|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 554
Invoering
van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Het overgangsrecht |
| 3 |
Vergunningsstelsels
arbeidsbemiddeling en ter beschikking stellen van
arbeidskrachten |
| 4 |
Samenwerking en
inkoopconstructie |
| 5 |
De bemiddeling van
gedeeltelijk arbeidsongeschikten |
| 6 |
Adviezen
CBA, VNG en Tica |
| 7 |
Rapport
interdepartementale werkgroep financiële vernieuwing arbeidsvoorziening |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
2 t/m 35 |
I.
Algemeen
1.
Inleiding
Zoals
ook al is uiteengezet in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 450, nr. 1-3),
is ervoor gekozen om naast dat wetsvoorstel een afzonderlijke
invoeringswet in te dienen. Deze strekt ertoe het overgangsrecht en de
aanpassingswetgeving te regelen, alsmede enkele op zichzelf staande, deels
tijdelijke, onderwerpen die met arbeidsvoorziening samenhangen. Bij dit
laatste gaat het met name om de vergunningsstelsels voor de
arbeidsbemiddeling en voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
Enkele van de in dit
wetsvoorstel geregelde onderwerpen worden hierna eerst in algemene
zin besproken. Dit betreft achtereenvolgens: het overgangsrecht, de
genoemde vergunningsstelsels, de samenwerking en de zogenoemde
inkoopconstructie en ten slotte de bemiddeling van gedeeltelijk
arbeidsongeschikten. Daarna volgt een bespreking van de over dit wetsvoorstel
uitgebrachte adviezen en een paragraaf over het rapport van de
interdepartementale werkgroep financiële vernieuwing rblz.|2|
arbeidsvoorziening.
Ten slotte volgt, voor zover nodig, een artikelsgewijze
toelichting.
2. Het overgangsrecht
Dit wetsvoorstel voorziet
erin dat, ter gelegenheid van de intrekking van de bestaande wet en de
vaststelling van een nieuwe wet, niet behoeft te worden overgegaan tot
oprichting van een nieuwe rechtspersoon. In de toelichting op artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is deze benadering
reeds aangekondigd. Handhaving van de bestaande
Arbeidsvoorzieningsorganisatie als rechtspersoon heeft een aantal belangrijke
voordelen: er behoeft geen overgang te worden geregeld van
rechtsbetrekkingen (vermogensrechtelijk, arbeidsrechtelijk) en van lopende procedures
(zowel gerechtelijke als administratieve).
Intrekking van de
bestaande wet heeft tot gevolg dat tevens de daarop steunende regelgeving
(zowel van de Kroon en de minister als van het
Centraal Bestuur (CBA) en
de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening (RBA’s)) komt te
vervallen. Nagegaan is welke nadere regelgeving op grond van de bestaande
wet in aanmerking komt voor het daaraan verlenen van een nieuwe
wettelijke grondslag door middel van deze
invoeringswet.
Nadere regelgeving van de
centrale overheid (Kroon en minister) is op grond van de
Arbeidsvoorzieningswet slechts in beperkte mate tot stand gekomen. Gewezen kan
worden op de AMvB [algemene maatregel van bestuur, red.] op grond van artikel 77, eerste lid
(Stb. 1992,
668), en die op grond van artikel 61, eerste lid, onderdeel d (Stb. 1995,
407). Eerstgenoemde AMvB wordt overbodig (zie daarvoor nader de
toelichting op artikel 20); de tweede AMvB wordt ingevolge artikel 7
aangemerkt als steunend op het overeenkomstige artikel van de nieuwe
wet; aldus wordt het opnieuw vaststellen van deze recente AMvB voorkomen.
De vaststelling van het
aantal en de gebiedsindeling van de RBA’s - thans een bevoegdheid van
het CBA - wordt onder de nieuwe wet een taak van de minister. Er
is geen reden terstond bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet de
bestaande indeling te vervangen door een die door de minister wordt
vastgesteld; het is vanaf de datum van inwerkingtreding zijn verantwoordelijkheid
om te bepalen of er aanleiding bestaat tot wijziging.
Om praktische redenen is
als uitgangspunt met betrekking tot de regelgeving van het CBA
en de RBA’s eveneens aangehouden dat het opnieuw (vrijwel)
ongewijzigd vaststellen daarvan moet worden voorkomen; dit zowel om
overbodige activiteiten te vermijden als om geen vacuüm te doen
ontstaan. Het wordt in beginsel aan het nieuwe CBA en de nieuwe RBA’s
overgelaten om te bepalen of en wanneer nieuwe uitvoeringsregels
getroffen worden. Dit is alleen anders indien de nieuwe wet duidelijk tot andere
regelgeving moet leiden of daaraan andere voorwaarden stelt (zo
zullen onder de nieuwe wet regionale subsidieregelingen moeten voldoen aan
CBA-voorschriften). De nieuw aangetreden bestuurders in het CBA en
de Regionale Besturen dient wel enige tijd gegund te worden om
zich in te werken en zich onder andere over te treffen regelgeving te
beraden. Vandaar dat in die gevallen is voorzien in een tijdelijke
voortzetting van de geldigheidsduur van regelingen en besluiten die op de
huidige wet steunen. Zoals blijkt uit de artikelen 9 tot en met 14 is hetzij een
tijdslimiet gesteld (van ten hoogste zes maanden), hetzij - dit betreft regionale regelgeving
- bepaald dat de geldigheidsduur
wordt voortgezet
uiterlijk tot de totstandkoming van CBA-regelgeving.
De
nieuwe wet brengt voor
(mede)oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen en
dergelijke door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
het vereiste van ministeriële goedkeuring mee. Voor bestaande gevallen rblz.|3|
wordt een termijn van één
jaar gegund om daaraan te kunnen voldoen; van het
goedkeuringsvereiste worden uitgezonderd de bestaande gevallen waarin na de (mede)oprichting
of deelneming de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
bij het functioneren van de stichting, maatschap, etc., niet
verder formeel betrokken is.
Een belangrijk en
gecompliceerd onderwerp voor het overgangsrecht vormen de bepalingen van
het wetsvoorstel die betrekking hebben op het financieel stelsel en de
begrotings- en beleidsvoorbereiding. De wet noemt in dit kader een
aantal over het kalenderjaar verspreide data vóór welke stukken gereed
moeten zijn of worden ingediend dan wel overleg moet plaatsvinden.
Afhankelijk van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet zal in het eerste
jaar van gelding aan deze voorschriften wel en niet kunnen worden voldaan.
Voorts zal in dat eerste jaar zowel met oude regelgeving rekening
moeten worden gehouden (bijvoorbeeld voor wat betreft de verantwoording en
verslaglegging over verstreken jaren en mogelijk over het deel van het jaar dat
vóór de datum van inwerkingtreding is gelegen) als met de nieuwe
regelgeving (bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding); dit laatste brengt
onder meer het onderscheid tussen basisbijdrage en prestatiebijdrage mee.
Ten slotte dient zeker gesteld te worden dat in het jaar
van inwerkingtreding de op grond van de oude wet vastgestelde begroting en
het beleidskader de grondslag blijven vormen voor het reilen en zeilen
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het is in dit stadium niet goed
mogelijk voor alle denkbare situaties die zich met betrekking tot de
inwerkingtreding van de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet kunnen voordoen een
sluitende en uitputtende regeling te ontwerpen. Daarom is gekozen voor
een samenstel van mogelijkheden en bevoegdheden die ten tijde van de
actuele inwerkingtreding in alle wenselijkheden moeten kunnen voorzien;
dit omvat: het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996 en van
deze invoeringswet
wordt bij koninklijk
besluit bepaald, met de mogelijkheid daarbij naar artikel(onderdelen) te
differentiëren (artikel 97 Arbeidsvoorzieningswet 1996, onderscheidenlijk
artikel 35 Invoeringswet [zie artikel
36 van de wet, red.]); de intrekking van de bestaande
Arbeidsvoorzieningswet kan voor onderdelen in de tijd verschillen (artikel
2,
tweede lid, Invoeringswet); artikel 17
Invoeringswet ten slotte biedt de
bevoegdheid tot ministeriële regelgeving die met het oog op de
inwerkingtreding en de overgang van oude naar nieuwe wet noodzakelijk is. Het
eerste lid van dat artikel is in het bijzonder toegespitst op de zoëven omschreven
onzekerheden die met betrekking tot de financiële bepalingen
uit de onbekendheid van de datum van inwerkingtreding voortvloeien; het tweede
lid ziet op de overgang van oude naar nieuwe begroting en van
oude naar nieuw beleidsplannen in het jaar van inwerkingtreding. Het
derde lid verleent een algemene bevoegdheid om overigens met het oog op
een goede invoering regels te stellen. Er wordt in dit verband op gewezen
dat de bevoegdheden van artikel 17 scherp geclausuleerd zijn; deze
kunnen slechts worden gehanteerd voor zover dat in verband met het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet dan wel met het oog op een goede
invoering van de nieuwe wet noodzakelijk is. Gelet op de bovenomschreven
complexe overgangssituatie kunnen deze bepalingen niet worden
gemist.
Ten slotte wordt
volledigheidshalve nog opgemerkt dat niet is voorzien in enige vorm van
overgangsrecht voor de eerste benoeming van de twee door de gezamenlijke
RBA’s
voor te dragen leden van het CBA (artikel 17, zevende lid,
Arbeidsvoorzieningswet 1996). Het is gewenst dat de nieuwe RBA’s de gelegenheid
krijgen zich over deze voordracht te beraden en voorts dat kortstondige
interimbenoemingen worden voorkomen. Dit betekent dat deze zetels
vacant zullen blijven totdat zo’n voordracht tot stand is kunnen komen;
naar verwachting zal dat niet te lang hoeven duren. Bovendien is dat
ook voor de besluitvorming in het CBA geen rblz.|4|
bezwaar aangezien deze
leden daarin alleen met adviserende stem zitting hebben.
