|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 693
Wijziging
van de Algemene nabestaandenwet
(wijziging overgangsrecht alsmede enkele
technische aanpassingen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Inkomen in verband met
arbeid |
| 3 |
Overgangsrecht
algemeen |
| 4 |
Overige punten |
| 5 |
Financiële
gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
1.
Inleiding
Tijdens
de behandeling van het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet (Anw) in de
Eerste Kamer is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid desgevraagd toegezegd een wetsvoorstel voor te
bereiden dat een bijzondere vrijlating regelt voor AWW-gerechtigden met
inkomen in verband met arbeid. Dit wetsvoorstel strekt daartoe (zie
Handelingen EK, 19 december 1995, 14-582; 14-590) [lees: Handelingen
I, vergadering d.d. 19 december 1995, nr. 14, blz. 582-590, red.].
Tevens worden op enkele
punten technische verbeteringen voorgesteld om te voorkomen dat
onduidelijkheid zou kunnen ontstaan bij de toepassing van een aantal
bepalingen van de Anw.
2. Inkomen in verband met
arbeid
In de Anw wordt bepaald
dat de nabestaandenuitkering wordt gekort met het inkomen uit en
het inkomen in verband met arbeid. Het inkomen uit arbeid wordt echter
geheel of gedeeltelijk vrijgelaten: van het inkomen uit arbeid wordt namelijk
een deel ter hoogte van 50% van het brutominimumloon en
een derde van het
inkomen boven die grens afgetrokken; met dit
bedrag (inkomen minus vrijlating) wordt de nabestaandenuitkering
gekort. De reden van deze vrijlating is de arbeidsparticipatie niet te ontmoedigen.
Indien iedere verdiende gulden meteen op de
nabestaandenuitkering in mindering zou worden gebracht, zou dat wellicht mensen ertoe
brengen hun betaalde arbeid te beëindigen of geen betaalde arbeid te aanvaarden. Hierdoor zou de doelstelling van arbeidsparticipatie
worden gefrustreerd.
Voor personen die vóór de
inwerkingtreding van de Anw een AWW-uitkering
combineerden met een inkomen in verband met arbeid zou het gevolg van de
inkomenstoets zijn dat zij met ingang van 1 januari 1998 (het moment waarop
de inkomenstoets voor hen voor het eerst van kracht wordt)
geconfronteerd worden met een daling van hun totale inkomen, terwijl hun de
mogelijkheden kunnen ontbreken om door middel van arbeid dat inkomen
weer te verruimen. Weliswaar was voorzien in een gewenningsperiode, maar
het kabinet kan zich vinden in de opvatting rblz.|2|
van de leden van de
fracties van PvdA, VVD en D66 van de Eerste Kamer dat de inkomensterugval
voor deze groep te groot zou zijn. In dit wetsvoorstel wordt nu
voorgesteld personen die vóór de inwerkingtreding van de Anw een
AWW-uitkering genoten een speciale vrijlating te geven voor inkomen in verband
met arbeid. Deze speciale vrijlating bedraagt 50% van het
brutominimumloon. Ook geldt voor deze groep de gewone vrijlating voor inkomen
uit arbeid. Indien iemand echter inkomen uit arbeid en inkomen in
verband met arbeid combineert met een nabestaandenuitkering, kunnen beide vrijlatingen niet tegelijkertijd naast
elkaar genoten worden in
die zin dat twee keer 50% brutominimumloon vrijgelaten zou worden.
De totale vrijlating kan niet meer bedragen dan 50% van het
brutominimumloon en een derde deel van het verschil
tussen het inkomen uit
arbeid, indien dat inkomen meer bedraagt dan 50% van het
brutominimumloon, en 50% van het brutominimumloon (artikel
67, tweede lid).
De bijzondere
vrijlatingsregeling is in de tijd onbeperkt. Het moment waarop inkomen in verband
met arbeid wordt of is verworven, is niet van belang. Ook personen met
een AWW-uitkering die geen inkomen in verband met arbeid hebben
op het moment van inwerkingtreden van de Anw of op het moment dat
de inkomenstoets van kracht wordt, kunnen profiteren van deze
bijzondere vrijlatingsregeling van inkomen in verband met arbeid. De reden
hiervoor is dat op deze wijze wordt aangesloten bij de overige overgangsbepalingen. Zo geldt het uitstel van de inkomenstoets
tot 1 januari 1998 niet
alleen voor AWW-gerechtigden die op 1 juli inkomen hebben, maar voor
alle AWW-gerechtigden, en geldt de bepaling dat bij de werking van de
inkomenstoets voor AWW-gerechtigden die geboren zijn vóór 1941
een bedrag ter hoogte van 30% minimumloon buiten aanmerking blijft,
ook indien deze nabestaanden pas op een moment na 1 januari 1998
voor het eerst inkomen gaan verwerven.
