|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185,
2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 24 april 1997, Stb.
1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
jonggehandicapten;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
Algemene begrippen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het
College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk II van de
Organisatiewet sociale verzekeringen;
c. Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming: het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, bedoeld in
hoofdstuk IV van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
d. bedrijfsvereniging: een bedrijfsvereniging als
bedoeld in hoofdstuk V van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
e. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten: het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten,
bedoeld
in artikel 63;
f. jonggehandicapte: de natuurlijke persoon, bedoeld in
artikel 5;
g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet.
Art. 2.
Begrip arbeidsongeschiktheid
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de
persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen
hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter
plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
-2. De persoon die op de in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem
aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of
bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen
hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate
arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij woont of in
de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de op de in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen, vindt het tweede
lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag in de plaats
treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid
is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid
vinden geen toepassing indien de betrokkene gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de in artikel 5, eerste lid,
onderdeel a of b, bedoelde dag ingezetene is geweest.
-5. Onder de in het eerste en
tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.
-6. Bij de vaststelling van
de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten
of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-7. Bij de toepassing van dit
artikel wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden
ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.
-8. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste
tot en met zevende lid nadere regels worden gesteld.
-9. Van een ontwerp van een
besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:
a. een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in het achtste lid;
b. een krachtens de in
onderdeel a bedoelde algemene maatregel van bestuur getroffen
ministeriële regeling;
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een
voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in onderdeel a wordt niet gedaan en de
vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in onderdeel
b
geschiedt niet eerder dan nadat tien weken na die mededeling zijn verstreken.
-10. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een
afwijkende wijze van vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere
wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid.
Art. 3.
Ingezetene
-1. Ingezetene in de zin van
deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid,
uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip "ingezetene".
Art. 4.
Woonplaats
-1. Waar een natuurlijk
persoon woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland
metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon
terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse Antillen, Aruba of op het
grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook
voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.
Art. 5.
Jonggehandicapte
-1. Jonggehandicapte is de
ingezetene die:
a. op de dag waarop hij 17
jaar wordt arbeidsongeschikt is;
b. na de in onderdeel a
bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten
minste zes maanden studerende was.
-2. Als studerende wordt
aangemerkt de persoon:
a. die studiefinanciering ontvangt op grond van de
Wet op de
studiefinanciering;
b. die een financiële
voorziening ontvangt als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. die een tegemoetkoming in
de studiekosten ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
tegemoetkoming studiekosten;
d. voor wie de verzekerde in
de zin van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag
ontvangt op
grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van
die wet;
e. die, hoewel hij niet op
grond van de onderdelen a tot en met d als studerende wordt aangemerkt,
niettemin in verband met onderwijs of een beroepsopleiding overdag
lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per
kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ook andere dan de in het tweede lid bedoelde
personen als studerende worden aangemerkt.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met
betrekking tot het tweede lid, onderdeel e.
HOOFDSTUK
2
De
uitkeringen
AFDELING
1
Het recht
op en de hoogte van de uitkering
§ 1.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 6.
Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De jonggehandicapte heeft
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
zodra hij onafgebroken 52 weken onmiddellijk volgend op de
in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde
dag
arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog
arbeidsongeschikt is.
-2. Voor het bepalen van het
tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte
die na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52
weken niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-4. Voor de toepassing van
het eerste tot en met vierde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd
degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
-5. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats met ingang van een dag
gelegen vóór die waarop betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt.
Art. 7.
Grondslag van de
uitkering
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het
minimumloon.
-2. Onder het in het eerste
lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een
persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat
voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8,
derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. Op een beschikking als
gevolg van een herziening van de grondslag op grond van dit artikel
zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Art. 8.
Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet
meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25-35%: 21% van de
grondslag;
35-45%: 28% van de
grondslag;
45-55%: 35% van de
grondslag;
55-65%: 42% van de
grondslag;
65-80%: 50,75% van de
grondslag;
80% of meer: 70% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van
de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening
gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
-3. Indien de
jonggehandicapte zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem
gewenste opleiding of scholing, of onvoldoende meewerkt aan het bereiken
van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die opleiding of scholing is
afgerond.
Art. 9.
Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer, wordt,
indien de jonggehandicapte verkeert in een althans
voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en
verzorging nodig maakt, voor de duur van die
hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd. De eerste zin vindt geen
toepassing indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en
de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake
ziektekosten komen.
Art. 10.
Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
-1. De bedrijfsvereniging kan
met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten
dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking laten gehele
arbeidsongeschiktheid die bestond op de in artikel 5, eerste lid,
onderdeel a of b, bedoelde dag.
-2. Het eerste lid blijft
buiten toepassing ten aanzien van de persoon als bedoeld in artikel
5, eerste
lid, onderdeel a of b, indien hij gedurende de zes jaren onmiddellijk
voorafgaande aan de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde
dag ingezetene is geweest.
-3. Zolang de
bedrijfsvereniging op grond van het eerste lid arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat,
vindt artikel 2, tweede lid, overeenkomstige toepassing
met betrekking tot de door de jonggehandicapte aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien
verstande dat voor de in artikel 5, eerste lid, bedoelde dag in de plaats treedt de dag met ingang
waarvan de bedrijfsvereniging arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
Art. 11.
Herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer de
jonggehandicapte aan wie
zij is toegekend, op grond van deze wet voor een hogere of lagere
uitkering in aanmerking komt.
-2. Onverminderd hetgeen
overigens in deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering beziet de bedrijfsvereniging binnen
één jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting
als bedoeld in artikel 28, vierde lid, of er gronden aanwezig
zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan, onder goedkeuring van Onze
Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen
dat geen tijdvak geldt, dan wel een tijdvak zal gelden, dat afwijkt van
het in het tweede lid genoemde tijdvak.
-4. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming
van de artikelen 12 tot en
met 15.
-5. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem
gewenste opleiding of scholing wordt gedurende deze opleiding of
scholing niet herzien in verband met een daaruit voortvloeiende
afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel 8, derde lid, van
toepassing is. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing
inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing.
Art. 12.
Herziening bij
minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
-1. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, onverminderd de artikelen 14 en 15, plaats zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid
bedoelde herziening vindt niet plaats indien de toeneming kennelijk is
voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid
ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-3. Voor het bepalen van het
tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 13.
Herziening bij
45% arbeidsongeschiktheid of meer
-1. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45%, onverminderd artikel 14, plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45% doch minder dan 80%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag met ingang waarvan
die uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste
lid van toepassing, onder afwijking van artikel 12.
-3. Voor het bepalen van het
tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
Art. 14.
Herziening
uitkering zonder wachttijd
-1. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra
de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
80% of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven tijdvak in daarbij aan te wijzen gevallen.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk wegens
toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van
artikel 29, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid,
geldt met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a en b, als dag met ingang
waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend
onderscheidenlijk herzien de dag met ingang waarvan die uitkering zou zijn
toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien, indien artikel
29, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, geen toepassing zou hebben
gevonden.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarbij direct herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Op grond van
deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van
de jonggehandicapte die bij hervatting van de arbeid in het bedrijfs-
of beroepsleven inkomsten geniet die minder bedragen dan evenredig is
aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
Art. 15.
Herziening bij
toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
-1. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum
van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen,
vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken
heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het
tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden
van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing indien recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 13 of
14, eerste lid, onderdeel
a tot
en met c.
Art. 16.
Overige gronden
voor herziening of intrekking
-1. Onverminderd hetgeen
overigens in deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van
een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering,
alsook ter zake van een weigering van een zodanige uitkering,
herziet de bedrijfsvereniging een dergelijke beschikking of trekt zij
deze in:
a. ter uitvoering van een
beslissing als bedoeld in artikel 10;
b. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
37, 38 of
62 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een
uitkering;
c. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
37, 38 of
62 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering
bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Art. 17.
Einde van het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de eerste
dag van de maand waarin de jonggehandicapte de leeftijd
van 65 jaar bereikt;
b. wanneer de
arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 25% is gedaald, met ingang van de
dag aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van de
bedrijfsvereniging;
c. met ingang van de eerste
dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte zich
buiten Nederland heeft gevestigd.
-2. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem
gewenste opleiding of scholing wordt gedurende deze opleiding of
scholing niet ingetrokken in verband met een daaruit voortvloeiende
afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel 8, derde lid, van
toepassing is. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing
inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing.
-3. Indien de intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide
scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet eerder in dan één jaar na
voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de jonggehandicapte eerder
inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, tot uiterlijk
het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
Art. 18.
Herleving van
het recht op uitkering
Indien het recht op
uitkering op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel c, is
geëindigd
en de jonggehandicapte zich vervolgens weer in Nederland vestigt, herleeft
het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de maand
volgend op die waarin hij zich weer in Nederland heeft gevestigd.
Art. 19.
Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
-1. Indien de
jonggehandicapte:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op
grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de
wachttijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling,
maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum
van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die
wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter
zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op
grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het
tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden
van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen
toepassing:
a. indien op grond van
artikel 20 aanspraak bestaat op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. voor zover artikel 29b van
de Ziektewet toepassing kan vinden.
Art. 20.
Heropening van
de uitkering
-1. De jonggehandicapte
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met artikel
17, eerste lid,
onderdeel b, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de
dag
met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken weer
arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede
van toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 45%, in verband met artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is
ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na
de dag met ingang waarvan die uitkering, die voordien was berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%.
-3. De jonggehandicapte
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
17,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken met ingang van een dag gelegen binnen
vier weken na de dag met ingang waarvan die uitkering werd toegekend
of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien
hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt wordt,
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. De jonggehandicapte
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
17,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en
het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang
waarvan de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt,
niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken
uitkering werd genoten, is
voortgekomen, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De heropening vindt
plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de dag waarop de
heropening ingaat.
-6. Voor de toepassing van
het eerste tot en met vijfde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd
degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
§ 2.
Vakantie-uitkering
Art. 21.
Recht op
vakantie-uitkering
De jonggehandicapte die over één maand recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering,
heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.
Art. 22.
Hoogte van de
vakantie-uitkering
-1. De vakantie-uitkering
bedraagt 8 procent van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf maanden voorafgaande
aan de maand mei.
-2. Indien artikel 50 of
51
is toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in het eerste lid, verstaan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel toepassing heeft gevonden.
-3. Indien het percentage van
de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit
gewijzigde percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde
percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de
uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de
dag waarop de wijziging ingaat.
-4. Op de ambtshalve
toekenning van een vakantie-uitkering zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 23.
Recht op
vakantie-uitkering over overlijdensuitkering
De artikelen 21 en 22,
eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 53.
§ 3.
Voorzieningen tot
behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, toelagen en
vergoedingen
Art. 24.
Voorzieningen
-1. De bedrijfsvereniging kan
de jonggehandicapte en de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog
niet heeft bereikt in aanmerking brengen voor voorzieningen die strekken
tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die de
arbeidsgeschiktheid bevorderen.
-2. De bedrijfsvereniging kan
de jonggehandicapte en de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog
niet heeft bereikt in aanmerking brengen voor vervoersvoorzieningen
strekkend tot verbetering van zijn leefomstandigheden indien
deze voorzieningen deel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen
met, voorzieningen waarvoor hij op grond van het eerste lid in
aanmerking is of wordt gebracht.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden met betrekking tot dit artikel
nadere regels gesteld.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld
omtrent de verstrekking van een voorziening op grond van dit artikel
indien de jonggehandicapte tevens verzekerde is op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen dan wel op grond van enige andere wettelijke
regeling in aanmerking komt voor de toekenning van een voorziening die naar
aard en strekking overeenkomt met een voorziening als bedoeld in
dit artikel.
Art. 25.
Overeenkomstige
toepassing artikel 16 op voorziening
Artikel 16 is van
overeenkomstige toepassing op een beschikking inzake een voorziening als bedoeld
in artikel 24.
Art. 26.
Toelage en
vergoeding
-1. Indien het treffen van
een voorziening als bedoeld in artikel 24 tot gevolg heeft dat een
jonggehandicapte geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten en uit dien
hoofde inkomsten derft, heeft hij tijdens de duur van die voorziening
aanspraak op een toelage die overeenkomt met het bedrag van de gederfde
inkomsten, met dien verstande dat de toelage of, ingeval een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt genoten, de toelage vermeerderd met die
uitkering, per dag de grondslag, bedoeld in artikel 7, niet te boven gaat. De
bedrijfsvereniging kan, indien het bedrag per dag aan gederfde inkomsten meer
bedraagt dan de grondslag, bedoeld in artikel 7, een hogere
toelage verlenen dan bedoeld in de eerste zin.
-2. Indien naar het oordeel
van de bedrijfsvereniging daartoe aanleiding bestaat, kan tijdens de duur
van een voorziening als bedoeld in artikel 24 een vergoeding worden
verleend wegens kosten van onderhoud en huisvesting.
-3. De bedrijfsvereniging kan
toelagen wegens inkomstenderving alsmede vergoedingen
verlenen anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
AFDELING
2
Het
geldend maken van het recht op uitkering
§ 1.
Melding
Art. 27.