3. Vergunningsstelsels
arbeidsbemiddeling en ter beschikking stellen van
arbeidskrachten
De regering wil, in
overeenstemming met haar eerder uitgesproken voornemen, het
vergunningsstelsel voor arbeidsbemiddeling (AB) afschaffen en bevorderen
dat de ILO [International Labour Organization, red.] spoedig met voorstellen komt die zoveel mogelijk op
genoemd voornemen aansluiten. Het vergunningsstelsel voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten (TBA) zal kunnen worden afgeschaft
zodra een regeling is getroffen inzake de vrijwaring van inlenersaansprakelijkheid voor
socialeverzekeringspremies
en belastingen. Na
afschaffing van de vergunningsplicht komen elementen van het regime
voor handhaving in aanmerking, waarbij onder meer wordt gedacht aan
het loonverhoudingsvoorschrift (nu gebaseerd op artikel 94, tweede
lid, onderdeel c) en aan het zogenaamde onderkruipersverbod
(thans: artikel 93, eerste lid, onderdeel b). In samenhang met de
nota Flexibiliteit en Zekerheid (Kamerstukken II 1995-1996,
24 543, nr. 1) is over deze materie aan de Stichting van de Arbeid gevraagd
vóór 1 maart 1996 advies uit te brengen. Voor de tussentijd (dat wil
zeggen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip)
wordt volgens dit
wetsvoorstel al hetgeen AB en TBA betreft, gehandhaafd. De artikelen 19 en
20, in
verbinding met artikel 34, voorzien hierin.
De voorgestelde
constructie houdt in dat de desbetreffende gedeelten van de bestaande wet niet
worden ingetrokken en - in beginsel ongewijzigd - met
inbegrip van de daarop steunende besluiten, regelingen en aanwijzingen nog enige tijd worden gehandhaafd. Dit
bewerkstelligt dat
vooralsnog bestaande vergunningen (met de daaraan verbonden voorschriften)
en nadere regelgeving op dit terrein zonder verdere ingrepen van kracht blijven. Datzelfde geldt voor verleende
vrijstellingen en
ontheffingen, de verdere behandeling van reeds ingediende aanvragen en
eventuele aanhangige geschillen, de aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren door de
minister, enz.
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, die als rechtspersoon in stand blijft, blijft ook bevoegd de te
handhaven bepalingen inzake AB en TBA toe te passen, alsmede om in
procedures als partij op te treden. Het is voorts niet nodig de bepalingen
van de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet inzake het toezicht ook van
toepassing te verklaren waar het de uitvoering door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie van de AB- en TBA-taken betreft. Deze bepalingen (zie hoofdstuk
IV van de ontwerp-wet) zijn zodanig geformuleerd dat daar de uitvoering
van bij andere wetten dan de Arbeidsvoorzieningswet
1996 opgedragen taken al onder valt, waaronder dus begrepen die taken
die worden opgedragen bij de te handhaven onderdelen van de oude Arbeidsvoorzieningswet in verbinding met de
genoemde artikelen van
deze invoeringswet. Evenmin is een afzonderlijke voorziening nodig om de
rijksfinanciering van deze taken te regelen; ingevolge artikel 47, eerste lid, van de ontwerp-Arbeidsvoorzieningswet
1996 is de basisbijdrage
immers ook bestemd voor bekostiging van de bij of krachtens een andere
wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie opgedragen taken.
Op het uitgangspunt van
ongewijzigde handhaving van de bestaande AB- en TBA-bepalingen
worden enkele uitzonderingen voorgesteld. Dit betreft de wijze waarop
de reikwijdte van het AB-stelsel met betrekking tot overeenkomsten tot het
verrichten van arbeid (niet zijnde arbeidsovereenkomsten) ten behoeve van
beroepsbeoefenaars op het gebied van kunsten, amusement en
beroepssport (de zogenaamde KAS-sector) wordt geregeld en de
besluitvorming in het Centraal Bestuur. Verwezen wordt hiervoor naar de
toelichting op artikel 20.
rblz.|5|
Verder
wordt nog een met TBA verband houdend onderwerp tijdelijk tezamen met de daarop
betrekking hebbende regels in deze invoeringswet ondergebracht. Het
betreft de gedeeltelijke implementatie van de Richtlijn van de Raad van de EG van
25 juni 1991 die de lidstaten verplicht de nodige maatregelen te
nemen opdat de inlenende onderneming of vestiging vóór de
terbeschikkingstelling aan het uitzendbureau een omschrijving geeft van de
verlangde beroepskwalificaties en de kenmerken van de
arbeidsplaats en tevens maatregelen te nemen dat het uitzendbureau deze
gegevens ter kennis brengt van de uitzendkracht. Dit wordt nader toegelicht
bij artikel 21.
4. Samenwerking en
inkoopconstructie
De sociale-uitkeringsorganen zijn verantwoordelijk voor bevordering van de uitstroom van
uitkeringsgerechtigden uit de uitkering. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie
heeft als kerntaak de bevordering van de aansluiting van het
aanbod van arbeidskrachten op de vraag naar arbeidskrachten, in het
bijzonder door dienstverlening aan moeilijk plaatsbare werkzoekenden.
Er is derhalve sprake van een gezamenlijke doelgroep. Het ligt in de
rede te komen tot een gecoördineerde dienstverlening aan deze gezamenlijke
doelgroep. Dit wordt bereikt door in de werkprocessen van de
afzonderlijke uitvoeringsorganisaties een nauwe samenwerking aan te
brengen.
Onderdeel van deze
zogeheten procesgerichte samenwerking zijn afspraken tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitkeringsorganen
over de inspanningen die
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verricht op grond van de
rijksbijdrage Arbeidsvoorziening (prestatiedeel) ten behoeve van moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Jaarlijks zullen tussen de Minister
van SZW en het CBA prestatieafspraken worden gemaakt over het aantal
te bemiddelen moeilijk plaatsbare werkzoekenden op basis van de
rijksbijdrage Arbeidsvoorziening. Over de concrete invulling van
deze prestaties dient Arbeidsvoorziening in het kader van de samenwerking
op regionaal niveau afspraken te maken met de uitkeringsorganen.
Deze procesgerichte
samenwerking wordt nu aangevuld met een inkoopconstructie. Gemeenten
¹ en de bedrijfsverenigingen krijgen de beschikking over een
eigen inkoopbudget (dit budget maakt geen onderdeel uit van het
prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie). Dit inkoopbudget kan
worden aangewend voor inkoop van activiteiten gericht op
de arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
Hieronder wordt één en ander nader uitgewerkt.
1. In verband met
aanwenden van het beschikbare inkoopbudget voor het grotestedenbeleid wordt het aantal gemeenten vooralsnog door de
minister beperkt
tot de 19 gemeenten van dit grotestedenbeleid.
Gemeenten hebben reeds in
het kader van de uitvoering van de Algemene bijstandswet
(Abw) een opdracht om de herinschakeling van uitkeringsgerechtigden in
het arbeidsproces te bevorderen.
Bedrijfsverenigingen hebben dat ten aanzien van de uitkeringsgerechtigden
op grond van de
Werkloosheidswet (WW) nog niet; wel geldt, op grond van artikel 16,
tweede lid, van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw), voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten een
specifieke, als tijdelijk
bedoelde situatie. In dit wetsvoorstel wordt door middel van een wijziging
van de WW geregeld dat de bedrijfsvereniging een wettelijke taak
krijgt om de uitstroom van WW-gerechtigden te bevorderen (reïntegratie).
Deze taak wordt opgenomen in artikel 72 van de
WW, een artikel dat bij
de algemene stelselherziening van 1986 in de WW voor reïntegratieactiviteiten
werd gereserveerd.
Bedrijfsverenigingen
stimuleren werklozen reeds via begeleiding en controle om uit de
uitkeringsregeling te stromen. Voorts worden de bedrijfsverenigingen
geacht samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
ten behoeve van de bemiddeling van werklozen. Dit blijft
gehandhaafd en wordt verder uitgebouwd tot een rblz.|6|
procesgerichte samenwerking gericht op een gecoördineerde dienstverlening aan de gezamenlijke
cliënten. Nieuw is dat bedrijfsverenigingen ingevolge artikel 72
WW aanvullend voor moeilijk plaatsbaren scholing en bemiddeling kunnen
inkopen. De indeling van werkzoekenden in categorieën naargelang
van hun plaatsbaarheid op de arbeidsmarkt zal onderwerp zijn van de
samenwerking tussen Arbeidsvoorziening en uitkeringsorganen. Op
basis van deze indicering stellen de bedrijfsverenigingen vast wie van de moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigden in beginsel in aanmerking
komen voor het inkopen van bemiddeling. Voorts stellen zij aan de hand
daarvan een jaarlijks uitstroomplan vast. Als onderdeel van de
begroting van de bedrijfsverenigingen moet naar voren komen welke activiteiten
zij op basis van het uitstroomplan willen laten verrichten. De
bemiddelingsactiviteiten dient de bedrijfsvereniging uit te besteden. Het Tica
[Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de
rechtsvoorganger van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv), red.] beoordeelt het uitstroomplan en de begroting en het jaarlijkse contract en
stelt als onderdeel van het budget voor de bedrijfsvereniging een budget voor de inkoop
van scholing en bemiddeling vast. Het Tica stelt nadere
regels op omtrent het uitstroomplan. Hiermee wordt bevorderd dat de
bedrijfsverenigingen op eenduidige wijze hun uitstroombeleid vorm en
inhoud geven. De minister keurt deze regels goed. De kosten die met
deze uitstroomactiviteiten zijn gemoeid, komen ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds. Het Ctsv [College
van toezicht sociale verzekeringen, red.] houdt toezicht op de uitvoering van de
reïntegratietaak van de bedrijfsverenigingen.
Zowel de
bedrijfsverenigingen als (een aantal) gemeenten krijgen een eigen
verantwoordelijkheid om via inkoop actief de arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbaren te
bevorderen. Daarnaast vormt dit een deel van de kerntaak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het aantal (inkopende) actoren neemt derhalve
fors toe. De regering verwacht dat het introduceren van inkoopconstructies
ten behoeve van de arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbaren de efficiëntie en de effectiviteit van deze toeleiding kan vergroten, omdat meer
sprake zal zijn van zakelijke afspraken en afrekening op resultaat.
Belangrijke voorwaarde hiervoor is wel dat de uitkeringsorganen een
zogeheten "existentieel" (lees financieel) belang krijgen, niet alleen bij
uitstroom, maar in het bijzonder bij de uitstroom van moeilijk plaatsbaren.
