|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 062
Wijziging
van de inkomensgrens ziekenfondsverzekering voor AOW-gerechtigden
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Herstructurering
ziekenfondsverzekering per 1 januari 1998 |
| 3 |
Maatregel per 1
januari 1997 |
| 4 |
Aanpassing
medeverzekering ziekenfondsverzekering voor studenten |
| 5 |
Personele en
financiële consequenties |
| 6x |
Inwerkingtreding |
Algemeen
1.
Inleiding
Bij
de Wet van 9 juni 1994 tot wijziging van de
Ziekenfondswet en enige
andere wetten in verband met uitbreiding van de personele werkingssfeer
van de Ziekenfondswet met een bepaalde categorie van AOW-gerechtigden
(verplichte ziekenfondsverzekering AOW-gerechtigden) en aanpassing van AOW-rechten
in
verband met te betalen premies ziektekostenverzekering (de Wet-Van
Otterloo)
werd een einde gemaakt aan de tot dan toe geldende systematiek
waarbij ziekenfondsverzekerden na het bereiken van de 65-jarige leeftijd
altijd ziekenfondsverzekerd bleven, ongeacht de ontwikkeling van hun
inkomen, terwijl particulier verzekerden na het bereiken van de 65-jarige
leeftijd op de particuliere verzekeringsmarkt aangewezen bleven,
eveneens ongeacht de ontwikkeling van hun inkomen. Deze situatie
leidde ertoe dat particulier verzekerden wier inkomen na hun
pensionering sterk terugviel soms voor relatief zeer zware lasten kwamen te
staan voor hun ziektekostenverzekering.
In vervolg op de
zogeheten "kleine stelselwijziging" van 1986 waarbij een uitkering ingevolge
de AAW of de AWW rechtsgrond werd voor een verzekering ingevolge de
Ziekenfondswet, maakte de Wet-Van Otterloo de AOW-uitkering rechtsgrond
voor ziekenfondsverzekering. Voorwaarde daarbij was dat het
inkomen uit of in verband met dienstbetrekking van betrokkene lager was dan
een bepaalde inkomensgrens (thans ƒ31 450,-). Het gevolg was dat vele
ouderen konden toetreden tot de relatief goedkope
ziekenfondsverzekering, maar dat verzekerden met een hoger inkomen juist de
ziekenfondsverzekering moesten verlaten.
Op 27 november 1995 heeft
in de Tweede Kamer met de Vaste Commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een wetgevingsoverleg plaatsgevonden waarin de
evaluatie van de Wet-Van Otterloo centraal stond. Uit deze
evaluatie is gebleken dat deze wet weliswaar voor een grote groep ouderen
een zeer positieve uitwerking heeft gehad, doch dat er voor andere
groepen ouderen voor wat betreft de relatieve zwaarte van de
ziektekostenverzekeringspremie problemen zijn ontstaan, dan wel niet zijn opgelost.
Conclusie van dit overleg was dat in het voorjaar van 1996 een principiële
herbezinning op de inrichting van de ziekenfondsverzekering rblz.|2|
zou
plaatsvinden. Mogelijke maatregelen ter reparatie van de Wet-Van Otterloo zouden
in samenhang dienen te worden bezien met andere mogelijkheden ter
reconstructie van de ziekenfondsverzekering.
2. Herstructurering
ziekenfondsverzekering per 1 januari 1998
Algemeen wordt ervaren
dat de mogelijkheden voor personen ouder dan 65 jaar [van 65 jaar of
ouder, red.] om
ziekenfondsverzekerd te zijn te beperkt zijn. Een aanzienlijk deel van de
betrokken categorie van personen is aangewezen op een particuliere
ziektekostenverzekering waarvoor een in verhouding tot het inkomen hoge
premie verschuldigd is. Het verschil in premiedruk ten opzichte van de
ziekenfondsverzekering kan oplopen tot een bedrag van ƒ54,- per maand
voor alleenstaanden, respectievelijk ƒ188,- per maand voor gehuwden. Met
name door diegenen die tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd
altijd ziekenfondsverzekerd waren, wordt het als onrechtvaardig ervaren
dat zij in hun pensioengerechtigde levensfase uit die verzekeringsvorm
worden gestoten.
