|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 877.
Handelingen II 1996-1997, blz. 2500-2516, 2558-2584, 2642-2643,
2676-2680.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 877 (145, 145a, 145b, 145c, 145d,
145e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergadering d.d. 25 februari 1997.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 26 februari 1997, Stb.
1997, 95, tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale
verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen 1997).
Inwerkingtreding: 1 maart 1997 (Stb. 1997,
97). Vervallen met ingang van 1 januari
2002 (artikel 2, eerste lid, ISUWI).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie van de uitvoering van
de sociale verzekeringen te wijzigen;
Zo is het dat wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepalingen
en aanwijzingsbevoegdheid
van de minister
Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het
College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk
2;
c. Sociale Verzekeringsbank: de Sociale
Verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 3;
d. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk
4;
e. sectorraad: een sectorraad als bedoeld in
artikel 56;
f. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als
bedoeld in artikel 41, derde lid;
g. sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in
artikel 47b, derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
h. fonds:
1º. het Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in
artikel
103 van de Werkloosheidswet;
2º. het Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in
artikel
72 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3º. het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in
artikel 34 van de Wet financiering
volksverzekeringen;
4º. het Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31 van de
Toeslagenwet;
5º. het Ouderdomsfonds, genoemd in artikel
28, eerste
lid, van de Wet financiering volksverzekeringen;
6º. het Nabestaandenfonds,
genoemd in artikel 28, tweede lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen;
7º. het Algemeen
Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a
van de Algemene Kinderbijslagwet;
8º. het Invaliditeits- en
Ouderdomsfonds, genoemd in de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919;
9º. een wachtgeldfonds als
bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet;
i. uitvoeringskosten: de
personele en materiële kosten van de uitvoering van wetten
door
het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank
en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, alsmede de kosten van
uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43;
j. verzekerde: de werknemer
in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
voor zover
hij geen uitkering of
voorziening op grond van deze wetten ontvangt;
k. werkgever: de werkgever
in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
l. uitkeringsgerechtigde:
degene die een uitkering of voorziening ontvangt op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Toeslagenwet, de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet
of de Algemene Kinderbijslagwet;
m. het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel: het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel,
bedoeld in artikel 21 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP.
Art. 2.
Onze Minister kan aan het
College van toezicht sociale verzekeringen aanwijzingen van algemene
aard geven betreffende de uitoefening van zijn taken.
HOOFDSTUK
2
Het
College van toezicht sociale verzekeringen
§ 1.
Samenstelling van het
bestuur en werkwijze
Art. 3.
-1. Er is een
College van toezicht sociale verzekeringen.
-2. Het College van toezicht
sociale verzekeringen bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel op een
door
Onze Minister te bepalen plaats.
Art. 4.
Het
College van toezicht sociale verzekeringen heeft een bestuur, bestaande uit drie leden
onder wie de voorzitter.
Art. 5.
-1. De in artikel 4 bedoelde
leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van ten
hoogste vier jaar en kunnen, door één herbenoeming voor een
periode van vier jaar of door meer herbenoemingen voor perioden van minder dan
vier jaar, ten hoogste voor een periode van acht jaar bij
koninklijk besluit worden benoemd.
-2. Bij koninklijk besluit
wordt een lid aangewezen dat tevens voorzitter is en wordt een lid
aangewezen dat tevens plaatsvervangend voorzitter is.
-3. De leden kunnen door
Onze Minister worden geschorst en bij koninklijk besluit worden
ontslagen.
-4. De persoon die
tussentijds als lid wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in
wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
Art. 6.
Onze Minister kan regels
stellen waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet
verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
Art. 7.
-1.
Onze Minister regelt de
rechtspositie van de leden van het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
-2. Het personeel van het
College van toezicht sociale verzekeringen wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht. De bepalingen van de zevende
titel A van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze
overeenkomst van toepassing.
Art. 8.
-1. Het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement
wordt in elk geval geregeld:
a. de openbaarheid van de
vergaderingen;
b. welke taken en
bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen door
personeelsleden van het College van toezicht sociale verzekeringen kunnen worden
uitgeoefend.
-3. Het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen houdt ten minste eenmaal per
jaar een openbare vergadering omtrent de vaststelling van de
jaarrekening, het jaarverslag en de begroting.
-4. Het bestuursreglement
behoeft goedkeuring van
Onze Minister en wordt openbaar gemaakt door
plaatsing in de Staatscourant en door terinzagelegging bij het
College van toezicht sociale verzekeringen.
Art. 9.
-1. Het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen kan commissies instellen,
waaraan ook personen kunnen deelnemen die geen lid van het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen zijn.
-2. Het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen regelt in het bestuursreglement,
bedoeld in artikel 8, de samenstelling, taken en bevoegdheden van de door hem
ingestelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en
reis- en verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.
§ 2.
Taak en bevoegdheden
van het College van toezicht sociale verzekeringen
Art. 10.
Het
College van toezicht sociale verzekeringen heeft tot taak het houden van toezicht op de
rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van wetten door de
Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen.
Art. 11.
-1. Het
College van toezicht sociale verzekeringen biedt elk jaar vóór 1 november aan
Onze Minister aan:
a. de in artikel 84 bedoelde
jaarrekeningen, jaarverslagen en rechtmatigheidsverklaringen;
b. een rapportage over de
doelmatigheid van de uitvoering van de wetten door de
Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
in het afgelopen kalenderjaar, waarin onder meer wordt
weergegeven in welke mate de doelstellingen van de bij of krachtens de
wet gestelde regels werden bereikt.
-2. Het College van toezicht
sociale verzekeringen biedt elk jaar vóór 1 augustus een plan van
werkzaamheden voor het komende kalenderjaar aan Onze Minister aan en
treedt hierover met Onze Minister in overleg.
-3. Onze Minister kan regels
stellen omtrent de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde
rapportage.
-4. Onze Minister brengt zijn
oordeel over de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde rapportage ter
kennis van het College van toezicht sociale verzekeringen.
-5. Onze Minister brengt de
in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde rapportage en zijn oordeel
daarover, alsmede het in het tweede lid bedoelde plan, nadat hij
hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van de beide kamers der
Staten-Generaal.
-6. Ten behoeve van de
rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bieden de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen jaarlijks vóór 1 juli een rapportage over de
doelmatigheid van de uitvoering van de wetten door de Sociale Verzekeringsbank,
het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen in het afgelopen jaar aan het College van toezicht
sociale
verzekeringen aan, waarin onder meer wordt weergegeven in welke mate de
doelstellingen van de bij of krachtens de wet gestelde regels werden
bereikt.
Art. 12.
Het
College van toezicht sociale verzekeringen verstrekt op verzoek van
Onze Minister de
inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de mogelijkheden van het houden
van toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de
uitvoering van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften door de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen.
Art. 13.
-1.
Onze Minister kan regels
stellen waarin besluiten van de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
worden
omschreven die overeenkomstig die regels, binnen de in die regels
gestelde termijnen, ter kennis van het
College van toezicht sociale verzekeringen worden gebracht.
-2. Onze Minister kan in de
in het eerste lid bedoelde regels besluiten aanwijzen die voorafgaand
aan hun inwerkingtreding ter kennis van het College van toezicht sociale
verzekeringen worden gebracht. Het College van toezicht sociale
verzekeringen deelt zijn oordeel over een aangewezen besluit binnen een door Onze
Minister gestelde termijn mede aan de rechtspersoon die het
besluit heeft genomen.
-3. Onze Minister kan regels
stellen waarin besluiten van de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling worden
omschreven die goedkeuring van het College van toezicht sociale
verzekeringen behoeven.
-4. Door Onze Minister op
grond van dit artikel gestelde regels treden niet in werking dan nadat
deze in de Staatscourant zijn geplaatst.
Art. 14.
-1. Het
College van toezicht sociale verzekeringen kan uit hoofde van zijn taak aanwijzingen geven aan
de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Aanwijzingen als bedoeld
in het eerste lid kunnen geen betrekking hebben op de besluitvorming
betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of
werkgever.
Art. 15.
Het
College van toezicht sociale verzekeringen verstrekt op verzoek aan de
Sociaal-Economische Raad,
kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die deze raad meent nodig te
hebben voor de uitoefening van zijn adviserende taak.
Art. 16.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en elke uitvoeringsinstelling
stelt op verzoek van het
College van toezicht sociale verzekeringen personeelsleden ter
beschikking van het College van toezicht sociale verzekeringen ten behoeve
van onderzoek naar de toekenning, herziening, intrekking of heropening van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
-2. Het College van toezicht
sociale verzekeringen vergoedt aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en aan elke uitvoeringsinstelling die op grond van het eerste
lid personeelsleden ter beschikking van het College van toezicht sociale
verzekeringen stelt, de kosten van deze terbeschikkingstelling.
HOOFDSTUK
3
De Sociale
Verzekeringsbank
§ 1.
Samenstelling van het
bestuur en werkwijze
Art. 17.
-1. Er is een Sociale
Verzekeringsbank.
-2. De Sociale
Verzekeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid en heeft haar zetel op een door
Onze Minister te bepalen plaats.
Art. 18.
-1. De Sociale
Verzekeringsbank heeft een bestuur, bestaande uit ten hoogste negen leden, twee
plaatsvervangende leden en een voorzitter.
Onze Minister bepaalt het
aantal leden.
-2. De leden en de voorzitter
hebben ieder één stem.
Art. 19.
-1. De voorzitter wordt voor
een periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister en kan, door één herbenoeming voor een periode van vier jaar of
door meer herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten
hoogste voor een periode van acht jaar door Onze Minister worden
benoemd.
-2. De voorzitter kan door
Onze Minister worden geschorst en ontslagen, nadat hij het
College van toezicht sociale verzekeringen in de gelegenheid heeft gesteld hierover
advies uit te brengen.
-3. Het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank benoemt uit zijn leden één of meer leden tot
plaatsvervangend voorzitter voor een door dit bestuur te bepalen periode.
-4. De benoeming tot
plaatsvervangend voorzitter kan door het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank worden beëindigd.
Art. 20.
-1. De leden en
plaatsvervangende leden van het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank worden voor
een periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister en kunnen, door één herbenoeming voor een periode van vier jaar of
door meer herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar,
ten hoogste voor een periode van acht jaar door Onze Minister worden
benoemd.