Op dit moment is dat nog onvoldoende het geval. De
uitkeringslasten voor gemeenten worden voor 90% vergoed door het Rijk en de
overige 10% worden gecompenseerd via het gemeentefonds. De
bedrijfsverenigingen kunnen hun kosten declareren bij de fondsen. Door de
uitkeringsorganen een specifieke opdracht tot uitstroom te geven en
uitsluitend inkoop ten behoeve van moeilijk plaatsbaren voor
bekostiging in aanmerking te laten komen, kan niettemin een begin worden gemaakt
met de inkoop. Praktijkervaring zal moeten uitwijzen op welke wijze
de inkoop het beste vorm kan worden gegeven en in hoeverre een
centrale regie nodig is. Rapportages van de uitkeringsorganen, gecombineerd met een
evaluatieprogramma, zullen daartoe de nodige informatie moeten leveren. In de mate dat het inkoopmodel een
optimale aanwending van
de beschikbare middelen voor de arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbaren
bewerkstelligt, zal een verdere uitbouw van dit model plaatsvinden. De huidige voorstellen inzake de
inkoop-AMvB in de
Algemene bijstandswet en de inkoopartikelen in de Werkloosheidswet in
combinatie met de bevoegdheid om bij of krachtens AMvB regels te stellen
die het Tica in acht moet nemen bij het stellen van regels inzake het
uitstroomplan, bieden daartoe de ruimte.
In het
voorstel van wet tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten (technische
verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige
andere wijzigingen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 326) (kortweg genaamd
Veegwet) ¹ is reeds geregeld dat aan de bedrijfsverenigingen een
budget uit het AWf [Algemeen Werkloosheidsfonds, red.] wordt toegekend om bemiddelingsactiviteiten
voor moeilijk plaatsbare WW-gerechtigden in te rblz.|7|
kopen bij Arbeidsvoorziening. Het gaat daarbij om een regeling voor de
jaren 1996-1999, met
wettelijk vastgelegde budgetten die alleen bij Arbeidsvoorziening mogen
worden besteed. Deze regeling dient te worden gezien tegen de
achtergrond van de op 22 december 1994 tussen de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en vertegenwoordigers van werkgevers en
werknemers gesloten partijenovereenkomst inzake de hoofdlijnen
voor de toekomst van Arbeidsvoorziening.
Op basis van artikel 33
van deze Invoeringswet kan bij koninklijk besluit de periode van verplichte
aanbesteding bij Arbeidsvoorziening ook tot na 1999 worden voortgezet.
Op basis van het derde lid van artikel 33 kan de mate worden bepaald
waarin nadien sprake zal zijn van al dan niet gedwongen winkelnering.
1. Ook wel Veegwet 1996
of Veegwet TAV, TBA en TZ genoemd, red.
In aanvulling op deze
bovengenoemde Veegwetmiddelen kan het Tica op basis van het
uitstroomplan ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds een
bedrag vaststellen voor de inkoop van arbeidstoeleidingactiviteiten voor moeilijk plaatsbare
WW-uitkeringsgerechtigden.
Deze middelen kunnen vrij worden besteed, bij Arbeidsvoorziening of
bij derden. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat eerst afspraken dienen te
zijn gemaakt tussen de bedrijfsverenigingen en Arbeidsvoorziening over
de besteding van de hiervoor vermelde budgetten uit de Veegwet.
Desgewenst kan, in samenhang met de rijksbijdrage Arbeidsvoorziening, bij of krachtens
AMvB op grond van
artikel 72, zevende lid, [van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, red.]
de hoogte van de inkoopbudgetten, die door het Tica worden vastgesteld,
worden begrensd. De regering is van mening dat in de komende jaren de
nadruk primair moet liggen op de samenwerking en dat een bescheiden
begin gemaakt moet worden met de inkoop, op basis van de "Veegwetbudgetten".
Zoals eerder aangegeven,
zijn de gemeenten reeds op grond van de Algemene bijstandswet
verantwoordelijk voor de reïntegratie van bijstandsgerechtigden en
kunnen zij in beginsel in het kader daarvan bemiddelingsactiviteiten
inkopen bij Arbeidsvoorziening of derden, voor zover zij daartoe
financiële middelen ter beschikking hebben. Ook hier geldt de wenselijkheid om
de effectiviteit van de publieke arbeidsbemiddeling van moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden te bevorderen door de gemeenten expliciet de
taak en de middelen te geven om voor deze doelgroep bemiddeling en
scholing in te kopen. In dit wetsvoorstel wordt daartoe een wijziging van
de Abw voorgesteld op grond waarvan de Minister van SZW ten
laste van ’s Rijks schatkist aan gemeenten geld beschikbaar stelt voor
inkoop van bemiddelingsactiviteiten bij Arbeidsvoorziening (en/of derden, maar
vooralsnog betreft het in de praktijk alleen een budget voor
inkoop bij Arbeidsvoorziening).
De regering is van
oordeel dat de ontwikkeling van de inkoopfunctie geleidelijk zal moeten
plaatsvinden, mede aan de hand van praktijkervaring. Daarbij kunnen tevens de
ervaringen worden betrokken van de Subsidieregeling
experimenten activering van uitkeringsgelden, waarbij eveneens sprake is van
het financieren van activiteiten gericht op inschakeling in het
arbeidsproces.
Met ingang van 1996 zal
een subsidieregeling met rijksmiddelen van kracht worden. Deze zal
onderdeel uitmaken van het bredere grotestedenbeleid en heeft betrekking op de
19 gemeenten waarop het grotestedenbeleid zich
richt (in deze gemeenten bevindt zich circa 50% van de
Rww-uitkeringsgerechtigden [Rww: Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
(met ingang van 1 januari 1996 vervallen), red.]). De keuze voor deze 19
gemeenten ¹ is gebaseerd op de
noodzaak het sociaal en economisch fundament van deze grote steden, met
hun specifieke problematiek, te versterken, opdat de ontwikkeling van werkgelegenheid, veiligheid en leefbaarheid weer in
de pas gaat lopen met de
gemiddelde ontwikkelingen elders in Nederland. Het betreft hier
geoormerkte gelden voor de inkoop van bemiddelingsactiviteiten rblz.|8|
voor
moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Vanwege de noodzaak de subsidieregeling vóór 1 januari 1996
vast te stellen en in de Staatscourant bekend te maken, zal de regeling
voor het jaar 1996 uitsluitend worden gebaseerd op de begrotingswet-SZW.
1. Brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken over het
grotestedenbeleid d.d. 27 september 1994, Kamerstukken II 1994-1995, 21 062, nr. 28.
Van belang is de
onderlinge relatie tussen de samenwerking, de bemiddeling door Arbeidsvoorziening op basis van de rijksbijdrage Arbeidsvoorziening en de
inkoop (verplichte besteding bij Arbeidsvoorziening en vrije winkelnering).
Uitgangspunt is de
procesgerichte samenwerking tussen Arbeidsvoorziening en de uitkeringsorganen
sociale zekerheid. Onderdeel van de samenwerking zal moeten
zijn dat afspraken tot stand komen tussen de RBA’s
en de gemeenten
en uitvoeringsinstellingen in de regio over de inzet van
Arbeidsvoorziening ten behoeve van moeilijk plaatsbare cliënten van de uitkeringsorganen
in de regio, op basis van de rijksbijdrage Arbeidsvoorziening
(prestatiedeel). Naast deze afspraken op basis van het prestatiedeel kunnen
overeenkomsten worden gesloten over de verplichte besteding van
inkoopbudgetten door gemeenten - in casu de 19 gemeenten van het grotestedenbeleid - en de bedrijfsverenigingen bij Arbeidsvoorziening. Daarbij gaat het in totaal om
ƒ35 mln respectievelijk ƒ50
mln in 1996, oplopend tot tweemaal ƒ50 mln in 1999. Nadat over de besteding van deze
inkoopbudgetten overeenkomsten zijn gesloten, kan verdergaand arbeidstoeleiding worden ingekocht, voor zover gemeenten
c.q. bedrijfsverenigingen
daartoe op grond van artikel 137a Abw
respectievelijk artikel 72 juncto 93a
WW middelen hebben. Hier geldt een vrije winkelnering bij
Arbeidsvoorziening of derden. Voor de goede orde zij hier nog vermeld dat
voor zover
gemeenten middelen inzetten voor inkoop van arbeidstoeleiding uit
andere bronnen dan artikel 137a Abw, bijvoorbeeld uit het gemeentefonds,
hiervoor uiteraard ook geen gedwongen winkelnering geldt.
Met betrekking tot de
inkoop door gemeenten zij vermeld dat op dit moment is gekozen voor
een regeling op grond van de Algemene
bijstandswet [zie Besluit inkoop
dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten, red.]. Bezien zal
worden in hoeverre het wenselijk is deze inkoopregeling op te
laten gaan in de voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden in het
kader van de stroomlijning van arbeidsmarktmaatregelen. Mede op basis van de
bevindingen van de experimenten activering van uitkeringsgelden kan dan bezien worden hoe de inkoop van
arbeidstoeleiding van
moeilijk plaatsbaren verder kan worden ontwikkeld.
Met betrekking tot de
vraag of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als gevolg van de
voorgestelde wetgeving geheel of gedeeltelijk vennootschapsbelastingplichtig
moet worden, vindt een nader onderzoek plaats in het kader van
de (eventuele) vennootschapsbelastingplicht voor ZBO’s [zelfstandige
bestuursorganen, red.] in het algemeen.
De heffing van BTW vindt
plaats in overeenstemming met de bestaande praktijk.
5. De bemiddeling van
gedeeltelijk arbeidsongeschikten
Ten aanzien van de
arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten geldt een specifieke, als
tijdelijk bedoelde, situatie. De bedrijfsvereniging is op grond van artikel
16 Wagw, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
verantwoordelijk voor de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten. De
doelgroep, zoals beschreven in de memorie van toelichting bij het
voorstel van wet tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten (Wet afschaffing malus en
bevordering reïntegratie) (Kamerstukken II 1994-1995, 24 221),
zal op grond van het derde lid van genoemd artikel bij ministeriële regeling worden vastgelegd.
rblz.|9|
De
regering is van mening dat deze taak, gezien het belang van bemiddeling van deze
doelgroep, tijdelijk bij de bedrijfsvereniging moet blijven berusten. Als de
nieuwe organisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen van
kracht wordt (1 januari 1997) en de publieke taak van de
bedrijfsverenigingen wordt overgedragen aan het landelijke bestuur, zal ook voor de
bemiddeling van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten de normale
verantwoordelijkheidsverdeling moeten gelden. Dit betekent dat op dat moment de expliciete bemiddelingstaak van de
bedrijfsverenigingen komt
te vervallen. De rechtsopvolger van de bedrijfsverenigingen
wordt verantwoordelijk voor de reïntegratie van de Wagw-doelgroep (in de zin
van een bevorderingsplicht gericht op uitstroom naar het
arbeidsproces). Voor moeilijk plaatsbare gedeeltelijk arbeidsongeschikten
kunnen in dat kader bemiddelingsactiviteiten, waaronder scholing,
worden ingekocht bij hetzij Arbeidsvoorziening, hetzij particuliere
bemiddelaars. Gelet op het bijzondere belang en de zwaarte van de reïntegratie
van deze Wagw-doelgroep wordt artikel 16 van de Wagw aangevuld met een bepaling die de bedrijfsvereniging
opdraagt een jaarlijks
uitstroomplan en -verslag inzake de Wagw-doelgroep op te
stellen. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat, wat betreft de
dienstverlening aan moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden op dit punt, aan alle
betrokken socialezekerheidsorganen dezelfde eis wordt
gesteld.
