|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 758.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974,
2184-2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 758 (95a, 95b, 95c, 95d, 95e, 96).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 24 april 1997, Stb.
1997, 176, houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling
voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is om in verband met de intrekking van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een
arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede om een regeling te treffen ter
zake van een uitkering in verband met bevalling voor personen die als
zelfstandige werkzaam zijn, voor beroepsbeoefenaren en voor meewerkende
echtgenoten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1. Algemene begrippen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het
College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk II van de
Organisatiewet sociale verzekeringen;
c. Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming: het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, bedoeld in
hoofdstuk IV van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
d. bedrijfsvereniging: een bedrijfsvereniging als
bedoeld in hoofdstuk V van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
e. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen: het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in
artikel 78;
f. verzekerde: de persoon, bedoeld in artikel 3;
g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet;
h. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
i. winst uit onderneming: winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk
II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
j. winst uit binnenlandse onderneming: winst uit binnenlandse
onderneming als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel a, juncto
artikel 48, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
k. aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
l. inkomsten uit tegenwoordige arbeid: inkomsten uit tegenwoordige
arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Art. 2. Begrip
arbeidsongeschiktheid
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de verzekerde die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met
soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht
of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
-2. De verzekerde die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een
aanvang neemt reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het
eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen
aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen
soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de
zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het
laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk
verdienen.
-3. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is
afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats
treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het
eerste lid is afgenomen.
-4. Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-5. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt
buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
-6. Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing
gelaten
hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van
sociale werkvoorziening.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot het eerste tot en met zesde lid nadere regels worden gesteld.
-8. Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het zevende lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van
bestuur getroffen ministeriële regeling;
wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of
intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
onderdeel a wordt niet gedaan en de vaststelling, wijziging of
intrekking van een regeling als bedoeld in onderdeel b geschiedt niet
eerder dan nadat tien weken na die mededeling zijn verstreken.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.
HOOFDSTUK
2
Kring van
verzekerden
Art. 3. De
verzekerde
-1. Verzekerd op grond van deze wet is:
a. de zelfstandige;
b. de beroepsbeoefenaar; en
c. de meewerkende echtgenoot.
-2. Tevens is verzekerd de persoon:
a. die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch
uitsluitend omdat de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, op hem
van toepassing is, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft;
b. die na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel
7, tweede lid,
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak;
c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op
grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, doch met toepassing van
artikel 20 of 21 in aanmerking komt voor toekenning of heropening van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;
e. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel
7, tweede lid,
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling, en met toepassing van artikel 20 in
aanmerking komt voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering;
f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op grond
van deze wet;
g. die recht heeft op een voorziening, dan wel op een toelage of
vergoeding als bedoeld in artikel 32.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van
het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de
kring van verzekerden.
Art. 4. Zelfstandige
Zelfstandige is de persoon jonger dan 65 jaar:
a. die in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet, tenzij
hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
b. die niet in Nederland woont en die winst uit binnenlandse onderneming
geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk
drijft.
Art. 5. Beroepsbeoefenaar
Beroepsbeoefenaar is de persoon jonger dan 65 jaar die:
a. anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid
geniet;
b. anders dan in dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een
lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.
Art. 6. Meewerkende
echtgenoot
-1. Meewerkende echtgenoot is de persoon jonger dan 65 jaar die anders
dan in dienstbetrekking, als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar,
meewerkt in de onderneming van zijn niet duurzaam gescheiden van hem
levende echtgenoot.
-2. Met meewerkende echtgenoot wordt gelijkgesteld de
persoon jonger dan
65 jaar die arbeid verricht anders dan in dienstbetrekking, als
zelfstandige of als beroepsbeoefenaar, in de onderneming van de persoon
met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert en met wie hij
niet gehuwd is, tenzij met laatstbedoelde persoon bloedverwantschap in
de eerste graad bestaat.
-3. Voor de toepassing van het tweede lid is slechts sprake van een
gezamenlijke huishouding indien twee niet met elkaar gehuwde personen
gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage
leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in
elkaars verzorging voorzien.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor
de toepassing van het derde lid.
HOOFDSTUK
3
De
uitkeringen
AFDELING
1
Het recht
op en de hoogte van de uitkering
§ 1.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 7. Het recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de verzekerde die
arbeidsongeschikt wordt indien hij in de 52 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden,
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft verricht gericht op het
verwerven van winst of inkomsten.
-2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat niet eerder in dan
nadat de arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd en na
afloop van dat tijdvak voortduurt.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Met een periode van arbeidsongeschiktheid wordt gelijkgesteld het
tijdvak van ten minste zestien weken, bedoeld in artikel 22, waarin de
vrouwelijke verzekerde recht heeft op uitkering in verband met haar
bevalling.
-5. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde
die na afloop van het in het tweede lid bedoelde tijdvak van 52 weken
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier onafgebroken weken na afloop van dat tijdvak.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet
als arbeidsongeschikt beschouwd de verzekerde die minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
Art. 8. Grondslag
van de uitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag.
-2. Voor de verzekerde, bedoeld in artikel
4, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per
dag aan winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag,
b. hetgeen hij in de vijf boekjaren onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per
dag aan winst heeft genoten.
-3. Voor de verzekerde, bedoeld in artikel
5, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gemiddeld per dag aan inkomsten
heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag,
b. hetgeen hij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gemiddeld per dag aan
inkomsten heeft genoten.
-4. Voor de verzekerde, bedoeld in artikel
6, is de grondslag hetgeen hij
over een tijdvak gelegen in de in het tweede lid genoemde perioden op
basis van de geleverde arbeidsinbreng gemiddeld per dag aan inkomsten
geacht kan worden te hebben genoten.
-5. Indien de verzekerde, bedoeld in artikel 4 en
6, tevens verzekerde is
op grond van artikel 5, wordt de grondslag bepaald op een bedrag dat de
uitkomst vormt van de samentelling van de gemiddelde winst of inkomsten
per dag als bedoeld in het tweede lid en vierde lid en de gemiddelde
inkomsten per dag als bedoeld in het derde lid.
-6. Voor personen die op grond van artikel
3, derde lid, zijn verzekerd,
wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een grondslag
vastgesteld.
-7. De grondslag bedraagt ten hoogste het minimumloon.
-8. Onder het in het zevende lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75,
of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon
per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde
lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-9. Indien het minimumloon wordt herzien, wordt de grondslag, bedoeld in
het tweede tot en met zesde lid, naar evenredigheid herzien.
-10. Op een beschikking als gevolg van een herziening van de grondslag op
grond van het negende lid zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene
wet bestuursrecht niet van toepassing.
-11. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de winst, de inkomsten en de periode waarover de winst en
de inkomsten worden berekend, bedoeld in het tweede tot en met het zesde
lid.
