|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 24 554.
Handelingen II 1995-1996, blz. 6475-6488, 6696-6697.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 554 (318 (herdr.)); 1996-1997, 24 554 (15,
15a, 15b).
Handelingen I 1996-1997, blz. 242-264.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 november 1996, Stb.
1996, 619, tot invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996). Inwerkingtreding: 1 januari 1997 (Stb.
1996, 660).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en enkele daarmee
samenhangende onderwerpen te
regelen, alsmede om verder uitvoering te geven aan de Richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1991 betreffende
de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de
verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers
met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendbetrekkingen
(91/383/EEG; PbEG nr. L 206);
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
Centraal Bestuur, Regionaal Bestuur, Algemene Directie en Regionale
Directie: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Arbeidsvoorzieningswet
1996;
b. Onze Minister: Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
HOOFDSTUK
2
Overgangsrecht
arbeidsvoorzieningswet
AFDELING
1
Algemeen
Art. 2.
[MvT]
-1. De Arbeidsvoorzieningswet en de
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet worden ingetrokken.
-2. Voor de verschillende artikelen of
onderdelen van de artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet kan bij
koninklijk besluit het tijdstip waarop deze vervallen verschillend
worden gesteld.
Art. 3.
[MvT]
-1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
genoemd in artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als
rechtspersoon gehandhaafd.
-2. Waar in een wettelijk voorschrift of
enige andere regeling sprake is van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of
één van haar organen als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als
zodanig beschouwd de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel het daartoe
behorende orgaan, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996.
Art. 4.
[MvT]
Aan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters, de leden en de
plaatsvervangende leden van het
Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening en van de Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening die op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet die functies bekleden, wordt met ingang van
die datum ontslag verleend.
Art. 5.
[MvT]
Aan de leden van de raad, bedoeld in artikel 74 van de
Arbeidsvoorzieningswet, die op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet die functie bekleden, wordt met ingang van
die datum ontslag verleend.
Art. 6.
[MvT]
De ontslagcommissie, bedoeld in artikel 37 van de
Arbeidsvoorzieningswet, de benoemingen van leden en plaatsvervangende
leden van die commissie, voor de daarbij vastgestelde tijd, en de regels
die zijn gesteld op grond van het zevende en het achtste lid van genoemd
artikel, berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 43 van die wet.
Art. 7.
[MvT]
De algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 61, eerste lid,
onderdeel d, van de Arbeidsvoorzieningswet berust met ingang van de
datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel
69, eerste lid, onderdeel d, van die wet.
Art. 8.
[MvT]
De door het
Centraal Bestuur op grond van de artikelen 18 en 21, derde
lid, onderscheidenlijk 66, eerste lid, 67 en 69 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum
van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 23,
onderscheidenlijk de artikelen 74, eerste lid, 75 en 77 van die wet.
Art. 9.
[MvT]
De door de Regionale Besturen op grond van de artikelen 30 en 33, derde
lid, van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang
van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996,
doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang waarvan het
Centraal Bestuur toepassing geeft aan artikel 23, onderdeel b, van die wet, op artikel 35
van laatstbedoelde wet.
Art.
10. [MvT]
Het reglement, bedoeld in artikel 19 van de Wet persoonsregistraties en
vastgesteld door het
Centraal Bestuur op grond van artikel 66, tweede
lid, van de Arbeidsvoorzieningswet, berust met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot
en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op
artikel 74, tweede lid, van die wet.
Art.
11. [MvT]
De door het
Centraal Bestuur op grond van artikel 14, tweede lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde en door Onze Minister op grond van
artikel 109 van die wet goedgekeurde regels berusten met ingang van de
datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch
uiterlijk tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die
datum, op artikel 19, onderdeel b, van die wet en gelden voor hetzelfde
tijdvak als goedgekeurd door Onze Minister op grond van artikel 87 van
laatstbedoelde wet.
Art.
12. [MvT]
De door het
Centraal Bestuur op grond van artikel 27 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum
van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk
tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op
artikel 32 van die wet en gelden voor hetzelfde tijdvak als goedgekeurd
door Onze Minister op grond van artikel 87 van laatstbedoelde wet.