-2. Een derde van het aantal
leden en één plaatsvervangende lid worden door Onze Minister benoemd
op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister algemeen
erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers.
-3. Een derde van het aantal
leden en één plaatsvervangende lid worden door Onze Minister benoemd
op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister algemeen
erkende centrale representatieve organisaties van
werknemers.
-4. Onze Minister bepaalt het
aantal leden dat door elke organisatie wordt voorgedragen.
-5. De leden en
plaatsvervangende leden kunnen door Onze Minister worden geschorst en
ontslagen.
-6. De persoon die
tussentijds als lid of als plaatsvervangend lid wordt benoemd, treedt af op het
tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten
aftreden.
-7. Alvorens te oordelen
omtrent representatieve organisaties als bedoeld in het tweede en
derde lid en alvorens op grond van het vierde lid het aantal leden dat
door elke organisatie wordt voorgedragen te bepalen, stelt Onze Minister
de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies
uit te brengen.
Art. 21.
Onze Minister kan regels
stellen waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet
verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank.
Art. 22.
-1.
Onze Minister regelt de
rechtspositie van de voorzitter van het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank.
-2. Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank regelt de tijdverzuimvergoeding en de vergoeding voor reis-
en verblijfkosten voor de leden. Deze regeling behoeft
goedkeuring van Onze Minister.
-3. Het personeel van de
Sociale Verzekeringsbank wordt in dienst genomen op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel A van
Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van
toepassing.
Art. 23.
-1. Het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement
wordt in elk geval geregeld:
a. de openbaarheid van de
vergaderingen;
b. de wijze waarop
uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij besluitvorming omtrent de
wijze waarop wetten door de Sociale Verzekeringsbank ten aanzien van
uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd.
-3. De leden van het bestuur
van de Sociale Verzekeringsbank stemmen zonder last.
-4. Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank houdt ten minste eenmaal per jaar een openbare
vergadering omtrent de vaststelling van de jaarrekeningen, de
jaarverslagen en de begrotingen.
-5. Het bestuursreglement
behoeft goedkeuring van
Onze Minister en wordt openbaar gemaakt door
plaatsing in de Staatscourant en door terinzagelegging bij de
Sociale Verzekeringsbank.
Art. 24.
-1. Het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank kan commissies instellen, waaraan ook
personen kunnen deelnemen die geen lid zijn van het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank.
-2. Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank regelt in het bestuursreglement, bedoeld in artikel
23, de
samenstelling, taken en bevoegdheden van de in het eerste lid
bedoelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en
reis- en verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.
§ 2.
Taken en bevoegdheden
van de Sociale Verzekeringsbank
Art. 25.
-1. De Sociale
Verzekeringsbank heeft tot taak:
a. de Algemene
Ouderdomswet,
de Algemene nabestaandenwet, de Algemene
Kinderbijslagwet,
de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919, de
Invaliditeitswet, de Liquidatiewet invaliditeitswetten, alsmede wetten die de
uitvoering van deze wetten beheersen, uit te voeren, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan
anderen is opgedragen;
b. bevorderen dat personen
die een nabestaandenuitkering ontvangen op grond van de Algemene nabestaandenwet worden ingeschakeld in het
arbeidsproces;
c. beheren en administreren
van de in artikel 1, onderdeel h, subonderdeel 5 tot en met
8, bedoelde fondsen;
d.
Onze Minister op zijn
verzoek de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van
de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften,
voor zover deze betrekking hebben op onderwerpen die geregeld
zijn in de in onderdeel a genoemde wetten;
e. zorg dragen voor
informatievoorziening in verband met de uitvoering van wetten
door de Sociale
Verzekeringsbank;
f. door Onze Minister
aangewezen algemene maatregelen van bestuur en door Onze Minister
aangewezen ministeriële regelingen uit te voeren.
-2. De Sociale
Verzekeringsbank biedt elk jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het
komende kalenderjaar aan Onze Minister aan en treedt hierover met
Onze Minister in overleg. Onze Minister brengt dit plan, nadat hij hierover
overleg heeft gepleegd, ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
De Sociale Verzekeringsbank brengt dit plan ter kennis van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
-3. Onze Minister kan aan de
Sociale Verzekeringsbank schriftelijk toestemming verlenen voor
het vervullen van andere taken dan de in dit artikel genoemde taken.
-4. Onze Minister kan aan de
Sociale Verzekeringsbank verplichtingen opleggen in verband met de
uitoefening van de taken waarvoor op grond van het derde lid
toestemming is verleend en kan die toestemming intrekken indien de Sociale
Verzekeringsbank niet handelt overeenkomstig die verplichtingen.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
vervullen van andere taken dan de in dit artikel genoemde taken.
Art. 26.
-1. De Sociale
Verzekeringsbank werkt samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
om te bevorderen dat uitkeringsgerechtigden met een
nabestaandenuitkering worden ingeschakeld in het arbeidsproces.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in
het eerste lid bedoelde samenwerking.
Art. 27.
De Sociale Verzekeringsbank deelt Nederland in een aantal werkgebieden in. De Sociale
Verzekeringsbank zorgt ervoor dat zij in elk werkgebied voor
belanghebbenden voldoende bereikbaar is.
Art. 28.
-1. De Sociale
Verzekeringsbank voert een administratie ten behoeve van de uitoefening van haar
taak.
-2. In de administratie van
de Sociale Verzekeringsbank wordt het sociaal-fiscaal nummer
opgenomen van degene die verzekerd of uitkeringsgerechtigd is op
grond van een wet die door de Sociale Verzekeringsbank wordt
uitgevoerd.
-3. Het sociaal-fiscaal
nummer van een persoon dient tevens als registratienummer voor de
verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering van wetten
door
de Sociale Verzekeringsbank.
-4. Voor de uitvoering van de Algemene
Kinderbijslagwet wordt in de administratie van de Sociale Verzekeringsbank het sociaal-fiscaal nummer
van het kind voor wie de
verzekerde recht op kinderbijslag heeft, opgenomen en gebruikt als
registratienummer.
-5.
Onze Minister kan regels
stellen omtrent de inrichting van de administratie van de Sociale
Verzekeringsbank.
-6. Onze Minister kan regels
stellen waarin wordt bepaald dat de in het tweede en vierde lid
bedoelde verplichtingen niet gelden in bijzondere gevallen die in die regels
worden omschreven.
Art. 29.
De Sociale Verzekeringsbank stelt bij de uitoefening van haar taak de identiteit van degene die
verzekerd of uitkeringsgerechtigd is vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, voor
zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taak.
HOOFDSTUK
4
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen
§ 1.
Samenstelling van het
bestuur en werkwijze
Art. 30.
-1. Er is een
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel op een
door
Onze Minister te bepalen plaats.
Art. 31.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft een bestuur, bestaande uit ten hoogste
negen leden, twee plaatsvervangende leden en een voorzitter.
Onze Minister bepaalt het aantal leden.
-2. De leden en de voorzitter
hebben ieder één stem.
Art. 32.
-1. De voorzitter wordt voor
een periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister en kan, door één herbenoeming voor een periode van vier jaar of
door meer herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten
hoogste voor een periode van acht jaar door Onze Minister worden
benoemd.
-2. De voorzitter kan door
Onze Minister worden geschorst en ontslagen, nadat hij het
College van toezicht sociale verzekeringen in de gelegenheid heeft gesteld hierover
advies uit te brengen.
-3. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen benoemt uit zijn leden één
of meer leden tot plaatsvervangend voorzitter voor een door dit bestuur te
bepalen periode.
-4. De benoeming tot
plaatsvervangend voorzitter kan door het bestuur van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen worden beëindigd.
Art. 33.
-1. De leden en
plaatsvervangende leden van het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen worden voor een periode van ten hoogste vier jaar benoemd
door
Onze Minister en kunnen, door één herbenoeming voor een
periode van vier jaar of door meer herbenoemingen voor perioden van minder dan
vier jaar, ten hoogste voor een periode van acht jaar door
Onze Minister worden benoemd.
-2. Een derde van het aantal
leden en één plaatsvervangend lid worden door Onze Minister benoemd
op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister algemeen
erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers.
-3. Een derde van het aantal
leden en één plaatsvervangend lid worden door Onze Minister benoemd
op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister algemeen
erkende centrale representatieve organisaties van
werknemers.
-4. Onze Minister bepaalt het
aantal leden dat door elke organisatie wordt voorgedragen.
-5. De leden en de
plaatsvervangende leden kunnen door Onze Minister worden geschorst en
ontslagen.
-6. De persoon die
tussentijds als lid of als plaatsvervangend lid wordt benoemd, treedt af op het
tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten
aftreden.
-7. Alvorens te oordelen
omtrent representatieve organisaties als bedoeld in het tweede en
derde lid en alvorens op grond van het vierde lid het aantal leden dat
door elke organisatie wordt voorgedragen te bepalen, stelt Onze Minister
de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies
uit te brengen.
Art. 34.
Onze Minister kan regels
stellen waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet
verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 35.
-1.
Onze Minister regelt de
rechtspositie van de voorzitter van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen regelt de tijdverzuimvergoeding en de
vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor de leden. Deze regeling
behoeft goedkeuring van Onze Minister.
-3. Het personeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De
bepalingen van de zevende
titel A van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst
van toepassing.
Art. 36.
-1. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement
wordt in elk geval de openbaarheid van de vergaderingen geregeld.
-3. De leden van het bestuur
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen stemmen zonder last.
-4. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen houdt ten minste eenmaal per
jaar een openbare vergadering omtrent de vaststelling van de
jaarrekening, het jaarverslag en de begroting.
-5. Het bestuursreglement
behoeft goedkeuring van
Onze Minister en wordt openbaar gemaakt door
plaatsing in de Staatscourant en door terinzagelegging bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 37.
-1. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan commissies instellen,
waaraan ook personen kunnen deelnemen die geen lid zijn van het bestuur van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen regelt in het bestuursreglement,
bedoeld in artikel 36, de samenstelling, taken en bevoegdheden van de in het
eerste lid bedoelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en
reis- en verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.
