen regeling getroffen voor het eventueel verder
overdragen van de bevoegdheid door degene aan wie gedelegeerd is ("onderdelegatie"). Dit is ook niet nodig, omdat in
tegenstelling tot mandaat voor
delegatie een wettelijke grondslag vereist is. Dit brengt mee dat de wet
regelt in hoeverre onderdelegatie is toegestaan. Is over
onderdelegatie niets bepaald, dan is zij ingevolge artikel 1A.1.2.3 [10:15]
niet
toegestaan.
Door de delegatie wordt degene
aan wie een bevoegdheid gedelegeerd wordt, voor wat betreft die
bevoegdheid - bestuursorgaan. Dit betekent dat hij die bevoegdheid ingevolge
artikel 1A.1.1.2 [10:3] kan mandateren. Dit geldt eveneens voor "onderdelegatie".
Artikel 1A.1.2.1
[10:13] en 1A.1.2.2 [10:14]
Naast hetgeen hierboven is
opgemerkt over delegatie aan ondergeschikten, wordt hier volstaan
met het volgende. Naar aanleiding van het advies van de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.] over het voorontwerp wordt hier nog
opgemerkt dat
rblz.|179|
van ondergeschiktheid bij
commissies in het algemeen geen sprake zal zijn. Delegatie aan een
commissie is in de regel dus niet in strijd met artikel 1A.1.2.2 [10:14]. Delegatie
van een orgaan aan zijn secretaris kan wél in strijd komen met dit
artikel
indien de secretaris in een hiërarchische relatie tot het orgaan staat.
Artikel 1A.1.2.3
[10:15]
Dit artikel bevat de
kernbepaling over de toelaatbaarheid van delegatie; zij is slechts toegestaan
indien dit bij wettelijk voorschrift mogelijk is gemaakt. Het karakter van
delegatie, waarbij een wijziging in de verantwoordelijkheid voor de
besluitvorming optreedt, brengt mee dat de wetgever (in materiële zin)
uitdrukkelijk met een overdracht van die bevoegdheid moet hebben
ingestemd. Men zie bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 28 oktober 1988, AB
1989, 153, en CRvB 16 april 1992, TAR 1992, 122.
Uit het voorgaande volgt dat
ook subdelegatie niet geoorloofd is, zonder dat de wetgever die de
delegatie toestond in die mogelijkheid van verdere delegatie heeft voorzien. Dit geldt ook voor delegatie van
wetgevende bevoegdheid, zoals
uit de jurisprudentie valt af te leiden; met name kan worden gewezen op HR
25 januari 1926, NJ 1926 blz. 246 (kachels van Jamin), HR 19
januari 1931, NJ 1932, 439 (snoekvissen), en HR 26 november 1957, NJ 1958,
53 (vuurwerk).
Indien subdelegatie niet is
toegestaan, zal delegatie van wetgevende bevoegdheid echter wel de
mogelijkheid kunnen omvatten uitvoerende taken aan bestuursorganen toe
te delen. Daaraan wordt de algemene grens gesteld dat die taken
niet mogen bestaan uit het nemen van besluiten die algemeen
verbindende voorschriften inhouden: dat zou immers subdelegatie zijn. Gaat
het echter niet om een dergelijk voorschrift, maar om een
besluit van algemene strekking, dan verzet artikel 1A.1.2.3 [10:15]
zich
daartegen niet. Met deze benadering wordt een in beginsel duidelijke grens
getrokken tussen hetgeen wel en niet is toegestaan. Zij sluit in
uitkomst aan bij de lijn die de Hoge Raad in deze materie heeft getrokken (men
zie HR 8 mei 1953, NJ 1953, 614, en HR 11 januari 1977, NJ 1977, 467),
al werd in die jurisprudentie het onderscheid tussen algemeen verbindend
voorschrift en besluit van algemene strekking niet als zodanig
gemaakt.
Ten
slotte zij
opgemerkt dat
de basis voor de delegatie kan zijn gelegen zowel in de regeling die de
bevoegdheid attribueerde (of een op haar beurt daarop gebaseerde regeling) als in een algemene bevoegdheid
zoals bijvoorbeeld de Gemeentewet
en de Provinciewet die geven.
Artikel 1A.1.2.4
[10:16]
Zelfstandige
bevoegdheidsuitoefening door de delegataris zou illusoir worden gemaakt indien de
delegans aan de delegataris instructies zou kunnen geven hoe te beslissen
in een concreet geval. Delegatie veronderstelt dat aan de delegataris
een zelfstandig oordeel toekomt ter zake van de beslissing in het concrete
geval. Daarom wordt algemeen aangenomen dat de delegans geen
bijzondere instructies aan de delegataris mag geven.
Ingevolge artikel 4.4.1 [4:81]
kan
het bestuursorgaan, evenals degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd,
beleidsregels vaststellen omtrent de uitoefening van de bevoegdheid. Verwezen wordt naar de
toelichting op dat artikel [4:81]. In het eerste lid
van het onderhavige artikel wordt tot uitdrukking gebracht dat dit
ook de enige weg is waarlangs het bestuursorgaan na de overdracht nog
instructies kan geven over de uitoefening van de gedelegeerde
bevoegdheid. Ingevolge de definitie van artikel
1:3, vierde lid, gaat het om regels
omtrent het afwegen van belangen, het rblz.|180|
vaststellen van feiten of het
uitleggen van wettelijke voorschriften. Voor de volledigheid wijzen wij erop dat in het
delegatiebesluit uiteraard
ook beperkingen in de overdracht
kunnen worden opgenomen, bijvoorbeeld door te bepalen dat zij
slechts geldt voor besluiten waarmee een bepaald maximumbedrag is gemoeid. Het
gaat dan om een clausulering van de delegatie. Indien het gaat om
delegatie van de bevoegdheid regels te stellen, dan lossen de regels
zich meestal op in het besluit waarbij de delegatie werd verleend.
Desalniettemin is het denkbaar dat nog wel beleidsregels over de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid
worden gesteld.
De in het tweede lid opgenomen
inlichtingenplicht is noodzakelijk zowel in verband met de bevoegdheid
beleidsregels te geven als ten behoeve van de bevoegdheid de delegatie te beëindigen van
artikel
1A.1.2.6 [10:18]. Door
deze bepaling kan het
bestuursorgaan ook beter voldoen aan de inlichtingenplicht die het
heeft jegens een algemeen vertegenwoordigend lichaam. Zo is het gewenst dat
bijvoorbeeld het parlement inlichtingen van de minister kan krijgen
over de gedelegeerde taakuitoefening, ook al is de minister daarvoor zelf
niet meer verantwoordelijk.
Artikel 1A.1.2.5
[10:17]
De zelfstandigheid van degene
aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, zou evenzeer illusoir worden
gemaakt indien de delegans in voorkomende gevallen de bevoegdheidsuitoefening aan zich zou kunnen trekken.
Artikel 1A.1.2.5 [10:17] sluit dat
uit. Men zie bijvoorbeeld Ambtenarengerecht 's-Gravenhage 14 augustus
1987, TAR
1988, 61, en Vz. Afd. rechtspraak 23 augustus1990, Gem.st. 6916, nr. 8. Hoewel men al
uit artikel 1A.1.2.1 [10:13] zou kunnen afleiden dat de delegatie, die immers als
overdracht is omschreven, tot het hier geregelde gevolg leidt, is het gewenst
dit uitdrukkelijk in de wet vast te leggen; daardoor ontstaat ook een
tegenhanger van artikel 1A.1.1.7 [10:7] over mandaat.
Dit artikel laat uiteraard onverlet dat de delegans zich bij de delegatie de uitoefening van een bepaald
gedeelte van de bevoegdheid kan voorbehouden.
Anders dan in het voorontwerp
was voorgesteld, wordt op de in het artikel geformuleerde regel
geen uitzondering gemaakt voor het geval het gaat om delegatie van een regelgevende bevoegdheid. Ook dan behoort
het bestuursorgaan dat over
een dergelijke bevoegdheid beschikte, maar die aan een ander heeft
gedelegeerd, niet meer zelf tot uitoefening van die bevoegdheid over te gaan. Het
is ongewenst dat twee bestuursorganen tegelijkertijd bevoegd zijn
over dezelfde materie besluiten te nemen; dit geldt voor besluiten tot
regelgeving evenzeer als voor andere besluiten.
Dit is ook het uitgangspunt
geweest bij de regeling van de delegatie in de nieuwe Gemeentewet
en de Provinciewet. Indien de gemeenteraad een aan hem toegekende bevoegdheid
tot regelgeving delegeert aan het college van burgemeester en
wethouders, is het ongewenst dat de raad de betrokken bevoegdheid zelf
nog kan uitoefenen. Ditzelfde geldt bij andere gevallen van delegatie
van regelgevende bevoegdheid door een bestuursorgaan. Indien
bijvoorbeeld bij algemene maatregel van bestuur een specifieke regelgevende
bevoegdheid wordt gedelegeerd aan een minister of aan de
gemeenteraden - men denke aan de bevoegdheid termijnen of procedureregels
voor het indienen van aanvragen vast te stellen of de hoogte van
bepaalde subsidies aan de prijsontwikkeling aan te passen - dan behoort de
vaststelling van die termijnen of de aanpassing aan de
prijsontwikkeling door het aangewezen orgaan te geschieden, en niet bij
algemene maatregel van bestuur. Wordt dat laatste toch gewenst, dan behoort de
delegatie te worden ingetrokken. Deze regeling verdient de voorkeur
boven een dubbele bevoegdheid tot het stellen van regels. Voor het
geval van delegatie door een algemene maatregel van bestuur aan een
ministeriële regeling is de kwestie rblz.|181|
overigens van weinig praktisch
belang. Het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur
geschiedt dan immers onder verantwoordelijkheid van de minister
aan wie de bevoegdheid was gedelegeerd. Daaruit zal veelal moeten
worden afgeleid dat beoogd is de delegatie in te trekken, al verdient het
uiteraard ook in dit geval de voorkeur zulks expliciet te doen.