De regering heeft
besloten de belangrijkste knelpunten die door de Wet-Van Otterloo zijn
ontstaan op te lossen door de mogelijkheden voor 65-jarigen om in
aanmerking te komen voor ziekenfondsverzekering te verruimen. Daartoe
strekken de navolgende maatregelen:
a. Het waarborgen dat een
ieder die ziekenfondsverzekerd was vóór het bereiken van de leeftijd
van 65 jaar ook ziekenfondsverzekerd blijft na het bereiken van die leeftijd
("blijf zitten waar je zit").
b. Voor degenen die bij
het bereiken van de 65-jarige leeftijd particulier verzekerd zijn, zal de
mogelijkheid worden geopend op vrijwillige basis toe te treden tot de
ziekenfondsverzekering indien hun inkomen onder een bepaalde grens ligt
(opting-in).
In dit verband zal een inkomensgrens gehanteerd worden van ƒ38 300,-.
c. Het verbreden van het
inkomensbegrip dat voor toetsing aan de onder b bedoelde
inkomensgrens wordt gehanteerd. Daardoor zullen ook inkomsten uit onder meer
vermogen en lijfrente gaan meetellen (aangescherpt inkomensbegrip).
Tezamen leiden deze
maatregelen tot een extra instroom van ouderen in de
ziekenfondsverzekering van circa 200 000 personen.
Bij bedoelde structurele
aanpassing wordt tevens een wijziging van de ziekenfondsverzekering
betrokken die uit anderen hoofde noodzakelijk is. Het betreft hier het
opheffen van het tijdelijke karakter van de bepaalde uitzonderingssituaties in
de ziekenfondsverzekering die in het leven zijn geroepen bij de invoering
van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen (Wtz) in 1986. Daarbij
werd voor AWW- en AAW-gerechtigden de mogelijkheid geopend
om van de verplichte ziekenfondsverzekering te worden ontheven indien
hun IB-inkomen [IB: inkomstenbelasting, red.] boven de loongrens van de ziekenfondsverzekering
lag. Voor rechthebbenden op een invaliditeitsuitkering ingevolge de Algemene
burgerlijke pensioenwet werd eenzelfde ontheffingsmogelijkheid
geboden zonder enige inkomenstoets.
De mogelijkheid van
ontheffing werd geopend voor een periode van drie jaar, in afwachting
van de totstandkoming van een definitieve herziening van het
stelsel van ziektekostenverzekering. Inmiddels is de tijdelijke
ontheffingsmogelijkheid driemaal verlengd, waarbij de huidige termijn loopt tot 1 april
1998.
De regering heeft
besloten het tijdelijke karakter van de uitzondering niet nog langer te laten
voortbestaan. De uitzondering dient dan een permanent karakter te
worden gegeven in die zin dat uitkeringsgerechtigden met een IB-inkomen hoger
dan de loongrens voor de ziekenfondsverzekering (per 1 januari 1996: ƒ59
700,- per jaar) in algemene zin de mogelijkheid krijgen voor
ontheffing van de ziekenfondsverzekering.
rblz.|3|
Bedoelde
keuzemogelijkheid wordt naar analogie doorgetrokken naar ziekenfondsverzekerde
65-jarigen met een inkomen boven de dan vigerende Zfw-inkomensgrens.
Naar verwachting zal deze
maatregel geen wijziging van belang voor het aantal
ziekenfondsverzekerden betekenen.
De noodzakelijke
wettechnische uitwerking van de bovengenoemde maatregelen maken het
niet mogelijk het gehele pakket eerder dan op 1 januari 1998 in werking
te doen treden.
3. Maatregel per 1
januari 1997
Om reeds per 1 januari
1997 enige verlichting te brengen in de problematiek van de
particulier verzekerde personen van 65 jaar of ouder heeft de regering
besloten vooruitlopend op de structurele wijzigingen van 1 januari 1998 de
inkomensgrens van de huidige verplichte ziekenfondsverzekering
voor AOW-gerechtigden te verhogen tot ƒ35 300,-.