-3. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt een commissie als bedoeld in het
eerste lid in waarin zitting hebben:
a. één lid van dit bestuur
dat is benoemd op voordracht van naar het oordeel van
Onze Minister algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties
van werkgevers;
b. één lid van dit bestuur
dat is benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister
algemeen erkende centrale representatieve organisaties van
werknemers;
c. één lid van dit bestuur
dat niet is benoemd op voordracht van organisaties van werkgevers
of werknemers;
d. een aantal personen dat
degenen die belang hebben bij de werkzaamheden als bedoeld in
artikel 41, vierde lid, voldoende vertegenwoordigt.
-4. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt de in het derde lid bedoelde
commissie in elk geval in de gelegenheid om aan dit bestuur:
a. haar zienswijze kenbaar
te maken omtrent overeenkomsten als bedoeld in artikel 41,
vierde lid;
b. haar zienswijze kenbaar
te maken omtrent aangelegenheden bij de uitvoering van wetten
door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten aanzien van degenen die
belang hebben bij de werkzaamheden als bedoeld in artikel
41,
vierde lid.
§ 2.
Taken en bevoegdheden
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
Art. 38.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft tot taak:
a. uitvoering geven aan de
wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekering,
de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria,
de Toeslagenwet, de Wet arbeid gehandicapte werknemers, alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten
beheersen, voor zover die
uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen;
b. bevorderen dat personen
die een uitkering ontvangen op grond van wetten als bedoeld in
onderdeel a worden ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en administreren
van de in artikel 1, onderdeel h, subonderdeel 1 tot en met
4, en onderdeel i, bedoelde fondsen;
d. er zorg voor dragen dat
de uitvoeringsinstellingen een administratie voeren die voldoet aan de
eisen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
e. inrichten van een
doelmatige en doeltreffende informatiehuishouding;
f. zorg dragen voor
informatievoorziening in verband met de uitvoering van de in onderdeel a
bedoelde wetten;
g. op verzoek van een
werkgever of werknemer een onderzoek instellen naar en een oordeel geven
over het bestaan van ongeschiktheid tot werken indien de werknemer
een geschil heeft met de werkgever over de ongeschiktheid tot werken;
h.
Onze Minister op zijn
verzoek de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van
de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften,
voor zover deze betrekking hebben op onderwerpen die geregeld
zijn in de in onderdeel a genoemde wetten;
i. bevorderen van
concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen deelt Nederland zoveel mogelijk overeenkomstig de werkgebieden van de
Regionale Besturen
voor de Arbeidsvoorziening
in regio’s in. Het besluit omtrent de indeling van de werkgebieden wordt
ter goedkeuring aan Onze Minister voorgelegd.
-3. Bij de uitoefening van de
in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde taak draagt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen er onder meer zorg voor dat de
uitvoeringsinstellingen aan elkaar en aan de diensten en instellingen die
werkzaamheden verrichten verband houdende met de
werkzaamheden van de uitvoeringsinstellingen, de inlichtingen verstrekken die
voor een goede coördinatie van uitvoeringswerkzaamheden nodig zijn.
-4. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen biedt elk jaar vóór 1 augustus een plan van
werkzaamheden voor het komende kalenderjaar aan Onze Minister aan en
treedt hierover met Onze Minister in overleg. Onze
Minister brengt dit
plan, nadat hij hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van de beide
kamers der Staten-Generaal. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen brengt dit plan ter kennis van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
Art. 39.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten in
de zin van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend mandateren aan
één uitvoeringsinstelling per sector of sectoronderdeel.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen zijn
bevoegdheid tot het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht gedurende een overgangsperiode als bedoeld in artikel
41,
tweede lid, mandateren aan twee uitvoeringsinstellingen per sector of
sectoronderdeel.
Art. 40.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen wijst een deskundige aan bij het instellen van
het in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, bedoelde onderzoek.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan voor het in het eerste lid bedoelde
onderzoek kosten in rekening brengen bij de werkgever of de werknemer
die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen.
-3. Indien de werkgever
verzoekt het in het eerste lid bedoelde onderzoek in te stellen,
geeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen slechts een oordeel over het
bestaan van de ongeschiktheid tot werken van een bepaalde werknemer
indien deze werknemer bereid is zich hiertoe te laten
onderzoeken.
Art. 41.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen laat alle werkzaamheden met betrekking tot de
voorbereiding en uitvoering van zijn besluiten, voor zover het Landelijk
instituut de bevoegdheid tot het nemen van deze besluiten kan mandateren aan
een uitvoeringsinstelling, per sector of sectoronderdeel als bedoeld
in artikel 51, op grond van schriftelijke overeenkomsten als bedoeld
in artikel 43, verrichten door één rechtspersoon die op grond van
artikel 59
is erkend.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen de in het
eerste lid bedoelde werkzaamheden per sector of sectoronderdeel gedurende
een overgangsperiode, op grond van schriftelijke overeenkomsten
als bedoeld in artikel 43, laten verrichten door twee rechtspersonen die
op grond van artikel 59 zijn erkend, voor zover dit nodig is voor een
goede overgang van de werkzaamheden van de ene naar de andere
rechtspersoon.
-3. De rechtspersoon die op
grond van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 gehouden is de in
dit artikel bedoelde werkzaamheden te verrichten, is een
uitvoeringsinstelling in de zin van deze wet.
-4. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen wijst werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid
aan die niet zijn toe te rekenen aan een sector of sectoronderdeel en die dit
instituut op grond van schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in artikel 43
laat verrichten door een rechtspersoon die op grond van artikel 59
is erkend.
Art. 42.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling
de in
artikel 41 bedoelde werkzaamheden niet zonder zijn schriftelijke
toestemming laat verrichten door één of meer andere rechtspersonen of
natuurlijke personen.
-2.
Onze Minister stelt
regels waarin werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 worden beschreven
ten aanzien waarvan het Landelijk instituut sociale verzekeringen de in
het eerste lid bedoelde toestemming onthoudt of kan verlenen.
Art. 43.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen laat de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden per
sector of sectoronderdeel verrichten op grond van een
administratieovereenkomst die voor één of meer jaren wordt aangegaan en
jaarovereenkomsten die voor één jaar worden aangegaan.
-2. Een administratieovereenkomst behoeft goedkeuring van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen sluit vóór 1 december van elk jaar een
jaarovereenkomst per sector of sectoronderdeel en brengt deze onverwijld ter kennis
van het College van toezicht sociale verzekeringen.
-4. De in het eerste lid
bedoelde overeenkomsten regelen in elk geval:
a. dat de overeenkomsten
worden ontbonden zodra het College van toezicht sociale
verzekeringen bekendmaakt dat hij de administratieovereenkomst niet goedkeurt;
b. dat de overeenkomsten
worden ontbonden zodra de in artikel 59 bedoelde erkenning wordt
ingetrokken;
c. dat de op grond van
artikel 59 erkende rechtspersoon de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden niet
zonder schriftelijke toestemming van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen laat verrichten door andere rechtspersonen of
natuurlijke personen;
d. dat de in artikel 41
bedoelde werkzaamheden worden uitgevoerd met inachtneming van de
instructies van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
e. dat het bestuur van de op
grond van artikel 59 erkende rechtspersoon aan ten minste één persoon
in één of meer daartoe door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aangewezen regio’s als bedoeld in artikel
38, tweede lid,
de bevoegdheid verleent om in naam van dit bestuur beslissingen te
nemen ter uitvoering van de in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, beschreven
taak;
f. op welke wijze
uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij besluitvorming omtrent de
wijze waarop wetten
door de uitvoeringsinstelling
ten aanzien van
uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd;
g. op welke wijze klachten
betreffende de wijze waarop de uitvoeringsinstelling zich in een bepaalde
aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon
heeft gedragen, worden behandeld.
-5. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen brengt de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten
nadat deze zijn gesloten onverwijld ter kennis van
Onze Minister.
Art. 44.
-1. Indien voor een sector
een sectorraad is erkend, stelt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen deze sectorraad in de gelegenheid een ontwerp van elke
overeenkomst als bedoeld artikel 43 aan dit instituut aan te
bieden voordat dit
instituut een dergelijke overeenkomst sluit.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen stelt regels waaraan het in het eerste lid bedoelde
ontwerp van een overeenkomst dient te voldoen. Deze regels
behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
Art. 45.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen werkt samen met de gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en andere diensten en
instellingen die
werkzaamheden verrichten verband houdende met de taken van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstellingen
met deze instanties en met elkaar samenwerken, onder meer om de
inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in
het eerste lid bedoelde samenwerking.
Art. 46.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling
voor
belanghebbenden in elke regio als bedoeld in artikel 38, tweede lid,
voldoende bereikbaar is.
Art. 47.
-1.
Onze Minister kan regels
stellen omtrent de administratie van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen zorgt ervoor dat elke uitvoeringsinstelling
overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regels een administratie voert
waarin:
a. aantekening wordt
gehouden van de werkgevers, verzekerden en uitkeringsgerechtigden in
elke sector of in elk sectoronderdeel waarvoor de uitvoeringsinstelling de
in artikel 41 bedoelde werkzaamheden verricht;
b. het sociaal-fiscaal
nummer van de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde wordt opgenomen.
-3. Het sociaal-fiscaal
nummer van een persoon dient tevens als registratienummer voor de
verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering van wetten
door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen zorgt ervoor dat de gegevens in de
administraties van de uitvoeringsinstellingen op een doelmatige wijze beschikbaar
zijn voor de personen en instanties die bij of krachtens de wet over deze
gegevens kunnen beschikken.
-5. Onze Minister kan regels
stellen waarin wordt bepaald dat de in het tweede lid, onderdeel b, en
derde lid bedoelde verplichtingen niet gelden in bijzondere gevallen die
in die regels worden omschreven.
Art. 48.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling:
a. aan de verzekerde,
uiterlijk binnen twee maanden na de aanvang van zijn werkzaamheden of de
aanvang van de periode waarover loon wordt genoten, meldt dat hem
betreffende gegevens in de administratie worden opgenomen;
b. aan de verzekerde en aan
de uitkeringsgerechtigde periodiek een overzicht verstrekt van de
hem betreffende gegevens die in de administratie zijn opgenomen.
-2.
Onze Minister stelt
regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde melding en het in
het eerste lid bedoelde overzicht.
Art. 49.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling
bij de
uitoefening van haar taak de identiteit van verzekerden en
uitkeringsgerechtigden vaststelt aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk
is voor de uitoefening van haar taak.