-12. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig
afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de grondslag,
bedoeld in dit artikel, indien een verzekerde zowel recht heeft op:
a. een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van enige andere wettelijke
regeling;
b. een uitkering in verband met bevalling als op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of enige andere
wettelijke regeling;
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband met
bevalling als inkomsten uit of in verband met arbeid geniet.
Art. 9. Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en
zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25–35%: 21% van de grondslag;
35–45%: 28% van de grondslag;
45–55%: 35% van de grondslag;
55–65%: 42% van de grondslag;
65–80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 70% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt,
zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
-3. Indien de verzekerde zonder redelijke gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond.
Art. 10. Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de verzekerde
verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt,
voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag
verhoogd. De eerste zin vindt geen toepassing indien de verzekerde in
een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een
verzekering inzake ziektekosten komen.
Art. 11. Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
-1. De bedrijfsvereniging kan met betrekking tot uit deze wet
voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend,
buiten aanmerking laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na het
tijdstip dat
de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de verzekerde ten tijde van de aanvang van zijn
verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar
kennelijk moest doen verwachten.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevoegdheid strekt zich
mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze
toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na de aanvang van de
verzekering is ingetreden.
-3. Zolang de bedrijfsvereniging op grond van het eerste lid
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel
2, tweede
lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de verzekerde
aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande dat voor de
aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip met ingang
waarvan de bedrijfsvereniging arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking
laat.
Art. 12. Herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer de
verzekerde aan wie zij is toegekend, op grond van deze wet voor een
hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering beziet
de bedrijfsvereniging binnen één jaar na ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als
bedoeld in artikel 35, vierde lid, of er gronden aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan, onder
goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten bepalen dat geen tijdvak geldt, dan wel een tijdvak
zal gelden, dat afwijkt van het in het tweede lid genoemde tijdvak.
-4. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van de
artikelen 13 tot en met 16.
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die deelneemt
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing wordt gedurende deze
opleiding of scholing niet herzien in verband met een daaruit
voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel
9,
derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde tijdens de opleiding
of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid,
van overeenkomstige toepassing.
Art. 13. Herziening
bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 15
en 16, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52
weken heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet
plaats indien de
toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die
waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is
voortgekomen.
-3. Indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toeneming van
de arbeidsongeschiktheid of in de 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan
de toeneming van de arbeidsongeschiktheid arbeid verricht of heeft
verricht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, vindt de in het eerste
lid bedoelde herziening plaats ook indien de toeneming kennelijk is
voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid
ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
Art. 14. Herziening
bij 45% arbeidsongeschiktheid of meer
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd artikel
15,
plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken
heeft geduurd.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% doch minder dan 80%, wegens
afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan die uitkering is herzien de
arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing,
onder afwijking van artikel 13.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste en tweede lid, worden perioden van toegenomen
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 15. Herziening
uitkering zonder wachttijd
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven tijdvak in
daarbij aan te wijzen gevallen.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend,
onderscheidenlijk wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien,
met toepassing van artikel 36, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 38,
tweede lid, geldt met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a en
b,
als dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd
toegekend onderscheidenlijk herzien de dag met ingang waarvan die
uitkering zou zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien, indien
artikel 36, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 38, tweede lid, geen
toepassing zou hebben gevonden.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor
gevallen waarbij direct herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Op grond van deze regels
kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van de
verzekerde die bij hervatting van de arbeid in het bedrijfs- of
beroepsleven winst of inkomsten geniet die minder bedragen dan
evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
Art. 16. Herziening
bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt
binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak
als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering
wordt genoten, is voortgekomen, vindt herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing indien recht bestaat op herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 14 of
15,
eerste lid, onderdeel a tot en met c.
Art. 17. Grondslagvaststelling
bij toeneming arbeidsongeschiktheid
-1. Indien wegens toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, vindt
hernieuwde vaststelling van een grondslag plaats overeenkomstig artikel
8 en de daarop berustende bepalingen, mits dat leidt tot een hogere
grondslag dan die welke laatstelijk aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in
artikel 8 in plaats
van "het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid" gelezen: de
toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid.
Art. 18. Overige
gronden voor herziening of intrekking
-1. Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake van een weigering van
een zodanige uitkering, herziet de bedrijfsvereniging een dergelijke
beschikking of trekt zij deze in:
a. ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel
11;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 45, 46 of 70 heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van een uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 45, 46 of 70
ertoe leidt dat niet kan worden
vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig, zijn kan de
bedrijfsvereniging besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking af te zien.
Art. 19. Einde van
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de
leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is
geëindigd of beneden 25% is
gedaald, met ingang van de dag aangegeven in de daartoe strekkende
beschikking van de bedrijfsvereniging.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die deelneemt
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing wordt gedurende deze
opleiding of scholing niet ingetrokken in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel
9,
derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde tijdens de opleiding
of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid,
van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding.
Indien de verzekerde eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel
58, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige
toepassing.
Art. 20. Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
-1. Indien de verzekerde:
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b,
is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in
artikel 7, tweede lid,
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar
na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt
en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die
waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken
uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt
was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing:
a. indien op grond van artikel 21 aanspraak bestaat op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. voor zover artikel
29b van de Ziektewet toepassing kan vinden.
-4. In de gevallen waarin dit artikel toepassing vindt, wordt de
grondslag van de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
lager gesteld dan de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk
ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen,
dan wel de grondslag die in aanmerking zou zijn genomen indien na het
einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, eerste lid, recht zou
hebben bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals die sinds
de beëindiging van de uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van
die wachttijd op grond van artikel 8 zou zijn herzien.
Art. 21. Heropening
van de uitkering
-1. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier
weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken weer
arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de
verzekerde
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, indien hij weer
arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de dag met ingang waarvan
die uitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
-3. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken met ingang van een dag gelegen
binnen vier weken na de dag met ingang waarvan die uitkering werd
toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien,
heeft, indien hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt wordt,
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede
en het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang
waarvan de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, niet
kennelijk uit een andere oorzaak dan die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op
de dag waarop de heropening ingaat.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet
als arbeidsongeschikt beschouwd de verzekerde die minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
§ 2.
Uitkering in
verband met bevalling
Art. 22. Recht op
uitkering in verband met bevalling
-1. Voor de vrouwelijke verzekerde, bedoeld in
artikel 3, eerste lid en
tweede lid, onderdeel a, ontstaat recht op uitkering in verband met haar
bevalling.
-2. Recht op uitkering in verband met bevalling bestaat gedurende ten
minste zestien weken.
-3. Het recht op uitkering in verband met bevalling gaat in op de eerste
dag dat de bevalling, blijkens een verklaring van een arts of een
verloskundige waarop de vermoedelijke bevallingsdatum wordt aangegeven,
binnen zes weken is te verwachten. De vrouwelijke verzekerde kan het
recht op uitkering op een latere dag doen ingaan, doch niet later dan de
dag waarop de bevalling binnen vier weken is te verwachten blijkens
bedoelde verklaring.