3. Overgangsrecht
algemeen
Gebleken is dat het
overgangsrecht zoals geformuleerd in hoofdstuk 8
van de Anw tot onduidelijkheden aanleiding kan geven. Zo is bijvoorbeeld
niet duidelijk gesteld
wanneer de overgangsvoordelen eindigen. De algemene beleidslijn die
thans in dit wetsvoorstel meer in detail wordt uitgewerkt, is als volgt:
men behoudt een bepaald overgangsvoordeel tot het moment dat een nieuw
relevant feit in de zin van de Anw zich voordoet.
Onder een nieuw relevant
feit wordt verstaan: hertrouwen of het gaan voeren van een
gezamenlijke huishouding waardoor het uitkeringsrecht eindigt (de 70%-uitkering
of de 30%-uitkering) en het ontstaan van een nieuw uitkeringsrecht
door het overlijden van de partner waarmee de nabestaande samenwoonde
op 1 juli 1996 en op 31 december 1997.
Het gaat om de volgende
overgangsvoordelen.
Geldend vanaf de
inwerkingtreding van de Anw is een overgangsvoordeel voor bestaande AWW-gerechtigden dat
vóór het
beëindigen van het uitkeringsrecht de
leeftijdsgrenzen van de AWW gelden. Dit is relevant voor situaties dat het
kind 18 jaar wordt of dat men niet meer arbeidsongeschikt is, terwijl betrokkene
geboren is na 1949. Daarnaast is een overgangsvoordeel de hoge
uitkering die bevroren wordt en het uitstel van de inkomenstoets.
Onder overgangsvoordelen vanaf januari 1998 worden verstaan: een
uitkering van 30% voor op de peildata samenwonende AWW-ers geboren vóór
1941; een inkomensonafhankelijk deel ter hoogte van 30% voor
AWW-ers geboren vóór 1941 (niet samenwonend) en de bijzondere
vrijlating van inkomen in verband met arbeid.
Voor de volledigheid zij
vermeld dat op vorenstaande (het overgangsrecht eindigt als er een nieuw
relevant feit zich voordoet) een uitzondering bestaat voor
AWW-gerechtigden die een gezamenlijke huishouding rblz.|3|
voeren op 1 juli 1996 (en
die op dat moment hun uitkering nog mogen behouden). Indien hun
partner overlijdt in de periode tussen 1 juli 1996 en 1 januari 1998, behouden
zij hun oude recht op nabestaandenuitkering. Zij krijgen geen nieuw recht
op nabestaandenuitkering. Dit is het gevolg van het feit dat zij in die
periode nog niet beschouwd worden als "samenwonend" in de zin van de
Anw.
Het blijven bestaan van hun oude recht betekent bijvoorbeeld dat
zij pas met de inkomenstoets worden geconfronteerd op 1 januari 1998 en dat
zij kunnen profiteren van de vrijlating van inkomen in verband
met arbeid.
Een ander punt dat
samenhangt met het overgangsrecht betreft de mogelijkheid van herleven
van het recht op AAW bij beëindiging van het recht op
nabestaandenuitkering vóór 1 januari 1998, en een andere redactie van de artikelen
die betrekking hebben op de bevriezing van de hoge AWW-uitkering. De
reden voor dit laatste is dat gebleken is dat de redactie die thans in de
Anw staat tot een te lage netto-uitkering leidt,
terwijl het juist de
bedoeling was dat nabestaanden met een kind onder de 18 jaar na
inwerkingtreding van de Anw netto dezelfde uitkering zouden ontvangen. Met de
in dit wetsvoorstel voorgestelde formulering wordt dit doel wel
bereikt.
Een derde punt in het
overgangsrecht betreft personen die een tijdelijke weduwenuitkering
ontvangen (artikel 69, tweede lid). Indien zo iemand in
de periode waarin hij een
dergelijke uitkering ontvangt arbeidsongeschikt wordt, ontvangt hij na
afloop van deze periode een nabestaandenuitkering op grond van deze
arbeidsongeschiktheid. De reden voor deze wijziging is dat een overeenkomstige
bepaling ook in de AWW staat.