Omdat op dit moment zowel
de bedrijfsverenigingen als Arbeidsvoorziening een taak hebben aangaande
de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, is
het noch voor de betrokkenen, noch voor de beide organisaties altijd
voldoende duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is. Hier is meer helderheid
nodig. Op grond van het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet
1996 is de basisbemiddeling voor een ieder toegankelijk en zullen
gedeeltelijk arbeidsongeschikten met een (gedeeltelijke) WW/Abw-uitkering zich op
grond van de socialezekerheidswetgeving moeten laten registreren
bij Arbeidsvoorziening. In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat, tot het moment waarop de normale
verantwoordelijkheidsverdeling
voor de Wagw-doelgroep van kracht wordt, de
bedrijfsvereniging en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
(was:
ABP) bij uitsluiting verantwoordelijk zijn voor de
bemiddelingsactiviteiten die uitgaan boven de basisbemiddeling van Arbeidsvoorziening
krachtens artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996. Daartoe wordt in
artikel 18
bepaald dat artikel 4,
eerste lid, onderdeel b, van genoemd wetsvoorstel voorlopig niet geldt voor
gedeeltelijk arbeidsongeschikten.
6. Adviezen
CBA, VNG en
Tica ¹
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
Van de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] is op 31
oktober 1995 advies ontvangen. Van het CBA op 2 november 1995 en van het
Tica op 15 november 1995. Gelet op de zeer korte adviestermijn is de
regering erkentelijk voor de snelheid van de advisering. Op de
hoofdpunten uit de advisering wordt hieronder nader ingegaan.
Advisering CBA
Met betrekking tot het
overgangsrecht adviseert het CBA artikel 16 zodanig te wijzigen dat
ten aanzien van bestaande deelnemingen geen toestemmingsvereiste
nodig is. Dit advies is niet overgenomen. Gelet op hun talrijke
verschijningsvormen is het wenselijk dat in de eerste plaats het CBA en vervolgens de
minister ook de bestaande samenwerkingsvormen kan beoordelen. Naar
aanleiding van de technische vraag of een toestemmingsvereiste ten
aanzien van bestaande rechtspersonen wel ingevoerd kan worden,
geldt dat kan worden aangenomen dat in de statuten van een
rechtspersoon waarin Arbeidsvoorziening deelneemt, is
rblz.|10|
voorzien in mogelijkheden
voor elk der deelnemers om te komen tot besluitvorming zowel tot
wijziging van de statuten (zo nodig gericht op beëindiging van de
deelneming) als tot opheffing van de rechtspersoon. Bij ontbreken daarvan kan
in het uiterste geval de rechter worden ingeschakeld.
In artikel 17 is conform
het advies opgenomen dat het CBA vooraf gehoord dient te worden.
Naar aanleiding van het
voorgestelde artikel 72 WW
wijst het CBA op het risico dat in het
kader van de ontvlechting tussen bedrijfsverenigingen en
uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen met publieke middelen een tweede
bemiddelingsorganisatie in het leven wordt geroepen. Hierover het volgende.
Het is niet wenselijk dat met publieke middelen een tweede publieke
bemiddelingsorganisatie wordt opgericht. Het Convenant Ontvlechting en
de daarop gebaseerde erkenningscriteria bieden echter voldoende
waarborgen om te voorkomen dat publieke en private middelen vermengd
worden.
Het
CBA begrijpt
artikel
72 WW, tweede lid, zo dat de bedrijfsvereniging verplicht is tot
samenwerking voor zover de bedrijfsvereniging gebruik maakt van de gratis
dienstverlening van Arbeidsvoorziening. De hier bedoelde
samenwerkingsverplichting moet in samenhang worden bezien met de algemene
samenwerkingsverplichting op basis van artikel 63 Organisatiewet sociale
verzekeringen en laat deze onverlet. Het voorgestelde tweede lid van artikel 72
WW is een verbijzondering en geen beperking van deze samenwerkingsverplichting en onderstreept het belang van de
procesgerichte
samenwerking als basis voor de relatie tussen bedrijfsverenigingen en Arbeidsvoorziening. De
artikelsgewijze toelichting is op dit punt aangevuld.
Met betrekking tot het
voorgestelde artikel 72 WW, vierde lid, vraagt het CBA zich af of deze
constructie in de praktijk werkbaar zal zijn. Hetzelfde geldt voor artikel 33 van
de Invoeringswet. De onderhavige regelgeving is noodzakelijk om helder af
te bakenen waar arbeidstoeleiding op basis van het prestatiedeel van de rijksbijdrage
Arbeidsvoorziening eindigt en de
inkoop begint. Voorts
moet zijn gewaarborgd dat eerst de budgetten in het kader van de
gedwongen winkelnering zijn aanbesteed bij Arbeidsvoorziening, alvorens sprake is van
vrije winkelnering. De betrokken regelgeving vergt een
goede samenwerking tussen Arbeidsvoorziening en bedrijfsverenigingen en
sluit in dat opzicht aan bij de strekking van de gezamenlijke taakopdacht
Tica, CBA en VNG inzake de procesgerichte samenwerking.
Paragraaf 4
van de memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.
Advisering VNG
De
VNG pleit in haar
advies voor een hoger inkoopbudget voor gemeenten en mist in de
memorie van toelichting een beschouwing over de relatie tussen
inkoopbudget voor gemeenten en voor bedrijfsverenigingen. Voorkomen moet worden dat
Arbeidsvoorziening zich met name zal richten op de middelen van bedrijfsverenigingen ten behoeve van
kortdurig werklozen.
De VNG wijst er voorts op
dat landelijke afspraken tussen de Minister van SZW en het
CBA bijzonder moeilijk concreet zijn te maken in de locale en regionale situatie.
De VNG acht een periode
van vier jaar gedwongen winkelnering te lang en te weinig bevorderend
voor dynamiek binnen Arbeidsvoorziening.
Hierover wordt het
volgende opgemerkt. De doelgroep voor de inkoop is voor gemeenten en bedrijfsverenigingen gelijk: moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden.
Bedrijfsverenigingen kunnen níét inkopen voor makkelijk plaatsbare
werklozen. Van belang is erop te wijzen dat inkoop door bedrijfsverenigingen
bijdraagt aan de preventie van de instroom van rblz.|11|
moeilijk plaatsbaren in
de Algemene bijstandswet. Voorts zal, gelet op het aandeel moeilijk
plaatsbaren in de bijstand, het merendeel van het prestatiedeel van de
rijksbijdrage Arbeidsvoorziening aangewend worden ten behoeve van de
gemeentelijke doelgroep.
Met betrekking tot de
prestatieafspraken tussen Minister van SZW en
CBA geldt dat
prestatie-indicatoren zullen worden ontwikkeld, aan de hand waarvan de Minister
van SZW de prestaties van Arbeidsvoorziening kan beoordelen.
Met betrekking tot de
gedwongen winkelnering geldt dat, teneinde een goede procesgerichte
samenwerking op gang te krijgen conform ook de gezamenlijke
veranderingsopdracht Tica, CBA en VNG, het van belang is dat partijen eerst enige
tijd tot op zekere hoogte tot elkaar veroordeeld zijn. Aan de hand van de
ontwikkeling kan worden bezien op welke termijn de gedwongen
winkelnering kan worden opgeheven.
De VNG wijst erop dat de
prioritering (blz. 10 memorie van toelichting) geen betrekking kan hebben op de middelen die
gemeenten nu al vrijmaken uit het gemeentefonds om arbeidstoeleiding in
te kopen. De memorie van toelichting is op dit punt verduidelijkt.
Advisering Tica
Het Tica
wijst op een
versnippering van regelgeving inzake arbeidstoeleiding en meent dat te veel
gedetailleerde regelgeving rond samenwerking wordt geschapen, juist
waar behoefte is aan een ruim mandaat aan lokale en regionale
samenwerkingsverbanden, conform ook de veranderingsopdracht Tica, CBA
en VNG. Het Tica signaleert een spanning
tussen het maken van
samenwerkingsafspraken in de regio en budgettering vanuit landelijke niveaus
en pleit voor een systematiek waarbij betalen en bepalen
dichterbij elkaar en dichterbij de werkprocessen in de samenwerkingsverbanden
liggen.
Onderkend wordt dat
sprake is van een samenstel van regelgeving met betrekking tot de
samenwerking, de structurele inkoopregelingen op basis van artikel 72
WW en 137a Abw
en de gebudgetteerde inkoopbedragen uit de Veegwet. Dit hangt
samen met de keuze voor een groeimodel. Daarom zijn de wettelijke
bepalingen ook vooral procedureel van aard. Ze bepalen dat samenwerking nodig
is, maar de invulling van de samenwerking en de contractvorming inzake
inkoop wordt in belangrijke mate overgelaten aan het CBA, de
gemeenten en
de bedrijfsverenigingen c.q. het Tica. Het is wenselijk dat deze
invulling, binnen landelijke kaders, vooral op regionaal niveau gestalte krijgt.