-4. Het recht op uitkering in verband met bevalling eindigt op de
dag
gelegen zestien weken na de bevallingsdatum. Indien reeds vóór de
bevallingsdatum recht op uitkering in verband met bevalling bestond,
eindigt het recht zoveel dagen eerder als dat recht heeft bestaan in het
tijdvak van de eerste dag waarop de bevalling binnen zes weken was te
verwachten tot en met de vermoedelijke bevallingsdatum of, indien
eerder gelegen, tot en met de werkelijke bevallingsdatum.
-5. In afwijking van het eerste lid:
a. ontstaat geen recht op uitkering in verband met bevalling voor de
vrouw, bedoeld in artikel 3, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, die
op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
3,
derde lid, van verzekering op grond van deze wet is uitgesloten;
b. ontstaat eveneens recht op uitkering in verband met bevalling,
volgens het tweede tot en met vierde lid, voor de vrouw anders dan
bedoeld in artikel 3, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, die op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
3, derde
lid, is verzekerd.
Art. 23. Recht op
uitkering in verband met bevalling in de vorm van een uitkering ter zake
van vervanging
-1. De vrouwelijke verzekerde kan het recht op uitkering in verband met
bevalling, tezamen met het recht op vakantie-uitkering daarover, doen
bestaan in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
-2. Het recht op uitkering in verband met bevalling in de vorm van een
uitkering ter zake van vervanging bestaat uitsluitend, indien:
a. ter vervanging van de vrouwelijke verzekerde een persoon werkzaam is
gedurende de periode dat het recht op uitkering in verband met bevalling
op grond van artikel 22, derde en vierde lid, bestaat; en
b. de persoon die als vervanger werkzaam is, ter beschikking wordt
gesteld door een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling die zich
krachtens haar statuten ten doel stelt arbeidskrachten ter beschikking
stellen.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het tweede lid.
Art. 24. De hoogte
van de uitkering
-1. De uitkering in verband met bevalling wordt berekend naar de
grondslag.
-2. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de uitkering in
verband met bevalling, met dien verstande dat:
a. voor de verzekerde, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel
a en c, in plaats van de perioden, bedoeld in artikel
8, tweede lid, in
aanmerking wordt genomen het boekjaar of de vijf boekjaren onmiddellijk
voorafgaande aan de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband
met bevalling;
b. voor de verzekerde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel
b, in
plaats van de perioden, bedoeld in artikel 8, derde lid, in aanmerking
wordt genomen het kalenderjaar of de vijf kalenderjaren onmiddellijk
voorafgaande aan de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband
met bevalling.
-3. De uitkering in verband met bevalling bedraagt per dag, de zaterdagen
en zondagen niet meegerekend, 100% van de grondslag.
-4. De uitkering, bedoeld in artikel
23, bedraagt de grondslag,
vermeerderd met het bedrag aan premies dat de bedrijfsvereniging bij
uitbetaling als uitkering in verband met bevalling daarover verschuldigd
zou zijn.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en
zo nodig afwijkende
regels worden gesteld met betrekking tot het vierde lid.
§ 3.
Vakantie-uitkering
Art. 25. Recht op
vakantie-uitkering
De verzekerde die over één maand recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband met
bevalling, heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.
Art. 26. Hoogte van
de vakantie-uitkering
-1. De vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan wel het bedrag aan uitkering in
verband met bevalling waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf
maanden voorafgaande aan de maand mei.
-2. Indien artikel 58 of
59 is toegepast, wordt onder het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, verstaan het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel
toepassing heeft gevonden.
-3. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt
gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het
eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in
aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over het
tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
-4. Op de ambtshalve toekenning van een vakantie-uitkering zijn de
artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Art. 27. Recht op
vakantie-uitkering over overlijdensuitkering
De artikelen 25 en 26, eerste tot en met derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 61.
§ 4.
Reïntegratiemaatregelen
Art. 28. Inkomenssuppletie
gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot de toekenning van inkomenssuppletie aan zelfstandigen die recht
hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, en die de uitoefening van hun
onderneming voortzetten.
Art. 29. Garantie
voor oudere arbeidsongeschikten
Indien een verzekerde van 45 jaar of ouder die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die als verzekerde, bedoeld in artikel
3, eerste lid, winst of inkomsten gaat genieten in verband waarmee zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, wordt, indien hij
binnen vijf jaar na de datum van aanvang van zijn werkzaamheden opnieuw
recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, de
grondslag van die uitkering niet lager gesteld dan de grondslag die voor
de berekening van de laatstelijk ontvangen
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen.
Art. 30. Voorzieningen
-1. De bedrijfsvereniging kan de verzekerde in aanmerking brengen voor
voorzieningen die strekken tot behoud of herstel van de
arbeidsgeschiktheid of die de arbeidsgeschiktheid bevorderen.
-2. De bedrijfsvereniging kan een verzekerde in aanmerking brengen voor
vervoersvoorzieningen strekkend tot verbetering van zijn
leefomstandigheden indien deze voorzieningen deel uitmaken van, dan wel
rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen waarvoor hij op grond van het
eerste lid in aanmerking is of wordt gebracht.
-3. De bedrijfsvereniging kan de in het eerste en tweede lid bedoelde
voorzieningen blijven verstrekken na het eindigen van de verzekering op
grond van deze wet en na de intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking
tot dit artikel nadere regels gesteld.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en
zo nodig
afwijkende regels gesteld omtrent de verstrekking van een voorziening op
grond van dit artikel indien de verzekerde tevens werknemer is in de
zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of
jonggehandicapte is in de zin van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten dan wel op grond van
enige andere wettelijke regeling in aanmerking komt voor de toekenning
van een voorziening die naar aard en strekking overeenkomt met een
voorziening als bedoeld in dit artikel.
Art. 31. Overeenkomstige
toepassing artikel 18 op voorziening
Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op een beschikking inzake
een voorziening als bedoeld in artikel 30.
Art. 32. Toelage en
vergoeding
-1. Indien het treffen van een voorziening als bedoeld in
artikel 30 tot
gevolg heeft dat een verzekerde geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan
verrichten en uit dien hoofde inkomsten derft, heeft hij tijdens de duur
van die voorziening aanspraak op een toelage die overeenkomt met het
bedrag van de gederfde inkomsten, met dien verstande dat de toelage of,
ingeval een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt genoten, de toelage
vermeerderd met die uitkering, per dag de grondslag, bedoeld in artikel
8, niet te boven gaat. De bedrijfsvereniging kan, indien het bedrag per
dag aan gederfde inkomsten meer bedraagt dan de grondslag, bedoeld in
artikel 8, een hogere toelage verlenen dan bedoeld in de eerste zin.