Art. 50.
-1.
Onze Minister kan aan een uitvoeringsinstelling
schriftelijk toestemming verlenen voor
het vervullen van andere taken dan het verrichten van werkzaamheden
als bedoeld in artikel 41.
-2. Onze Minister kan aan de
uitvoeringsinstelling waaraan de in het eerste lid bedoelde
toestemming is verleend verplichtingen opleggen in verband met de uitoefening
van de taken waarvoor de toestemming is verleend en kan die
toestemming intrekken indien de uitvoeringsinstelling niet handelt overeenkomstig
die verplichtingen.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
vervullen van andere taken dan het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in
artikel 41.
§ 3.
Aansluiting van
werkgevers bij sectoren
Art. 51.
-1.
Onze Minister deelt het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij elke sector één of
meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan een sector als bedoeld in het eerste lid
indelen in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de
bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.
-3. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen een sector in sectoronderdelen heeft
ingedeeld, stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten aanzien van elke bij de betrokken
sector aangesloten werkgever vast bij welk sectoronderdeel de werkgever
behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet
verrichten, behoren.
-4. Indien Onze Minister
besluit tot wijziging van de in het eerste lid bedoelde indeling, regelt
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, voor zover nodig, de
gevolgen hiervan.
Art. 52.
-1. Een werkgever is van
rechtswege aangesloten bij de krachtens artikel 51 vastgestelde sector
waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.
-2. Indien een werkgever
werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren,
is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag
aan loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
-3. De werkgever die
ingevolge het eerste of tweede lid bij een sector is aangesloten of ophoudt bij
die sector aangesloten te zijn, doet daarvan schriftelijk melding bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen een door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen te stellen termijn.
-4. Een melding als bedoeld
in het derde lid is geen aanvraag in de zin van artikel
1:3, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht.
-5. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen schrijft een werkgever over naar een andere sector
indien hij van oordeel is dat die werkgever bij die andere sector
behoort te zijn aangesloten.
Art. 53.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan met betrekking tot de aansluiting van één of
meer categorieën van werkgevers bij een sector regels stellen die afwijken
van artikel 52, eerste en tweede lid. Deze regels behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan, indien hij dit nodig acht, beslissen bij welke
sector en vanaf welke datum een werkgever ingevolge artikel
52, eerste
en tweede lid, is aangesloten.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan, in afwijking van artikel 52, tweede lid, uit
eigen beweging of op verzoek van een werkgever, besluiten dat
deze met ingang van een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te geven datum voor door het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere
sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens
doet verrichten.
Art. 54.
-1. Indien één of meer
werkgevers van een sector overgaan naar een andere sector, kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten dat tevens een deel van het
vermogen van dit instituut, dat betrekking heeft op het door dit
instituut voor die sector afzonderlijk beheerde en geadministreerde
wachtgeldfonds, overgaat naar het vermogen dat betrekking heeft op een door
dit instituut voor een andere sector afzonderlijk beheerd en geadministreerd wachtgeldfonds.
-2. Met betrekking tot het
bepaalde in het eerste lid stelt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen regels omtrent:
a. de gevallen waarin
vermogen overgaat;
b. de wijze van berekening
van vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en de
wijze waarop vermogen overgaat.
-3. De regels, bedoeld in het
tweede lid, behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
Art. 55.
Tegen een beslissing van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen op grond van artikel
52,
vijfde lid, artikel 53, tweede of derde lid, of artikel
54, eerste lid, kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep.
§ 4.
Sectorraden
Art. 56.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan ten behoeve van elke sector als bedoeld in
artikel 51 een rechtspersoon erkennen als sectorraad indien het
bestuur van die rechtspersoon bestaat uit een aantal leden dat is benoemd door
één of meer door
Onze Minister aangewezen voor de betrokken sector
representatieve organisaties van werkgevers en een gelijk
aantal leden dat is benoemd door één of meer door Onze Minister
aangewezen voor de betrokken sector representatieve organisaties van
werknemers.
-2. Alvorens een
representatieve organisatie van werkgevers of werknemers voor een sector
aan te wijzen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische
Raad in
de gelegenheid hierover advies uit te brengen.
Art. 57.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de erkenning van een sectorraad intrekken, indien
de sectorraad:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van
faillissement wordt verklaard;
d. de kwaliteit van de in
artikel 44 bedoelde ontwerpen of de in artikel 58 bedoelde rapportages en
adviezen bij herhaling onvoldoende is of de sectorraad anderszins in
gebreke blijft bij de uitvoering van zijn taken.
Art. 58.
-1. Indien voor een sector
een sectorraad is erkend, stelt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen deze sectorraad in de gelegenheid:
a. rapportages bij dit
instituut in te dienen omtrent de uitvoering van overeenkomsten als bedoeld
in artikel 43;
b. adviezen aan dit
instituut uit te brengen omtrent besluiten tot vaststelling van
premiepercentages ten behoeve van de wachtgeldfondsen;
c. adviezen aan dit
instituut uit te brengen omtrent sectorspecifieke aangelegenheden bij de
uitvoering van wetten door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen vergoedt aan de sectorraad overeenkomstig de
in het derde lid gestelde regels uitsluitend de kosten van het tot stand
brengen van een in artikel 44 bedoeld ontwerp van een overeenkomst en de
kosten van het tot stand brengen van de in het eerste lid bedoelde
rapportages en adviezen.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen stelt regels omtrent de vergoeding van de in het
tweede lid bedoelde kosten. Deze regels behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
-4. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen een besluit neemt dat afwijkt van een advies
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, of dat afwijkt van een
ontwerp van een overeenkomst als bedoeld in artikel 44, brengt dit
instituut de reden voor die afwijking ter kennis van de betrokken
sectorraad.
§ 5.
Rechtspersonen met
welke het Landelijk instituut sociale verzekeringen uitvoeringsovereenkomsten
kan sluiten
Art. 59.
-1.
Onze Minister kan een
rechtspersoon erkennen als rechtspersoon met welke het
Landelijk instituut sociale verzekeringen schriftelijke overeenkomsten als bedoeld
in artikel 43 kan sluiten, indien:
a. de rechtspersoon blijkens
zijn statuten bij uitsluiting als doel heeft het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41, alsmede het vervullen van taken waarvoor
door Onze Minister schriftelijk toestemming is verleend;
b. de statuten van deze
rechtspersoon zijn goedgekeurd door Onze Minister.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan Onze Minister krachtens het eerste lid een rechtspersoon slechts
kan erkennen indien aan deze rechtspersoon overeenkomstig deze regels
een certificaat is verleend en Onze Minister een erkenning kan intrekken
indien de betrokken rechtspersoon niet binnen een door Onze
Minister gestelde termijn overeenkomstig deze regels een certificaat
verkrijgt.
-3. Alvorens een
rechtspersoon op grond van het eerste lid te erkennen, stelt Onze Minister het
College van toezicht sociale verzekeringen in de gelegenheid hierover advies
uit te brengen.
-4. Een besluit tot erkenning
bepaalt de dag waarop de erkenning ingaat en wordt in de Staatscourant
geplaatst.
Art. 60.
-1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld waarin wordt bepaald
aan welke voorwaarden de statuten van een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 59 ten minste moeten voldoen om voor erkenning op grond van
artikel 59 in aanmerking te komen.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waarin is
bepaald dat een rechtspersoon slechts voor erkenning op grond van
artikel 59 in aanmerking komt indien die rechtspersoon met betrekking
tot zijn vermogensbestanddelen schriftelijk jegens de Staat
verplichtingen op zich heeft genomen overeenkomstig die regels.
-3. Indien de rechtspersoon
als bedoeld in artikel 59 een vennootschap is, wordt die vennootschap
uitsluitend op grond van artikel 59 erkend:
a. indien de aandelen in die
vennootschap zijn geplaatst bij een rechtspersoon waarvan de
statuten voldoen aan regels die zijn gesteld op grond van het vierde lid;
b. indien de rechtspersoon
waarbij aandelen in die vennootschap zijn geplaatst, met betrekking
tot die aandelen schriftelijk jegens de Staat verplichtingen op zich heeft
genomen overeenkomstig daaromtrent op grond van het vierde lid
gestelde regels.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het
derde lid.
Art. 61.
-1.
Onze Minister trekt de op
artikel 59 gebaseerde erkenning in, indien de erkende rechtspersoon:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van
faillissement wordt verklaard.
-2. Alvorens een erkenning op
grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het
College van toezicht sociale verzekeringen in de gelegenheid hierover advies
uit te brengen.
Art. 62.
-1.
Onze Minister kan de op
artikel 59 gebaseerde erkenning intrekken, indien de erkende
rechtspersoon:
a. heeft gehandeld in strijd
met bij of krachtens de wet gestelde regels;
b. zijn statuten heeft
gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister;
c. zijn statuten niet binnen
een door Onze Minister gestelde termijn in overeenstemming heeft
gebracht met door Onze Minister aan hem kenbaar gemaakte gewijzigde
vereisten voor goedkeuring van de statuten;
d. heeft gehandeld in strijd
met zijn statuten;
e. handelingen heeft
verricht die niet onder de statutaire doelstelling vallen en waarvoor geen
toestemming als bedoeld in artikel 50 is verleend;
f. niet handelt
overeenkomstig instructies van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
g. werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 laat verrichten door één of meer andere rechtspersonen
of natuurlijke personen zonder schriftelijke toestemming van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Alvorens een erkenning op
grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het
College van toezicht sociale verzekeringen in de gelegenheid hierover advies
uit te brengen.
Art. 63.
-1.
Onze Minister regelt
in een besluit tot intrekking van de erkenning als uitvoeringsinstelling,
voor zover nodig, de gevolgen van die intrekking, nadat hij het
College van toezicht sociale verzekeringen en de Sociaal-Economische Raad in de
gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen.
-2. Een besluit tot
intrekking bepaalt de dag waarop de intrekking ingaat en wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Art. 64.
Onze Minister kan een
rechtspersoon oprichten met welke het
Landelijk instituut sociale verzekeringen schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 kan sluiten.
§ 6.
De uitvoering van
de arbeidsongeschiktheidsregelingen in de overheidssector
Art. 65.