De concrete uitvoering van de samenwerking en de inkoop is immers primair
een regionale aangelegenheid, hetgeen ook spoort met de nadruk die
is gelegd op het regionale niveau in de veranderingsopdracht,
zoals die is geformuleerd door het Tica, CBA en VNG. Binnen de
voorgestelde regelgeving is duidelijk ruimte aanwezig voor een regionale
benadering. Jaarlijks verschaft het CBA na 1 juli aan de RBA’s de (voorlopige)
begrotingsruimte en algemene voorschriften en prioriteiten op basis
waarvan de RBA’s vóór 15 september hun regionale beleidsplan en begroting
opstellen. Het CBA stelt vervolgens op basis van deze regionale plannen
het landelijk beleidsplan- en begroting vast. Denkbaar is dat na de
toedeling aan de bedrijfsverenigingen van het Veegwetbudget door het
Tica, de bedrijfsverenigingen op hun beurt rond 1 juli of eerder hun uitvoeringsinstelling
opdragen per regio voorstellen te ontwikkelen voor
uitstroombeleid, binnen de door de bedrijfsvereniging te stellen kaders. Op het
regionaal niveau zal tevens overleg plaatsvinden tussen RBA en de
uitvoeringsinstellingen (namens de bedrijfsverenigingen) over de aanwending van
een deel van de prestatiemiddelen uit de rijksbijdrage Arbeidsvoorziening voor de
cliënten van de bedrijfsverenigingen. Gegeven het beschikbare
budget uit de Veegwet en het prestatiebudget van Arbeidsvoorziening
zal tussen de uitvoeringsinstelling (namens de
bedrijfsvereniging) en het RBA een concept-overeenkomst rblz.|12|
kunnen worden opgesteld.
Op basis van deze regionale bouwstukken kan op centraal niveau het
landelijk uitstroomplan door de bedrijfsvereniging worden vastgesteld.
Het Tica stelt dat de
wijze waarop de controle c.q. het toezicht wordt geregeld inzake inkoop
- artikel 72, zevende lid, en artikel
93a WW - afwijkt van de gebruikelijke wijze
waarop dit bij budgettering is geregeld. Genoemde bepalingen zijn echter
nodig voor het bevorderen van een samenhangend uitstroom- en
arbeidsmarktbeleid. De budgettering als zodanig wordt hierdoor niet aangetast.
Hetzelfde geldt voor de uitvoeringscontrole.
Het Tica constateert een
discrepantie tussen wettekst en memorie van toelichting. Een
aanvullend budget is volgens de memorie van toelichting pas aan de orde als het
budget van de Veegwet is uitgeput. De concept-wet stelt deze
eis niet.
De memorie van
toelichting is op dit punt aangepast.
De koppeling van de
middelen die op basis van de bepalingen uit de Invoeringswet zouden
kunnen worden besteed aan die van het Veegwet-
c.q. prestatiebudget leidt
volgens het Tica qua volgtijdelijkheid tot problemen. Het Tica stelt
dat "het budget van de Invoeringswet" niet kan worden toegekend omdat er
op het moment van de indiening van de budgetbegroting door de
bedrijfsverenigingen bij het Tica (1 augustus) nog geen overeenkomst
tussen Arbeidsvoorziening en de bedrijfsverenigingen over het prestatiebudget
en het Veegwetbudget kan zijn afgesloten.
De regering is van mening
dat de inkoopcontracten tussen bedrijfsverenigingen en Arbeidsvoorziening pas
definitief kunnen worden gesloten nadat het Tica aan de
bedrijfsverenigingen budgetten heeft toegekend (1 december). In de
budgetbegroting kan de bedrijfsvereniging opnemen welk bedrag zij wil
uittrekken voor arbeidstoeleiding (op basis van het Veegwetbudget, eventueel
aangevuld op grond van artikel 93a WW). Zodra het Tica de
verdeling van het Veegwetbudget heeft vastgesteld, bestaat duidelijkheid
over het aandeel van elk der bedrijfsverenigingen daarin. Tevens kan zij op
basis van voorbereidend overleg met de Arbeidsvoorziening in de
budgetbegroting aangeven welk deel van de prestatiemiddelen uit de
rijksbijdrage Arbeidsvoorziening naar verwachting beschikbaar
zal komen voor haar cliënten. De regering gaat ervan uit dat in de
periode tussen 1 augustus en 1 december van enig jaar nader overleg plaatsvindt
tussen Arbeidsvoorziening en de bedrijfsverenigingen om de concept-contracten
voor te bereiden. Indien uit dit overleg blijkt dat de begroting
van de bedrijfsvereniging moet worden bijgesteld, kan de bedrijfsvereniging
daartoe een aanvullende begroting bij het Tica indienen.
Het Tica ziet 1996 als
een overgangsjaar, te benutten voor een adequate voorbereiding voor de
Tica-regels inzake uitstroomplannen, budgetten, kaders voor besteding e.d.
Dit punt wordt
onderschreven. Het streven van de regering is erop gericht dat de
beleids-
en begrotingsvoorbereiding voor het jaar 1997 van het CBA
en voor zover van
toepassing van de bedrijfsverenigingen en het Tica kan plaatsvinden op
basis van de kaders, zoals aangegeven in de Arbeidsvoorzieningswet en
deze invoeringswet.
rblz.|13|
7. Rapport
interdepartementale werkgroep financiële vernieuwing arbeidsvoorziening
¹
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
In het kader van het
interdepartementale beleidsonderzoek financiële vernieuwing Arbeidsvoorziening is diepgaand ingegaan op de financieringsstructuur
voor de publieke arbeidsbemiddeling. Het onderzoeksrapport is als
bijlage opgenomen.
Eén van de conclusies
van het onderzoek is dat een belangrijke voorwaarde voor het
inkoopmodel in relatie tot de doelstellingen van de publieke
arbeidsvoorziening is dat uitkeringsorganen een zogeheten existentieel belang
krijgen bij de uitstroom van moeilijk plaatsbaren. Op dit moment kan aan deze
voorwaarde nog onvoldoende worden voldaan. De regering onderzoekt
momenteel de mogelijkheden voor vergroting van het existentiële
belang voor de uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid. Voorbeelden
daarvan zijn het interdepartementale beleidsonderzoek naar de financiering van
de Abw, dat binnenkort van start gaat en de analyse naar
mogelijkheden van verdere premiedifferentiatie in de WW.
II.
Artikelsgewijs
Artikel 2
Het tweede lid van dit
artikel maakt het mogelijk zowel om artikel(onderdelen) van de oude
wet nog enige tijd na intrekking van die wet hun gelding te laten behouden
als om artikel(onderdelen) eerder, dat wil zeggen vooruitlopend op het
intrekken van de wet als geheel, te laten vervallen. Aan het eerste kan
bijvoorbeeld behoefte bestaan met het oog op de bepalingen inzake
rekening en verantwoording die in of na het jaar van inwerkingtreding over
verstreken jaren moet worden afgelegd, met toepassing van de oude
bepalingen. Het tweede kan van nut zijn om bijvoorbeeld
voorschriften die betrekking hebben op de begrotingsvoorbereiding-"oude
stijl" al in een
vroegtijdig stadium buiten werking te stellen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan artikel 43, eerste lid, oud, dat het CBA
voorschrijft vóór 1 juni een ontwerp landelijke begroting alsmede een landelijk
meerjarenbeleidskader vast te stellen; in het jaar van inwerkingtreding zal de
voorbereiding van dergelijke stukken, bestemd voor een tijd waarin de
nieuwe wet zal gelden, uiteraard op die nieuwe wet moeten worden
afgestemd, zodat dan de oude verplichting niet meer moet gelden. In situaties
als deze kan wellicht ook worden voorzien met gebruikmaking van de
bevoegdheden die het voorgestelde artikel 17 biedt; gelet op de
hiervoor (paragraaf 2 van het algemeen deel) geschetste onzekerheden en complexe
overgangsproblemen wordt het echter gewenst geacht een ruime variëteit aan mogelijkheden voorhanden te
hebben.
Voor gebruikmaking van
dit tweede lid is uiteraard vereist dat het in werking is getreden; op
grond van artikel 35 [zie artikel 36
van de wet, red.] zal het tijdstip daarvan bij koninklijk besluit zo
vroeg moeten worden bepaald als nodig is om tijdig bepalingen als het
genoemde artikel 43, eerste lid, oud buiten werking te kunnen stellen.
Met deze bepaling zou ook
kunnen worden voorzien in de tijdelijke handhaving van de AB- en
TBA-artikelen van de oude wet. Er is niettemin voor gekozen daarvoor een
afzonderlijke basis in de wet op te nemen (zie de
artikelen 19 en 34);
aldus wordt de keuze voor deze handhaving niet overgelaten aan de Kroon,
maar door de wetgever gemaakt.
rblz.|14|
Artikel 3
De handhaving van de
bestaande rechtspersoon Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zoals al toegelicht in
het algemeen deel, paragraaf 2, van deze memorie, is in het eerste
lid van dit artikel neergelegd.
Het tweede lid strekt
ertoe zeker te stellen dat taken en bevoegdheden die onder de oude wet aan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of organen daarvan zijn toegekend of
opgedragen dan wel daaraan zijn overgedragen, ook onder het regime van
de nieuwe wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of die organen (blijven) toekomen. Daarbij gaat het niet
alleen om taken of bevoegdheden die bij of krachtens een wet zijn opgedragen
of overgedragen, maar ook om gevallen waarin dat in een beleidsregel
of subsidieregeling is gebeurd; vandaar dat in deze bepaling naast wettelijk
voorschrift ook gesproken wordt van enige andere regeling. Met deze
bepaling wordt voorts bereikt dat de thans in de wetgeving voorkomende
verwijzingen naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of een van haar organen
"als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet"
niet hun geldigheid verliezen doordat in het vervolg sprake zal zijn
van de "Arbeidsvoorzieningswet 1996". Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor
de aanwijzing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het Aanwijzingsbesluit
bestuursorganen Wob en WNo (Stb. 1995, 341) [Wob en WNo: Wet
openbaarheid van bestuur en Wet
Nationale ombudsman, red.].
Artikelen 4 en
5
Zoals opgemerkt in het
algemeen deel is één van de belangrijke voordelen die verbonden
zijn aan handhaving van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
als rechtspersoon dat de bestaande rechtsbetrekkingen met
het personeel (de geldende arbeidsovereenkomsten) in stand blijven. Waar
het betreft de benoemingen van de bestuursleden en hun
plaatsvervangers is zo’n handhaving echter niet gewenst. Derhalve wordt
erin voorzien dat aan deze functionarissen ontslag wordt verleend;
dit geschiedt bij deze wetsbepaling, zodat daarvoor geen
afzonderlijke besluiten meer nodig zijn. Hetzelfde geldt met betrekking tot de leden
van de Raad voor Studie- en Beroepskeuze, ingesteld door het CBA
op
grond van artikel 74 van de huidige wet.
Artikel 6
Met dit artikel wordt
voorzien in handhaving van de ten tijde van de inwerkingtreding van de
nieuwe wet bestaande ontslagcommissie, alsmede in voortgezette
gelding van de regeling van haar werkwijze en van de regels die op
grond van de oude wet door het CBA zijn gesteld met betrekking tot
schadeloosstelling en kostenvergoedingen. De benoemingsduur van de
leden en de plaatsvervangende leden zoals deze op grond van de oude wet
was bepaald, blijft ingevolge dit artikel eveneens van kracht.