Een vierde punt betreft
wezen ouder dan 15 jaar die recht op wezenuitkering hebben omdat zij het
huishouden van een andere wees verzorgen, de zogenaamde
huishoudwezen, en die een gezamenlijke huishouding voeren. Onder de Anw
worden zij door deze gezamenlijke huishouding als gehuwd beschouwd en
verliezen zij dus de uitkering. Het is echter terecht om voor hen net als
samenwonende AWW-gerechtigden met nabestaandenuitkering
een overgangstermijn te bepalen en zo te voorkomen dat zij direct
bij in werking treden van de Anw de wezenuitkering verliezen. De
voorgestelde wijziging houdt in dat als zo’n wees een gezamenlijke
huishouding voert op 1 juli 1996 en nog steeds op 31 december 1997, hij de
uitkering verliest per 1 januari 1998.
4. Overige punten
De overige voorgestelde
wijzigingen hebben betrekking op het schrappen van een
overbodig artikellid, verduidelijking van de bepaling over arbeidsongeschikte
wezen van 16 en 17 jaar, de hoogte van de uitkering voor
pseudo-nabestaanden, het moment van ingang van de nabestaandenuitkering en
enkele technische wijzigingen.
De bepalingen over de
wezenuitkering en de halfwezenuitkering zijn verduidelijkt om te
voorkomen dat hierover problemen in de uitvoering zouden kunnen ontstaan.
Het begrip halfwees is gedefinieerd in artikel 1
in plaats van in artikel 22. Het gaat bij halfwezen om kinderen met twee
ouders, waarvan er één overlijdt. Het is van belang hierbij op te merken dat bij de definitie van
halfwees wordt afgeweken van het begrip "kind" wat gedefinieerd wordt in
artikel 5. Het gaat namelijk alleen om eigen kinderen en niet om aangehuwde of pleegkinderen. Deze kunnen immers
ook eigen ouders hebben.
Het overlijden van een aangehuwde ouder of pleegouder kan geen
gevolgen hebben voor het ontstaan van een recht op wezenuitkering of
halfwezenuitkering. Het hebben van een aangehuwd rblz.|4|
of pleegkind is
daarentegen wel van belang voor het recht op nabestaandenuitkering.
Dit wordt nu duidelijker geregeld in artikel 5.
5.
Financiële gevolgen
Het besparingsverlies van
dit wetsvoorstel dat de bijzondere vrijlating voor bestaande
AWW-gerechtigden met een inkomen in verband met arbeid regelt, is ƒ38 mln
in 1998 en ƒ35 mln in 1999.
Het besparingsverlies
treedt pas op vanaf 1 januari 1998, omdat voor bestaande
AWW-gerechtigden op die datum de inkomenstoets ingevoerd wordt. De geleidelijke
afname van het besparingsverlies wordt veroorzaakt door een volumedaling van
het aantal bestaande AWW-gerechtigden. In de
structurele situatie zijn er geen bestaande AWW-gerechtigden meer.
Het besparingsverlies is dan ook nul.
De bijzondere vrijlating
bedraagt 50% van het brutominimumloon. Op basis van het
brutominimumloon per 1 maart 1996 bedraagt deze vrijlating ƒ1201,25
per maand.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging
Algemene nabestaandenwet
Onderdeel A
In
artikel 1 is een
definitie toegevoegd van het begrip "halfwees".
Daarmee wordt duidelijker aangegeven onder welke omstandigheden een recht op
halfwezenuitkering voor een nabestaande ontstaat. Artikel 22
regelt het recht op halfwezenuitkering. Weliswaar was in dat artikel aangegeven wie als
nabestaande recht op die uitkering heeft, maar met de nu gegeven
omschrijving van het begrip "halfwees" wordt beter aangegeven in welke
situatie een kind moet verkeren om als halfwees te worden aangemerkt. In
artikel 22 wordt vervolgens aangegeven welke positie de nabestaande
ten opzichte van de halfwees moet hebben wil hij recht op
halfwezenuitkering hebben. Zoals uit de hier gegeven definitie blijkt, is er sprake van
een halfwees indien één van de ouders, de vader of de moeder, is overleden,
terwijl de andere ouder, de moeder of de vader, nog leeft. Het gaat dus
niet om de ouders van een aangehuwd kind of een pleegkind, maar alleen om
de ouders van een eigen kind.