Uiteraard handelt de bepaling
niet over delegatie door de wetgever in formele zin: het vaststellen
van wetten wordt niet beheerst door de bepalingen in de
Awb over besluiten, maar door de
Grondwet.
Artikel 1A.1.2.6
[10:18]
Hoewel de delegans de
verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de bevoegdheid door de
delegataris in concreto verliest, is hij wel aanspreekbaar voor wat betreft
de beslissing tot delegatie en voor de handhaving daarvan. Indien hij
van oordeel is dat de delegatie ondoelmatig is of dat van de
gedelegeerde bevoegdheid een onjuist gebruik wordt gemaakt, moet hij
derhalve de delegatie ongedaan kunnen maken. Het onderhavige artikel
voorziet hier in.
Intrekking van de delegatie
geschiedt bij besluit. De intrekking dient vanzelfsprekend te voldoen aan
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Evenals dat bij mandaat het geval kan zijn, kunnen -
bijvoorbeeld in het geval is
afgesproken dat de delegatie voor een bepaalde periode zal worden verleend -
de beginselen meebrengen dat bij voortijdige intrekking een
zekere compensatie van gemaakte kosten wordt geboden.
Artikel 1A.1.2.7
[10:19]
Voor delegatie geldt, evenals
voor mandaatverlening, dat de burger moet kunnen nagaan of de
delegataris wel bevoegd is. Daarom verplicht dit artikel tot vermelding van
de vindplaats van het delegatiebesluit. Bij regelgeving kan het overigens
de voorkeur verdienen die vermelding in de toelichting op te nemen (vgl. aanwijzing 86 van de
Aanwijzingen voor de
regelgeving). Het
delegatiebesluit zal, anders dan een besluit tot mandaatverlening, veelal
moeten worden gepubliceerd in een officiële publikatie, nu een dergelijk
besluit moet worden gekwalificeerd als een algemeen verbindend
voorschrift.
Artikel 1A.1.2.8
[10:20]
De figuur van delegatie, zoals
geregeld in de voorgaande bepalingen van deze afdeling, heeft
betrekking op het geval dat het bestuursorgaan dat zelf een bevoegdheid bezit, deze overdraagt aan een ander. Het komt
echter ook voor dat het
besluit tot overdracht wordt genomen door een ander bestuursorgaan dan dat
over de bevoegdheid beschikt. Uiteraard moet de bevoegdheid daartoe
wel in de wet zijn toegekend. Het meest bekende voorbeeld daarvan is
artikel 165 Gemeentewet. Omdat de meeste regels van de afdeling ook op
deze rechtsfiguur van toepassing behoren te zijn, is in het
voorgestelde artikel een bepaling van die strekking opgenomen. In de literatuur
was daarop ook aangedrongen: vgl. W. Konijnenbelt, Attributie,
delegatie en mandaat in de Algemene wet
bestuursrecht, in: W. Konijnenbelt (redactie), De derde tranche, Alphen
aan den Rijn 1992, blz. 11).
In het eerste lid is slechts
artikel 1A.1.2.4 [10:16] uitgesloten van de
vanovereenkomstigetoepassing.
In dat artikel is onder meer
de bevoegdheid van het overdragende orgaan geregeld om
beleidsregels te geven over de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid.
Indien de overdracht echter door een ander orgaan geschiedt, is het
minder duidelijk dat het orgaan wiens rblz.|182|
bevoegdheid wordt overgedragen
nog wel de bevoegdheid tot beleidsregelgeving behoort te
behouden.
Daarom wordt in het tweede lid
van artikel 1A.1.2.8 [10:20] bepaald dat de bevoegdheid om dit na de
overdracht te doen uitdrukkelijk moet worden toegekend. Die toekenning kan
hetzij bij wettelijk voorschrift geschieden - de overdracht moet altijd op
een wettelijke grondslag berusten -, hetzij bij het besluit tot overdracht. Is
noch bij wettelijk voorschrift, noch bij het besluit tot overdracht iets
daaromtrent bepaald, dan ontbreekt de bevoegdheid.
In het derde lid is een
bepaling opgenomen over het verstrekken van gegevens, het onderwerp
waarover het tweede lid van artikel 1A.1.2.4 [10:16]
handelt. Niet alleen het oorspronkelijk bevoegde orgaan, maar ook het
orgaan dat tot de overdracht
besloot, zal behoefte kunnen hebben aan de gegevens; het laatste mede in
verband met de vraag of de overdracht gehandhaafd moet blijven.
Voorgesteld wordt te bepalen dat aan beide organen inlichtingen over de
uitoefening van de overgedragen bevoegdheid verschaft moeten
worden.
rblz.|183|
8. Toezicht
op bestuursorganen (titel 10.2)
Algemeen
Deze titel bevat in hoofdzaak
een aantal bepalingen over de klassieke vormen van toezicht op
bestuursorganen, namelijk enerzijds de goedkeuring en anderzijds de schorsing en vernietiging. De goedkeuring
is zoals bekend een vorm van
preventief toezicht. Goedkeuring is een voorwaarde voor het in werking
treden van een besluit. Vernietiging al dan niet voorafgegaan door een
schorsing is een vorm van toezicht achteraf. Het besluit is reeds
tot stand gekomen en in werking getreden, maar wordt door de
vernietiging van zijn werking beroofd.
Men kan bij de regeling van
het toezicht op bestuursorganen een aantal vragen onderscheiden:
a. Is ter zake van een
bepaalde bestuurstaak enigerlei vorm van toezicht noodzakelijk, en zo ja, welke
vorm is dan aangewezen?
b. Op welke wijze kan toezicht
worden gevestigd?
c. Welke regels behoren met
betrekking tot de uitoefening van toezicht op bestuursorganen te gelden?
De vraag onder a. leent zich
niet voor beantwoording in algemene zin en derhalve ook niet voor
regeling in de Algemene wet bestuursrecht. Van geval tot geval zal de wetgever dienen te beslissen of een, en zo ja,
welke
vorm van toezicht aangewezen
moet worden geacht. Wel kan worden opgemerkt dat
terughoudendheid met toezicht het leidende beginsel dient te zijn. In dit verband
kan worden verwezen naar de algemene beschouwing over het toezicht
op bestuursorganen in de memorie van toelichting bij de Gemeentewet
(Kamerstukken II 1985-1986, 19 403, nr. 3, blz. 13-23).
De wijze van vestiging van
toezicht en de regels voor de uitoefening van toezicht lenen zich wel voor
opneming in de Algemene wet bestuursrecht. Zowel wat de regeling van het
goedkeuringsrecht als die van het schorsings- en
vernietigingsrecht betreft, is aangesloten bij de Gemeentewet. Deze regeling heeft ook
haar vertaling gevonden in de Provinciewet
en in de nieuwe Waterschapswet. De bredere werking van de Algemene wet bestuursrecht heeft echter
tot gevolg dat de in genoemde wetten getroffen regeling niet altijd
zonder meer kan worden overgenomen.
Het moge duidelijk zijn dat
wanneer de in dit wetsvoorstel voorziene regels omtrent goedkeuring,
vernietiging en schorsing tot wet worden verheven, de over dezelfde materie in de bijzondere wetgeving gestelde
regels in beginsel bij de
aanpassingswetgeving zullen moeten worden geschrapt.
In sommige commentaren op het
voorontwerp is naar voren gebracht dat in het voorontwerp
onvoldoende rekening zou zijn gehouden met het feit dat het toezicht zoals
dat geregeld is in Gemeentewet,
Provinciewet en Waterschapswet
betrekking
heeft op openbare lichamen met democratische legitimatie. De Raad
voor het binnenlands bestuur vraagt zich af of de voorgestelde
toezichtsregeling niet te veel beperkingen oplegt aan toezichthoudende organen
indien het minder democratisch gelegitimeerde zelfstandige
bestuursorganen betreft. Wij merken dienaangaande op dat er onzes inziens
onvoldoende aanleiding is met betrekking tot de toezichtsbevoegdheden die in
dit onderdeel van het wetsvoorstel worden geregeld te onderscheiden
tussen het toezicht op de publiekrechtelijke corporaties enerzijds en de
zelfstandige bestuursorganen anderzijds. In de nota "Functioneel bestuur,
waarom en hoe?" heeft de tweede ondergetekende de verschillende
posities van de bovenbedoelde organen uiteengezet. De toedeling van taken
aan zelfstandige bestuursorganen mag er rblz.|184|
niet toe leiden dat de
hoofdstructuur van de staatsorganisatie wordt aangetast. Dat betekent
onder meer dat bij de takentoedeling het verschil in democratische legitimatie
een belangrijke rol zal spelen. Vaak zal de sterkere democratische
legitimatie van provincies, gemeenten of waterschappen reeds bepalend
zijn bij de toedeling van bevoegdheden aan hetzij deze
bestuursorganen, hetzij zelfstandige bestuursorganen.
Wij wijzen er overigens op dat
de Awb het mogelijk maakt meer of minder besluiten aan
goedkeuring te onderwerpen, alsmede de gronden voor de onthouding van goedkeuring meer of minder ruim te
omschrijven. Een verdergaande
differentiatie zou afbreuk doen aan de doorzichtigheid van de
regeling van deze toezichtsbevoegdheden en is gelet op de daaraan
voorafgaande beslissing over de bevoegdheidstoedeling ook niet nodig.