Artikel 7
Bij
Koninklijk besluit
van 23 augustus 1995, Stb. 1995, 407, is uitvoering gegeven aan artikel 61,
eerste lid, onderdeel d, van de huidige Arbeidsvoorzieningswet.
Er is geen reden deze recente AMvB, die aanwijst welke categorie
vreemdelingen recht heeft op registratie als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, opnieuw en ongewijzigd op grond van het nieuwe
artikel 69, eerste lid, onderdeel d, vast te stellen.
rblz.|15|
Artikel 8
Dit artikel verschaft in
de eerste plaats een nieuwe basis aan de bestaande, op de oude wet
steunende regels van het CBA betreffende zijn werkwijze en de taken en
bevoegdheden van de Algemeen Directeur (artikelen 18 en 21,
derde lid, oud; artikel 23 nieuw). Hetzelfde geschiedt met betrekking tot de
bestaande regels inzake registratie van gegevens (gebaseerd op de
artikelen 66, eerste lid, 67 en 69 oud; nieuw: 74, eerste lid, 75 en 77). De wet
stelt geen beperking aan de duur van deze gelding.
Artikel 9
Aan de in dit artikel
geregelde voortgezette gelding van de regionale reglementen van
werkzaamheden, met inbegrip van de daaraan verleende goedkeuring van het
CBA (gebaseerd op artikel 30, eerste
respectievelijk tweede lid, oud), en van de
regionale regelingen van taken en bevoegdheden van de regionale directeuren
(gebaseerd op artikel 33, derde lid, oud), is een grens gesteld. Zodra het
CBA gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 23,
onderdeel b, van de nieuwe wet centrale regels te stellen met betrekking
tot de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van Centraal Bestuur,
Algemene Directie, Regionale Besturen en Regionale Directies, aan
welke regels de regionale reglementen ingevolge artikel 35, aanhef,
dienen te voldoen, moet worden overgegaan tot vaststelling van nieuwe
regionale reglementen.
Artikel 10
Het bestaande
Wpr-reglement [Wpr: Wet persoonsregistraties, red.] zal in verband met de nieuwe wet aanpassing behoeven. Met
dit artikel wordt het CBA een periode van ten hoogste
zes maanden geboden
om daarin te voorzien.
Artikelen 11 en
12
Het nieuw aantredende
CBA zal ingevolge dit artikel binnen zes maanden nieuwe regels moeten
vaststellen met betrekking tot de schadeloosstelling en kostenvergoedingen
voor CBA- en RBA-leden; binnen die tijd zal ook de daarvoor
vereiste ministeriële goedkeuring moeten zijn verkregen.
Artikel 13
Dit artikel voorziet in
voortzetting van de geldigheidsduur van de bestaande door het CBA
vastgestelde subsidieregelingen, alsmede van de daarop gebaseerde
individuele subsidiebeschikkingen. Dit laatste is gewenst uit een oogpunt
van rechtszekerheid voor de belanghebbenden bij die beschikkingen.
Voor de goede orde zij hierbij opgemerkt dat de wet alleen bewerkstelligt dat
die beschikkingen van een nieuwe rechtsbasis worden voorzien; dit laat
onverlet dat deze beschikkingen overigens - met inachtneming van het
recht - voor wijziging en intrekking vatbaar zullen zijn.
Artikel 14
Voor de regionale
subsidieregelingen en de daarop steunende besluiten geldt hetzelfde als bij
artikel 13 met betrekking tot de CBA-regelingen en besluiten is opgemerkt,
echter met dit verschil dat hieraan wel een limiet is gesteld. De nieuwe wet
voorziet in artikel 81, derde lid, in de bevoegdheid van het CBA
om regels te stellen waaraan regionale subsidieregelingen moeten
voldoen; zodra het CBA dergelijke regels heeft rblz.|16|
gesteld, zullen de RBA’s
hun regelingen daaraan voor zover nodig moeten aanpassen.
Artikel 15
Ingevolge dit artikel
blijft de onlangs, per 1 januari 1996, door het CBA
vastgestelde regionale
indeling vooralsnog van kracht. Mede met het oog op de overgang van deze
bevoegdheid van CBA naar minister is over deze vaststelling tussen CBA
en minister overlegd.
Artikel 16
In de loop van de tijd
zijn, vooral op regionaal niveau, talrijke en verscheidene
samenwerkingsvormen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
met derden tot stand
gekomen. Aangezien de huidige wet daaromtrent geen regels
bevat, zijn daarover geen volledige gegevens beschikbaar. Teneinde
niet alleen nieuwe maar ook de bestaande samenwerkingsvormen op
hun wenselijkheid te kunnen beoordelen, worden ook deze aan
beoordeling door het CBA en aan het ministeriële goedkeuringsvereiste,
zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid, van de nieuwe wet, onderworpen.
Daarvoor wordt een ruime overgangstermijn van één jaar
geboden. Daarbinnen moet hetzij de goedkeuring zijn verkregen, hetzij de
samenwerking zijn beëindigd. Voor zover de activiteiten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zich uitsluitend tot de (mede)oprichting hebben
beperkt en verder geen formele banden meer bestaan die in financieel of ander opzicht de positie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
kunnen raken, is er geen aanleiding ten aanzien van bestaande
gevallen alsnog het goedkeuringsvereiste te stellen; vandaar de
uitzondering daarop in het tweede lid.
Artikel 17
Zie voor een toelichting
op dit artikel het slot van paragraaf 2 van het algemeen
deel. Zodra beslist is
over het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet, zullen systematisch
alle stappen in de beleids- en begrotingscyclus alsook in de
verslaglegging en verantwoording moeten worden langsgelopen, teneinde te bezien wat
wel en niet van oude en nieuwe wet toepasbaar is en waarvoor
afwijkende regels moeten worden getroffen. Gelet op het grote belang
van regels op grond van dit artikel voor de uitvoering, is in het
vierde lid bepaald dat daarover tevoren het CBA
wordt gehoord.
Artikel 18
Zie voor een toelichting
op dit artikel paragraaf 5 van het algemeen deel.
Artikelen 19 en
20
Deze artikelen regelen de
(ingevolge artikel 34 tijdelijke) handhaving van de AB- en
TBA-vergunningsstelsels, zoals in algemene zin toegelicht in paragraaf
3 van het algemeen
deel. In aanvulling daarop nog het volgende.
In
artikel 19, onderdeel
a, worden de met betrekking tot AB en TBA noodzakelijke
begripsomschrijvingen en enkele daarmee samenhangende bepalingen gehandhaafd.
Met het eerste lid, onderdeel h, van de oude wet blijft het daarin
gedefinieerde, beperkte begrip arbeidsbemiddeling voor het AB-stelsel van kracht
(in de nieuwe wet is, in artikel 1, onderdeel g, een ruimer begrip
opgenomen). Tegelijkertijd wordt wel, door middel van onderdeel a van
artikel 20, een verruiming voor de zogenaamde KAS-sector in de wet vastgelegd. Zoals ook
al in de toelichting bij het wetsvoorstel rblz.|17|
Arbeidsvoorzieningswet
1996 (artikelsgewijze deel, ad artikel 1, onderdeel g) is uiteengezet, houdt
dit verband met artikel 77, tweede lid, van de huidige wet. Daarin is
voorgeschreven dat, binnen twee jaar na inwerkingtreding van die wet, bij algemene
maatregel van bestuur het ruime begrip arbeidsbemiddeling als
bedoeld in artikel 77, eerste lid, van die wet in elk geval van toepassing
wordt verklaard op de bemiddeling van beroepsbeoefenaars op het gebied van
kunsten, amusement en beroepssport (de zogenaamde "KAS"-sector). Dit
is gebeurd bij Koninklijk besluit van 11 december 1992, Stb.
1992, 668. In plaats
van de hier omschreven constructie via een AMvB wordt er nu voor gekozen
deze uitbreiding van het begrip arbeidsbemiddeling ten aanzien van de
KAS-sector rechtstreeks in de wet neer te leggen.
Onderdeel
c van artikel
19 schrijft - evenals de bestaande wet - publicatie in de
Staatscourant voor van een aantal CBA-besluiten betreffende AB en
TBA.
Onderdeel d voorziet in handhaving van de aanwijzing van
toezichthoudende ambtenaren. Door onderdeel e wordt bereikt dat beroep bij
het College van Beroep voor het bedrijfsleven open blijft staan tegen
besluiten op het AB- en TBA-terrein, genomen op grond van de gehandhaafde oude
bepalingen.
Met onderdeel
b van
artikel 20 wordt geregeld dat de besluitvorming door het CBA
ten aanzien
van AB- en TBA-aangelegenheden niet bij gekwalificeerde
meerderheid doch bij gewone meerderheid kan plaatsvinden, conform artikel 22 van de
nieuwe wet.
Artikel 21
Deze bepaling strekt tot
gedeeltelijke implementatie van de Richtlijn van de Raad van de EG van 25
juni 1991 ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de
gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor
bepaalde tijd of uitzendarbeidbetrekkingen (91/383/EEG; PbEG L
206). Deze richtlijn verplicht de lidstaten de nodige maatregelen te
nemen opdat de inlenende onderneming en/of vestiging vóór de
terbeschikkingstelling van de uitzendkracht het uitzendbureau een
nauwkeurige omschrijving geeft van met name de verlangde
beroepskwalificaties en de specifieke kenmerken van de arbeidsplaats en tevens
maatregelen te nemen opdat het uitzendbureau al deze gegevens ter kennis
van de betrokken uitzendkrachten brengt.
Implementatie van
bovengenoemde richtlijn heeft - wat betreft de verplichting van de
inlener jegens het uitzendbureau - plaatsgevonden in artikel 4, vijfde lid,
van de Arbeidsomstandighedenwet, waarin is bepaald dat de inlener een
document bevattende de specifieke kenmerken van de in te nemen arbeidsplaats
tijdig vóór de aanvang van de werkzaamheden moet verstrekken aan
degene die de werknemer ter beschikking stelt, ter doorgeleiding aan de ter
beschikking gestelde arbeidskracht.
In de onderhavige
bepaling wordt de verplichting van degene die arbeidskrachten ter
beschikking stelt om de informatie te verschaffen aan de ter beschikking
gestelde arbeidskracht expliciet in de wet vastgelegd. Dit onderdeel van de
richtlijn is niet in de Arbeidsomstandighedenwet geïmplementeerd,
omdat deze wet degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt niet
als werkgever definieert. In het kader van voorgenomen wetgeving met betrekking
tot enkele resterende elementen van het vergunningenregime kan
ook worden bezien welke definitieve plaats in de wetgeving voor deze
bepaling het meest geschikt is.