-2. Indien naar het oordeel van de bedrijfsvereniging daartoe aanleiding
bestaat, kan tijdens de duur van een voorziening als bedoeld in artikel
30 een vergoeding worden verleend wegens kosten van onderhoud en
huisvesting.
-3. De bedrijfsvereniging kan toelagen wegens
inkomstenderving alsmede
vergoedingen verlenen anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
AFDELING
2
Het
geldend maken van het recht op uitkering
§ 1.
Melding
Art. 33. Melding
gedurende wachttijd
-1. Teneinde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te
kunnen maken, meldt de verzekerde zijn arbeidsongeschiktheid binnen
dertien weken na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid aan de
bedrijfsvereniging.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
Art. 34. Melding
tijdens zwangerschap
-1. Teneinde een recht op uitkering in verband met bevalling geldend te
kunnen maken, meldt de verzekerde uiterlijk drie maanden vóór de
vermoedelijke bevallingsdatum aan de bedrijfsvereniging:
a. haar zwangerschap, onder overlegging van de verklaring, bedoeld in
artikel 22, derde lid, of een kopie daarvan;
b. met ingang van welke datum zij het recht op uitkering wenst te doen
ingaan, met inachtneming van artikel 22, derde lid.
-2. De bedrijfsvereniging kan in bijzondere gevallen ten gunste van
verzekerde afwijken van het eerste lid.
§ 2.
Toekenning
Art. 35. Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Onverminderd hetgeen in deze wet ter zake van herziening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over tijdvakken van drie jaar.
-2. De bedrijfsvereniging stelt de verzekerde schriftelijk in kennis van
de mogelijkheid van het doen van een aanvraag uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop:
a. het in artikel 7, tweede lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt;
b. een tijdvak van drie jaar als bedoeld in het eerste
lid verstrijkt.
-3. Het tweede lid, onderdeel a, is niet van
toepassing indien de
verzekerde de melding, bedoeld in artikel 33, eerste lid, niet of niet
tijdig heeft gedaan. Indien de verzekerde deze melding niet tijdig heeft
gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde verplichting voor de
bedrijfsvereniging uiterlijk drie maanden nadat de verzekerde de melding
heeft gedaan.
-4. De verzekerde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan
wel voortzetting van de uitkering doet zijn aanvraag binnen negen
maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, onderscheidenlijk
uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van een tijdvak als bedoeld
in het eerste lid.
-5. Indien niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een
beschikking is gegeven op een tijdig ingediende aanvraag tot
voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering
voortgezet tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is
bekendgemaakt.
-6. Een aanvraag is tijdig ingediend indien de bedrijfsvereniging de
kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel
indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de
aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is
ontvangen.
-7. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan, onder
goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten bepalen dat geen tijdvak geldt dan wel een tijdvak
zal gelden dat afwijkt van het in het eerste lid genoemde tijdvak.
Art. 36. Ingangsdatum
uitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag met ingang
waarvan de verzekerde aan de vereisten voor het recht op toekenning van
die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan
dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel
voortzetting van de uitkering werd ingediend. De bedrijfsvereniging kan
voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
-3. Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet
plaats
indien deze zou ingaan op of na de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 37. Herziening
en heropening op aanvraag of ambtshalve
-1. Herziening dan wel heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
-2. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt in elk geval
ambtshalve plaats in geval van een beslissing op grond van artikel
12,
tweede lid.
Art. 38. Ingangsdatum
herziening en heropening uitkering
-1. De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag waarop de verzekerde op grond van deze wet voor een hogere of
lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die uitkering tot
gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening van de uitkering,
is artikel 36, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van
afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag aangegeven in
de daartoe strekkende beschikking van de bedrijfsvereniging.
-4. Indien de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding.
Indien de verzekerde eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel
58, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige
toepassing.
-5. De heropening van de uitkering, bedoeld in
artikel 21, gaat in op de dag met ingang waarvan de verzekerde weer arbeidsongeschikt is
geworden.
-6. Heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet
plaats
indien deze zou ingaan op of na de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 39. Toekenning
uitkering in verband met bevalling
-1. De uitkering in verband met bevalling wordt op aanvraag door de
bedrijfsvereniging toegekend.
-2. De verzekerde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de
uitkering of toekenning van de uitkering in de vorm van een uitkering
ter zake van vervanging, doet haar aanvraag uiterlijk twee weken vóór de
datum waarop zij het recht op uitkering wenst te doen ingaan, met
inachtneming van artikel 22, derde lid.
-3. De bedrijfsvereniging kan in bijzondere gevallen ten gunste van
verzekerde afwijken van het tweede lid.
Art. 40. Toekenning
andere uitkeringen op aanvraag of ambtshalve
-1. De vakantie-uitkering wordt ambtshalve of, ingeval
artikel 60, eerste
lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag door de
bedrijfsvereniging toegekend.
-2. De voorziening, bedoeld in artikel
30, wordt op aanvraag of
ambtshalve door de bedrijfsvereniging toegekend.
-3. De toelage en de vergoeding, bedoeld in
artikel 32, worden op
aanvraag of ambtshalve door de bedrijfsvereniging toegekend.
Art. 41. Oproep en
onderzoek door of namens bedrijfsvereniging
-1. De bedrijfsvereniging kan, telkens wanneer zij dat nodig oordeelt,
oproepen of doen oproepen en op een door of namens haar te bepalen
plaats ondervragen of doen ondervragen:
a. de verzekerde;
b. de verzekerde die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in
artikel 7,
tweede lid, doormaakt;
c. de verzekerde die aanspraak maakt op of recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. de vrouwelijke verzekerde of andere persoon die aanspraak maakt op of
recht heeft op een uitkering in verband met haar bevalling;
e. de verzekerde of andere persoon ten aanzien van wie voorzieningen als
bedoeld in artikel 30 worden getroffen of overwogen of aan wie een
toelage of vergoeding als bedoeld in artikel 32 is verleend of wordt
overwogen.
-2. De bedrijfsvereniging kan de in het eerste lid, onderdeel
a, b, c en e, bedoelde personen op een door of namens haar te bepalen plaats door
één of meer daartoe door haar aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
-3. De daartoe door de bedrijfsvereniging aangewezen deskundige kan, ook
zonder opdracht van de bedrijfsvereniging, de in het eerste lid bedoelde
personen oproepen, ondervragen, doen oproepen, doen ondervragen en,
behoudens de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d,
onderzoeken of doen onderzoeken door één of meer door hem daartoe
aangewezen deskundigen.
Art. 42. Vergoeding
kosten en tijdverlies
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun
geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in
de gevallen en volgens regels die door Onze
Minister worden vastgesteld.
Art. 43. Voorschriften
van medische of administratieve aard
De bedrijfsvereniging of de door haar daartoe aangewezen deskundige kan
aan de in artikel 41, eerste lid, onderdeel a, b, c en
e, bedoelde
personen voorschriften geven in het belang van een behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Art. 44.
