|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 24 693.
Handelingen II 1995-1996, zie vergadering d.d. 27 juni 1996.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 693 (312, 312a).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 2 juli 1996.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 4 juli 1996, Stb.
1996, 369, tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet
(wijziging overgangsrecht alsmede
enkele technische aanpassingen). Inwerkingtreding: 10 juli 1996.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de Algemene nabestaandenwet
te wijzigen met het oog op een
inkomensbescherming van diegenen die reeds vóór inwerkingtreding van die
wet recht hadden op uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet en die inkomen in verband met arbeid ontvangen en overigens die
wet op een aantal andere punten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I. Wijziging Algemene nabestaandenwet [MvT]
De Algemene nabestaandenwet
wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
In artikel 1 worden de onderdelen f en
g verletterd tot onderdelen g en h en wordt een
nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
f. halfwees: een ongehuwd kind van wie de vader of de moeder is
overleden en van wie die vader of moeder op de dag van overlijden
verzekerd was op grond van deze wet en die als gevolg van dat overlijden
nog één overlevende ouder heeft;.
B.
[MvT]
In artikel 2, tweede lid, wordt na "eerste lid,
onderdeel b en d,"
ingevoegd: met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels.
C.
[MvT]
In artikel 5, eerste lid, wordt na "In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt" ingevoegd: voor het recht op
nabestaandenuitkering.
D.
[MvT]
Aan artikel 14 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3. Voor de nabestaande die op de dag van overlijden van de verzekerde
niet voldoet aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a,
omdat het kind op het moment van overlijden tot het huishouden van een
ander behoort, gaat het recht op nabestaandenuitkering in op de eerste
dag van de maand waarin hij als gevolg van het overlijden wel aan die
voorwaarde voldoet.
E.
[MvT]
In artikel 17, tweede lid, wordt "De
nettonabestaandenuitkering
van de nabestaande" vervangen door: De brutonabestaandenuitkering
van de nabestaande.
F.
[MvT]
Van artikel 19 vervalt het tweede lid en de aanduiding
"-1." voor de tekst
van het artikel.
G.
[MvT]
Artikel 22 wordt vervangen door:
Art. 22.
-1. Recht op halfwezenuitkering heeft de nabestaande die een halfwees
heeft jonger dan 18 jaar die niet tot het huishouden van een ander
behoort.
-2. Voor de toepassing van deze paragraaf en paragraaf 4 van deze
afdeling wordt, in afwijking van hoofdstuk
1, onder de nabestaande
verstaan: de ouder van een halfwees of de persoon die als ware hij ouder
zorg draagt voor een halfwees die tot zijn huishouden behoort.
-3. Het recht op halfwezenuitkering gaat in op de eerste dag van de
maand waarin aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid,
wordt voldaan.
-4. Ten aanzien van het overlijden van de vader of de moeder van één of
meer kinderen bestaat per huishouding slechts recht op één halfwezenuitkering ten aanzien van dit kind of deze kinderen voor
één nabestaande. Ingeval sprake is van meer dan één nabestaande binnen
één huishouding die een aanvraag doet voor een halfwezenuitkering
ten aanzien van dit kind of deze kinderen, bepaalt de Bank welke
nabestaande in aanmerking komt voor het recht op halfwezenuitkering.
H.
[MvT]
In artikel 24, eerste en derde lid, wordt "het kind" vervangen
door: de halfwees.
I.
[MvT]
Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, onderdeel b, wordt
vervangen door:
b. een kind van 16 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar, dat
arbeidsongeschikt is en wiens arbeidsongeschiktheid ten minste drie
maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de
arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden zal voortduren; of
2. Het derde lid wordt vervangen door:
-3. Het recht op wezenuitkering gaat in op
de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt voldaan.
J.
[MvT]
Artikel 32, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. Indien de nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 18 of
artikel 67 wordt verminderd dan wel anderszins op een lager bedrag wordt
vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, wordt op
de vakantie-uitkering een evenredige vermindering toegepast dan wel de
vakantie-uitkering evenredig verlaagd.
K.