Art.
13. [MvT]
De door het
Centraal Bestuur op grond van artikel 99 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels en de daarop steunende besluiten
berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 81, eerste en tweede lid, van die
wet.
Art.
14. [MvT]
De door de Regionale Besturen
op grond van artikel 99 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels en de daarop steunende besluiten
berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang
waarvan het
Centraal Bestuur toepassing geeft aan artikel 81, derde lid,
van die wet, op artikel 81, eerste en tweede lid, van laatstbedoelde
wet.
Art.
15. [MvT]
De vaststelling van het aantal en de werkgebieden van de Regionale Besturen, zoals deze ingevolge besluit van het
Centraal Bestuur op grond
van artikel 9 van de Arbeidsvoorzieningswet geldt, berust met ingang van
de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op
artikel 13 van die wet.
Art.
16. [MvT]
-1. Ten aanzien van de oprichting of
medeoprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen,
vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge
waarborgmaatschappijen door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
die heeft
plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
artikel 10, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 eerst na
verloop van één jaar na die datum van toepassing.
-2. Ten aanzien van een oprichting,
medeoprichting of deelneming als bedoeld in het eerste lid waaruit geen
verplichtingen, rechten of bevoegdheden van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie met betrekking tot de stichting,
maatschap, vennootschap, vereniging, coöperatie of onderlinge
waarborgmaatschappij zijn voortgevloeid of nog kunnen voortvloeien, is
artikel 10, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 niet van
toepassing.
Art.
17. [MvT]
-1. Onze Minister
is bevoegd in plaats van
de tijdstippen, genoemd in de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk II van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, andere tijdstippen vast te stellen alsmede
te bepalen dat anderszins wordt afgeweken van de bij of krachtens die
afdelingen gegeven regels dan wel dat de toepassing daarvan achterwege
blijft, voor zover dat in verband met de datum van inwerkingtreding van
die wet noodzakelijk is.
-2. Onze Minister is bevoegd, voor zover
dat in verband met de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 noodzakelijk is, regels te stellen met
betrekking tot de bevoegdheid van het
Centraal Bestuur en de Regionale Besturen tot het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven en
de daaraan ten grondslag te leggen begrotingen en beleidsplannen.
-3. Onze Minister is overigens bevoegd met
het oog op een goede invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 regels
te stellen, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij
en krachtens die wet en de Arbeidsvoorzieningswet.
-4. Alvorens toepassing te geven aan dit
artikel hoort Onze Minister het
Centraal Bestuur.
Art.
18. [MvT]
Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet arbeid
gehandicapte werknemers, gelden artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van
de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en artikel 72, derde lid, van de
Werkloosheidswet niet met betrekking tot personen als bedoeld in artikel
16, derde lid, van eerstgenoemde wet.
AFDELING
2
Intermediaire
dienstverlening op de arbeidsmarkt
Art.
19. [MvT]
In afwijking van artikel 2, eerste lid, blijven van de
Arbeidsvoorzieningswet van kracht:
a. artikel 1, eerste lid, onderdeel
h en i, tweede, derde en vierde lid;
b. de paragrafen 3 en 4 van afdeling
2 van hoofdstuk III en de daarop berustende besluiten en regelingen;
c. artikel 110, voor zover
betreffende besluiten en regelingen als bedoeld in de artikelen 83, 84,
eerste lid, 86, eerste lid, 91, 92, eerste lid, en 94, eerste lid;
d. artikel 116 en de daarop
berustende aanwijzingen, voor zover betreffende het toezicht op de
naleving van het bepaalde bij en krachtens de artikelen 82, eerste lid,
83, 85, 86, eerste lid, 90, 91, 93, eerste lid, en 94, eerste lid;
e. artikel 118, voor zover
betreffende besluiten op grond van de in dit artikel genoemde bepalingen
van de Arbeidsvoorzieningswet.
Art.