Onderdeel B
De wijziging van
artikel
2 is een louter technische. Hiermee wordt een regeling getroffen die
overeenkomt met gelijksoortige bepalingen in de socialeverzekeringswetgeving, zoals
bijvoorbeeld artikel 9, vierde
lid, van de Algemene
Ouderdomswet en artikel 85, derde lid, van de
Werkloosheidswet. Op
grond van bij algemene maatregel van bestuur te stellen rekenregels wordt
bij ministeriële regeling een gemiddeld percentage vastgesteld.
Onderdeel C
Door middel van de
wijziging in dit onderdeel wordt duidelijk gemaakt dat de ruime definitie
van het begrip kind in het eerste lid van artikel 5
(eigen kind, aangehuwd
kind of pleegkind) alleen betrekking heeft op het begrip kind met
betrekking tot het recht op nabestaandenuitkering. Voor het recht op
wezenuitkering en halfwezenuitkering telt alleen het eigen kind. Een kind kan dus
geen wees of halfwees worden door het overlijden van een pleegouder of een
aangehuwd ouder.
rblz.|5|
Onderdeel D
De situatie kan zich
voordoen dat op het moment van overlijden van een verzekerde het kind
van de nabestaande in een ander huishouden is ondergebracht. Alsdan
voldoet de nabestaande op dat moment niet aan de voorwaarde, genoemd in
artikel 14, eerste lid, onderdeel a, dat het kind niet tot het huishouden
van een ander behoort. Indien het kind van de overlevende ouder enig
moment nadien tot diens huishouden gaat behoren als gevolg van
het overlijden van de andere ouder, is het redelijk dat alsnog voor die
nabestaande het recht op nabestaandenuitkering kan ingaan. Het nieuwe derde
lid van artikel 14 voorziet daarin.
Onderdeel E
Gelet op het feit dat de
uitkering tot levensonderhoud wordt aangemerkt als een bruto-uitkering
dient voor de bepaling van de nabestaandenuitkering
eveneens te worden uitgegaan van het brutobedrag van deze laatste uitkering.
Onderdeel F
Artikel
19, tweede lid, is
overbodig geworden door het opnemen van de amendementen-Kalsbeek-Jasperse
c.s. (Kamerstukken
II 1995-1996, 24 169, nr. 9) in het oorspronkelijke
wetsvoorstel Anw. Het tweede lid voorzag in de
situatie dat de hoogte van de
nabestaandenuitkering wijzigde tengevolge van het al dan niet aanwezig zijn
van een kind onder de 18 jaar. Thans kan de hoogte van de
nabestaandenuitkering alleen worden herzien ingeval er sprake is van wijziging
van het inkomen. Deze situatie is geregeld in het eerste lid. Het tweede
lid kan derhalve vervallen.
Onderdeel G
De wijziging van het
eerste en tweede lid houdt verband met de definiëring van het
begrip "halfwees" in artikel 1.
In artikel 22 Anw
is
verder niet expliciet aangegeven op welk moment het recht op
halfwezenuitkering ingaat, terwijl dat wel voor de nabestaandenuitkering
(artikelen 14, tweede lid, 19, eerste lid) en voor de
wezenuitkering (artikel 26, derde lid) is geregeld. Het voorgestelde derde
lid van artikel 22
voorziet alsnog in een daartoe strekkende regeling. Dit is bijvoorbeeld van belang
voor de gescheiden ouder die na het overlijden van de ex-echtgenoot zijn
kind in zijn huishouden opneemt. Het recht op halfwezenuitkering gaat pas in als dat laatste het geval is.
