|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1994-1995, 1995-1996, 1996-1997, 24 236.
Handelingen II 1996-1997, blz. 223-242, 247-271, 273-291, 309-310.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 236 (30, 30a, 30b, 30c).
Handelingen I 1996-1997, blz. 540.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 23 januari 1997, Stb.
1997, 85, houdende een regeling voor vrijstelling van premies
werknemersverzekeringen bij arbeid van zeer korte duur van
uitkeringsgerechtigden en aangewezen categorieën werknemers (Wet
premieregime bij marginale arbeid). Inwerkingtreding: 26 februari
1997.
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het uit het oogpunt van arbeidsmarktbeleid
wenselijk is een vrijstelling van de betaalde premies voor de
werknemersverzekeringen te introduceren bij dienstbetrekkingen van
uitkeringsgerechtigden en bepaalde
categorieën aangewezen werknemers van zeer korte duur;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepalingen
Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. werknemer: de werknemer bedoeld
in paragraaf 2 van respectievelijk hoofdstuk I van de
Werkloosheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en van de eerste afdeling van de Ziektewet;
b. werkgever: de natuurlijke persoon
tot wie, of het lichaam tot welk, één of meer natuurlijke personen in
dienstbetrekking staan in de zin van de Ziektewet, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en van de Werkloosheidswet;
c. premies werknemersverzekeringen:
de premies die werkgevers en werknemers verschuldigd zijn ingevolge de Ziekenfondswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
d. bedrijfsvereniging: een
bedrijfsvereniging als bedoeld in hoofdstuk V van de Organisatiewet
sociale verzekeringen;
e. College van toezicht sociale
verzekeringen: het College van toezicht sociale
verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet sociale
verzekeringen;
f. Tijdelijk instituut voor coördinatie
en afstemming: het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming,
bedoeld in hoofdstuk IV van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
g. Algemeen Werkloosheidsfonds: het
fonds, genoemd in artikel 103 van de
Werkloosheidswet;
h. uitkeringsgerechtigde: degene
wiens inkomen uit en in verband met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de
dienstbetrekking waarop deze wet betrekking heeft uitsluitend bestaat
uit een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet, de Wet Inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet
of uit een uitkering ingevolge vergelijkbare regelingen dan wel uit een
combinatie van deze uitkeringen en die als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is ingeschreven.
HOOFDSTUK
2
Vrijstelling
van premies werknemersverzekeringen
§ 1. Vrijstelling van premies
Art. 2.
-1. Op aanvraag van een werkgever verleent
de bedrijfsvereniging waarbij deze werkgever op grond van artikel 64,
eerste en tweede lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen van
rechtswege is aangesloten, ter zake van een dienstbetrekking tussen deze
werkgever en een uitkeringsgerechtigde vrijstelling van de verplichting
tot het betalen van de door de werkgever en die uitkeringsgerechtigde
verschuldigde premies werknemersverzekeringen.
-2. De vrijstelling wordt verleend, indien:
a. de dienstbetrekking ten hoogste
zes aaneengesloten weken duurt; en
b. de werkgever in het kalenderjaar
niet eerder een dienstbetrekking met die uitkeringsgerechtigde is
aangegaan; en
c. voor een dienstbetrekking van die
uitkeringsgerechtigde in het kalenderjaar niet eerder vrijstelling is
verleend.
-3. Voor de toepassing van het tweede lid
worden dienstbetrekkingen tussen de werkgever en de
uitkeringsgerechtigde geacht eenzelfde, niet onderbroken
dienstbetrekking te zijn indien die dienstbetrekkingen elkander met
tussenpozen van niet meer dan 31 dagen zijn opgevolgd.
-4. De vrijstelling gaat in op het tijdstip
waarop de dienstbetrekking aanvangt.
Art. 3.
-1. De werkgever vraagt de vrijstelling aan
vóór de afloop van de dienstbetrekking. De aanvraag wordt mede door de
uitkeringsgerechtigde ondertekend.
-2. De aanvraag bevat in ieder geval het
sociaal-fiscaal nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen, van de uitkeringsgerechtigde.
-3. De bedrijfsvereniging beschikt zo
spoedig mogelijk op de aanvraag.