-1. Voor de toepassing van
de artikelen 10, 11, 12,
14, 74, eerste, vierde en vijfde lid, alsmede de
artikelen in hoofdstuk 5, paragraaf 2 en paragraaf
3, alsmede de artikelen 87 en 88,
worden het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel en
Onze Minister van Defensie, voor zover zij artikel 8, derde lid, van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet uitvoeren, gelijkgesteld met het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, alsmede wordt de Stichting
Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs, bedoeld in
artikel 2 van de Wet Stichting USZO, voor zover zij in opdracht van het
vorengenoemde Fonds en Onze Minister van Defensie werkzaamheden op
grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet uitvoert, gelijkgesteld met een uitvoeringsinstelling.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, op voordracht van
Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie,
nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld worden met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 66.
-1. Voor de
overeenkomstige toepassing van de artikelen 10, 12,
13, 14, 16, 47,
74, eerste en
derde lid, 80, eerste, vierde en vijfde lid, de artikelen in
hoofdstuk 5, paragraaf 3, en
de artikelen 87, 88, 89,
95, 96, 101 en 102 wordt het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel bij de
uitvoering van de in
artikel 46, eerste lid, van de Wet
privatisering ABP omschreven taak,
onverminderd artikel 65, gelijkgesteld met het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, alsmede wordt de Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor
Overheid en onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet Stichting USZO, bij de uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in artikel 46,
tweede lid, van de Wet
privatisering ABP, voor zover die overeenkomst
betrekking heeft op de in artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, van
die wet omschreven taak van het vorengenoemde Fonds, onverminderd
artikel 65, gelijkgesteld met een uitvoeringsinstelling.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt, voor zover in de in dat lid genoemde artikelen de
aanduiding "Onze Minister" voorkomt, deze vervangen door:
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
-3. Aanwijzingen
betreffende de uitoefening van taken met betrekking tot de toepassing van het
eerste lid worden gegeven door Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, op voordracht van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, nadere en zo nodig
afwijkende regels gesteld worden met betrekking tot het eerste
lid.
HOOFDSTUK
5
Fondsbeheer,
uitvoeringskosten en verslaglegging
§ 1.
Fondsbeheer
Art. 67.
-1. De Sociale
Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen beheren en
administreren elk fonds, met uitzondering van de wachtgeldfondsen,
afzonderlijk. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen beheert de
wachtgeldfondsen gezamenlijk en administreert elk wachtgeldfonds
afzonderlijk.
-2. Indien met betrekking
tot een fonds de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het
tekort niet gedekt uit een ander fonds.
-3. Indien in een fonds de
middelen ter dekking van de uitgaven die ten laste komen van dat fonds
tijdelijk tekortschieten en tegelijkertijd in een ander fonds meer middelen
aanwezig zijn dan nodig is ter dekking van de uitgaven die ten laste
komen van dat fonds, kan de Sociale Verzekeringsbank onderscheidenlijk het
Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten dat middelen
uit laatstbedoeld fonds worden aangewend voor uitgaven die ten laste
komen van eerstbedoeld fonds.
-4. Indien in een fonds
tijdelijk onvoldoende middelen aanwezig zijn ter dekking van de uitgaven
die ten laste komen van dat fonds en voor die uitgaven geen middelen
kunnen worden aangewend uit een ander fonds, kan de Sociale
Verzekeringsbank onderscheidenlijk het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
besluiten voor die uitgaven leningen aan te gaan.
-5.
Onze Minister kan met
betrekking tot het derde en vierde lid nadere regels stellen omtrent:
a. de periode gedurende
welke ten hoogste middelen uit het ene fonds kunnen worden aangewend
voor uitgaven ten laste van het andere fonds;
b. de omvang van de
middelen die worden aangewend ingevolge een besluit van de Sociale
Verzekeringsbank onderscheidenlijk het Landelijk instituut sociale
verzekeringen als bedoeld in het derde lid en de rente die over deze middelen wordt
berekend;
c. de termijnen
waarbinnen en de wijze waarop middelen waarvan de omvang gelijk is aan de
omvang van de in onderdeel b genoemde middelen en de rente
worden overgeheveld naar het fonds waaruit middelen werden aangewend
ingevolge een besluit van de Sociale Verzekeringsbank
onderscheidenlijk het Landelijk instituut sociale verzekeringen als bedoeld
in het derde lid;
d. de voorwaarden
waaronder de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk het Landelijk instituut
sociale verzekeringen, de in het vierde lid genoemde leningen mag
aangaan.
-6. Indien in een fonds
tijdelijk onvoldoende middelen aanwezig zijn ter dekking van de uitgaven
die ten laste komen van dat fonds en voor die uitgaven geen middelen
kunnen worden aangewend uit een ander fonds en geen leningen als
bedoeld in het vierde lid kunnen worden aangegaan, verstrekt het Rijk voor
die uitgaven leningen aan de Sociale Verzekeringsbank onderscheidenlijk het
Landelijk instituut sociale verzekeringen tegen een door Onze
Minister vast te stellen rente.
Art. 68.
-1. Met betrekking tot
verstrekking van leningen als bedoeld in artikel 67, zesde lid, stelt
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, nadere
regels.
-2. De in het eerste lid
bedoelde regels betreffen in elk geval:
a. de omvang die de
leningen ten hoogste hebben;
b. de periode gedurende
welke leningen ten hoogste worden verstrekt;
c. de termijnen
waarbinnen de leningen worden afgelost;
d. de wijze waarop de
leningen worden afgelost;
e. de rente die aan de Sociale
Verzekeringsbank onderscheidenlijk het
Landelijk instituut sociale verzekeringen in rekening wordt gebracht;
f. de door de Sociale
Verzekeringsbank onderscheidenlijk het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan Onze Minister te verstrekken inlichtingen in verband met de
verstrekking van leningen.
Art. 69.
Indien de Sociale Verzekeringsbank of het
Landelijk instituut sociale verzekeringen met
betrekking tot verplichtingen ten laste van een fonds niet meer tot betaling in
staat is, is het Rijk tegenover degenen die recht op uitkering of
voorziening hebben op grond van wetten waarvan de uitvoering is opgedragen
aan de Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, aansprakelijk voor de betaling van de uitkering of de
verstrekking van de voorziening.
Art. 70.
-1. Jaarlijks vóór door
Onze Minister vast te stellen tijdstippen zenden de Sociale
Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aan Onze Minister en het
College van toezicht sociale verzekeringen met betrekking tot elk fonds
afzonderlijk:
a. een rapportage van de
ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met
betrekking tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de
te verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend
kalenderjaar.
-2. Onze Minister kan, na
overleg met het College van toezicht sociale verzekeringen, regels
stellen omtrent de aard en inrichting van de in het eerste lid bedoelde
rapportage en van de begroting van uitgaven.
Art. 71.
Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels
stellen over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van
gelden plaatsvindt aan de fondsen die geheel of gedeeltelijk door het
Rijk worden gefinancierd.
Art. 72.
Onze Minister kan met
betrekking tot de door de Sociale Verzekeringsbank
en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen beheerde fondsen regels stellen
betreffende:
a. de onderscheiding van
het vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen
tot vaststelling van de omvang van deze bestanddelen;
b. de vorming, omvang en
instandhouding van reserves;
c. de belegging van
gelden;
d. het verstrekken van
geldleningen of geldelijke bijdragen;
e. het opnemen van
openbare of onderhandse geldleningen.
Art. 73.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen houdt een rekening-courant aan van de geldelijke
betrekkingen tussen dit instituut en de uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt regels met betrekking tot het
aanhouden van de in het eerste lid bedoelde rekening-courant.
Art. 74.
-1. Het
College van toezicht sociale verzekeringen controleert of bedragen die door de
Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of
een uitvoeringsinstelling ten laste of ten gunste van een fonds worden
gebracht in overeenstemming zijn met daaromtrent gestelde regels en
daaraan redelijkerwijs te stellen eisen.
-2. Indien het College van
toezicht sociale verzekeringen van oordeel is dat de in het eerste lid
bedoelde overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen
die door de Sociale Verzekeringsbank ten laste van een fonds zijn
gebracht, doet hij hiervan mededeling aan de Sociale Verzekeringsbank.
-3. Indien het College van
toezicht sociale verzekeringen van oordeel is dat de in het eerste lid
bedoelde overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen
die door het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten laste van een fonds
zijn gebracht, doet hij hiervan mededeling aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de betrokken uitvoeringsinstelling en
deelt hij aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen mede welke
bedragen het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten laste
of ten gunste van het fonds brengt.
-4. Bij de toepassing van
het derde lid kan het College van toezicht sociale verzekeringen aan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen opdragen dat betalingen
aan een uitvoeringsinstelling ten laste van het desbetreffende fonds,
geheel of gedeeltelijk worden opgeschort.
-5. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan bedragen die, in gevallen als bedoeld in
het derde lid, niet ten laste van een in artikel 1, onderdeel h,
subonderdeel 1 tot en met 4, bedoeld fonds kunnen worden gebracht, ten laste
brengen van een wachtgeldfonds.
§ 2.
Uitvoeringskosten
Art. 75.
-1. Het
College van toezicht sociale verzekeringen biedt jaarlijks vóór 1 augustus een begroting
van zijn uitvoeringskosten in het eerstvolgende kalenderjaar aan
Onze Minister aan.
-2. De Sociale
Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen bieden
jaarlijks vóór 1 augustus een begroting van hun uitvoeringskosten, met
uitzondering van de kosten van uitvoering van overeenkomsten als
bedoeld in artikel 43, in het eerstvolgende kalenderjaar aan het College van
toezicht sociale verzekeringen aan.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen informeert jaarlijks vóór 1 oktober het College van
toezicht sociale verzekeringen omtrent de inhoud van de in artikel
43 bedoelde jaarovereenkomsten en de omvang van de kosten van
uitvoering van die overeenkomsten, alvorens het Landelijk instituut
sociale verzekeringen die overeenkomsten sluit. Het College van toezicht
sociale verzekeringen deelt zijn oordeel over deze jaarovereenkomsten en
kosten binnen een door Onze Minister te stellen termijn mede aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 76.
-1. De in artikel 75
bedoelde begrotingen worden ingedeeld naar de kostensoorten personeel
en materieel.
-2. De in het eerste lid
bedoelde kostensoorten worden zodanig gespecificeerd en
toegelicht dat een overzichtelijk beeld ontstaat van de samenstelling ervan, van
de samenhang met de andere kostensoort en van de relatie met het
niveau van de dienstverlening.