In artikel 57, tweede lid, wordt "bij of krachtens de
artikelen 6,
derde lid" vervangen door: bij of krachtens artikel
6, derde lid.
L.
In hoofdstuk 8, Overgangsbepalingen, wordt voor
artikel 67 een nieuw
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 66a.
-1. Een persoon wiens echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet wordt aangemerkt als geboren vóór 1
januari 1950.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon uitsluitend
als nabestaande aangemerkt, indien hij:
a. is geboren op of na 1 januari 1950 en vóór 1 juli 1956;
b. op de dag van overlijden was gehuwd met de persoon die nadien
is overleden, waarbij artikel 3, eerste lid, buiten toepassing blijft;
en
c. overigens ter zake van het overlijden van zijn echtgenoot,
indien dat overlijden zou hebben plaatsgevonden op de dag vóór
inwerkingtreding van deze wet, recht zou hebben gehad op een
weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
M.
[MvT]
Artikel 67 wordt vervangen door:
Art. 67.
-1. Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op
nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft de persoon die op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een
uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet
overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een
nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering, met dien verstande dat:
a. het recht op nabestaandenuitkering niet eindigt wanneer de
nabestaande niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel
14, eerste
lid, onderdeel a en b, zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog niet
heeft bereikt, indien hij:
1º. 40 jaar of ouder is op de laatste dag van de maand waarin de dag
gelegen is met ingang waarvan hij niet aan de bedoelde voorwaarden
voldoet; of
2º. 35 jaar of ouder doch jonger dan 40 jaar is op de laatste dag van
de maand waarin de dag gelegen is met ingang waarvan hij anders dan in verband met artikel
5, derde lid,
niet meer voldoet aan de voorwaarde voor het recht op uitkering
overeenkomstig artikel 14, eerste lid, onderdeel
a;
b. inkomen bestaande uit een uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet op de nabestaandenuitkering in mindering wordt
gebracht; en
c. met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het
overig inkomen in mindering wordt gebracht overeenkomstig het tweede
lid, waarbij voor personen geboren vóór 1 januari 1941 van de
nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het nettominimumloon
buiten aanmerking blijft.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt van het inkomen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, buiten aanmerking gelaten een
bedrag gelijk aan 50% van het brutominimumloon. Indien het inkomen
geheel of mede bestaat uit inkomen uit arbeid en dat inkomen meer
bedraagt dan 50% van het brutominimumloon, wordt naast het bedrag,
bedoeld in de eerste zin, een derde gedeelte van dat meerdere buiten
aanmerking gelaten.
-3. Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van
inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert als
bedoeld in artikel 3 en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert
op 31 december 1997, eindigt de nabestaandenuitkering met ingang van 1
januari 1998, met dien verstande dat, indien hij geboren is vóór 1
januari 1941, het recht op nabestaandenuitkering niet eindigt, maar de
nabestaandenuitkering met ingang van die datum wordt verminderd tot een
bedrag van 30% van het nettominimumloon, waarop in mindering wordt
gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
-4. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van
inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert als
bedoeld in artikel 3 ontstaat, in geval van overlijden
vóór 1 januari
1998 van de persoon met wie hij sinds die dag deze gezamenlijke
huishouding voert, geen recht op nabestaandenuitkering noch op
halfwezenuitkering indien zijn uitkering op de eerste dag van de
kalendermaand onmiddellijk voorafgaand aan de dag van dat overlijden op
grond van artikel 68 is vastgesteld.
-5. Tot 1 januari 1998 blijft voor de persoon, bedoeld in het eerste
lid, het besluit op grond van artikel 30a van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, waarbij voor de
vaststelling van de uitkering de nabestaandenuitkering en de
halfwezenuitkering worden samengeteld en als één uitkering worden
beschouwd.
-6. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet onder toepassing van
een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid die tussen
Nederland en één of meer mogendheden van kracht is, recht had op een
uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, geldt tot 1
januari 1998 dat voor de vaststelling van de uitkering vanaf de dag van
inwerkingtreding van deze wet de nabestaandenuitkering en de
halfwezenuitkering worden samengeteld en als één uitkering worden
beschouwd.