Melding
gedurende wachttijd
-1. Teneinde een recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken, meldt de jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheid
binnen dertien weken na de
dag waarop hij 17 jaar is geworden dan wel binnen dertien weken na de
in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde dag aan de bedrijfsvereniging.
-2. Voor het bepalen van het
tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden
van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
§ 2.
Toekenning
Art. 28.
Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Onverminderd hetgeen in
deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
op aanvraag toegekend over tijdvakken van drie jaar.
-2. De bedrijfsvereniging
stelt de jonggehandicapte schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het
doen van een aanvraag uiterlijk vier maanden vóór de datum
waarop:
a. het in artikel 6, eerste
lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt;
b. een tijdvak van drie jaar
als bedoeld in het eerste lid verstrijkt.
-3. Het tweede lid, onderdeel a, is niet van
toepassing indien de jonggehandicapte de melding,
bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet of niet tijdig heeft gedaan. Indien
de jonggehandicapte deze melding niet tijdig heeft gedaan, geldt de in
het tweede lid bedoelde verplichting voor de bedrijfsvereniging uiterlijk
drie maanden nadat de jonggehandicapte de melding heeft gedaan.
-4. De jonggehandicapte die
in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel
voortzetting van de uitkering doet zijn aanvraag binnen negen maanden na
aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, onderscheidenlijk uiterlijk
drie maanden vóór het verstrijken van een tijdvak als bedoeld in het
eerste lid.
-5. Indien niet binnen de bij
wettelijk voorschrift bepaalde termijn een beschikking is gegeven op
een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop de
beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt.
-6. Een aanvraag is tijdig ingediend indien de bedrijfsvereniging de kennisgeving, bedoeld in het
tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving
dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier
weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-7. Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan, onder goedkeuring van Onze
Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen
dat geen tijdvak geldt dan wel een tijdvak zal gelden dat afwijkt van
het in het eerste lid genoemde tijdvak.
Art. 29.
Ingangsdatum
uitkering
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte
aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering
voldoet.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de
dag
waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de
uitkering werd ingediend. De bedrijfsvereniging kan voor bijzondere gevallen van
de eerste zin afwijken.
-3. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan op of
na de in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 30.
Herziening en
heropening op aanvraag of ambtshalve
-1. Herziening dan wel
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of
ambtshalve plaats.
-2. Herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt in elk geval ambtshalve plaats in geval
van een beslissing op grond van artikel 11, tweede lid.
Art. 31.
Ingangsdatum
herziening en heropening uitkering
-1. De herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag waarop de
jonggehandicapte op grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering
in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die
uitkering tot gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de
heropening van de uitkering, is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
-3. De herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de
arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag aangegeven in de daartoe strekkende
beschikking van de bedrijfsvereniging.
-4. Indien de herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide
scholing of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar na
voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de jonggehandicapte eerder
inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, tot uiterlijk
het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
-5. De heropening van de
uitkering, bedoeld in artikel 20, gaat in op de dag met ingang waarvan de
jonggehandicapte weer arbeidsongeschikt is geworden.
-6. Heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan op of
na de in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 32.
Toekenning
andere uitkeringen op aanvraag of ambtshalve
-1. De vakantie-uitkering
wordt ambtshalve of, ingeval artikel 52, eerste lid, tweede zin, toepassing
vindt, op aanvraag door de bedrijfsvereniging toegekend.
-2. De voorziening, bedoeld
in artikel 24, wordt op aanvraag of ambtshalve door de bedrijfsvereniging
toegekend.
-3. De toelage en de
vergoeding, bedoeld in artikel 26, worden op aanvraag of ambtshalve door
de bedrijfsvereniging toegekend.
Art. 33.
Oproep en
onderzoek door of namens bedrijfsvereniging
-1. De bedrijfsvereniging
kan, telkens wanneer zij dat nodig oordeelt, oproepen of doen oproepen en
op een door of namens haar te bepalen plaats ondervragen of doen
ondervragen:
a. de jonggehandicapte die
de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
doormaakt;
b. de jonggehandicapte die
aanspraak maakt op of recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
c. de jonggehandicapte ten
aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 24 dan wel een
toelage of vergoeding als bedoeld in artikel 26 worden getroffen of
overwogen;
d. de ingezetene die de
leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt en ten aanzien van wie
voorzieningen als bedoeld in artikel 24 dan wel een toelage of vergoeding als
bedoeld in artikel 26 worden getroffen of overwogen.