-3. De in artikel 75
bedoelde begrotingen gaan vergezeld van:
a. een weergave van de
gerealiseerde uitvoeringskosten in het voorgaande kalenderjaar;
b. een analyse van de
uitvoeringskosten in het lopende kalenderjaar;
c. een onderbouwde raming
van de uitvoeringskosten in de vier jaren die volgen op het
eerstvolgende kalenderjaar.
Art. 77.
-1.
Onze Minister stelt
jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten van het
College van toezicht sociale verzekeringen in het eerstvolgende
kalenderjaar vast.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten
voor de uitvoeringskosten van de Sociale
Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, met uitzondering van de
kosten van uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel
43, in
het eerstvolgende kalenderjaar vast.
-3. Het College van
toezicht sociale verzekeringen brengt de op grond van het tweede lid
genomen besluiten ter kennis van Onze Minister.
Art. 78.
-1.
Onze Minister kan
besluiten het budget voor de uitvoeringskosten van het
College van toezicht sociale verzekeringen in het lopende kalenderjaar te wijzigen.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen kan besluiten het budget voor de
uitvoeringskosten van de Sociale Verzekeringsbank
of het
Landelijk instituut sociale verzekeringen in het lopende kalenderjaar te wijzigen.
-3. Het College van
toezicht sociale verzekeringen brengt de op grond van het tweede lid
genomen besluiten ter kennis van Onze Minister.
Art. 79.
-1. Het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen mogen met betrekking tot het
personeel en materieel geen verplichtingen aangaan of uitgaven doen die leiden
tot overschrijden van het voor hen vastgestelde budget.
-2. Wanneer het budget
voor de uitvoeringskosten van het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut
sociale verzekeringen niet is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar
waarop de begroting betrekking heeft, zijn het College van toezicht
sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut
sociale verzekeringen bevoegd, teneinde hun activiteiten gaande te
houden, te beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van
het budget dat laatstelijk voor hen voor een geheel jaar is
vastgesteld.
-3.
Onze Minister kan
besluiten dat een in het tweede lid bedoelde rechtspersoon, in een
geval als bedoeld in het tweede lid, kan beschikken over meer dan vier
twaalfde gedeelten van het budget dat laatstelijk voor deze rechtspersoon voor
een geheel jaar is vastgesteld.
Art. 80.
-1. De uitvoeringskosten
van het
College van toezicht sociale verzekeringen worden toegerekend aan de
Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. De uitvoeringskosten
van de Sociale Verzekeringsbank worden toegerekend aan het
Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds, het Algemeen
Kinderbijslagfonds en het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds.
-3. De uitvoeringskosten
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de kosten van
uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 worden
toegerekend aan het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Toeslagenfonds en de wachtgeldfondsen.
-4.
Onze Minister stelt
regels omtrent de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toerekening
van uitvoeringskosten.
-5. In verband met
onderzoeken die de Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2 van de
Wet Nationale
ombudsman, instelt naar de wijze waarop het College van
toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een
rechtspersoon heeft gedragen, betaalt het College van toezicht
sociale verzekeringen jaarlijks aan Onze Minister een door Onze Minister vast
te stellen bijdrage in de kosten van de Nationale ombudsman. Dit bedrag
wordt aangemerkt als uitvoeringskosten van het College van toezicht
sociale verzekeringen.
Art. 81.
Tegen een besluit op
grond van artikel 77, 78 of 79, derde lid, kan een belanghebbende beroep
instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
§ 3.
Verslaglegging
Art. 82.
-1. Het boekjaar van het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank,
het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
loopt van 1 januari tot en met 31 december.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen stelt jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en
jaarverslag over het verstreken boekjaar vast.
-3.
Onze Minister kan
regels stellen omtrent de inrichting van de jaarrekening en het
jaarverslag van het College van toezicht sociale verzekeringen en de
daarin te verwerken gegevens.
-4. De Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen stellen jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en het
jaarverslag over het verstreken boekjaar vast en bieden deze aan het
College van toezicht sociale verzekeringen aan.
-5. De Sociale
Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen stellen
jaarlijks vóór 1 juli voor elk fonds, met uitzondering van de wachtgeldfondsen,
afzonderlijk en voor de wachtgeldfondsen gezamenlijk de
jaarrekening en het jaarverslag over het verstreken boekjaar vast en bieden
deze aan het College van toezicht sociale verzekeringen aan. De
jaarrekening en het jaarverslag betreffende de wachtgeldfondsen wordt verbijzonderd naar elk wachtgeldfonds.
-6. De jaarrekeningen en
jaarverslagen van de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen, met inbegrip van de in
het vijfde lid bedoelde jaarrekeningen en jaarverslagen, worden ingericht en
vastgesteld met inachtneming van de door Onze Minister te stellen
regels. Deze regels betreffen in elk geval de grondslagen voor de
waardering van activa en passiva, alsmede voor de bepaling van het
resultaat.
Art. 83.
-1. Elke rechtspersoon,
bedoeld in artikel 82, eerste lid, geeft aan een deskundige als bedoeld in
artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek opdracht tot
onderzoek van elke jaarrekening die de rechtspersoon vaststelt. De opdracht
kan worden gegeven aan een organisatie waarin deskundigen als
bedoeld in de vorige volzin samenwerken.
-2. De deskundige, bedoeld
in het eerste lid, geeft de uitslag van zijn onderzoek in een
verklaring weer. De verklaring wordt aan de jaarrekening gehecht.
Art. 84.
-1. De jaarrekeningen en
jaarverslagen van het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en
de uitvoeringsinstellingen, waaronder begrepen de in artikel
82, vijfde
lid, bedoelde jaarrekeningen en jaarverslagen, worden door het College
van toezicht sociale verzekeringen jaarlijks vóór 1 november aan
Onze Minister aangeboden.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen biedt jaarlijks vóór 1 november een verklaring
over de rechtmatigheid van uitgaven en ontvangsten over het
afgelopen boekjaar aan Onze Minister aan. De verklaring wordt
verbijzonderd naar de Werkloosheidswet, de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Toeslagenwet, de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de
Algemene Kinderbijslagwet. Tevens
biedt het College van toezicht sociale verzekeringen jaarlijks vóór 1 november een verklaring over de rechtmatigheid
van ontvangsten
betreffende de premies Ziekenfondswet over het afgelopen boekjaar aan de
Ziekenfondsraad en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport aan.
-3. Ten behoeve van de
verklaring, bedoeld in het tweede lid, bieden de Sociale Verzekeringsbank,
het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen jaarlijks vóór 1 juli een verklaring over de rechtmatigheid van
uitgaven en ontvangsten over het afgelopen boekjaar aan het College van
toezicht sociale verzekeringen aan. De verklaring van de Sociale
Verzekeringsbank wordt verbijzonderd naar de uitgaven en ontvangsten met
betrekking tot elk door de Sociale Verzekeringsbank beheerd fonds. De
verklaring van het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt verbijzonderd naar
de uitgaven en ontvangsten met betrekking tot elk door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen beheerd fonds, alsmede
elk wachtgeldfonds en de uitvoeringskosten van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen. Hieronder zijn niet begrepen de kosten van uitvoering
van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43. De verklaring van de
uitvoeringsinstelling wordt verbijzonderd naar elke wet die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen uitvoert alsmede de Ziekenfondswet en de
kosten van uitvoering van de overeenkomsten als bedoeld in artikel
43.
-4. Onze Minister kan
regels stellen omtrent de reikwijdte en strekking die de in het tweede en
derde lid bedoelde verklaringen dienen te hebben.
-5. Onze Minister brengt
zijn oordeel over de jaarrekening en het jaarverslag van het
College van toezicht sociale verzekeringen, alsmede zijn oordeel over de in
het tweede lid bedoelde verklaring van rechtmatigheid, ter kennis van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
-6. Onze Minister brengt
de jaarrekeningen en jaarverslagen van het College van toezicht
sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen, waaronder begrepen de in
artikel 82, vijfde lid, bedoelde jaarrekeningen en jaarverslagen, alsmede
de in het tweede lid bedoelde verklaring van rechtmatigheid en zijn in
het vijfde lid bedoelde oordelen, ter kennis van de beide kamers der
Staten-Generaal.
Art. 85.
-1. De Sociale
Verzekeringsbank draagt op een door
Onze Minister vast te stellen tijdstip zorg
voor een liquidatiebalans van de verzekeringen, geregeld in de
Invaliditeitswet in verbinding met de Liquidatiewet invaliditeitswetten.
-2. In elk kalenderjaar
draagt de Sociale Verzekeringsbank zorg voor een balans van het
Invaliditeits- en Ouderdomsfonds.
Art. 86.
Indien in de middelen tot
dekking van de uitgaven verbonden aan de uitvoering van een door
de Bank uit te voeren regeling wordt voorzien door het Rijk, anders dan
door storting in een fonds, kunnen bij ministeriële regeling regels worden
gesteld ten aanzien van het beheer van gelden, uitvoeringskosten
en verslaglegging als bedoeld in dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
6
Gegevensverstrekking
en geheimhouding
§ 1.
Verplichtingen tot
het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze Minister, het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen
en werkgevers
Art. 87.
-1. Op verzoek van
Onze Minister verstrekken het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen
en de sectorraden kosteloos alle door Onze
Minister gevraagde gegevens en inlichtingen.
-2. Op verzoek van Onze
Minister verlenen het College van toezicht sociale verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en
de uitvoeringsinstellingen aan door Onze Minister aangewezen
personen toegang tot en inzage in alle gegevens met betrekking tot de
wetten die zij uitvoeren.
-3. Onze Minister kan
regels stellen omtrent de verstrekking van gegevens en inlichtingen
als bedoeld in het eerste lid.
Art. 88.
-1. Op verzoek van het
College van toezicht sociale verzekeringen verstrekken de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen
en de sectorraden, overeenkomstig de daarbij door het
College van toezicht sociale verzekeringen gestelde eisen en binnen
de daarbij door het College van toezicht sociale verzekeringen gestelde
termijn, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die het College van
toezicht sociale verzekeringen nodig acht voor de uitoefening van zijn
taak.
-2. Op verzoek van het
College van toezicht sociale verzekeringen verlenen de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de
uitvoeringsinstellingen en andere rechtspersonen die werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 verrichten aan door het College van toezicht sociale
verzekeringen aangewezen personen toegang tot en inzage in alle gegevens
die het College van toezicht sociale verzekeringen nodig acht voor de
uitoefening van zijn taak.