Het
voorliggende wetsvoorstel strekt daartoe. Als gevolg hiervan zullen reeds per
1 januari 1997 circa 100 000 van de eerder genoemde 200 000 ouderen
extra tot de ziekenfondsverzekering toetreden in vergelijking met de
situatie waarin de inkomensgrens volgens de bestaande indexeringsmethodiek zou worden verhoogd. Met deze
maatregel beoogt het
kabinet de scherpste problemen die aan de Wet-Van Otterloo zijn verbonden
op korte termijn op te lossen. Als gevolg van de maatregel zullen minder
ziekenfondsverzekerden die in 1997 de leeftijd van 65 jaar bereiken de Zfw
hoeven te verlaten en zullen meer particulier verzekerde ouderen die
een inkomen hebben boven de huidige grens van ƒ31 450,- tot de
ziekenfondsverzekering kunnen toetreden.
De Zfw-inkomensgrens voor
personen van 65 jaar of ouder wordt per 1 januari 1998 verder
opgetrokken tot ƒ38 300,-. Deze nieuwe hoogte van de inkomensgrens zal op die
datum alleen van betekenis zijn voor personen van 65 jaar of ouder die
op dat moment particulier verzekerd zijn. Dit houdt verband met het
feit dat gelijktijdig met het verder optrekken van de inkomensgrens wordt
gewaarborgd dat een ieder die ziekenfondsverzekerd was vóór het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar ook ziekenfondsverzekerd
blijft na het bereiken van die leeftijd. Dit zal ertoe leiden dat met ingang van
1 januari 1998 niemand bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar meer
gedwongen de Zfw hoeft te verlaten.
4. Aanpassing
medeverzekering ziekenfondsverzekering voor studenten
In samenhang met de
genoemde maatregelen ten behoeve van de ziekenfondsverzekering
van personen van 65 jaar of ouder vindt een aanpassing plaats van de
medeverzekeringsregels in de ziekenfondsverzekering.
De medeverzekering van
studerenden met studiefinanciering krachtens de
Wet op de
studiefinanciering (WSF) zal worden beëindigd. Deze personen hebben wanneer
zij aangewezen raken op een particuliere ziektekostenverzekering,
toegang tot de studentenstandaardpakketpolis krachtens de Wet op de
toegang tot ziektekostenverzekeringen. Vorenbedoelde maatregel zal gefaseerd
worden ingevoerd, in die zin dat nieuwe WSF-gerechtigden van 18
jaar of ouder vanaf het studiejaar 1997-1998 niet langer in de ziekenfondsverzekering medeverzekerd kunnen zijn. Voor
degenen die als
WSF-gerechtigde reeds medeverzekerd zijn (bestaande gevallen), blijft de
medeverzekering ziekenfondsverzekering voor de resterende duur van de
WSF-aanspraak gehandhaafd, uiteraard voor zover overigens aan de
voorwaarden voor medeverzekering voldaan blijft worden. In een
aanvullende beurs ingevolge de Wet op de studiefinanciering is een vergoeding voor de
kosten van een particuliere ziektekostenverzekering rblz.|4|
begrepen. Nieuwe WSF-gerechtigden die voor een aanvullende
beurs in aanmerking komen,
worden op die wijze financieel volledig gecompenseerd. De financiële middelen die als gevolg van de geleidelijke uitstroom van medeverzekerde studenten in de ziekenfondsverzekering
vrijvallen, zullen worden
ingezet zowel voor de dekking van de uit de maatregel voortvloeiende
extra uitgaven voor de aanvullende beurs als ook voor verruiming van
de toegang tot een aanvullende beurs op grond van de Wet op de
studiefinanciering.
De maatregel zal worden
ingevoerd met ingang van 1 augustus 1997.
