|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 25 052.
Handelingen II 1996-1997, blz. 2408-2433, 2467-2478, 2641-2642; 2645.
Kamerstukken I 1996-1997, 25 052 (109, 109a).
Handelingen I 1996-1997, zie vergadering van 17 december 1996.
WET van 20 december 1996, Stb.
1996, 654, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan
1997). Inwerkingtreding: 1 januari 1997.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is in het kader van het Belastingplan 1997 de werkgelegenheid
te bevorderen, het inkomens-, energie-, cultuur- en verkeers- en
vervoersbeleid te ondersteunen, de tabaksaccijns te verhogen en het
niveau van het huurwaardeforfait vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
[Voor de
socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]
Art. XIV.
In artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. In het zesde lid, onderdeel a, wordt "vermeerderd met de
ouderenaftrek" vervangen door: vermeerderd met de ouderenaftrek en de
aanvullende ouderenaftrek.
2. In het achtste lid, onderdeel a, wordt "vermeerderd met de
ouderenaftrek" vervangen door: vermeerderd met de ouderenaftrek en de
aanvullende ouderenaftrek.
Art.
XXI.
-1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997, met
uitzondering van de artikelen VI, VIII, IX en XII, die in werking treden
met ingang van 1 juli 1997 en artikel VII dat in werking treedt op een
bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.
-2. Artikel I, onderdeel F en K, treedt in werking mits het bij
koninklijke boodschap van 28 september 1996 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Gemeentewet, de
Waterschapswet, de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, alsmede de Wet
waardering onroerende zaken (Aanpassingswet
Wet waardering onroerende zaken) tot
wet wordt verheven en het in dat wetsvoorstel opgenomen artikel III
eveneens in werking treedt met ingang van 1 januari 1997.
-3. Artikel XIII, onderdeel A, H, K, onder 2, L, onder 2, en N, werkt terug tot en
met 1 januari 1996.
-4. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 juni 1991 ingediende
voorstel van wet houdende regels op het gebied van de distributie van
elektriciteit, gas en warmte (Wet
energiedistributie), Kamerstukken 22 160, tot wet
wordt verheven op een tijdstip dat is gelegen vóór 1 januari 1997,
werkt artikel XVI terug tot en met dat tijdstip. Indien het in de eerste
volzin bedoelde voorstel van wet tot wet wordt verheven op een tijdstip
dat is gelegen op of na 1 januari 1997, treedt artikel XVI in werking op
dat tijdstip.
-5. De artikelen I en III vinden toepassing nadat artikel 66b van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 1997 is
toegepast.
-6. Artikel 66e van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vindt voor het
eerst toepassing bij het begin van het kalenderjaar 1998, met dien
verstande dat de vervanging van de in artikel 42a van genoemde wet
vermelde percentages en bedragen voor het eerst plaatsvindt en gevolgen
heeft bij het begin van het kalenderjaar 2001.
-7. Artikel 30a van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
vindt voor het eerst toepassing bij het begin
van het kalenderjaar 1998.
-8. Artikel 32, eerste lid, onder 11º, artikel 33, eerste lid,
onder 13º, en artikel 67, derde lid, van de Successiewet
1956 vinden slechts toepassing indien het overlijden, de schenking, de in
artikel 45, derde lid, tweede volzin, of artikel 53, eerste lid, van de Successiewet
1956 bedoelde gebeurtenis op of na het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt, zomede indien op of na dat
tijdstip krachtens schenking wordt verkregen tengevolge van de
vervulling van een voorwaarde. Artikel 61, eerste lid, onder 1º en 4º,
en tweede lid, onder d en slot, blijven van kracht zoals zij luidden
vóór de inwerkingtreding van deze wet, indien het overlijden, de
schenking of de in de vorige volzin genoemde gebeurtenissen plaats
hebben gevonden vóór dat tijdstip.
-9. Voor de toepassing van artikel
11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 worden voorts niet tot de bedrijfsmiddelen
gerekend bedrijfsmiddelen ter zake waarvan vóór 1 januari 1997 door een
natuurlijk persoon of lichaam verplichtingen zijn aangegaan of
voortbrengingskosten zijn gemaakt en welke daarna door de
belastingplichtige zijn verworven en bestemd zijn om - direct of
indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan de
persoon die of het lichaam dat vóór 1 januari 1997 verplichtingen is
aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt, dan wel aan een
natuurlijk persoon of lichaam waartoe degene die vóór 1 januari 1997
verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een
verhouding staat als is omschreven in het achtste lid van voornoemd
artikel 11 of in artikel 8, tweede lid, onderdeel b of c, van
de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
20 december 1996
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de drieëntwintigste
december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|