De voorgestelde regeling is
beperkt tot een regeling van de rechtsfiguren goedkeuring, schorsing
en vernietiging. In de commentaren op het voorontwerp is erop gewezen
dat andere vormen van toezicht buiten de voorgestelde regelingen
blijven. De Raad voor het binnenlands bestuur wijst daarbij met name op het
zogenaamde positieve toezicht in de vorm van aanwijzingen en
richtlijnen. Hoezeer deze figuur ook door het bestuursorgaan jegens hetwelk
zij wordt ingesteld als "ondertoezichtstelling" zou kunnen worden
gevoeld, in het kader van de Algemene wet
bestuursrecht kan zij niet als
toezicht worden beschouwd. Gebruik van deze figuur jegens gemeenten
en provincies moet, zoals in de memorie van antwoord bij het voorstel
voor een nieuwe Gemeentewet
uitvoerig is uiteengezet, worden beschouwd
als een vorm van medebewind, en wel medebewind door middel van
concreet werkende besluiten (Kamerstukken II 1988-1989, 19 403,
nr. 10, blz. 32-36). Gelet op artikel 124, tweede lid, van de
Grondwet is
daarvoor jegens gemeenten en provincies een formeel-wettelijke basis
nodig; artikel 108, tweede lid, Gemeentewet
en artikel 105, tweede lid, Provinciewet
kaderen dit in door deze figuur slechts bij wet (of, in het
geval van gemeenten, krachtens de wet bij provinciale verordening) toe te staan. Een algemene regeling over
aanwijzingen en richtlijnen
geldend voor alle bestuursorganen is op dit moment nog niet opportuun.
De vrees die wel is geuit dat
de regeling van een beperkt aantal toezichtsfiguren zou leiden
tot een vlucht in ongeregelde toezichtsfiguren delen wij niet, waarbij wij
aantekenen dat het feit dat een bepaalde rechtsfiguur in de Algemene
wet bestuursrecht niet expliciet is geregeld, niet betekent dat deze
ongeregeld zou zijn.
Afdeling
10.2.1. Goedkeuring
Artikel 1A.2.1.1 [10:25]
Artikel 1A.2.1.1
[10:25] geeft een
omschrijving van het begrip goedkeuring. Maatgevend voor de
rechtstreekse toepasselijkheid van deze afdeling is of een bepaalde toezichtsvorm
voldoet aan de elementen van de in dit artikel gegeven begripsomschrijving.
Of de betreffende toezichtsvorm in de bijzondere wet uitdrukkelijk
als "goedkeuring" is benoemd, doet derhalve niet ter zake.
De goedkeuring is één van de
vormen van voorafgaand toezicht. Het kenmerk van goedkeuring is dat
het wordt genomen ten aanzien van een al bestaand maar nog niet
werkend besluit. Met de goedkeuring wordt toestemming verleend voor de
inwerkingtreding van het aan goedkeuring onderworpen besluit. Naast
goedkeuring wordt gewezen op een andere vorm van voorafgaand toezicht,
waarbij evenwel nog geen besluit voorhanden is en de door het
toezichthoudend orgaan te verlenen toestemming zich richt op het
opheffen van de belemmering voor het rblz.|185|
onder toezicht gestelde orgaan
om juist een besluit te kunnen nemen. Aan deze laatste vorm van voorafgaand toezicht is
artikel
1A.2.1.8 [10:32] gewijd.
In het voorontwerp werd in
plaats van toestemming het woord instemming gebruikt. Uit de
commentaren is gebleken dat vrij algemeen aan instemming een verdergaande betekenis wordt gehecht dan aan
toestemming. Instemming zou impliceren dat een bestuursorgaan zijn goedkeuring slechts zou kunnen
geven indien het toezichthoudende orgaan het voorliggende
besluit geheel voor zijn rekening zou willen nemen. Dat is uitdrukkelijk
niet de bedoeling, zoals ook uit de toelichting bij het voorontwerp blijkt.
Daarom wordt in het wetsvoorstel van toestemming gesproken en niet
meer van instemming.
Afdeling 10.2.1 is van
toepassing op de goedkeuring door bestuursorganen van besluiten van
andere bestuursorganen en heeft daardoor betrekking op
toezichtsrelaties binnen het bestuur. Daarbij is in eerste instantie gedacht aan het
toezicht van één bestuurslaag op een andere, maar ook toezichtsrelaties
binnen een bestuurslaag kunnen eronder vallen. Men denke aan het
toezicht van de raad op burgemeester en wethouders of aan het toezicht
van een minister op besluiten van een zelfstandig bestuursorgaan.
De goedkeuringsfiguur
veronderstelt dat het bestuursorgaan waarop toezicht wordt gehouden niet
werkt onder de verantwoordelijkheid van de toezichthouder. Is dat laatste
wel het geval, zoals bij mandaatverlening, dan behoort via interne
procedures bereikt te worden dat geen besluiten worden genomen die het
verantwoordelijke orgaan niet voor zijn rekening wil nemen. Maar extern behoort
de inwerkingtreding van een binnen het mandaat vallend besluit van de
gemandateerde niet afhankelijk te zijn van de goedkeuring van de
mandaatgever. Dat zou immers de merkwaardige consequentie hebben dat - in
geval van niet-goedkeuring - zowel het besluit van de gemandateerde
als het besluit tot onthouding van goedkeuring aan de
mandaatgever zouden worden toegerekend, terwijl beide besluiten van
tegengestelde strekking zijn.
Toezicht van bestuursorganen
op particulieren valt buiten het bereik van deze afdeling. Daarover wordt
het volgende opgemerkt. Het komt veelvuldig voor dat bijvoorbeeld subsidiebeschikkingen aan particulieren
voorschriften bevatten die
inhouden dat bepaalde beslissingen slechts onder goedkeuring van het
bestuursorgaan dat de subsidie verleent, mogen worden genomen. Een
beslissing die zonder de vereiste goedkeuring tot stand komt, is
echter niet imperfect. Het niet in acht nemen van het
goedkeuringsvereiste in deze gevallen zal ertoe kunnen leiden dat de subsidie wordt
verminderd of zelfs wordt ingetrokken; het verhindert echter niet de
"inwerkingtreding" van de beslissing. Het gaat
hier derhalve ook daarom niet
om een goedkeuring zoals omschreven in dit artikel.
In de begripsomschrijving
wordt de terminologie "besluit van een bestuursorgaan" gebezigd.
De toevoeging "van een bestuursorgaan" is strikt genomen overbodig, maar
is opgenomen om de leesbaarheid van het artikel te bevorderen.
De beslissing van een
bestuursorgaan omtrent goedkeuring is een besluit in de zin van artikel
1:3 Algemene wet bestuursrecht en dient derhalve naast de bijzondere eisen die deze afdeling stelt te voldoen aan
de algemene eisen die de Algemene wet
bestuursrecht ter zake van besluiten stelt. Zo geldt
uiteraard ook voor goedkeuringsbesluiten dat zij niet in werking kunnen treden
voordat zij bekend zijn gemaakt. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat
deze inwerkingtredingsregeling rblz.|186|
uiteraard los staat van de
eventuele terugwerkende kracht van het aan goedkeuring onderworpen
besluit.
Afzonderlijk aandacht verdient
nog de vraag of de goedkeuring van het aangaan van privaatrechtelijke
rechtshandelingen door deze afdeling wordt beheerst.
Voor zover de goedkeuring de
privaatrechtelijke rechtshandeling zelf zou betreffen, moet het
antwoord negatief luiden: Een privaatrechtelijke rechtshandeling is immers
geen
besluit.
Van de privaatrechtelijke
rechtshandeling moet echter worden onderscheiden de beslissing tot het
aangaan van de rechtshandeling, zoals die op grond van publiekrechtelijke voorschriften moet worden genomen.
Men denke aan de beslissing
van de gemeenteraad tot het aangaan van een geldlening die voorafgaat
aan de door de burgemeester namens de gemeente te sluiten
overeenkomst. Die beslissing is een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene
wet bestuursrecht. Op de goedkeuring van dergelijke besluiten is
derhalve deze afdeling van toepassing.
Artikel 1A.2.1.2
[10:26]
De Grondwet
bepaalt in het
derde lid van artikel 132 dat besluiten van gemeente- en provinciale
besturen slechts aan voorafgaand toezicht kunnen worden onderworpen in
bij of krachtens de wet te bepalen gevallen. Ten aanzien van
waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere
openbare lichamen ontbreekt een dergelijke bepaling. Daar volstaat de Grondwet
met de regel dat de wet het toezicht regelt (artikel
133, derde
lid; artikel 134, derde lid).
In de verschillende hiervoor
onder "Algemeen" genoemde wetten is een nadere invulling gegeven
aan de grondwettelijke regels. Daarbij is steeds gekozen voor een beperkter voorafgaand toezicht dan de
Grondwet op zichzelf toelaat. Zo is in
de Gemeentewet bepaald dat besluiten van gemeentebesturen slechts aan
voorafgaand toezicht (kunnen) worden onderworpen in bij de wet of
krachtens de wet bij provinciale verordening bepaalde gevallen. De
mogelijkheid tot het stellen van een goedkeuringsvereiste krachtens de wet is
dus sterk beperkt. De Provinciewet
kent slechts voorafgaand toezicht
in bij de wet bepaalde gevallen. In de toelichting bij beide
voorstellen werd die regeling gemotiveerd met de stelling dat het ter
bescherming van de gemeentelijke en provinciale beleidsvrijheid gewenst is dat
de gevallen waarin besluiten aan preventief toezicht mogen worden
onderworpen in de wet zelf worden genoemd (Kamerstukken II 1985-1986, 19
403, nr. 3, blz. 176).
In de
Waterschapswet zijn de
categorieën besluiten van waterschapsbesturen waarvan provinciale
staten kunnen bepalen dat ze aan goedkeuring onderworpen zullen zijn limitatief opgesomd. Achtergrond
hiervan is dat de regering
blijkens de memorie van toelichting als motief voor het instellen van
preventief toezicht alleen de noodzaak tot coördinatie en integratie
aanvaardbaar acht. Daaruit vloeit een zeer sterke beperking voort van de
categorieën besluiten waarvoor preventief toezicht mogelijk is.