Verwacht wordt dat na
circa vijf jaar de medeverzekering ziekenfondsverzekering van de huidige WSF-gerechtigden (bestaande gevallen) zal
zijn beëindigd. Als
gevolg van vorenbedoelde maatregel zal het aantal medeverzekerden dan met
circa 185 000 personen zijn afgenomen. Het grootste deel van de uitstroom wordt in de eerste twee jaren na invoering
van de maatregel
verwacht.
5. Personele en
financiële consequenties
Onderstaande tabel geeft
een samenvattend beeld van de verschuivingen in de Zfw-populatie en de
financiële effecten die zullen optreden als gevolg van de in het
voorgaande besproken maatregelen die per 1 januari 1997
respectievelijk per 1 januari 1998 in werking zouden moeten treden.
Opgemerkt wordt dat alle
hierna te noemen cijfers een globaal karakter hebben en zijn gebaseerd
op de thans ter beschikking staande gegevens. De cijfers dienen met de
nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd.
Tabel 1. Financiële
effecten (structureel):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx|xx |
Inkomensgrens
65-plussers
ƒ38r300,- |
Mede-
verzekerde
studenten |
xTotaalx |
1. Instroom en uitstroom Zfw
(x 1000 pers.):
alleenstaand
gehuwden
partners
kinderen
totaal |
x
70xxxx
65xxxx
65xxxx
0xxxx
200xxxx
|
x
x
x
x
–185xxx
–185xxx |
x
70xx
65xx
65xx
–185xx
15xx |
| 2. Extra lasten Zfw
(x ƒ1 mln) |
1135xxxx |
–130xxx |
1005xx |
| 3a. Extra premie-inkomsten
Zfw (x ƒ1 mln) |
415xxxx |
–0xxx |
415xx |
| 3b. Extra MOOZ-bijdrage (x
ƒ1 mln)
|
675xxxx |
80xxx |
755xx |
| 3c.
Totaal extra inkomsten Zfw (x ƒ1 mln) (3a + 3b) |
1090xxxx |
80xxx |
1170xx |
| 4. Tekort Algemene Kas Zfw
(x ƒ1 mln) (2 - 3c) |
45xxxx |
210xxx |
–165xx |
| 5. Wtz-omslagtekort (x
ƒ1 mln) |
–630xxxx |
0xxx |
–630xx |
| 6. MOOZ-omslagbijdrage
(micro, in guldens) |
175xxxx |
20xxx |
195xx |
| 7. Wtz-omslagbijdrage
(micro, in guldens) |
–155xxxx |
–15xxx |
–170xx |
| 8. Totaal wettelijke
bijdragen (micro, in guldens) |
20xxxx |
5xxx |
25xx |
Toelichting tabel
Verzekerdenbestand Zfw
Het
Zfw-verzekerdenbestand neemt toe als gevolg van de voorgestelde
maatregelen gericht op
ouderen. De totale structurele toename bedraagt circa 200 000, waarvan
100 000 naar verwachting wordt gerealiseerd in 1997 en 100 000 in 1998.
Het verzekerdenbestand neemt af als gevolg van de voorgestelde maatregel
met betrekking tot de medeverzekering van rblz.|5|
studenten. De structurele
afname bedraagt circa 185 000. Deze afname wordt naar verwachting
gerealiseerd volgens onderstaand schema.
| Jaar |
Uitstroom |
Cumulatief |
| 1997 |
75 000 |
75 000 |
| 1998 |
45 000 |
120 000 |
| 1999 |
30 000 |
150 000 |
| 2000/2001 |
35 000 |
185
000 |
Zowel de toename van het
aantal ouderen in de ziekenfondsverzekering als de afname van het
aantal medeverzekerde studenten heeft gevolgen voor de lasten van de
ziekenfondsverzekering (tabel 1, regel 2). De ouderenmaatregelen doen
de Zfw-lasten stijgen, de studentenmaatregel doet deze dalen. De extra
in de Zfw instromende ouderen doen de premie-inkomsten voor de Zfw stijgen
(tabel 1, regel 3a). De uit de
Zfw stromende studenten doen
de premie-inkomsten niet dalen. De betreffende groep studenten is tot nu
toe immers gratis medeverzekerd.