Voorts is op basis van
artikel 22 Anw niet uitgesloten dat meer personen
aanspraak kunnen maken op
een halfwezenuitkering voor hetzelfde kind of dezelfde kinderen. Zo
kan zich de situatie voordoen dat man en vrouw gescheiden zijn en hun
kinderen bij de man verblijven die een gezamenlijke huishouding is gaan
voeren met een ander. Op het moment dat de vrouw, moeder van de kinderen,
overlijdt, kan het zijn dat er twee verzorgers zijn van de kinderen, de man
en diens partner, die mede zorg is gaan dragen voor de kinderen als ware
hij ouder. Uit de behandeling van het wetsvoorstel Anw
is
echter naar voren gekomen dat het overlijden van een vader of een moeder
slechts één recht op halfwezenuitkering kan opleveren binnen een huishouding. Teneinde dit te bewerkstelligen, regelt
het voorgestelde vierde
lid van artikel 22 dat met betrekking tot het
overlijden van een ouder
recht bestaat op één halfwezenuitkering, ongeacht het aantal kinderen van de overledene dat binnen het
huishouden wordt verzorgd
en onderhouden en dat slechts één nabestaande binnen het
huishouden recht verkrijgt op deze halfwezenuitkering. In die situaties, waarin
meer personen zijn aan te merken als nabestaande, bepaalt de
Bank [Sociale Verzekeringsbank, red.] ingeval meer aanvragen uit
een rblz.|6|
huishouding worden gedaan
voor een halfwezenuitkering voor hetzelfde kind/dezelfde kinderen,
welke nabestaande recht op halfwezenuitkering heeft. Wettelijk is het
opnemen van een volgorde van rechthebbenden niet regelbaar. In de praktijk
zal in voorkomende gevallen moeten worden bepaald wie de meest in
aanmerking komende persoon is ten aanzien van de halfwezenuitkering.
Voor alle duidelijkheid kan nog worden opgemerkt dat wanneer de kinderen
van een overledene in verschillende huishoudens worden
verzorgd en onderhouden, binnen elk van deze huishoudens recht bestaat
op een halfwezenuitkering.
Onderdeel H
De wijziging van
artikel
24 houdt verband met de definiëring van het begrip "halfwees" in
artikel 1.
Onderdeel I
Eén van de rechthebbenden
met betrekking tot de wezenuitkering is een kind van 16 of 17 jaar
dat arbeidsongeschikt is. In artikel 26 is niet
aangegeven welke periode
relevant is om een kind als arbeidsongeschikt aan te merken. Deze
wijziging voorziet daarin. Daarbij is aangesloten bij de vereiste arbeidsongeschiktheidsperiode als genoemd in
artikel 14. Daarbij is niet vereist
dat op de dag van overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag dat het
betrokken kind 16 jaar wordt, deze arbeidsongeschiktheid bestaat. Ook in de
periode dat het kind al 16 jaar is maar nog geen 18 jaar, kan
arbeidsongeschiktheid ontstaan, waardoor het onder artikel
26, tweede lid,
onderdeel b, valt, terwijl het kind voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid
bijvoorbeeld viel onder onderdeel a of c van dat artikellid.
De redactie van het derde
lid is overeenkomstig het advies van de Raad van State in
overeenstemming gebracht met de redactie van artikel
22, derde lid.
Onderdeel J
Artikel
32, eerste lid,
is aangepast omdat door toepassing van niet alleen artikel
18, maar
ook artikel 67 de nabestaandenuitkering vermindering
kan ondergaan. Daarnaast
kan de uitkering door toepassing van artikel 67 op een lager
bedrag uitkomen, zonder dat er in strikte zin sprake is van een vermindering.
Zo blijft op grond van artikel 67, eerste lid,
onderdeel d, van de
nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het nettominimumloon
buiten aanmerking.
Onderdeel K [zie
art. I, onderdeel M, van de
wet, red.]
Op de achtergronden die
geleid hebben tot het aanbrengen van aanpassingen in artikel
67 is in het algemeen deel van deze memorie reeds ingegaan.
In het eerste lid is
verduidelijkt dat het overgangsregime uitsluitend geldt tot het moment dat
op basis van de Anw een nieuw recht op nabestaandenuitkering
ontstaat. Dat betekent derhalve onder meer dat de vrijlating van inkomsten
zoals geregeld in het nieuwe tweede lid van toepassing is voor zolang
de uitkering van een persoon op de voet van de situatie van vóór 1 juli
1996 doorloopt. Ook de inkomensgarantie van 30% van het nettominimumloon,
die in onderdeel d van dit lid is opgenomen, geldt slechts tot het
moment dat een nieuw recht op nabestaandenuitkering op grond van de Anw
ontstaat. In verband hiermee kan nog worden opgemerkt dat het
nieuwe vierde lid bepaalt dat voor personen, in dat lid nader omschreven,
geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat en dus het oude regime
voor hen doorloopt.
rblz.|7|
Het eerste lid bepaalt
overigens dat betrokkene een recht op nabestaandenuitkering
heeft overeenkomstig de bepalingen van de Anw.