De Algemene
wet bestuursrecht zal gelden voor de bestuursorganen van alle in de Grondwet
vermelde openbare lichamen, alsmede voor alle bestuursorganen die in de
bijzondere wetgeving hun grondslag vinden. Bij het opstellen van een
algemeen geldende regeling van het voorafgaand toezicht op al deze
bestuursorganen rijst de vraag voor welke norm de wetgever moet opteren: de
grondwettelijke norm voor besluiten van provinciale en
gemeentebesturen (goedkeuring slechts in bij of krachtens de wet te bepalen
gevallen)
of een andere norm. Die andere norm kan rblz.|187|
dan zijn een ruimere of een
beperktere dan de grondwettelijke. Een ruimere norm moet worden afgewezen. Ten eerste omdat zij, wat de
goedkeuring van besluiten van
provinciale en gemeentelijke bestuursorganen betreft, zou strijden
met de Grondwet. Ten tweede omdat zij, wat de goedkeuring van besluiten
van andere bestuursorganen betreft, weliswaar grondwettelijk
toelaatbaar zou zijn, doch niet zou stroken met het streven naar terugdringing
van het voorafgaand toezicht.
Ook het over de hele lijn
voorschrijven van een beperktere norm dan de grondwettelijke, vervat in
artikel 132, derde lid, verdient niet de voorkeur, hoezeer dit in de Provinciewet, de
Gemeentewet en de Waterschapswet
inmiddels wel is geschied. De
categorie andere openbare lichamen en zelfstandige bestuursorganen
is echter zo omvangrijk en van zulk een diverse pluimage dat bijvoorbeeld een voorschrift dat inhoudt dat de wet steeds de gevallen moet
bepalen waarin voorafgaand toezicht is toegestaan, te ver zou gaan.
Gelet op één en ander wordt
als algemene regel gekozen voor de grondwettelijke norm uit
artikel 132, derde lid, van de Grondwet: besluiten van bestuursorganen kunnen
slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij of krachtens de
wet te bepalen gevallen. Aldus is in ieder geval verzekerd dat elke
goedkeuringsbepaling te herleiden is tot een formeel-wettelijke grondslag.
Vanzelfsprekend staat het de bijzondere wetgever vrij een beperktere
regeling te treffen indien hij een sterkere reductie van voorafgaand
toezicht wenselijk acht. Als gezegd, is in de Provinciewet, de Gemeentewet
en de Waterschapswet reeds van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.
Artikel 1A.2.1.3
[10:27]
Terughoudendheid met toezicht
dient het uitgangspunt te zijn. Het zou aantrekkelijk zijn wanneer in
de Algemene wet bestuursrecht zelf zodanige toetsingsgronden zouden kunnen worden
geformuleerd dat
deze terughoudendheid
materieel wordt vastgelegd. Het is echter niet goed mogelijk de gewenste
terughoudendheid in een algemene formule te vatten. Daarom is in
overeenstemming met het voorontwerp voor een meer procedurele benadering
gekozen. Wanneer een goedkeuringsrecht wordt gecreëerd, zal het
bestuursorgaan waaraan het goedkeuringsrecht is toegekend, buiten strijd met
het recht slechts goedkeuring mogen onthouden op gronden die
uitdrukkelijk in de wet in formele zin staan vermeld. De bijzondere
wetgever krijgt hiermede de opdracht zorgvuldig te bezien welke
toetsingsgronden naast strijd met het recht in concreto van toepassing zouden behoren
te zijn. Aldus is het voor zover het de toetsingsgronden betreft de
taak van de bijzondere wetgever aan de terughoudendheid met toezicht
gestalte te geven. Niet ondenkbaar is dat het in sommige gevallen niet
mogelijk is de gronden voor onthouding van goedkeuring nauwkeurig te
specificeren. Dan zal gebruik kunnen worden gemaakt van een algemene
omschrijving zoals bijvoorbeeld "strijd met het algemeen belang". In deze
toetsingsgrond ligt overigens een beperking besloten. Immers het
oordeel van de toezichthouder dat hij een bepaald besluit niet geheel op
die wijze zou zou hebben genomen, rechtvaardigt niet een
onthouding van goedkeuring wegens strijd met het algemeen belang. Pas wanneer
de bezwaren overwegend zijn, zal onthouding van goedkeuring
wegens strijd met het algemeen belang kunnen plaatsvinden.
Deze regeling zal tot gevolg
hebben dat daar waar de bijzondere wetgeving geen criteria bevat
voor het onthouden van goedkeuring, alsnog criteria in de wet
zullen moeten worden opgenomen voor zover althans de toetsingsmaatstaf
strijd met het recht onvoldoende wordt geacht.
rblz.|188|
Ook aan de in de bijzondere
wet opgenomen criteria voor de onthouding van goedkeuring zal
een zekere vaagheid inherent zijn. De toezichthouder zal aan deze criteria in de goedkeuringspraktijk een nadere
invulling moeten geven. Op
grond van artikel 4.4.1 [4:81] kan het bestuursorgaan deze nadere invulling
in een beleidsregel neerleggen. Met de Raad voor het binnenlands bestuur
zijn wij van oordeel dat het wenselijk is dat dat gebeurt. Wij menen echter
dat het te ver zou gaan de toezichthouder te verplichten tot het
vaststellen van beleidsregels voor die gevallen.
Overeenkomstig de regeling van
de spontane vernietiging komt het criterium "strijd met het recht" in de plaats van de vroegere, beperktere, grond: strijd met de wet.
Wanneer strijd met het recht wordt geconstateerd, is onthouding van
goedkeuring overigens niet verplicht. Er zijn situaties denkbaar dat deze
strijd zo beperkt is dat onthouding van goedkeuring een te zwaar
middel zou zijn. Te denken valt daarbij aan de gebreken die worden bedoeld in
artikel 6:22.
Artikel 1A.2.1.3a
[10:28]
Ook in toezichtsverhoudingen
dient het rechterlijk oordeel voor zo ver het gaat om rechtsvragen te
prevaleren. Daarom wordt in dit artikel bepaald dat goedkeuring niet mag worden onthouden op rechtsgronden
die in strijd zijn met een in
casu relevante uitspraak van de rechter. Men kan hier denken aan de
situatie dat een bestuursorgaan, na vernietiging door de rechter van zijn
eerdere goedgekeurde besluit, een nieuw besluit moet nemen. Voor vernietiging
gaat de wetgever reeds langer van deze benadering uit: vgl. artikel 1A.2.2.5 [10:37] en
de toelichting daarop. Omdat het mogelijk is dat uitsluitend
het bestuursorgaan waarvan het besluit aan goedkeuring is onderworpen
partij is geweest in de procedure bij de rechter, is het nodig deze
bepaling op te nemen. Indien het goedkeurend orgaan wel altijd partij zou
zijn, zou het bestuursorgaan reeds uit dien hoofde aan de uitspraak van de
rechter zijn gebonden.
Artikel 1A.2.1.4
[10:29]
In dit artikel wordt de
gedeeltelijke goedkeuring geregeld. In vergelijking met artikel 261 van de
Gemeentewet, dat dezelfde strekking heeft, is de redactie van
artikel
1A.2.1.4 [10:29],
eerste lid, enigszins aangescherpt door te bepalen dat een besluit alleen
dan gedeeltelijk kan worden goedgekeurd indien gedeeltelijke
inwerkingtreding strookt met aard en inhoud van het besluit. In voornoemd artikel
van de Gemeentewet wordt bepaald dat goedkeuring niet gedeeltelijk
kan worden verleend, tenzij aard en inhoud van het besluit zich daartegen
niet verzetten. Deze redactie doet evenwel naar onze opvatting - bij
nadere overweging - te zeer afbreuk aan de hoofdregel dat gedeeltelijk
ingrijpen - ongeacht overigens of dat plaatsvindt in het kader van
goedkeuring of vernietiging - niet plaatsvindt.
Bij gedeeltelijke goedkeuring
bestaat het risico dat een besluit resteert dat niet overeenstemt met de
bedoelingen van het orgaan dat het besluit heeft genomen. Terughoudendheid bij het uitoefenen van toezicht brengt
daarom ook mee dat in principe
steeds een oordeel wordt uitgesproken over het aan goedkeuring
onderworpen besluit in zijn geheel. Het eerste lid van dit artikel legt dit
beginsel vast. Gedeeltelijke goedkeuring is slechts toelaatbaar indien
zulks strookt met de aard en inhoud van het besluit. Ook in de
jurisprudentie wordt dit criterium aangehouden (zie bijvoorbeeld KB 4 mei
1970, OB
1971, XIV.2, 31698, en KB 28 februari 1972, AB 1972, 164). Indien
bijvoorbeeld een besluit ter goedkeuring wordt voorgelegd dat een aantal min
of meer zelfstandige onderdelen bevat, bestaat er geen bezwaar tegen dat een bestuursorgaan dat overwegende bezwaren heeft tegen een
bepaald onderdeel van dat besluit, aan dat rblz.|189|
onderdeel goedkeuring onthoudt
en voor het overige goedkeuring verleent. Ook bij een besluit tot vaststelling van een
bestemmingsplan dat weliswaar een samenhangend
beeld van de gewenste ruimtelijke ordening van een bepaald gebied geeft, kan in het algemeen in
redelijkheid niet worden volgehouden dat gedeeltelijke goedkeuring niet toelaatbaar zou
zijn, omdat
daarmee aan de zelfstandigheid van de gemeente tekort zou worden
gedaan. Overigens zal niet te snel mogen worden aangenomen dat een
besluit niet een samenhangend geheel vormt. In incidentele gevallen
wordt bij een wettelijk vereiste van goedkeuring bij voorbaat
bepaald dat aan een aan goedkeuring onderworpen besluit niet
gedeeltelijk de goedkeuring kan worden onthouden (zie bijvoorbeeld KB 17
september 1980, AB 1981, 41, alsmede Afd. rechtspraak 14 december 1982,
Gem.st. 6755). Dan
is uiteraard de vraag of gedeeltelijke goedkeuring zou stroken met de
aard en inhoud van het besluit niet meer aan de orde.