De toename van het aantal
ouderen in de ziekenfondsverzekering zorgt voor een toename van de oververtegenwoordiging van ouderen in de
Zfw. Op grond van de Wet
medefinanciering oververtegenwoordiging oudere
ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ) leidt dit tot een toename van de MOOZ-bijdrage
(tabel 1, regel 3b). Ook de afname van het aantal medeverzekerde studenten
doet de oververtegenwoordiging van ouderen in de Zfw toenemen. Dit
leidt tot een verdere toename van de MOOZ-bijdrage. In totaal
stijgt de MOOZ-bijdrage in de structurele situatie met circa ƒ755 mln.
De extra MOOZ-bijdrage
komt ter beschikking van de Algemene Kas van de
ziekenfondsverzekering. Het totaal van de extra premie-inkomsten en de extra MOOZ-bijdrage
voor de Zfw is naar verwachting circa ƒ165
mln hoger dan het saldo van
de extra lasten voor de Zfw (tabel
1, regel 4). Niet in de tabel vermeld
is dat een bedrag van ƒ160 mln wordt onttrokken aan de Zfw ten gunste van
de financiële compensatie via de WSF. Per saldo lopen de financiële effecten van de voorgestelde maatregelen voor de ziekenfondsverzekering
hierdoor nagenoeg glad.
De
eerder beschreven
stijging van de MOOZ-bijdrage dient in de vorm van de individuele MOOZ-omslagbijdrage te worden opgebracht door alle
particulier verzekerden.
De stijging van deze omslagbijdrage bedraagt in de structurele situatie
in totaal ƒ195,- per jaar voor iedere particulier verzekerde in de
leeftijdscategorie 20-64 jaar (tabel
1, regel 6). Verzekerden jonger dan 20 jaar zijn
50% van dit bedrag extra verschuldigd, verzekerden van 65 jaar of ouder 80%.
Tegenover de stijging van
de MOOZ-bijdrage staat een daling van het Wtz-omslagtekort
(tabel 1, regel 5). Deze daling wordt veroorzaakt door het feit dat van circa
200 000 verzekerden van 65 jaar of ouder de Wtz-standaard(pakket)polis
wordt omgezet in ziekenfondsverzekering. De daling van het Wtz-omslagtekort (in
totaal in de structurele situatie naar verwachting circa ƒ630 mln) leidt tot een daling van de individuele
Wtz-omslagbijdrage, die
is verschuldigd door alle particulier verzekerden. De Wtz-omslagbijdrage
daalt met circa ƒ170,- per jaar per particulier verzekerde in de
leeftijdscategorie 20-64 jaar (tabel
1, regel 7).
Het structurele saldo van
de stijging van de MOOZ-omslagbijdrage en de daling van de Wtz-omslagbijdrage is
een stijging van de lasten per particulier verzekerde in
de leeftijdscategorie 20-64 jaar van ƒ25,-
(tabel 1, regel 8). Verzekerden
jonger dan 20 jaar zijn 50% van dit bedrag verschuldigd, verzekerden
van 65 jaar of ouder 80%.
rblz.|6|
Opgemerkt wordt dat de
systematiek van de Wet MOOZ wordt gekenmerkt door
vertraagde doorwerking van wijzigingen in de omvang van de
oververtegenwoordiging van ouderen in de Zfw. Hetzelfde geldt
voor de Wtz, waar
wijzigingen in de omvang van het Wtz-omslagtekort
vertraagd doorwerken in
de hoogte van de Wtz-omslagbijdrage. Voor de
berekening van de financiële effecten van de voorgestelde maatregelen
gaat het kabinet uit van
de veronderstelling dat de Wet MOOZ en de Wtz per 1 januari 1998
zodanig zullen zijn gewijzigd dat alle effecten op de MOOZ- c.q. de Wtz-omslagbijdrage van de in 1997
én 1998 te nemen
maatregelen optreden per
1 januari 1998. Voor de Wet MOOZ betekent dit dat de stijging van de oververtegenwoordiging van personen van 65
jaar of ouder in de Zfw, die
optreedt als gevolg van de voorgestelde maatregelen, wordt verwerkt in de
MOOZ-bijdrage die wordt geheven in 1998. Voor de Wtz betekent de
bedoelde veronderstelling dat met ingang van 1 januari 1998 een einde
komt aan de naijling die nu nog kenmerkend is voor de Wtz-omslagregeling. De
beëindiging van de naijling wordt bereikt door de bij de
Stichting Uitvoering Omslagregeling Wtz opgebouwde voorziening
(reserve) aan te wenden ter financiering van het Wtz-omslagtekort over
1997.