Dat impliceert onder
andere dat zodra betrokkene na 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding
gaat voeren als bedoeld in artikel 3, zijn nabestaandenuitkering
eindigt.
Voorts is in het eerste
lid (onderdeel b) nieuw opgenomen dat een uitkering op grond van de
AAW volledig op de nabestaandenuitkering in mindering wordt
gebracht. Deze uitkering werd namelijk ook reeds onder het AWW-regime niet
uitbetaald. Voor deze uitkering geldt de vrijlating van inkomen in
verband met arbeid tot een bedrag van 50% van het brutominimumloon
niet. Ditzelfde geldt voor een uitkering aan nagelaten betrekkingen op
grond van de wetgeving van de Nederlandse Antillen, van Aruba, van
een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie. Vanaf 1
januari 1998 wordt deze buitenlandse uitkering op de
nabestaandenuitkering in mindering gebracht. Tot die datum zullen op de
nabestaandenuitkering en de eventuele halfwezenuitkering de bepalingen van het op
basis van artikel 30a van de Algemene Weduwen- en Wezenwet
getroffen besluit worden toegepast (het nieuwe zevende lid). Hierdoor
wordt voorkomen dat de hoogte van de nabestaandenuitkering waarop deze gerechtigden
vanaf 1 juli 1996 recht hebben, afwijkt van de hoogte van
het weduwenpensioen volgens de AWW. Hiervoor is het ook nodig
dat de fictie wordt ingebouwd dat het bedrag van de
nabestaandenuitkering gelijk is aan het totaal van de nabestaandenuitkering en
de eventuele halfwezenuitkering (vijfde lid). Deze fictie is ook nodig
om te voorkomen dat er per 1 juli 1996 een wijziging in de hoogte
van de uitkering optreedt in de gevallen waarin de hoogte van het
AWW-pensioen is vastgesteld met de toepassing van EG-verordening 1408/71 of
een verdrag inzake sociale zekerheid (zesde lid). Vanaf 1 januari
1998 kunnen voor deze AWW-gerechtigden net als voor andere
AWW-gerechtigden wel wijzigingen in de hoogte van de uitkering optreden.
Het nieuwe tweede lid
geeft een ruimere vrijlating van inkomen voor diegenen die reeds recht
hadden op AWW-uitkering. Deze verruiming ten opzichte van hetgeen in
artikel 18 is geregeld, impliceert de vrijlating van inkomsten in verband met
arbeid tot een bedrag gelijk aan 50% van het brutominimumloon. Met betrekking tot inkomsten uit arbeid komt de
regeling in dit lid
overeen met hetgeen artikel 18 regelt. Ingeval
een persoon zowel inkomen uit
als in verband met arbeid heeft, worden voor de berekening van de
vrijlating deze inkomens bijeengeteld. Van dat totaalbedrag wordt een
bedrag van 50% van het brutominimumloon buiten aanmerking
gelaten. Vervolgens moet apart gekeken worden naar de hoogte van de
inkomsten uit arbeid. Overstijgen deze inkomsten uit arbeid het bedrag van 50%
van het brutominimumloon, dan wordt een derde van het bedrag
waarmee de 50% van het brutominimumloon wordt overstegen eveneens
buiten aanmerking gelaten. Het bedrag dat de uitkomst vormt van deze
berekening wordt opgeteld bij de 50% van het brutominimumloon die al
buiten aanmerking wordt gelaten. Het totaal van deze bedragen vormt
de totale vrijlating.
In het nieuwe derde lid
is naast het toetsingsmoment van het voeren van een gezamenlijke
huishouding op de dag van inwerkingtreding van de Anw (1 juli 1996), een
tweede toetsingsmoment toegevoegd, te weten 31 december 1997. Dat tweede
toetsingsmoment is noodzakelijk in verband met beantwoording van de
vraag welke overgangsrechten toekomen aan samenwonende AWW-ers. Dit
is in overeenstemming met wat in de memorie van antwoord op
het wetsvoorstel Anw tijdens de Eerste-Kamerbehandeling is
gesteld.