Controlevoorschriften
De bedrijfsvereniging kan
controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften behoeven de
goedkeuring van het
College van toezicht sociale verzekeringen
en
mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste
uitvoering van deze wet.
§ 3.
Maatregelen en
boeten
Art. 45. Gevolgen
weigeren onderzoek
-1. De bedrijfsvereniging
weigert de uitkering, de inkomenssuppletie of de toelage tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien een verzekerde als bedoeld in artikel
41, eerste lid, na tijdig te zijn opgeroepen niet is verschenen of heeft
geweigerd:
a. vragen te beantwoorden
die zijn gesteld door de bedrijfsvereniging of de door haar daartoe
aangewezen deskundige;
b. zich te laten
onderzoeken door de door de bedrijfsvereniging daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het
voorschrift, gegeven door de bedrijfsvereniging of de door haar daartoe
aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te
verblijven in een aangewezen inrichting.
-2. De bedrijfsvereniging
handelt overeenkomstig het eerste lid bij toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen
uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet
voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.
Art. 46. Gevolgen
niet-naleving voorschriften
De bedrijfsvereniging
handelt overeenkomstig artikel 45, indien de verzekerde:
a. de door de
bedrijfsvereniging of de door haar daartoe aangewezen deskundige krachtens
artikel 43 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud,
herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan wel tot inschrijving
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gegeven voorschriften
zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als
de bedrijfsvereniging of de door haar daartoe aangewezen deskundige te
kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder
geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de
behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt
aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat
voldoende mee te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te
verkrijgen;
d. de
controlevoorschriften, bedoeld in artikel 44, of de verplichting, bedoeld in artikel 91,
vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk
is nagekomen of de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet binnen
de door de bedrijfsvereniging daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
e. zijn
arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan
het voorschrift, bedoeld in artikel 35, vierde lid, of
39, tweede lid.
Art. 47. Afstemming
maatregel op ernst gedraging
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 45 of 46 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien.
-3. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 48 wordt opgelegd.
-4. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 48. Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Indien de verzekerde
of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting, bedoeld in
artikel 70, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt de
bedrijfsvereniging hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan
worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. De persoon aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging
de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van de persoon aan wie
zij is opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 49. Voorschriften
rond voorgenomen boeteoplegging
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een
handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden
opgelegd, is verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger niet langer
verplicht ter
zake van die gedraging enige verklaring af te leggen,
voor zover het betreft de boeteoplegging. De verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem
mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is aan de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een
handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid, wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg
voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger
worden meegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de
bedrijfsvereniging de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar
keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de verzekerde
of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar
voren brengt, draagt de bedrijfsvereniging er op verzoek van de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die hem kan
bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte
bestaat.
Art. 50. Voorschriften
rond boetebesluit
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 54 zal worden ten
uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die het in het eerste lid
bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg
voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt meegedeeld in een voor
hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 51.
Niet-oplegging van boete
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen op grond van
artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken bedrijfsvereniging.
Art. 52.
Termijnstelling van boete
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 49, vierde lid,
in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden, vangt het tijdvak van één jaar aan op de dag na die
waarop het openbaar ministerie aan de bedrijfsvereniging heeft meegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 53. Afwijking
8:69 Awb
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art. 54. Boetebesluit
executoriale titel
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering, voorziening, toelage of
vergoeding ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond
van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering
of toeslag.
-3. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd inmiddels een uitkering, voorziening,
toelage, vergoeding of toeslag als bedoeld in het tweede lid ontvangt van
een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete
heeft opgelegd, betaalt die andere bedrijfsvereniging het bedrag van die boete,
zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de
bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd.
-4. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de
betrokken gemeente, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor een machtiging nodig is van hem, op haar verzoek aan de
bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd geen uitkering, voorziening, toelage,
vergoeding of toeslag als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of
meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering, voorziening,
toelage, vergoeding of toeslag toepassing van het derde en vierde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met
toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag op grond van dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen die derden verschuldigd
zijn of worden aan de persoon aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de
bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger blijft beschikken over
een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en
475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 48, vierde lid, niet of niet behoorlijk
nakomt.
AFDELING
3
De
betaling van de uitkering
Art. 55.
Betaalbaarstelling
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de uitkering in verband met bevalling worden
betaalbaar gesteld door de bedrijfsvereniging. De betaling geschiedt als
regel in tijdvakken van één maand.
-2. De bedrijfsvereniging
kan een uitkering als bedoeld in het eerste lid over een door haar te
bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar stellen indien
onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte
van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt
verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan uitkering dat
over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-3. Onverminderd het
tweede lid schort de bedrijfsvereniging de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in
verband met bevalling op
of schorst zij de betaling, indien zij op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
45, 46 of 70 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-4. Ingeval de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in verband met bevalling in
het buitenland wordt betaald, worden de daaraan verbonden kosten van
overmaking op de uitkering in mindering gebracht.
-5. Wanneer de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband
met bevalling is toegekend een ander machtigt om de uitkering
in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging
intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een
betalingstijdvak
aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend,
onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan,
doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag
van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
-6. In afwijking van het
eerste lid wordt de uitkering in verband met bevalling in de vorm van
een uitkering ter zake van vervanging betaalbaar gesteld aan de
instelling, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel b. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig
in afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, inzake de betaling van
uitkering in verband met bevalling in de vorm van een uitkering ter zake van
vervanging.
Art. 56. Inhouding
vereveningsbijdrage
-1. De bedrijfsvereniging
houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de uitkering in
verband met bevalling met uitzondering van de uitkering in verband met
bevalling in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging, op de
vakantie-uitkering en op de toeslag op de uitkering op grond van de
Toeslagenwet een bedrag in dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een
werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het overeenkomstige loon
van een werknemer die verzekerd is op grond van die
wet inhoudt.
-2. Voor het deel van de
premie, bedoeld in het eerste lid, dat ten gunste komt van het
wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van de
Werkloosheidswet, wordt
met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een
gemiddeld percentage vastgesteld.
Art. 57. Betaling aan
instellingen
-1. Indien de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband
met bevalling is toegekend, op grond van artikel
6, derde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de
kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en
11 van die
wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12 van die wet, kan
de bedrijfsvereniging de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in
plaats van aan de verzekerde zonder diens machtiging betalen aan de Ziekenfondsraad.
-2. Indien de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband
met bevalling is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de bedrijfsvereniging van de
desbetreffende inrichting of van de gemeente die de opnamekosten
betaalt het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of de uitkering in verband met bevalling aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, kan de bedrijfsvereniging dat verzoek zonder het
stellen van andere voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of de uitkering in verband met bevalling dat niet aan de Ziekenfondsraad wordt betaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 58. Inkomsten uit
arbeid tijdens uitkering
-1. Indien de verzekerde
die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid,
bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet betaald indien
de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a
niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn
vastgesteld indien die
arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
-2. Toepassing van het
eerste lid kan ten hoogste plaatsvinden over een aaneengesloten tijdvak
van drie jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid
wordt genoten. Dit tijdvak wordt niet onderbroken indien gedurende perioden
van korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na
afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de in het
eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
2,
vierde lid.