Ten slotte wordt opgemerkt dat
als een besluit gedeeltelijk wordt goedgekeurd, het goedgekeurde
deel als zelfstandig besluit in werking zal kunnen treden. Een eventueel
beroep tegen het besluit tot onthouding van goedkeuring aan het resterende
deel van het betrokken besluit doet daaraan niet af.
In het tweede lid wordt de
goedkeuring voor bepaalde tijd uitgesloten. Het goedkeuringsrecht is in
artikel 1A.2.1.1 [10:25] omschreven als de voor de inwerkingtreding van een besluit vereiste instemming van een ander
bestuursorgaan. Goedkeuring
betekent derhalve het vervullen van een voorwaarde voor het in werking
treden van het aan goedkeuring onderworpen besluit. Het zou
met het karakter van het goedkeuringsrecht in strijd zijn goedkeuring
voor bepaalde tijd toelaatbaar te achten. Dan zou het toezichthoudende orgaan,
zoals in het Rapport ABAR (vijfde druk, Alphen aan den Rijn 1984) terecht
wordt opgemerkt, zich voor een bepaalde termijn een min of meer voortdurend toezicht kunnen verschaffen op de
door het besluit in het leven
geroepen toestand (zie bijvoorbeeld HR 21 november 1951, NJ 1952, 2, en KB
2 mei 1950, ARB 1951, blz. 360). Het is uiteraard anders indien het
aan toezicht onderworpen orgaan, al dan niet als gevolg van een daartoe
strekkende suggestie van de toezichthouder, zelf een tijdsbepaling opneemt
in een aan goedkeuring onderworpen besluit.
Overeenkomstig de geldende
opvatting wordt in het tweede lid ook de goedkeuring onder voorwaarden
uitgesloten. In de jurisprudentie wordt ervan uitgegaan dat het stellen van voorwaarden bij een
besluit tot
goedkeuring niet is toegestaan
indien daarin in de regeling van het goedkeuringsvereiste niet
uitdrukkelijk is voorzien. Zie bijvoorbeeld KB 5 april 1956, ARB 1956, 554, en KB
15 juni 1972, AB 1973, 77. Zowel een ontbindende als een
opschortende voorwaarde scheppen een te grote onzekerheid en zouden
bovendien de besluitvorming bij het aan toezicht onderworpen orgaan te sterk
beïnvloeden.
In sommige gevallen voorziet
de bijzondere wet thans in de mogelijkheid om een besluit
onder voorwaarden goed te keuren. Zo kan worden gewezen op de artikelen 69, derde lid, van de Wet op het
basisonderwijs en artikel 77,
derde lid, van de Interimwet speciaal onderwijs en voortgezet
speciaal onderwijs. In het kader van de noodzakelijke aanpassingswetgeving zal
moeten worden bezien of deze bepalingen in overeenstemming moeten
worden gebracht met de algemene lijn of dat er doorslaggevende redenen
zijn om deze bepalingen in afwijking van de Algemene
wet bestuursrecht te handhaven. Daarbij zal onder meer een rol kunnen spelen de vraag of
het goedkeurende bestuursorgaan zelf in betekenende mate wordt
getroffen door de gevolgen van het besluit dat ter goedkeuring wordt voorgelegd.
rblz.|190|
Er bestaat zo mogelijk nog
sterker bezwaar tegen wat wel wordt genoemd de goedkeuring onder
verplichtende voorwaarde, wat in feite neerkomt op het wijzigen van het besluit door het toezichthoudend
orgaan. Het is uiteraard wel
mogelijk dat het toezichthoudend orgaan in het kader van het te voeren
overleg de gerezen bezwaren kenbaar maakt, waarna het onder toezicht
gestelde orgaan zelf de afweging kan maken of daaraan tegemoetgekomen zal
worden dan wel dat het risico van onthouding van goedkeuring
gelopen zal worden.
In de praktijk komt het
veelvuldig voor dat de goedkeuring weliswaar wordt verleend, maar dat
gelijktijdig enkele kleinere bezwaren tegen het besluit kenbaar worden gemaakt
met het verzoek het besluit zodanig te wijzigen dat daaraan tegemoet
wordt gekomen. Deze praktijk is aanvaardbaar, als maar
duidelijk is dat het aan het besluitnemend orgaan is om te beslissen in hoeverre
aan de bezwaren tegemoet zal worden gekomen.
Ook de mogelijkheid van
intrekking van de goedkeuring wordt in het tweede lid uitgesloten. Als
dat wel mogelijk zou zijn, zou het toezichthoudend orgaan in feite permanent toezicht kunnen uitoefenen en dat zou
in strijd zijn met het
karakter van het goedkeuringsrecht.
Artikel 1A.2.1.6
[10:30]
Het is een eis van
zorgvuldigheid dat het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft
genomen in de gelegenheid wordt gesteld overleg te voeren met het
toezichthoudend orgaan indien dit laatste overweegt
geheel of gedeeltelijk
goedkeuring aan het voorgelegde besluit te onthouden (zie het
vergelijkbare artikel 1A.2.2.9 [10:41] bij vernietiging). Er kan een zekere parallel getrokken
worden met artikel 4:7, dat een bestuursorgaan onder omstandigheden
verplicht de belanghebbende te horen, alvorens een afwijzende
beslissing te nemen. Een vanovereenkomstigetoepassingverklaring van
artikel 4:7 zou echter onvoldoende recht doen aan de verhouding die tussen
toezichthoudend bestuursorgaan en onder toezicht gesteld orgaan dient
te bestaan (bestaat). Het artikel biedt het toezichthoudend orgaan de gelegenheid gerezen bezwaren
kenbaar te
maken; anderzijds biedt dit
het onder toezicht gestelde bestuursorgaan de mogelijkheid nader de
beweegredenen uiteen te zetten die tot het besluit, zoals het er ligt, hebben
geleid. Onder omstandigheden zal dit overleg ertoe kunnen leiden dat het
voorgelegde besluit wordt herzien of dat het toezichthoudende orgaan over
de aanvankelijke bezwaren heenstapt en alsnog goedkeuring verleent.
Deze mogelijkheid tot het
voeren van overleg moet niet worden verward met de vaak
voorkomende praktijk dat er ook al voorafgaand aan het nemen van het aan goedkeuring onderworpen besluit contact is met
het toezichthoudend orgaan.
Een dergelijk contact heeft een meer adviserend karakter en zal
zich doorgaans uitsluitend op ambtelijk niveau afspelen. Dat laat de eigen
verantwoordelijkheid van het besluitnemend orgaan onverlet. De
gelegenheid tot overleg als bedoeld in dit artikel moet worden geboden nadat het aan
goedkeuring onderworpen besluit is genomen en heeft daardoor een
meer formeel karakter. Of er bij het onder toezicht gestelde orgaan
behoefte bestaat aan dergelijk overleg zal onder meer afhangen van de aard van
de bij het toezichthoudend orgaan gerezen bezwaren en van de
vraag in hoeverre er al contacten zijn geweest voorafgaand aan het
nemen van het besluit. Van dergelijke factoren zal het ook afhangen
of overleg op bestuurlijk niveau gewenst is dan wel of met ambtelijk
overleg kan worden volstaan. Het artikel verplicht in ieder geval niet
tot daadwerkelijk overleg, laat staan tot het succesvol beëindigen daarvan.
De wenselijkheid dat binnen een beperkte rblz.|191|
termijn een definitief besluit
omtrent goedkeuring wordt genomen (zie artikel 1A.2.1.7 [10:31]), weegt
zwaarder.
Wanneer het overleg niet tot
overeenstemming leidt en de toezichthouder goedkeuring aan het
genomen besluit onthoudt, ligt voor het bestuursorgaan de weg naar de rechter open.
Artikel 1A.2.1.7
[10:31]
In dit artikel is de procedure
geregeld die moet leiden tot het besluit omtrent goedkeuring.
Uitgangspunt hierbij is dat binnen een betrekkelijke korte tijd zekerheid moet
bestaan of de goedkeuring al dan niet wordt verleend. Men vergelijke de
regeling over de aanvraag van een beschikking.
Het besluit omtrent
goedkeuring moet in principe binnen drie maanden worden bekendgemaakt aan het
onder toezicht gestelde orgaan, met een mogelijkheid tot verdaging van
het besluit voor maximaal drie maanden. Als hoofdregel geldt dat
indien niet binnen die termijn een beslissing is genomen en meegedeeld, het
betrokken besluit geacht wordt te zijn goedgekeurd (vierde lid). Deze
constructie valt in de bestaande wetgeving reeds regelmatig aan te
treffen en komt ook in de Gemeentewet
voor. Het alternatief, namelijk een ex-legeonthouding van goedkeuring, is niet wenselijk. Dat zou in strijd
zijn met het uitgangspunt van een terughoudend toezicht. Niettemin is
het mogelijk dat de belangen van derden bij een onthouding van
goedkeuring aan een bepaald soort besluit zo groot zijn dat goedkeuring ex
lege niet aanvaardbaar moet worden geacht. Voor die gevallen is erin voorzien dat bij wettelijk voorschrift van de hier gegeven hoofdregel kan
worden afgeweken.