-4. Het Tijdelijke instituut voor coördinatie
en afstemming kan nadere regels stellen voor de aanvraag door de
werkgever en de beschikking van de bedrijfsvereniging.
§ 2.
Premievrijstelling voor aangewezen categorieën werknemers
Art. 4.
-1. De bedrijfsvereniging voor de
Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven kan categorieën van werknemers
aanwijzen waarvoor die bedrijfsvereniging de werkgever ter zake van een
dienstbetrekking met een onder die categorie vallende werknemer
vrijstelling van de verplichting tot het betalen van de door die
werkgever en die werknemer verschuldigde premies werknemersverzekeringen
kan verlenen.
-2. Voor aanwijzing komen in aanmerking
categorieën van werknemers die behalve uit de in het eerste lid
bedoelde dienstbetrekking bij aanvang van die dienstbetrekking niet
aangewezen zijn op inkomen uit arbeid en geen uitkeringsgerechtigde
zijn.
-3. Het besluit tot aanwijzing behoeft de
goedkeuring van het College van toezicht sociale
verzekeringen.
Art. 5.
-1. Na een goedgekeurde aanwijzing verleent
de bedrijfsvereniging voor de Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven
op aanvraag van een werkgever vrijstelling van de verplichting tot het
betalen van premies ter zake van een dienstbetrekking met een werknemer
vallend onder een categorie als bedoeld in artikel 4,
eerste lid.
-2. De artikelen 2, tweede
tot en met vierde lid, en 3 zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 3.
Herziening beslissing
Art. 6.
De bedrijfsvereniging herziet de beslissing over de premievrijstelling
indien deze vrijstelling ten onrechte is verleend, omdat onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt.
HOOFDSTUK
3
Financiering
premievrijstelling voor aangewezen categorieën werknemers
Art. 7.
[MvT]
De
Werkloosheidswet wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Aan artikel 90, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een nieuw
onderdeel h toegevoegd, luidende:
h. de premies voor de betaling waarvan aan werkgevers op grond
van artikel 5 van de Wet premieregime bij marginale
arbeid vrijstelling is verleend.
B. [MvT]
Aan artikel 93 wordt, onder vervanging van de
punt aan het slot door een puntkomma, een nieuw onderdeel g
toegevoegd, luidende:
g. de premies voor de betaling waarvan aan werkgevers op grond
van artikel 5 van de Wet premieregime bij marginale
arbeid vrijstelling is verleend, voor zover deze niet ten laste komen
van een wachtgeldfonds.
C. [MvT]
In artikel 94 wordt na de eerste volzin een
nieuwe volzin toegevoegd, luidende: Voor het vaststellen van het maximum
blijven de premies ten laste van een wachtgeldfonds op grond van artikel
90, eerste lid, onderdeel h, buiten beschouwing.
Art. 8.
-1. Voor de jaren 1997, 1998 en 1999 komt
respectievelijk 25, 50 en 75% van de totale premies voor de betaling
waarvan op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 2 aan
werkgevers vrijstelling is verleend ten laste van een wachtgeldfonds.
-2. Met toepassing van het eerste lid komen
in de jaren 1997, 1998 en 1999 premies voor de betaling waarvan op grond
van paragraaf 2 van hoofdstuk 2 aan werkgevers
vrijstelling is verleend, voor maximaal 200 000 werknemers ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds. Bij het bereiken van dit maximum komen
de overige bijdragen in afwijking van het eerste lid geheel ten laste
van een wachtgeldfonds.
HOOFDSTUK
4
Bezwaar
en beroep
Art. 9.
In afwijking van
artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van
een besluit op grond van deze wet gehoord op zijn verzoek.
Art.
10. [MvT]
In de bijlage
bij de Beroepswet, onderdeel C, wordt na onderdeel 4 een onderdeel
4a ingevoegd, luidende:
4a. Wet premieregime bij marginale arbeid.
HOOFDSTUK
5
Slotbepalingen
Art.
11.
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Art.
12.
Deze wet wordt aangehaald als: Wet premieregime bij marginale arbeid.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te
's-Gravenhage, 23 januari 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de vijfentwintigste
februari 1997
De Minister van
Justitie,
W. Sorgdrager
|