-3. Indien de verzekerde
die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet bestaande uit loon op grond van de Wet Sociale
Werkvoorziening, vindt het tweede lid geen toepassing.
-4. Na afloop van een
kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid
niet zijn uitbetaald
wegens het genieten van dat loon, alsmede van de dientengevolge niet-uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan premies
dat de bedrijfsvereniging bij uitbetaling daarover op grond van enige wet
verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden
gebracht, aan ’s Rijks kas afgedragen.
-5. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels
hebben in elk geval betrekking op de gelijkstelling van inkomsten in verband
met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste lid.
-6. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten
aanzien van andere vormen van arbeid die de verzekerde gaat verrichten.
Art. 59. Samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering in verband met bevalling met andere uitkeringen
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet uitbetaald indien de persoon die recht heeft
op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde
dag recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, tenzij:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
lager is dan 70% van het minimumloon, bedoeld in
artikel 8, achtste lid; of
b. de in dit lid bedoelde
persoon in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid in betekenende mate geregeld zowel
arbeid als werknemer verrichtte als arbeid als verzekerde.
-2. Indien het eerste lid,
onderdeel a, van toepassing is, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
slechts uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft.
-3. Indien het eerste lid,
onderdeel b, van toepassing is, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
uitbetaald tot een nader te bepalen bedrag.
-4. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 12 tot en met
17 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald voor zover
deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, doch in ieder geval uitbetaald
tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-5. Indien na toepassing
van het vierde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering
als de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als gevolg van toe- of afneming van
de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste tot en met derde lid, uitbetaald
voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, doch
in elk
geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag
onmiddellijk voorafgaande aan de herziening, bedoeld in het vierde lid.
-6. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van
die wet
als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover
deze de herziene arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft.
-7. Voor de toepassing van
het eerste tot en met het zesde lid wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering tevens verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover
die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode
zijn berekend.
-8. Het eerste tot en met
zevende lid zijn niet van toepassing op de persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van
de vrijwillige
verzekering als bedoeld in hoofdstuk VI van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-9. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld en kunnen
zo nodig afwijkende regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het
eerste tot en met achtste lid. Deze nadere regels houden in ieder
geval in, regels met betrekking tot het begrip "in betekenende mate",
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het bedrag, bedoeld in het derde lid;
b. ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering
met uitkering in verband met bevalling op grond van deze wet of
met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere wetten;
c. ter voorkoming of
beperking van samenloop van uitkering in verband met bevalling op grond
van deze wet met uitkering in verband met bevalling of
arbeidsongeschiktheid op grond van andere wetten.
-10. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond
van de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen,
Aruba of van een andere mogendheid.
Art. 60. Betaling van
vakantie-uitkering
-1. De betaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan
die maand voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op
uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. De
bedrijfsvereniging kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip
betalen, mits die betaling plaatsvindt over één of meer voorliggende maanden
waarover reeds recht op vakantie-uitkering bestaat.
-2. De artikelen 55, 57 en
61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art. 61.
Overlijdensuitkering
-1. Na het overlijden van
de verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
of een uitkering in verband met bevalling is toegekend, wordt met
ingang van de dag na het overlijden de uitkering in de vorm van een
overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere
echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, de minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, degenen ten aanzien van
wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en met
wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de verzekerde aan
wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de
toepassing van dit artikel gelijkgesteld de persoon wiens overlijden
heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou
hebben bereikt, doch vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden, en
die uitsluitend op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel a, over de dag
van zijn overlijden geen recht op uitkering had.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, worden mede als echtgenoot aangemerkt
niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap
in de eerste graad
bestaat.
-4. Artikel 6, derde en
vierde lid, is van toepassing met betrekking tot het derde lid.
-5. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over
één maand, doch niet
over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die
uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de
verzekerde.
-6. In verband met het
overlijden van de verzekerde aan wie een uitkering is toegekend,
zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, en
22, vierde lid, niet van
toepassing.
-7. De
overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld
in het eerste lid, door de bedrijfsvereniging betaald.
-8. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.
-9. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met
bevalling dat over na het
overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
-10. Indien de verzekerde
een uitkering in verband met bevalling is toegekend in de vorm van
een uitkering ter zake van vervanging, wordt na het overlijden van deze
verzekerde overlijdensuitkering betaald op de voet van het eerste lid,
als ware de verzekerde een uitkering in verband met bevalling toegekend.
Het negende lid blijft daarbij buiten toepassing.
Art. 62.
Verjaringstermijn
Uitkeringen op grond van
deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd
binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art. 63.
Terugvordering
-1. De uitkering of
voorziening die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 18 of
31
onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt door de bedrijfsvereniging van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 64.
-4. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid, onder bij die
regeling te bepalen omstandigheden, een uitkering in verband met
bevalling in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging niet wordt
teruggevorderd.
-5. De persoon van wie of
de instelling waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan
de bedrijfsvereniging de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
Art. 64. Besluit als
executoriale titel
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 54 is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 65. Nadere regels
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de
terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als
bedoeld in de artikelen 63 en 64.
Art. 66.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in artikel 10, de uitkering in verband met bevalling, de
vakantie-uitkering, de voorziening, de inkomenssuppletie, alsmede de toelage en de vergoeding, bedoeld in
artikel 32, zijn:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
Art. 67. Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen
Niet vatbaar voor beslag
zijn:
a. de verhoging, bedoeld
in artikel 10;
b. de voorziening,
bedoeld in artikel 30;
c. de vergoeding, bedoeld
in artikel 32; en
d. de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 61.
HOOFDSTUK
4
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 68. Samenloop
aanspraken
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening
met de aanspraken die hij op grond van deze wet heeft.
Art. 69. Regresrecht
-1. De bedrijfsvereniging
heeft voor de op grond van deze wet gemaakte kosten verhaal op de
persoon die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is
verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het ontbreken
van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht
aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de
verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. De bedrijfsvereniging
kan in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de
contante waarde daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te stellen
afkoopsom die aan de bedrijfsvereniging wordt vergoed voor de totale
schadelast tengevolge van het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid.
HOOFDSTUK
5
Het
verstrekken van inlichtingen
Art. 70. Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen
-1. De verzekerde, diens
wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 57, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn
verplicht aan de bedrijfsvereniging die bevoegd is tot toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, op haar verzoek of onverwijld uit eigen
beweging, alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hun
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het
recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt
betaald.