Het kan voorkomen dat in
concrete gevallen de in het eerste lid genoemde termijn te lang of
juist te kort is. Daarom is bepaald dat bij wettelijk voorschrift
desgewenst een andere termijn kan worden vastgesteld. Meer en meer komt het
voor dat besluiten moeten worden voorgelegd aan de Europese
Commissie. Uiteraard is de Commissie niet gebonden aan de regels die in
de Algemene wet bestuursrecht worden gesteld. De duur van de
besluitvormingsprocedure bij de Commissie is daarmee gegeven. Dit zou
kunnen betekenen dat de termijn in het eerste lid zodanig moet worden
gekozen dat de Brusselse procedure daarbinnen redelijkerwijs kan worden
afgerond. Anderzijds is denkbaar dat de verplichting de Europese
Commissie te consulteren, wordt verlegd van het goedkeurende orgaan naar het
primair besluitende orgaan.
In navolging van de
Gemeentewet vangt de goedkeuringstermijn aan met de verzending ter
goedkeuring. De reden hiervoor is dat de verzenddatum, anders dan de datum van
ontvangst bij het toezichthoudend orgaan, bij het onder toezicht
gestelde orgaan exact bekend is. Daarbij komt dat het toezichthoudend
orgaan niet wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad indien bijvoorbeeld als gevolg van vertraging in de postbestelling de
termijn
waarbinnen het zich over het besluit kan beraden enigszins wordt bekort.
De Gemeentewet
kent een
langere verdagingstermijn voor die gevallen waarin het besluit omtrent
goedkeuring moet worden genomen door de Kroon. Omdat over een voornemen tot onthouding van goedkeuring in
dat geval de Raad
van State moet worden gehoord, is extra tijd nodig. Dat principe is hier overgenomen.
In alle gevallen waarin het advies van een adviseur als bedoeld in
artikel 3:5 is vereist, kan het besluit omtrent goedkeuring eenmaal voor ten
hoogste zes maanden worden verdaagd (vgl. artikel 1A.2.2.12 [lees:
1A.2.3.2 [10:44], red.] over
de verlenging van de schorsing).
rblz.|192|
In het eerste lid is, zoals
eerder toegelicht, de mogelijkheid geopend bij wettelijk voorschrift een
langere of kortere termijn voor de goedkeuring vast te stellen. Die termijn
dient zodanig gekozen te worden dat daarin over de goedkeuring in de
normale gevallen kan worden beslist. De betrokkenen weten dan waarop
zij moeten rekenen. In het tweede en derde lid zijn
verdagingsmogelijkheden opgenomen voor situaties waarin de normale termijn toch niet
toereikend blijkt te zijn. Van die termijnen kan niet bij wettelijk voorschrift
worden afgeweken: een dergelijke mogelijkheid zou de regeling
nodeloos ingewikkeld maken. Bij het bepalen van een eventueel
afwijkende termijn ingevolge het eerste lid behoort de bijzondere wetgever
dus rekening te houden met de regels over verdaging die de beide
volgende leden geven.
In het vierde lid van
artikel
1A.2.1.7 [10:31] is voorzien in een goedkeuring ex lege. Men kan de vraag stellen
of hier wel sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene
wet bestuursrecht. Het betreft hier immers de situatie dat een
bestuursorgaan nu juist geen besluit heeft genomen. Het zou niet
aanvaardbaar zijn dat tegen de goedkeuring ex lege niet dezelfde
rechtsbescherming zou kunnen worden verkregen als tegen een uitdrukkelijk
besluit. Daarom dient de goedkeuring ex lege te worden gelijkgesteld met een
besluit. De in het vierde lid gekozen redactie strekt daartoe.
Niet kan worden uitgesloten
dat het soms ongewenst is de consequentie van goedkeuring aan
overschrijding van de gestelde termijnen te verbinden. Daarom is erin
voorzien dat bij wettelijk voorschrift van de
gestelde hoofdregel kan worden
afgeweken. Het spreekt wel vanzelf dat afwijking slechts dan behoort
plaats te vinden indien daarvoor goede redenen zijn. Of er aanleiding
is dergelijke uitzonderingen te maken, zal bij de voorbereiding van de
aanpassingswetgeving worden bezien.
De constructie dat een besluit
tot goedkeuring moet worden geacht te zijn genomen na het
verstrijken van een bepaalde termijn, roept wel de vraag op wat daarvan de
consequenties zijn voor belanghebbenden, met name wat de mogelijkheid van
beroep en de aantastbaarheid van het fictief genomen besluit
betreft. In tegenstelling tot een uitdrukkelijk genomen
goedkeuringsbesluit
is een fictief besluit niet overeenkomstig de desbetreffende bepalingen
van de Awb voorbereid, genomen en bekendgemaakt. Sterker nog: er
is zelfs geen schriftelijke beslissing voorhanden. Niettemin zal
tegen het fictieve goedkeuringsbesluit beroep bij de administratieve rechter
openstaan, zij het dat de ingang van de beroepstermijn hier niet aan
het moment van de bekendmaking van het besluit zal kunnen worden
gekoppeld. Het ligt voor de hand hierbij dan aan te knopen bij het tijdstip
waarop de beslistermijn eindigt; in de praktijk betekent dat dat de
termijn aanvangt de dag na het verstrijken van de beslistermijn. Het is
evenwel niet uitgesloten te achten dat een belanghebbende eerst pas na
enige tijd op de hoogte geraakt van het feit dat door het verstrijken van
de termijn een goedkeuringsbesluit voorhanden is. Het is evident
dat hij zich dan met een beroep op verschoonbare
termijnoverschrijding alsnog tot de rechter moet kunnen wenden. Het verdient overigens
aanbeveling in de gevallen waarin dit niet reeds wettelijk is
voorgeschreven dat het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan belanghebbenden
mededeling doet van het feit dat er een fictieve goedkeuring heeft
plaatsgevonden. Nu het fictieve goedkeuringsbesluit niet langs de normale
weg tot stand is gekomen en ook niet op schrift is gesteld, voldoet
het niet aan de eisen die de Awb - zowel aan de besluitvormingsprocedure als
zodanig als aan het resultaat daarvan - stelt. Met name moet hier
worden gedacht aan de afweging van belangen alsmede de motivering van het
besluit. De rechter zal evenwel bij fictieve (positieve) besluiten -
evenals overigens bij fictieve weigeringen - de zaak inhoudelijk mogen beoordelen.
rblz.|193|
Artikel 1A.2.1.8
[10:32]
In dit artikel wordt
afdeling
10.2.1 van overeenkomstige toepassing verklaard indien voor het
nemen van een besluit door een bestuursorgaan de toestemming van een ander
bestuursorgaan is vereist. Een dergelijke toestemming wordt ook wel
aangeduid als een verklaring van geen bezwaar. Verklaringen van geen
bezwaar komen we echter in de wet- en regelgeving ook tegen in een
andere betekenis dan die welke door artikel 1A.2.1.8 [10:32]
wordt bestreken.
Gewezen wordt op de verklaringen van geen bezwaar die bijvoorbeeld
worden genoemd in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en het
Kaderbesluit rechtspositie HBO (in beide gevallen gaat het om zogenaamde
geneeskundige verklaringen van geen bezwaar), alsmede die in Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek. Zodra een bepaalde toezichtsvorm voldoet
aan de omschrijving van het eerste lid, is afdeling 10.2.1 van
overeenkomstige toepassing. Hiermee wordt duidelijk dat het enkele feit dat een
bepaalde rechtsfiguur als verklaring van geen bezwaar wordt geduid niet
bepalend is voor het antwoord op de vraag of afdeling 10.2.1 van
overeenkomstige toepassing is.
In het tweede lid van artikel
1A.2.1.8 [10:32] wordt bepaald dat bij het verlenen van de toestemming een termijn
kan worden gesteld waarbinnen het besluit waarvoor de toestemming wordt verleend, dient te worden
genomen. Wordt het
desbetreffende besluit niet binnen de gestelde termijn genomen, dan vervalt
de toestemming. Opneming van de mogelijkheid een termijn te
stellen, wordt wenselijk geacht vanuit de overweging dat het niet juist
zou zijn het toezichthoudend bestuursorgaan voor onbepaalde termijn te
binden aan een eenmaal verleende toestemming.
Afdeling
10.2.2. Vernietiging
Artikel 1A.2.2.1 [10:33]
Dit artikel bevat een
afbakening van de rechtsfiguur spontane vernietiging en geeft aan dat voor
alle gevallen van spontane vernietiging deze afdeling van toepassing is. De
andere mogelijkheid tot vernietiging door een bestuursorgaan, te weten
vernietiging in administratief beroep, is omschreven in artikel
1:5.
Aangezien buiten de gevallen
geregeld in deze wet geen andere vormen van vernietiging door
een bestuursorgaan bestaan, volgt uit de systematiek van de wet dat steeds wanneer een bestuursorgaan over een
vernietigingsrecht met
betrekking tot besluiten van een ander bestuursorgaan beschikt, hetzij
afdeling 7.2 over administratief beroep, hetzij deze afdeling van toepassing is.
Voor het gebruik van de term "besluit van een
bestuursorgaan" wordt verwezen naar de toelichting
op artikel 1A.2.1.1 [10:25].
Hoewel de meest voorkomende
vorm van spontane vernietiging thans de spontane vernietiging door
de Kroon is, komt de bevoegdheid tot spontane vernietiging door andere bestuursorganen dan de Kroon ook
voor. Wij wijzen bijvoorbeeld
op artikel 156 van de Waterschapswet,
dat de colleges van gedeputeerde
staten de bevoegdheid geeft besluiten van waterschapsbesturen te
vernietigen wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ook daarop
behoren de in deze afdeling geformuleerde regels van toepassing te zijn.
Artikel 1A.2.2.2
[10:34]
Nu het vernietigingsrecht in
het algemeen een veel grotere reikwijdte heeft dan het
goedkeuringsrecht en in verband daarmee een nauwkeurige omschrijving van de
toetsingsgronden niet mogelijk is, dient het rblz.|194|
vernietigingsrecht slechts bij
wet in formele zin te kunnen worden toegekend.