Aangezien uitkeringen op
grond van de AAW niet werden uitbetaald ingeval recht bestond op
een AWW-pensioen en bij samenloop met een uitkering aan nagelaten
betrekkingen op grond van wetgeving van de Nederlandse Antillen, van
Aruba, van een andere mogendheid of van een rblz.|8|
volkenrechtelijke organisatie een korting op het AWW-pensioen werd
toegepast, ligt het
evenmin voor de hand bij samenloop van zo’n uitkering met Anw-uitkering een
gedeeltelijke Anw-uitkering te laten doorlopen. Dat impliceert dat op een tot
30% van het nettominimumloon verlaagde Anw-uitkering deze
uitkeringen, in tegenstelling tot andere inkomsten, wel in mindering worden
gebracht.
Met betrekking tot het
nieuwe vierde lid kan het volgende worden opgemerkt. Gelet op het
feit dat samenwonende AWW-ers na de dag van inwerkingtreding van de
Anw krachtens het overgangsrecht hun recht op nabestaandenuitkering
behouden tot 1 januari 1998, ligt het tot die datum niet voor de hand deze
personen onder het nieuwe regime te brengen door hun een nieuwe
nabestaandenuitkering toe te kennen als hun partner overlijdt, omdat
zij tot 1 januari 1998 in feite voor de toepassing van de Anw niet als samenwonend worden beschouwd. Bovendien biedt
het overgangsrecht hun
meer voordelen dan een nieuwe nabestaandenuitkering. Datzelfde geldt voor het
recht op halfwezenuitkering, in gevallen dat het nettoweduwenpensioen op grond van artikel 19, vijfde lid,
onderdeel b, van de AWW
op het nettominimumloon per maand was vastgesteld. Indien het
hebben van een kind (halfwees) niet in de AWW-uitkering was geïncorporeerd,
ontstaat wel een recht op halfwezenuitkering, mits aan de voorwaarden van
artikel 22 en volgende van de wet is voldaan.
Het nieuwe achtste lid
voorziet in de mogelijkheid regels te stellen voor situaties waarin het
overgangsrecht niet of niet voldoende voorziet. Deze bepaling wordt
ingevoerd
omdat zich ten aanzien van personen die zich in de overgangssituatie
bevinden omstandigheden kunnen voordoen waarbij het
overgangsrecht tot onbedoelde consequenties leidt. Deze onbedoelde consequenties
zouden onder meer kunnen bestaan in het niet onder het overgangsrecht
brengen van personen, het verlies van aanspraken tijdens de overgangsperiode of het ontstaan van een hogere
aanspraak, in strijd met
de bedoelingen van deze wet. Deze onbedoelde situaties kunnen op dit
moment nog niet worden geduid en dus evenmin van een regeling in de
wet worden voorzien. Bovendien is de verwachting dat dergelijke situaties
slechts sporadisch zullen voorkomen. Met het oog daarop is geopteerd voor
de mogelijkheid een ministeriële regeling te treffen waarlangs
dergelijke onbedoelde consequenties kunnen worden vermeden.
Onderdeel L [zie
art. I, onderdeel N, van de
wet, red.]
In
artikel 68 wordt de
bevriezing van de 100%-AWW-uitkering geregeld. De bevriezing houdt in
dat de AWW-gerechtigde met een kind onder de 18 jaar netto hetzelfde
bedrag blijft ontvangen tot het moment dat dat nettobedrag gelijk is aan
de som van de op dat moment bestaande nabestaandenuitkering en
halfwezenuitkering.
Artikel 68 van de Anw
is
thans zo geredigeerd dat aan de nabestaande met een
100%-AWW-uitkering een nabestaandenuitkering wordt gegarandeerd die gelijk is aan 80% van
het nettominimumloon zoals dat geldt op 30 juni 1996. Op basis
van dit nettobedrag wordt vervolgens de brutonabestaandenuitkering vastgesteld,
waarbij
tariefgroep 4 van de loonbelasting als
referentie wordt gehanteerd. Daarnaast ontvangt betrokkene de
halfwezenuitkering. Brutering op deze wijze leidt er echter toe dat betrokkene netto
in totaal circa ƒ140,- per maand minder ontvangt dan in de oude
situatie. Deze inkomensachteruitgang is niet beoogd. Om die reden
wordt in onderdeel L [zie artikel I, onderdeel N, van de
wet, red.] de combinatie van nabestaandenuitkering en
halfwezenuitkering bevroren en wordt de totale uitkering ter hoogte van
100% nettominimumloon in één keer gebruteerd tot een bruto-uitkering.