Art. 89.
-1. Een ieder verstrekt op
verzoek aan het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
wetten door de desbetreffende rechtspersoon ten opzichte van:
a. hemzelf;
b. hem in wiens dienst
dan wel ten behoeve van wie hij werkt of gewerkt heeft;
c. hem die in zijn dienst
dan wel te zijnen behoeve werkt of gewerkt heeft.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevens en inlichtingen worden op verzoek verstrekt in
schriftelijke vorm, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd,
binnen een termijn die schriftelijk wordt gesteld bij het in het
eerste lid bedoelde verzoek.
-3. Een ieder geeft op
verzoek aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid inzage in
alle bescheiden en andere gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter
beschikking voor het nemen van afschrift en verleent de ter zake verlangde
medewerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wetten
door de desbetreffende rechtspersoon.
-4. Een ieder verstrekt op
verzoek onverwijld aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen
inzage in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten door de
desbetreffende rechtspersoon.
Art. 90.
-1. De werkgever voert een
zodanige administratie dat hij aan de uitvoeringsinstelling
de
inlichtingen kan verstrekken die noodzakelijk zijn voor het verrichten van
de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden door de uitvoeringsinstelling.
-2. De werkgever verlangt
van de verzekerde alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn
voor het verrichten van de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden
door de uitvoeringsinstelling ten aanzien van de verzekerde zelf en
verstrekt deze gegevens en inlichtingen aan de uitvoeringsinstelling.
-3. De werkgever stelt bij
de uitvoering van zijn verplichting, bedoeld in het tweede lid, de
identiteit van de verzekerde vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht en neemt daarvan de aard,
het nummer en een afschrift op in de administratie.
-4. De werkgever treft in
zijn bedrijf zodanige maatregelen dat de daar werkzame personen
gedurende de arbeidstijd aan de verplichting, bedoeld in artikel
89, vierde
lid, kunnen voldoen.
Art. 91.
-1. De werkgever deelt de
aanvang of beëindiging van werkzaamheden door een verzekerde,
alsmede de wijziging in de arbeidsverhouding met de verzekerde, mede aan
de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem de in artikel 41 bedoelde
werkzaamheden verricht.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt regels omtrent het eerste lid.
Art. 92.
-1. De verzekerde
verstrekt op verzoek aan de werkgever de door deze op grond van artikel
90,
tweede lid, verlangde gegevens en inlichtingen.
-2. De verzekerde
verstrekt een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1
van de Wet
op de identificatieplicht aan de werkgever ter inzage en
stelt hem in de gelegenheid een afschrift van dit document te maken.
-3. Indien de verzekerde
weigert de op grond van artikel 90, tweede lid, verlangde gegevens en
inlichtingen aan de werkgever te verstrekken, doet de werkgever hiervan
mededeling aan de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van hem de in
artikel 41 bedoelde werkzaamheden verricht.
Art. 93.
-1. Indien de melding of
het overzicht, bedoeld in artikel 48, gegevens bevat die niet juist of
niet volledig zijn, doet de verzekerde of de uitkeringsgerechtigde hiervan binnen één
maand na ontvangst van deze melding of dit overzicht
schriftelijk mededeling aan de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van hem
de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden verricht.
-2. Indien de verzekerde
de in artikel 48 bedoelde melding niet binnen de in dat lid bedoelde
periode heeft ontvangen en redelijkerwijs kon weten dat hij deze melding had
behoren te ontvangen, doet hij hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling
aan de uitvoeringsinstelling.
-3. Indien de verzekerde
weet of redelijkerwijs kon weten dat de werkgever niet of niet op
de juiste wijze voldoet aan een hem in artikel 90, tweede lid, of
artikel 91
opgelegde verplichting, doet hij hiervan uit eigen beweging mededeling aan
de uitvoeringsinstelling.
Art. 94.
-1. Met betrekking tot de
artikelen 90 tot en met 93 stelt
Onze Minister regels, na overleg met
Onze Minister van Financiën.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels omtrent de inhoud van de
gegevens die ingevolge de artikelen 89, 90 en
91 aan de uitvoeringsinstellingen
verstrekt worden en omtrent de vorm waarin die gegevens
worden verstrekt.
Art. 95.
Alle gegevens en
inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
wetten door het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of de uitvoeringsinstellingen
worden aan het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen op verzoek, kosteloos, verstrekt door:
a. de gemeentebesturen,
de belastingdienst, alsmede degene aan wie op grond van artikel 31a
van de Arbeidsomstandighedenwet een certificaat als bedoeld
in artikel 18, tweede lid, van die wet is verleend, de Ziekenfondsraad, de
ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen,
bedoeld in artikel 4 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. de
bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen,
stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en
andere organen belast met het doen van uitkeringen of
verstrekkingen die bij of krachtens artikel 6 van de
Toeslagenwet als inkomen
worden aangemerkt;
c. de Kamers van
Koophandel en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
d. het hoofd van de
plaatselijke politie in de zin van de Vreemdelingenwet;
e. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de personen aan wie rechtmatig hun vrijheid
is ontnomen;
f. de door
Onze Minister aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 14 van de
Wet arbeid
vreemdelingen, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 116 van de
Arbeidsvoorzieningswet.
Art. 96.
Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, verstrekken op verzoek,
kosteloos, aan het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
alle gegevens, inlichtingen en uittreksels uit of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van
wetten door de desbetreffende rechtspersoon.
Art. 97.
De werkgever maakt aan
zijn verzekerden bekend:
a. de sector waarbij hij
is aangesloten of het sectoronderdeel waartoe hij behoort;
b. de naam en het adres
van de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van zijn verzekerden
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 verricht;
c. het percentage van het
loon dat ter zake van de premiebetaling voor de Werkloosheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt ingehouden.
§ 2.
Geheimhouding
Art. 98.
-1. Een ieder die is
betrokken bij de uitvoering van
wetten door het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling en daarbij de beschikking
krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of
redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van
ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een
geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens,
behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht,
uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit dan wel bij
of krachtens deze wet gestelde regels hem mededeling toestaan.
-2. Het eerste lid is mede
van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor
werkzame personen die door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling worden betrokken bij de
uitvoering van hun taken, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor
werkzame personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak
uitoefenen.
Art. 99.
Het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
gebruiken de gegevens en
inlichtingen waarover zij bij de uitoefening van hun taken beschikken uitsluitend voor het doel waarvoor die gegevens en
inlichtingen zijn verkregen, tenzij bij of krachtens de wet gebruik voor een ander
doel is voorgeschreven of toegestaan.
§ 3.
Verstrekking van
gegevens en inlichtingen door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
Art. 100.
Indien het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
bij
de uitvoering van een wet het gegronde vermoeden heeft dat het
uitbetaalde loon en de vakantiebijslag van een verzekerde minder
bedragen dan waarop hij ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag als minimumloon aanspraak heeft, doet het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de
uitvoeringsinstelling hiervan mededeling aan de verzekerde en de
ambtenaren, bedoeld in artikel 18b van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art. 101.
-1. Het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
zijn bevoegd op verzoek
uit de door hen of in hun opdracht gevoerde administratie
aan:
a.
bedrijfspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
Pensioen- en
spaarfondsenwet, ondernemingspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet,
verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b, van de
Pensioen- en
spaarfondsenwet en beroepspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel f, van de Wet betreffende
verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, die pensioenregelingen
uitvoeren, de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van die pensioenregelingen, voor zover de persoonlijke
levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben
daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
b. stichtingen die
regelingen inzake vervroegd uittreden ingevolge een algemeen verbindend
voorschrift uitvoeren, de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van die regelingen, voor zover de persoonlijke levenssfeer
van degene op wie de gegevens betrekking hebben daardoor niet
onevenredig wordt geschaad;
c. risicofondsen of bij
collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen of
collectieve voorzieningen voor werknemers, de gegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de statuten en reglementen van die
fondsen of van die bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen
of voorzieningen, voor zover de persoon op wie de in de
onderdelen a, b of c bedoelde gegevens betrekking hebben daartoe
schriftelijk toestemming heeft verleend. Deze schriftelijke toestemming kan
schriftelijk worden ingetrokken.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen verstrekken op verzoek
aan degene aan wie op grond van artikel 31a van de
Arbeidsomstandighedenwet een certificaat als bedoeld in artikel 18, tweede
lid, van die wet is verleend, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet, indien degene op wie de
gegevens betrekking hebben daartoe schriftelijk toestemming heeft
verleend.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit de door
hen of in hun opdracht gevoerde administratie aan derden
de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
artikel 72 van de Werkloosheidswet.
Art. 102.
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt geregeld in welke gevallen het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
verplicht of bevoegd zijn tot verstrekking van gegevens aan
bestuursorganen en uitvoeringsinstellingen en in hoeverre kosten voor de
verstrekking van die gegevens in rekening mogen worden gebracht.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats voor zover het belang van
die gegevensverstrekking niet opweegt tegen het belang van
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens
betrekking hebben.
-3. In de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen gevallen worden
beschreven waarin het belang van verstrekking van gegevens opweegt
tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
HOOFDSTUK
7
Goedkeuring,
schorsing en vernietiging
Art. 103.
-1. Een besluit dat
goedkeuring behoeft ingevolge een wet die wordt uitgevoerd door het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
treedt niet eerder in werking dan met ingang van de dag volgende op de dag
waarop de goedkeuring is verleend.
-2. Goedkeuring die is
vereist op grond van een wet als bedoeld in het eerste lid kan noch voor
bepaalde tijd of onder voorwaarden worden verleend, noch worden
ingetrokken.
-3. Een besluit als
bedoeld in het eerste lid kan niet gedeeltelijk worden goedgekeurd, tenzij aard
en inhoud van het besluit zich daartegen niet verzetten.
-4. Tenzij in de wet
anders is bepaald, kan goedkeuring die is vereist op grond van een wet als
bedoeld in het eerste lid slechts worden onthouden indien het
besluit dat aan goedkeuring is onderworpen in strijd is met het recht
of niet voldoet aan eisen van doelmatigheid.
-5. Gedeeltelijke
goedkeuring en onthouding van goedkeuring geschieden bij een met
redenen omkleed besluit.