-2. De bedrijfsvereniging kan
de in het eerste lid bedoelde personen op een door of namens haar te
bepalen plaats door één of meer daartoe door haar aangewezen deskundigen
doen onderzoeken.
-3. De daartoe door de
bedrijfsvereniging aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van de
bedrijfsvereniging, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen,
ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen
en doen onderzoeken door één of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.
Art. 34.
Vergoeding
kosten en tijdverlies
Opgeroepenen en, indien hun
toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden
reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels
die door Onze Minister worden vastgesteld.
Art. 35.
Voorschriften
van medische of administratieve aard
De bedrijfsvereniging of de
door haar daartoe aangewezen deskundige kan aan de in artikel
33,
eerste lid, bedoelde personen voorschriften geven in het belang van een
behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Art. 36.
Controlevoorschriften
De bedrijfsvereniging kan
controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften behoeven de
goedkeuring van het
College van toezicht sociale verzekeringen en
mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering
van deze wet.
§ 3.
Maatregelen en boeten
Art. 37.
Gevolgen
weigeren onderzoek
-1. De bedrijfsvereniging
weigert de uitkering of de toelage, bedoeld in artikel 26, tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als bedoeld in artikel
33,
eerste lid, na tijdig te zijn opgeroepen niet is verschenen of heeft
geweigerd:
a. vragen te beantwoorden
die zijn gesteld door de bedrijfsvereniging of de door haar daartoe
aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken
door de door de bedrijfsvereniging daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het
voorschrift, gegeven door de bedrijfsvereniging of de door haar daartoe
aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te
verblijven in een aangewezen inrichting.
-2. De bedrijfsvereniging
handelt overeenkomstig het eerste lid bij toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen
uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet
voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.
Art. 38.
Gevolgen
niet-naleving voorschriften
De bedrijfsvereniging
handelt overeenkomstig artikel 37, indien de jonggehandicapte:
a. de door de
bedrijfsvereniging of de door haar daartoe aangewezen deskundige krachtens
artikel
35 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud,
herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan wel tot inschrijving bij
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gegeven voorschriften zonder
deugdelijke grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als de
bedrijfsvereniging of de door haar daartoe aangewezen deskundige te
kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige
behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de
behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat
voldoende mee te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te
verkrijgen;
d. de controlevoorschriften,
bedoeld in artikel 36, of de verplichting, bedoeld in artikel 91,
vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 62, niet
binnen de door de bedrijfsvereniging daarvoor vastgestelde termijn is
nagekomen;
e. zijn
arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan het
voorschrift, bedoeld in artikel 28, vierde lid.
Art. 39.
Afstemming
maatregel op ernst gedraging
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 37 of 38 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de jonggehandicapte de gedraging kan worden
verweten.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien.
-3. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 40 wordt opgelegd.
-4. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 40.
Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Indien de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting, bedoeld in
artikel 62, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt de
bedrijfsvereniging hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. kan de bedrijfsvereniging besluiten van het
opleggen van een boete af te zien.
-4. De persoon aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de bedrijfsvereniging
de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van de persoon aan wie
zij is opgelegd.
-6. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 41.
Voorschriften
rond voorgenomen boeteoplegging
-1. Indien de
bedrijfsvereniging jegens de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de
gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een bepaalde gedraging een
boete zal worden opgelegd, is de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger niet langer verplicht ter zake van
die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het de
boeteoplegging betreft. De jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien de
bedrijfsvereniging voornemens is aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven
aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger onder
vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid, wegens zijn gebrekkige kennis van de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de bedrijfsvereniging er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de
bedrijfsvereniging de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de
gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze
naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar
voren brengt, draagt de bedrijfsvereniging er op verzoek van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die hem kan
bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan
geen behoefte bestaat.
Art. 42.
Voorschriften
rond boetebesluit
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 46 zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger die het in het eerste lid
bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, draagt de bedrijfsvereniging er zoveel mogelijk zorg
voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
wordt meegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 43.
Niet-oplegging van boete
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen op grond van
artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de bedrijfsvereniging.
Art. 44.
Termijnstelling van boete
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat de bedrijfsvereniging de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel
41, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden, vangt het tijdvak van één jaar aan op de dag na die
waarop het openbaar ministerie aan de bedrijfsvereniging heeft meegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 45.
Afwijking
8:69 Awb
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
wijzigen.
Art. 46.
Boetebesluit
executoriale titel
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende
lid.