In het jaar 1997
ondervinden de particulier verzekerden in het geheel geen financiële
effecten van de voorgestelde maatregelen.
Voor het overige geldt
dat de personele en financiële effecten van dit wetsvoorstel in het jaar
1997 in grote lijnen neerkomen op de helft van de in de eerste cijferkolom
van tabel 1 vermelde uitkomsten. De extra instroom in de Zfw
van
verzekerden van 65 jaar of ouder, die het gevolg is van de voorgestelde
verhoging van de inkomensgrens voor AOW-gerechtigden naar ƒ35 300,-, bedraagt naar verwachting circa 100 000 in 1997.
De met deze extra
instroom samenhangende extra lasten voor de ziekenfondsverzekering in
1997 worden geschat op circa ƒ570 mln en de extra premie-inkomsten op
circa ƒ210 mln. Het inkomenssaldo van de Ziekenfondswet
in 1997
wordt niet beïnvloed, doordat de in 1998 te ontvangen MOOZ-bijdrage
betrekking heeft op 1997 (boeking op transactiebasis).
De met de verschuiving
van de betreffende groep verzekerden samenhangende effecten
voor de MOOZ-bijdrage en de Wtz-omslagbijdrage treden
niet eerder op dan in 1998. De verschuiving leidt in 1997 dus niet
tot effecten voor particulier verzekerden.
6. Inwerkingtreding
Beoogd wordt het
onderhavige voorstel van wet op 1 januari 1997 in werking te doen treden.
In verband hiermede wordt het volgende vermeld.
Voor de
uitvoeringspraktijk van de ziekenfondsverzekering is het van groot belang dat de per 1
januari 1997 geldende inkomensgrens voor AOW-gerechtigden tijdig
bekend is. Ingevolge de Ziekenfondswet
vindt jaarlijks een toetsing
plaats van het verzekeringsplichtig inkomen van werknemers en andere
potentiële ziekenfondsverzekerden om te beoordelen of zij al dan
niet verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet. Om de toetsende
instanties niet te overbelasten en degenen die als gevolg van de toetsing
per 1 januari van verzekeringsvorm moeten veranderen enige tijd te
geven daartoe de nodige stappen te ondernemen, is in de Ziekenfondswet
de systematiek neergelegd dat het loon of de uitkering van een (potentiële) verzekerde per 1 november van enig jaar op jaarbasis wordt getoetst
aan de op 1 januari daaropvolgend geldende loongrens.
Voor de per 1 januari
1997 voorziene maatregel betekent dit dat de nieuwe inkomensgrens van
de ziekenfondsverzekering voor rblz.|7|
AOW-gerechtigden
omstreeks 1 november 1996 aan de uitvoeringsorganen bekend zou moeten worden
gemaakt.
Vanwege het wettechnisch
meer gecompliceerde karakter van de structurele maatregelen
kunnen deze niet worden meegenomen in het voorliggende
wetsvoorstel. Er wordt naar gestreefd het wetsvoorstel dat voorziet in deze
structurele maatregelen in het voorjaar van 1997 aan het parlement voor te leggen.
De aanpassing van de
medeverzekering ziekenfondsverzekering zal bij ministeriële regeling
zijn beslag kunnen krijgen. Ten aanzien van de daarmee verband houdende
wijzigingen op het gebied van de studiefinanciering is voor de compensatie in
de aanvullende beurs geen wetswijziging nodig. De
vergroting van het bereik van de aanvullende beurs vereist wel
wetswijziging. Hiervoor zal een apart wetsvoorstel worden voorbereid.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|