-6. Tot gedeeltelijke
goedkeuring of onthouding van goedkeuring wordt niet overgegaan dan nadat
het bestuur van de rechtspersoon waarvan het besluit aan
goedkeuring is onderworpen gelegenheid tot overleg is geboden.
Art. 104.
-1. De beslissing omtrent
goedkeuring van een besluit dat aan goedkeuring van
Onze Minister of van het
College van toezicht sociale verzekeringen is
onderworpen, wordt binnen acht weken na de verzending ter goedkeuring genomen en meegedeeld aan de rechtspersoon
die het besluit heeft
genomen.
-2. Onze Minister of het
College van toezicht sociale verzekeringen kan zijn beslissing omtrent
goedkeuring eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen.
-3. De goedkeuring wordt
geacht te zijn verleend indien binnen de in het eerste lid genoemde
termijn geen beslissing of geen besluit tot verdaging, dan wel binnen
de termijn waarvoor de beslissing is verdaagd, geen beslissing aan de
rechtspersoon die het besluit heeft genomen, is verzonden.
Art. 105.
-1. Een besluit van het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank,
het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
kan bij koninklijk besluit worden vernietigd voor zover dit besluit met het
recht of het algemeen belang in strijd is.
-2. Gedurende het
onderzoek naar mogelijke redenen voor vernietiging kan een besluit bij
koninklijk besluit worden geschorst.
-3. Een besluit kan niet
gedeeltelijk worden geschorst of vernietigd, tenzij aard en inhoud van
het besluit zich daartegen niet verzetten.
-4. Een besluit dat nog
goedkeuring behoeft, kan niet worden geschorst of vernietigd.
-5. Een besluit ten
aanzien waarvan een verzoek om een administratiefrechtelijke voorziening aanhangig of
nog mogelijk is, kan niet worden vernietigd.
-6. Een besluit waarover
de rechter een uitspraak heeft gedaan, of waarbij een in kracht van
gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan niet
worden vernietigd op rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de
uitspraak steunt of mede steunt.
-7. Een besluit tot het
verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling kan niet worden geschorst
of vernietigd indien drie maanden zijn verstreken na de dag
waarop het is genomen. Indien binnen deze termijn schorsing heeft
plaatsgevonden, blijft vernietiging binnen de duur van de schorsing mogelijk.
-8. Indien een besluit tot
het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling aan
goedkeuring is onderworpen, vangt de in het zevende lid genoemde
termijn aan op de dag na die van de goedkeuring. Ten aanzien van het
goedkeuringsbesluit is het zevende lid van overeenkomstige toepassing.
-9. Indien een besluit
naar het oordeel van het College van toezicht sociale verzekeringen
voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen
nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan
Onze Minister. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het
besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het
besluit is belast.
-10. Het College van
toezicht sociale verzekeringen draagt zorg voor de totstandkoming van
stukken waaruit de gronden voor zijn in het negende lid bedoelde oordeel
blijken en zendt deze stukken, binnen een week na de in het negende lid
bedoelde mededeling, aan Onze Minister.
-11. Het besluit ten
aanzien waarvan het negende lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of
niet verder uitgevoerd voordat van Onze Minister de mededeling is
ontvangen dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien
het besluit niet binnen één maand na dagtekening van de in het negende lid
bedoelde kennisgeving is geschorst of vernietigd, wordt het
uitgevoerd.
-12. Het besluit tot
schorsing bepaalt de duur hiervan.
-13. De schorsing van een
besluit kan worden verlengd en kan ook na verlenging niet langer
duren dan één jaar.
-14. Indien de Kroon vóór
het verstrijken van de termijn, bedoeld in het dertiende lid, advies
heeft gevraagd aan de Raad van State omtrent een ontwerpbesluit tot
vernietiging, kan zij die termijn eenmaal met ten hoogste drie maanden
verlengen.
-15. Indien een verzoek om
een administratiefrechtelijke voorziening aanhangig is tegen de
geschorste bepalingen, duurt de schorsing, behoudens eerdere
opheffing, tot drie maanden nadat op dat verzoek onherroepelijk is
beslist.
-16. Een besluit dat
geschorst is, kan, nadat de schorsing is geëindigd, niet meer worden
vernietigd.
-17. Schorsing stuit
onmiddellijk de werking van het geschorste besluit.
-18. Zolang een besluit
tot het aangaan van een overeenkomst is geschorst, wordt deze, zo
zij reeds is aangegaan, niet of niet verder uitgevoerd.
-19. Indien een bekendgemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is
geschorst, wordt dit door de rechtspersoon die het besluit heeft genomen,
bekendgemaakt.
Art. 106.
-1. De voordracht tot
vernietiging wordt gedaan door
Onze Minister.
-2. De voordracht wordt
niet gedaan dan nadat Onze Minister het bestuur van de
rechtspersoon die het besluit heeft genomen gelegenheid tot overleg heeft
geboden.
-3. Het koninklijk besluit
tot vernietiging wordt met redenen omkleed.
-4. Het koninklijk besluit
tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot
vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
-5. Vernietiging van een
besluit strekt zich uit tot alle rechtsgevolgen daarvan en werkt terug
tot het tijdstip waarop het besluit is tot stand gekomen. In het
koninklijk besluit kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit geheel of ten dele in stand blijven.
-6. Indien een besluit tot
het aangaan van een overeenkomst wordt vernietigd, wordt de
overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en voor zover in het koninklijk
besluit niet anders is bepaald, niet of niet verder uitgevoerd door de
rechtspersoon die het besluit heeft genomen, onverminderd het recht
van de wederpartij op schadevergoeding.
HOOFDSTUK
8
Strafbepalingen
en andere bepalingen
Art. 107.
Overtreding van de
artikelen 52, derde lid en 97 van deze wet,
27a, vierde lid, en 36, vierde
lid, van de Werkloosheidswet, 33, vierde lid, en
45a, vierde lid, van de Ziektewet,
29a, vierde lid, en 57, vierde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
20a, vierde lid, en 48, vierde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 14a, vierde lid, en
20, vierde lid, van de Toeslagenwet,
17b, vierde lid, en 24, vierde lid, van de
Algemene Ouderdomswet en 17a, vierde lid, en
24, vierde lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 108.
-1. Overtreding van
artikel 90 of 91 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
-2. Indien overtreding van
artikel 90 of 91 opzettelijk geschiedt, wordt dit gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de vierde categorie,
hetzij met één van deze straffen.
Art. 109.
-1. Het in artikel 108,
tweede lid, strafbaar gestelde feit is een misdrijf.
-2. De in artikel 107 en
108, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Art. 110.
-1. Met de opsporing van
feiten die zijn strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of
krachtens wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens deze wet is
opgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
alsmede, voor zover het
feit voor de toepassing van deze wet, onderscheidenlijk de andere hiervoor
genoemde wetten, van belang is, van de feiten omschreven in de
artikelen 225 tot en met 227b, 447b, 447c en 447d van het
Wetboek van
Strafrecht zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast de personen, aangewezen bij besluit van Onze Minister van
Justitie. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van
feiten,
strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek
van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel,
vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
-2. Van een besluit als
bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in
de Staatscourant.
Art. 111.
-1. De in artikel 110
bedoelde personen hebben toegang tot alle plaatsen indien de
betreding van die plaatsen redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
-2. Wordt aan de in
artikel 110 bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of
wordt niet geantwoord op hun aanmelding tot toelating, dan
verschaffen zij zich toegang, desnoods met inroeping van de sterke arm.
Art. 112.
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke
voorzieningen worden getroffen waarmee wordt bevorderd dat zo min
mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op wetten
die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen uitvoert.
-2. Tijdelijke
voorzieningen als bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking
hebben op samenwerking tussen het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en:
a. één of meer
Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening;
b. één of meer gemeenten;
c. één of meer diensten
of instellingen die werkzaamheden verrichten verband houdende met de werkzaamheden van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen.
Art. 113.
-1.
Onze Minister kan
besluiten nemen waarmee, zo nodig in afwijking van deze wet, voor een
periode van ten hoogste zes maanden voorzieningen worden getroffen voor het
geval het
College van toezicht sociale verzekeringen uit de wet
voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
-2. Onze Minister kan
besluiten nemen waarmee, zo nodig in afwijking van deze wet en de wetten
die zijn bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, onderdeel a, en
38,
eerste lid, onderdeel a, voor een periode van ten hoogste zes maanden
voorzieningen worden getroffen voor het geval de Sociale
Verzekeringsbank of het
Landelijk instituut sociale verzekeringen uit de wet voortvloeiende
verplichtingen niet naar behoren nakomt.
-3. Onze Minister zendt
besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid onverwijld aan beide kamers der Staten-Generaal.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke
voorzieningen worden getroffen voor het geval het College van toezicht
sociale verzekeringen uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar
behoren nakomt.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet en de wetten
die zijn bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, onderdeel a, en
38,
eerste lid, onderdeel a, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval
de Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale
verzekeringen uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
Art. 114.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag ingevolge deze wet wordt
gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur vervalt met
ingang van 1 januari 1999.
Art. 115.
Onze Minister zendt na
elke periode van vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide
kamers der Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet.
Art. 116.
-1. In afwijking voor
zover nodig van hetgeen te dien aanzien elders is bepaald, kunnen bij
ministeriële regeling ten aanzien van personeel van de Sociale
Verzekeringsbank, de bedrijfsverenigingen en het op grond van artikel 51 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen, zoals deze luidde op de datum vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, erkende Gemeenschappelijk
Administratiekantoor in verband met de inwerkingtreding van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten, de Liquidatiewet
ongevallenwetten en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering regels worden vastgesteld
met betrekking tot indienstneming, ontslag, wachtgeld en overige
rechten en verplichtingen.
-2. De uitgaven die
voortvloeien uit de op grond van het eerste lid gestelde regels, alsmede
wachtgelden die anders dan krachtens vorenbedoelde regels
worden uitbetaald aan personeel dat is ontslagen door de in het eerste lid
genoemde instanties in verband met de inwerkingtreding van de in het eerste lid
genoemde wetten, komen ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
-3. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen omtrent het eerste en
tweede lid.
Art. 117.
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.
Art. 118.
Deze wet wordt aangehaald
als: Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
26 februari 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de zevenentwintigste
februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|