-2. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering, voorziening, toelage of
vergoeding ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond van de
Toeslagenwet,
wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door
verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd inmiddels een uitkering, voorziening,
toelage, vergoeding of toeslag als bedoeld in het tweede lid ontvangt van
een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die de boete heeft
opgelegd, betaalt die andere bedrijfsvereniging het bedrag van die boete,
zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de
bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd.
-4. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de
betrokken gemeente, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor een machtiging nodig is van hem, op haar verzoek aan de
bedrijfsvereniging die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd geen uitkering, voorziening, toelage,
vergoeding of toeslag als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of
meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering, voorziening,
toelage, vergoeding of toeslag toepassing van het derde en vierde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met
toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel van het vijfde lid, dan
wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-8. Op het executoriaal
beslag op grond van dit artikel door de bedrijfsvereniging op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen die derden verschuldigd
zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de
artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De in artikel 479g aan het Landelijk
Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de
bedrijfsvereniging.
-9. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
blijft beschikken over
een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-10. Het negende lid geldt niet zolang de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel
40, vierde lid, niet of niet
behoorlijk nakomt.
AFDELING
3
De
betaling van de uitkering
Art. 47.
Betaalbaarstelling
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door de bedrijfsvereniging. De
betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
-2. De bedrijfsvereniging
kan een uitkering als bedoeld in het eerste lid over een door haar te
bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar stellen indien
onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte
van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt
verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan uitkering dat
over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-3. Onverminderd het
tweede lid schort de bedrijfsvereniging de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst zij de
betaling, indien zij op
grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden
heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld
in artikel 37, 38 of 62 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-4. Ingeval de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt betaald, worden de daaraan
verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering
gebracht.
-5. Wanneer de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend een ander
machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven
met ingang van een betalingstijdvak aanvangende na de dag
waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop
van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de
eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening
onderscheidenlijk de mededeling.
Art. 48.
Inhouding
vereveningsbijdrage
-1. De bedrijfsvereniging
houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de vakantie-uitkering
en op de toeslag op de uitkering op grond van de Toeslagenwet een bedrag
in dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever op
grond van de Werkloosheidswet op het overeenkomstige loon van een
werknemer
die verzekerd is op grond van die wet inhoudt.
-2. Voor het deel van de
premie, bedoeld in het eerste lid, dat ten gunste komt van het
wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van de
Werkloosheidswet, wordt
met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een
gemiddeld percentage vastgesteld.
Art. 49.
Betaling aan
instellingen
-1. Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, op grond
van artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als
bedoeld in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een vergoeding als bedoeld in
de artikelen 11 en 12 van
die wet, kan de bedrijfsvereniging de
arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats
van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging betalen aan de Ziekenfondsraad.
-2. Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend
in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen en de bedrijfsvereniging van de desbetreffende inrichting
of van de gemeente die de opnamekosten betaalt het verzoek
ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, kan de bedrijfsvereniging dat verzoek zonder het
stellen van andere voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat niet aan de Ziekenfondsraad wordt betaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 50.
Inkomsten uit
arbeid tijdens uitkering
-1. Indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of
deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
ingetrokken of herzien,
doch wordt de uitkering:
a. niet betaald indien
de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a
niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die
arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
-2. Toepassing van het
eerste lid kan ten hoogste plaatsvinden over een aaneengesloten tijdvak
van drie jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid
worden genoten. Dit tijdvak wordt niet onderbroken indien gedurende perioden
van korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na
afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de in het
eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
2,
vierde lid.
-3. Indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet bestaande uit loon op grond van de
Wet Sociale Werkvoorziening, vindt het tweede lid geen toepassing.
-4. Maandelijks wordt het
geraamde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het
derde lid niet worden uitbetaald wegens het genieten van
dat loon, alsmede van de dientengevolge niet-uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag
aan premies dat de
bedrijfsvereniging bij uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd
zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht, aan
’s Rijks kas afgedragen door middel van gelijktijdige verrekening
met het aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming toegekende
voorschot ten behoeve van uitkeringen, voorzieningen, sociale
lasten en uitkeringskosten voor hetzelfde tijdvak.
-5. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels
hebben in elk geval betrekking op:
a. de gelijkstelling van
inkomsten in verband met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste
lid;
b. de gevallen waarin het
eerste lid buiten toepassing blijft.
-6. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten
aanzien van andere vormen van arbeid die de jonggehandicapte gaat
verrichten.
Art. 51.