Overtreding van het
bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is als economisch delict
strafbaar gesteld. De onderhavige norm is een
afgeleide verplichting van artikel 4, vijfde lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet. Gelet hierop wordt het toereikend rblz.|18|
geoordeeld dat tegen het
niet in acht nemen van deze norm civielrechtelijk kan worden geageerd.
Artikel 22
A
Voor de formulering van
artikel 26, eerste lid, onderdeel f, van de WW
is aansluiting gezocht bij
die van artikel 113, eerste lid, onderdeel g, van de
Algemene bijstandswet. In
het nieuwe onderdeel f wordt niet meer het onderscheid gemaakt
tussen de plicht tot deelnemen en meewerken aan het bereiken van een
gunstig resultaat. Tevens gaat het niet meer om gewenste opleiding en
scholing, maar om opleiding en scholing die noodzakelijk is. De
essentie van de verplichting blijft hetzelfde als voorheen.
Via artikel 27, derde
lid, WW wordt het onvoldoende meewerken aan reïntegratieactiviteiten
gesanctioneerd.
B
Het eerste lid van
artikel 29 WW (meldingsplicht Arbvo aan sv-organen
[Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
socialeverzekeringsorganen, red.]) is inhoudelijk
overgebracht naar de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (artikel 7) en kan daarom hier
vervallen. Het tweede lid (betreffende de informatieplicht van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
jegens de bedrijfsvereniging) is
overbodig naast artikel 97, onderdeel c, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen (Osv; zie daaromtrent ook artikel 23, onderdeel
C, van dit wetsvoorstel).
D
Artikel 72
Werkloosheidswet
- De
bedrijfsverenigingen krijgen op grond van het eerste lid een algemene reïntegratietaak.
In hetzelfde artikellid wordt deze taak afgebakend ten opzichte
van de taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het is niet de bedoeling
dat de bedrijfsverenigingen op de terreinen waarin de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie een publieke taak heeft zelf dergelijke
taken gaan uitvoeren. Het gaat hierbij om algemene arbeidsbemiddelingstaken,
het registreren van werkzoekenden en vacatures, het bemiddelen
naar werkgevers en het geven van advies over arbeidsmarktvraagstukken.
- In het tweede lid
wordt bepaald dat de bedrijfsvereniging dient samen te werken met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Deze bepaling moet in samenhang worden
gezien met de algemene samenwerkingsverplichting op basis van artikel 63
Osv en is een verbijzondering daarvan ter onderstreping van het
belang van een procesgerichte samenwerking. De samenwerking dient te
zijn gericht op het bewerkstelligen van een gecoördineerde
dienstverlening aan de gezamenlijke cliënten van bedrijfsverenigingen en
Arbeidsvoorziening.
- Artikel 72, derde en
vierde lid Werkloosheidswet
In deze artikelleden komt
tot uitdrukking dat de bedrijfsverenigingen noch de door hen
gecontracteerde uitvoeringsinstelling
de in het eerste lid genoemde taak zelf
mogen uitvoeren, voor zover het de actieve arbeidstoeleiding betreft
van moeilijk plaatsbare werkloze werknemers, zoals het geschikt maken
voor de inschakeling in het arbeidsproces door scholing of bemiddeling.
Deze activiteiten dienen door de bedrijfsvereniging te worden ingekocht bij
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of derden. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dient reeds op grond van de eigen wettelijke taak
WW-gerechtigden te bemiddelen en in het bijzonder moeilijk plaatsbaren
onder hen toe te leiden naar de arbeidsmarkt. De inkoop van
dienstverlening door de bedrijfsverenigingen bij de rblz.|19|
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zal altijd aanvullend moeten zijn op hetgeen de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie reeds doet op basis van de eigen beschikbare
middelen. De bedrijfsverenigingen mogen ook pas tot inkoop overgaan indien
eerst bij overeenkomst met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
de besteding van het prestatiebudget door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie ten behoeve van dezelfde doelgroep is vastgelegd.
- Artikel 72, vijfde en
zesde lid, Werkloosheidswet
Het hier genoemde plan
brengt onder meer in beeld wat de beoogde beleidsdoelstellingen
zijn van de bedrijfsvereniging inzake de bevordering van de uitstroom en welke
kosten daarmee zijn gemoeid. Het Tica kan nadere regels stellen
omtrent het plan. Op deze wijze kan onder meer worden bereikt dat de
bedrijfsverenigingen op eenduidige wijze hun uitstroombeleid
vormgeven. Tevens kan het Tica enige vormvereisten voorschrijven, zoals
bijvoorbeeld de formulering van taakstellingen, de onderbouwing van de
operationalisering van deze taakstellingen, bijzondere aandacht voor
bepaalde doelgroepen en afstemming met het beleid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De goedkeuringsbevoegdheid van de minister inzake de
nadere regels van het Tica strekt ertoe de doelmatigheid
van de regelgeving te kunnen toetsen in relatie tot het volume- en
arbeidsmarktbeleid van de overheid, in samenhang met de bevoegdheid tot
regelgeving bij of krachtens AMvB op het punt van de samenwerking, zoals die
tot uitdrukking komt in het nieuwe vijfde lid van artikel 63 Osv (zie
daarvoor artikel 23, onderdeel B).
- Artikel 72, zevende
lid, Werkloosheidswet
De mogelijkheid tot
regelgeving bij of krachtens AMvB is gewenst teneinde een samenhangend
uitstroom- en arbeidsmarktbeleid te kunnen bevorderen. Daarbij kan
gedacht worden aan het bevorderen van afstemming tussen het
uitstroombeleid van de bedrijfsverenigingen en het beleid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie respectievelijk dat van de gemeenten. Op deze
wijze kan de minister invulling geven aan zijn verantwoordelijkheid.
Omdat het Tica zowel de uitvoering van de WW coördineert als zorg
heeft voor de bevordering van de samenwerking met onder meer de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en daarnaast als fondsbeheerder verantwoordelijk is voor
de besteding van gelden ten laste van het AWf, dient ook het
Tica de regels van deze AMvB in acht te nemen.
Door de verwijzing naar
het eerste lid en het derde lid van artikel 93a
WW wordt het mogelijk
gemaakt nadere eisen te stellen aan de maximale omvang van het budget dat
voor het uitstroombeleid ten laste van het AWf kan worden gebracht
en dat de regels van het Tica voor de rekening en verantwoording voor
het gevoerde uitstroombeleid en de besteding van de gelden aansluiten
bij de wensen van de minister op het punt van de verantwoording voor
het gevoerde beleid.
E
Het nieuwe
artikel 93a WW
is het financieringsartikel voor de inkoop als bedoeld in artikel 72,
vierde lid. De kosten van administratie en beheer gemaakt door de
bedrijfsverenigingen die samenhangen met de uitvoering van artikel
72, eerste lid, komen via artikel 93 ten laste van het AWf. In het tweede lid
wordt het belang van de plannen voor de toekenning van het bedrag
aan de bedrijfsverenigingen aangegeven.
De regels van het Tica
behoeven de goedkeuring van de minister teneinde afstemming
mogelijk te maken op de regels op grond van artikel 9 Arbeidsvoorzieningswet
1996 (betreffende de vergoeding voor het verrichten van diensten
voor de bedrijfsverenigingen en de gemeenten) en op de
samenwerkings-AMvB.
rblz.|20|
Artikel 23
A
Dit betreft een
technische aanpassing van een verwijzing aan de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet.
B
Artikel 63 regelt onder meer in algemene zin de samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Vergelijkbare bepalingen worden
opgenomen in artikel 111 van de Algemene bijstandswet voor de
samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten en in
artikel 6 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996. Om de onderlinge samenwerking goed op elkaar te kunnen afstemmen en het mogelijk te maken een breed arbeidsvoorzieningsbeleid
te ontwikkelen, kan het noodzakelijk zijn dat nadere regels worden
gesteld voor die samenwerking. In de vergelijkbare artikelen in de genoemde
andere wetten is daartoe de mogelijkheid van regeling bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur opgenomen. Daarbij is met deze
wijziging van artikel 63 aangesloten. Gelet op de onderwerpen die in het
kader van de samenwerking wellicht nadere regeling zullen behoeven
(zie ook de toelichting op artikel 6 Arbeidsvoorzieningswet
1996) en het (deels) uitvoeringstechnische karakter daarvan, is er
in laatstgenoemd artikel voor gekozen ook ministeriële
regelgeving, op grond van de AMvB, mogelijk te maken. In overeenstemming hiermee
dienen de overeenkomstige bepalingen in Osv, Abw,
Ioaw en Ioaz
eveneens deze subdelegatie te bevatten.
C
De wijziging van artikel
97 betreft aansluiting bij de terminologie in andere artikelen van deze
wet en in andere wetten om de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
als de bevoegde rechtspersoon te benoemen en niet slechts
een onderdeel daarvan, zoals de Regionale Besturen. Daarmee wordt
ook bereikt dat de verplichting tot het verstrekken van gegevens
aan de bedrijfsverenigingen niet beperkt is tot de Regionale Besturen.
D
Artikel 102 regelt
bevoegdheid tot het verstrekken van gegevens uit de uitvoeringsadministraties
aan niet-bestuursorganen voor specifieke taken die niet zonder meer
voortvloeien uit de uitvoering van wetten. Ingeval de bedrijfsverenigingen
diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie inkopen, kan het enerzijds
gaan om het verstrekken van gegevens aan derden, niet zijnde een
bestuursorgaan, en betreft het anderzijds niet het verstrekken van gegevens
in het belang van een taak van de ontvangende instantie, maar de
uitvoering van de opdracht van de bedrijfsverenigingen. Daarom is de
gegevensverstrekking apart in artikel 102 geregeld.
Artikelen
24 tot en met 26
A
De wijziging van
artikel 111, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en de artikelen
34,
tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz) strekt ertoe deze in overeenstemming rblz.|21|
te brengen met
soortgelijke bepalingen in de Arbeidsvoorzieningswet
1996 en de Osv. Nieuw is dat nu ook sprake is van een
samenwerkingsplicht tussen bedrijfsverenigingen en gemeenten inzake de inschakeling
van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces.