Daarmee willen wij tevens
aangeven dat wij - wat het vernietigingsrecht betreft - voor het gehele
terrein van het bestuursrecht in beginsel afzien van de mogelijkheid tot delegatie die de desbetreffende artikelen uit de
Grondwet (te weten artikel
132, tweede lid, 133, derde lid, en 134, derde lid) bieden. Dat neemt evenwel
niet weg dat de formele wetgever bevoegd blijft om in een
bijzonder geval wel van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het gebruik
van de delegatiemogelijkheid zal, gelet op de afwijking van het hier
neergelegde beginsel, nadrukkelijk dienen te worden gemotiveerd.
Artikel 1A.2.2.3
[10:35]
De toetsingsgronden
"strijd
met het recht of het algemeen belang" komen overeen met de
toetsingsgronden welke in de Grondwet (artikelen
132-134) worden genoemd met
betrekking tot de vernietiging van besluiten van besturen van gemeenten,
provincies, waterschappen, openbare lichamen voor beroep
en bedrijf en andere openbare lichamen.
De Raad voor het binnenlands
bestuur meent dat deze toetsingsgronden vaag zijn en weinig
rechtszekerheid bieden voor het lagere bestuursorgaan en beveelt aan een poging te doen de vernietigingsgronden nader te omschrijven.
Wij menen dat een dergelijke poging tot mislukken gedoemd zou zijn.
Het vernietigingsrecht is ultimum remedium. Het biedt een mogelijkheid om
juist in onvoorziene gevallen in te grijpen. Iedere nadere omschrijving zou
ertoe kunnen leiden dat hantering van het middel niet toelaatbaar
blijkt te zijn in een situatie waar toepassing ervan overigens juist
volstrekt gerechtvaardigd zou zijn.
Aan een extra
motiveringsplicht in geval van vernietiging, die de Raad voor het binnenlands bestuur
subsidiair voorstelt, hebben wij geen behoefte. De in afdeling 3.7 vervatte motiveringseis in combinatie met het
uitzonderlijke karakter van
vernietigingsbesluiten staat er onzes inziens borg voor dat deze besluiten
royaal zullen worden gemotiveerd.
Artikel 1A.2.2.4
[10:36]
Voor gedeeltelijke
vernietiging dienen dezelfde restricties te gelden als voor gedeeltelijke goedkeuring
(zie artikel 1A.2.1.4 [10:29]). De redactie van dit artikel is in vergelijking met
artikel 269 Gemeentewet, dat dezelfde strekking heeft, enigszins
aangescherpt, ten einde nog duidelijker tot uitdrukking te laten komen dat
er een "positieve" reden moet zijn om gedeeltelijk te schorsen of
vernietigen. De aanduiding "niet verzetten" in voornoemd artikel 269 doet te
zeer afbreuk aan de hoofdregel dat gedeeltelijk ingrijpen niet
plaatsvindt. Wordt overwogen een besluit gedeeltelijk te vernietigen,
dan dient vast te staan dat dat besluit zich daarvoor leent. Duidelijk is zulks het geval bij een algemene plaatselijke
verordening (APV); indien
één onderdeel daarvan voor vernietiging in aanmerking komt, is dit geen
reden de gehele APV te vernietigen. Zie bijvoorbeeld KB 21 juni 1985, Stb.
1985, 353, AB 1986, 42, betreffende vernietiging van artikel 174a van de APV
van Hellevoetsluis (verbod vervoeren of parkeren van nucleaire
wapens). Zie ook KB 5 juni 1986, Stb. 1986, 337, AB 1986, 569 betreffende artikel C5 van
de APV van Ermelo (vloekverbod).
Artikel 1A.2.2.5
[10:37]
Sinds 1966 bevatten
Gemeentewet en Provinciewet
een bepaling van deze inhoud. Zij behoort
uiteraard ook buiten het gemeente- en provincierecht onverkort van toepassing
te zijn.
rblz.|195|
Artikel 1A.2.2.6
[10:38]
Deze bepaling legt de relatie
tussen vernietiging en goedkeuring en tussen vernietiging en bezwaar
en beroep vast (vgl. artikel 270 Gemeentewet). Zolang het preventief
toezicht niet is afgerond, komt repressief toezicht niet aan de orde. Zou
dit anders zijn, dan doorkruist een tot vernietiging bevoegd orgaan
mogelijk de verantwoordelijkheid van een tot goedkeuring bevoegd
orgaan, hetgeen ongewenst is. Bovendien is het uit het oogpunt van
bestuurlijke efficiency evenmin gewenst dat al oordeelsvorming plaatsvindt
over een besluit dat - wegens het ontbreken van goedkeuring - nog geen
rechtskracht heeft.
Mutatis mutandis geldt het
bovenstaande ook voor de relatie tussen het tot vernietiging bevoegde
orgaan en het bestuursorgaan dan wel de rechter die zich nog over een
besluit dient uit te spreken. Men zou zich kunnen afvragen of in het
laatste geval de toezichthouder niet de bevoegdheid dient toe te komen
om hangende de procedure het besluit te vernietigen wegens strijd met
het algemeen belang. Daaraan mag de rechter immers niet toetsen. De
schotten tussen de rechtmatigheidstoetsing en de toetsing aan
het algemeen belang zijn echter niet waterdicht, waardoor het toch niet
uitgesloten is dat de toezichthouder daarmede in het vaarwater van
de rechter komt. Nu hangende de beroepsprocedure aan de
toezichthouder wel het schorsingsinstrument ter beschikking staat, is er
ook geen bezwaar tegen dat deze met een eventuele vernietiging moet
wachten tot na afloop van de procedure bij de rechter.
Artikel 1A.2.2.7
[10:39]
Rechtszekerheid is het
argument om te bepalen dat geen vernietiging mag volgen nadat een besluit
geschorst is geweest (zie artikel 1A.2.2.8 [10:40]
en de toelichting daarop). De
vraag kan rijzen of de rechtszekerheid meer in het algemeen met zich
brengt dat vernietiging na afloop van een bepaalde termijn niet meer
plaats mag vinden.
Ten aanzien van een bepaalde
categorie besluiten, namelijk de besluiten tot het aangaan van
privaatrechtelijke rechtshandelingen, is dit het geval - zie artikel 272 Gemeentewet.
De ratio van deze bepaling is dat ten aanzien van een privaatrechtelijke
rechtshandeling bij uitstek het belang van de rechtszekerheid opgeld doet.
Wie koopt, wil niet na een aantal jaren geconfronteerd worden met de
vernietiging van het besluit dat daaraan ten grondslag ligt. Het
privaatrechtelijke rechtsverkeer kan niet werken met langdurige onzekerheden.
Nu zijn er meer rechtshandelingen waarvoor deze stelling opgaat.
Daarom is overwogen voor alle beschikkingen te bepalen dat
vernietiging binnen een periode van drie maanden moet plaatsvinden. Dit stuit
echter op bezwaren. Het invoeren van een beperkte termijn waarbinnen
een vernietigingsprocedure moet worden gestart, zal stellig het
effect hebben dat er een stringentere controle op andere bestuursorganen wordt
ingesteld, hetgeen als bijzonder ongewenst moet worden
beschouwd. Gevoegd bij het feit dat vernietiging veelal besluiten van algemene
strekking betreft, is een regeling als van de Gemeentewet
ook voor de Algemene
wet bestuursrecht te verkiezen.
Het feit dat voorzien is in
een goedkeuringsprocedure voor een besluit tot het verrichten van een
privaatrechtelijke rechtshandeling mag er uiteraard niet toe leiden dat de mogelijkheid van de uitoefening van het
vernietigingsrecht illusoir
wordt gemaakt. Daarom wordt er in het derde lid in voorzien dat de termijn
van dertien weken pas begint te lopen na de bekendmaking van het
goedkeuringsbesluit. De laatste volzin van het derde lid stelt buiten twijfel
dat ook het goedkeuringsbesluit zelf niet meer kan worden vernietigd indien
dertien weken zijn verstreken na de bekendmaking ervan. Door deze
regeling wordt bereikt dat het onderliggende rblz.|196|
besluit en het goedkeuringsbesluit op het zelfde tijdstip onvatbaar
voor vernietiging worden.
Artikel 1A.2.2.8
[10:40]
Deze bepaling is, zoals
hierboven al werd opgemerkt, opgenomen in verband met de
rechtszekerheid. Indien een besluit voorwerp is geweest van onderzoek naar de
vraag of
er voldoende reden is tot vernietiging over te gaan, dan behoort een
negatief antwoord definitief te zijn. Zou na ommekomst van de
schorsingstermijn toch nog de bevoegdheid tot vernietiging blijven bestaan,
dan zou dit een hoogst ongewenste "knipperlichtsituatie"
opleveren: een besluit is van kracht nadat het is genomen, is buiten werking
gesteld tijdens de schorsing, is van kracht na afloop van de schorsing (voor
zover niet vernietigd), maar kan alsnog later met terugwerkende kracht worden vernietigd.
Deze ongewenste situatie kan
zich nog wel voordoen indien een bestuursorgaan een schorsing
opheft hangende een bezwaar- of beroepsprocedure en het
besluit nadien door de beroepsinstantie wordt vernietigd. Het bestuursorgaan
zal zich terdege rekenschap moeten geven van de vraag of het door de
schorsing op te heffen dat risico wil nemen.