Samenloop met
WAO-uitkering en andere uitkeringen
-1. Indien zowel recht
bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor
zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en in
verband daarmee geen herziening op grond van
artikel 12 plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag zowel recht bestaat
op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 11 tot en met 16 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover
deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft,
doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte
van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-4. Indien na toepassing
van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen als gevolg
van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voor zover deze het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de
hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening als
bedoeld in het derde lid.
-5. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van
die wet
of op herziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in verband
met de artikelen 12 tot en met 16 van die wet
als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.
-6. Voor de toepassing van
het eerste tot en met het vijfde lid wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tevens
verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover
die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.
-7. Het eerste tot en met
het zesde lid zijn niet van toepassing op degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de
vrijwillige verzekering
als bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-8. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het
eerste lid;
b. ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
andere wetten.
-9. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering ingevolge
de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van
een andere mogendheid.
Art. 52.
Betaling van
vakantie-uitkering
-1. De betaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan
die maand voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op
uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. De
bedrijfsvereniging kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip
betalen, mits die betaling plaatsvindt over één of meer voorliggende maanden
waarover reeds recht op vakantie-uitkering bestaat.
-2. De artikelen 47, 49 en
53 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art. 53.
Overlijdensuitkering
-1. Na het overlijden van
de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden de
uitkering in de vorm van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere
echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien
van wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en
met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de
jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor
de toepassing van dit artikel gelijkgesteld de jonggehandicapte wiens
overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de
leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, doch vóór het bereiken van deze
leeftijd is overleden, en die uitsluitend op grond van artikel
17, eerste lid,
onderdeel a, over de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, worden mede als echtgenoot aangemerkt
niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap
in de eerste graad
bestaat.
-4. Van een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in het derde lid kan slechts sprake zijn
indien twee niet met elkaar gehuwde personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging
voorzien.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het
vierde lid.
-6. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet
over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die
uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de
jonggehandicapte.
-7. In verband met het
overlijden van de jonggehandicapte aan wie een uitkering is toegekend,
is artikel 17, eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
-8. De
overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld
in het eerste lid, door de bedrijfsvereniging betaald.
-9. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.
-10. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat over na het overlijden
gelegen dagen reeds is
betaald.
Art. 54.
Verjaringstermijn
Uitkeringen op grond van
deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd
binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art. 55.
Terugvordering
-1. De uitkering of
voorziening die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 16 of
25
onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt door de bedrijfsvereniging van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan de bedrijfsvereniging besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 56.
-4. De persoon van wie of
de instelling waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan
de bedrijfsvereniging de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
Art. 56.
Besluit als
executoriale titel
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 46 is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 57.
Nadere regels
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de
terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als
bedoeld in de artikel 55 en 56.
Art. 58.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in artikel 9, de vakantie-uitkering, de voorziening, alsmede
de toelage en de vergoeding, bedoeld in artikel 26, zijn:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
Art. 59.
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen
Niet vatbaar voor beslag
zijn:
a. de verhoging, bedoeld
in artikel 9;
b. de voorziening,
bedoeld in artikel 24;
c. de vergoeding, bedoeld
in artikel 26; en
d. de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53.
HOOFDSTUK
3
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 60.
Samenloop
aanspraken
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop de jonggehandicapte naar
burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn
arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij op grond
van deze
wet heeft.
Art. 61.
Regresrecht
-1. De bedrijfsvereniging
heeft voor de op grond van deze wet gemaakte kosten verhaal op degene
die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid
jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is
verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het
ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht
aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de
jonggehandicapte naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. De bedrijfsvereniging
kan in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de
contante waarde daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te stellen
afkoopsom die aan de bedrijfsvereniging wordt vergoed voor de totale
schadelast tengevolge van het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid.
HOOFDSTUK
4
Het
verstrekken van inlichtingen
Art. 62.
Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen
-1. De jonggehandicapte,
diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 49, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn
verplicht aan de bedrijfsvereniging die bevoegd is tot toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, op haar verzoek of
onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van alle feiten of
omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering,
het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de
uitkering dat wordt betaald.
-2. Op de jonggehandicapte
die aanspraak maakt op of recht heeft op vakantie-uitkering,
alsmede de jonggehandicapte ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld
in artikel 24 dan wel een toelage of vergoeding als bedoeld in
artikel 26
worden getroffen of overwogen, alsmede op diens wettelijke vertegenwoordiger, rusten overeenkomstige verplichtingen
als omschreven in het
eerste lid.
HOOFDSTUK
5
Financiering
Art. 63.
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 64 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de
uitgaven, bedoeld in artikel 65, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten dat deel uitmaakt van het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming.