B
Omdat bij de inkoop niet
zonder meer sprake is van de uitvoering van wettelijke taken en
voorts ook derden, niet zijnde overheidsorganen, daarbij ingeschakeld
kunnen worden, is het nodig de voor uitvoering van de inkoop noodzakelijke
gegevensverstrekking apart te regelen; hierin voorziet deze bepaling.
C
Ingevolge de artikelen
137a Abw en
59a Ioaw en
Ioaz verstrekt de minister, volgens bij of
krachtens AMvB te stellen regels, aan gemeenten een specifieke uitkering
ten behoeve van de inkoop van diensten gericht op arbeidstoeleiding. Het
dient daarbij te gaan om de inkoop van diensten ten behoeve van moeilijk
plaatsbare bijstandsgerechtigden. Omtrent de vaststelling wie moeilijk
plaatsbaar is, kan de AMvB regels geven. Het ligt in de rede dat daartoe
zal worden aangesloten bij de indicering die Arbeidsvoorziening
hiertoe hanteert. Op grond van artikel 111 Abw
juncto artikel 6
Arbeidsvoorzieningswet 1996 dienen burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
samen te werken.
Op grond van het tweede
lid van de genoemde artikelen kan de minister het aantal gemeenten dat
voor deze uitkering in aanmerking komt, beperken. Daarbij is
gedacht aan de grote gemeenten met een bijzondere werkloosheidsproblematiek.
Artikel 27
Via het nieuwe artikel
16, vierde lid, Wagw wordt de verplichting een plan gericht op uitstroom
op te stellen, op vergelijkbare wijze geregeld als in de WW. Dit plan brengt
onder meer in beeld wat de beoogde beleidsdoelstellingen zijn van de
bedrijfsverenigingen inzake de inschakeling van de Wagw-doelgroep in het
arbeidsproces, de wijze van uitvoering, waaronder de inkoop van
bemiddelingsactiviteiten en welke kosten met het plan zijn gemoeid.
Het Tica kan nadere regels stellen omtrent het plan. De goedkeuring van de
minister berust op dezelfde gronden als hiervoor zijn vermeld bij het
voorgestelde artikel 72, zesde lid, WW.
De wijze van uitvoering
door het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (was
ABP) wordt vormgegeven in nadere regelgeving van de
Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 28
Artikel 76 van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zoals gewijzigd ingevolge
de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie
(Stb. 1995, 560), bevat een vergelijkbare financieringsbepaling als het voorgestelde
artikel 93a van de WW. Het gaat ook hier om financiering van reïntegratiemaatregelen
door middel van een door het Tica ten laste van een
sociaal fonds beschikbaar gesteld budget. Dit budget vloeit direct
voort uit de uitvoering van een wettelijke taak van de bedrijfsverenigingen. Het
is dan niet noodzakelijk dat het College van toezicht sociale
verzekeringen nog vooraf goedkeuring verleent aan het budget dat het Tica
vaststelt, zodat deze goedkeuring kan vervallen. Daarmee zijn de artikelen
in de WW en WAO betreffende de financiering van reïntegratiemaatregelen
ook op elkaar afgestemd.
rblz.|22|
Artikel 29
In artikel
52a van de Noodwet
Arbeidsvoorziening wordt voor de rijksvergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
van kosten verbonden aan de
uitvoering van die
wet verwezen naar de regels gesteld bij algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 5, tweede volzin, van de
(oude) Arbeidsvoorzieningswet. Nu deze AMvB in de nieuwe wet niet
terugkeert, dient deze verwijzing te vervallen; onderdeel B van dit
artikel voorziet hierin. Gevolg is dat de bedoelde rijksvergoeding niet aan
nadere regeling is onderworpen.
Artikel 30
In onderdeel
x van
artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet
worden voorzitters, leden en
plaatsvervangers van CBA en RBA’s van de materieelrechtelijke
ambtenarenbepalingen uitgezonderd; in verband met de gewijzigde
bestuurssamenstellingen is dit onderdeel aangepast.
Artikel 31
In de
Wet op de
economische delicten is onder meer strafbaar gesteld het handelen in strijd
met de verplichting, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet; dit ziet op de verplichte vacaturemelding waartoe de oude wet de
mogelijkheid bevat. Nu deze mogelijkheid in de nieuwe wet vervalt, dient
deze vermelding in de Wet op de economische delicten te vervallen.
Dat niet de gehele vermelding van de oude Arbeidsvoorzieningswet in
de Wet op de economische delicten vervalt, houdt verband met de
tijdelijke handhaving van de AB- en TBA-vergunningsstelsels
(zie nader bij artikel 34).
Artikel 32
Zoals in de toelichting
op artikel 93 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is uiteengezet, dienen
besluiten inzake toestemming tot ontslag van de ontslagcommissie, bedoeld
in artikel 42 van die wet, te worden uitgezonderd zowel van het beroep op
het College van Beroep voor het bedrijfsleven als van de
algemene beroepsgang op grond van de Algemene wet
bestuursrecht, teneinde te bereiken dat tegen dergelijke besluiten net zo min als
tegen de overeenkomstige besluiten van de regionaal directeur op
grond van artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
beroep openstaat bij enige bestuursrechter. De eerstbedoelde
uitzondering is opgenomen in artikel 93 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996; de onderhavige bepaling bevat de tweede uitzondering.
Artikel 33
In het eerste lid wordt
geregeld dat de inkoop van diensten ten behoeve van de arbeidstoeleiding
van moeilijk plaatsbaren aan Arbeidsvoorziening
dient te worden
opgedragen ("gedwongen winkelnering") tot een zeker bedrag. Voor de
gemeenten
geldt dat voor deze vergoeding aan Arbeidsvoorziening ten laste van ’s Rijks
kas bedragen dienen te zijn vastgesteld, bij of krachtens de
wet.
Daarmee wordt gedoeld op artikel 137a Algemene bijstandswet. Bij en
krachtens dat artikel wordt expliciet vastgesteld tot welk bedrag de gemeenten
de toegekende uitkering dienen te besteden bij Arbeidsvoorziening.
Wat de bedrijfsverenigingen betreft, heeft deze bepaling betrekking op
artikel XXXV van de eerdergenoemde zogenaamde Veegwet, waarin voor de
jaren 1996 tot en met 1999 bedragen zijn vastgesteld.
rblz.|23|
De duur van de verplichte
aanbesteding wordt bepaald bij koninklijk besluit. Vooralsnog wordt
uitgegaan van een periode van vier jaar.
In het tweede lid wordt
geregeld dat inkoop van activiteiten gericht op arbeidstoeleiding bij
anderen dan Arbeidsvoorziening pas is toegestaan indien eerst bij
overeenkomst tussen Arbeidsvoorziening en gemeenten respectievelijk
bedrijfsverenigingen de besteding van de bedoelde budgetten bij
Arbeidsvoorziening is vastgelegd.
Het derde lid biedt de
minister desgewenst de mogelijkheid om regels te stellen, bijvoorbeeld
inzake de prioritering van de inkoop, mede in relatie tot de
verplichting tot samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
de gemeenten en de bedrijfsverenigingen. De taken die
Arbeidsvoorziening ter uitvoering van de inkoop verricht, zullen
aanvullend dienen te zijn op de inspanningen die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
reeds uit eigen middelen verricht ten behoeve van moeilijk
plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Op grond van de samenwerkingsverplichting
in artikel 6 Arbeidsvoorzieningswet 1996, artikel 111
Algemene bijstandswet, artikel 34 Ioaw
en Ioaz en artikel 63 Osv kunnen hierover
afspraken worden gemaakt.
Het derde lid biedt
tevens de mogelijkheid om ook na het tijdstip, bedoeld in het eerste
lid, gedwongen winkelnering bij Arbeidsvoorziening mogelijk te maken. De
regels op grond van dit derde lid kunnen tevens betrekking hebben op de
mate waarin na genoemd tijdstip sprake zal zijn van gedwongen
winkelnering.
Artikel 34
Dit artikel regelt het
vervallen van de AB- en TBA-vergunningsstelsels op bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstippen. Verwezen wordt naar het algemeen deel van deze
toelichting, paragraaf 3.
In samenhang met het
vervallen van die stelsels dient uiteraard ook de strafbaarstelling van
daarmee verband houdende gedragingen, als opgenomen in de Wet
op de economische delicten, te vervallen; hierin voorziet het tweede lid.
Met het vervallen van
bedoelde stelsels zal niet kunnen worden volstaan. Behalve voor
eventuele regeling van de eerder genoemde onderwerpen als het
loonverhoudingsvoorschrift en het onderkruipersverbod, zal in elk geval voor
regeling van de vrijwaring van de inlenersaansprakelijkheid ook wetgeving nodig zijn
(wijziging van artikel 16a van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering en artikel 34 van de Invorderingswet
1990).
Niet uitgesloten is dat dit laatste nog door middel van een nota van
wijziging op dit wetsvoorstel kan worden gerealiseerd; thans is in studie op
welke wijze bij de regeling in het binnenkort in te dienen wetsvoorstel met
betrekking tot de confectiesector kan worden aangesloten.
Artikel 35
[zie art.
36 van de wet, red.]
In aanvulling op het
gestelde in het algemeen deel, paragraaf 2, kan nog het volgende worden
opgemerkt. Verschillende aspecten moeten worden overwogen bij het bepalen
van het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet. In de eerste
plaats is van belang dat wordt bepaald vóór welke datum in een
kalenderjaar de inwerkingtreding moet zijn gelegen om nog tijdig alle
noodzakelijke voorbereidingen voor het nieuwe jaar met toepassing van het nieuwe
regime te kunnen uitvoeren; wordt zo’n deadline overschreden, dan
zal nog een vol kalenderjaar op de oude voet verder gegaan moeten
worden. Verder dient uiteraard tijdig te worden bezien welke nadere
regelgeving, zowel van CBA als van Kroon en minister, bij de
inwerkingtreding van de nieuwe wet gereed moet zijn. rblz.|24|
Daartoe zullen tijdig
voorafgaand aan de inwerkingtreding de nodige voorbereidingen moeten
worden getroffen; dat geldt evenzeer voor de verschillende
voordrachten voor te benoemen bestuurders. Ten slotte zij er hier op gewezen dat
ook nog denkbaar is bijvoorbeeld de onderdelen van de wet die betrekking
hebben op de nieuwe bestuursstructuur eerder van kracht te laten
worden dan die betreffende het financiële stelsel. In de loop van de parlementaire
behandeling van beide wetsvoorstellen zullen ter zake beslissingen
moeten worden genomen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|