20. [MvT]
Artikel 19 geldt met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van de
artikelen 82 tot en met 89 van de Arbeidsvoorzieningswet met
arbeidsbemiddeling wordt gelijkgesteld dienstverlening met het doel de
totstandkoming van overeenkomsten tot het verrichten van arbeid, niet
zijnde arbeidsovereenkomsten, te bevorderen ten behoeve van
beroepsbeoefenaars op het gebied van kunsten, amusement en beroepssport;
en
b. in afwijking van de artikelen 83,
eerste lid, 86, eerste lid, 91, eerste lid, en 94, eerste lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet met betrekking tot de daar bedoelde
besluitvorming van het
Centraal Bestuur artikel 22 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 van toepassing is.
Art.
21. [MvT]
Degene die aan een ander arbeidskrachten ter beschikking
stelt, als
bedoeld in de artikel 1, eerste lid, onderdeel i, en derde lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet, verschaft informatie over de verlangde
beroepskwalificatie alsmede het document, bedoeld in artikel 4, vijfde
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, aan degene die ter beschikking
wordt gesteld, voordat de terbeschikkingstelling een aanvang neemt.
HOOFDSTUK
3
Wijziging
van andere wetten
Art.
22. [MvT]
De
Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd.
A. [MvT]
Artikel 26, eerste lid, onderdeel f, wordt vervangen door:
f. mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk
wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid dan wel aan andere
aangewezen activiteiten die daarvoor bevorderlijk zijn;.
B. [MvT]
Artikel 29 vervalt.
C.
Hoofdstuk VI wordt getiteld: HOOFDSTUK VI. Reïntegratiemaatregelen
D. [MvT]
Artikel 72 komt te luiden:
Art. 72.
-1. De bedrijfsvereniging heeft mede tot taak de inschakeling in de
arbeid te bevorderen van werknemers die recht op uitkering hebben op
grond van hoofdstuk IIa of IIb, behoudens voor zover het betreft de
taken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, onderdeel a, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996.
-2. Bij de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak werkt de
bedrijfsvereniging samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-3. Voor zover de uitvoering van het eerste lid het geschikt maken voor
inschakeling in de arbeid van moeilijk plaatsbare werkloze werknemers
betreft, in het bijzonder door scholing, en bijzondere inspanningen voor
hun arbeidsbemiddeling, draagt de bedrijfsvereniging dit, in afwijking
van artikel 57, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen,
op aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden, niet zijnde
uitvoeringsinstellingen als bedoeld in artikel 51 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen.
-4. De bedrijfsvereniging is slechts bevoegd voor de uitvoering van de
taak door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of derden op grond van het
derde lid een vergoeding te betalen indien de aanwending van de
rijksbijdrage door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ten behoeve van die
moeilijk plaatsbare werkloze werknemers in een overeenkomst tussen de
bedrijfsvereniging en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is vastgelegd.
-5. De bedrijfsvereniging stelt jaarlijks een plan op dat beschrijft op
welke wijze zij uitvoering geeft aan het eerste, tweede en derde lid.
Dit plan wordt gevoegd bij de begroting, bedoeld in artikel 79, derde
lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen.
-6. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt
nadere regels omtrent het plan, bedoeld in het vijfde lid. Deze regels
behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld die door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming bij de toepassing van het zesde lid van dit artikel en het
eerste en derde lid van artikel 93a in acht worden genomen.
E. [MvT]
Na artikel 93 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 93a.
-1. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt
jaarlijks ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor de
vergoedingen, bedoeld in artikel 72, vierde lid, aan de
bedrijfsverenigingen een bedrag ter beschikking.
-2. De verdeling van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, over de
bedrijfsverenigingen vindt plaats aan de hand van de plannen, bedoeld in
artikel 72, vijfde lid.
-3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt
regels met betrekking tot de besteding door de bedrijfsverenigingen van
het bedrag, bedoeld in het eerste lid, alsmede met betrekking tot de
verantwoording en verslaglegging daarvan. Deze regels behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
Art.
23. [MvT]
De Organisatiewet sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd.
A. [MvT]
In artikel 37, onderdeel a, vervalt ", bedoeld in artikel 9 van de
Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402)".