-2. Op de verzekerde die
aanspraak maakt op of recht heeft op vakantie-uitkering of op een uitkering in
verband met bevalling als bedoeld in artikel 22, alsmede de
verzekerde ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 30
worden getroffen of overwogen of aan wie een inkomenssuppletie als
bedoeld in artikel 28, dan wel een toelage of vergoeding als bedoeld in
artikel 32 wordt verleend of overwogen, alsmede op diens wettelijke vertegenwoordiger, rusten overeenkomstige
verplichtingen als
omschreven in het eerste lid.
-3. Op de instelling,
bedoeld in artikel 23, tweede lid, rusten overeenkomstige verplichtingen als
bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK
6
Financiering
Art. 71. Premieplicht
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 3, eerste en derde lid, is premie verschuldigd over zijn
premie-inkomen.
-2. De premieplicht
eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de premieplichtige
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Art. 72. Maatstaf voor
premieheffing
-1. Het premie-inkomen is
het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten
winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en zuivere
inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder zuivere inkomsten uit
buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid verstaan andere
dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid nadat deze zijn verminderd met de aftrekbare
kosten die betrekking
hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
-2. Het premie-inkomen
wordt voor de premieheffing tot geen hoger bedrag in aanmerking
genomen dan het door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag.
-3. Ten aanzien van de
verzekerde die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij
een aanmerkelijk belang heeft, worden de in een kalenderjaar genoten
zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige
arbeid uit die arbeidsverhouding voor de toepassing van dit
artikel ten minste gesteld op het in het tweede lid bedoelde premie-inkomen
dat ten hoogste in aanmerking wordt genomen, dan wel, indien
hij aannemelijk maakt dat ter zake van soortgelijke
arbeidsverhoudingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het
economische verkeer een lagere beloning gebruikelijk is, gesteld op die lagere
beloning verminderd met de in het eerste lid bedoelde aftrekbare
kosten.
Art. 73. Franchise en
tarief
-1. De premie voor de
verzekering wordt vastgesteld op een percentage van het in aanmerking te
nemen premie-inkomen verminderd met een door Onze
Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën
bij ministeriële regeling
aan te wijzen bedrag dan wel met het bedrag van de inkomsten uit
dienstbetrekking indien dit hoger is.
-2. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt, onder goedkeuring van Onze
Minister, het premiepercentage vast, alsmede het tijdvak waarvoor dat
percentage geldt, voor de verzekering op grond van deze wet.
-3. Indien Onze Minister
zijn goedkeuring onthoudt aan het door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming vastgestelde percentage of aan het tijdvak
waarvoor dat premiepercentage is vastgesteld, stelt hij het percentage of het
tijdvak vast.
Art. 74. Gemiddeld
premiepercentage
Indien een wijziging van
een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan met ingang
van 1 januari, wordt bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, een gemiddeld premiepercentage
vastgesteld voor door Onze Minister aan te wijzen tijdvakken.
Art. 75. Heffing en
invordering van premie
-1. De op grond van dit
hoofdstuk verschuldigde premie wordt geheven en ingevorderd
overeenkomstig de voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting
geldende regels, met dien verstande dat de artikelen 64, 65 en 66a
van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing blijven.
-2. De premie wordt
geheven en ingevorderd door de rijksbelastingdienst.
-3. De aanslag premie en
de aanslag inkomstenbelasting kunnen op één aanslagbiljet worden
verenigd. In dat geval worden de bedragen van de aanslagen afzonderlijk
vermeld.
-4. Indien geen aanslag
inkomstenbelasting wordt vastgesteld, wordt evenmin een aanslag
premie vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing ingeval geen
aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld omdat het gezamenlijke
bedrag van de aan loonbelasting onderworpen inkomsten, andere dan uit
dienstbetrekking, niet meer bedraagt dan het bedrag van de
aanslaggrens, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b,
onder 1º,
van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964.
Art. 76.
Rijksbijdragen
Indien de premie die op
grond van dit hoofdstuk is verschuldigd door de verzekerden, bedoeld
in artikel 5, met uitzondering van de verzekerden die op grond van artikel
6 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als
directeur-grootaandeelhouder worden beschouwd, onvoldoende is om de uitgaven,
bedoeld in artikel 80, met betrekking tot deze verzekerden in een
kalenderjaar te bekostigen, komt het verschil ten laste van het Rijk.
Art. 77. Nadere regels
Bij ministeriële
regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de
artikelen 71 tot en met 76.
Art. 78.
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
-1. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 79 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de
uitgaven, bedoeld in artikel 80, alsmede de middelen benodigd voor
het vormen en in stand houden van een reserve, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat deel
uitmaakt van het
Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.
-2. De middelen voor het
vormen en in stand houden van een reserve worden gevonden uit de
ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komende
premies.
-3. Het Tijdelijke
instituut voor coördinatie en afstemming bezigt de op grond van het eerste lid
gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dan met toestemming van Onze
Minister.
Art. 79. Bedragen ten
gunste van Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen
Ten gunste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:
a. de premie, bedoeld in
artikel 73, en de premievervangende belasting, bedoeld in artikel
91;
b. het bedrag, bedoeld in
artikel 56;
c. de boeten, bedoeld in
artikel 48;
d. de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt met toepassing van verhaal als bedoeld in
artikel 69;
e. de rijksbijdrage,
bedoeld in artikel 76.
Art. 80. Uitgaven ten
laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:
a. de op grond van deze
wet te betalen uitkeringen;
b. de inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 28;
c. de voorzieningen,
bedoeld in artikel 30;
d. de toelagen en
vergoedingen, bedoeld in artikel 32;
e. de op grond van enige
wet over de uitkeringen op grond van deze wet door de
bedrijfsvereniging verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering
kunnen worden gebracht;
f. het op grond van
artikel 58, vierde lid, aan ’s Rijks kas af te dragen bedrag;
g. de toelagen, bedoeld
in artikel 88;
h. de aan de uitvoering
van deze wet verbonden kosten.
HOOFDSTUK
7
Uitvoering
Art. 81. Uitvoering
door bedrijfsverenigingen
In de uitvoering van de
in deze wet geregelde verzekering wordt, behoudens de uitvoering
die op grond van enig artikel van deze wet aan een ander is opgedragen,
voorzien door de bedrijfsverenigingen.
Art. 82. Bevoegde
bedrijfsvereniging
-1. De persoon, bedoeld in
artikel 4, is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij hij als werkgever
bij of krachtens de artikelen 64 en 65 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen is aangesloten of zou zijn aangesloten indien hij
personeel in zijn dienst had.
-2. De persoon, bedoeld in
artikel 5, is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij hij zou zijn
aangesloten indien hij zijn werkzaamheden in dienstbetrekking zou
hebben verricht.
-3. De persoon, bedoeld in
artikel 6, is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn echtgenoot
op grond van het eerste lid verzekerd is. Indien zijn echtgenoot
niet verzekerd is, is de persoon, bedoeld in artikel 6, verzekerd bij de
bedrijfsvereniging waarbij zijn echtgenoot aangesloten zou zijn indien hij wel
verzekerd zou zijn geweest.