Art. 64.
Middelen tot
dekking van de uitgaven
In de middelen tot
dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten wordt voorzien door:
a. het Rijk;
b. de bedragen, bedoeld
in artikel 48;
c. de boeten, bedoeld in
artikel 40;
d. de bedragen die de
bedrijfsvereniging ontvangt met toepassing van verhaal als bedoeld in
artikel 61.
Art. 65.
Uitgaven ten
laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
-1. Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten komen:
a. de op grond van deze
wet te betalen uitkeringen;
b. de voorzieningen,
bedoeld in artikel 24;
c. de toelagen en
vergoedingen, bedoeld in artikel 26;
d. de op grond van enige
wet over de uitkeringen op grond van deze wet door de
bedrijfsvereniging verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering
kunnen worden gebracht;
e. het op grond van
artikel 50, vierde lid, aan ’s Rijks kas af te dragen bedrag;
f. de toelagen, bedoeld
in artikel 67;
g. de aan de uitvoering
van deze wet verbonden kosten.
-2. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming stelt ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten aan de bedrijfsvereniging gelden
ter beschikking voor de financiering van de in het eerste lid bedoelde
lasten.
-3. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming kan, onder goedkeuring van het
College van toezicht sociale verzekeringen, regels stellen ter uitvoering
van het eerste en tweede lid.
HOOFDSTUK
6
Uitvoering
Art. 66.
Uitvoering
door de bedrijfsvereniging
-1. In de uitvoering van
de in deze wet geregelde voorziening wordt voorzien door de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
-2. Indien de
jonggehandicapte in geval van arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag
tevens aanspraak heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, geschiedt
de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door de
bedrijfsvereniging tegenover welke hij die aanspraak heeft.
-3. Indien de
jonggehandicapte recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen die is
toegekend met ingang van een dag gelegen vóór de dag waarop hij recht
heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend door de bedrijfsvereniging die de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen heeft
toegekend.
-4. Het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming kan regels stellen waarbij een
bevoegde bedrijfsvereniging wordt aangewezen in geval van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkeringen op grond van andere
wettelijke regelingen in gevallen anders dan bedoeld in het tweede en
derde lid.
-5. De bedrijfsvereniging
die bevoegd is tot toekenning, herziening of heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is tevens bevoegd
met betrekking tot de
uitvoering van artikel 24.
Art. 67.
Verlening
toelagen
Het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming kan in het belang van de bij deze wet
geregelde voorziening toelagen verlenen aan instellingen of organisaties die ten doel hebben het nemen of bevorderen van
maatregelen die
strekken tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
HOOFDSTUK
7
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art. 68. Begrip
belanghebbende
Bij een besluit op grond
van deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of
voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid is belanghebbende degene
op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.
Art. 69.
Beslistermijnen
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag en op grond van deze wet door
de bedrijfsvereniging dient te worden gegeven. Deze algemene maatregel
van bestuur vervalt met ingang van 1 januari 1999.
Art. 70. Beslistermijn
bedrijfsvereniging bij bezwaarschrift
-1. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de
bedrijfsvereniging binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
-2. Indien bezwaar wordt
gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist de bedrijfsvereniging binnen
zeventien weken of, indien zij advies vraagt aan een deskundige die niet
onder haar verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen 21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 71. Medische
bezwaarschriftprocedure
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 72. Beroep in
cassatie
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale Raad van
Beroe
kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel
3.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de
gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
HOOFDSTUK
8
Strafbepalingen
Art. 73. Strafbepaling
Overtreding van
bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van
bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 74. Verval van
recht tot strafvordering
Het recht tot
strafvordering vervalt indien de bedrijfsvereniging aan de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger ter zake van hetzelfde feit reeds een
boete heeft opgelegd.
Art. 75. Overtredingen
De in artikel 73 bedoelde
strafbare feiten zijn overtredingen.
HOOFDSTUK
9
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 76.
Overgangsbepaling studerende in de zin van artikel 5
Zolang op grond van
artikel XII, onderdeel a, van de Wet van 21 december 1995, Stb.
1995, 691,
tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede
enige andere wijzigingen) voor een kind recht bestaat op kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, wordt dat kind aangemerkt als
studerende in de zin van artikel 5, tweede lid.
Art. 77. Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 6, tweede en derde lid, 12, derde lid, 13,
14, eerste lid, 15,
19 en 20.
Art. 78.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art. 79. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
24 april 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van
Justitie,
W. Sorgdrager
|
|