Artikel 1A.2.2.9
[10:41]
Gelet op de zwaarte van het
middel "vernietiging" is het wellicht nog meer dan bij de goedkeuring
een eis van zorgvuldigheid dat het bestuursorgaan dat een besluit heeft
genomen ten aanzien waarvan vernietiging wordt overwogen, in de
gelegenheid wordt gesteld overleg te voeren met het tot vernietiging bevoegde
orgaan. Dit overleg zal onder omstandigheden ertoe kunnen leiden dat
van vernietiging wordt afgezien, hetzij omdat bij nader inzien het
besluit op goede gronden blijkt te berusten, hetzij omdat het besluit
waarvan vernietiging wordt overwogen zodanig wordt gewijzigd dat aan de
daartegen bestaande bezwaren wordt tegemoetgekomen.
Artikel 1A.2.2.10
[10:42]
Sinds het arrest
"Parochiehuis Woerden" (HR 28 februari 1975, NJ 1975, 423; AB 1975, 128) is duidelijk dat
een vernietigingsbesluit uitsluitend betrekking kan hebben op de
rechtsgevolgen; de feitelijke gevolgen worden door de vernietiging
als zodanig niet geraakt. In navolging van artikel 280, eerste lid, van
de Gemeentewet wordt dit nu ook in de Algemene
wet bestuursrecht met
zoveel woorden tot uitdrukking gebracht.
De vernietiging heeft
terugwerkende kracht. Niet in alle gevallen is het noodzakelijk of gewenst dat de
vernietiging van een besluit terugwerkt; soms is het voldoende dat het
effect van de vernietiging is dat navolging van besluiten als het
vernietigde achterwege blijft. Zie KB 11 september 1985, Stb. 1985,
545, Gem.st. 6812, nr. 9
(vernietiging raadsbesluit Steenbergen tot toekenning gratificatie bij
afscheid gemeentesecretaris). Derhalve is bepaald dat de rechtsgevolgen
geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven.
In het derde lid is bepaald
dat indien een besluit tot het aangaan van een overeenkomst wordt
vernietigd, de overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en voor zover bij het vernietigingsbesluit niet anders is
bepaald, niet of niet verder
wordt uitgevoerd, onverminderd het recht van de wederpartij op
schadevergoeding. Deze bepaling stemt vrijwel geheel overeen met de regeling die is
opgenomen in artikel 280, tweede lid, van de Gemeentewet. De daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen gelden - onverkort - ook hier.
Het aangaan van een overeenkomst, hoewel rblz.|197|
zelf een rechtshandeling,
beschouwen wij in relatie tot het vernietigde besluit tot het aangaan van
die overeenkomst als een uitvoeringshandeling. Vernietiging van
het betreffende besluit zal niet altijd zonder meer behoeven te betekenen dat
het bestuursorgaan niet meer is gebonden aan die overeenkomst.
Niettemin zal de vernietiging qua strekking veelal gericht zin
op het niet of niet verder tot uitvoering komen van de overeenkomst. Daarom is
het gewenst uitdrukkelijk te bepalen dat het bestuursorgaan, tenzij bij
het vernietigingsbesluit anders is bepaald, de overeenkomst niet of niet
verder uitvoert. De verplichting tot nakoming jegens de wederpartij valt
weg. Duidelijkheidshalve is verder bepaald dat de privaatrechtelijke schadevergoedingsregeling bij
niet-nakoming van de
overeenkomst onverlet blijft.
Afdeling
10.2.3. Schorsing
Artikel 1A.2.3.1 [10:43]
Vernietiging is een zwaar
middel. Het grijpt immers in de bevoegdheid van autonome bestuursorganen
in. Er is derhalve alle reden grondig na te gaan of er sprake is van
strijd met het recht of het algemeen belang, en zo ja, of er in casu voldoende
reden tot vernietiging is.
Er zal enige tijd mee zijn
gemoeid voordat het tot vernietiging bevoegde bestuursorgaan tot een
eindoordeel en een uitspraak over deze vragen kan komen. Het kan gewenst
zijn gedurende die tijd de (verdere) werking van het besluit in kwestie
tegen te gaan. Het onderhavige artikel biedt daarom de mogelijkheid het
besluit te schorsen "hangende het onderzoek of er reden is tot
vernietiging over te gaan". Schorsing is derhalve een accessoir middel. Het is geen
zelfstandig middel voor het uitoefenen van toezicht op bestuursorganen.
Schorsing zal niet altijd
nodig zijn. Indien een besluit bijvoorbeeld nog niet in werking is getreden,
is er geen aanleiding het te schorsen.
In het voorontwerp was niet
geregeld aan wie de bevoegdheid toekomt een besluit te schorsen. Het
ligt naar ons oordeel voor de hand dat deze bevoegdheid toekomt aan het
bestuursorgaan dat de vernietigingsbevoegdheid heeft. Het
onderhavige artikel is dienovereenkomstig aangevuld.
Artikel 1A.2.3.2
[10:44]
Schorsing behoort niet langer
te duren dan strikt noodzakelijk is. In beginsel bepaalt dit artikel
de maximumperiode op één jaar. Niet in alle gevallen zal die volledige periode nodig zijn. Er is derhalve geen noodzaak
deze periode als vaste termijn
voor te schrijven. Het tot vernietiging bevoegde orgaan dient bij het
besluit tot schorsing een redelijke schatting te maken van de benodigde
tijd. Het tweede lid van dit artikel biedt de mogelijkheid tot eenmalige
verlenging van de aanvankelijk vastgestelde termijn.
Er zijn twee situaties waarin
de termijn van één jaar, genoemd in het derde lid, kan worden
overschreden. Dat betreft in de eerste plaats de situatie indien inzake de
vernietiging advies wordt gevraagd van een adviseur, hetzij eigener
beweging, hetzij op grond van een wettelijk voorschrift. Bij vernietiging
door de Kroon is dit de Raad
van State, ingevolge artikel 15, vierde
lid, van de Wet
op de Raad van State. De schorsingstermijn bedraagt in
dit geval maximaal één jaar en dertien weken.
In het vierde lid is sprake
van een voortduren van de schorsing zonder dat een maximum wordt genoemd.
Deze bepaling is noodzakelijk, nu enerzijds vernietiging als een
ultimum remedium dient te worden beschouwd en derhalve niet kan
plaatsvinden zolang nog niet onherroepelijk is beslist op een
verzoek om een administratiefrechtelijke rblz.|198|
voorziening, terwijl
anderzijds in artikel 1A.2.2.8 [10:40] is bepaald dat vernietiging niet meer kan
plaatsvinden nadat de schorsing is geëindigd. Het is niet denkbeeldig dat er pas
een onherroepelijke beslissing is na het einde van de schorsingstermijn.
Het geschorste besluit heeft
dan direct weer werking en zou op grond van artikel 1A.2.2.8 [10:40]
niet meer
kunnen worden vernietigd. Deze situatie, die het tot vernietiging bevoegde
bestuursorgaan buiten spel zet, is niet gewenst. Opneming van het
vierde lid voorkomt dit.
Indien aanstonds nadat is
beslist op een verzoek om een administratiefrechtelijke voorziening
duidelijk is dat niet tot vernietiging zal worden overgegaan, is er alle reden de
schorsing niet te laten voortduren tot dertien weken na de
rechterlijke beslissing en deze op te heffen. Het vijfde lid opent voor dit geval en
voor alle andere gevallen waarin schorsing niet langer noodzakelijk is de
mogelijkheid de schorsing op te heffen.
Artikel 1A.2.3.3
[10:45]
Uit dit artikel
blijkt dat in
bepaalde gevallen waarin nog niet tot vernietiging mag worden
overgegaan schorsing wel mogelijk is. Artikel 1A.2.2.6 [10:38], tweede lid, is op
de schorsing immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Hoewel
ook bij schorsing het risico bestaat dat het toezichthoudende orgaan de in
artikel 1A.2.2.6 [10:38], tweede lid, genoemde procedures doorkruist, heeft
de overweging dat een wisselende rechtskracht van een besluit zoveel
mogelijk moet worden vermeden de doorslag gegeven. De
redengeving voor schorsing zal in dit soort gevallen teneinde bovengenoemd risico
zoveel mogelijk te beperken een betrekkelijk sobere moeten en kunnen
zijn.
rblz.|199|
9.
Overgangs-
en slotbepalingen
Artikel II
Dit artikel bevat het
overgangsrecht behorende bij titel 10.2, inzake toezicht op bestuursorganen.
Het eerste lid bewerkstelligt dat reeds vóór de inwerkingtreding van deze
wet aangevangen goedkeuringsprocedures volgens het oude recht worden
afgewikkeld. Het tweede lid regelt hetzelfde voor ten tijde van
de inwerkingtreding van deze wet "lopende" schorsingen.
Artikel III
Eerste lid
Dit artikel bevat het
overgangsrecht behorende bij titel 4.2, inzake subsidies. In het eerste lid
is vastgelegd dat titel 4.2 ten aanzien van bestaande subsidieverhoudingen
eerbiedigende werking heeft. Deze dienen derhalve te worden
afgewikkeld volgens het ten tijde van hun ontstaan toepasselijke recht.
Dit geldt ook voor subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze
wet zijn verleend, maar op grond van die verlening nog jaarlijks worden
vastgesteld.
Wel is het zo dat artikel
4.2.6.4 [4:51] na de inwerkingtreding van deze wet ook van toepassing
is indien de
eerdere subsidieverleningen vóór de inwerkingtreding van deze wet
hebben plaatsgevonden.
Tweede lid
Het
tweede lid brengt mee dat
bestuursorganen gedurende een overgangsperiode van vier
jaren na de inwerkingtreding van deze
wet zonder wettelijke grondslag subsidies mogen blijven verstrekken die
gelijksoortig zijn aan die
welke zij vóór die inwerkingtreding overeenkomstig bekendgemaakt beleid
verstrekten. Deze bepaling beoogt de incidentele bestuurslasten
voortvloeiend uit het vereiste van een wettelijke grondslag in de
tijd te spreiden. Indien voor een subsi |