-4. De verzekerde die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in
verband met bevalling op grond van deze wet, dan wel geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, omdat de wachttijd, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, op hem van toepassing is, is verzekerd bij de
bedrijfsvereniging tegenover welke hij die aanspraak heeft.
Art. 83. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij samenloop
-1. Indien de verzekerde
bij meer dan één bedrijfsvereniging is aangesloten, geschiedt de toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in
verband met bevalling door de bedrijfsvereniging die haar werking uitstrekt
over het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor door hem in de periode waarover de
grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend het
grootste bedrag aan winst of inkomsten wordt genoten.
-2. Indien de verzekerde
in geval van arbeidsongeschiktheid of in verband met bevalling
recht heeft op een uitkering en met ingang van dezelfde dag aanspraak
heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, geschiedt de toekenning van de
uitkering door de bedrijfsvereniging tegenover welke hij de aanspraak op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft.
-3. Indien de verzekerde
in verband met bevalling recht heeft op een uitkering op grond van
deze wet en met ingang van dezelfde dag aanspraak heeft op een
uitkering in verband met bevalling op grond van de Ziektewet, geschiedt
de toekenning van de uitkering door de bedrijfsvereniging tegenover welke zij de
aanspraak op uitkering in verband met bevalling op grond van de
Ziektewet heeft.
-4. Indien de verzekerde
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten die is
toegekend met ingang van een dag gelegen vóór de dag waarop
hij recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband
met bevalling toegekend door de bedrijfsvereniging die de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten heeft toegekend.
-5. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming kan regels stellen waarbij een
bevoegde bedrijfsvereniging wordt aangewezen in geval van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling met
uitkeringen op grond van andere wettelijke regelingen in gevallen
anders dan bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.
Art. 84. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij herziening
Ongeacht artikel 82 en 83
geschiedt de herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
door de bedrijfsvereniging die de uitkering heeft
toegekend.
Art. 85. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij toekenning binnen vijf jaar na intrekking
of niet-toekenning
Onverminderd artikel 83,
tweede en derde lid, is bevoegd tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 20 de
bedrijfsvereniging die de in het eerste lid,
onderdeel a, van dat artikel bedoelde uitkering heeft
ingetrokken dan wel de bedrijfsvereniging die de beslissing tot niet-toekenning van
de in het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel bedoelde uitkering heeft
genomen.
Art. 86. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij heropening
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door de
bedrijfsvereniging die
de uitkering heeft ingetrokken.
-2. De heropende
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de
ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de artikelen
14, tweede lid,
en 15, eerste lid, onderdeel c, wordt daarbij met herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid
gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 87.
Bevoegde
bedrijfsvereniging bij reïntegratiemaatregelen
De bedrijfsvereniging die
bevoegd is tot toekenning, herziening of heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is tevens bevoegd
met betrekking tot de
uitvoering van hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 4.
Art. 88. Verlening
toelagen
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan in het belang van de bij deze wet
geregelde verzekering toelagen verlenen aan instellingen of organisaties die ten doel hebben het nemen of bevorderen van
maatregelen die
strekken tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
HOOFDSTUK
8
Gemoedsbezwaren
Art. 89. Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren
-1. Van verplichtingen die
bij of krachtens hoofdstuk 6 zijn opgelegd, wordt op zijn aanvraag
ontheven de persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet
geregelde verzekering.
-2. Een ontheffing wordt
verleend door de bedrijfsvereniging. Een ontheffing gaat in op de
eerste dag van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de
ontheffing is verleend.
-3. De bedrijfsvereniging
doet van het verlenen van een ontheffing, alsmede van het intrekken
van een ontheffing, mededeling aan de inspecteur der directe
belastingen binnen wiens ambtsgebied de persoon ten aanzien van wie
ontheffing is verleend dan wel is ingetrokken, woont of is gevestigd.
Art. 90. Heffing van
premievervangende inkomstenbelasting
Indien op grond van
artikel 89 ontheffing is verleend, wordt geen premie geheven, doch
vindt voor de verzekering op grond van deze wet heffing en invordering
van een premievervangende inkomstenbelasting plaats op zodanige wijze
dat van de persoon van wie anders premie zou worden geheven,
inkomstenbelasting wordt geheven tot een bedrag van die premie.
Art. 91. Belasting
beschouwd als premie voor bepaalde wetten
De op de voet van artikel
90 verschuldigde premievervangende inkomstenbelasting wordt
geheven en ingevorderd op de voet van hoofdstuk 6, als ware de
premievervangende inkomstenbelasting premie.
Art. 92. Premie ten
laste van het Rijk
Premie voor de
verzekering op grond van deze wet die als gevolg van een ontheffing als
bedoeld in artikel 89 niet wordt geheven, komt ten laste van het Rijk.
Art. 93. Nadere regels
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit
hoofdstuk. Deze regels betreffen:
a. de voorschriften
waaronder een ontheffing wordt verleend;
b. de verdere gevolgen
die voor de toepassing van deze wet aan een ontheffing zijn
verbonden;
c. de gevallen waarin
een ontheffing wordt ingetrokken; en
d. de gevolgen die voor
de toepassing van deze wet zijn verbonden aan een ontheffing en aan een
intrekking van een ontheffing.
HOOFDSTUK
9
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en beroep in cassatie
Art. 94. Begrip
belanghebbende
Bij een besluit op grond
van deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of
voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid is belanghebbende de
persoon op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.
Art. 95.
Beslistermijnen
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag en op grond van deze wet door
de bedrijfsvereniging dient te worden gegeven. Deze algemene maatregel
van bestuur vervalt met ingang van 1 januari 1999.
Art. 96. Beslistermijn
bedrijfsvereniging bij bezwaarschrift
-1. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de
bedrijfsvereniging binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
-2. Indien bezwaar wordt
gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist de bedrijfsvereniging binnen
zeventien weken of, indien zij advies vraagt aan een deskundige die niet
onder haar verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen 21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 97. Medische
bezwaarschriftprocedure
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 98. Beroep in
cassatie
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de
artikelen 3 tot en met 6.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de
gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
HOOFDSTUK
10
Strafbepalingen
Art. 99. Strafbepaling
Overtreding van
bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van
bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 100. Verval van
recht tot strafvordering
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft
opgelegd.
Art. 101.
Overtredingen
De in artikel 99 bedoelde
strafbare feiten zijn overtredingen.
HOOFDSTUK
11
Slotbepalingen
Art. 102. Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 7, derde en vijfde lid, 13, vierde lid, 14,
15, eerste lid, 16,
20 en 21.
Art. 103.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, met uitzondering van de artikelen
89 en 93, die in werking treden met ingang van 1
oktober 1997, red.
Art. 104.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ‘s-Gravenhage, 24 april
1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|