Op die manier wordt bereikt dat betrokkene na de inwerkingtreding van de
Anw netto hetzelfde bedrag zal ontvangen.
rblz.|9|
Hetzelfde geldt voor
artikel 72 (onderdeel O [zie artikel I,
onderdeel Q, van de wet, red.]), waarin de bevriezing van de vakantie-uitkering wordt
geregeld.
Onderdeel M [zie
art. I, onderdeel O, van de
wet, red.]
Artikel 69 wordt op twee
onderdelen aangepast. Allereerst wordt het recht op tijdelijke
weduwenuitkering gewaarborgd tot de dag waarop een nieuw recht op
nabestaandenuitkering ontstaat. Hoewel dit slechts sporadisch zal voorkomen,
wordt nu in overeenstemming met het overige overgangsrecht in het
eerste lid geregeld dat dit recht geldt tot het moment dat een nieuw
recht op uitkering aan de Anw kan worden ontleend. In het tweede
lid wordt geregeld dat een persoon die aan het eind van de periode dat
hij tijdelijke weduwenuitkering heeft arbeidsongeschikt is, recht op
nabestaandenuitkering heeft.
Aannemelijk moet dan wel
zijn dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden voortduurt. Eén en ander is in lijn met het regime van de AWW. Op grond van die wet
was geregeld dat een betrokkene die arbeidsongeschikt werd
recht op AWW-uitkering had na ommekomst van de tijdelijk
weduwenuitkering.
Onderdeel N [zie
art. I, onderdeel P, van de
wet, red.]
Voor diegenen die recht
op AWW-uitkering hadden en een gezamenlijke huishouding voeren, is in
artikel 67, derde lid, geregeld dat het recht op nabestaandenuitkering
eerst eindigt met ingang van 1 januari 1998. Voor de zogenoemde
huishoudwezen was dat niet geregeld. Artikel 71, derde
lid, voorziet er alsnog
in dat het recht op wezenuitkering niet per 1 juli 1996, doch eerst met
ingang van 1 januari 1998 eindigt. Daarbij gelden dezelfde eisen als in
artikel 67, derde lid, verwoord. Er dient sprake te zijn van een
gezamenlijke
huishouding op de dag van inwerkingtreding van de Anw, te weten 1 juli
1996, welke huishouding nog steeds wordt gevoerd op 31 december 1997.
Onderdeel O [zie
art. I, onderdeel Q, van de
wet, red.]
In dit onderdeel wordt de
bevriezing van de vakantie-uitkering geregeld, door de overeenkomstige toepassing van
artikel 68.
Onderdeel P [zie
art. I, onderdeel R, van de
wet, red.]
In artikel 38, eerste lid
van de AAW wordt, uitgaande van de eindiging van het overgangsrecht
met betrekking tot de nabestaandenuitkering per 1 januari 1998, een
aanspraak op heropening van de AAW-uitkering per die dag verleend. Een Anw-uitkering kan echter op een eerdere dag
eindigen dan op 1 januari
1998. Is dat het geval, dan ligt het in de rede de aanspraak op heropening
toe te kennen per de datum waarop de Anw-uitkering is geëindigd.
Onderdeel Q. [zie
art. I, onderdeel S, van de
wet, red.]
Dit betreft een
technische wijziging. Wetsvoorstel 24 258 heeft inmiddels kracht van wet
gekregen (Stb. 1995, 696). Het oorspronkelijke
artikel I, onderdeel C,
is in de loop van de behandeling van dat wetsvoorstel gewijzigd in artikel
I, onderdeel D.
Onderdeel R [zie
art. I, onderdeel T, van de
wet, red.]
Het betreft hier herstel
van een foutieve verwijzing.
rblz.|10|
Artikel
II.
Inwerkingtreding
Met het oog op een juiste
vaststelling van recht en hoogte van nabestaandenuitkering,
halfwezenuitkering en wezenuitkering is het van belang dit wetsvoorstel
tegelijkertijd met de Algemene nabestaandenwet
in werking te doen
treden, namelijk per 1 juli 1996. Aangezien niet uitgesloten kan worden
dat de dag waarop het Staatsblad waarin deze wet is geplaatst, wordt
uitgegeven op een datum gelegen na 1 juli 1996, is voor dat geval voorzien in
terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1996.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|
|