-7. Voor de toepassing van de Wet beperking samenloop van uitkeringen
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met uitkeringen en renten op
grond van de Ongevallenwet 1921 wordt een uitkering op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet als een uitkering op grond van deze wet in
aanmerking genomen, met dien verstande dat voor het bepalen van de
rente op grond van de Ongevallenwet 1921 die tot uitbetaling komt,
artikel 18 buiten aanmerking blijft.
-8. Bij ministeriële regeling kunnen voor situaties waarin dit
artikel niet of onvoldoende voorziet dan wel toepassing van dit artikel
tot onredelijke resultaten leidt
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot
het eerste tot en met zesde lid.
N.
[MvT]
Artikel 68 wordt vervangen door:
Art. 68.
-1. Voor de nabestaande, bedoeld in artikel 67, die een kind heeft
jonger dan 18 jaar wordt de brutonabestaandenuitkering in combinatie
met de halfwezenuitkering vanaf de eerste dag van de inwerkingtreding
van deze wet zodanig vastgesteld dat na aftrek van de in te houden
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen naar tariefgroep 4 en
de in te houden procentuele premie op grond van de Ziekenfondswet, de
nettonabestaandenuitkering in combinatie met de nettohalfwezenuitkering
gelijk is aan 100% van het nettominimumloon, zoals dat geldt op de dag
voor de inwerkingtreding van deze wet.
-2. Het eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop de toepassing
van dat lid leidt tot een lager bedrag dan dat voortvloeit uit de
toepassing van artikel 17, eerste lid, en artikel
25.
O.
[MvT]
Artikel 69 wordt vervangen door:
Art. 69.
-1. Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op
nabestaandenuitkering op grond van deze wet behoudt de persoon die op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een
tijdelijke uitkering op grond van artikel 13 van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet deze uitkering voor de nog resterende periode die is
vastgesteld op grond van dit artikel van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet.
-2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, heeft, onverminderd het
eerste lid, recht op nabestaandenuitkering vanaf de eerste dag van de
maand volgend op de eindiging van zijn tijdelijke uitkering op grond van
artikel 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet indien hij op de laatste
dag van de periode waarover hem deze tijdelijke uitkering is toegekend
arbeidsongeschikt is en van wie aannemelijk is dat de
arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na deze dag zal
voortduren.
P.
[MvT]
Aan artikel 71 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3. Van de persoon, bedoeld in dit artikel, die recht heeft op uitkering
op grond van artikel 26, tweede lid, onderdeel
c, en die op de dag van
inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert als
bedoeld in artikel 3, en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert
op 31 december 1997, eindigt de nabestaandenuitkering met ingang van 1
januari 1998.
Q.
[MvT]
Artikel 72 wordt vervangen door:
Art. 72.
Artikel 68 is van overeenkomstige toepassing op de
vakantie-uitkering
die op grond van artikel 31 wordt vastgesteld.
R.
[MvT]
In artikel 84, onderdeel E, wordt de punt aan het einde van artikel 38,
eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet vervangen door een
komma en wordt toegevoegd: tenzij vóór laatstgenoemde datum het recht op
nabestaandenuitkering is geëindigd. In dat geval heeft de persoon,
bedoeld in het eerste lid, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de dag waarop de
nabestaandenuitkering is geëindigd.
S. [MvT]
In artikel 101 wordt de zinsnede "Tot het tijdstip waarop
artikel
I, onderdeel C, van het bij koninklijke boodschap van 18 juli 1995
ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet
en enkele andere wetten (Kamerstukken 24 258) in werking treedt" vervangen door:
Tot het tijdstip waarop artikel I, onderdeel D, van de
Wet van 21
december 1995 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele
andere wetten in werking treedt.
T. [MvT]
In artikel 106, derde lid, wordt "34f" vervangen door:
37f.
Art.
II. Inwerkingtreding [MvT]
Deze wet treedt in werking op de eerste dag na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin zij is geplaatst. Indien het Staatsblad waarin
deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 juli 1996, treedt zij in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1
juli 1996.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
4 juli 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negende
juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|