B. [MvT]
Aan artikel 63 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten, bedoeld in dit artikel.
C. [MvT]
In artikel 97, onderdeel c, wordt "de Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening" vervangen door: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
D. [MvT]
Aan artikel 102 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-4. De bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd
uit de door hen of in hun opdracht gevoerde administratie aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en aan derden de gegevens te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 72 van de
Werkloosheidswet.
Art.
24. [MvT]
De Algemene bijstandswet wordt als volgt gewijzigd.
A. [MvT]
Artikel 111 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de bedrijfsverenigingen om de
inschakeling van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces te
bevorderen.
2. In het vierde lid wordt "Bij algemene
maatregel van bestuur" vervangen door: Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
B. [MvT]
Artikel 128 komt te luiden:
Art. 128.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit de administratie ter zake van
de uitvoering van deze wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en aan
derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van artikel 137a.
C. [MvT]
In hoofdstuk X wordt na artikel 137 een artikel toegevoegd, luidende:
Art. 137a.
-1. Onze Minister verstrekt, volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels, aan burgemeester en wethouders van gemeenten
ten laste van ’s Rijks kas een uitkering die door deze bij
de uitvoering van artikel 111, eerste lid, dient te worden besteed voor
het betalen van een vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of
aan derden voor door deze verleende diensten gericht op het geschikt
maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en
voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk
plaatsbare bijstandsgerechtigden.
-2. Onze Minister kan de toepassing van het eerste lid beperken tot door
hem aan te wijzen gemeenten.
Art.
25. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd.
A. [MvT]
Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd.
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de bedrijfsverenigingen om de
inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in
het arbeidsproces te bevorderen.
2. In het vierde lid wordt "Bij algemene
maatregel van bestuur" vervangen door: Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
B. [MvT]
Artikel 51 komt te luiden:
Art. 51.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit de administratie ter zake van
de uitvoering van deze wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en aan
derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van artikel 59a.
C. [MvT]
In hoofdstuk V wordt na artikel 59 een artikel toegevoegd, luidende:
Art. 59a.
-1. Onze Minister verstrekt, volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels, aan burgemeester en wethouders van gemeenten
ten laste van ’s Rijks kas een uitkering die door deze bij
de uitvoering van artikel 34, eerste lid, dient te worden besteed voor
het betalen van een vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of
aan derden voor door deze verleende diensten gericht op het geschikt
maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en
voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
-2. Onze Minister kan de toepassing van het eerste lid beperken tot door
hem aan te wijzen gemeenten.
Art.
26. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd.
A. [MvT]
Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd.
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de bedrijfsverenigingen om de
inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in
het arbeidsproces te bevorderen.
2. In het vierde lid wordt "Bij algemene
maatregel van bestuur" vervangen door: Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
B. [MvT]
Artikel 51 komt te luiden:
Art. 51.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit de administratie ter zake van
de uitvoering van deze wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en aan
derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van artikel 59a.
C. [MvT]
In hoofdstuk V wordt na artikel 59 een artikel toegevoegd, luidende:
Art. 59a.
-1. Onze Minister verstrekt, volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels, aan burgemeester en wethouders van gemeenten
ten laste van ’s Rijks kas een uitkering die door deze bij
de uitvoering van artikel 34, eerste lid, dient te worden besteed voor
het betalen van een vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of
aan derden voor door deze verleende diensten gericht op het geschikt
maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en
voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
-2. Onze Minister kan de toepassing van het eerste lid beperken tot door
hem aan te wijzen gemeenten.
Art.
27. [MvT]
Aan artikel 16 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers worden vier
nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-4. De bedrijfsverenigingen en het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel stellen jaarlijks
een plan op dat beschrijft op welke wijze zij uitvoering geven aan het
tweede lid.
-5. De bedrijfsvereniging voegt het plan, bedoeld in het vierde lid, bij
de begroting, bedoeld in artikel 79, derde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen.
-6. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt
nadere regels omtrent het plan van de bedrijfsvereniging, bedoeld in het
vierde lid. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-7. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt nadere regels omtrent het
plan van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel,
bedoeld in het vierde lid.
Art.
28. [MvT]
In artikel 76, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering vervalt de zinsnede ", onder
goedkeuring van het College van toezicht sociale
verzekeringen,".
Art.
29. [MvT]
De Noodwet
Arbeidsvoorziening wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 5, tweede lid, wordt "Arbeidsvoorzieningswet" vervangen
door: Arbeidsvoorzieningswet 1996.
B.
In artikel 52a vervalt de tweede volzin.
Art.
30. [MvT]
In artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet
wordt onderdeel x
vervangen door:
x. de leden van het
Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening en de voorzitter en de leden van de Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening, als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996,
alsmede hun plaatsvervangers, en.
Art.
31. [MvT]
In artikel 1, onder 4º, van de Wet
op de economische delicten vervalt in de vermelding bij de Arbeidsvoorzieningswet "71, eerste
lid,".
Art.
32. [MvT]
Aan de bijlage bij de Algemene wet
bestuursrecht, onderdeel F (Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid), wordt toegevoegd:
3. Artikel 42 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996.
HOOFDSTUK
4
Overige en
slotbepalingen
Art.
33. [MvT]
-1. Tot een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip is in afwijking van:
a. artikel
72, derde en vierde lid,
van de
Werkloosheidswet;
b. artikel
137a van de Algemene bijstandswet;
c. de artikelen 59a
van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
de vergoeding die ter zake ten
laste van ’s Rijks kas bij of krachtens wet is vastgesteld of ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds bij wet is vastgesteld,
slechts bestemd voor vergoeding voor de dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-2. De dienstverlening kan, tot het in het
eerste lid bedoelde tijdstip, op grond van de in het eerste lid vermelde
artikelen behalve aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie slechts dan ook
aan derden worden opgedragen indien de aanwending van de in het eerste
lid bedoelde, voor de dienstverlening door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie beschikbare budgetten, in een
overeenkomst tussen de bedrijfsvereniging onderscheidenlijk burgemeester
en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is vastgelegd.
-3. Onze Minister
kan regels stellen met
betrekking tot het eerste en tweede lid, alsmede met betrekking tot de
mate waarin na het in het eerste lid bedoelde tijdstip vergoeding als
daar bedoeld dient te worden aangewend voor vergoeding voor
dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-4. Een besluit als bedoeld in het eerste
lid wordt niet genomen en regels op grond van het derde lid met
betrekking tot de mate waarin na het in het eerste lid bedoelde tijdstip
vergoeding als daar bedoeld dient te worden aangewend voor vergoeding
voor dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden niet
vastgesteld dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het voornemen
daartoe is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
34. [MvT]
-1. De in artikel 19 genoemde artikelen en
onderdelen van de Arbeidsvoorzieningswet en daarop berustende besluiten
en regelingen vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend
kan worden gesteld.
-2. Op het tijdstip waarop ingevolge het
eerste lid de artikelen 82, eerste lid, 83, 85, 86, eerste lid, 90, 91,
93, eerste lid, en 94, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet
vervallen, vervalt in artikel 1, onder 4º, van de Wet
op de economische delicten "de Arbeidsvoorzieningswet, de artikelen 82, eerste
lid, 83, 85, 86, eerste lid, 90, 91, 93, eerste lid, en 94, eerste lid".
Art.
35.
Het
Centraal Bestuur geeft in elk geval met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en vervolgens
gedurende het tijdvak van de eerste vier kalenderjaren na die datum in
elk geval telkens met ingang van ieder kalenderjaar toepassing aan
artikel 68, onderdeel a tot en met e, van die wet.
Art.
36. [MvT]
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
1. Bij Besluit
van 14 december 1996, Stb. 1996, 660, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1997, met uitzondering van artikel
72, derde tot en met zevende lid, van de Werkloosheidswet
in artikel 22, onderdeel D, en artikel 22, onderdeel
E, die niet in
werking treden, red.
Art.
37.
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet
1996.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 november 1996
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negentiende
december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|